Arbeidsmarktstrategieën van gemeenten

Vergelijkbare documenten
Arbeidsmarktstrategieën van gemeenten

Werk en bijstand. Arbeidsmarktstrategieën van gemeenten

Ketensamenwerking. een logisch coordinatiemechanisme voor werk en inkomen? Yolanda Hoogtanders en Marloes de Graaf-Zijl

KLeintje begroting 2010

8 CONVERGENTIE OF DIVERGENTIE

13/12/2012. Over lekkende daken en aankomende stormen. Het lokale arbeidsmarktbeleid kent twee fundamentele problemen. Boodschap

Ketensamenwerking. verstandshuwelijk of lat-relatie

Onderwerp: inzicht in uitgaven en bereik re-integratiemiddelen gemeenten Onze ref.:

Afdeling: Beleid Maatschappij Leiderdorp, 30 oktober 2014 Onderwerp: Re-integratieverordening. Aan de raad. Participatiewet

4 OPERATIONALISERING EN DATA

Doelstelling. Vragen aan gedeputeerde. Werking van de arbeidsmarkt. Mengelmoes. De regionale arbeidsmarkt: Van Topsector naar WSW

Samenvatting. Samenvatting Maatschappelijke kosten-baten analyse beschut werk 1

2513AA22XA. De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1 A 2513 AA S GRAVENHAGE

Staatssecretaris voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, De heer H.A.L. van Hoof Postbus LV Den Haag

van Werkplein naar Arbeidsmarkt naar 4 Transities Werkgever en Werkzoekende

Financiële gevolgen van het beëindigen van tijdelijke contracten in de sociale werkvoorziening

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1 A 2513 AA S GRAVENHAGE

Dynamiek op de stedelijke arbeidsmarkt

Transitie Participatiewet: Regionale Stellingen

Re-integratie Menterwolde

onderzoeksopzet beheersing bijstandsvolume

M E M O. : de gemeenteraad. : het college van burgemeester en wethouders. Datum : oktober : analyse en maatregelen.

De markt beweegt verder Rechte tellingen. Rapport: nog te verschijnen

Ondertussen.. In de SW

Scenario Participatiewet Iedereen doet mee, niemand aan de kant

BELEIDSKADERNOTITIE PARTICIPATIEWET HAARLEMMERLIEDE EN SPAARNWOUDE

Verdringing op de arbeidsmarkt: Wat is het en hoe meet je het?

2. Globale analyse 2015

Citation for published version (APA): Edzes, A. J. E. (2010). Werk en bijstand: arbeidsmarktstrategieën van gemeenten Groningen: s.n.

Raadsbesluit Raadsvergadering: 28 mei 2014

Ten behoeve van het opstellen van het Jaarplan 2017 Sociale Zaken IJsselgemeenten brengen wij het volgende onder uw aandacht.

Participatiewet. 9 september raadscommissie EM - 1 -

Effectiviteit actief arbeidsmarktbeleid voor kansarme werkzoekenden

Nr Houten, 17 november Onderwerp: Verordeningen Wet Investeren in Jongeren (Wet WIJ)

Informerende bijeenkomst Participatiewet. voor gemeenteraadsleden West-Friesland. Woensdag 14 mei 2014 Maandag 26 mei 2014

Voorstel GEMEENTERAAD VII R 1 Vergadering van 16 juni 2008

Quick scan re-integratiebeleid. Een oriënterend onderzoek door de rekenkamercommissie

Welke re-integratiemiddelen krijgen gemeenten onder de Participatiewet?

Robert Capel Tom de Haas Martin Heekelaar Implementatiedag 12 december, Utrecht

Kenmerk gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 14 oktober 2014;

Zijn maatregelen gericht op re-integratie effectief? Jaap de Koning. Presentatie voor het Muntendam Symposium, 12 december, Rode Hoed, Amsterdam

De Participatiewet. Raad op Zaterdag Den Haag, 21 september Edith van Ruijven

de toekomst van sociale werkgelegenheid

Notitie voor rondetafelgesprek Tweede Kamer over de Wet Werken naar Vermogen (WWNV) Op verzoek van de Tweede Kamer

College van Burgemeester en Wethouders Gemeente Alphen aan den Rijn Postbus AA Alphen aan den Rijn

Sturen op effectiviteit re-integratie Opzet:

Onderwerp: Rekenkamercommissie Emmen: Onderzoek Re-integratiebeleid Emmen.

