Factsheet Pilotstudie Tools4School April 2014



Vergelijkbare documenten
Handycard Zorgmonitor 1 SDQ en KIDSCREEN-27

Zorgmonitor boostersessie

PGA behandeling LKH Doorwerth en LKH Brabant, aangesloten bij LKH Nederland: Een vergelijkend onderzoek

K I N D E R E N O N D E R Z O E K : J A A R

Training Routine Outcome Monitoring en het bespreken van feedback

Rapportage sociaal-emotionele ontwikkeling Playing for Success

COMPETENTIEBELEVINGSPROFIEL VROEG - ADOLESCENTEN PERSOONLIJKE RAPPORTAGE VAN

Veelgestelde vragen en antwoorden

Inhoud Inleiding Gedragsproblemen Psychosociale vaardigheden Emotionele vaardigheden Leervaardigheden De rol van het gezin Literatuur

Aanvulling op. Resultaten STOP4-7 Tabellenboek trainingen

Kinderen in West gezond en wel?

Kinderen in Noord gezond en wel?

LEVENSLOOPMONITOR PROTOCOL

Leef je in! Een sociaal cognitieve vaardigheidstraining voor jongeren met een licht verstandelijke beperking en gedragsproblemen

De SDQ: invulgedrag van ouders en leerkrachten een vergelijking tussen bevolkingsgroepen

6 Psychische problemen

Kanvas is de naam van het KanjerVolgsysteem.

One Mile a Day. Onderzoeksrapport Augustus dr. Tine Van Damme, MSc. Marthe Vermeulen, dr. Davy Vancampfort, & prof. dr.

Monitor jongeren 12 tot 24 jaar

Verwachtingen. Gezamenlijke gedragsverwachtingen. Ik ga aan het einde van deze workshop tevreden weg als ik

Sport en de persoonlijke ontwikkeling van kwetsbare jongeren

Evaluatieonderzoek Psychiatrische Gezinsbehandeling voor Autisme. Eindverslag pilot. Gert Kroes

Gezondheid, welbevinden en leefstijl van scholieren in het voortgezet onderwijs

Samenvatting, conclusies en discussie

DESSA. Vragenlijst over sociaal-emotionele competenties. HTS Report. Liesbeth Bakker ID Datum

DESSA. Vragenlijst over sociaal-emotionele competenties. HTS Report. Liesbeth Bakker ID Datum Ouderversie

BEPERKING ONDERWIJSPARTICIPATIE

het laagste niveau van psychologisch functioneren direct voordat de eerste bestraling begint. Zowel angstgevoelens als depressieve symptomen en

Kinderen in Centrum gezond en wel?

Kinderen in Zuid gezond en wel?

Psycholoog of leerkracht;

DGT voor adolescenten

Resultaten eindtoets

BETREFT ZRM METING EN ANALYSE en METING MAATSCHAPPELIJK RENDEMENT

PSYCHOSOCIALE GEZONDHEID

De kwaliteit van educatieve activiteiten meten. Universiteitsmuseum Utrecht

Hoofdstuk 1: VAKMANSTAD, DE TWEEDE METING: Fysieke, sociale en cognitieve ontwikkeling van kinderen gemeten

Rapportage sociaal-emotionele ontwikkeling Playing for Success. september 2012

Minder zorgleerlingen door leerlingen met ASS? De Bijsluiter en de SchoolBijsluiter

Impulsklasonderzoek. Koen de Jonge Lectoraat Passend Onderwijs Hogeschool Leiden

Opvoedingsondersteuning in Drenthe

Onderzoek School2Care

Nederlandse Samenvatting

Gezondheid, welzijn en leefstijl van jongeren in Zeevang Het E-MOVO scholierenonderzoek onder tweede- en vierdeklassers van het voortgezet onderwijs.

