De Limburgse arbeidsmarkt 2002-2006



Vergelijkbare documenten
De Limburgse arbeidsmarkt

V erschenen in: ESB, 83e jaargang, nr. 4149, pagina 344, 24 april 1998 (datum) De arbeidsmarkt voor informatici is krap en zal nog krapper worden.

Regionale Arbeidsmarkt Informatie Limburg update juni 2013

Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt Gelieerd aan Maastricht University, SBE 3 afdelingen:

Noordelijke Arbeidsmarkt Verkenning 2004

De Limburgse arbeidsmarkt

Samenvatting UWV Arbeidsmarktprognose Met een doorkijk naar 2018

ECONOMISCHE MONITOR EDE 2015 I

De Overijsselse arbeidsmarkt naar opleiding en beroep

Aantal werkzoekenden en WW-uitkeringen opnieuw toegenomen

Aantal werkzoekenden en aantal WWuitkeringen

Kwartaalrapportage Arbeidsmarkt Breda 2009

Aantal werkzoekenden en aantal WWuitkeringen

Factsheet. Monitor jeugdwerkloosheid Amsterdam Werkloosheid stijgt naar 24% Definities. Nummer 6 juni 2014

Een uitdagende arbeidsmarkt. Erik Oosterveld 24 juni 2014

Ad en arbeidsmarktprognoses: Hoe gaat het nu, en is er straks een andere insteek nodig?

Arbeidsmarktbarometer Onderwijs

Tekorten op de ICT-arbeidsmarkt verklaard Door Has Bakker (beleidsadviseur ICT~Office)

Februari Brancheschets Horeca

CBS: Voorzichtig herstel arbeidsmarkt in het tweede kwartaal

Knelpunten blijven, ondanks daling groei

De arbeidsmarkt in Zuidoost-Brabant. UWV Gerald Ahn 9 september 2014

Februari Brancheschets Zorg & Welzijn

Arbeidsmarktperspectief voor laagopgeleiden ongunstig

Langzaam maar zeker zijn ook de gevolgen van de economische krimp voor de arbeidsmarkt zichtbaar

4. Werkloosheid in historisch perspectief

Juni 2012 Meer werkzoekenden (NWW) dan een jaar geleden Aantal WW-uitkeringen in een jaar tijd met gestegen

1 Inleiding: de metamorfose van de arbeidsmarkt

E,til. RAIL De Limburgse Arbeidsmarkt Rayonrapportage Weert Maart RAIL-43. E,til Maastricht, maart 2003

Regiorapportage Nijmegen

Kortetermijnontwikkeling

E,til. RAIL De Limburgse Arbeidsmarkt Rayonrapportage Venray Maart RAIL-45. E,til Maastricht, maart 2003

Allochtonen op de arbeidsmarkt

Economische Barometer 2017 Bergen op Zoom en Roosendaal. Kernuitkomsten vergeleken, februari >

Niet-werkende werkzoekenden

Vacatures in de industrie 1

Werkgelegenheidsonderzoek 2010

Basiscijfers gemeenten. Arbeidsmarktregio Midden-Utrecht

Arbeidsmarktregio Drenthe

Transcriptie:

De Limburgse arbeidsmarkt 2002-2006 ROA-R-2003/3 F. Cörvers B.J. Diephuis P. van Eijs m.m.v. H. van Camp (E,til) Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt Faculteit der Economische Wetenschappen en Bedrijfskunde Universiteit Maastricht Maastricht, maart 2003

DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT 2002-2006 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, of op welke wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de directeur van het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt. In geval van overname van het datamateriaal moet telkens als bron worden vermeld: Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt of ROA. Van publicaties waarin gebruik wordt gemaakt van gegevens uit dit rapport ontvangen wij gaarne een exemplaar. Hoewel de grootst mogelijke zorg is besteed aan de inhoud van dit rapport, kan het ROA in generlei opzicht verantwoordelijkheid op zich nemen voor eventuele onvolledigheden of onjuistheden. RAIL 2002 is financieel mogelijk gemaakt door: Centrum voor Werk en Inkomen: CWI afdeling Arbeidsmarktkennis en advies Zuidoost Nederland Limburgse gemeenten: Maastricht Heerlen Sittard-Geleen Weert Roermond Venlo Venray Limburgs bedrijfsleven: DSM Stg. Maakt t in de Techniek Zorg aan Zet Kamer van Koophandel Limburg Noord Kamer van koophandel Zuid-Limburg Limburgs beroepsonderwijs: Arcus College Leeuwenborgh Opleidingen Gilde Opleidingen AOC Limburg Provincie Limburg Colofon Vormgeving omslag Lay-out, dtp en druk Oplage Lenting en Terlingen Grafisch Ontwerp E,til, Unigraphic, Universiteit Maastricht 600 exemplaren ISBN 90-5321-359-7 Sec03.008.doc

INHOUDSOPGAVE Inhoudsopgave Voorwoord Verschenen RAIL-publicaties Ten geleide I III V 1 De Limburgse arbeidsmarkt in vogelvlucht 1 1.1 Inleiding 2 1.2 De Limburgse arbeidsmarkt in de voorbije jaren 2 1.3 De verwachte arbeidsmarktontwikkelingen in Limburg op hoofdlijnen 11 1.4 Vraag- en aanbodontwikkelingen op de Limburgse arbeidsmarkt op korte en middellange termijn 14 2 De vraag naar arbeidskrachten in Limburg 19 2.1 Inleiding 19 2.2 Vacatures naar beroep 20 2.3 Uitbreidingsvraag naar beroep 21 2.4 Vervangingsvraag naar beroep 22 2.5 Totale vraag naar arbeidskrachten naar beroep 24 3 De instroom van schoolverlaters op de Limburgse arbeidsmarkt 27 3.1 Inleiding 28 3.2 Het aantal gediplomeerden in Limburg 28 3.3 Het aantal leerlingen in Limburg 30 3.4 Het aanbod van schoolverlaters in 2003 33 3.5 De arbeidsmarktpositie van MBO-schoolverlaters 35 3.6 Uitwijkmogelijkheden naar verschillende beroepsgroepen voor MBO-gediplomeerden 43 4 Knelpunten en perspectieven op de Limburgse arbeidsmarkt in 2003 45 4.1 Inleiding 45 4.2 Knelpunten in de personeelsvoorziening 46 4.3 Arbeidsmarktperspectieven voor schoolverlaters 48 4.4 De conjunctuurgevoeligheid van de Limburgse werkgelegenheid 50 5 De Limburgse arbeidsmarkt in haar regionale verscheidenheid 55 5.1 Inleiding 57 5.2 Algemene karakterisering van de zeven arbeidsmarktrayons 57 5.3 Actuele discrepanties najaar 2002 62 5.4 De rayons in perspectief 63 Verklarende woordenlijst 67

DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT 2002-2006

VOORWOORD Voorwoord Voor u ligt de zesde set van publicaties van het project Regionale Arbeidsmarkt Informatie Limburg (RAIL): De Limburgse arbeidsmarkt 2002-2006. De publicaties zijn samengesteld door het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) en het Etil, beide verbonden aan de Universiteit Maastricht. Evenals vorig jaar bestaat deze jaargang uit tien delen, waaronder de beknopte rapportage, het hoofdrapport, de statistische bijlage en zeven rayonrapportages. Qua methodiek en aanpak ligt de uitgave in de lijn van voorgaande jaren: actueel, vernieuwend en oplossingsgericht. Na jaren van economische voorspoed is thans het tij gekeerd en is de economische groei vrijwel tot stilstand gekomen. Dit heeft gevolgen voor de Limburgse arbeidsmarkt. In oktober 2002 is het aantal openstaande vacatures ongeveer de helft van 1 1 /2 jaar daarvoor, en is het aantal werkzoekenden met bijna 20% gestegen. Inmiddels is bekend dat de werkloosheid na oktober 2002 fors is blijven stijgen. De huidige omslag op de arbeidsmarkt maakt duidelijk dat adequate en actuele arbeidsmarktinformatie onmisbaar blijft. Middels het project Regionale Arbeidsmarkt Informatie Limburg (RAIL) heeft Limburg op dit vlak een reputatie opgebouwd. In géén enkele provincie in Nederland is zoveel geschikte arbeidsmarktinformatie voorhanden. Actuele informatie, korte en lange termijn prognoses, verdeeld naar opleiding, beroep, sector en rayon. Voor elk wat wils dus. De informatie is niet alleen beschikbaar, ze wordt ook gebruikt. Dit bleek uit de klantmeting die naar aanleiding van de voorgaande uitgave is verricht. Naast het gebruik via www.railsite.nl worden jaarlijks circa vier duizend publicaties verzonden aan ruim duizend personen of instellingen. De RAIL-publicaties en de Website worden tezamen zo n 16 duizend keer per jaar geraadpleegd. Daarnaast wordt de helpdesk RAIL zo n 200 keer per jaar bevraagd, worden er zo n 20 RAIL-presentaties per jaar gegeven en verschijnen er jaarlijks circa 20 berichten in dag- en tijdschriften. Deze informatie wordt gebruikt ter algemene oriëntatie, maar ook om bijvoorbeeld beslissingen te nemen over het al dan niet opstarten van een nieuwe opleiding, doorstroming in het onderwijs te bevorderen, sectoren rayonplannen te onderbouwen, projecten op te starten e.d. Het grote gebruik van RAIL-informatie is mede te danken aan de opzet van het project. Vanaf het begin zijn allerlei partijen betrokken, zoals het Centrum voor Werk en Inkomen, de Limburgse gemeenten, het Limburgs Beroepsonderwijs, het Limburgs Bedrijfsleven en de Provincie Limburg. Met ingang van 2003 wordt de verwevenheid met relevante (beleids-) actoren nog verder vergroot, door de aanhaking bij het Vertrouwenspact Werkgelegenheid Limburg. Nu het project onder verantwoordelijkheid van het Vertrouwenspact plaatsvindt, is nog beter gewaarborgd dat de resultaten van het onderzoek worden benut voor het voeren van gefundeerd en gedeeld arbeidsmarktbeleid in de provincie Limburg. Zeker nu de werkloosheid stijgt is dit hard nodig. Het project Regionale Arbeidsmarkt Informatie Limburg (RAIL) maakt de arbeidsmarkt transparanter en het arbeidsmarktbeleid consistenter. Daarom zijn wij ervan overtuigd dat I

DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT 2002-2006 RAIL ook de komende jaren een solide basis zal vormen voor het vinden van de juiste oplossingen voor knelpunten op de Limburgse arbeidsmarkt. Wij zijn vol vertrouwen dat RAIL nu in goede handen is bij het Vertrouwenspact Werkgelegenheid Limburg. Aftredend voorzitter stuurgroep RAIL Drs. J.Th. Sørensen Voorzitter Vertrouwenspact Limburg Gedeputeerde H.F.M. Evers RAIL Regionale Arbeidsmarkt Informatie Limburg II

VERSCHENEN RAIL PUBLICATIES Verschenen RAIL-publicaties 98.RAIL-01 98.RAIL-02 98.RAIL-03 99.RAIL-04 99.RAIL-05 99.RAIL-06 99.RAIL-07 00.RAIL-08 00.RAIL-09 00.RAIL-10 00.RAIL-11 01.RAIL-12 01.RAIL-13 01.RAIL-14 01.RAIL-15 01.RAIL-16 01.RAIL-17 01.RAIL-18 01.RAIL-19 01.RAIL-20 01.RAIL-21 02.RAIL-22 02.RAIL-23 02.RAIL-24 02.RAIL-25 02.RAIL-26 02.RAIL-27 02.RAIL-28 02.RAIL-29 02.RAIL-30 02.RAIL-31 02.RAIL-32 03.RAIL-33 03.RAIL-34 De Limburgse arbeidsmarkt 1997-2002; hoofdrapport* De Limburgse arbeidsmarkt 1997-2002; statistische bijlage* Kwalitatieve informatie over de Limburgse arbeidsmarkt; werkdocumenten industrie, handel* De Limburgse arbeidsmarkt 1998-2002; hoofdrapport* De Limburgse arbeidsmarkt 1998-2002; statistische bijlage* De Limburgse arbeidsmarkt 1998-2002; sectorrapportage bouw, zakelijke dienstverlening, zorg* De Limburgse arbeidsmarkt 1998-2002; beknopte rapportage* De Limburgse arbeidsmarkt 1999-2004; hoofdrapport* De Limburgse arbeidsmarkt 1999-2004; statistische bijlage* De Limburgse arbeidsmarkt 1999-2004; sectorrapportage horeca, toerisme & recreatie, en overheid* De Limburgse arbeidsmarkt 1999-2004; beknopte rapportage* De Limburgse arbeidsmarkt 2000-2004; hoofdrapport De Limburgse arbeidsmarkt 2000-2004; statistische bijlage De Limburgse arbeidsmarkt 2000-2004; rayonrapportage Maastricht Mergelland De Limburgse arbeidsmarkt 2000-2004; rayonrapportage Parkstad Limburg* De Limburgse arbeidsmarkt 2000-2004; rayonrapportage Westelijke Mijnstreek* De Limburgse arbeidsmarkt 2000-2004; rayonrapportage Roermond* De Limburgse arbeidsmarkt 2000-2004; rayonrapportage Weert* De Limburgse arbeidsmarkt 2000-2004; rayonrapportage Venlo De Limburgse arbeidsmarkt 2000-2004; rayonrapportage Venray De Limburgse arbeidsmarkt 2000-2004; beknopte rapportage Naar de arbeidsmarkt zonder grenzen; 2001; eerste ontwikkeljaar* De Limburgse arbeidsmarkt 2001-2006; hoofdrapport De Limburgse arbeidsmarkt 2001-2006; statistische bijlage De Limburgse arbeidsmarkt 2001-2006; rayonrapportage Maastricht Mergelland De Limburgse arbeidsmarkt 2001-2006; rayonrapportage Parkstad Limburg* De Limburgse arbeidsmarkt 2001-2006; rayonrapportage Westelijke Mijnstreek* De Limburgse arbeidsmarkt 2001-2006; rayonrapportage Roermond* De Limburgse arbeidsmarkt 2001-2006; rayonrapportage Weert* De Limburgse arbeidsmarkt 2001-2006; rayonrapportage Venlo De Limburgse arbeidsmarkt 2001-2006; rayonrapportage Venray* De Limburgse arbeidsmarkt 2001-2006; beknopte rapportage RAIL-Euregionaal 2002: De Euregionale arbeidsmarkt in een conjunctureel dal; managementsamenvatting RAIL-Euregionaal 2002: De Euregionale arbeidsmarkt in een conjunctureel dal; statistische bijlage III

DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT 2002-2006 03.RAIL-35 03.RAIL-36 03.RAIL-37 03.RAIL-38 03.RAIL-39 03.RAIL-40 03.RAIL-41 03.RAIL-42 03.RAIL-43 03.RAIL-44 03.RAIL-45 03.RAIL-46 RAIL euregional 2002 ; der euregionale Abeitsmarkt auf konjunktureller Talfahrt, Management-Zusammenfassung RAIL eurégional 2002; le marché de l emploi eurégional dans un creux conjoncturel, synthèse De Limburgse arbeidsmarkt 2002-2006; hoofdrapport De Limburgse arbeidsmarkt 2002-2006; statistische bijlage De Limburgse arbeidsmarkt 2002-2006; rayonrapportage Maastricht en Mergelland De Limburgse arbeidsmarkt 2002-2006; rayonrapportage Parkstad Limburg De Limburgse arbeidsmarkt 2002-2006; rayonrapportage Westelijke Mijnstreek De Limburgse arbeidsmarkt 2002-2006; rayonrapportage rayon Roermond De Limburgse arbeidsmarkt 2002-2006; rayonrapportage rayon Weert De Limburgse arbeidsmarkt 2002-2006; rayonrapportage rayon Venlo De Limburgse arbeidsmarkt 2002-2006; rayonrapportage rayon Venray De Limburgse arbeidsmarkt 2002-2006; beknopte rapportage * Publicatie niet meer in boekvorm verkrijgbaar. RAIL op internet: www.railsite.nl IV

TEN GELEIDE Ten geleide Van verschillende zijden bestaat er behoefte aan betrouwbare informatie over de actuele en toekomstige arbeidsmarktsituatie in de provincie Limburg. Deze informatiebehoefte vormde de aanleiding tot het project Regionale Arbeidsmarkt Informatie Limburg (RAIL), dat beoogt te komen tot een geïntegreerd informatiesysteem toegespitst op de provincie Limburg. In het RAIL-project participeren: CWI Zuidoost-Nederland, de Provincie Limburg, de zeven kerngemeenten (Heerlen, Maastricht, Roermond, Sittard-Geleen, Venlo, Venray en Weert), de vier Regionale Opleidingscentra in Limburg (Arcus College, Gilde Opleidingen, Leeuwenborgh Opleidingen en het AOC Limburg) en het Limburgs bedrijfsleven (DSM, Stg. Maakt t in de Techniek, Zorg aan Zet, Kamer van Koophandel Noord, Kamer van koophandel Zuid-Limburg). Er wordt derhalve binnen RAIL samengewerkt door een aantal partners die zowel gebruiker als leverancier van informatie zijn. RAIL is hiermee één van de kernactiviteiten van het Vertrouwenspact Limburg, een breed bestuurlijk platform waarin partijen beleidsafspraken maken met betrekking tot arbeidsmarkt en beroepsopleidingen. Het thans voor u liggende rapport De Limburgse arbeidsmarkt 2002-2006 vormt de zesde uitgave van het hoofdrapport van het RAIL project. Het rapport is samengesteld door het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) en bevat tevens een bijdrage van Etil. Het rapport is primair gericht op het in kaart brengen van de actuele en toekomstige discrepanties naar bedrijfssector, beroep en opleiding op de Limburgse arbeidsmarkt. Door zowel de huidige situatie als de toekomstige ontwikkelingen te beschrijven, heeft RAIL hiermee een signaleringsfunctie voor diverse gebruiksdoelen. Hierbij kan gedacht worden aan het personeels- en rekruteringsbeleid van werkgevers, het initiëren en bijsturen van bijen omscholingsprogramma s voor niet-werkende werkzoekenden, de arbeidsbemiddeling en het arbeidsmarkt- en onderwijsbeleid. Tegelijkertijd met dit rapport verschijnt ook de bijbehorende Statistische Bijlage. Hierin wordt een systematisch kwantitatief overzicht gegeven van de actuele arbeidsmarktgegevens en de verwachte ontwikkelingen die ten grondslag liggen aan dit hoofdrapport. De actuele arbeidsmarktinformatie over onder meer werkenden, werkzoekenden, schoolverlaters en vacatures naar beroep en opleiding in zowel het hoofdrapport als de Statistische Bijlage zijn zoveel mogelijk aangepast aan de beschikbare gegevensbronnen op het moment van het samenstellen van dit rapport. Een deel van deze gegevensbronnen zijn tevens gebruikt om de kortetermijnprognoses voor 2003 op te stellen. De middellangetermijnprognoses worden één keer per twee jaar geactualiseerd en zijn dit maal ontleend aan de rapportage van vorig jaar. Het rapport bestaat uit vijf hoofdstukken. De eerste drie hoofdstukken geven een overzicht van de huidige en toekomstige ontwikkelingen op de Limburgse arbeidsmarkt. In hoofdstuk 1 wordt een globaal overzicht gegeven van de belangrijkste arbeidsmarktontwikkelingen verbijzonderd naar bedrijfssector, beroepsklasse en opleidingssector. Hoofdstuk 2 gaat nader in op de te verwachten ontwikkelingen aan de vraagzijde van de Limburgse arbeidsmarkt op de korte en middellange termijn, waarbij tevens een vergelijking met de verwachte werkgelegenheidsontwikkeling in Nederland wordt gemaakt. In hoofdstuk 3 wordt een overzicht gepresenteerd van de actuele leerlingenaantallen in het MBO in Limburg op basis van data die door de Limburgse AOC en ROC s zijn verstrekt aan V

DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT 2002-2006 het Ministerie van OCenW en het Ministerie van LNV (Bekostigingstellingen van het CFI respectievelijk STOAS). Tevens wordt in het hoofdstuk aangegeven wat de mate van open en verborgen discrepanties op de arbeidsmarkt is voor schoolverlaters van het MBO. Deze bespreking van de arbeidsmarktpositie van MBO-schoolverlaters gebeurt als altijd op basis van het Schoolverlaters Informatie Systeem (SIS) van het ROA. Tevens bevat het hoofdstuk een analyse van de mogelijkheden voor schoolverlaters met een bepaalde opleidingsachtergrond uit te wijken naar verschillende beroepen op de arbeidsmarkt. Het confronteren van vraag en aanbod resulteert vervolgens in hoofdstuk 4 in een overzicht van de in 2003 te verwachten discrepanties naar opleiding en beroep. Verder wordt er in dit hoofdstuk aandacht besteed aan de conjunctuurgevoeligheid van de Limburgse werkgelegenheid. In hoofdstuk 5 geeft Etil een vergelijking van de arbeidsmarktsituatie tussen de zeven rayons in Limburg. Dit hoofdstuk is gebaseerd op de resultaten van de zeven rayonrapportages van Etil, die dit jaar voor de derde keer verschijnen. Hierin wordt de arbeidsmarktsituatie per rayon in beeld gebracht. Het voorliggende rapport (incl. Statistische Bijlage) en de rayonrapportages van Etil zijn in onderlinge samenwerking tot stand gekomen, zodanig dat er consistentie bestaat in gehanteerde definities en aantallen. De projectleiding van RAIL is bij het ROA in handen geweest van F. Cörvers. Aan de huidige versie van het hoofdrapport en de bijbehorende Statistische Bijlage is bij het ROA meegewerkt door B.J. Diephuis, S. Dijksman en P. van Eijs. Bij Etil is meegewerkt door H. van Camp, W. Derks, L. Mosselman en Y. Pilet. Onze dank gaat uit naar de leden van het RAIL-projectteam. De volgende personen hebben hierin zitting: G. Ahn (CWI Zuidoost-Nederland), H. Duijvestein (CWI Zuidoost- Nederland, projectleider), L. Hodzelmans (AOC Limburg), W. Huurdeman (Gilde Opleidingen), N. Naus (Gemeente Venlo), P. Peters (Arcus College), J. Ramakers (Gemeente Roermond), M. van Smoorenburg (CWI Zuidoost-Nederland), J. Soogelée (Leeuwenborgh Opleidingen), R. Widdershoven (Provincie Limburg). VI

DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT IN VOGELVLUCHT 1 De Limburgse arbeidsmarkt in vogelvlucht De vorig jaar reeds geconstateerde afname van de economische groei heeft zich duidelijk vertaald in de huidige arbeidsmarktsituatie. In 2002 is het aantal openstaande vacatures met ongeveer de helft afgenomen, terwijl het aantal werkzoekenden flink toeneemt. De arbeidsmarktkrapte blijkt in 2002 dan ook aanzienlijk te zijn gedaald. Terwijl in april 2001 tegenover iedere 100 direct bemiddelbare werkzoekenden maar liefst 251 openstaande vacatures stonden, is dat aantal in oktober 2002 gedaald tot 92. De afname in de economische groei zet zich verder door in 2003. In Limburg blijft het groeitempo van de economie lager dan landelijk. Dit betekent ook dat de werkgelegenheidsgroei achterblijft bij de landelijke ontwikkeling. In dit rapport wordt uitgegaan van een werkgelegenheidsgroei voor Limburg van 0,5% in 2003. Dit percentage kan echter lager uitvallen als de conjunctuur verder verslechtert. Daarentegen is het aantal baanopeningen dat ontstaat door de uitstroom van personeel van de arbeidsmarkt hoger dan landelijk, mede door de sterkere vergrijzing van de werkende beroepsbevolking in Limburg. In 2003 zullen er voor schoolverlaters in Limburg bijna 25.000 banen beschikbaar zijn. Tegenover een instroom van 23.500 schoolverlaters 1 leidt dit tot een vraagoverschot van circa 1.500 personen. Dit is slechts 0,3% van de werkende beroepsbevolking in Limburg. Een terugval in de werkgelegenheidsgroei naar de nullijn impliceert dat het vraagoverschot omslaat in een aanbodoverschot. Deze mogelijkheid is reëel aanwezig gezien de neerwaartse bijstellingen van de landelijke economische groei en werkgelegenheidsgroei voor 2003 door het Centraal Planbureau. Schoolverlaters lopen bij conjuncturele tegenwind in Limburg een grotere kans op werkloosheid dan landelijk omdat zij relatief vaak een deeltijdbaan en een flexibele aanstelling hebben. Op de middellange termijn zal naar verwachting de instroom van nieuwkomers op de arbeidsmarkt ontoereikend blijven om in de vraag te kunnen voorzien. Hierdoor zullen de knelpunten op de Limburgse arbeidsmarkt op de middellange termijn groot blijven. In 2003 zullen er maar liefst 6 van de 13 onderscheiden bedrijfssectoren getroffen worden door een krimp van de werkgelegenheid. Dat de totale werkgelegenheidsgroei nog positief uitvalt is vooral te danken aan de groei in de sectoren Kwartaire diensten, Overheid en onderwijs en Horeca en zakelijke dienstverlening. Dit betekent dat deze sectoren voor 2003 de banenmotor zullen vormen. Wanneer de baanopeningen worden afgezet tegen de instroom, zien we dat er in tegenstelling tot de prognoses voor 2002 nu beduidend minder grote knelpunten in de personeelsvoorziening voor werkgevers worden verwacht voor een aantal beroepsklassen. De algemene omslag in de arbeidsmarktsituatie is toe te schrijven aan flinke daling van de verwachte uitbreidingsvraag door de tegenvallende conjunctuur. De vervangingsvraag en de arbeidsmarktinstroom worden uiteraard minder sterk beïnvloed door de conjunctuur. De beroepsklassen waarvoor in 2003 weinig knelpunten worden voorzien zijn de Agrarische beroepen, de Transportberoepen en de Openbare orde- 1 Dit aantal schoolverlaters is inclusief de werkenden die in het post-initieel onderwijs een andere opleiding op hetzelfde opleidingsniveau of hoger hebben gevolgd. Verder heeft de instroom van schoolverlaters hier (in tegenstelling tot hoofdstuk 3) ook betrekking op de afgestudeerden van het hoger onderwijs (HBO en WO) die naar verwachting op de Limburgse arbeidsmarkt instromen. 1

DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT 2002-2006 en veiligheidsberoepen. Het is echter van groot belang om op te merken dat er binnen deze relatief breed samengestelde beroepsklassen uiteenlopende verwachtingen kunnen gelden ten aanzien van de verschillende beroepsgroepen binnen één beroepsklasse. De grootste knelpunten in de personeelsvoorziening worden in 2003 verwacht voor de Pedagogische beroepen vanwege de sterk achterblijvende instroom van schoolverlaters in deze beroepen. 2 Over het algemeen blijven de perspectieven voor schoolverlaters in 2003 redelijk tot goed. Hierbij is echter de eerder gemaakte kanttekening van een verder verslechterende conjunctuur op zijn plaats. De belangrijkste uitzonderingen op de vooralsnog redelijk tot goede perspectieven vormen schoolverlaters van MBO uiterlijke verzorging en MBO beweging en therapie die in 2003 op de arbeidsmarkt instromen. Zij hebben matige respectievelijk slechte arbeidsmarktperspectieven. 1.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de ontwikkelingen op de Limburgse arbeidsmarkt in 2003. Daarbij wordt in paragraaf 1.2 eerst gekeken naar de economische groei en de groei van de werkgelegenheid in de afgelopen jaren, mede om een indruk van de mogelijke toekomstige ontwikkelingen te kunnen krijgen. In aansluiting daarop zal de ontwikkeling van het aantal openstaande vacatures en niet-werkende werkzoekenden en de daaruit resulterende arbeidsmarktkrapte in kaart worden gebracht. Tevens wordt aandacht besteed aan de arbeidsmarktpositie van schoolverlaters in Limburg en Nederland. Aansluitend zal in paragraaf 1.3 worden ingegaan op de verwachte arbeidsmarktontwikkelingen op hoofdlijnen. In paragraaf 1.4 wordt specifiek ingegaan op de verwachte vraag- en aanbodontwikkelingen naar beroep en opleiding op de korte en middellange termijn. 1.2 De Limburgse arbeidsmarkt in de voorbije jaren Groeitrends in Limburg ten opzichte van Nederland De economische groei in Nederland stagneert. Het Centraal Planbureau (CPB) verwacht dat de groei voor 2002 op slechts 0,25% voor 2002 zal uitkomen. 3 In 2001 waren de voortekenen van deze terugval van de economie al aanwezig. Ook Limburg ontkomt niet aan de neergaande conjunctuur. Figuur 1.1 geeft de dalende trend van de economische groei weer voor Limburg en Nederland. Daarbij komt dat de economische groei sinds 1997/98 sterker daalt voor Limburg dan voor Nederland. Mede op basis van de regionaal-economische groeicijfers van Limburg kan worden vastgesteld dat de jaren van grote economische voorspoed voorlopig voorbij zijn. Omdat de arbeidsmarkt met enige vertraging reageert kan worden afgeleid dat de jaren met de grootste schaarste op de arbeidsmarkt eveneens voorbij zijn. Werkgevers, waaronder de verschillende landelijke en regionale overheidsinstanties, zullen voor de vacatures die zij niet konden vervullen gedurende de afgelopen jaren, alsnog geschikt personeel proberen aan te 2 De beroepsklasse van de Pedagogische beroepen bestaat voor een groot deel uit verschillende beroepsgroepen van docenten (zie ook de bijbehorende Statistische Bijlage). De regionale instroom van afgestudeerden in deze beroepsgroepen wordt sterk bepaald door de landelijke ontwikkeling van het aantal gediplomeerden met een lerarenopleiding. 3 Zie de prognoses van het Centraal Planbureau in CPB Report 2002/4, december 2002, Den Haag. 2

DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT IN VOGELVLUCHT stellen. Hierdoor ontstaat er eerst een na-ijl effect aan de vraagzijde van de arbeidsmarkt vanwege de vacatures die het moeilijkste te vervullen waren. Werkgevers zullen echter vanwege de onzekere conjuncturele ontwikkeling over de hele linie afwachtender zijn met het werven van nieuw personeel dan voorheen. Figuur 1.1 De regionale economische groei (jaarlijkse groei van het volume van de toegevoegde waarde), in Limburg en Nederland, 1996-2001 6,0 5,0 4,0 3,0 2,0 1,0 0,0 1996 1997 1998 1999 2000 2001 Limburg Nederland Bron: CBS/CPB/E,til Een eventuele inkrimping van het vaste personeelsbestand is pas aan de orde als de omzeten productiegroei op de wat langere termijn blijven tegenvallen. Deze zouden immers op korte termijn kunnen herstellen, waardoor er onnodig extra kosten gemaakt zouden moeten worden voor de personeelswerving. Naar verwachting zullen de werkenden met een flexibel arbeidscontract het eerst hun baan verliezen. Zij kunnen echter relatief snel worden aangenomen als de economie weer aantrekt. Verder kan de uitstoot van arbeid worden versneld door ouderen, maar ook arbeidsgehandicapten, sneller te laten uitstromen. Deze groepen zijn echter moeilijker aan het werk te helpen als de krapte op de arbeidsmarkt weer toeneemt. 3

DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT 2002-2006 Figuur 1.2 De groei van het arbeidsvolume (jaarlijkse groei in arbeidsjaren van werkenden in voltijdbanen) in Limburg en Nederland, 1976-2002 4,0 3,0 2,0 1,0 0,0-1,0 2002 2000 1998 1996 1994 1992 1990 1988 1986 1984 1982 1980 1978 1976-2,0-3,0-4,0-5,0 Limburg Nederland Bron: CBS/CPB/E,til Veranderingen in de ontwikkeling van de Limburgse werkgelegenheidsgroei zijn op zichzelf niet bijzonder. Uit figuur 1.2 blijkt dat de jaarlijkse groei van het arbeidsvolume in Limburg vanaf 1976 in 1981/82/83 en in 1993/94 een dieptepunt bereikte. Vooral in de eerste periode van werkgelegenheidskrimp werd Limburg bijzonder zwaar getroffen. De tweede periode was qua krimp van de werkgelegenheid minder lang en hevig. Het verschil in de groei van het arbeidsvolume tussen 1993/94 en de topjaren 1989 en 1998 is bijna 4 procentpunten. Uit de figuur blijkt dat deze cyclus van de Limburgse werkgelegenheidsgroei zich in ongeveer 9 jaar heeft voltrokken. De recente daling van de werkgelegenheidsgroei past in een nieuwe cyclus vanaf 1998, waarbij de jaren 2002 en 2003 een nieuw dieptepunt van werkgelegenheidsgroei zouden kunnen vormen. Voorts blijkt uit de figuur dat de werkgelegenheidsgroei in Limburg sterk is gecorreleerd aan die van Nederland. Ook in dit opzicht is de ontwikkeling van de werkgelegenheid in Limburg niet bijzonder. In het algemeen was de Limburgse werkgelegenheidsgroei vanaf het dieptepunt van 1993/94 lager dan de Nederlandse werkgelegenheidsgroei, in tegenstelling tot de periode daarvoor. Men zou voorzichtig kunnen vaststellen dat Limburg zich na 1992 op een lager groeipad bevindt dan Nederland wat betreft de groei van het arbeidsvolume. Verder zijn er in figuur 1.2 aanwijzingen dat de Limburgse werkgelegenheidontwik- 4

DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT IN VOGELVLUCHT keling iets conjunctuurgevoeliger is dan de Nederlandse van 1976 tot 1993. Dit blijkt uit het feit dat de dalen en de pieken in deze periode iets groter zijn voor Limburg, en dat de omslagpunten in de richting van een afname van de werkgelegenheidsgroei voor Limburg iets eerder optreden dan voor Nederland (zie de jaren 1979 en 1990). Openstaande vacatures Een lagere werkgelegenheidsgroei leidt tot een afname van het aantal vacatures. Uit figuur 1.3 blijkt dat na de verdubbeling van het aantal openstaande vacatures tussen februari 1997 en juli 1998, het aantal in daarop volgende jaren tot en met 2001 bleef schommelen tussen ongeveer 14.000 en 17.000 vacatures. Tussen april 2001 en oktober 2002 heeft zich een sterke daling van het aantal openstaande vacatures voorgedaan, die in de lijn is met de hierboven geschetste groeitrends van de economie en de werkgelegenheid. Figuur 1.3 Ontwikkelingen aan de vraagzijde van de Limburgse arbeidsmarkt, 1997-2002 18.000 60 16.000 14.000 51 50 12.000 36 37 40 10.000 8.000 6.000 27 24 32 16.200 31 31 14.300 36 31 17.100 14.500 31 17 30 20 4.000 2.000 8.100 7.400 10 0 feb-97 jul-98 apr-99 apr-00 apr-01 okt-02 0 Aantal openstaande vacatures* Vacaturegraad ( ) Langdurig openstaande vacatures (%) *) Het aantal openstaande vacatures wordt bepaald door het aantal vacatures dat bij het CWI wordt aangemeld te delen door het marktaandeel van de vacaturemarkt in Limburg zoals dat naar voren komt uit de CBS vacature-enquête. Het aantal openstaande vacatures per marktsegment zoals dat in hoofdstuk 2 van dit rapport en de Statistische Bijlage wordt gepresenteerd, is op vergelijkbare wijze bepaald. Bron: CWI Zuidoost-Nederland/E,til/CBS/ROA 5

DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT 2002-2006 Het aantal openstaande vacatures in oktober 2002 is zelfs gedaald onder het niveau van februari 1997. 4 Een belangrijk verschil met de arbeidsmarktsituatie in 1997 is echter dat de economie zich toen in een opwaartse trend bevond, terwijl er nu van het tegendeel sprake is. Ook het aantal vacatures per 1.000 werkenden, de vacaturegraad, vertoont een zelfde ontwikkeling. In oktober 2002 zijn er op iedere 1.000 werkenden 17 vacatures, hetgeen 7 promille lager is dan in februari 1997. Daarentegen blijft het aantal langdurig openstaande vacatures (i.e. langer dan 3 maanden) als percentage van het totaal aantal vacatures op een relatief hoog niveau. Nog steeds is bijna eenderde van het aantal openstaande vacatures moeilijk vervulbaar. In 2001 was dat nog de helft. Het blijkt dat werkgevers ondanks de in het algemeen afnemende werkgelegenheidsgroei en de toename van de werkloosheid (zie hierna) tijd nodig hebben om voor deze vacatures geschikt personeel te vinden. 5 In tabel 1.1 is weergegeven hoe de verdeling is van het aantal vacatures over de bedrijfssectoren. Veruit het grootste deel van het aantal vacatures staat open in de horeca en zakelijke dienstverlening. Hoewel het aantal van 43 vacatures per 1.000 werkenden zeer hoog is in deze bedrijfssector, worden de vacatures er relatief snel opgevuld. Ook in de landbouw is de vacaturegraad hoog, maar hier staan de vacatures veel langer open. Tabel 1.1 Openstaande vacatures per bedrijfssector, Limburg, oktober 2002 Bedrijfssector aantal vacature- typering langdurig typering graad openstaand % Landbouw en visserij 410 20 hoog 61 zeer hoog Voeding 130 17 gemiddeld 7 laag Chemie 80 5 zeer laag 32 gemiddeld Metaal en elektrotechniek 590 14 gemiddeld 30 gemiddeld Overige industrie 170 5 zeer laag 34 hoog Energie - - - - - Bouw en onroerend goed 510 18 hoog 25 gemiddeld Handel en reparatie 700 11 laag 14 laag Transport en communicatie 300 11 laag 28 gemiddeld Bank- en verzekeringswezen 200 15 gemiddeld 4 zeer laag Horeca en zakelijke dienstverlening 3.000 43 zeer hoog 25 laag Kwartaire diensten 950 15 gemiddeld 41 hoog Overheid en onderwijs 450 9 laag 39 hoog Totaal 7.400 17-31 - Bron: CWI Zuidoost-Nederland/E,til/CBS/ROA 4 Bij de interpretatie van de CWI-gegevens over de ontwikkelingen van het aantal vacatures en werkzoekenden (figuren 1.3, 1.4 en 1.5, tabel 1.2) dient er rekening te worden gehouden met de verschillende waarnemingsmaanden, waardoor een zekere seizoensafhankelijkheid niet is uitgesloten. 5 Een andere verklaring zou kunnen zijn dat werkgevers door onzekere conjunctuur afwachtender zijn ten aanzien van het definitief invullen van een vacature. 6

DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT IN VOGELVLUCHT Niet-werkende werkzoekenden Figuur 1.4 geeft een overzicht van de ontwikkeling van het aantal niet-werkende werkzoekenden (NWW) in Limburg vanaf februari 1997. Het aantal NWW blijkt in 2002 voor het eerst sinds jaren te zijn toegenomen. Hoewel er 6.100 NWW zijn bijgekomen tussen april 2001 en oktober 2002, is het aantal nog steeds iets kleiner dan in april 2000. Mede gezien de eerder ter sprake gekomen daling van het aantal vacatures, ligt een verdere stijging van het aantal NWW in de lijn der verwachtingen. Dit betekent dat het aantal NWW vertraagd reageert op de afname van de werkgelegenheidsgroei en de afname van het aantal vacatures. Uit de figuur is verder af te lezen dat het percentage langdurig werkzoekenden (langer dan een jaar ingeschreven bij het CWI) significant is gedaald. Dit komt doordat de stijging van het totaal aantal NWW vooral te wijten is aan de nieuw geregistreerde werkzoekenden, die in eerste instantie kortdurig werkzoekend zijn. Toch is ook het aantal langdurig werkzoekenden gedaald, namelijk van 18.800 (57%) in april 2001 naar 17.200 (44%) in oktober 2002. Figuur 1.4 Ontwikkeling aantal werkzoekenden en percentage langdurig werkzoekenden, Limburg, 1997-2002 70.000 90 60.000 78 80 70 50.000 62 59 59 57 60 40.000 44 50 30.000 59.400 40 20.000 43.200 43.000 39.700 33.000 39.100 30 20 10.000 10 0 feb-97 jul-98 apr-99 apr-00 apr-01 okt-02 0 Aantal werkzoekenden Langdurig werkzoekend (%) Bron: CWI Zuidoost-Nederland/E,til/ROA Het Centrum voor Werk en Inkomen deelt werkzoekenden ook in naar de mate van bemiddelbaarheid. Werkzoekenden in fase 1 kunnen daarbij worden beschouwd als direct bemiddelbaar, hetgeen betekent dat zij zonder begeleiding in staat moeten worden geacht een 7

DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT 2002-2006 geschikte baan te vinden. Werkzoekenden in fase 2 en 3 hebben een grotere afstand tot de arbeidsmarkt. Veelal krijgen zij een begeleidingstraject aangeboden met als doel de toeleiding naar de arbeidsmarkt te vergemakkelijken. De bemiddelbaarheid van werkzoekenden in fase 4 is bijzonder problematisch. Voor deze groep werkzoekenden zijn naast begeleidingstrajecten vaak ook inspanningen gericht op maatschappelijke reïntegratie noodzakelijk. Werkzoekenden die zijn ingedeeld in fase 4 worden niet in staat geacht op korte termijn een volwaardige plaats op de arbeidsmarkt te verwerven. Uit figuur 1.5 blijkt dat de stijging van het aantal werkzoekenden vooral te wijten is aan de stijging van de relatief kortstondig werkzoekenden die direct bemiddelbaar zijn (fase 1) en de werkzoekenden die een iets grotere afstand hebben tot de arbeidsmarkt (fase 2 en 3). Opmerkelijk is dat de dalende lijn van het aantal slecht bemiddelbare werkzoekenden (fase 4) zich in 2002 heeft doorgezet. De zogenaamde harde kern van de werkloosheid is hierdoor tussen april 2001 en oktober 2002 weer met ongeveer 1.000 personen gedaald. Hierdoor neemt het aandeel slecht bemiddelbaren in het totale bestand van werkzoekenden af. Hoewel ook de daling van het aantal langdurig werkzoekenden in figuur 1.4 erop wijst dat een deel van deze harde kern daadwerkelijk een baan heeft gevonden, is het ook mogelijk dat de daling van het aantal werkzoekenden in fase 4 toe te schrijven is aan de doorstroom van slecht bemiddelbare werkzoekenden die een begeleidingstraject hebben gevolgd naar fase 2 en 3. Figuur 1.5 Ontwikkeling fase-indeling niet-werkende werkzoekenden, Limburg, 1997-2002 70.000 60.000 50.000 19.000 40.000 30.000 20.000 10.000 0 20.800 19.600 7.300 20.200 15.500 7.500 18.300 17.200 feb-97 jul-98 apr-99 apr-00 apr-01 okt-02 7.300 15.500 16.900 5.900 13.500 13.500 8.600 18.000 12.500 Fase 1 Fase 2 en 3 Fase 4 Bron: CWI Zuidoost-Nederland/E,til/ROA 8

DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT IN VOGELVLUCHT Arbeidsmarktkrapte Tabel 1.2 schetst de ontwikkeling van de arbeidsmarktkrapte (zie Verklarende woordenlijst) tussen februari 1997 en oktober 2002. Het blijkt dat gedurende de laatste anderhalf jaar de arbeidsmarktkrapte aanzienlijk is gedaald. Dit komt voor een belangrijk deel door de halvering van het aantal openstaande vacatures. In feite gebeurde tussen 1997 en 1998 het omgekeerde, want toen verdubbelde het aantal openstaande vacatures. Ook het aantal direct-bemiddelbare werklozen is gestegen, maar het is ruim de helft minder dan het aantal in 1997 (zie ook figuur 1.5). In april 2001 laat de arbeidsmarktkrapte een piek zien. Toen stonden tegenover iedere 100 direct-bemiddelbare werkzoekenden maar liefst 251 openstaande vacatures. Nu is dat aantal geslonken tot slechts 92 openstaande vacatures, hetgeen nog altijd beduidend meer is dan in 1997. Voor het eerst sinds jaren staat er niet meer voor elke direct-bemiddelbare werkzoekende een vacature open. De indicator voor de arbeidsmarktkrapte laat duidelijk zien dat de arbeidsmarktsituatie voor werkzoekenden zich na april 2001 sterk heeft verslechterd. Voor werkgevers is de overgang naar een meer ontspannen arbeidsmarkt na de jaren van grote knelpunten op zichzelf geen slechte ontwikkeling. Het zijn eerder de macro-economische groeiperspectieven die hun parten kunnen spelen. Sinds april 2001 is er ook een kleiner aantal bedrijfssectoren waarin de arbeidsmarktkrapte zich manifesteert. Alleen in de Landbouw en visserij, de Horeca en zakelijke dienstverlening, de Kwartaire diensten en Overheid en onderwijs heerst er gemiddeld genomen nog een grote arbeidsmarktkrapte. Van belang is dat de arbeidsmarktkrapte binnen de deelsegmenten van de arbeidsmarkt voor de betreffende bedrijfssectoren kan afwijken van de hier gepresenteerde gemiddeldes. Tabel 1.2 Krapte op de Limburgse arbeidsmarkt, 1997-2002 feb-97 jul-98 apr-99 apr-00 apr-01 okt-02 Arbeidsmarktkrapte* 0,39 2,22 1,91 2,34 2,51 0,92 Aantal bedrijfssectoren met krapte 0 11 12 12 12 4 *) Arbeidsmarktkrapte = het aantal openstaande vacatures ten opzichte van het aantal direct-bemiddelbare werkzoekenden. Hierbij is niet gecorrigeerd voor seizoenseffecten. Bron: CWI Zuidoost-Nederland/E,til/CBS/ROA Als alle direct-bemiddelbare werkzoekenden uit fase 1 de bestaande vacatures zouden hebben opgevuld, was er in april 2001 nog een restant aan vacatures voor de werkzoekenden van fase 2 en 3. De verhouding tussen dit aantal vacatures en het aantal werkzoekenden van fase 2 en 3, de zogenaamde knelpuntsindicator (zie ook de Verklarende woordenlijst), was in april 2001 nog 0,65. Toen was de krapte op de arbeidsmarkt nog zo groot dat er redelijke bemiddelingsmogelijkheden waren voor deze werkzoekenden met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt. In oktober 2002 zijn er echter minder vacatures dan werkzoekenden die direct-bemiddelbaar zijn, waardoor de knelpuntsindicator tot nul is gedaald. Omdat werkgevers weer meer keuze tussen verschillende kandidaten hebben bij het werven van personeel voor een openstaande vacature, zal het vooral voor werkzoeken- 9

DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT 2002-2006 den met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt nu moeilijker zijn dan een jaar geleden om een baan te vinden. Actuele arbeidsmarktdiscrepanties van MBO-schoolverlaters Een indicatie van de krapte op de Limburgse arbeidsmarkt kan ook worden verkregen door te kijken naar de positie van starters op de arbeidsmarkt in Limburg ten opzichte van Nederland. In tabel 1.3 wordt dit gedaan voor gediplomeerde schoolverlaters van het MBO anderhalf jaar na het afronden van hun opleiding. In de tabel wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds open discrepanties zoals de werkloosheid onder schoolverlaters en het bruto maandloon dat ze verdienen, en anderzijds gesloten discrepanties zoals het moeten werken in deeltijd of in een flexibele aanstelling (korter dan één jaar, uitzendwerk), of het verrichten van werk onder het opleidingsniveau (onderbenutting) of buiten de eigen vakrichting (zie verder ook de Verklarende woordenlijst en paragraaf 3.5). Uit de gegevens van 2001 blijkt dat de verschillen tussen Nederland en Limburg over het algemeen niet erg groot zijn. Het percentage werkloze schoolverlaters is in Limburg weliswaar iets groter, maar daar staat tegenover dat het percentage schoolverlaters dat 4 maanden na het afronden van de opleiding nog geen baan heeft, wat lager ligt dan landelijk. De grootste verschillen tussen Limburg en Nederland hebben betrekking op het werken in een flexibele aanstelling of in deeltijd. Beide percentages zijn voor Limburgse schoolverlaters 6 procentpunten hoger dan landelijk. Dit kan erop duiden dat Limburgse schoolverlaters relatief meer werken in kwetsbare banen voor een beperkt aantal uren per week zonder een vaste aanstelling of het uitzicht daarop. Zoals al eerder opgemerkt verdwijnen juist deze banen waarschijnlijk als eerste bij een conjuncturele tegenwind, waardoor er juist onder Limburgse schoolverlaters van het MBO een grotere kans lijkt te zijn op een sneller stijgende werkloosheid ten opzichte van de landelijke werkloos- Tabel 1.3 Aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt van MBO-schoolverlaters, Limburg en Nederland, 2001 Discrepantie Limburg Nederland % % Open discrepanties werkloos 4 3 intredewerkloosheid minimaal 4 mnd. 2 4 bruto maandloon* 1.400* 1.425* Gesloten discrepanties flexibel werk 27 21 deeltijdwerk 34 28 onderbenutting 38 41 werk buiten eigen vakrichting 30 31 *) In euro s. Bron: ROA (SIS) 10

DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT IN VOGELVLUCHT heidsontwikkeling onder MBO-schoolverlaters. Een klein lichtpunt is wel dat Limburgse schoolverlaters iets vaker een baan vinden waarvoor ze qua niveau en richting zijn opgeleid. 1.3 De verwachte arbeidsmarktontwikkelingen in Limburg op hoofdlijnen Macrobeeld Het ziet er nu naar uit dat het herstel van de economie langer op zich laat wachten dan oorspronkelijk gedacht. Komt de economische groei volgens het CPB in 2002 naar verwachting slechts op 0,25% uit, voor 2003 wordt door het CPB een magere 0,75% verwacht. 6 De groeiverwachting voor Limburg hierbij achter, namelijk respectievelijk -0,2% en 0,5% (bron: Etil). Dit is in lijn met het in paragraaf 1.2 geconstateerde lagere groeitempo van de Limburgse ten opzichte van de Nederlandse economie in de voorbij jaren. Soortgelijke consequenties zijn er te verwachten voor de werkgelegenheidsgroei in Limburg ten opzichte van Nederland. Tabel 1.4 laat zien dat de verwachte werkgelegenheidsgroei voor 2003 in Limburg 0,5% bedraagt. Dit betekent dat werkgelegenheidsgroei in 2003 lager ligt dan de verwachte groei op de middellange termijn, welke 0,8% bedraagt. Daardoor is het verwachte vraagoverschot in 2003 lager dan het verwachte jaarlijkse gemiddelde tot 2006. 7 Verder is het van belang op te merken dat de meest recente ontwikkelingen erop wijzen dat de werkgelegenheidsgroei in 2003 nog lager dan 0,5% kan uitvallen. Uit tabel 1.4 blijkt dat indien de werkgelegenheid in 2003 noch groeit noch krimpt, het vraagoverschot omslaat in een aanbodoverschot van 0,2%. De uitstroom van de arbeidsmarkt is dan immers te gering om het aanbod van schoolverlaters op de arbeidsmarkt op te vangen. 8 In combinatie met een relatief hoge arbeidsmarktuitstroom van 4,6%, leidt de groei van de werkgelegenheid in 2003 tot een aantal baanopeningen voor schoolverlaters dat gelijk is aan 5,1% van het aantal werkenden in 2002. In de periode 2001-2006 is het aantal baanopeningen 5,4% gemiddeld per jaar. Dit aantal baanopeningen in Limburg komt overeen met het landelijke beeld voor de middellange termijn. Er zullen voor nieuwkomers op de Limburgse arbeidsmarkt in 2003 circa 25.000 banen beschikbaar zijn. Hiertegenover staat een instroom van schoolverlaters (inclusief hoger opgeleiden) van ongeveer 23.500. Het vraagoverschot in 2003 bedraagt derhalve bijna 1.500, ofwel 0,3% van de totale werkgele- 6 Zie CPB Report 2002/4, december 2002, Den Haag. 7 De middellangetermijnprognoses voor Limburg zijn afkomstig uit vorige RAIL-rapportage. Voor de landelijke prognoses zie: De arbeidsmarkt naar opleiding en beroep tot 2006, ROA-R-2001/8, Maastricht, 2001. 8 De laatst beschikbare ramingen van het Etil gaan zelfs uit van een krimp van het arbeidsvolume in 2002 en 2003 voor Limburg met respectievelijk 0,2% en 1,0%. Het arbeidsvolume geeft echter het aantal arbeidsjaren van werkenden weer. De in dit rapport weergegeven verwachte ontwikkeling van de werkgelegenheid in personen kan hier in belangrijke mate van afwijken. Toch is de hier geschetste verwachting van 0,5% werkgelegenheidsgroei waarschijnlijk aan de optimistische kant, mede omdat dit groeicijfer gebaseerd is op een landelijke werkgelegenheidsgroei (in personen) van het CPB van een half procent in 2003 (Centraal Economisch Plan 2002, april 2002). Het CPB heeft deze landelijke prognose in december 2002 naar beneden bijgesteld tot een werkgelegenheidskrimp van een half procent (CPB Report 2002/4). Overigens zijn de bijstellingen van het CPB van de gemiddelde jaarlijkse groei over de middellange termijn over het algemeen kleiner en veel minder frequent. 11

DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT 2002-2006 Tabel 1.4 Verwachte macro arbeidsmarktontwikkeling (als percentage van de werkgelegenheid in het basisjaar), Limburg en Nederland, in 2003 en in de periode 2001-2006 Kenmerk Limburg Limburg Nederland 2003 2001-2006 2001-2006 % gem. % gem. % Werkgelegenheidsgroei 0,5 0,8 1,2 Arbeidsmarktuitstroom 4,6 4,6 4,1 Baanopeningen 5,1 5,4 5,3 Instroom schoolverlaters 4,8 4,4 4,4 Vraagoverschot 0,3 1,0 1,1 Bron: CWI/CPB/ROA genheid in Limburg in 2002. 9 Dit vraagoverschot in 2003 is kleiner dan het verwachte vraagoverschot volgens de prognoses van de voorafgaande jaren 2001 en 2002 en dan het gemiddelde verwachte vraagoverschot in de komende jaren tot 2006. Bovendien kan, zoals eerder is toegelicht, het vraagoverschot in 2003 gemakkelijk omslaan in een aanbodoverschot als de conjunctuur zich slechter ontwikkelt dan in dit rapport is verondersteld. De prognoses van de uitbreidingsvraag voor de korte termijn zijn gebaseerd op de werkgelegenheidsprognoses voor bedrijfssectoren van het Centraal Planbureau (CPB). Hierbij is gebruik gemaakt van het Centraal Economisch Plan 2002 (CEP) van het CPB. 10 Bedrijfssectoren 11 Tabel 1.5 geeft voor de verschillende sectoren de uitbreidingsvraag op de korte en middellange termijn weer als percentage van de werkgelegenheid bij aanvang van de prognoseperiode. De tabel laat zien dat de verwachte werkgelegenheidsgroei voor 2003 minder gunstig uitpakt dan in de eerdere prognoses voor 2002. Werd er voorheen voor drie bedrijfssectoren in Limburg een krimpende werkgelegenheid verwacht (Landbouw en visserij, Chemie en Metaal en elektrotechniek), nu zijn het er zes. Met name het grotere gewicht van de meer conjunctuurgevoelige sectoren, waaronder de industriële sectoren - die eerder en heviger de gevolgen zullen voelen van een economische teruggang - remmen de verwachte werkgelegenheidsgroei in Limburg. 9 De totale Limburgse werkgelegenheid voor 2002 is geconstrueerd op basis van de verwachte werkgelegenheidsontwikkeling volgens de hierboven genoemde bronnen en het aantal werkenden volgens de Enquête Beroepsbevolking van het CBS. 10 Zie: Centraal Economisch Plan 2002, Centraal Planbureau, Den Haag, april 2002. 11 Voor de regionale verbijzondering van de landelijke prognoses is gebruik gemaakt van regionale arbeidsmarktprognoses zoals deze voor het CWI zijn samengesteld door TNO/Inro/SEOR. Zie Regionale arbeidsmarktprognoses 2002-2007, CWI Nederland, 2002. 12

DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT IN VOGELVLUCHT Tabel 1.5 Verwachte uitbreidingsvraag (als percentage van de werkgelegenheid in het basisjaar) naar bedrijfssector in 2003 en in de periode 2001-2006, Limburg en Nederland Bedrijfssector Limburg Limburg Nederland 2003 2001-2006 2001-2006 % gem. % gem. % Landbouw en visserij -3,2-2,1-2,1 Voeding -1,5 0,8 0,8 Chemie 0,3 0,8 0,8 Metaal en elektrotechniek -0,2-0,2-0,2 Overige industrie -1,0-0,9-0,9 Energie -1,6 0,3 0,3 Bouw en onroerend goed 0,4 1,2 1,7 Handel en reparatie 0,1 1,6 1,6 Transport en communicatie 0,3 0,8 1,0 Bank en verzekeringswezen -0,8-0,5-0,4 Horeca en zakelijke dienstverlening 0,6 2,1 2,7 Kwartaire diensten 2,2 1,0 1,3 Overheid en onderwijs 1,4 0,9 1,1 Totaal 0,5 0,8 1,2 Bron: CWI/CBS/CPB/ROA Dat de totale uitbreidingsvraag nog positief uitvalt is te danken aan de groei in de sectoren Kwartaire diensten, Overheid en onderwijs en Horeca en zakelijke dienstverlening. De eerste twee bedrijfssectoren zijn de enige waarvoor de werkgelegenheidsgroei op korte termijn naar verwachting hoger uitvalt dan op middellange termijn. Dit betekent dat deze sectoren voor 2003 de banenmotor zullen vormen. Bij laatstgenoemde sector is de groei weliswaar iets meer dan gemiddeld, maar de omvang van de sector als geheel betekent dat deze bedrijfssector voor een belangrijk deel bijdraagt aan de creatie van nieuwe arbeidsplaatsen in Limburg in 2003. Van belang is verder op te merken dat de Horeca en zakelijke dienstverlening een zeer conjunctuurgevoelige sector is, waarvan het werkgelegenheidsaandeel in Limburg lager is dan landelijk. Als gevolg hiervan is, ondanks het grotere aandeel van de industriële werkgelegenheid in Limburg, niet op voorhand te zeggen dat de totale Limburgse werkgelegenheid conjunctuurgevoeliger is dan de totale werkgelegenheid in Nederland (zie verder paragraaf 4.4). Dit sluit overigens aan bij de bevindingen van de werkgelegenheidsontwikkeling in Limburg ten opzichte van Nederland na 1992 in figuur 1.2. 12 12 Ook de ontwikkeling van een belangrijk Limburgs bedrijf als DSM gericht op de afzet van bulkchemie naar de minder conjunctuurgevoelige afzet van fijnchemie, heeft waarschijnlijk bijgedragen aan de afname van de conjunctuurgevoeligheid van de Limburgse werkgelegenheid. 13

DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT 2002-2006 Voor een aantal bedrijfssectoren zal de verwachte uitbreidingsvraag in 2003 aanzienlijk lager zijn dan het verwachte gemiddelde over de middellange termijn. Het betreft hier met name de bedrijfssectoren Voeding, Energie, Handel en reparatie, en ook Horeca en zakelijke dienstverlening. De afwijking van de verwachte werkgelegenheidsgroei op de middellange termijn voor deze bedrijfssectoren bedraagt 1,5 procentpunt of meer. De verwachting is dat de werkgelegenheidsgroei voor deze bedrijfssectoren zich in de jaren na 2003 tot 2006 zal herstellen. 1.4 Vraag- en aanbodontwikkelingen op de Limburgse arbeidsmarkt op korte en middellange termijn De verwachte arbeidsmarktsituatie in 2003 Tabel 1.6 laat de verwachte arbeidsmarktontwikkeling op de korte termijn zien voor de verschillende beroepsklassen. Naast de dalende werkgelegenheid in de Agrarische beroepen zal naar verwachting in 2003 alleen de werkgelegenheid in de Openbare orde- en veiligheidsberoepen dalen. Deze beroepsklasse is met 7.500 werkenden echter relatief klein, waardoor er snel grotere procentuele fluctuaties in de werkgelegenheid kunnen optreden. De werkgelegenheidsgroei zal daarentegen bijzonder sterk zijn in de Medische en paramedische beroepen, de Sociaal-culturele beroepen en de Informaticaberoepen. De vervangingsvraag is bijzonder laag voor de de Informaticaberoepen. De lage vervangingsvraag in deze beroepsklasse kan worden verklaard door het relatief hoge percentage jongeren. Daarentegen is de vervangingsvraag bijzonder hoog in de Agrarische beroepen, de Verzorgende en dienstverlenende beroepen en de Openbare orde- en veiligheidsberoepen. De redenen hiervoor kunnen gelegen zijn in respectievelijk het hoge percentage ouderen en het hoge percentage vrouwen voor de twee eerstgenoemde beroepsklassen. Voor de Openbare orde- en veiligheidsberoepen is de oorzaak voor een relatief groot verloop niet duidelijk. Zo zouden bijvoorbeeld een combinatie van relatief zware psychische en fysieke belastingsfactoren tijdens het werk een rol kunnen spelen, maar ook een eventueel gebrek aan carrièreperspectief. De arbeidsmarktinstroom van schoolverlaters is in 2003 gemiddeld 4,8%. Belangrijkste uitschieters in de instroom in de verschillende beroepsklassen zijn de Verzorgende en dienstverlenende beroepen en de Agrarische beroepen met een hoge instroom van respectievelijk 6,3% en 6,1% en de Pedagogische beroepen met een lage instroom van 3,2%. Wanneer de baanopeningen worden afgezet tegen de instroom, zien we dat er in tegenstelling tot de prognoses voor 2002 nu beduidend minder grote knelpunten in de personeelsvoorziening worden verwacht voor een aantal beroepsklassen. De beroepsklassen waarvoor in 2003 slechts enige knelpunten worden voorzien zijn de Agrarische beroepen, de Transportberoepen en de Openbare orde- en veiligheidsberoepen. De omslag in de arbeidsmarktsituatie is toe te schrijven aan flinke daling van de verwachte uitbreidingsvraag door de tegenvallende conjunctuur. De vervangingsvraag en de arbeidsmarktinstroom worden hierdoor uiteraard minder beïnvloed. De grootste knelpunten in de personeelsvoorziening worden in 2003 verwacht voor de Pedagogische beroepen vanwege de sterk achterblijvende instroom van schoolverlaters in deze beroepen. 14

DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT IN VOGELVLUCHT Tabel 1.6 Arbeidsmarktprognoses per beroepsklasse (als percentage van de werkgelegenheid in 2002) en de knelpunten in de personeelsvoorziening voor werkgevers, Limburg, 2003 Beroepsklasse uitbreidings- vervangings- instroom ITKB* typering vraag vraag school- knel- % % verlaters punten % Pedagogische beroepen 0,5 5,1 3,2 0,97 groot Culturele beroepen 1,2 4,0 5,3 0,98 groot Agrarische beroepen -2,2 6,1 6,1 1,02 enige Technische en industrieberoepen 0,3 4,9 4,7 1,00 groot Transportberoepen 0,1 5,4 5,4 1,01 enige Medische en paramedische beroepen 2,2 4,4 4,5 0,97 groot Economisch-administratieve beroepen 1,0 4,0 4,3 1,00 groot Informaticaberoepen 3,1 2,5 4,1 0,99 groot Sociaal-culturele beroepen 2,4 4,3 5,0 0,98 groot Verzorgende en dienstverlenende beroepen 0,4 5,9 6,3 1,00 groot Openbare orde- en veiligheidsberoepen -5,5 6,6 4,3 1,03 enige Totaal (inclusief hogere beroepen) 0,5 4,7 4,8 1,00 groot *) ITKB = Indicator Toekomstige Knelpunten in de personeelsvoorziening naar Beroep. Deze indicator geeft aan in welke mate werkgevers problemen ondervinden bij het aantrekken van geschikt personeel. Naarmate de waarde van de ITKB lager is, zijn er meer knelpunten te verwachten (zie Verklarende woordenlijst). Bron: CWI/CBS/CPB/ROA Tabel 1.7 geeft een overzicht van vraag en aanbod in Limburg in 2003 voor de lagere en middelbare opleidingen. De tabel laat zien dat de werkgelegenheid krimpt voor de ongeschoolden en de lager opgeleiden. Daarnaast laat vooral de werkgelegenheid voor de agrarisch opgeleiden, zowel op VMBO- als op MBO-niveau, een forse krimp zien. De negatieve uitbreidingsvraag voor deze opleidingssectoren wordt echter gecompenseerd door de relatief hoge vervangingsvraag naar lager opgeleiden. De oorzaken hiervoor zijn gelegen in een relatief grote uitstroom van de arbeidsmarkt, en in de doorstroom naar een hoger opleidingsniveau waardoor baanopeningen voor andere ongeschoolden en lager opgeleiden ontstaan. Hieruit blijkt dat het goede perspectief dat de Indicator Toekomstig Arbeidsmarktperspectief (ITA) voor Basisonderwijs en de verschillende VMBO-opleidingssectoren aangeeft gerelativeerd moet worden. De instroom van schoolverlaters op de arbeidsmarkt is met name hoog voor VMBO Landbouw en natuurlijke omgeving, VMBO Verzorging, en HAVO/VWO. Over het algemeen blijven de perspectieven voor schoolverlaters goed. De perspectieven zijn redelijk voor schoolverlaters van VMBO Landbouw en natuurlijke omgeving, VMBO Verzorging en HAVO/VWO. Schoolverlaters van MBO Dienstverlening en gezondheidszorg hebben volgens tabel 1.7 slechts matige perspectieven op de arbeidsmarkt in 2003, maar binnen deze opleidingssector zijn er grote verschillen tussen de verschillende opleidingstypen. Zo hebben schoolverlaters van MBO uiterlijke verzorging 15

DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT 2002-2006 en MBO beweging en therapie naar verwachting matige respectievelijk slechte perspectieven bij de instroom op de arbeidsmarkt. Dit in tegenstelling tot de goede perspectieven van schoolverlaters van bijvoorbeeld MBO apothekersassistent en MBO verpleging en verzorging die binnen dezelfde opleidingssector vallen. Tabel 1.7 Arbeidsmarktprognoses per opleidingssector (als percentage van de werkgelegenheid in 2002) en de arbeidsmarktperspectieven voor schoolverlaters, Limburg, 2003 Opleidingssector uit- ver- instroom ITA* typering breidings- vangings- school- persvraag vraag verlaters pectieven % % % Basisonderwijs -0,6 8,2 6,3 0,96 goed VMBO Theorie -0,8 4,8 4,6 1,00 goed VMBO Landbouw en natuurlijke omgeving -1,3 5,6 9,4 1,03 redelijk VMBO Techniek -0,5 5,4 4,9 0,98 goed VMBO Economie -0,7 5,9 3,8 0,98 goed VMBO Verzorging -1,2 5,8 8,3 1,01 redelijk HAVO/VWO 0,3 5,5 8,3 1,02 redelijk MBO Landbouw en natuurlijke omgeving -1,5 3,2 4,9 1,00 goed MBO Techniek 0,4 4,3 4,5 0,99 goed MBO Economie 0,5 4,0 4,3 1,00 goed MBO Dienstverlening en gezondheidszorg 1,0 4,1 6,0 1,07 matig Totaal (incl. HBO en WO) 0,5 4,4 4,8 1,00 goed *) ITA = Indicator Toekomstige Arbeidsmarktperspectieven. De ITA geeft de verhouding tussen aanbod en vraag in de prognoseperiode weer. Naarmate de waarde van de indicator hoger is, is het perspectief slechter (zie Verklarende woordenlijst). Bron: CWI/CBS/CPB/ROA De verwachte arbeidsmarktsituatie in 2006 13 Tabel 1.8 geeft een overzicht van de vraag- en aanbodkant van de Limburgse arbeidsmarkt in de periode 2001-2006. Dit middellange termijn beeld wijkt in één belangrijk opzicht af van dat van de korte termijn, namelijk dat er sprake is van krimpende werkgelegenheid voor meerdere beroepsklassen. Voor zowel de Pedagogische beroepen, Agrarische beroepen, Technische en industrieberoepen als de Openbare orde- en veiligheidsberoepen wordt voor de periode 2001-2006 een werkgelegenheidskrimp verwacht. Tabel 1.8 laat zien dat het perspectief voor de schoolverlaters echter in vrijwel alle beroepsklassen goed is. Alleen voor de Culturele beroepen zal het perspectief voor schoolverlaters iets minder gunstig worden. Daarentegen zijn de perspectieven voor degenen die werk zoeken in de Medische en paramedische beroepen op middellange termijn het gunstigst. 13 Deze passage is gebaseerd op de RAIL-rapportage van vorig jaar. 16

DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT IN VOGELVLUCHT Tabel 1.8 Arbeidsmarktprognoses per beroepsklasse (als percentage van de werkgelegenheid in 2000) en de knelpunten in de personeelsvoorziening voor werkgevers, Limburg, 2001-2006 Beroepsklasse uitbreidings- ver- instroom ITKB* typering vraag vangings- school- knelpunten % vraag verlaters % % Pedagogische beroepen -1 24 17 0,95 groot Culturele beroepen 7 14 22 1,01 enige Agrarische beroepen -4 24 21 1,02 enige Technische en industrieberoepen -4 22 22 1,05 enige Transportberoepen 1 27 26 1,00 groot Medische en paramedische beroepen 11 24 22 0,91 groot Economisch-administratieve beroepen 9 21 26 0,98 groot Informatica-beroepen 16 14 26 0,98 groot Sociaal-culturele beroepen 19 18 27 0,94 groot Verzorgende en dienstverlenende Beroepen 2 27 29 1,01 enige Openbare orde- en veiligheidsberoepen -8 23 22 1,07 vrijwel geen Totaal (inclusief hogere beroepen) 4 23 25 1,00 groot *) ITKB = indicator Toekomstige Knelpunten in de personeelsvoorziening naar Beroep. Deze indicator geeft aan in welke mate werkgevers problemen ondervinden bij het aantrekken van geschikt personeel. Naarmate de waarde van de ITKB lager is, zijn er meer knelpunten te verwachten (zie Verklarende woordenlijst). Bron: CWI/CBS/CPB/ROA De middellange termijnvooruitzichten vanuit het perspectief van de werkgever, zijn iets minder somber dan op de korte termijn. Technische en industrieberoepen, Agrarische beroepen, Verzorgende en dienstverlenende beroepen en Culturele beroepen vertonen op de middellange termijn naar verwachting gemiddeld genomen geen grote knelpunten. Voor de Openbare orde- en veiligheidsberoepen worden zelfs vrijwel geen knelpunten in de personeelsvoorziening verwacht. De rekruteringsproblematiek voor deze beroepsklasse is dus naar verwachting vooral een korte termijn probleem. Tabel 1.9 geeft een overzicht van de vraag- en aanbodkant van de Limburgse arbeidsmarkt in de periode 2001-2006 naar opleidingssector. De verwachte vervangingsvraag is voor de lagere opleidingen (tot en met het VMBO) veelal niet groot genoeg om op te wegen tegen het aanbod van schoolverlaters van deze opleidingen. Daarentegen worden er gunstige perspectieven voor schoolverlaters van het MBO verwacht tegenover de minder gunstige perspectieven voor schoolverlaters met slechts Basisonderwijs of een VMBO-opleiding. 17

DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT 2002-2006 Uitgesproken slecht zijn de vooruitzichten voor schoolverlaters van VMBO Landbouw en natuurlijke omgeving en VMBO Economie. Tabel 1.9 Arbeidsmarktprognoses per opleidingssector (als percentage van de werkgelegenheid in 2000) en de arbeidsmarktperspectieven voor schoolverlaters, Limburg, 2001-2006 Opleidingssector uit- ver- instroom ITA* typering breidings- vangings- school- persvraag vraag verlaters pectieven % % % Basisonderwijs -23 27 28 1,01 redelijk VMBO Theorie -2 24 25 1,03 redelijk VMBO Landbouw en natuurlijke omgeving -32 11 38 1,26 slecht VMBO Techniek -14 24 24 1,02 redelijk VMBO Economie -17 13 35 1,23 slecht VMBO Verzorging -10 31 33 1,05 redelijk HAVO/VWO 14 22 38 1,03 redelijk MBO Landbouw en natuurlijke omgeving 15 14 21 0,94 goed MBO Techniek 6 19 21 0,97 goed MBO Economie 6 19 23 0,98 goed MBO Dienstverlening en gezondheidszorg 8 24 29 0,96 goed Totaal (inclusief HBO en WO) 4 21 24 0,97 goed *) ITA = Indicator Toekomstige Arbeidsmarktperspectieven. De ITA geeft de verhouding tussen aanbod en vraag in de prognoseperiode weer. Naarmate de waarde van de indicator hoger is, is het perspectief slechter (zie Verklarende woordenlijst). Bron: CWI/CBS/CPB/ROA De Limburgse werkgevers kunnen in de periode 2001-2006 naar verwachting vooral rekruteringsproblemen verwachten bij het vinden van geschikt personeel met een MBO-opleiding. 14 Minder problemen in de personeelsvoorziening worden voorzien voor de lagere opleidingssectoren, met name VMBO Theorie, VMBO Techniek en VMBO Verzorging, terwijl bij het aantrekken van ongeschoold personeel en mensen met VMBO Landbouw en natuurlijke omgeving en VMBO Economie de knelpunten op de arbeidsmarkt naar verwachting geheel zullen zijn verdwenen. 14 Aangenomen mag worden dat er ook veel knelpunten in de personeelsvoorziening voor hoger opgeleiden zullen worden ondervonden (Zie: De arbeidsmarkt naar opleiding en beroep tot 2006, ROA-R-2001/8, Maastricht, 2001). Omdat bij hoger opgeleiden veelal sprake is van een landelijke arbeidsmarkt, zijn hiervan geen vraag-aanbod vergelijkingen gemaakt voor de Limburgse arbeidsmarkt. 18

DE VRAAG NAAR ARBEIDSKRACHTEN IN LIMBURG 2 De vraag naar arbeidskrachten in Limburg De daling van de economische groei zal in 2003 verder doorzetten. De verwachte werkgelegenheidsgroei in Limburg zal ten opzichte van 2002, waarvoor in de vorige RAIL-rapportage nog 1,1% groei verwacht werd, meer dan halveren. Dit betekent dat de groei van de werkgelegenheid hooguit 0,5% zal bedragen, waarbij een verdere daling niet moet worden uitgesloten als de conjuncturele neergang versterkt doorzet. In 2003 zal de groei van het aantal banen vanwege de uitbreidingsvraag naar verwachting niet meer dan 2.500 banen betreffen. Een indicatie van de teruglopende vraag naar arbeid wordt gegeven door het aantal openstaande vacatures. Dit aantal is met bijna de helft afgenomen tussen april 2001 en oktober 2002. Naast de uitbreidingsvraag, die een indicatie geeft van de groei van de werkgelegenheid, genereert ook de vervangingsvraag als gevolg van (vervroegde) pensionering, arbeidsongeschiktheid, tijdelijke terugtreding van de arbeidsmarkt en dergelijke, een vraag naar nieuwkomers op de arbeidsmarkt. Alleen de uitstroom van werkenden die vervangen wordt, genereert vervangingsvraag. Deze vervangingsvraag is als altijd veruit de belangrijkste component van de vraag op de Limburgse arbeidsmarkt. De verwachting is dat de arbeidsmarktuitstroom in Limburg in 2003 met bijna 22.500 arbeidsplaatsen uitkomt op 4,6% van het aantal werkenden 15 (zie ook hoofdstuk 1). Ongeveer 1.000 arbeidsplaatsen worden niet opnieuw opgevuld. 16 Werkgevers zullen bij een teruglopende vraag naar personeel het vertrek van werkenden benutten om de werkgelegenheidsomvang voor de betreffende beroepsgroepen of opleidingstypen te reduceren. De uitbreidingsvraag en vervangingsvraag vormen tezamen de totale verwachte vraag naar personeel op de Limburgse arbeidsmarkt. Het aantal baanopeningen in Limburg gedurende 2003 bedraagt 5,1% van het aantal werkenden. Dit is equivalent met circa 25.000 arbeidsplaatsen. 2.1 Inleiding In dit hoofdstuk belichten we de arbeidsmarkt in Limburg aan de werkgeverskant van de arbeidsmarkt. Derhalve spitsen we de bespreking toe op de ontwikkelingen aan de vraagzijde, waarbij we uitgebreid ingegaan op de actuele arbeidsmarktsituatie en de verwachte ontwikkelingen per beroepsklasse. Dit hoofdstuk begint met een overzicht van de actuele situatie van de vacaturemarkt naar beroep. In paragraaf 2.3 presenteren we de prognoses 15 De stijging van de prognose voor de arbeidsmarktuitstroom met 0,3 procentpunt ten opzichte van de prognose voor 2002 kan veroorzaakt zijn door de toenemende vergrijzing, maar tevens door de grotere uitstoot van voornamelijk ouder personeel vanwege de conjuncturele neergang. 16 Het is minder waarschijnlijk dat dit deel van de uitstroom wordt vervangen door schoolverlaters. Het blijkt dat werkgevers voor het realiseren van een teruglopende vraag naar arbeid aan de exit -optie de voorkeur geven boven de no entry -optie van bijvoorbeeld schoolverlaters (E. Willems, L. Borghans en A. de Grip, Exit or no entry? Replacement demand and shrinking employment, ROA, Paper for the EALE conference 1997, Aarhus, Denmark). Bij het vaststellen van het aantal baanopeningen wordt ermee rekening gehouden dat het aannemen van schoolverlaters door bedrijven en instellingen ( de vraag naar schoolverlaters ) op hetzelfde niveau blijft ondanks een eventuele werkgelegenheidskrimp vanwege de extra uitstroom van ouderen. Een werkgelegenheidskrimp voor een opleidingstype of beroepsgroep gaat derhalve niet ten koste van de vervangingsvraag of het aantal baanopeningen in een opleidingstype of beroepsgroep. Deze werkgelegenheidskrimp is echter wel verrekend in de totale netto werkgelegenheidsgroei van 0,5%. 19

DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT 2002-2006 van de uitbreidingsvraag naar beroep. Deze geven een indicatie van de gevolgen van de economische groeiverwachtingen voor de werkgelegenheidsontwikkelingen in Limburg en de mede daaraan gerelateerde verschuivingen in de beroepenstructuur. Daarna volgen in paragraaf 2.4 de prognoses van de (netto) vervangingsvraag naar beroep. 17 De uitbreidingsvraag en de vervangingsvraag geven tezamen de totale verwachte vraag naar nieuwe arbeidskrachten op de Limburgse arbeidsmarkt. Deze prognose van het aantal baanopeningen naar beroep wordt in paragraaf 2.5 gepresenteerd. 2.2 Vacatures naar beroep Zoals in hoofdstuk 1 al is opgemerkt, is het aantal vacatures tussen april 2001 en oktober 2002 bijna gehalveerd. Dit geeft aan dat de vraag naar personeel aanzienlijk is afgenomen. De vacaturegraad is dan ook in deze periode gedaald van 31 naar 17. Dit betekent dat in oktober 2002 op elke 1.000 werkenden 17 vacatures openstonden. Uit tabel 2.1 valt af te lezen hoe deze vacatures zijn verdeeld over de 11 onderscheiden beroepsklassen. De Economisch-administratieve beroepen hebben samen met de Verzorgende en dienstverlenende beroepen veruit het grootste aandeel in het totale aantal vacatures. De vacaturegraad is uit zeer hoog voor de Culturele beroepen. Lage of zeer lage vacaturegraden vooral voor in de Agrarische beroepen, de Technische en industrieberoepen, en de Transportberoepen. Tabel 2.1 Aantal openstaande vacatures per beroepsklasse, Limburg, oktober 2002 Beroepsklasse aantal vacaturegraad typering vacatures Pedagogische beroepen 420 19 gemiddeld Culturele beroepen 330 64 zeer hoog Agrarische beroepen 170 9 laag Technische en industrieberoepen 160 9 laag Transportberoepen 150 5 zeer laag Medische en paramedische beroepen 640 21 hoog Economisch-administratieve beroepen 2.570 21 hoog Informaticaberoepen 160 12 gemiddeld Sociaal-culturele beroepen 360 29 hoog Verzorgende en dienstverlenende beroepen 1.270 14 gemiddeld Openbare orde- en veiligheidsberoepen 90 12 gemiddeld Totaal 7.400 17 gemiddeld Bron: CWI Zuidoost-Nederland/E,til/CBS/ROA 17 Wanneer we naast de schoolverlaters ook de baanwisselaars en de herintreders als aanbodgroepen zouden onderscheiden, dan zouden we moeten uitgaan van de bruto vervangingsvraag. Deze kan namelijk worden gezien als de totale vervangingsvraag naar zowel schoolverlaters als baanwisselaars en herintreders. 20