Actualisering en aanvullingen onderzoek Waar is de doelgroep

Document2 HET REINTEGRATIEPALET VAN DE GEMEENTE AMERSFOORT

-A.J.E. (Arjen) Edzes- Assistant professor. regionale en ruimtelijke economie Rijksuniversiteit Groningen

De Participatieraad heeft kennis genomen van beide verordeningen en kan zich verenigen met de inhoud ervan.

Vragen Re-integratie beleid

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Evaluatie. Plan van Aanpak Arbeidsmarktoffensief periode 1 juli 2015 tot en met 30 juni Gemeente Voorschoten

17/10/2012. De Drentse arbeidsmarkt. Lokale arbeidsmarktproblematiek kent twee fundamentele problemen. Dr. Arjen Edzes

2. Het beleid ten aanzien van ontheffing van de arbeidsverplichting wijzigen en aan

Rotterdamse schoolverlaters op achterstand

De burgemeester, Mr. J.H.C. van Zanen

De P-wet scan. Een voldragen sturingsmodel voor de Participatiewet, maar. waar staat uw gemeente?

Uw kenmerk W&B/SFI/04/32586 Dossier/volgnummer

De regionale arbeidsmarkt in zwaar weer: wat moeten / kunnen gemeenten doen? Trends

Oktober Participatiewet; kansen in samenwerking

Onderstaande tabel toont enkele algemene kenmerken afkomstig van het CBS, die een beeld geven van de vergelijkbaarheid van de gemeenten.

Financiële effecten van de Participatiewet

VOORLOPIGE UITKOMSTEN VOOR HET GEMEENTEDOMEIN. Dennis Lanjouw, Osman Baydar, Mariëtte Goedhuys en Frank van der Linden. Maart 2006

De effectiviteit van Re-integratie: Wat weten we nu eigenlijk?

Risicoanalyse en scenariostudie als onderbouwing van de Kadernota. Samenvatting

Evaluatie. Plan van Aanpak Arbeidsmarktoffensief periode 1 juli 2015 tot en met 30 juni Gemeente Wassenaar

UITVOERINGSVARIANTEN PROMEN

Beleidsverslag 2013 Werk en inkomen

Steeds meer mensen aan het werk

De decentralisatie van arbeidsparticipatie. Louis Polstra

Onderwerp: Aanvraag ESF-subsidie Actieve Inclusie Reg.nummer: 2014/379169

Functioneel meten en vakmanschap

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid T.a.v. staatssecretaris H. van Hoof Postbus LV Den Haag (070) SEZ/U

Voorlopige uitkomsten Sluitende Aanpak 2003

Kennissynthese arbeid en psychische aandoeningen. Dr. F.G.Schaafsma Dr. H. Michon Prof. dr. J.R. Anema

september 2018 onderzoeksopzet beheersing bijstandsvolume

*U * *U *

Inhoud. Participatiewet & Participatiebudget. Indicatie aantallen (bijstand en nieuw instrumentarium) Aanleiding en opdracht werkgroep

In uw brief zijn onderstaande vragen gesteld.

Armoede en Arbeidsmarkt

Datum 13 juli 2016 Betreft Kamervragen van het lid Nijkerken-De Haan (VVD) over het bericht dat kanslozen niet hoeven te solliciteren

2513AA22XA. De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1 A 2513 AA S GRAVENHAGE

De regionale arbeidsmarkt in zwaar weer: wat moet / kan de gemeente Almelo? Ontwikkeling werkloosheid Centrale vragen:

BESLUITNOTA. Sluitende aanpak jongeren naar startkwalificatie en werk. Regio Hoogezand-Sappemeer, Haren en Slochteren

Werken naar vermogen. Maart 2012

Bijlage 1b Voorbeeld format programma 2. Programma 2. Sociale Zaken

De gemeenteraad aan zet Wat wilt u weten over de jongeren met een beperking in uw regio?