Factsheet Pilotonderzoek Gezin Centraal

Resultaten eindtoets

Emotieherkenning bij CI kinderen en kinderen met ESM

Wat moeten we weten? Bert Wienen

waardoor een beroerte kan worden gezien als een chronische aandoening.

Nederlandse samenvatting

De pedagogische kwaliteit van SWPBS. Monique Nelen, PBS coach

DESSA. Vragenlijst over sociaal-emotionele competenties. HTS Report. Otto Peterszoon ID Datum Leerkrachtversie

Kinderen in Zuidoost gezond en wel?

Instrumenten voor het vaststellen van SE-problematiek die voorkomen op de lijst van toetsinstrumenten voor het schooljaar 2014/2015

Cerebrale parese en de overgang naar de adolescentie. Beloop van het functioneren, zelfwaardering en kwaliteit van leven.

EMPO voor Ouders en Jongeren versie 2.0

Begaafde jongeren, moeilijke gevallen? Het belang van systematisch onderzoek naar het functioneren van cognitief sterke jongeren

Sportdeelname van jongeren met gedragsproblemen

Kinderen in Nieuw-West gezond en wel?

Samenvatting (Summary in Dutch) Het Belang van Leeftijdsgenoten: Sociale Problemen in de Kleuterklas en de Ontwikkeling van Psychische Problemen

Beschrijving van de gegevens: hoeveel scholen en hoeveel leerlingen deden mee?

A c. Dutch Summary 257

TUSSENRAPPORTAGE INTENSIVERINGSTRAJECT REKENONDERWIJS VO. mei 2015

Analyse van de cursus De Kunst van het Zorgen en Loslaten. G.E. Wessels

Resultaten eindtoets

Resultaten zelfevaluatie Met Waalwijk School voor praktijkonderwijs

Praktijkgestuurd veranderingsonderzoek Orthopedagogisch Centrum Brabant

Dutch summary (Samenvatting van hoofdstukken)

Onderzoek TNO en Movisie Kikid lesprogramma Benzies & Batchies

Advies inzake afstemming vragenlijstonderzoek op VO scholen voor efficiëntere signalering en aanpak van risicoleerlingen, 2013.

Op weg naar effectiviteit in het cluster 4 onderwijs

EFFECTIVITEIT VAN DE GEEF ME DE 5 BASISCURSUS

Samenvatting. BS De Fontein/ Helden. Resultaten Oudertevredenheidspeiling (OTP) BS De Fontein. Ouders vinden 'Begeleiding' op school het belangrijkst

Cover Page. The handle holds various files of this Leiden University dissertation

In deze info krijgt u informatie over het oudertevredenheidonderzoek(oto)

SWPBS en HGW in curriculum lerarenopleiding

Leerlingtevredenheidsonderzoek

Transcriptie:

