Scoring mijn executieve functies Naam: Datum: Omcirkel het gekozen cijfer achter elk item. Tel de cijfers van de drie items van elke executieve functie bij elkaar en zet het aantal punten in het lichtblauwe hokje onder het derde item. De totaalscore van elke executieve functie kan als volgt worden geïnterpreteerd: 3-4 = zwak 5-7 = tamelijk zwak 8 10 = niet sterk en niet zwak 11-13 = tamelijk sterk 14-15 = sterk Schrijf de interpretatie achter de totaalscore. Vragenlijst executieve functies hele maal niet een beetje voldoen de goed Taakinitiatie 1. Ik houd mij aan mijn werkschema en stel lastige klussen niet uit. 2. Ik vind het niet moeilijk om thuis leuke activiteiten uit te stellen en mijn werk voor te laten gaan. 3 Ik hoef niet aan klussen herinnerd te worden, maar begin er zelf aan. Totaal taakinitiatie helemaal super Planning/prioritering 4. Ik kan grote opdrachten/projecten goed aanpakken; ik weet wat ik eerst ga doen en wat daarna enz. 5. Als ik veel te doen heb, kies ik wat het allerbelangrijkst is en doe ik dat. 6. Als ik iets pas over een paar weken/maanden klaar moet hebben heb ik het altijd op tijd af. Totaal Planning/prioritering Organisatie 7. Ik raak geen boeken, werkmaterialen of persoonlijke dingen (sleutels, mobiel, i-pod) kwijt. 8. Ik maak mijn aantekeningen op een overzichtelijke manier. 9. Mijn postvak, bureau en kast houd ik overzichtelijk en opgeruimd. Totaal organisatie 1
Vragenlijst executieve functies voor leraren in het primair onderwijs over leerling:.. Omcirkel het gekozen cijfer achter elk item. Tel de cijfers van de drie items van elke executieve functie bij elkaar en zet het aantal punten in het lichtblauwe hokje onder het derde item. De totaalscore van elke executieve functie kan als volgt worden geïnterpreteerd: 3-4 = zwak 5-7 = tamelijk zwak 8 10 = niet sterk en niet zwak 11-13 = tamelijk sterk 14-15 = sterk Schrijf de interpretatie achter de totaalscore. Vragenlijst executieve functies voor leraren in het primair onderwijs Reactie Inhibitie 1 De leerling kan een ruzie met een klasgenoot oplossen, zonder te vechten. 2 De leerling houdt zijn/haar mond tijdens de les en kan opmerkingen voor zich houden. hele maal niet een beetje voldoen de goed helemaal super 3 De leerling denkt eerst na voor hij of zij iets zegt. Totaal Reactie Inhibitie Werkgeheugen 4 De leerling kan een opdracht waarbij hij of zij verschillende dingen moet doen onthouden. 5 De leerling onthoudt huiswerkopdrachten. 6 De leerling weet waar hij of zij spullen heeft neergelegd, bijvoorbeeld een jas, fietssleutel of schooltas. Totaal werkgeheugen Zelfregulatie van affect 7 De leerling begrijpt wat vrienden doen en past zich aan als dat nodig is. 2
Vragenlijst executieve functies voor leerlingen in het primair onderwijs Vragenlijst executieve functies voor leerlingen in het primair onderwijs Reactie Inhibitie 1 Ik kan een ruzie met een klasgenoot oplossen, zonder te vechten. 2 Ik houd mijn mond tijdens de les en kan opmerkingen voor me houden. hele een voldoen goed heel maal beetje goed niet de 3 Ik denkt eerst na voor ik iets zeg. Werkgeheugen 4 Ik kan een opdracht waarbij ik verschillende dingen moet doen onthouden. 5 Ik onthoud speciale huiswerkopdrachten en ik neem brieven van school altijd mee naar huis. 6 Ik weet waar ik mijn spullen heb neergelegd, bijvoorbeeld mijn jas, fietssleutel of schooltas. Totaal werkgeheugen Zelfregulatie van affect 7 Ik begrijp wat mijn vrienden doen en ik pas me aan, als dat nodig is. 8 Ik vraag om hulp als dat nodig is, of ik vraag een klasgenoot met me samen te werken. 9 Ik kan er goed tegen als iets anders gaat dan ik had gedacht. Totaal zelfregulatie van affect 3