DE VRAAG NAAR ARBEIDSKRACHTEN IN LIMBURG 2.3 Uitbreidingsvraag naar beroep De groeiverwachtingen van de werkgelegenheid voor de verschillende bedrijfssectoren in 2003 zoals weergegeven in hoofdstuk 1, kunnen worden vertaald naar de uitbreidingsvraag naar beroep. Tabel 2.2 geeft een overzicht van de verwachte uitbreidingsvraag op de korte en middellange termijn per beroepsklasse in Limburg. De totale verwachte uitbreidingsvraag bedraagt, zoals eerder in hoofdstuk 1 weergegeven, niet meer dan 0,5%. Uit de tabel blijkt dat slechts twee van de elf beroepsklassen een negatieve uitbreidingsvraag vertonen voor 2003. De Technische en industrieberoepen en de Verzorgende en dienstverlenende beroepen houden bijna een nul-groei van de werkgelegenheid aan. Relatief kleine beroepsklassen als de Informaticaberoepen en de Sociaal-culturele beroepen mogen zich verheugen in een meer dan gemiddelde groei. Ook een aanzienlijke groei wordt verwacht voor de Medische en paramedische beroepen. Hoewel de arbeidsmarkt als geheel pas op de plaats lijkt te gaan maken, zijn de verwachtingen voor een aantal beroepsklassen op de korte termijn gunstiger dan op de middellange termijn. Dit geldt voor de Pedagogische beroepen, de Technische en industrieberoepen, de Informaticaberoepen en de Medische en paramedische beroepen. Laatstgenoemde beroepsklasse heeft voor Limburg sowieso een veel beter vooruitzicht voor de uitbreidingsvraag dan landelijk. Tabel 2.2 Verwachte uitbreidingsvraag (als percentage van de werkgelegenheid) naar beroepsklasse in 2003 en in de periode 2001-2006, Limburg en Nederland Beroepsklasse Limburg Limburg Nederland 2003 2001-2006 2001-2006 % gem. % gem. % Pedagogische beroepen 0,5-0,1 0,7 Culturele beroepen 1,2 1,4 1,5 Agrarische beroepen -2,2-0,8-1,5 Technische en industrieberoepen 0,3-0,9 0,0 Transportberoepen 0,1 0,2 0,6 Medische en paramedische beroepen 2,2 2,1 0,8 Economisch-administratieve beroepen 1,0 1,7 2,1 Informaticaberoepen 3,1 2,9 2,8 Sociaal-culturele beroepen 2,4 3,6 3,2 Verzorgende en dienstverlenende beroepen 0,4 0,5 0,6 Openbare orde- en veiligheidsberoepen -5,5-1,6 0,7 Totaal 0,5 0,8 1,2 Bron: CWI Zuidoost-Nederland/CBS/CPB/ROA 21

DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT 2002-2006 In het volgende omkaderde schema wordt een overzicht gegeven van de prognoses voor de meer specifieke beroepsgroepen, waarvoor de voor 2003 verwachte uitbreidingsvraag in Limburg relatief hoog of laag zal zijn. 18 Beroepsgroepen met een relatief (erg) hoge uitbreidingsvraag in Limburg in 2003: Juridisch en fiscaal medewerkers Confectie-arbeiders Weg- en waterbouwkundige vakkrachten Elektromonteurs Productieplanners Winkeliers Sociaal-cultureel werkers Beroepsgroepen met een relatief erg lage uitbreidingsvraag in Limburg in 2003: Monteurs Kunstenaars Agenten, onderofficieren en beveiligingsemployés Receptionisten en administratieve employés Aspirant politieagenten, soldaten en beveiligingshulpen Bouwvakkers Werktuigbouwkundig ontwerpers en hoofden technische dienst Verzekeringsagenten Leraar basisonderwijs 2.4 Vervangingsvraag naar beroep In deze paragraaf behandelen we de tweede vraagcomponent: de vervangingsvraag. Zoals reeds eerder is aangegeven, beperken we ons in dit rapport tot de netto vervangingsvraag, dat wil zeggen: de vervangingsvraag naar schoolverlaters. Tabel 2.3 geeft een overzicht van de in Limburg verwachte vervangingsvraag per beroepsklasse op de korte en de middellange termijn. Op de korte termijn is de vervangingsvraag naar beroep in Limburg gelijk aan ongeveer 22.000 arbeidsplaatsen. Dit aantal is equivalent met 4,7% van het aantal werkenden. Beroepsklassen met een hoge verwachte vervangingsvraag zijn Openbare orde- en veiligheidsberoepen, Agrarische beroepen, Verzorgende en dienstverlenende beroepen en Transportberoepen. Dit zijn beroepsklassen met een vergrijzend personeelsbestand. Verder geldt voor het werk in de Agrarische beroepen en de Transportberoepen dat het lichamelijk zwaar kan zijn. Daarentegen is de vervangingsvraag relatief laag in de Informaticaberoepen, de Economisch-administratieve beroepen en de Culturele beroepen, waarin relatief veel jongeren werkzaam zijn. Deze beroepen zijn veel minder gevoelig voor de arbeidsmarktuittrede door pensioen, VUT, of arbeidsongeschiktheid. 18 In deze overzichtsschema s worden alleen de beroepen of opleidingen genoemd waarvoor in de Statistische Bijlage daadwerkelijk een percentage wordt vermeld, dat wil zeggen de beroepen en opleidingen met minimaal 2.500 werkenden in Limburg. 22

DE VRAAG NAAR ARBEIDSKRACHTEN IN LIMBURG Wat opvalt in vergelijking met de middellangetermijnverwachtingen is dat de vervangingsvraag sterk lijkt toe te nemen. De vervangingsvraag is van oudsher groter in Limburg dan in Nederland vanwege het oudere personeelsbestand en de oververtegenwoordiging van relatief (lichamelijk) zware bedrijfssectoren, maar de afwijking met het landelijke beeld neemt alleen maar toe. Als bron van vraag naar arbeidskrachten is dit enkel als iets positiefs te zien als er voldoende nieuw aanbod tegenoverstaat. Tabel 2.3 Verwachte vervangingsvraag (als percentage van de werkgelegenheid) naar beroepsklasse in 2003 en in de periode 2001-2006, Limburg en Nederland Beroepsklasse Limburg Limburg Nederland 2003 2001-2006 2001-2006 % gem. % gem. % Pedagogische beroepen 5,1 4,4 3,9 Culturele beroepen 4,0 2,6 3,0 Agrarische beroepen 6,1 4,4 3,3 Technische en industrieberoepen 4,9 4,1 2,9 Transportberoepen 5,4 4,9 2,6 Medische en paramedische beroepen 4,4 4,4 3,3 Economisch-administratieve beroepen 4,0 3,9 3,1 Informaticaberoepen 2,5 2,6 1,7 Sociaal-culturele beroepen 4,3 3,3 2,4 Verzorgende en dienstverlenende beroepen 5,9 4,9 2,8 Openbare orde- en veiligheidsberoepen 6,6 4,2 3,1 Totaal 4,7 4,2 3,0 *) De percentages vervangingsvraag naar beroepsklasse in Limburg zijn niet goed te vergelijken met de landelijke cijfers, omdat in Limburg - vanwege de andere aanpak van de arbeidsaanbodprognoses per beroep - ook de doorleerders moeten worden meegenomen in de berekening van de vervangingsvraag van het beroepenmodel. Bron: ROA In het volgende schema wordt een overzicht gegeven van de meer specifieke beroepsgroepen, waarvoor de verwachte vervangingsvraag in Limburg relatief hoog of relatief laag is. De vervangingsvraag is met name relatief hoog voor een aantal Verzorgende en dienstverlenende beroepen en relatief laag bij de Economisch-administratieve beroepen. 23

DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT 2002-2006 Beroepsgroepen met een relatief (erg) hoge vervangingsvraag in Limburg in 2003: Aspirant politie-agenten, soldaten beveiligingshulpen Hulpkrachten horeca en verzorging Conciërges Docenten talen en expressie Juridisch en fiscaal medewerkers Interieurverzorgers Leidinggevenden Beroepsgroepen met een relatief (erg) lage vervangingsvraag in Limburg in 2003: Systeemanalisten Juristen Assistent accountant Grafische vakkrachten Programmeurs Organisatiedeskundigen Accountants Commercieel medewerkers Organisatie-adviseurs 2.5 Totale vraag naar arbeidskrachten naar beroep Wanneer we de prognoses van de uitbreidingsvraag en de vervangingsvraag combineren, dan geeft dit een indicatie van de totale verwachte vraag: de baanopeningen voor nieuwkomers op de Limburgse arbeidsmarkt. Bij een krimpende werkgelegenheid bestaat de totale vraag alleen uit de vervangingsvraag. Tabel 2.4 geeft een overzicht van de verwachte baanopeningen per beroepsklasse voor Limburg op korte en middellange termijn. 19 De grootste totale vraag naar nieuwkomers doet zich voor bij de Culturele beroepen met een totale vraag van 8,9%. In paragraaf 2.2 bleek al dat deze beroepsklasse gekenmerkt wordt door een zeer hoge vacaturegraad. Verder bieden ook de Medische en paramedische beroepen en de Pedagogische beroepen op de korte termijn relatief veel baanopeningen. De Openbare orde- en veiligheidsberoepen, de Agrarische beroepen en de Transportberoepen hebben daarentegen naar verwachting in Limburg in 2003 een laag percentage baanopeningen. In alle drie beroepsklassen blijft op de korte termijn het percentage baanopeningen onder de 7% van het huidige aantal werkenden. Op de middellange termijn zijn er in de Sociaal-culturele beroepen, de Economisch-administratieve beroepen en de Medische en paramedische beroepen relatief de meeste arbeidsplaatsen voor nieuwkomers. Aanmerkelijk minder banen komen daarentegen vrij bij de Technische en industrieberoepen, de Openbare orde- en veiligheidsberoepen en de Culturele beroepen. Voor 19 Het percentage baanopeningen naar beroepsklasse is op dit hogere aggregatieniveau vaak niet gelijk aan de som van de vervangingsvraag en de (niet-negatieve) uitbreidingsvraag. De verklaring hiervoor ligt in het feit dat de baanopeningen eerst per beroepsgroep worden bepaald en pas daarna worden opgeteld naar beroepsklasse. 24

DE VRAAG NAAR ARBEIDSKRACHTEN IN LIMBURG de Culturele beroepen betekent dit een omslag ten opzichte van de kortetermijnverwachting. Tabel 2.4 Verwachte baanopeningen (als percentage van de werkgelegenheid) naar beroepsklasse in 2003 en in de periode 2001-2006, Limburg en Nederland Beroepsklasse Limburg Limburg Nederland 2003 2001-2006 2001-2006 % gem. % gem. % Pedagogische beroepen 8,2 4,9 4,9 Culturele beroepen 10,4 4,1 4,4 Agrarische beroepen 6,2 4,4 3,4 Technische en industrieberoepen 7,7 4,4 3,3 Transportberoepen 6,0 5,2 3,2 Medische en paramedische beroepen 7,0 6,4 4,2 Economisch-administratieve beroepen 6,1 5,8 5,1 Informaticaberoepen 5,8 5,3 4,4 Sociaal-culturele beroepen 7,6 6,5 5,4 Verzorgende en dienstverlenende beroepen 7,4 5,5 3,5 Openbare orde- en veiligheidsberoepen 6,6 4,2 3,9 Totaal 6,9 5,3 4,1 *) De percentages baanopeningen naar beroepsklasse in Limburg zijn niet goed te vergelijken met de landelijke cijfers, omdat in Limburg - vanwege de andere aanpak van de arbeidsaanbodprognoses per beroep - ook de doorleerders moeten worden meegenomen in de berekening van de vervangingsvraag van het beroepenmodel. Bron: ROA In het volgende schema wordt een overzicht gegeven van de beroepsgroepen waarvoor de verwachte totale vraag in Limburg relatief hoog of juist relatief laag is. Uit dit overzicht blijkt dat de beroepsgroepen met verhoudingsgewijs het grootste aantal baanopeningen sterk gedomineerd worden door de beroepen met de hoogste uitbreidingsvraag. Het is met andere woorden de groei van de werkgelegenheid die bepaalt waar het aantal baanopeningen voor nieuwkomers op de arbeidsmarkt het grootst is. De beroepen met het laagste aantal baanopeningen worden daarentegen gedomineerd door de beroepen met de laagste vervangingsvraag. Dit laatste hangt ook samen met het feit dat bij een dalende werkgelegenheid de instroom van jong personeel vanwege het vertrek van oudere werknemers veelal gewoon doorgaat. De vervangingsvraag is daardoor een bodem voor de vraag naar arbeidskrachten. 25

DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT 2002-2006 Beroepsgroepen met een relatief hoog percentage baanopeningen in Limburg in 2003: Juridisch en fiscaal medewerkers Confectie-arbeiders Weg- en waterbouwkundige vakkrachten Elektromonteurs Leidinggevenden Winkeliers Ziekenverzorgenden Beroepsgroepen met een relatief laag percentage baanopeningen in Limburg in 2003: Organisatiedeskundigen Commercieel employés Assistent accountants Laboranten Verzekeringsagenten Programmeurs Kunstenaars Architecten en bouwkundig projectleiders Juristen Leraar basisonderwijs Bouwvakkers 26

DE INSTROOM VAN SCHOOLVERLATERS OP DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT 3 De instroom van schoolverlaters op de Limburgse arbeidsmarkt In dit hoofdstuk staat de Limburgse schoolverlater centraal. De nadruk ligt hierbij op het in kaart brengen van het huidig en toekomstig aanbod van lager en middelbaar opgeleiden op de Limburgse arbeidsmarkt. In 2001 hebben 6.300 VMBO ers hun opleiding succesvol afgerond. Dit is een geringe afname ten opzichte van het jaar 2000. Bijna de helft van de VMBO ers heeft een opleiding in de theoretische leerweg gevolgd. Bijna 7.000 MBO ers hebben hun diploma gehaald. Dit is 450 meer dan in 2000. De meeste Limburgse MBO ers hebben een opleiding in de sector MBO Dienstverlening en gezondheidszorg gevolgd. Deze sector is ook verantwoordelijk voor de toename van het aantal gediplomeerden. Iets minder dan 40% van de gediplomeerden heeft een BBL-opleiding gevolgd. Het aandeel BBL ers is het grootst in de sector MBO Techniek, waar meer dan de helft van de gediplomeerden heeft gekozen voor de beroepsbegeleidende leerweg van het MBO. Het aantal leerlingen in zowel het VMBO als het MBO vertoont een stijgende trend. Het overgrote deel van de VMBO-leerlingen (meer dan 50.000 leerlingen) volgt de theoretische leerweg of zit in de eerste twee jaar van deze opleiding (de zogenaamde basisvorming). Het aantal leerlingen in het MBO is, in vergelijking met het jaar 2000, in 2001 gestegen met ruim 1.500 tot boven de 27.000. De sector MBO Dienstverlening en gezondheidszorg is het grootst. Binnen deze sector is het aantal leerlingen ook absoluut gezien het meest gestegen. Maar ook in de sectoren MBO Techniek en MBO Economie neemt het aantal leerlingen toe. Bijna 40% van de Limburgse MBO ers volgt een opleiding volgens de meer praktisch georiënteerde beroepsbegeleidende leerweg. De instroom van schoolverlaters op de Limburgse arbeidsmarkt ligt in 2003 met 4,8% op een iets hoger niveau dan de gemiddelde instroom over de periode 2001-2006. Over het algemeen ontloopt het (relatieve) aanbod in de verschillende opleidingssectoren elkaar niet veel. De arbeidsmarktinstroom vanuit VMBO-opleidingen is over het algemeen hoger dan voor het MBO. Dit impliceert dat een aanzienlijk aantal schoolverlaters zonder startkwalificatie het onderwijs zal verlaten. Over het algemeen gaat het de MBO-schoolverlater voor de wind. Toch laat de Limburgse arbeidsmarkt voor MBO-schoolverlaters na een aantal jaren van grote krapte in 2001 de eerste signalen van een stagnerende vraag zien. Zo n 4% van de MBO-schoolverlaters is anderhalf jaar na afstuderen werkloos. De jaren daarvoor was de werkloosheid met 2% lager. De lonen stabiliseren zich en vertonen, met uitzondering van de sector MBO Dienstverlening en gezondheidszorg, zelfs een geringe daling. Landelijk is deze verslechtering van de arbeidsmarktsituatie (nog) niet waar te nemen in 2001. Mede als gevolg hiervan is het gemiddeld loonpeil in Limburg voor het eerst lager dan landelijk. Ruim 30% van de MBO-gediplomeerden heeft een opleidingsachtergrond die hen slechts geringe uitwijkmogelijkheden biedt op de Limburgse arbeidsmarkt. Aan de andere kant blijkt slechts voor 14% van de gediplomeerden de opleiding een zodanig karakter te hebben dat zij in een relatief breed scala aan beroepen emplooi kunnen vinden. Dit is niet verrassend, gezien het feit dat het hier over het algemeen beroepsopleidingen betreft die beogen op te leiden voor een bepaalde 27

DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT 2002-2006 vakdeelmarkt. Er zijn aanzienlijke verschillen tussen de opleidingssectoren. Zo blijkt bijna de helft van de technisch opgeleiden inzetbaar te zijn in een relatief smal beroependomein. De sector MBO Economie laat het omgekeerde beeld zien. Ruim 40% van de economisch opgeleiden is relatief breed inzetbaar. 3.1 Inleiding In dit hoofdstuk staat de Limburgse schoolverlater centraal. De nadruk ligt hierbij op het in kaart brengen van het huidig en toekomstig aanbod van VMBO ers en MBO ers op de Limburgse arbeidsmarkt. Vervolgens wordt er ingegaan op de vraag hoe het de MBOschoolverlater vergaat op de Limburgse arbeidsmarkt. De opzet van dit hoofdstuk is als volgt. In paragraaf 3.2 wordt aandacht geschonken aan het aantal leerlingen dat recent een VMBO-opleiding of een opleiding aan een Limburgs Regionaal Opleidingscentrum (ROC) of Agrarisch Opleidingscentrum (AOC) succesvol heeft afgerond. Dit aantal gediplomeerden geeft inzicht in het huidig aanbod van schoolverlaters in Limburg. In de paragrafen 3.3 en 3.4 staat het toekomstig aanbod centraal. In paragraaf 3.3 wordt aandacht geschonken aan het aantal leerlingen dat momenteel in Limburg een opleiding op VMBO- of MBO-niveau volgt. Inzicht in dit aantal leerlingen in de pijplijn geeft een eerste indicatie van het toekomstig aanbod van schoolverlaters in Limburg. In paragraaf 3.4 worden prognoses voor het toekomstig aanbod van schoolverlaters gepresenteerd. Met behulp van deze prognoses kan een concreter beeld worden geschetst van het toekomstig arbeidsaanbod in Limburg. In paragraaf 3.5 wordt de huidige arbeidsmarktpositie van de MBO-schoolverlaters in kaart gebracht. Het gaat hierbij zowel om de voor de hand liggende indicatoren, zoals werkloosheid en beloning (de open discrepanties), als om wat minder directe maatstaven zoals de inhoudelijke aansluiting en de duur van het arbeidscontract (de gesloten discrepanties). Ten slotte wordt er in paragraaf 3.6 aandacht geschonken aan de uitwijkmogelijkheden van MBO-schoolverlaters. Deze uitwijkmogelijkheden geven een indicatie van de mogelijkheden die schoolverlaters hebben - mochten de kansen op de arbeidsmarkt in het eigen beroependomein gering zijn - om uit te wijken naar andere beroepen. 3.2 Het aantal gediplomeerden in Limburg Het aantal gediplomeerden geeft een indicatie van het huidige aanbod van schoolverlaters op de Limburgse arbeidsmarkt. In tabel 3.1 wordt een overzicht gegeven van het aantal gediplomeerden in Limburg naar onderwijssector. Uit de tabel blijkt dat 6.300 VMBO ers hun opleiding in 2001 succesvol hebben afgerond. Dit is een geringe afname ten opzichte van het jaar 2000. Bijna de helft van de VMBO ers heeft een opleiding volgens de theoretische leerweg gevolgd. In feite betreft het hier MAVO-schoolverlaters die voor de herstructurering van het VBO en de MAVO aan hun opleiding zijn begonnen. VMBO Theorie kan worden beschouwd als de opvolger van de MAVO-opleiding. Verder laat tabel 3.1 zien dat er in Limburg in 2001 bijna 7.000 MBO ers hun opleiding succesvol hebben afgerond. Dit is 450 meer dan in 2000. De meeste Limburgse MBO ers hebben een opleiding in de sector MBO Dienstverlening en gezondheidszorg gevolgd. Deze sector is ook verantwoordelijk voor de toename van het aantal gediplomeerden. Sterker 28

DE INSTROOM VAN SCHOOLVERLATERS OP DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT nog, in de sector MBO Techniek en MBO Economie is er zelfs sprake van een afname van het aantal gediplomeerden. Binnen de sector MBO Dienstverlening en gezondheidszorg is vooral de uitstroom uit de opleidingen MBO Verpleging en verzorging en MBO Horeca toegenomen. Zo is het aantal gediplomeerden van de opleiding MBO Verpleging en verzorging met maar liefst 300 mensen toegenomen ten opzichte van 2000. Binnen de sector MBO Economie is vooral de opleiding MBO Secretariaat met een afname van 75 gediplomeerden verantwoordelijk voor de gedaalde uitstroom. Binnen de sector MBO Techniek lijkt over de hele linie sprake van een geringe daling. Tabel 3.1 Aantal gediplomeerden van het VMBO en het MBO in Limburg naar opleidingssector 20, kalenderjaar 2000 en 2001 Opleidingssector Aantal gediplomeerden 2000 2001 VMBO Theorie 2.900 2.800 VMBO Landbouw en natuurlijke omgeving 200 300 VMBO Techniek 1.400 1.350 VMBO Zorg en welzijn 1.000 1.000 VMBO Economie 850 775 VMBO Totaal 6.425 6.300 HAVO/VWO 4.700 3.800 MBO Landbouw en natuurlijke omgeving 325 350 MBO Techniek 1.900 1.800 MBO Dienstverlening en gezondheidszorg 2.275 2.850 MBO Economie 1.900 1.850 MBO Totaal 6.425 6.875 Bron: ROC s Limburg (Bekostigingstellingen 2000 en 2001, CFI/STOAS) In tabel 3.2 wordt de succesvolle uitstroom uit de MBO-opleidingen uitgesplitst naar leerweg. Iets minder dan 40% van de gediplomeerden heeft een BBL-opleiding gevolgd. Het aandeel BBL ers is het grootst in de sector MBO Techniek, waar meer dan de helft van de gediplomeerden heeft gekozen voor een beroepsbegeleidend traject. In de sector MBO Economie daarentegen heeft ongeveer 80% van de gediplomeerden een BOL-opleiding gevolgd. 20 Opgemerkt dient te worden dat de gegevens van de gediplomeerden in de lanbouwopleidingen van het VMBO en het MBO in het kalenderjaar 2000 (tabel 3.1 en 3.2) alleen betrekking hebben op de gediplomeerden die niet in het onderwijs doorstromen. 29

DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT 2002-2006 Tabel 3.2 Aantal gediplomeerden van het MBO in Limburg naar leerweg en opleidingssector, kalenderjaar 2001 Opleidingssector Aantal gediplomeerden BOL BBL Totaal MBO Landbouw en natuurlijke omgeving 200 150 350 MBO Techniek 750 950 1.800 MBO Dienstverlening en gezondheidszorg 1.900 950 2.850 MBO Economie 1.425 400 1.850 Totaal 4.275 2.550 6.875 Bron: ROC s Limburg (Bekostigingstellingen 2000 en 2001, CFI/STOAS) 3.3 Het aantal leerlingen in Limburg Het aantal leerlingen in het beroepsonderwijs geeft inzicht in hetgeen er in de pijplijn zit. Met andere woorden: met behulp van het aantal leerlingen kan een eerste indicatie worden gegeven van het toekomstig arbeidsaanbod van in Limburg. Tabel 3.3 laat zien dat het aantal VMBO-leerlingen in 2001 iets hoger is dan in 2000. Het overgrote deel van de leerlingen (meer dan 50.000 leerlingen) volgt de theoretische leerweg of zit in de eerste twee jaar van de opleiding (de zogenaamde basisvorming). Tabel 3.3 Aantal (bekostigde) leerlingen in het VMBO en het MBO in Limburg naar opleidingssector, kalenderjaar 2000 en 2001 Opleidingssector Aantal leerlingen 2000 2001 VMBO Theorie (en basisvorming) 51.650 50.625 VMBO Landbouw en natuurlijke omgeving 1.350 1.475 VMBO Techniek 6.550 7.300 VMBO Zorg en welzijn 4.425 5.000 VMBO Economie 4.175 5.925 VMBO Totaal 68.325 70.500 HAVO/VWO 48.675 49.850 MBO Landbouw en natuurlijke omgeving 1.150 1.075 MBO Techniek 7.800 8.300 MBO Dienstverlening en gezondheidszorg 10.125 10.900 MBO Economie 6.600 6.925 MBO Totaal 25.700 27.250 Bron: AOC en ROC s Limburg (Bekostigingstellingen 2000 en 2001, CFI/STOAS) 30

DE INSTROOM VAN SCHOOLVERLATERS OP DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT Uit tabel 3.3 blijkt dat ook het aantal leerlingen in het MBO een stijgende trend vertoont. Het aantal leerlingen is, in vergelijking met het jaar 2000, in 2001 gestegen met ruim 1.500 tot boven de 27.000. De sector MBO Dienstverlening en gezondheidszorg is het grootst. Binnen deze sector is het aantal leerlingen ook absoluut gezien het meest gestegen. Maar ook in de sectoren MBO Techniek en MBO Economie neemt het aantal leerlingen toe. Snel in populariteit toenemende opleidingen zijn MBO Verpleging en verzorging (250 leerlingen meer), MBO Toerisme en recreatie (ook 250 leerlingen extra), MBO Beweging en therapie (400 leerlingen meer) en vooral MBO ICT (maar liefst 525 extra leerlingen). Maar weinig opleidingen dalen in populariteit. De grootste afname doet zich voor bij de opleiding MBO Werktuigbouw en mechanische techniek (125 leerlingen minder). 21 In tabel 3.4 wordt een uitsplitsing gemaakt naar leerweg. Bijna 40% van de Limburgse MBO ers volgt een opleiding volgens de meer praktisch georiënteerde beroepsbegeleidende leerweg. Dit percentage is vrijwel gelijk aan het percentage BBL-gediplomeerden, zoals dat in tabel 3.2 werd gepresenteerd. Dit kan erop wijzen dat de populariteit van het BBL min of meer constant blijft. Het kan er daarnaast ook op wijzen dat de uitval in het BOL en het BBL min of meer gelijk is. Helaas ontbreken de gegevens om hier een gefundeerde uitspraak over te doen. Tabel 3.4 Aantal (bekostigde) leerlingen in het MBO in Limburg naar leerweg en opleidingssector, kalenderjaar 2001 Opleidingssector Aantal leerlingen BOL BBL Totaal MBO Landbouw en natuurlijke omgeving 675 400 1.075 MBO Techniek 4.175 4.150 8.300 MBO Dienstverlening en gezondheidszorg 7.000 3.900 10.900 MBO Economie 5.275 1.625 6.925 Totaal 17.150 10.100 27.250 Bron: AOC en ROC s Limburg (Bekostigingstellingen 2000 en 2001, CFI/STOAS) Opvallend is dat in de sector MBO Techniek meer dan de helft van de leerlingen een BOLopleiding volgt. Hiermee is aandeel leerlingen dat een technische opleiding volgt groter dan het aandeel gediplomeerden van de sector MBO Techniek. Dit kan erop wijzen dat in de sector techniek de uitval uit de BOL-opleidingen relatief groot is. Wellicht is het raadzaam leerlingen meer op de mogelijkheden in het BBL, dat gezien het meer praktische en daarmee laagdrempelige karakter een belangrijke rol kan vervullen in het streven iedereen een startkwalificatie te laten behalen, te wijzen. In de sectoren MBO Dienstverlening en gezondheidszorg en MBO Techniek is het aantal leerlingen in de verschillende leerwegen meer in balans met het aantal gediplomeerden. 21 Voor een volledig overzicht van het aantal leerlingen en gediplomeerden per opleidingstype, zie de Statistische Bijlage. 31

DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT 2002-2006 Zoals bekend, zijn er grote traditionele verschillen in de opleidingskeuze van mannen en vrouwen. Uit tabel 3.5 blijkt dat het grootste verschil zich voordoet bij MBO Techniek en MBO Dienstverlening en gezondheidszorg. Slechts 6% van de leerlingen van de technische opleidingen volgt is vrouw. Bij opleidingen zoals MBO Installatietechniek, MBO Werktuigbouw en mechanische techniek en MBO Elektrotechniek is het aantal vrouwen zelfs te verwaarlozen (1% of minder). Een opleiding als MBO Fijnmechanische techniek en laboratorium (36%) is onder vrouwen daarentegen relatief populair. In de sector MBO Dienstverlening en gezondheidszorg zijn vrouwen met 77% flink in de meerderheid. In opleidingen als MBO Dokters-, tandarts- en dierenartsassistent, MBO Apothekersassistent en MBO Uiterlijke verzorging is meer dan 95% van de leerlingen vrouw. In de opleiding MBO Beweging en therapie zijn vrouwen met 41% echter in de minderheid. In de sector MBO Economie houden mannen en vrouwen elkaar min of meer in evenwicht. Binnen deze sector zijn de verschillen echter groot. Zo is liefst 98% van de leerlingen van de opleiding MBO Secretariaat vrouw, terwijl maar 40% van de leerlingen van de opleiding MBO Administratie en logistiek van het vrouwelijk geslacht is. In de sector MBO Landbouw en natuurlijke omgeving ten slotte is ruim 60% man. In het VMBO is de balans tussen mannen en vrouwen in de verschillende sectoren over het algemeen evenwichtiger dan in het MBO. Zo is in de sector VMBO Techniek bijna de helft van de leerlingen (45% vrouw). De sector VMBO Zorg en welzijn is een uitzondering. Ongeveer driekwart van de leerlingen is vrouw. Tabel 3.5 Aantal (bekostigde) leerlingen in het MBO in Limburg naar geslacht en opleidingssector, kalenderjaar 2001 Opleidingssector Aantal leerlingen Mannen Vrouwen Totaal VMBO Theorie 26.825 23.800 50.625 VMBO Landbouw en natuurlijke omgeving 700 775 1.475 VMBO Techniek 4.025 3.275 7.300 VMBO Zorg en welzijn 1.300 3.700 5.000 VMBO Economie 2.600 3.325 5.925 VMBO Totaal 35.200 35.300 71.500 HAVO/VWO 22.375 27.425 49.850 MBO Landbouw en natuurlijke omgeving 675 400 1.075 MBO Techniek 7.800 500 8.300 MBO Dienstverlening en gezondheidszorg 2.500 8.400 10.900 MBO Economie 3.250 3.675 6.925 MBO Totaal 14.275 12.975 27.250 Bron: AOC en ROC s Limburg (Bekostigingstellingen 2000 en 2001, CFI/STOAS) 32

DE INSTROOM VAN SCHOOLVERLATERS OP DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT 3.4 Het aanbod van schoolverlaters in 2003 In hoofdstuk 2 zijn de verwachte ontwikkelingen aan de vraagzijde van de Limburgse arbeidsmarkt op de korte termijn geschetst, resulterend in het aantal baanopeningen voor nieuwkomers op de arbeidsmarkt. Als aanbod staat, naast de kortdurig werklozen, hier met name de verwachte arbeidsmarktinstroom van schoolverlaters tegenover. 22 In tabel 3.6 wordt een overzicht gegeven van het verwachte aanbod van schoolverlaters op de Limburgse arbeidsmarkt in 2003. Door middel van een vergelijking met de verwachte ontwikkelingen op de middellange termijn in Limburg en in Nederland als geheel, kan deze prognose in enig perspectief worden geplaatst. In de tabel worden alleen prognoses voor de lagere en middelbare opleidingen gepresenteerd. De achterliggende gedachte hierbij is dat de hoger opgeleiden veel mobieler zijn dan lager en middelbaar opgeleiden. Met andere woorden: het aanbod is minder eenduidig aan een bepaalde regio toe te wijzen. Dit betekent dat de arbeidsmarkt voor hoger opgeleiden veeleer een landelijk karakter heeft. Tabel 3.6 Verwachte arbeidsmarktinstroom van schoolverlaters naar opleidingssector (als percentage van de werkgelegenheid), korte termijn (2003), Limburg, en middellange termijn (2001-2006), Limburg en Nederland Opleidingssector Limburg Limburg Nederland 2003 2001-2006 2001-2006 % gem. % gem. % Basisonderwijs 6,3 5,0 4,7 VMBO Theorie 4,6 4,5 4,5 VMBO Landbouw en natuurlijke omgeving 9,4 6,6 6,7 VMBO Techniek 4,9 4,4 3,4 VMBO Economie 3,8 4,9 5,5 VMBO Zorg en welzijn 8,3 5,9 4,9 HAVO/VWO 8,3 6,7 8,9 MBO Landbouw en natuurlijke omgeving 4,9 3,8 4,2 MBO Techniek 4,5 3,9 4,1 MBO Economie 4,3 4,3 4,1 MBO Dienstverlening en gezondheidszorg 6,0 5,2 4,3 Totaal (inclusief hogere en wetenschappelijke opleidingen) 4,8 4,4 4,4 Bron: ROA Uit de tabel blijkt dat de instroom van schoolverlaters op de Limburgse arbeidsmarkt in 2003 met 4,8% op een iets hoger niveau ligt dan de gemiddelde instroom over de periode 2001-2006. Verwacht mag daarom worden dat, op basis van de middellange termijn prognose, het aanbod de komende jaren wat zal afnemen. 22 Met de arbeidsmarktinstroom van herintreders is reeds impliciet rekening gehouden bij het bepalen van de (netto) vervangingsvraag. 33

DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT 2002-2006 Over het algemeen ontloopt het (relatieve) aanbod in de verschillende opleidingssectoren elkaar niet veel. Er zijn echter enkele uitschieters naar boven. Het aanbod zal in 2003 naar verwachting het grootst zijn in de sector VMBO Landbouw en natuurlijke omgeving. De instroom zal maar liefst 9,4% van de totale Limburgse werkgelegenheid voor arbeidskrachten met deze opleidingsachtergrond bedragen. Deze instroom is aanzienlijk groter dan de verwachte instroom op de middellange termijn in zowel Limburg als de rest van het land. Ook voor de sector VMBO Verzorging wordt voor 2003 een hoge instroom van 8,3% verwacht. Op MBO-niveau is de instroom voor de sector MBO Dienstverlening en gezondheidszorg met 6,0% wat hoger dan gemiddeld. De instroom vanuit VMBO-opleidingen ligt over het algemeen op een iets hoger niveau dan voor het MBO. De relatief hoge instroom vanuit VMBO-opleidingen impliceert dat een aanzienlijk aantal schoolverlaters zonder startkwalificatie het onderwijs zal verlaten. Met name vanuit de sectoren VMBO Landbouw en natuurlijke omgeving en VMBO Verzorging wordt dus een aanzienlijke instroom van schoolverlaters op de Limburgse arbeidsmarkt verwacht. De instroom vanuit de sector VMBO Economie is daarentegen opvallend laag. Het lijkt er dus op dat in deze sector de leerlingen makkelijker doorstromen naar het MBO en tenminste een assistentenopleiding afronden. In het volgende schema wordt een overzicht gegeven van die opleidingstypen waarvoor de verwachte instroom van schoolverlaters op de Limburgse arbeidsmarkt relatief hoog of relatief laag zal zijn. Het schema laat een breed scala aan opleidingen zien. Bij de opleidingen met een relatief hoge instroom zijn zowel economische, technische als opleidingen in de verzorging terug te vinden. Bij de opleidingen met een relatief lage instroom springen de vervoersopleidingen in het oog. Hierbij dient wel opgemerkt te worden dat, met name op VMBO-niveau, vaak later in de loopbaan een diploma gehaald wordt en er daarmee veel arbeidskrachten met deze opleidingsachtergrond. Het gaat hier bijvoorbeeld om chauffeursopleidingen (het zogenaamde groot rijbewijs). Lagere en middelbare opleidingstypen met een relatief hoge arbeidsmarktinstroom van schoolverlaters in Limburg in 2003: VMBO horeca en levensmiddelentechniek VMBO administratie, handel en textiel MBO procestechniek MBO sociaal-pedagogisch en welzijn MBO uiterlijke verzorging MBO facilitaire dienstverlening Lagere en middelbare opleidingstypen met een relatief lage arbeidsmarktinstroom van schoolverlaters in Limburg in 2003: VMBO vervoer MBO vervoer MBO handel MBO openbare orde en veiligheid 34

DE INSTROOM VAN SCHOOLVERLATERS OP DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT 3.5 De arbeidsmarktpositie van MBO-schoolverlaters In deze paragraaf zal een beeld worden geschetst van de actuele arbeidsmarktpositie van MBO-schoolverlaters. We beperken ons hierbij tot schoolverlaters van de initiële opleidingen in het MBO van de drie ROC s en het AOC n Limburg. We geven in deze paragraaf een overzicht van de ontwikkeling van de arbeidsmarktpositie van de schoolverlaters in de periode 1996-2001. 23 Hierbij kijken we zowel naar de situatie op de arbeidsmarkt (het werkloosheidspercentage en de beloning), als ook naar de verborgen aansluitingsproblemen: het moeten accepteren van werk beneden het eigen niveau of buiten het eigen vakgebied, vaker een tijdelijke in plaats van een vaste aanstelling krijgen, of vaker genoegen moeten nemen met deeltijdwerk, terwijl men liever een fulltime betrekking zou willen hebben. De cijfers over de Limburgse schoolverlaters worden telkens vergeleken met de cijfers voor Nederland als geheel. Tevens zal telkens worden aangegeven in hoeverre het beeld voor bepaalde opleidingssectoren afwijkt van de situatie voor het gehele MBO in Limburg. 24 Open discrepanties Aansluitingsproblemen op de arbeidsmarkt kunnen zich op verschillende manieren manifesteren. In deze paragraaf wordt de aandacht allereerst gericht op de (intrede)werkloosheid en het gemiddelde bruto maandloon onder MBO-schoolverlaters. Het werkloosheidspercentage en het verdiende loon in een bepaald marktsegment geeft een indicatie van de zogenaamde open discrepanties tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. Werkloosheid De werkloosheid is de meest in het oog springende indicator voor de arbeidsmarktpositie. In figuur 3.1 wordt een overzicht gegeven van de ontwikkeling in het aantal werkloze schoolverlaters als percentage van het totaal aantal MBO-schoolverlaters gedurende de afgelopen zes jaar. De figuur laat zien dat in 2001 al enigszins zichtbaar is dat de conjunctuur verslechtert. In Limburg is 4% van de MBO-schoolverlaters zo n anderhalf jaar na afstuderen werkloos. De jaren daarvoor was de werkloosheid met 2% lager. Opvallend is dat de toename van de werkloosheid onder schoolverlaters landelijk (nog) niet valt waar te nemen. Mogelijk illustreert dit het conjunctuurgevoelige karakter van de Limburgse economie. De toename van de werkloosheid blijkt zich met name voor te doen in de sectoren MBO Economie en MBO Landbouw. In de sector Economie is de werkloosheid onder Limburgse schoolverlaters maar liefst 10%. In de sectoren MBO Techniek en MBO Dienstverlening en gezondheidszorg is de werkloosheid in 2001 met respectievelijk 1% en 2% nog steeds erg laag. Deze erg lage percentages kunnen grotendeels gezien worden als een onvermijdbare frictiewerkloosheid (zie Verklarende woordenlijst). 23 De cijfers in deze paragraaf zijn afkomstig uit het Schoolverlaters Informatie Systeem (SIS) van het ROA. Ze dienen met enige voorzichtigheid betracht te worden, daar niet alle Limburgse ROC s gedurende alle jaren aan de enquítes hebben deelgenomen. 24 De figuren in het vervolg van deze paragraaf hebben betrekking op het totale MBO. Voor een overzicht van de informatie voor het jaar 2001 naar onderliggende opleidingssector, zie: tabellen 2.13 tot en met 2.19 van de Statistische Bijlage. 35

DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT 2002-2006 Figuur 3.1 Werkloosheid in procenten onder MBO-schoolverlaters, Limburg en Nederland, 1996-2001 9 % 8% 7% 6% 5% 4% 3% 2% 1% 0% 1996 1997 1998 1999 2000 2001 Limburg Nederland Figuur 3.2 Intredewerkloosheid in procenten onder MBO-schoolverlaters, Limburg en Nederland, 1996-2001 16% 14% 12% 10% 8% 6% 4% 2% 0% 1996 1997 1998 1999 2000 2001 Limburg Nederland 36

DE INSTROOM VAN SCHOOLVERLATERS OP DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT Daarnaast is het zinvol te kijken naar de wijze waarop de starter zijn weg vindt op de arbeidsmarkt. Is er sprake van een moeizame start? Of is de overgang van school naar werk gladjes verlopen? Een indicator voor deze startersproblematiek is de intredewerkloosheid. Figuur 3.2 laat het percentage schoolverlaters zien dat na het verlaten van de opleiding ten minste 4 maanden op zoek is geweest naar een baan. Uit de figuur blijkt dat de intredewerkloosheid zowel in Limburg als landelijk min of meer constant is. Zo n 3 tot 4% van de starters op de arbeidsmarkt met een MBO-diploma heeft enige moeite een plek op de arbeidsmarkt te verwerven. De verschillen tussen de opleidingssectoren zijn over het algemeen gering. Een vergelijking van de cijfers in de figuren 3.1 en 3.2 laat zien dat de afgelopen jaren de werkloosheid direct na het afronden van de opleiding ongeveer twee maal zo hoog was als de werkloosheid ruim een jaar na het verlaten van het onderwijs. Dit wijst er nogmaals op dat er hier voor een belangrijk deel sprake was van frictiewerkloosheid die samenhangt met de tijd waarmee het zoeken naar een passende baan vaak gepaard gaat. Gezien de toename van de werkloosheid onder MBO ers in 2001 mag verwacht worden dat ook de intredewerkloosheid de komende tijd enigszins zal toenemen. Beloning Een belangrijke indicator voor de arbeidsmarktpositie van opleidingen vormt de beloning. De beloning geeft immers een directe indicatie van de waarde van de verworven kwalificaties op de arbeidsmarkt. In figuur 3.3 wordt de bruto loonontwikkeling voor MBO-schoolverlaters beschreven. Het gaat hierbij om het bruto maandloon waar nodig gecorrigeerd voor het aantal gewerkte uren opdat het loon voor een voltijds aanstelling wordt verkregen. Uit de figuur blijkt dat na een sterke groei gedurende de periode 1997-1999, de lonen in Limburg de laatste jaren nauwelijks meer groeien. Het (gemiddeld) loon stabiliseert zich in Limburg op zo n 1.400,-. Een positieve uitzondering vormt de opleidingssector MBO Dienstverlening en gezondheidszorg. Schoolverlaters uit deze sector verdienen in 2001 gemiddeld ruim 15% meer dan in 2000. In de andere sectoren is er sprake van een geringe daling van de lonen voor starters op de Limburgse arbeidsmarkt. Landelijk is er daarentegen wel nog steeds sprake van een gestage loongroei. In vergelijking met 2000 is het gemiddeld bruto maandloon in 2001 gestegen met bijna 8%. Het gevolg hiervan is dat het landelijk loonpeil in 2001 voor het eerst sinds 1996 met 1.425,- hoger is dan de gemiddelde beloning in Limburg. Landelijk ontloopt de loonstijging in de verschillende sectoren elkaar niet veel. Al met al kan worden geconcludeerd dat de Limburgse arbeidsmarkt voor MBO- schoolverlaters na een aantal jaren van grote krapte in 2001 de eerste signalen van een stagnerende vraag laat zien. De werkloosheid loopt in 2001 wat op in vergelijking met 2000. De lonen stabiliseren zich en vertonen, met uitzondering van de sector MBO Dienstverlening en gezondheidszorg, zelfs een geringe daling. Landelijk is deze verslechtering van de arbeidsmarktsituatie (nog) niet waar te nemen in 2001. Mede als gevolg hiervan is het gemiddeld loonpeil in Limburg voor het eerst lager dan landelijk. 37

DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT 2002-2006 Figuur 3.3 Gemiddeld bruto maandloon (in euro s) onder MBO-schoolverlaters, Limburg en Nederland, 1996-2001 1.600 1.400 1.200 1.000 800 600 400 200 0 1996 1997 1998 1999 2000 2001 Limburg Nederland Gesloten discrepanties Naast de open discrepanties kan er ook sprake zijn van verborgen discrepanties bij degenen die wel werk hebben gevonden. Van dergelijke aansluitingsproblemen is bijvoorbeeld sprake als schoolverlaters werk moeten accepteren beneden hun niveau of buiten hun vakgebied, vaker een tijdelijke in plaats van een vaste aanstelling krijgen, of vaker genoegen moeten nemen met deeltijdwerk, terwijl men liever een fulltime betrekking zou willen hebben. Flexibele aanstelling De flexibilisering van de arbeidsmarkt was een aantal jaren geleden een hot item. Flexibilisering werd gezien als een belangrijk middel om de slagvaardigheid van bedrijven te bevorderen en de kansen van werknemers op de arbeidsmarkt te vergroten. Het tekort aan personeel van de laatste jaren heeft deze discussie wat naar de achtergrond gedrongen. Figuur 3.4 illustreert dit. De figuur laat zien hoeveel MBO-schoolverlaters anderhalf jaar na afstuderen werkzaam zijn met een flexibel arbeidscontract. Dit zijn banen via een uitzendbureau, als oproepkracht, of met een tijdelijke aanstelling zonder uitzicht op een vaste baan of met een aanstelling met een duur korter dan een jaar. De figuur laat zien dat het aandeel van flexibele arbeidskrachten in Limburg de laatste jaren is gedaald van 43% in 1996 naar 27% in 2001. Landelijk is er zelfs sprake van een halvering van 44% tot 21%. Overigens laat 38

DE INSTROOM VAN SCHOOLVERLATERS OP DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT de figuur tevens zien dat aan de afname van de flexibele arbeidsmarkt voor MBO-schoolverlaters, met name in Limburg, de laatste drie jaar veel trager verloopt dan de jaren daarvoor. Blijkbaar is er, zelfs wanneer en sprake is van een groot tekort aan arbeidskrachten, behoefte aan tijdelijk personeel. In Limburg zijn vooral schoolverlaters uit de sectoren MBO Techniek en MBO Economie met een flexibel arbeidscontract werkzaam. Het gaat hierbij in de sector MBO Economie om 34% en in de sector MBO Techniek om 32% van de schoolverlaters. Daarentegen zijn slechts 20% van de schoolverlaters uit de sector MBO Dienstverlening en gezondheidszorg als flexibele arbeidskracht werkzaam. Figuur 3.4 Percentage MBO-schoolverlaters met een flexibele aanstelling, Limburg en Nederland, 1996-2001 50% 45% 40% 35% 30% 25% 20% 15% 10% 5% 0% 1996 1997 1998 1999 2000 2001 Limburg Nederland Deeltijd Het verband tussen de situatie op de arbeidsmarkt en het werken in deeltijd is niet eenduidig. Enerzijds geven werkgevers er in een situatie van hoogconjunctuur en arbeidsmarktkrapte de voorkeur aan dat mensen voltijds werken. Zolang werknemers ook graag voltijds willen werken, zal er een positief verband bestaan tussen de conjuncturele situatie en het percentage werknemers dat voltijds werkt. Anderzijds biedt een gunstige economische situatie werknemers de ruimte hun persoonlijke voorkeuren ten aanzien van bijvoorbeeld deeltijdwerk te realiseren. Dit zou met name kunnen gelden voor vrouwen met jonge kinderen, of van schoolverlaters die graag nog wat meer vrije tijd willen hebben of een deeltijdopleiding willen volgen. Waar bij krapte op de arbeidsmarkt werkgevers de keuze hebben tussen 39

DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT 2002-2006 het parttime of in het geheel niet opvullen van een openstaande vacature, zullen ook zij in veel gevallen aan de eerste optie de voorkeur geven. In figuur 3.5 wordt een beeld geschetst van het belang van deeltijdwerk. Het percentage MBO-schoolverlaters dat in deeltijd werkt lijkt in de loop der jaren iets toe te nemen. Landelijk is het percentage schoolverlaters dat minder dan 33 uur per week betaald werk verricht gestegen van 25% in 1996 tot 28% in 2001. Het patroon in Limburg is wat minder eenduidig. Zo was het percentage deeltijders in 2000 in Limburg lager dan landelijk. In 2001 daarentegen is maar liefst 34% van de schoolverlaters in Limburg in deeltijd werkzaam, hetgeen duidelijk meer is dan landelijk. In hoeverre deze verschillen te maken hebben met het aanbod van deeltijdbanen bijvoorbeeld in relatie tot de conjuncturele ontwikkeling of met verschillen in de voorkeuren van Limburgse schoolverlaters en schoolverlaters in de rest van het land valt moeilijk te zeggen. Figuur 3.5 Percentage MBO-schoolverlaters dat in deeltijd werkt, Limburg en Nederland, 1996-2001 40% 35% 30% 25% 20% 15% 10% 5% 0% 1996 1997 1998 1999 2000 2001 Limburg Nederland De verschillen tussen de opleidingssectoren zijn groot. Zowel in Limburg als in de rest van het land is meer dan de helft van de schoolverlaters in de sector MBO Dienstverlening en gezondheidszorg in deeltijd werkzaam. In Limburg is dit zelfs 61%. Voor de sector MBO Techniek is dit percentage lager dan 10. In Limburg werkt 7% van de technische schoolverlaters minder dan 33 uur per week. Voor de sectoren MBO Economie en MBO Landbouw geldt dat ruim 20 procent van de schoolverlaters in deeltijd werkt. Deze verschillen tussen de sectoren kunnen voor een belangrijk deel toegeschreven worden aan verschillen in het aantal vrouwelijke schoolverlaters. Dit wijst erop dat het werken in deeltijd vooral een 40

DE INSTROOM VAN SCHOOLVERLATERS OP DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT kwestie is van de voorkeur van de werknemer en daarmee in veel mindere mate een gedwongen karakter heeft. Onderbenutting De mate waarin de in de opleiding verworven kwalificaties aansluiten op de door de werkgever vereiste kwalificaties vormt een belangrijke indicator voor de arbeidsmarktpositie van schoolverlaters en de kwaliteit van de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt. Aansluitingsproblemen op de arbeidsmarkt voor schoolverlaters manifesteren zich bijvoorbeeld vaak in de noodzaak om een baan onder hun niveau te accepteren. Men spreekt dan wel van een onderbenutting van iemands kwalificaties. Figuur 3.6 laat zien dat onderbenutting een niet te onderschatten fenomeen vormt op zowel de Limburgse als de landelijke arbeidsmarkt voor MBO-schoolverlaters. Bovendien lijkt het percentage schoolverlaters wier kwalificaties onderbenut worden enigszins toe te nemen. Zo is er in Limburg, na een daling gedurende de jaren 1996-1998, de laatste twee jaar weer sprake van een toename. In 1999 was 28% van de MBO-schoolverlaters onder zijn of haar niveau werkzaam. In 2001 is dit percentage gestegen tot maar liefst 38%. Landelijk is de stijging wat bescheidener. Hierdoor wordt het verschil tussen het Limburgse en het landelijke beeld steeds kleiner. In 2001 is 41% van de MBO-schoolverlaters onder zijn of haar niveau werkzaam. Figuur 3.6 Onderbenutting onder MBO-schoolverlaters, Limburg en Nederland, 1996-2001 45% 40% 35% 30% 25% 20% 15% 10% 5% 0% 1996 1997 1998 1999 2000 2001 Limburg Nederland De verschillen tussen de opleidingssectoren zijn aanzienlijk. In de sector MBO Dienstverlening en gezondheidszorg is het percentage onderbenutting zowel in Limburg als 41

DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT 2002-2006 in de rest van het land lager dan gemiddeld. In Limburg is 30% van de schoolverlaters in de sector MBO Dienstverlening en gezondheidszorg werkzaam onder zijn of haar niveau. Dit is, opvallend genoeg, iets meer dan landelijk. Schoolverlaters in de sectoren MBO Landbouw en MBO Economie werken relatief vaak onder hun niveau. In Limburg is dit respectievelijk 57 en 48 procent. Buiten vakrichting De tweede dimensie van de aansluitingsproblematiek tussen opleiding en beroepspraktijk wordt gevormd door de vraag in hoeverre de baan aansluit bij de opleidingsrichting. Figuur 3.7 laat zien dat zowel in Limburg als in de rest van het land ongeveer 30% van de MBOschoolverlaters emplooi heeft gevonden in een baan die minder goed aansluit bij de gevolgde opleidingsrichting. Dit percentage is de laatste jaren min of meer constant. Ook hier zijn er tussen de sectoren aanzienlijke verschillen. Zo is in Limburg slechts 19% van de schoolverlaters in de sector MBO Dienstverlening en gezondheidszorg buiten zijn of haar eigen vakrichting werkzaam. Het sterk beroepsspecifieke karakter van de opleidingen in de gezondheidszorg zal hieraan mogelijk mede ten grondslag liggen. Met name voor de sectoren MBO Landbouw en MBO Economie is het percentage schoolverlaters dat buiten de eigen vakrichting werkt relatief hoog. In Limburg is dit respectievelijk 43 en 39 procent. Hiermee vertonen de verschillen tussen de sectoren hetzelfde beeld als de verschillen ten aanzien van de onderbenutting. Met andere woorden: hoe hoger het percentage schoolverlaters dat beneden zijn of haar niveau werkt, hoe hoger het percentage dat buiten de eigen vakrich- Figuur 3.7 Percentage MBO-schoolverlaters dat buiten de eigen vakrichting werkzaam is, Limburg en Nederland, 1996-2001 40% 35% 30% 25% 20% 15% 10% 5% 0% 1996 1997 1998 1999 2000 2001 Limburg Nederland 42