Factsheet Pilotstudie Tools4School April 214 Tools4School is een gedragsinterventie voor jongeren die vanwege hun gedrag dreigen uit te vallen in het VO en VSO 1. De interventie is gebaseerd op de effectieve cognitieve- en sociale vaardigheidstraining Tools4U, die voor dit doel is aangepast aan de uitvoering in een onderwijssetting. Tools4School wordt op school uitgevoerd en bestaat uit een cognitieve- en sociale vaardigheidstraining voor de leerling, trainingsbijeenkomsten voor de ouders en een instructie voor docenten. Dit laatste is om de leerling in de klas te ondersteunen bij het generaliseren van de geleerde. Door deze opzet wordt een breed steunsysteem voor de leerling gecreëerd. Ttegelijkertijd wordt gewerkt aan het versterken van de relatie tussen ouders, school en leerling. Borging van de resultaten van de training op individueel niveau (versterkte school) en op schoolniveau (een meer planmatige aanpak m.b.t. het stimuleren van gewenst gedrag in de klas) behoren tot de interventie, evenals het systematisch verzamelen van data over de resultaten. Tools4School is daardoor een geschikte interventie voor selectieve en geïndiceerde preventie als onderdeel van Schoolwide Positive Behavior Support (SWPBS) 2. Tools4School is vanuit het samenwerkingsverband Pi7 ontwikkeld door PI Research, in samenwerking met De Bascule SOz, Onderwijsadvies en HCO. De procesevaluatie van de ontwikkeling en implementatie wordt uitgevoerd door Praktikon. De pilotstudie Tussen 212 en 216 vindt een pilot plaats waarin Tools4School wordt doorontwikkeld en op een aantal scholen wordt geïmplementeerd. Onderdeel van de pilot is een onderzoek naar de doelgroep en uitkomsten. In de periode januari - december 213 hebben 14 leerlingen meegedaan aan het pilotonderzoek, 2 meisjes en 12 jongens, met een gemiddelde leeftijd van 13 jaar (range 12-17 jaar). Ze zijn getraind door vijf trainers en kwamen van zes verschillende scholen. Zeven leerlingen volgden een individuele training en zeven een groepstraining (één groep van drie en één groep van vier leerlingen). In deze factsheet worden de eerste resultaten uit de pilotstudie weergegeven. 1 Meer informatie over Tools4School is beschikbaar op www.piresearch.nl of bij de projectleider Henrieke van Diest (h.vandiest@piresearch.nl). 2 www.swpbs.nl

BESCHRIJVING DOELGROEP Er zijn acht mogelijke indicaties voor de doelgroep en drie mogelijke contra-indicaties. Van acht leerlingen is hiervoor een doelgroepanalyse-formulier ingevuld. Eén leerling blijkt aan de contraindicatie 'onjuist niveau' te voldoen. Bij de overige leerlingen zijn geen contra-indicaties geconstateerd. Gemiddeld genomen voldoen de leerlingen aan vier van de acht opgestelde indicatiecriteria (zie Figuur 1). Contra indicaties Indicaties doelgroep 8 7 6 5 4 3 2 1 Onjuist schooltype (regulier/speciaal) Onjuist niveau Psychische problematiek Onvoldoende leerresultaat Onvoldoende profijt zorgteam Moeite met opvolgen gedragssuggesties Moeite met plannen, huiswerk maken, etc. Vaak afwezig van school Vaak betrokken bij incidenten Vaak problemen met klasgenoten Onvoldoende weerbaar tegen invloeden Figuur 1. Contra-indicaties en indicaties doelgroep (N=8 leerlingen). M.R. Golbach & C. van Dam. Factsheet Pilot Study Tools4School. Nijmegen: Praktikon 2

Vaardigheden van de doelgroep COMPETENTIEBELEVING (CBSA) Met de Competentie BelevingsSchaal voor Adolescenten (CBSA) worden verschillende facetten van eigenwaarde en competentiebeleving gemeten; hoe goed de jongeren zelf denken dat ze ergens in zijn. Volgens de richtlijnen van de CBSA zijn zowel hele hoge scores (> 85e percentiel) als hele lage scores (< 15 e percentiel) op de schalen opvallend. Van 11 leerlingen is een aanvangsmeting van de CBSA. De groep leerlingen als geheel genomen, scoort op alle aspecten van competentiebeleving gemiddeld; zij ervaren geen hele hoge of hele lage competenties bij zichzelf. Kijken we echter op individueel niveau, dan blijken er wel grote verschillen te zijn. In Figuur 2 is te zien dat per schaal ongeveer dezelfde percentages leerlingen afwijken aan de bovengrens (> 85 e percentiel) als aan de ondergrens (< 15 e percentiel). Dat betekent dat de leerlingen allemaal op verschillende gebieden zichzelf als ofwel heel competent, ofwel heel incompetent ervaren. Er is geen algemeen beeld te schetsen van de doelgroep qua competentiebeleving. 1 9 8 7 6 5 4 3 2 1 Hoog (percentiel > 85) Gemiddeld Laag (percentiel <15) Figuur 2. Percentage leerlingen dat zeer laag (percentiel < 15), gemiddeld en heel hoog (percentiel > 85) scoort op de CBSA schalen (N=11). M.R. Golbach & C. van Dam. Factsheet Pilot Study Tools4School. Nijmegen: Praktikon 3