Transitieplan. 12 september 2013

Toelichting Participatiewet Raadsbijeenkomst

Onderzoek Jongeren in de Wet werk en bijstand (WWB).

BURGEMEESTER E WETHOUDERS VA ROERMO D, Overwegende dat;

De Meerjarige aanvullende uitkering 2013 t/m 2015

Arbeidsparticipatie naar vermogen

Re-integratiebeleid: wat is er in 30 jaar bereikt en hoe is verbetering mogelijk?

INLEIDING. 1 Inleiding

Tijdens het begrotingsonderzoek heb ik toegezegd u nog aanvullende informatie toe te zenden.

Wilhelmina van Pruisenweg AN Den Haag Postbus GD Den Haag

Arbeidsmarktstrategieën van gemeenten

Transcriptie:

Arbeidsmarktstrategieën van gemeenten Managementsamenvatting Het volledige rapport is te downloaden via www.nicis.nl Auteurs: drs. A.J.E. Edzes, dr. L. Broersma, prof. dr. J. van Dijk Faculteit ruimtelijke wetenschappen/ Rijksuniversiteit Groningen Groningen, april 2009 1

Nicis Institute Laan van N.O. Indië 300 2593 CE Den Haag Postbus 90750 2509 LT Den Haag telefoon +31(0)70 344 09 66 fax +31(0)70 344 09 67 email info@nicis.nl www.nicis.nl De verantwoordelijkheid voor de inhoud berust bij Nicis Institute. Het gebruik van cijfers en/of teksten als toelichting of ondersteuning in artikelen, scripties en boeken is toegestaan mits de bron duidelijk wordt vermeld. Publicatie en/of openbaarmaking in welke vorm ook, alsmede opslag in een retrieval system, is uitsluitend toegestaan na schriftelijke toestemming van Nicis Institute aanvaardt geen aansprakelijkheid voor drukfouten en/of andere onvolkomenheden. 2

Inhoudsopgave 1 Lokaal arbeidsmarktbeleid doet ertoe 5 2 Waar draait het onderzoek om? 6 3 Wat kunnen gemeenten doen? 7 4 Doen zich verschillen voor tussen gemeenten? 9 5 Zijn handelingsstrategieën effectief? 11 6 Convergentie divergentie 12 7 Wat is de praktische betekenis? 13 3

4

1 Lokaal arbeidsmarktbeleid doet ertoe 1 Het lokaal arbeidsmarktbeleid van gemeenten doet er toe. Dat blijkt uit een onderzoek van de Rijksuniversiteit Groningen naar arbeidsmarktstrategieën van gemeenten. Daarbij zijn verschillende handelingsstrategieën onderzocht op de effecten op de in- en uitstroom (naar werk) uit de bijstand en de (langdurige) bijstandskans. Wij concluderen dat de verschillende handelingsstrategieën uiteenlopend van controle en activering tot aan coördinatie en samenwerkingsgedrag - een positieve invloed hebben, zij het in wisselende mate op de in- en uitstroom (naar werk). Aan de vermindering van de instroom draagt vooral een controlerende aanpak (fraudebeleid en handhaving) bij, evenals meer trajectinspanningen (met en zonder loonkostensubsidie) en intensiever samenwerkingsgedrag met externe partijen. Aan een vergroting van de uitstroom naar werk dragen vooral een grotere trajectinzet (met en zonder loonkostensubsidie) en intensiever intern samenwerkingsgedrag (integraal beleid) bij. Een vermindering van de langdurige bijstandskans wordt vooral bereikt door substitutie met de Wajong en meer gesubsidieerde arbeid. Het onderzoek kent nog meer opvallende uitkomsten. Zowel naar regio als naar grootteklasse van gemeente doen zich opmerkelijke verschillen voor in de inzet van beleid. Vooral grotere gemeenten hebben een grotere beleidsintensiteit: Ze sporen meer fraude op, zetten meer trajecten in en werken meer samen, zowel binnen de gemeente als met externe partners. Ook gemeenten in het Noorden van het land kennen een hogere beleidsintensiteit wanneer deze wordt vergelijken met gemeenten in andere landsdelen. Opvallend is verder dat gemeenten in de tijd meer op elkaar gaan lijken, zowel qua bijstandsontwikkeling, de inzet van middelen als de inzet van beleid. Dit lijkt zowel een bevestiging van het feit dat gemeenten van elkaar leren, als van de convergerende werking van de wet- en regelgeving. De onderzoeksresultaten suggereren overigens dat realisme in ambities op zijn plaats is. Zowel de beperkte invloed op de hoogte en de regiona- 1 Het onderzoek is mede mogelijk gemaakt door financiële bijdragen van de gemeenten Almelo e.o., Achtkarspelen/Kollumerland c.s., Den Haag, Dordrecht, Gouda e.o., Groningen, Haarlem, Lelystad, Oss, Spijkenisse, Utrecht, Roermond en Tytsjerksteradiel. 5