DE INSTROOM VAN SCHOOLVERLATERS OP DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT ting emplooi heeft gevonden. Bij de opleidingen op niveau 1 en 2 betekenen hoge percentages onderbenutting en een minder goede aansluiting naar richting veelal dat de schoolverlaters terechtkomen op de zogenaamde secundaire arbeidsmarkt in banen waarvoor nauwelijks of geen scholing vereist is. Bij de opleidingen op niveau 3 en 4 kan het juist betkenen dat de zij breed inzetbaar zijn en vanuit een wat mindere startpositie mogelijk toch een goed carrièreperspectief hebben. 3.6 Uitwijkmogelijkheden naar verschillende beroepsgroepen voor MBOgediplomeerden In paragraaf 3.5 is een beeld geschetst van de arbeidsmarktpositie van schoolverlaters van het MBO in Limburg. Deze arbeidsmarktpositie wordt voor een belangrijk deel bepaald door de ontwikkelingen aan de vraag- en aanbodzijde van de Limburgse arbeidsmarkt. Wanneer de vraag naar MBO ers stijgt of het aanbod afneemt, wordt de arbeidsmarktpositie gemiddeld genomen beter. De werkloosheid zal dan dalen, de lonen zullen stijgen, de aansluiting tussen opleiding en beroep zal beter worden en MBO ers zullen minder vaak een tijdelijke aanstelling hoeven te aanvaarden. Wanneer de vraag daalt of het aanbod toeneemt, zal de werkloosheid stijgen, zullen de lonen stagneren, zullen meer MBO ers beneden hun niveau of buiten hun eigen richting emplooi moeten vinden en zullen er meer MBO ers met een tijdelijk contract werkzaam zijn. Het zijn echter niet alleen de vraag-aanbodverhoudingen die de arbeidsmarktpositie van een opleiding bepalen. Ook structurele factoren spelen een rol. Deze structurele kenmerken van de arbeidsmarktpositie geven een indicatie van de arbeidsmarktrisico s die de keuze voor een bepaalde opleiding met zich meebrengt. Zo komt het arbeidsmarktrisico van een bepaalde opleidingskeuze tot uiting in de mate waarin schoolverlaters afhankelijk zijn van de werkgelegenheidsontwikkeling in slechts een beperkt aantal beroepen of bedrijfssectoren. Dit risico is vooral groot bij zogenaamde smalle opleidingen, dat wil zeggen: opleidingen die specifiek gericht zijn op functies in een bepaalde vakdeelmarkt. Degenen die daarentegen een opleiding hebben gevolgd waarmee men in diverse beroepen en bedrijfssectoren emplooi kan vinden, kunnen als de arbeidsmarktsituatie in een bepaalde beroepsgroep minder gunstig is, betrekkelijk gemakkelijk uitwijken naar beroepen waarvoor de werkgelegenheidsontwikkeling gunstiger is. Bovendien zijn degenen die voor deze zogenaamde brede opleidingen hebben gekozen ook meer flexibel op de arbeidsmarkt wanneer men tijdens de studie- of arbeidsloopbaan meer inzicht krijgt in de persoonlijke capaciteiten en voorkeuren die men heeft, waardoor de beroepsperspectieven die aanvankelijk aanlokkelijk leken, hun aantrekkingskracht verliezen. Tabel 3.7 laat zien hoe groot de uitwijkmogelijkheden naar de verschillende beroepen zijn in Limburg voor de MBO ers die hun opleiding in 2001 succesvol hebben afgerond. Uit de tabel blijkt dat ruim 30% van de Limburgse MBO-gediplomeerden een opleidingsachtergrond heeft die hen slechts geringe uitwijkmogelijkheden biedt. Aan de andere kant blijkt slechts voor 14% de opleiding een zodanig karakter te hebben dat zij in een relatief breed scala aan beroepen emplooi kunnen vinden. Dit is niet verrassend, gezien het feit dat het hier over het algemeen beroepsopleidingen betreft die beogen op te leiden voor een bepaalde vakdeelmarkt. 43

DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT 2002-2006 Tabel 3.7 Uitwijkmogelijkheden naar verschillende beroepsgroepen van de gediplomeerden van het MBO (in procenten) in Limburg naar onderwijssector, kalenderjaar 2001 Opleidingssector Typering uitwijkmogelijkheden (Erg) laag Gemiddeld (Erg) hoog MBO Landbouw en natuurlijke omgeving 60 40 0 MBO Techniek 46 47 7 MBO Dienstverlening en gezondheidszorg 34 66 0 MBO Economie 11 46 43 Totaal 31 55 14 Bron: ROC s Limburg (Bekostigingstellingen 2000 en 2001, CFI), ROA Uit de tabel blijkt dat er aanzienlijke verschillen zijn tussen de onderwijssectoren. Zo blijkt bijna de helft van de technisch opgeleiden inzetbaar te zijn in een relatief smal beroependomein. Met name opleidingen zoals MBO bouw, MBO installatietechniek en MBO motorvoertuigentechniek en tweewielers blijken een relatief smal karakter te hebben. Slechts 7% van de technisch opgeleiden heeft een opleidingsachtergrond die hen relatief grote uitwijkmogelijkheden biedt. Het gaat hierbij met name om de opleiding MBO Vervoer. De sector MBO Economie laat het omgekeerde beeld zien. Ruim 40% van de economisch opgeleiden is relatief breed inzetbaar. Het gaat hierbij met name om de opleiding MBO handel. Slechts 11% heeft een relatief smalle opleiding gevolgd. Het betreft hier de gediplomeerden van de opleiding MBO secretariaat. De sector MBO Dienstverlening en gezondheidszorg neemt een tussenpositie in. Weliswaar is het aantal breed inzetbare MBO ers uit deze sector te verwaarlozen; het aantal smal opgeleiden is met 34% ook relatief beperkt. Het gaat bij die 34% vooral om gediplomeerden van medische en verzorgende opleidingen, zoals MBO dokters-, tandarts- en dierenartsassistent, MBO apothekersassistent en MBO verpleging en verzorging. Opleidingen gericht op de dienstverlening, zoals MBO horeca, hebben een wat breder karakter. De uitwijkmogelijkheden van deze opleidingen kunnen worden getypeerd als gemiddeld. 44

KNELPUNTEN EN PERSPECTIEVEN OP DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT IN 2003 4 Knelpunten en perspectieven op de Limburgse arbeidsmarkt in 2003 De verwachte arbeidsmarktsituatie die resulteert uit ontwikkelingen aan de vraag- en aan de aanbodzijde kan zowel vanuit werkgevers- als werknemersperspectief worden belicht. Voor werkgevers is het belangrijk dat zij een indicatie hebben van de verwachte knelpunten in de personeelsvoorziening in de beroeps- en opleidingssectoren waar zij personeel werven. Voor werkzoekenden en degenen die binnenkort hun opleiding afronden is het belangrijk om een indicatie te hebben van de arbeidsmarktperspectieven van mensen met hun opleidingsachtergrond en de verschillende beroepen waarin men naar werk kan gaan zoeken. Op basis van de Indicator Toekomstige Knelpunten in de Personeelsvoorziening naar Beroep (ITKB) kan worden geconcludeerd dat in 2003 voor een groot aantal beroepen enige knelpunten worden verwacht. Hierbij dient wel in het oog te worden gehouden dat bijvoorbeeld voor de Technische en industrieberoepen en de Economisch-administratieve beroepen vraag en aanbod naar verwachting min of meer in evenwicht zullen zijn. Dit zou kunnen betekenen dat, gezien de verslechterende conjunctuur, de knelpunten snel kleiner zouden kunnen worden. De rekruteringsproblemen worden naar verwachting het grootst bij de Pedagogische beroepen en de Medische en Paramedische beroepen. Met behulp van de Indicator Toekomstige Arbeidsmarktperspectieven (ITA) wordt de confrontatie tussen vraag en aanbod vanuit het perspectief van de schoolverlater en de werkzoekende bekeken. Voor veel opleidingssectoren geldt dat het perspectief weliswaar als goed bestempeld kan worden, maar dat vraag en aanbod elkaar min of meer in evenwicht houden. Dit kan betekenen dat, gezien de verslechterende conjunctuur, de perspectieven snel minder gunstig kunnen worden. Dit zou met name kunnen gelden voor een sector als MBO Techniek, die erg afhankelijk is van de conjunctuurgevoelige industrie. Het perspectief voor nieuwkomers met een opleidingsachtergrond in de sector MBO Dienstverlening en gezondheidszorg is matig. Binnen deze sector worden met name voor de opleidingen gericht op de dienstverlening relatief ongunstige perspectieven verwacht. De Limburgse werkgelegenheidstructuur heeft in beperkte mate een verhogend effect op de conjunctuurgevoeligheid van de Limburgse arbeidsmarkt. Over vrijwel de gehele linie blijkt de werkgelegenheid in de verschillende beroepsklassen in Limburg iets gevoeliger te zijn voor conjuncturele schommelingen dan landelijk. Voor de drie grotere beroepsklassen zijn de verschillen tussen het Limburgse en het landelijke beeld echter gering. Dit betekent dat de oorzaak voor de conjunctuurgevoeligheid van de Limburgse werkgelegenheid wellicht vooral gezocht moet worden in andere kenmerken van de Limburgse economie, zoals de geografische ligging, de investeringsbereidheid van bedrijven,de afhankelijkheid van een aantal grote bedrijven, e.d. 4.1 Inleiding In dit hoofdstuk zal worden ingegaan op de gevolgen van de prognoses van de ontwikkelingen op de Limburgse arbeidsmarkt in 2003. De confrontatie van vraag en aanbod, zoals deze werden besproken in hoofdstuk 2 en paragraaf 3.4, geeft in paragraaf 4.2 om te beginnen de knelpunten in de personeelsvoorziening, weergegeven door de Indicator Toekomstige 45

DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT 2002-2006 Knelpunten in de Personeelsvoorziening naar Beroep (ITKB). Vervolgens worden in paragraaf 4.3 de arbeidsmarktperspectieven voor nieuwkomers op de arbeidsmarkt in beeld gebracht op basis van de Indicator Toekomstig Arbeidsmarktperspectieven (ITA). 25 In paragraaf 4.4 wordt, in het licht van de onzekere economische vooruitzichten, de conjunctuurgevoeligheid van de Limburgse arbeidsmarkt onder de loep genomen. 4.2 Knelpunten in de personeelsvoorziening Aan de hand van de ITKB, de Indicator Toekomstige Knelpunten in de Personeelsvoorziening naar Beroep, wordt in kaart gebracht welke problemen werkgevers naar verwachting zullen ondervinden bij het vinden van geschikt personeel. Naarmate de ITKB lager is, zijn er meer knelpunten te verwachten. Wanneer de vraag naar nieuw personeel groter is dan het aanbod, is de ITKB kleiner dan ÈÈn. Werkgevers zullen dan relatief veel moeite hebben nieuw personeel te vinden. De knelpunten worden dan ook als groot getypeerd. Wanneer het aanbod groter is dan de vraag, is de ITKB groter dan èèn. Werkgevers zullen dan relatief weinig moeite ondervinden bij het aantrekken van nieuw personeel. We spreken dan van enige of (vrijwel) geen knelpunten. In tabel 4.1 worden de knelpunten in de personeelsvoorziening naar beroepsklasse gepresenteerd. De tabel laat zien dat voor het merendeel van de beroepen knelpunten worden verwacht. De problemen worden naar verwachting het grootst bij de Pedagogische beroepen en de Medische en paramedische beroepen. Bij de Pedagogische beroepen is het vooral het geringe aanbod dat ertoe leidt dat werkgevers naar verwachting grote moeite zullen ondervinden nieuw personeel te vinden. Het betreft hier overigens voor al een landelijk beeld, aangezien er veel hogere beroepen onder deze beroepsklasse vallen. De Medische en paramedische beroepen worden vooral gekenmerkt door een hoge uitbreidingsvraag. De investeringen in de zorgsector leiden tot een grote vraag naar nieuw personeel. Het aanbod kan deze vraag naar verwachting niet helemaal bijbenen. Ook voor de meeste andere beroepsklassen worden grote knelpunten verwacht. Hierbij dient wel in het oog te worden gehouden dat bijvoorbeeld voor de Technische en industrieberoepen en de Economisch-administratieve beroepen vraag en aanbod naar verwachting min of meer in evenwicht zullen zijn. De ITKB is immers gelijk aan èèn. Dit zou kunnen betekenen dat, gezien de verslechterende conjunctuur, de knelpunten snel kleiner zouden kunnen worden. Voor de Agrarische beroepen, de Transportberoepen en de Openbare orde- en veiligheidsberoepen worden relatief weinig knelpunten verwacht. Bij de Agrarische beroepen en de Transportberoepen blijkt er weliswaar een behoorlijke vraag te zijn, maar is er tegelijkertijd ruim voldoende aanbod van personeel om aan deze vraag te voldoen. De Openbare orde- en 25 In dit hoofdrapport is ervoor gekozen bij de beroepen de nadruk te leggen op de knelpunten in de personeelsvoorziening. Werkgevers zijn immers primair op zoek naar nieuwe arbeidskrachten die bepaalde taken binnen het bedrijf of de instelling kunnen verrichten. Bij de opleidingen ligt de nadruk op het arbeidsmarktperspectief voor nieuwkomers. Schoolverlaters worden immers allereerst gekenmerkt door de kwalificaties die zij hebben verworven. De opleidingsachtergrond vormt hiervoor een goede graadmeter. In de Statistische Bijlage wordt een overzicht gegeven van de knelpunten naar opleiding en de perspectieven naar beroep. 46

KNELPUNTEN EN PERSPECTIEVEN OP DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT IN 2003 veiligheidsberoepen worden vooral gekenmerkt door een kleine uitbreidingsvraag. Met andere woorden: er is gewoonweg relatief weinig behoefte aan nieuw beveiligingspersoneel. Tabel 4.1 Indicator Toekomstige Knelpunten in de Personeelsvoorziening (ITKB) naar beroepsklasse in 2003, Limburg Beroepsklasse ITKB Typering Pedagogische beroepen 0,97 Groot Culturele beroepen 0,98 Groot Agrarische beroepen 1,02 Enige Technische en industrieberoepen 1,00 Groot Transportberoepen 1,01 Enige Medische en paramedische beroepen 0,97 Groot Economisch-administratieve beroepen 1,00 Groot Infomaticaberoepen 0,99 Groot Sociaal-culturele beroepen 0,98 Groot Verzorgende en dienstverlenende beroepen 1,00 Groot Openbare orde- en veiligheidsberoepen 1,03 Enige Totaal (inclusief hogere beroepen) 1,00 Groot Bron: ROA In het volgende schema wordt een overzicht gegeven van de beroepsgroepen, waarvoor werkgevers in 2003 in Limburg relatief veel of relatief weinig knelpunten in de personeelsvoorziening kunnen verwachten. Het schema laat een gevarieerd beeld zien. Beroepsgroepen van allerlei niveaus en allerlei klassen zijn in het schema terug te vinden. 47

DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT 2002-2006 Beroepsgroepen met relatief weinig rekruteringsproblemen voor werkgevers in Limburg in 2003: Bouwvakkers Werktuigbouwkundig ontwerpers en hoofden technische dienst Procesoperators Kantoorhulpen, inpakkers en colporteurs Monteurs Hulpkrachten horeca en verzorging Verzekeringsagenten Commercieel employés Laders en lossers Aspirant politie-agenten, soldaten en beveiligingshulpen Agenten, onderofficieren en beveiligingsemployés Beroepsgroepen met relatief veel rekruteringsproblemen in Limburg in 2003: Docenten talen en expressie Aannemers en installateurs Bankwerkers en lassers Elektromonteurs Procesoperators Weg- en waterbouwkundige vakkrachten Confectie-arbeiders Therapeuten en verpleegkundigen Artsen Apothekersassistenten en medisch laboranten Productieplanners Juridisch en fiscaal medewerkers Juristen Leidinggevenden Managers Sociaal-cultureel werkers Winkeliers Ziekenverzorgenden 4.3 Arbeidsmarktperspectieven voor schoolverlaters De arbeidsmarktperspectieven voor de verschillende opleidingen worden in kaart gebracht met de ITA, de Indicator Toekomstige Arbeidsmarktperspectieven. De ITA geeft aan welke discrepanties er tussen vraag en aanbod per opleiding zijn te verwachten. Wanneer de vraag naar nieuwkomers het aanbod overtreft, is de ITA kleiner dan ÈÈn. In dat geval worden de perspectieven als goed getypeerd. Wanneer er sprake is van een aanbodoverschot, is het perspectief voor schoolverlaters veel minder gunstig. In dat geval worden, al naar gelang de waarde van de ITA, de perspectieven als redelijk, matig of zelfs slecht getypeerd. Een aanbodoverschot impliceert niet vanzelfsprekend dat de desbetreffende groep werkloos zal worden. Een minder goed perspectief kan ook leiden tot een toename van flexibele arbeidscontracten, stagnerende lonen of het vaker onder niveau of buiten de richting werken. De 48

KNELPUNTEN EN PERSPECTIEVEN OP DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT IN 2003 perspectieven op de korte termijn zijn zowel belangrijk voor de scholieren die in 2003 hun diploma behalen als voor de werklozen die momenteel op zoek zijn naar werk en daarbij overwegen om zich om te scholen naar een ander vakgebied via een relatief kortlopend scholingstraject. In tabel 4.2 worden de arbeidsmarktperspectieven voor 2003 naar opleidingssector gepresenteerd. Zoals reeds eerder aangegeven, concentreren we ons hierbij op de lagere en middelbare opleidingen. De tabel laat zien dat voor veel opleidingssectoren geldt dat het perspectief weliswaar als goed kan worden bestempeld, maar dat vraag en aanbod elkaar min of meer in evenwicht houden. De ITA is iets kleiner of gelijk aan één. Zoals bij de beroepsklassen reeds is opgemerkt, kan dit betekenen dat, gezien de verslechterende conjunctuur, de perspectieven snel minder gunstig kunnen worden. Dit zou met name kunnen gelden voor een sector als MBO Techniek, die erg afhankelijk is van de conjunctuurgevoelige industrie. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om opleidingen als MBO fijnmechanische techniek en laboratorium, MBO elektrotechniek en MBO grafische techniek. Het goede perspectief voor schoolverlaters met alleen Basisonderwijs sprint erg in het oog. Hierbij kunnen echter twee kanttekeningen worden geplaatst. Op de eerste plaats is er tegelijkertijd sprake van een krimpende werkgelegenheid. Het is vooral de hoge vervangingsvraag die nieuwkomers mogelijkheden biedt een plek op de arbeidsmarkt te verwerven. Op de tweede plaats moet worden opgemerkt dat de vraag naar arbeidskrachten met alleen Basisonderwijs vaak banen betreft met weinig groeimogelijkheden (zogenaamde dead-endjobs). Tabel 4.2 Indicator Toekomstige Arbeidsmarktperspectieven (ITA) naar beroepsklasse in 2003, Limburg Opleidingssector ITA Typering Basisonderwijs 0,96 Goed VMBO Theorie 1,00 Goed VMBO Landbouw 1,03 Redelijk VMBO Techniek 0,98 Goed VMBO Economie 0,98 Goed VMBO Verzorging 1,01 Redelijk HAVO/VWO 1,02 Redelijk MBO Landbouw 1,00 Goed MBO Techniek 0,99 Goed MBO Economie 1,00 Goed MBO Dienstverlening en gezondheidszorg 1,07 Matig Totaal (inclusief HBO en WO) 1,00 Goed Bron: ROA 49

DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT 2002-2006 Opvallend is het matige perspectief voor schoolverlaters met een opleidingsachtergrond in de sector MBO Dienstverlening en gezondheidszorg. Met name de hoge instroom van schoolverlaters is verantwoordelijk voor het feit dat er naar verwachting sprake zal zijn van een aanbodoverschot in deze sector. In tabel 4.1 hebben we gezien dat er grote knelpunten worden verwacht voor de Medische en paramedische beroepen. Het ligt dus voor de hand dat met name voor de opleidingen gericht op de dienstverlening relatief ongunstige perspectieven worden verwacht. Onderstaand schema bevestigt dit. MBO sociaal-pedagogisch en welzijn, MBO horeca en MBO uiterlijke verzorging zijn bij uitstek opleidingstypen die gericht zijn op de dienstverlening. Het schema laat zien dat juist voor deze opleidingstypen ongunstige perspectieven worden verwacht, terwijl voor een opleiding als MBO verpleging en verzorging een goed perspectief wordt verwacht.. Opleidingstypen met relatief goede perspectieven voor schoolverlaters in Limburg in 2003: VMBO mechanische techniek VMBO motorvoertuigentechniek VMBO elektrotechniek VMBO vervoer MBO werktuigbouw en mechanische techniek MBO verpleging en verzorging MBO geld, bank en belastingen MBO verzekeringswezen MBO openbare orde en veiligheid Opleidingstypen met relatief ongunstige perspectieven voor schoolverlaters in Limburg in 2003: VMBO landbouw en natuurlijke omgeving VMBO horeca en levensmiddelentechniek MBO procestechniek MBO sociaal-pedagogisch en welzijn MBO horeca MBO uiterlijke verzorging 4.4 De conjunctuurgevoeligheid van de Limburgse werkgelegenheid Van oudsher wordt de Limburgse economie als erg conjunctuurgevoelig gekarakteriseerd. Ook in dit rapport wordt er regelmatig op gewezen dat conjuncturele schommelingen in Limburg eerder en beter merkbaar zijn dan in de rest van het land. Mede in het licht van de huidige onzekere economische situatie, staan we in deze paragraaf stil bij de vraag hoe vatbaar de werkgelegenheid in Limburg is voor conjuncturele schommelingen in vergelijking met de rest van het land. Grofweg kunnen regionale verschillen in de conjunctuurgevoeligheid van de werkgelegenheid twee oorzaken hebben: 1.regionale verschillen in de economische structuur waardoor een regio meer of juist minder vatbaar wordt voor conjuncturele schommelingen; 2. regionale verschillen in de werkgelegenheidsstructuur, waardoor de werkgelegenheid in een regio meer of juist minder gevoelig wordt voor conjuncturele schommelingen. 50

KNELPUNTEN EN PERSPECTIEVEN OP DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT IN 2003 In deze paragraaf richten we ons op het tweede aspect en stellen we de vraag in hoeverre de Limburgse werkgelegenheidsstructuur de Limburgse arbeidsmarkt gevoelig of juist minder gevoelig maakt voor veranderingen in de conjunctuur. 26 Het is een bekend gegeven dat de Limburgse werkgelegenheidsstructuur enigszins afwijkt van de landelijke structuur. Tabel 4.3 illustreert dit. In deze tabel wordt een overzicht gegeven van de werkgelegenheidsstructuur naar bedrijfssector. Tevens wordt een typering gegeven van de conjunctuurgevoeligheid van de werkgelegenheid. Met name de sectoren Metaal en elektrotechniek en de conjunctuurgevoelige Overige industrie, zijn in Limburg wat groter in omvang dan in de rest van het land. De zeer conjunctuurgevoelige sector Horeca en zakelijke dienstverlening is in Limburg echter wat kleiner dan in de rest van het land. In Limburg is 13% van de arbeidskrachten in deze bedrijfssector werkzaam; landelijk is dit 16%. Tabel 4.3 De werkgelegenheidsstructuur naar bedrijfssector (in procenten), Limburg en Nederland, gemiddelde 2000-2001 en een typering van de conjunctuurgevoeligheid van de werkgelegenheid Opleidingssector Limburg Nederland Typering % % Conjunctuurgevoeligheid Landbouw en visserij 3 3 Erg laag Voeding 2 2 Laag Chemie 3 2 Gemiddeld Metaal en elektrotechniek 9 6 Gemiddeld Overige industrie 7 5 Hoog Energie 1 1 Gemiddeld Bouw en onroerend goed 7 8 Hoog Handel en reparatie 14 15 Hoog Transport en communicatie 6 6 Gemiddeld Bank- en verzekeringswezen 3 4 Gemiddeld Horeca en zakelijke dienstverlening 13 16 Erg hoog Quartaire diensten 16 16 Gemiddeld Overheid en onderwijs 13 14 Laag Bron: CBS/ROA 26 In deze paragraaf staat de indicator voor de conjunctuurgevoeligheid centraal (zie Verklarende woordenlijst). Bij het bepalen van de conjunctuurgevoeligheid naar beroep en opleiding wordt impliciet verondersteld dat de conjunctuurgevoeligheid van de werkgelegenheid in een bedrijfssector in Limburg niet afwijkt van het landelijke beeld. Enerzijds is dit een beperking, aangezien er geen rekening wordt gehouden met het specifieke karakter van de Limburgse economische structuur. Met andere woorden de eerste oorzaak van verschillen in de conjunctuurgevoeligheid zoals hierboven genoemd wordt uitgesloten. Anderzijds biedt het de mogelijkheid in deze paragraaf het effect van verschillen in de werkgelegenheidsstructuur (de tweede oorzaak) zuiver te meten. 51

DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT 2002-2006 In tabel 4.4 wordt gekeken naar de gevolgen van deze verschillen voor de werkgelegenheidsstructuur naar beroepsklasse. Uit de tabel blijkt dat de verschillen tussen Limburg en Nederland opmerkelijk gering zijn. Het aandeel van de Technische en industrieberoepen is in Limburg met 24% wat groter dan in de rest van het land. Ook zijn in Limburg wat meer mensen werkzaam in de Verzorgende en dienstverlenende beroepen. Daarentegen is landelijk 29% van de werkende beroepsbevolking werkzaam in een economisch-administratief beroep, terwijl dit in Limburg slechts 26% is. Tabel 4.4 De werkgelegenheidsstructuur naar beroepsklasse (in procenten), Limburg en Nederland, gemiddelde 2000-2001 Beroepsklasse Limburg Nederland % % Pedagogische beroepen 5 5 Culturele beroepen 1 2 Agrarische beroepen 4 4 Technische en industrieberoepen 24 22 Transportberoepen 6 6 Medische en paramedische beroepen 6 6 Economisch-administratieve beroepen 26 29 Informaticaberoepen 3 4 Sociaal-culturele beroepen 3 3 Verzorgende en dienstverlenende beroepen 18 15 Openbare orde- en veiligheidsberoepen 2 2 Totaal 100 100 Bron: CBS/ROA Een tweede element dat een rol kan spelen is de conjunctuurgevoeligheid van de werkgelegenheid in de verschillende beroepsklassen. Deze conjunctuurgevoeligheid is van twee factoren afhankelijk. Op de eerste plaats de conjunctuurgevoeligheid van de werkgelegenheid in de bedrijfssectoren, zoals beschreven in tabel 4.3. Op de tweede plaats het aandeel van de verschillende beroepen in deze sectoren. Tabel 4.5 laat zien hoe conjunctuurgevoelig de werkgelegenheid in de verschillende beroepsklassen is. Voor elke beroepsklasse wordt aangegeven hoeveel procent van de arbeidskrachten in een conjunctuurgevoelig beroep werkzaam is en hoeveel procent een beroep gekozen heeft waarvoor de werkgelegenheid slechts in beperkte mate aan conjuncturele schommelingen onderhevig is. Wanneer we ons eerst concentreren op de cijfers voor Limburg zien dat we er een aantal beroepsklassen uitspringt. De werkgelegenheid in de Pedagogische beroepen lijkt het minst gevoelig voor de conjunctuur, aangezien 75% van de arbeidskrachten in deze klasse een beroep gekozen heeft waarvoor de werkgelegenheid relatief weinig beïnvloed wordt door conjuncturele schommelingen. Ook de Medische en paramedische beroepen springen er op vergelijkbare wijze uit. Dat juist deze twee beroepsklassen eruit springen is niet verrassend 52