STERKE EN MOEILIJKE PUNTEN (SDQ) De Strengths and Difficulties Questionnaire (SDQ) meet emotionele- en gedragsproblemen bij jongeren. Deze is door de leerlingen zelf, hun ouder (meestal moeder) en mentor van school ingevuld. Van 11 leerlingen is een aanvangsmeting van de SDQ. In Figuur 3 worden de gemiddelde percentielscores van jongeren zelf, moeder en de mentor weergegeven. Scores boven het 85e percentiel geven aan dat de ervaren problemen ernstig zijn. In Figuur 3 is te zien dat moeders de meeste problemen bij hun kind ervaren en dan met name gedragsproblemen. Gemiddeld genomen scoren zij op het 85e percentiel. Dat betekent dat zij de gedragsproblemen van hun kind behoorlijk ernstig vinden. 1 9 8 7 6 5 4 3 2 1 Emotionele problemen Gedragsproblemen Aandachtstekort - hyperactiviteit Problemen met leeftijdsgenoten Prosociaal gedrag Totale problemen Jongere Moeder Mentor Figuur 3. Gemiddelde percentielscores SDQ bij aanvang (N jongere = 1; N ouder = 11; N mentor = 11) Ook bij de SDQ zijn er grote individuele verschillen tussen jongeren. Daarnaast zijn er grote verschillen tussen het aantal problemen dat gerapporteerd wordt door de jongere zelf, door de moeder en door de mentor. In Figuur 4 is te zien hoeveel procent van de leerlingen een problematische score heeft (percentiel > 85). Zo ervaren mentoren bij bijna alle jongeren ernstige problemen op het gebied van prosociaal gedrag, waar jongeren dat helemaal niet zo ervaren en moeders in mindere mate. Ook zien mentoren bij ruim 6% van de jongeren ernstige problemen op het gebied van leeftijdsgenoten en aandachtstekort-hyperactiviteit. Moeders ervaren bij ruim 7% van de jongeren ernstige problemen op het gebied van gedrag, en bij ruim de helft van de jongeren ernstige problemen op het gebied van emoties, aandachtstekort-hyperactiviteit en leeftijdsgenoten. Jongeren zelf ervaren minder vaak ernstige problemen; de helft van de jongeren ervaart ernstige problemen op het gebied van emoties en 4% ervaart ernstige problemen op het gebied van leeftijdsgenoten. M.R. Golbach & C. van Dam. Factsheet Pilot Study Tools4School. Nijmegen: Praktikon 4