Executieve functies Naam ouder: U ziet hieronder 27 stellingen over het functioneren van uw zoon/dochter op school en thuis. Wilt u achter elke stelling omcirkelen hoe u de werkhouding, de planningsvaardigheid, het organisatievermogen enz. van uw kind beoordeelt? Vragenlijst executieve functies voor ouders van leerlingen in het primair onderwijs hele maal niet een beetje voldoen de goed zeer goed Reactie Inhibitie 1 Mijn kind kan een ruzie met een klasgenoot oplossen, zonder te vechten. 2 Mijn kind houdt zijn/haar mond tijdens de les en kan opmerkingen voor zich houden. 3 Mijn kind denkt eerst na voor hij/zij iets zegt. Totaal reactie-inhibitie Werkgeheugen 1 Mijn kind kan een opdracht waarbij het verschillende dingen moet doen onthouden. 2 Mijn kind onthoudt huiswerkopdrachten. 3 Mijn kind weet waar het zijn/haar spullen heeft neergelegd, bijvoorbeeld een jas, fietssleutel of schooltas. Totaal werkgeheugen Zelfregulatie van affect 4 Mijn kind begrijpt wat zijn/haar vrienden doen en past zich aan, als dat nodig is. 5 Mijn kind vraagt om hulp als dat nodig is, of vraagt een klasgenoot om samen te werken. 6 Mijn kind kan er goed mee omgaan, als iets niet gaat zoals hij/zij had gedacht. 4
Werksituatie: leerling met problemen Kies een gesprekspartner Persoon 1 Vertel aan persoon 2 over een leerling met problemen uit de afgelopen maand. Noem alles wat er door u als moeilijk in ervaren wordt. Doe dit in twee minuten. Persoon 2 Luister aandachtig naar persoon 1, geef geen oplossingen of adviezen, stel alleen verhelderingsvragen zodat u de context goed in beeld krijgt. Bespreek samen welke werkrelatie (zie blz. 6) u met de leerling ervaart. Bespreek vervolgens welke interventie hierbij door u zou kunnen worden toegepast om op deze leerling af te stemmen. Houd bij afstemming rekening met: alle basisbehoeften (relatie, autonomie, competentie) loyaliteiten van de leerling met alle betrokkenen 5
Oplossingsgerichte benadering: werkrelaties Verschillende soorten werkrelaties zijn in feite stadia van gedragsverandering Relatie cliënt-professional-doel: per cliënt maar ook per doel kan de relatie verschillen. Het type werkrelatie kan veranderen en wisselen binnen één gesprek of in de loop van meerdere gesprekken, afhankelijk van wat de ander aandraagt en afhankelijk van wat de professional doet in het gesprek Er is sprake van een continuüm: elke positie wordt gevalideerd en geaccepteerd! In gesprekken met twee of meer personen kan er sprake zijn van verschillende relaties. De één is klant, de ander klager of bezoeker. Houd tijdens het hele traject oog voor de motivatie van de ander om te veranderen en sluit daar je interventies bij aan. werkrelatie interventie Bezoekertypische relatie (voorbijganger) - geen probleem ervaren, geen hulpvraag - onvrijwillig: gestuurd door anderen - geen motivatie voor verandering eigen gedrag - overtuigd dat hulp niet mogelijk is Zoekende of klaagtypische relatie - wel een probleem ervaren - (veel) lijdensdruk, wel hulpvraag - klant ziet zichzelf niet als onderdeel van het probleem of de oplossing - de ander moet veranderen - vage, onduidelijke doelen - teveel doelen ineens Klanttypische relatie (consulterend, co-expert) - ziet zich als onderdeel van het probleem of de oplossing - hulpvraag met het woord ik of wij er in - is gemotiveerd het eigen gedrag te veranderen - ervaart zich als (potentieel) capabel om keuzes te maken en op de eigen manier stappen te zetten in de richting van oplossingen - weet en kan het zelf wel maar heeft wat bevestiging nodig CENTRAAL: RELATIE - geen (goedbedoelde) hulp opdringen - toon waardering: over wat de ander doet (is bij jou gekomen!) of gedaan heeft - geef informatie als men er van overtuigd is dat hulp niet mogelijk is - vragen naar motieven en percepties van de verwijzer, je positief over de verwijzer