KNELPUNTEN EN PERSPECTIEVEN OP DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT IN 2003 gezien het feit dat een groot deel van het werk in deze beroepsklassen terug te vinden is in de door publieke middelen gefinancierde quartaire sector en de overheid. Opvallend genoeg is de werkgelegenheid in de Culturele beroepen het meest conjunctuurgevoelig. Maar liefst 67% van de werkenden in deze beroepsklassen heeft een beroep gekozen waarvoor de werkgelegenheid erg gevoelig is voor conjuncturele schommelingen. Ook de werkgelegenheid in de Informaticaberoepen en de grote beroepsklasse Verzorgende en dienstverlenende beroepen is relatief conjunctuurgevoelig. Opvallend is wellicht het feit dat de werkgelegenheid in de Technische en Industrieberoepen relatief ongevoelig is voor veranderingen in de conjunctuur. Slechts 31% van de werkgelegenheid in deze beroepsklasse is erg vatbaar voor conjuncturele schommelingen. Wanneer we de cijfers voor Limburg vergelijken met het landelijke beeld, dan zien we dat over vrijwel de gehele linie de werkgelegenheid in de verschillende beroepsklassen landelijk iets minder gevoelig is voor conjuncturele schommelingen. De percentages waarvoor de conjunctuurgevoeligheid als (erg) laag getypeerd kunnen worden zijn over het algemeen iets hoger, terwijl de percentages met de typering (erg) hoog iets lager zijn. Bijvoorbeeld: landelijk is 37% van de arbeidskrachten in de beroepsklasse Informaticaberoepen werkzaam in een beroep dat minder vatbaar is voor conjuncturele schommelingen, terwijl dit percentage in Limburg 30 bedraagt. Omgekeerd is landelijk 48% van de werkgelegenheid erg gevoelig voor de conjunctuur, terwijl dit in Limburg voor 54% het geval is. Overigens dient wel opgemerkt te worden dat voor de drie grootste beroepsklassen (de Technische en industrieberoepen, de Economisch-administratieve beroepen en de Verzorgende en dienstverlenende beroepen) de verschillen tussen het Limburgse en het landelijke beeld gering zijn. Tabel 4.5 Typering conjunctuurgevoeligheid van de werkgelegenheid naar beroepsklasse (in procenten van de werkgelegenheid), Limburg en Nederland Beroepsklasse Limburg Nederland (erg) laag (erg) hoog (erg) laag (erg) hoog Pedagogische beroepen 75 17 73 16 Culturele beroepen 19 67 27 59 Agrarische beroepen 48 0 51 0 Technische en industrieberoepen 7 31 7 31 Transportberoepen 31 0 33 0 Medische en paramedische beroepen 56 29 65 30 Economisch-administratieve beroepen 29 13 30 13 Informaticaberoepen 30 54 37 48 Sociaal-culturele beroepen 48 8 44 16 Verzorgende en dienstverlenende beroepen 28 58 31 55 Openbare orde- en veiligheidsberoepen 1 13 5 4 Bron: ROA Wat betekent dit voor het beeld voor de Limburgse arbeidsmarkt als geheel? Tabel 4.6 tracht hierover duidelijkheid te verschaffen. In deze tabel worden de cijfers uit tabel 4.5 53

DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT 2002-2006 over alle beroepsklassen geaggregeerd. Uit de tabel blijkt dat de Limburgse arbeidsmarkt iets conjunctuurgevoeliger is dan de landelijke arbeidsmarkt. De verschillen zijn echter gering. Hiermee sluiten de hier gepresenteerde cijfers aardig aan bij het beeld zoals geschetst in figuur 1.2 van dit rapport. Ook uit figuur 1.2 komt de conjunctuurgevoeligheid van de Limburgse economie niet eenduidig naar voren. In Limburg is de werkgelegenheid van 27% van de arbeidskrachten gevoelig voor conjuncturele schommelingen. Landelijk is dat 26%. Aan de andere kant is 28% van de Limburgse werknemers werkzaam in een beroep waarvoor de werkgelegenheid slechts in geringe mate door de conjunctuur wordt beïnvloed. Landelijk is dit met 29% iets meer. Tabel 4.6 Typering conjunctuurgevoeligheid van de werkgelegenheid (in procenten van de werkgelegenheid), Limburg en Nederland (erg) laag (erg) hoog Limburg 28 27 Nederland 29 26 Bron: ROA Concluderend kan gesteld worden dat de Limburgse werkgelegenheidstructuur in beperkte mate een verhogend effect heeft op de conjunctuurgevoeligheid van de Limburgse arbeidsmarkt. Over vrijwel de gehele linie blijkt de werkgelegenheid in de verschillende beroepsklassen in Limburg iets gevoeliger te zijn voor conjuncturele schommelingen dan landelijk. Voor de drie grootste beroepsklassen (de Technische en industrieberoepen, de Economischadministratieve beroepen en de Verzorgende en dienstverlenende beroepen) zijn de verschillen tussen het Limburgse en het landelijke beeld echter gering. Dit betekent dat de oorzaak voor de conjunctuurgevoeligheid van de Limburgse werkgelegenheid wellicht vooral gezocht moet worden in andere kenmerken van de Limburgse economie, zoals de geografische ligging, de investeringsbereidheid van bedrijven, de afhankelijkheid van een aantal grote bedrijven e.d. 54

DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT IN HAAR REGIONALE VERSCHEIDENHEID 5 De Limburgse arbeidsmarkt in haar regionale verscheidenheid De arbeidsmarkt in Limburg is in vergelijking met anderhalf jaar geleden ruimer geworden. Dit is ook in de zeven rayons zichtbaar. De mate waarin dat gebeurd is, verschilt per rayon. Dit hangt samen met de positionering en uitgangspositie van het rayon alsmede met de werkgelegenheidsstructuur. Dit laatste hoofdstuk gaat in op die regionale verschillen. 27 De nadruk is daarbij gelegd op de verschillen. Immers, de algemene ontwikkelingen die ook voor de rayons gelden, zijn reeds in de voorgaande hoofdstukken beschreven. Het rayon Weert kent een open arbeidsmarkt, een markt die sterk verweven is met de omliggende regio s. In het najaar 2002 is de arbeidsmarkt in Weert krap gebleven. Er zijn niet alleen kwalitatieve discrepanties. Als enig rayon in Limburg zullen ook kwantitatieve discrepanties voelbaar zijn. Op middellange termijn wordt verwacht dat deze arbeidsmarkt weer verder zal verkrappen. De arbeidsmarkt in Venray heeft op hoofdlijnen dezelfde kenmerken als die van Weert, met dien verstande dat de discrepanties tot kwalitatieve beperkt blijven. Wel is er bij bepaalde beroepssegmenten duidelijk sprake van vraagoverschotten. De arbeidsmarkten van de rayons Venlo, Roermond, Westelijke Mijnstreek en Maastricht & Mergelland hebben in het najaar 2002 een redelijk ruime arbeidsmarkt. Naast beroepssegmenten met aanbodoverschotten zijn er segmenten met vraagoverschotten. Het gaat veelal om segmenten op hoger niveau in verschillende richtingen. Ieder rayon heeft een andere uitgangspositie, waardoor ook de middellange termijn er anders uitziet. Zo heeft Venlo een sterk ontwikkelende markt, waardoor in 2006 weer kwantitatieve discrepanties zullen ontstaan. Roermond heeft juist een meer zwakke markt. Op de middellange termijn neemt de werkgelegenheid weer meer toe, maar dat is ook nodig om de relatief hoge groei van de beroepsbevolking te kunnen volgen. De markt van de Westelijke Mijnstreek is conjunctuurgevoelig, waardoor op middellange termijn de verwachting is dat de werkgelegenheid meer toeneemt dan de beroepsbevolking. Krapte zal weer goed voelbaar worden. De arbeidsmarkt in Maastricht & Mergelland is dynamisch. In 2006 zal de werkgelegenheid gegroeid zijn en de ruimte op de arbeidsmarkt zal kleiner zijn. Ten slotte is er het arbeidsmarktrayon Parkstad Limburg. Deze is onevenwichtig. Het aanbod is groter dan de vraag. Dit heeft door de economische teruggang er mede toe geleid dat in het najaar 2002 de arbeidsmarkt ruim is, de ruimste binnen Limburg. Voor de middellange termijn is de verwachting dat de werkgelegenheid meer zal toenemen dan het aanbod. Dit leidt ertoe dat de arbeidsmarkt ook in dit rayon zal verkrappen en minder ruim zal worden. Het is dan weer mogelijk dat er voor bepaalde beroepssegmenten vraagoverschotten zullen ontstaan. 27 De basis voor dit hoofdstuk is gelegd in de zeven afzonderlijke rayonrapportages van RAIL 2002. Om tot deze regionalisering van het provinciale beeld te komen, zijn op pragmatische wijze een aantal definities van ROA door Etil aangepast. De rayonrapportages bevatten elk een leeswijzer waarin deze aangepaste definities opgenomen zijn. De geïnteresseerde lezer van dit hoofdstuk wordt voor de exacte definities dan ook uitdrukkelijk naar een van de rayonrapportages verwezen. 55

DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT 2002-2006 Figuur 5.1 Zeven arbeidsmarktrayons Limburg a NOORD BRABANT Rayon Venray Rayon Venlo Rayon Weert DUITSLAND Rayon Roermond BELGIË Westelijke Mijnstreek Parkstad Limburg Maastricht en Mergelland a De indeling van Limburg is inclusief Mook en Middelaar en exclusief Cranendonck. De rayonindeling van Venray is exclusief Mook en Middelaar. De rayonindeling van Weert is inclusief Cranendonck. Bron: E,til, RAIL 2002 De zeven rayonrapportages 56

DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT IN HAAR REGIONALE VERSCHEIDENHEID 5.1 Inleiding In dit hoofdstuk worden de regionale specificaties van de Limburgse arbeidsmarkt beschreven. Daarbij wordt uitgegaan van zeven arbeidsmarktrayons. De afbakening van deze rayons is in figuur 5.1 weergegeven. De provincie Limburg is geen homogene provincie, ook niet wat de arbeidsmarkt betreft. Daarnaast wordt per rayon arbeidsmarktbeleid gevoerd. Het is dan ook belangrijk dat op regionaal niveau arbeidsmarktinformatie beschikbaar komt. RAIL voorziet de laatste drie jaren daarin. Dit resulteert ieder jaar in zeven afzonderlijke rayonrapportages, voor ieder rayon één. Dit jaar wordt voor het eerst in het voorliggende hoofdrapport integraal ingegaan op de regionale specificaties. 28 De opbouw van het hoofdstuk is als volgt. In paragraaf 5.2 wordt een algemene typering van de regionale arbeidsmarkten gegeven. In paragraaf 5.3 wordt ingegaan op de actuele discrepanties. Zowel omvang als typering van deze discrepanties zoals deze zich in oktober 2002 voordeden, komen aan de orde. Ten slotte wordt in paragraaf 5.4 een korte beschrijving per rayon gegeven, waarbij ook aandacht is voor de toekomstige ontwikkelingen. Voor een uitgebreide beschrijving van een specifiek rayon wordt nadrukkelijk verwezen naar de betreffende rayonrapportage. 5.2 Algemene karakterisering van de zeven arbeidsmarktrayons Kerncijfers Limburg kent zeven arbeidsmarktrayons. Parkstad Limburg is het grootste rayon. Daar woont 22% van de Limburgse beroepsbevolking en bevindt zich 20% van de Limburgse werkgelegenheid. Daarna volgt Maastricht & Mergelland waar 19% van de beroepsbevolking woont en 20% van de werkgelegenheid aanwezig is. Westelijke Mijnstreek, Rayon Venlo en Rayon Roermond zijn middelgroot. De rayons Venray en ten slotte Weert sluiten de rij. In het Rayon Weert woont 8% van de beroepsbevolking en het heeft een aandeel van 8% in de Limburgse werkgelegenheid. De verhouding tussen het totale aanbod en de totale vraag verschilt per rayon. Dit komt tot uitdrukking door de aandelen van de beroepsbevolking, respectievelijk de werkgelegenheid met elkaar te vergelijken. Daarnaast komt dit tot uitdrukking in de werkgelegenheidsgraad en in het pendelsaldo. In tabel 5.1 zijn deze vier grootheden per rayon onder elkaar gezet. Het volgende valt dan op. In Parkstad Limburg is het aanbod duidelijk groter dan de vraag en is de werkgelegenheidsgraad in vergelijking met Limburg en alle andere rayons het laagst. Er is ook sprake van een uitgaand pendelsaldo. Het rayon Venlo laat het tegenovergestelde beeld zien. Hier is de vraag groter dan het aanbod en is er een werkgelegenheidsgraad die in vergelijking met Limburg en alle andere rayons het hoogst is. Er is in het rayon Venlo sprake van een inkomend pendelsaldo. 28 Om tot deze regionalisering van het provinciale beeld te komen, zijn op pragmatische wijze een aantal definities van ROA door Etil aangepast. De rayonrapportages bevatten elk een leeswijzer waarin deze aangepaste definities opgenomen zijn. De geïnteresseerde lezer van dit hoofdstuk wordt voor de exacte definities dan ook uitdrukkelijk naar een van de rayonrapportages verwezen. 57

DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT 2002-2006 De rayons Maastricht & Mergelland en Westelijke Mijnstreek hebben een iets grotere vraag dan aanbod en een inkomend pendelsaldo. De werkgelegenheidsgraad ligt boven het provinciaal gemiddelde. Voor de rayons van Roermond, Weert en Venray liggen de aandelen in de Limburgse beroepsbevolking en werkgelegenheid op ongeveer dezelfde niveaus. De werkgelegenheidsgraad ligt rond het provinciaal gemiddelde. Verder hebben alle drie de rayons een uitgaand pendelsaldo. Tabel 5.1 Algemene typering a van de zeven arbeidsmarktrayons in Limburg b, 2002 Limburg Rayon Rayon Rayon Rayon Rayon Rayon Rayon Venray Venlo Roermond Weert WM PL M&M Aandeel Limburg Beroepsbevolking 100 11 14 13 8 16 22 19 Aandeel Limburg Werkgelegenheid 100 10 15 13 8 15 20 20 Werkgelegenheids- 57,1 58,6 65,1 54,6 56,2 60,2 48,9 60,1 graad Pendelsaldo 0-6,6 5,1-4,1-10,4 6,6-5,7 6,7 Arbeidsparticipatie 66 70 68 66 67 65 64 65 Werkloosheid 7,7 5,0 6,6 7,7 5,6 7,6 10,1 7,9 Vacaturegraad 17 25 12 16 36 16 11 15 a Werkgelegenheid: het aantal banen van ten minste 12 uur per week op basis van VRL 2002. Werkgelegenheidsgraad: het aantal banen van ten minste 12 uur per week (VRL) ten opzichte van de potentiële beroepsbevolking. Arbeidsparticipatie: de beroepsbevolking in percentage van de potentiële beroepsbevolking. Pendelsaldo: saldo van de inkomende en uitgaande pendel t.o.v. de werkgelegenheid. Werkloosheid: het aantal werklozen (definitie CWI) ten opzichte van de beroepsbevolking. Vacaturegraad: het aantal openstaande vacatures ten opzichte het 1.000 arbeidsplaatsen van ten minste 12 uur per week. b WM=Westelijke Mijnstreek, PL=Parkstad Limburg, M&M=Maastricht & Mergelland. Bron: E,til, RAIL 2002 De zeven rayonrapportages Er kan verder ingezoomd worden op meer specifieke kenmerken van de zeven rayons. Daartoe zijn in tabel 5.1 de arbeidsparticipatie, het werkloosheidspercentage en de vacaturegraad opgenomen. Ook nu komt Parkstad Limburg weer duidelijk naar voren. De arbeidsparticipatie is er het laagst, de werkloosheid het grootst en de vacaturegraad het laagst. Het tegenbeeld wordt nu gevormd door het rayon Venray. Hier is de arbeidsparticipatie het hoogst en de werkloosheid het laagst. De vacaturegraad behoort tot de hogere in Limburg. 58

DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT IN HAAR REGIONALE VERSCHEIDENHEID In deze lijn volgen daarna de rayons Weert en Venlo. De rayons Roermond en Westelijke Mijnstreek laten een redelijk gemiddeld provinciaal beeld zien. Het rayon Maastricht & Mergelland heeft een lage participatiegraad en vacaturegraad; de werkloosheid ligt rond het provinciaal gemiddelde. Samenvattende karakterisering Op basis van tabel 5.1, mede rekening houdend met de ontwikkelingen die zich de afgelopen jaren hebben voorgedaan 29, kan de volgende algemene typering van de regionale arbeidsmarkten gemaakt worden. In Parkstad Limburg is sprake van een onevenwichtige arbeidsmarkt. Ook tijdens de economische hoogconjunctuur is dit nauwelijks verminderd. De arbeidsmarkt blijft in deze regio dan ook zwak. Er zijn namelijk te weinig banen voor de mensen die er wonen, de participatie is laag en de werkloosheid hoog, er is een uitgaand pendelsaldo en de werkgelegenheidsgroei blijft achter. De rayons in Noord-Limburg en het rayon Weert laten een krachtige arbeidsmarkt zien. Wel is het zo dat er eerste signalen zijn die erop wijzen dat de kracht in het rayon Venray afneemt. Dit hangt samen met de reorganisaties in de agrarische sector, industrie en zorg. Voor het rayon Venray en het rayon Weert geldt dat hier een grote verwevenheid bestaat van deze regio s met omliggende regio s. Dit uit zich in het uitgaand pendelsaldo met tegelijkertijd een hoge werkgelegenheidsgraad en een lage werkloosheid. De arbeidsmarkt is in deze drie rayons krachtig genoemd, omdat er sprake is van een hoge arbeidsparticipatie, lage werkloosheid en een hoge werkgelegenheidsgraad. Daarnaast zijn de ontwikkelingen aan de aanbod- en vraagzijde positief. Met betrekking tot de arbeidsmarkt van het rayon Maastricht & Mergelland is geconstateerd dat deze dynamisch is. Zowel de vraag als het aanbod hebben zich de afgelopen jaren sterk ontwikkeld. Er is niet alleen sprake van een relatief hoge groei, maar ook van een verbreding van de werkgelegenheidsstructuur. Deze dynamiek heeft ertoe geleid dat de werkgelegenheidsgraad is toegenomen en de werkloosheid minder is gestegen in het afgelopen jaar van economische neergang. De arbeidsmarkt van de Westelijke Mijnstreek is conjunctuurgevoelig. In de jaren van economische groei is de werkgelegenheid meer toegenomen en de werkloosheid meer afgenomen dan provinciaal het geval is. Nu er sprake is van een economische neergang, is de werkloosheid weer sterker gestegen. Deze conjunctuurgevoeligheid hangt samen met de sectorstructuur van deze regio. De nijverheid is sterk vertegenwoordigd evenals de logistiek. Dit zijn twee sectoren die bij uitstek reageren op een groeiende en krimpende economie. De arbeidsmarkt van het rayon Roermond is zwak. De regio heeft weliswaar een brede werkgelegenheidsstructuur, maar toch volgt dit rayon min of meer de conjuncturele ontwikkelingen. In de periode van economische groei is de werkgelegenheid minder gegroeid en de werkloosheid minder gedaald. In de huidige periode van economische neergang is de werkgelegenheidsgroei sterk teruggevallen en is de werkloosheid als gemiddeld in Limburg toegenomen. 29 Hiervoor wordt uitdrukkelijk verwezen naar de zeven rayonrapportages. Daar zijn cijfers opgenomen over de ontwikkelingen 1996 tot en met 2001 en over 2001 tot en met 2002. 59

DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT 2002-2006 Tabel 5.2 Samenvattend overzicht van de actuele discrepanties a in de zeven arbeidsmarktrayons in Limburg, oktober 2002 Limburg Rayon Rayon Rayon Rayon Rayon Rayon Rayon Venray Venlo Roermond Weert Westelijke Parkstad Maastricht & Mijnstreek Limburg Mergelland Algemene typering krapte Kwalitatief Kwalitatief Kwalitatief Kwalitatief Kwalitatief, neigend Kwalitatief Kwalitatief Kwalitatief naar kwantitatief Relatieve Krapte 0,92 2,07 0,62 0,79 3,79 1,03 0,43 0,93 Relatieve knelpunten -0,04 0,48-0,27-0,10 0,98 0,02-0,27-0,03 Absolute Krapte -700 600-500 -250 1000 50-1.300-100 Absolute knelpunten -17.600-600 -2.300-2.700-0 -2.400-6.100-3.500 a Voor de hier gehanteerde definities door Etil wordt uitdrukkelijk verwezen naar de Leeswijzer, zoals deze in de rayonrapportages zijn opgenomen. Bron: E,til, RAIL 2002 De zeven rayonrapportages 60

DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT IN HAAR REGIONALE VERSCHEIDENHEID Tabel 5.2 (vervolg) Samenvattend overzicht van de actuele discrepanties a in de zeven arbeidsmarktrayons in Limburg, oktober 2002 Limburg Rayon Rayon Rayon Rayon Rayon Rayon Rayon Venray Venlo Roermond Weert Westelijke Parkstad Maastricht & Mijnstreek Limburg Mergelland Top met vraag-overschot -Hogere taalkundige culturele beroepen -Middelbare verzorgende beroepen -Elementaire beroepen -Middelbare technische beroepen -Middelbare verzorgende beroepen -Lagere agrarische beroepen -Hogere (para) medische beroepen -Middelbare verzorgende beroepen Top met aanbodoverschot -Lagere, administratiefcommerciële beroepen -Lagere transportberoepen -Lagere technische beroepen -Hogere pedagogische beroepen -Hogere (para)- medische beroepen -Elementaire beroepen -Lagere administratiefcommerciële beroepen -Middelbare administratiefcommerciële beroepen -Hogere (para)- medische beroepen -Elementaire beroepen -Middelbare administratiefcommerciële beroepen -Lagere administratiefcommerciële beroepen -Lagere administratiefcommerciële beroepen -Elementaire beroepen -Lagere transportberoepen -Hogere (para)- --- medische beroepen -Hogere administratiefcommerciële beroepen -Hogere beroepen m.b.t. gedrag en maatschappij -Elementaire beroepen -Lagere administratiefcommerciële beroepen -Middelbare administratiefcommerciële beroepen -Elementaire beroepen -Lagere administratiefcommerciële beroepen -Middelbare administratiefcommerciële beroepen -Elementaire beroepen -Middelbare administratiefcommerciële beroepen -Lagere administratiefcommerciële beroepen a Voor de hier gehanteerde definities door Etil wordt uitdrukkelijk verwezen naar de Leeswijzer, zoals deze in de rayonrapportages zijn opgenomen. Bron: E,til, RAIL 2002 De zeven rayonrapportages 61

DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT 2002-2006 5.3 Actuele discrepanties najaar 2002 In hoofdstuk 1 is al geconstateerd dat in Limburg de krapte sinds het voorjaar 2001 sterk is afgenomen. Deze ontwikkeling hangt enerzijds samen met de stijging van de werkloosheid, vooral onder de fase 1-werkzoekenden. Anderzijds hangt deze samen met de daling van de openstaande vacatures. In algemene zin moet dan ook geconstateerd worden dat de discrepanties op de Limburgse arbeidsmarkt in het najaar 2002 een kwalitatief karakter hebben. Er zijn doorgaans voldoende werkzoekenden om de vacatures in te vullen, maar hun kennis en ervaring sluiten niet aan op de kwalificatie-eisen die gevraagd worden. Dit kan betrekking hebben op de opleiding, maar ook op specialisaties en persoonlijke kenmerken. Tabel 5.2 laat zien dat in zes van de zeven rayons sprake is van kwalitatieve discrepanties. Alleen in het rayon Weert kunnen ook kwantitatieve discrepanties gevoeld worden, omdat er nauwelijks voldoende werkzoekenden zijn om de vacatures in te vullen. Omvang van de algehele discrepanties De mate van de ruimte op de arbeidsmarkt verschilt per rayon. Het rayon Maastricht & Mergelland weerspiegelt het provinciaal beeld. In het algemeen beschouwd zijn er in dit rayon voldoende fase 1-werkzoekenden om naar openstaande vacatures te bemiddelen. Er blijven dan nog een kleine honderd werkzoekenden fase 1 zonder baan. Als ook fase 2- en fase 3-werkzoekenden direct naar deze vacatures bemiddeld zouden kunnen worden, bijvoorbeeld na een kort toeleidingstraject, dan zijn er voor ruim drieduizend werkzoekenden in fase 1 t/m 3 vacatures te weinig. Fase 4-werkzoekenden hebben zo n grote afstand tot de arbeidsmarkt dat zij vooralsnog niet in aanmerking komen om naar een vacature toe te leiden. Ook het rayon Westelijke Mijnstreek benadert het provinciaal beeld, alhoewel hier iets meer vacatures zijn. Er is dan ook sprake van een redelijk ruime arbeidsmarkt. De arbeidsmarkt is het ruimst in Parkstad Limburg. Daar zijn relatief gezien weinig vacatures voor veel werkzoekenden. De discrepanties spitsen zich hier toe op een aanbodoverschot. Er zijn ruim 1.300 meer werkzoekenden in fase 1 dan dat er vacatures beschikbaar zijn. Als ook de fase 2-en fase 3-werkzoekenden in de beschouwing worden betrokken, gaat het om zesduizend personen. Het krapst is de arbeidsmarkt in het rayon Weert. Daar zijn bijna duizend werklozen in fase 1 te weinig om de vacatures te vervullen. Na inzet van alle werkzoekenden in fase 2 en 3 kunnen de vacatures min of meer ingevuld worden. Dit is dan ook het rayon waar naast kwalitatieve discrepanties ook kwantitatieve discrepanties gevoeld kunnen worden. Na dit rayon volgt het rayon Venray met een redelijk krappe arbeidsmarkt. De arbeidsmarkten in de rayons Venlo en Roermond zijn als ruim te typeren. Er zijn meer dan voldoende fase 1-werkzoekenden om de openstaande vacatures in te vullen. Bij inzet van ook de fase 2- en fase 3-werkzoekenden zijn er meer dan tweeduizend vacatures te weinig. 62

DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT IN HAAR REGIONALE VERSCHEIDENHEID Discrepanties per beroepssegment Er is geconstateerd dat in vrijwel alle rayons sprake is van kwalitatieve discrepanties. Dit betekent evenwel niet dat op bepaalde onderdelen van de arbeidsmarkt geen wervingsproblemen zouden bestaan. In de RAIL-studies wordt daartoe onderscheid gemaakt naar beroepssegmenten. In tabel 5.2 zijn de beroepssegmenten opgenomen met vraagoverschotten en met aanbodoverschotten. De segmenten met vraagoverschotten zijn de segmenten waarvoor de inzet van werkzoekenden in fase 1 t/m 3 onvoldoende is om de vacatures in dat beroepssegment te kunnen vervullen. Er moet voor die vacatures dus elders geworven worden. De segmenten met aanbodoverschotten zijn de segmenten waarvoor veel meer dan werkzoekenden in fase 1 t/m 3 zijn dan dat er vacatures beschikbaar zijn. Voor deze werkzoekenden moet dus werk buiten het segment gevonden moet worden. Het is nu duidelijk dat kwalitatieve discrepanties samengaan met overschotten en tekorten op de arbeidsmarkt voor specifieke beroepssegmenten (tabel 5.2). Vraagoverschotten komen doorgaans voor bij de hogere beroepssegmenten, aanbodoverschotten juist bij de segmenten tot en met het lager niveau. Wel zijn er per rayon opmerkelijke verschillen: - In Parkstad Limburg zijn er alleen aanbodoverschotten. - In Maastricht & Mergelland is er ook een vraagoverschot voor het middelbaar verzorgende beroepssegment. - In de Westelijke Mijnstreek zijn er geen vraagoverschotten gesignaleerd voor de hogere technische beroepen, dit terwijl de nijverheid daar sterk vertegenwoordigd is. - Het rayon Weert heeft vooral vraagoverschotten voor beroepssegmenten op middelbaar niveau. - Het rayon Roermond heeft slechts één beroepssegment met een vraagoverschot. - Het rayon Venlo weerspiegelt met meest het algemene provinciale beeld. - Het rayon Venray heeft drie heel verschillende beroepssegmenten met een vraagoverschot. Ze liggen op lager, middelbaar en hoger niveau. In vergelijking met vorig jaar moet geconstateerd worden dat nu niet zo zeer de technisch gerichte beroepssegmenten vraagoverschotten kennen, maar meer die in de medischverzorgende richtingen. Deze ontwikkeling hangt onder meer samen met de conjuncturele ontwikkeling. 5.4 De rayons in perspectief In deze laatste afsluitende paragraaf wordt per rayon een beknopte schets gegeven van de arbeidsmarkt. De lijnen worden daarbij doorgetrokken tot de middellange termijn, tot en met 2006. Rayon Venray 30 De arbeidsmarkt in het rayon Venray typeert zich als een krachtige markt. In oktober 2002 was de markt nog krap. Er waren meer vacatures dan dat er werklozen in fase 1 beschikbaar waren. Deze discrepanties spitsen zich toe in heel verschillende beroepssegmenten. 30 Het arbeidsmarktrayon Venray bevat niet de Limburgse gemeente Mook en Middelaar. 63

DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT 2002-2006 Vanuit de vraagkant zijn er momenteel tendensen waargenomen die minder positief zijn. Binnen meerdere sectoren vindt herstructurering plaats, waardoor arbeidsplaatsen verloren gaan. Voor de middellange termijn wordt verwacht dat de ontwikkelingen aan de vraag- en aanbodkant elkaar redelijk in evenwicht zullen houden. De ruimte op de arbeidsmarkt wordt vooral bepaald door de ontwikkeling van de werkloosheid. Als de conjunctuur weer aantrekt dan zal enige tijd later de werkloosheid weer gaan dalen. Rayon Venlo Dit andere rayon in Noord-Limburg kent ook een krachtige arbeidsmarkt. In oktober 2002 was de markt, in tegenstelling tot het rayon Venray, ruim. In algemene zin zijn er meer dan voldoende werklozen in fase 1 om de openstaande vacatures in te vullen. Voor twee beroepssegmenten zijn er onvoldoende werkzoekenden in fase 1 t/m 3 om alle vacatures in dat segment vervuld te krijgen. Voor deze segmenten moet dan ook elders geworven worden. Voor de middellange termijn is de verwachting dat de vraag meer toeneemt dan het aanbod. De werkloosheid zal dan ook afnemen. Er mag dan ook van de verwachting uitgegaan worden dat in 2006 in het rayon Venlo weer van een redelijk krappe arbeidsmarkt sprake zal zijn. Naast kwalitatieve discrepanties, zullen de kwantitatieve discrepanties weer voelbaar worden. Rayon Roermond Het rayon Roermond in Midden-Limburg heeft een zwakke arbeidsmarkt. In oktober 2002 was deze markt ook ruim. Alleen voor het hogere medische beroepssegment heeft een vraagoverschot bestaan. Daarnaast komen er voor drie beroepssegmenten omvangrijke aanbodoverschotten voor. Op middellange termijn wordt verwacht dat de werkgelegenheid weer meer zal gaan toenemen. Dit is ook belangrijk om de relatief hoge groei van de beroepsbevolking te kunnen volgen. Rayon Weert 31 Dit andere rayon in Midden-Limburg karakteriseert zich als een open markt. Bij dit rayon komt de sociaal-economische samenhang en verwevenheid met omliggende rayons het sterkst tot uitdrukking. Het gaat ook om een krachtige markt, die in najaar 2002 krap was. Er zijn nauwelijks voldoende werkzoekenden in fase 1 t/m 3 om de vacatures vervuld te krijgen. Er zijn vooral vraagoverschotten voor de middelbaar technische en middelbaar verzorgende beroepen. Voor de toekomst wordt verwacht dat de ontwikkelingen aan vraag- en aanbodkant elkaar redelijk in evenwicht zullen houden. De mate van de krapte hangt in dit rayon samen met de ontwikkeling van de werkloosheid. Als de economie weer aantrekt, zal in het rayon Weert de discrepanties weer op meerdere beroepssegmenten merkbaar zijn. 31 Het arbeidsmarktrayon Weert bevat ook de Noordbrabantse gemeente Cranendonck. 64

DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT IN HAAR REGIONALE VERSCHEIDENHEID Rayon Westelijke Mijnstreek De arbeidsmarkt van dit rayon in Zuid-Limburg is conjunctuurgevoelig. Dit hangt samen met de werkgelegenheidsstructuur, waarin nijverheid en logistiek sterk vertegenwoordigd zijn. Nu de conjuncturele groei het afgelopen jaar fors verminderd is, is de ruimte op de arbeidsmarkt in najaar 2002 voor dit rayon dan ook redelijk te noemen. Er zijn vooral aanbodoverschotten in de elementaire en administratief- commerciële beroepssegmenten. Er zijn vraagoverschotten in een paar hogere beroepssegmenten. Opvallend hierbij is dat het niet om technische beroepen gaat. De vraag zal op middellange termijn weer gaan toenemen. Het aanbod zal evenwel minder hard groeien. De verwachting is dan ook dat de werkloosheid daalt tot onder het gemiddelde werkloosheidsniveau van 2002. Rayon Parkstad Limburg Deze arbeidsmarkt is nog steeds onevenwichtig. Het aanbod is groter dan de vraag. De werkgelegenheidsontwikkelingen blijven relatief gezien achter. In het najaar 2002 was dan ook sprake van een ruime arbeidsmarkt. Ook op het niveau van beroepssegmenten is er voor (bijna) alle beroepssegmenten sprake van aanbodoverschotten. Voor de elementaire en administratief-commerciële beroepssegmenten zijn deze zelfs omvangrijk. Daarnaast is er geen enkel beroepssegment waarvoor een vraagoverschot bestaat. De verwachting naar 2006 toe is dan ook dat er in het algemeen bezien zich geen kwantitatieve problemen zullen voordoen in dit rayon. De aanbodkant neemt namelijk meer toe dan de vraagkant. Wel kan bij bepaalde beroepssegmenten de ruimte minder worden en aldus kunnen er kwalitatieve discrepanties optreden. Rayon Maastricht & Mergelland Het rayon Maastricht & Mergelland in Zuid-Limburg is dynamisch. Zowel de vraag- als de aanbodkant hebben zich de afgelopen jaren sterk ontwikkeld. Door de conjuncturele ontwikkelingen is de werkloosheid gestegen, waardoor er meer ruimte op de arbeidsmarkt is ontstaan. In het najaar 2002 was in dit rayon dan ook sprake van een redelijk ruime arbeidsmarkt. Ondanks de ruime markt, zijn er vraagoverschotten geconstateerd in medisch-verzorgende richtingen en aanbodoverschotten in de elementaire beroepen en administratief-commerciële beroepen. Naar 2006 toe wordt verwacht dat de werkgelegenheid weer meer gaat toenemen. De ruimte op deze regionale arbeidsmarkt neemt af. De werkloosheid zal weer afnemen en tot onder het niveau van het jaar 2002 dalen. 65

DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT 2002-2006 66

VERKLARENDE WOORDENLIJST Verklarende woordenlijst Arbeidsmarktinstroom van schoolverlaters Het aanbod van nieuwe arbeidskrachten op de arbeidsmarkt, zoals deze is bepaald door de verwachte uitstroom van schoolverlaters uit het initiële dagonderwijs, de schoolverlaters van het deeltijdonderwijs, het niet-reguliere voltijdonderwijs en de beroepsgerichte volwasseneneducatie. Voor deze groep nieuwe arbeidskrachten wordt in dit rapport soms ook de alternatieve term nieuwkomers op de arbeidsmarkt gebruikt. Arbeidsmarktkrapte Het begrip arbeidsmarktkrapte dat in deze rapportage gehanteerd wordt, is gedefinieerd als de verhouding tussen het aantal openstaande vacatures en het aantal niet-werkende werkzoekenden in bemiddelingsfase 1 per arbeidsmarktsegment. Wanneer de indicator voor de arbeidsmarktkrapte kleiner is dan èèn, is er sprake van een aanbodoverschot op het betreffende segment. Wanneer de indicator voor de arbeidsmarktkrapte groter is dan èèn, is er sprake van een tekort aan niet-werkende werkzoekenden in het betreffende segment. Dit tekort kan twee oorzaken hebben: wanneer het aanbod getalsmatig tekortschiet is er sprake van een kwantitatief probleem. De knelpuntsindicator (zie hier beneden) zal dan groter zijn dan èèn. Wanneer het probleem vooral gelegen is in het feit dat het percentage niet-werkende werkzoekenden in fase 1 laag is, is dit tekort vooral een kwalitatief aansluitingsprobleem dat zich zal manifesteren in een knelpuntsindicator kleiner dan èèn. Aangezien werkzoekenden niet naar bedrijfssector ingedeeld kunnen worden, kan deze maatstaf niet gebruikt worden om de arbeidsmarktkrapte naar bedrijfssector te berekenen. De arbeidsmarktkrapte naar bedrijfssector is daarom gedefinieerd als het gewogen gemiddelde van de arbeidsmarktkrapte naar beroepsgroep. De wegingsfactor is daarbij gebaseerd op het aandeel van de betreffende beroepsgroep in het totale aantal openstaande vacatures in die bedrijfssector. Hoe hoger de arbeidsmarktkrapte in een bedrijfssector, hoe groter de rekruteringsproblemen. Baanopeningen De baanopeningen representeren de totale vraag naar nieuwkomers op de arbeidsmarkt, zoals deze is bepaald door de werkgelegenheidsgroei (positieve uitbreidingsvraag) en de (netto) vervangingsvraag. Bedrijfssector Alle voorkomende bedrijven zijn ingedeeld in een aantal clusters. De in deze rapportage gepresenteerde informatie is - met uitzondering van de totale werkgelegenheid - verbijzonderd naar 13 bedrijfssectoren. Deze komen overeen met de door het CPB gehanteerde bedrijfssectorindeling. Bemiddelingsfase Het begrip bemiddelingsfase dat in deze rapportage wordt gehanteerd, is gebaseerd op de indeling zoals die door Arbeidsvoorziening wordt gehanteerd. Een hogere bemiddelingsfase impliceert een grotere afstand tot de arbeidsmarkt: - Fase 1: De werkzoekende voor wie arbeidsmarktinstrumenten beschikbaar zijn gericht op directe bemiddeling of terugkeer naar de arbeidsmarkt. 67

DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT 2002-2006 - Fase 2: De werkzoekende voor wie arbeidsmarktinstrumenten beschikbaar zijn gericht op een zodanige verbetering van de kans op werk, dat hij/zij binnen een tijdsbestek van maximaal een jaar als werkzoekende bemiddelbaar is op de arbeidsmarkt. - Fase 3: De werkzoekende voor wie arbeidsmarktinstrumenten beschikbaar zijn gericht op een zodanige verbetering van de kans op werk, dat hij/zij binnen een tijdsbestek van meer dan een jaar als werkzoekende bemiddelbaar is op de arbeidsmarkt. - Fase 4: De werkzoekende die tengevolge van zware persoonlijke werk-belemmeringen is aangewezen op hulp en zorg die gericht is op een zodanige verbetering van zijn/haar eigen positie dat eerst op termijn arbeidsmarktinstrumenten inzetbaar zijn gericht op de verbetering van zijn/haar kans op werk. Beroepsgroep, Beroepssector, Beroepssegment Alle voorkomende beroepen zijn ingedeeld in een aantal clusters. In deze rapportage en de bijbehorende Statistische Bijlage wordt afwisselend gebruik gemaakt van de indeling in 127 beroepsgroepen, 11 beroepssectoren en 43 beroepssegmenten. Bijscholing Er is sprake van bijscholing wanneer een scholingstraject de opleidingsachtergrond van een werkzoekende niet verandert. Bijscholingspotentieel in verhouding tot de scholingsbehoefte Het bijscholingspotentieel (in kwantitatieve zin) wordt gevormd door de niet-werkende werkzoekenden in fase 2 en 3. Het bijscholingspotentieel in verhouding tot de scholingsbehoefte - het verschil tussen de som van de openstaande vacatures en de verwachte baanopeningen enerzijds en de direct inzetbare werkzoekenden (de schoolverlaters en de niet-werkende werkzoekenden in fase 1) anderzijds - geeft aan in hoeverre werkzoekenden door middel van bijscholing hun arbeidsmarktkansen kunnen vergroten. Hoe groter deze verhouding is, hoe groter de mogelijkheden voor de werkzoekenden zijn. Wanneer de bijscholingsbehoefte gering is, zijn de kansen om via bijscholing de arbeidsmarktkansen te vergroten eveneens gering. Conjunctuurgevoeligheid De conjunctuurgevoeligheid van de werkgelegenheid heeft betrekking op de mate waarin de werkgelegenheid voor mensen met een bepaalde opleidingsachtergrond gevoelig is voor veranderingen van de economische situatie. Deze indicator geeft daarmee de mate van werkzekerheid aan. De conjunctuurgevoeligheid wordt bepaald door de sectorale werkgelegenheidsfluctuaties in het verleden te relateren aan de mate waarin een opleidingstype momenteel in de verschillende bedrijfssectoren is vertegenwoordigd. Hierbij wordt rekening gehouden met het feit dat niet ieder opleidingstype even sterk meefluctueert met de werkgelegenheidsschommelingen van de bedrijfssector. Deeltijdarbeid Deeltijdarbeid betreft personen die hoogstens 32 uur maar minstens 12 uur per week werkzaam zijn. 68

VERKLARENDE WOORDENLIJST Eigen vakrichting Een indicatie van de mate waarin arbeidskrachten werkzaam zijn in een functie die niet goed aansluit bij de gevolge opleidingsrichting. De mate waarin schoolverlaters buiten de eigen vakrichting werkzaam zijn wordt in dit rapport vastgesteld door de schoolverlaters zelf te laten aangeven in hoeverre voor de door hen uitgeoefende functie de eigen of een verwante opleidingsrichting vereist is. Flexibel werk Van flexibel werk is sprake bij uitzendkrachten, oproepkrachten, invalkrachten, contracten zonder een vast aantal arbeidsuren en indien geen vast dienstverband is overeengekomen. Frictiewerkloosheid Frictiewerkloosheid is de min of meer onvermijdbare werkloosheid, die het gevolg is van het feit dat het bij het veranderen van werk, of het zoeken van een eerste baan, vaak enige tijd duurt voordat men na sollicitatie wordt aangenomen. Knelpuntsindicator Het begrip knelpuntsindicator dat in deze rapportage wordt gehanteerd is gedefinieerd als de verhouding tussen het aantal openstaande vacatures dat niet door niet-werkende werkzoekenden in bemiddelingsfase 1 vervuld kan worden en het aantal niet-werkende werkzoekenden in bemiddelingsfase 2 en 3. Hoe hoger de knelpuntsindicator, hoe minder niet-werkende werkzoekenden met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt er beschikbaar zijn voor de openstaande vacatures die niet door direct bemiddelbare werkzoekenden vervuld kunnen worden. Dit impliceert tevens dat een hoge knelpuntsindicator een werkzoekende in het betreffende segment de mogelijkheid biedt via bijscholing de kansen op een baan te vergroten. Wanneer het aantal niet-werkende werkzoekenden in fase 1 het aantal openstaande vacatures overtreft, is de knelpuntsindicator gelijk aan 0. Er is dan geen sprake van een tekort aan gekwalificeerd aanbod. Het aantal banen schiet juist tekort om alle direct inzetbare werkzoekenden aan werk te helpen. Langdurig werkzoekende Het begrip langdurig werkzoekende dat in deze rapportage wordt gehanteerd, is gedefinieerd als een werkzoekende die langer dan een jaar ingeschreven is bij het Centrum voor Werk en Inkomen. Opgemerkt dient te worden dat dit niet noodzakelijkerwijs impliceert dat de betreffende werkzoekende tijdens de periode niet gewerkt heeft. Langdurig openstaande vacature Het begrip langdurig openstaande vacature dat in deze rapportage wordt gehanteerd, is gedefinieerd als een vacature die langer dan drie maanden openstaat. Omscholing Er is sprake van omscholing wanneer het scholingstraject de opleidingsachtergrond van een werkzoekende verandert. Omscholing kan zowel niveauverhogend als richtingveranderend van aard zijn. 69

DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT 2002-2006 Onderbenutting Onderbenutting is een indicatie van de mate waarin arbeidskrachten werkzaam zijn op een functieniveau dat lager is dan hun opleidingsniveau. De onderbenutting van schoolverlaters wordt in dit rapport vastgesteld door de schoolverlaters zelf te laten aangeven welk opleidingsniveau vereist is voor de door hen uitgeoefende functie. Opleidingssector, Opleidingstype Alle voorkomende opleidingen zijn samengevoegd tot een aantal clusters. In de prognosemethodiek en in de bij dit rapport verschenen Statistische Bijlage wordt voornamelijk uitgegaan van 113 opleidingstypen. In het rapport wordt in de meeste gevallen echter een indeling naar 21 opleidingssectoren gehanteerd. Potentiële beroepsbevolking De potentiîle beroepsbevolking omvat de werkenden, de werklozen en de niet-participerenden. Iedereen die tussen de 15 en de 64 jaar oud is en geen voltijdopleiding volgt, wordt tot de potentiîle beroepsbevolking gerekend. Als men meer dan 12 uur per week werkt, wordt men tot de werkzame beroepsbevolking gerekend. Werkt men niet of minder dan 12 uur, maar wil men wel minstens 12 uur per week betaalde arbeid verrichten, dan behoort men tot de werkloze beroepsbevolking. Werkt men niet of minder dan 12 uur, en is men niet op zoek naar betaalde arbeid voor minstens 12 uur per week, dan behoort men tot de niet-participerende beroepsbevolking (de zgn. stille reserve ). Toekomstig arbeidsmarktperspectief Het toekomstig arbeidsmarktperspectief geeft de verhouding tussen aanbod en vraag in de prognoseperiode voor een opleidingstype weer. Als het arbeidsmarktperspectief slecht is, betekent dit dat er in het (de) komende ja(a)r(en) veel meer aanbod van nieuwkomers is dan er baanopeningen zijn. Hierdoor zal de arbeidsmarktpositie gaan verslechteren. Deze verslechtering kan een hogere werkloosheid betekenen, maar door aanpassingsprocessen op de arbeidsmarkt kan dit ook leiden tot het moeten aanvaarden van banen op een lager niveau, een lagere beloning en meer tijdelijke contracten. Omgekeerd zal een goed perspectief tot een grotere kans op werk, maar ook tot een verbeterde positie op andere punten leiden. Het toekomstig arbeidsmarktperspectief per opleidingstype wordt bepaald door middel van de Indicator Toekomstige Arbeidsmarktsituatie (ITA), die is gedefinieerd als de verhouding tussen enerzijds de verwachte instroom van schoolverlaters en het aantal direct bemiddelbare werkzoekenden en anderzijds de verwachte baanopeningen. Naarmate de waarde van de indicator hoger is, is het perspectief slechter. Analoog geeft de Indicator Toekomstige Arbeidsmarktsituatie naar Beroep (ITAB) het arbeidsmarktperspectief naar beroepsgroep weer. Merk overigens op dat een hogere ITA of ITAB een slechtere (toekomstige) arbeidsmarktsituatie impliceert, terwijl een hogere arbeidsmarktkrapte een indicatie is voor een betere (huidige) arbeidsmarktpositie van een opleidingstype. Toekomstige knelpunten in de Personeelsvoorziening Als de toekomstige vraag naar werkenden met een bepaalde opleidingsachtergrond groter is dan het aanbod, kunnen knelpunten in de personeelsvoorziening verwacht worden. Vergelijkbaar met de Indicator Toekomstige Arbeidsmarktsituatie (ITA, zie hierboven) geeft de Indicator Toekomstige Knelpunten in de Personeelsvoorziening (ITKP) deze vraagaanbod-spanning aan. Het verschil met de ITA is dat bij de ITKP de uitstroom van werken- 70

VERKLARENDE WOORDENLIJST den als gevolg van een krimpende werkgelegenheid is meegerekend in de vraag, omdat verwacht mag worden dat bij knelpunten in de personeelsvoorziening deze (gedwongen) uitstroom kan worden afgeremd of elders werk zou kunnen vinden. Naarmate de waarde van de indicator lager is, zijn de verwachte knelpunten groter. Analoog geeft de Indicator Toekomstige Knelpunten in de personeelsvoorziening naar Beroep (ITKB) de knelpunten naar beroepsgroep weer. Toekomstige Knelpunten in de personeelsvoorziening naar Beroep Voor het vaststellen van de verwachte knelpunten in de personeelsvoorziening naar beroep gebruiken we de Indicator Toekomstige Knelpunten in de personeelsvoorziening naar Beroep (ITKB). Deze indicator geeft aan in welke mate werkgevers problemen ondervinden bij het aantrekken van geschikt personeel. Naarmate de waarde van de ITKB lager is, zijn er meer knelpunten te verwachten. Wanneer het aanbod kleiner is dan de vraag, dan is de ITKB kleiner dan 1,00. De knelpunten in de personeelsvoorziening worden dan als groot getypeerd. Als de waarde van de indicator zelfs kleiner is dan 0,85 dan wordt gesproken van zeer grote knelpunten. Wanneer de ITKB daarentegen tussen 1,00 en 1,05 ligt, dan wordt gesproken van enige knelpunten. Bij een hogere waarde van de ITKB is sprake van vrijwel geen knelpunten, en mocht de ITKB zelfs groter zijn dan 1,15, dan is er sprake van geen knelpunten in de personeelsvoorziening. Uitbreidingsvraag De uitbreidingsvraag is de vraag naar nieuwe arbeidskrachten die ontstaat door groei van de werkgelegenheid. Als er sprake is van een werkgelegenheidsdaling, is de uitbreidingsvraag negatief. Uitwijkmogelijkheden Dit is de mate waarin arbeidskrachten met een bepaalde opleidingsachtergrond terecht kunnen komen in andere beroepsgroepen op een aansluitend of hoger functieniveau. Deze maatstaf geeft daarmee aan in hoeverre arbeidskrachten afhankelijk zijn van de arbeidsmarktsituatie in een bepaald beroep. De uitwijkmogelijkheden worden bepaald met behulp van een spreidingsindex. Deze index geeft een indicatie van het aantal beroepsgroepen waarnaar men kan uitwijken. Vacature Het begrip vacature is in deze rapportage gebaseerd op de door het CBS gehanteerde definitie van een openstaande vacature, zijnde een arbeidsplaats waarvoor personeel wordt gezocht dat onmiddellijk of zo spoedig mogelijk geplaatst kan worden. Vacaturegraad De vacaturegraad is het aantal openstaande vacatures per 1.000 werkenden in een bedrijfs-, beroeps- of opleidingssector. Vervangingsvraag Vervangingsvraag is de vraag naar nieuwe arbeidskrachten die ontstaat doordat de arbeidsplaatsen van werkenden die met pensioen gaan, arbeidsongeschikt worden of zich (tijdelijk) terugtrekken van de arbeidsmarkt, opnieuw moeten worden opgevuld. De vervangingsvraag per beroepsgroep kan bovendien ontstaan door de beroepsmobiliteit. 71

DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT 2002-2006 Verder kan een onderscheid worden gemaakt tussen de netto en de bruto vervangingsvraag. De netto vervangingsvraag heeft alleen betrekking op de vervangingsbehoefte voor zover deze opgevuld zou moeten worden door schoolverlaters die op de arbeidsmarkt instromen. De bruto vervangingsvraag is de totale uitstroom van werkenden die vervangen moeten worden. De bruto vervangingsvraag omvat dus ook de vervangingsvraag die zou kunnen worden opgevuld door herintreders en baanwisselaars. In het huidige rapport wordt alleen de netto vervangingsvraag gebruikt en gepresenteerd. Vraagoverschot Het begrip vraagoverschot wordt in dit rapport op twee manieren gebruikt. In enge zin (in hoofdstuk 1) betreft het vraagoverschot het verschil tussen het aantal baanopeningen en het verwachte aanbod van schoolverlaters. In ruime zin (omdat immers ook bij- en omscholing van niet-werkende werkzoekenden een instrument kan zijn om op knelpunten te anticiperen) is het vraagoverschot (in hoofdstuk 4) gedefinieerd als het verschil tussen de som van de openstaande vacatures en de verwachte baanopeningen enerzijds en de direct-inzetbare werkzoekenden - de schoolverlaters en de niet-werkende werkzoekenden in fase 1 - anderzijds. Werkloosheid onder schoolverlaters De werkloosheid onder schoolverlaters is het aantal werklozen uitgedrukt als percentage van het aantal schoolverlaters met een bepaalde opleidingsachtergrond. Werkzoekende Het begrip werkzoekende is in deze rapportage gedefinieerd als de bij het Centrum voor Werk en Inkomen ingeschreven niet-werkende werkzoekenden, inclusief de categorie geen beroep op dienstverlening. 72