1 9 8 7 6 5 4 3 2 1 Emotionele problemen Gedragsproblemen Aandachtstekort - hyperactiviteit Problemen met leeftijdsgenoten Prosociaal gedrag Totale problemen Jongere Moeder Mentor Figuur 4. Percentage jongeren dat problematisch scoort (>85e percentiel) op de subschalen en het totaal van de SDQ, volgens jongeren zelf (N=1) volgens ouders (N=11) en volgens mentoren (N=11). PSYCHOSOCIALE VAARDIGHEDEN (VPV) Met de Vragenlijst Psychosociale (VPV) worden psychosociale bij jongeren gemeten; die nodig zijn om als volwassenen zelfstandig en constructief aan de samenleving te kunnen deelnemen. Het gaat om interpersoonlijke (relationele en affectieve ) en intrapersoonlijke (zelfsturing en zelfbewustzijn). De VPV wordt door de leerlingen zelf, hun ouder (meestal moeder) en mentor ingevuld. Scores op de VPV worden in decielscores 3 weergegeven. Scores boven het 8 e en onder het 2 e deciel gelden als problematisch. Van 1 leerlingen is een aanvangsmeting van de VPV. De groep leerlingen als geheel genomen, scoort op alle aspecten van psychosociale gemiddeld (tussen het 2e en 8e deciel); zowel volgens henzelf als volgens ouders en mentoren. Kijken we echter op individueel niveau, dan blijken er wel verschillen te zijn. In Figuur 5 zijn per schaal steeds de percentages leerlingen te zien die afwijken aan de bovengrens (> 8 e deciel) en aan de ondergrens (< 2 e deciel). Een deel van de leerlingen vindt zichzelf op een aantal gebieden zeer vaardig, zij scoren boven het 8e deciel, wat mogelijk wijst op overschatting van zichzelf. Ook zijn er een aantal leerlingen die zichzelf op enkele gebieden helemaal niet vaardig vinden. Ouders en mentoren rapporteren over het algemeen bij iets meer leerlingen zeer lage scores op psychosociale. Een enkele leerling is volgens ouders en mentoren té zelfbewust. 3 Decielscores komen overeen met percentielscores, de verdeling loopt van -1 in plaats van -1 (dus deciel 1 betekent een percentielscore van -1). M.R. Golbach & C. van Dam. Factsheet Pilot Study Tools4School. Nijmegen: Praktikon 5

1% 8% 6% 4% 2% % Relationele vhn Affectieve vhn Zelfsturing Zelfbewustzijn Relationele vhn Affectieve vhn Zelfsturing Zelfbewustzijn Relationele vhn Affectieve vhn Zelfsturing Zelfbewustzijn Interpersoonlijk Intrapersoonlijk Interpersoonlijk Intrapersoonlijk Interpersoonlijk Intrapersoonlijk jongere moeder mentor <2e deciel gemiddeld >8e deciel Figuur 5. Percentage problematische scores op de subschalen van de VPV volgens jongeren, ouders en mentoren (N=1). Wat verder uit de analyses naar voren kwam (niet te herleiden uit Figuur 5) is dat de leerlingen die zijn geselecteerd voor de groepstraining op alle schalen van de VPV hogere scores rapporteerden dan de leerlingen die de individuele training gaan volgen. Bij de scores van ouders en mentoren kwam dit verschil niet zo duidelijk naar voren. CONCLUSIE VAARDIGHEDEN EN PROBLEEMGEDRAG VAN DE DOELGROEP Over het algemeen kan gesteld worden dat moeders met name gedragsproblemen ervaren bij hun kinderen, mentoren ervaren vooral problemen op het gebied van prosociaal gedrag. Ten aanzien van competentiebeleving en psychosociale, blijken er grote individuele verschillen tussen de jongeren, waardoor het moeilijk is een algemeen beeld te schetsen van de doelgroep. Verder valt op dat jongeren minder gedrags- en emotionele problemen ervaren dan hun moeders en mentoren. Ook geven ze een hogere inschatting van hun dan hun moeders en mentoren. Het aantal jongeren waarover gerapporteerd wordt is echter gering, dus moeten gegevens met enige voorzichtigheid worden geïnterpreteerd. M.R. Golbach & C. van Dam. Factsheet Pilot Study Tools4School. Nijmegen: Praktikon 6