uitlaten - bespreek gevolgen van het niet hebben van een hulpvraag: als we nu niets bespreken, wat dan? - alternatieve hulpvraag (bijv. verwijzer tevreden stellen) mogelijk maken door accepterende en positieve sfeer CENTRAAL: EIGEN MOGELIJKHEDEN EN VERANTWOORDELIJKHEID - positieve ondersteuning, lijden erkennen (hoe hou je het vol?) - eigen verantwoordelijkheid stimuleren, uitnodigen deel te worden van de oplossing (wat is het kleinste dat jijzelf anders zou kunnen doen?) - aandacht voor wat goed gaat (continueringsvraag/opdracht: wat wil je behouden?) - zoeken naar uitzonderingen (wat deed jij toen anders?), observatieopdracht, voorspellingsopdracht (is aandacht voor mogelijke oplossingen) CENTRAAL: KRACHTBRONNEN (OPNIEUW) WETEN TE GEBRUIKEN - wat is al geprobeerd? Wat is daarvan geleerd? - Wat heeft geholpen (succesfactoren, deeloplossingen), dat ondersteunen (bijv. met relatievragen: hoe merken anderen dat?) - advies in vragende vorm (is het nuttig om, kan je je voorstellen dat iets oplevert?) - aanmoedigen meer te doen van wat werkt (doe-opdrachten), supporter, klankbord zijn, complimenteren, erken wederkerigheid: wat leer je zelf? 6
Je ziet hieronder vijftien schalen over schoolvakken en vaardigheden die je bij het leren nodig hebt. Wil je op iedere lijn van 1 tot 10 een streepje zetten plus het bijbehorende cijfer, waar je vindt dat je staat op die schaal? 10 staat daarbij voor de ideale situatie, hoe jij het zou willen hebben. 1 staat voor het tegenovergestelde. Onder iedere schaal kun je schrijven wat maakt dat je dat cijfer hebt gekozen. Elke schaal gaat van 1 tot 10, dat betekent niet dat het om een rapportcijfer gaat. De betekenis van ieder cijfer is heel persoonlijk voor degene die het invult; dezelfde 6 kan voor de ene leerling een heel andere betekenis hebben dan voor de andere leerling. NB. Schalen voor lezen, taal, rekenen, Engels, ICT-middelen enz. gaan hier nog aan vooraf en mogen niet gemist worden, omdat incompetenties in de schoolvakken veel gedragsproblemen tot gevolg hebben. 1. Omgaan met leraren/volwassenen 2. Omgaan met leerlingen/kinderen 3. Omgaan met mezelf 4. Planning en organisatie van mijn schoolwerk 5. Leren thuis: huiswerk maken 6. Vooruitgang totaal 7. Schoolplezier 8. Mijn fijnste vak op school is:. 7
Naam: 0 man / 0 vrouw Functie: Datum: 1. Samenwerken en afstemming met de leerling 2. Samenwerking en afstemming met ouders 3. Samenwerking en afstemming met de betrokkenen in de school (leraar/rt/ib) 4. Ondersteuning van de leerling door mij als leraar/begeleider 5. Planning en organisatie van mijn werkzaamheden 8
Toelichting SCHAALVRAAG Teken een schaal van 1 tot 10, waarbij de 10 betekent dat je een bepaald doel bereikt hebt. Bepaal met een kruis en een cijfer op de lijn waar je nu staat. Mogelijke vragen over dit doel: 1. Wat maakt dat je op dat cijfer zit? 2. Wat heb jij gedaan om hier te komen? 3. Wat is de eerstvolgende concrete en haalbare stap (op welk cijfer ben je dan)? 4. Wat is de eerste aanwijzing dat je op weg gaat naar die stap? 5. Hoe ziet het er uit als je die stap bereikt hebt? 6. Wat is het verschil met waar je nu staat? 7. Zijn er al momenten waarop je op dat punt bent? 8. Wat is er dan gebeurd, wat heb jij dan gedaan? 9. Hoe zien anderen (belangrijke betrokkenen) het wanneer je echt op dat punt staat? 10. Hoeveel vertrouwen (op een schaal van 1 tot 10) heb je dat je die eerste stap werkelijk gaat zetten? (Werk niet met doelen waarbij je vertrouwen lager is dan een 8! Pas in dat geval je doel aan.) 9
Doelen 1. Persoonlijke doelen die de komende tijd centraal staan met toelichting: 2. Wat is de eigen actie om verder te komen met deze doelen: 3. Wat heb je daarbij nodig van: a. je collega s b. management c. anderen, namelijk. 10