Eindmeting en verandering ten opzichte van aanvangsmeting COMPETENTIEBELEVING (CBSA) De leerlingen waarvan zowel een aanvangs- als een eindmeting is (N = 7) geven in het geheel genomen net als bij de aanvangsmeting - aan gemiddeld te scoren op competentiebeleving. Gaan we echter op individueel niveau kijken, dan zien we net als bij de aanvangsmeting grote individuele verschillen. Zo is in Figuur 6 te zien dat ruim 4% (N=3) van de leerlingen significant verbeterd is () op het gebied van school. Echter, 3% (N=2) van de leerlingen is significant achteruit gegaan (-) op dit gebied. Ook op de overige schalen wordt door enkele leerlingen vooruitgang geboekt en door enkele leerlingen achteruitgang. Op de meeste schalen wordt door de meeste leerlingen geen verandering gerapporteerd. 1 9 8 7 6 5 4 3 2 1 - Figuur 6. Percentage jongeren dat op het gebied van competentiebeleving hersteld is (), vooruit is gegaan (), gelijk gebleven () of achteruit is gegaan (-) volgens henzelf (N=7) STERKE EN MOEILIJKE PUNTEN (SDQ) Van zes leerlingen is een aanvangs- en eindmeting van de SDQ. In de Figuren 7, 8 en 9 wordt de individuele vooruitgang op het gebied van gedrags- en emotionele problemen weergegeven volgens jongeren, ouders en mentoren. In deze Figuren worden de percentages leerlingen weergegeven die op de SDQ vooruit zijn gegaan én niet meer in het problematische gebied scoren (),vooruit zijn gegaan (), gelijk zijn gebleven () of achteruit zijn gegaan (-). In Figuur 7 is te zien dat 5% (N = 3) van de jongeren zelf aangeeft vooruit te zijn gegaan op het gebied van emotionele problemen. Op de overige schalen ervaren de meeste jongeren geen verandering, een enkeling ervaart juist meer problemen dan bij aanvang (-). Ook bij ouders (Figuur 8) en mentoren (Figuur 9) zijn er enkelen die meer en enkelen die minder problemen rapporteren; mentoren rapporteren over het algemeen de meeste verschillen. Zij zien vooral vooruitgang bij leeftijdsgenoten en prosociaal gedrag. Als we naar de totale probleemscore van de SDQ kijken, hebben de meeste jongeren geen significante verandering doorgemaakt. M.R. Golbach & C. van Dam. Factsheet Pilot Study Tools4School. Nijmegen: Praktikon 7

1 8 6 4 2 Emotionele problemen Gedragsproblemen Aandachtstekort - hyperactiviteit Problemen met leeftijdsgenoten Prosociaal gedrag Totale problemen - Figuur 7. Percentage jongeren dat op gebied van gedragsproblemen hersteld is (), vooruit is gegaan (), gelijk gebleven () of achteruit is gegaan (-) volgens henzelf (N=6) 1 8 6 4 2 Emotionele problemen Gedragsproblemen Aandachtstekort - hyperactiviteit Problemen met leeftijdsgenoten Prosociaal gedrag Totale problemen - Figuur 8. Percentage jongeren dat op gebied van gedragsproblemen hersteld is (), vooruit is gegaan (), gelijk gebleven () of achteruit is gegaan (-) volgens moeder (N=6) 1 8 6 4 2 Emotionele problemen Gedragsproblemen Aandachtstekort - hyperactiviteit Problemen met leeftijdsgenoten Prosociaal gedrag Totale problemen - Figuur 9. Percentage jongeren dat op gebied van gedragsproblemen hersteld is (), vooruit is gegaan (), gelijk gebleven () of achteruit is gegaan (-) volgens mentor (N=7) M.R. Golbach & C. van Dam. Factsheet Pilot Study Tools4School. Nijmegen: Praktikon 8

PSYCHOSOCIALE VAARDIGHEDEN (VPV) Van vier leerlingen is een aanvangs- en eindmeting van de VPV. In de Figuren 1, 11 en 12 wordt de individuele vooruitgang op interpersoonlijke (relationeel en affectief) en intrapersoonlijke (zelfsturing en zelfbewustzijn) weergegeven volgens jongeren, ouders en mentoren. Zo is in Figuur 1 te zien dat de helft van de jongeren rapporteert vooruit te zijn gegaan op psychosociale. In Figuur 11 en 12 is te zien dat mentoren en ouders meer vooruitgang zien dan de jongeren zelf. Dit kan ook komen doordat de jongeren zelf bij aanvang al niet in het probleemgebied scoorden. 1 8 6 4 2 Totaalscore psychosociale Interpersoonlijke Intrapersoonlijke Figuur 1. Percentage jongeren dat op gebied van gedragsproblemen hersteld is (), vooruit is gegaan (), gelijk gebleven () of achteruit is gegaan (-) volgens zichzelf (N=5) 1 8 6 4 2 Totaalscore psychosociale Interpersoonlijke Intrapersoonlijke Figuur 11. Percentage jongeren dat op gebied van gedragsproblemen hersteld is (), vooruit is gegaan (), gelijk gebleven () of achteruit is gegaan (-) volgens moeder (N=5) 1 8 6 4 2 Totaalscore psychosociale Interpersoonlijke Intrapersoonlijke Figuur 12. Percentage jongeren dat op gebied van gedragsproblemen hersteld is (), vooruit is gegaan (), gelijk gebleven () of achteruit is gegaan (-) volgens mentor (N=5) M.R. Golbach & C. van Dam. Factsheet Pilot Study Tools4School. Nijmegen: Praktikon 9

VERANDERINGEN PER INDIVIDU In het geheel genomen zijn er nog te weinig gegevens om een helder beeld te geven van de veranderingen die bij jongeren hebben plaatsgevonden gedurende de training. Sommige jongeren, ouders en mentoren geven aan dat er vooruitgang is geboekt op verschillende gebieden. Anderen geven aan dat er geen veranderingen of zelfs verslechteringen hebben plaatsgevonden. Interessant is daarom om per individu te kijken naar de uitkomsten op de verschillende meetinstrumenten en op deze manier een beeld te krijgen van de veranderingen per individu. In Tabel 1 wordt per leerling, per instrument en informant, weergegeven op welke schalen ze vooruit zijn gegaan én niet meer in het problematische gebied scoren (),vooruit zijn gegaan (), gelijk zijn gebleven () of achteruit zijn gegaan (-). Vervolgens is per leerling een algeheel eindoordeel gegeven ten aanzien van de verandering. Tabel 1. Overzicht van significante verandering aanvangs- en eindmeting op de SDQ, VPV en CBSA per leerling. Vragenlijst SDQ VPV CBSA Eind Schaal EM GP AH PL PS T inter intra T SV SA SP FY GH HV GE oordeel Leerling A (Groep) LeerlingB (Individueel) Leerling C (Groep) Leerling D (Groep) Leerling E (Individueel) Leerling F (Groep) Leerling G (Groep) Jongere - - - Ouder Mentor Jongere - Ouder - /- Mentor - Mentor Jongere - - /- /- Jongere /- Ouder - /- /- Mentor - /- Jongere - - - /- Ouder - /- - Mentor - - - - - - - Jongere Ouder - /- - Mentor - - - - - - Betekenis van de scores op de subschalen: = Significant verbeterd én niet meer in probleemgebied; = significant verbeterd binnen hetzelfde gebied; = geen verandering; - = significant verslechterd binnen hetzelfde gebied; -- = significant verslechterd naar probleemgebied Betekenis van de afkortingen: EM = Emotionele problemen; GP = Gedragsproblemen; AH = Aandachtstekort Hyperactiviteit; PL = Problemen met leeftijdsgenoten; PS = Prosociaal gedrag; T = Totaal Inter = interpersoonlijke ; intra = intrapersoonlijke ; T = Totaal SV = School; SA = Sociale acceptatie; SP = Sportieve ; FY = Fysieke verschijning; GH = Gedragshouding; HV = Hechte vriendschappen; GE = Gevoel van eigenwaarde Berekening eindoordeel: = Er is overwegend en/of vaker (meer dan 2 keer) vooruitgang geboekt op de verschillende subschalen /- = Er is even vaak vooruitgang of achteruitgang geboekt op de verschillende subschalen en/of minder dan 2 keer vooruitgang of achteruitgang op één van de subschalen. - = Er is overwegend en/of vaker (meer dan 2 keer) achteruitgang geboekt op de verschillende subschalen. N.B. Totaalscores van de SDQ en VPV zijn niet meegenomen in de berekening van het eindoordeel; zij vertonen te grote overlap met de subschalen. M.R. Golbach & C. van Dam. Factsheet Pilot Study Tools4School. Nijmegen: Praktikon 1

In Tabel 1 is te zien dat er drie leerlingen in het algemeen vooruit zijn gegaan, twee leerlingen laten een incongruent beeld zien; ze zijn op enkele gebieden vooruit gegaan, maar ook op enkele gebieden achteruit gegaan, en bij twee leerlingen zijn overwegend negatieve veranderingen te zien. Eveneens valt ook hier op dat er tussen de verschillende informanten, jongeren, ouders en mentor, weinig overeenstemming is tussen voor- en achteruitgang op de verschillende schalen. Verschillen tussen ouders en mentoren kunnen verklaard worden doordat jongeren in de thuissituatie mogelijk ander gedrag laten zien dan op school. Tot slot valt op dat de leerlingen steeds veranderingen laten zien op heel verschillende schalen. Dat kan betekenen dat de training steeds inspeelt op de individuele problematiek van de jongeren en mogelijk een brede doelgroep bedient. Om deze hypothese te toetsen, zijn de doelrapportages (verslaglegging van de training) nader bekeken. Hierin worden de doelen geformuleerd en wordt aangegeven in welke mate deze zijn bereikt volgens ouders, jongere, trainer en mentor. Uit deze doelrapportages blijkt inderdaad dat er een grote verscheidenheid aan doelen is gesteld, afgestemd op de individuele problematiek van de jongere. De gestelde doelen zijn niet altijd gericht op het verbeteren van de, maar soms ook op bewustwording en zelfkennis. In dat licht kan een achteruitgang op een vragenlijst soms feitelijk een positieve ontwikkeling zijn omdat de informanten zich dan meer bewust zijn van de problematiek van de jongere. Uit een globale inhoudsanalyse van de doelrapportages blijkt dat de uitkomsten op de vragenlijsten goed overeenkomen en veelal te verklaren zijn vanuit de gestelde en behaalde doelen. Ook de negatieve uitkomsten op de vragenlijsten zijn veelal vanuit de gestelde doelen verklaarbaar en herkenbaar. CONCLUSIE OVER DE VERANDERING IN VAARDIGHEDEN EN PROBLEEMGEDRAG GEDURENDE DE TRAINING In het geheel genomen kan gesteld worden dat het moeilijk is om een helder beeld te geven over de veranderingen die bij jongeren hebben plaatsgevonden gedurende de training. Ook wanneer gekeken wordt naar individuele uitkomsten per jongere, is het beeld divers. Een aantal leerlingen zijn over het algemeen vooruitgegaan, enkelen zijn voor- en achteruitgegaan en enkelen zijn achteruitgegaan. Voor de totale groep lijkt er gemiddeld genomen verbetering te zijn op het gebied van interpersoonlijke psychosociale. Het lijkt erop dat de problematiek en de van de aangemelde jongeren heel divers zijn en de uitkomsten ook. Een globale inhoudsanalyse van de trainingsverslagen bevestigt deze hypothese: er is een grote verscheidenheid aan gestelde doelen. De uitkomsten van de vragenlijsten (zowel positief als negatief) zijn veelal te verklaren vanuit de gestelde en gerealiseerde doelen. Tot slot moet niet uit het oog worden verloren dat het om een zeer gering aantal respondenten gaat waarover gerapporteerd wordt. Wanneer er meer jongeren aan de training deelnemen en er meer aanvangs- en eindmetingen beschikbaar zijn, zullen wellicht meer eenduidige resultaten beschreven kunnen worden. M.R. Golbach & C. van Dam. Factsheet Pilot Study Tools4School. Nijmegen: Praktikon 11