le verschillen in werkloosheid als de (theoretische) valkuilen in beleid leiden tot de conclusie dat al te hoge verwachtingen niet op zijn plaats zijn. Deze valkuilen zijn onder meer de risico s van sociale uitsluiting, verdringingseffecten van andere werkzoekenden en ruimtelijke externe effecten. Onder dit laatste wordt verstaan dat effecten van beleid ergens anders kunnen neerslaan. Van het aantrekken van bedrijven profiteren bijvoorbeeld ook werkzoekenden uit andere gemeenten. Of: Een streng beleid leidt tot ontmoediging van werkzoekenden die bij andere gemeenten hun heil kunnen zoeken. De slotsom is dat effecten op microniveau niet per definitie leiden tot macro-effectiviteit. Daarnaast hebben we niet gekeken naar de duurzame effecten van verloning en gesubsidieerde arbeid. Dit zijn constructies die tegenwoordig veel voorkomen maar waarvan het de vraag is of dit tijdelijke, kunstmatige winst is of dat deze bijstandsgerechtigden daadwerkelijk toeleiden naar reguliere arbeid. Tegelijkertijd geven de uitkomsten aan dat een bestuurlijke en beleidsmatige focus van het arbeidsmarktbeleid gericht op investeren en coördinatie de juiste is. Dat leiden wij af uit de theoretische analyse, de grotere beleidsintensiteit van grotere gemeenten en de effecten van zowel trajectintensiteit als het samenwerkingsgedrag. Dat kleinere gemeenten vaker overgaan tot intergemeentelijke samenwerking spreekt haast voor zich, hoewel we noch positieve, noch negatieve effecten vinden van de samenwerking in een intergemeentelijke sociale dienst. 2 Waar draait het onderzoek om? Anno 2009 staan de activiteiten van gemeenten op het terrein van werk & inkomen in het teken van de economische recessie. Het voorkomen en bestrijden van (jeugd)werkloosheid heeft alle aandacht. Het is in zoverre een unicum dat gemeenten in hun betrekkelijk nieuwe rol van beleids- en budgetverantwoordelijke voor werk en inkomen niet eerder met een dergelijke economische tegenwind te maken hebben gehad. Dat brengt onder meer de vraag naar voren welke leerervaringen zijn op te tekenen van het gevoerde beleid in het verleden en welke effecten daarvan zijn te melden. Deze rol van beleids- en budgetverantwoordelijke die gemeenten op het terrein van werk en inkomen hebben is gaandeweg de afgelopen twintig jaren gegroeid. Stapsgewijs is eerst medio jaren negentig de beleidsma- 6

tige invloed vergroot met de invoering van de nieuwe Algemene Bijstandswet in 1996 en de introductie van tal van activeringsinstrumenten. Vanaf 2004 is met de invoering van de WWB ook de financiële verantwoordelijkheid voor bijstandsafhankelijkheid naar de gemeenten overgeheveld. In dezelfde periode is ook de aandacht voor lokaal en regionaal arbeidsmarktbeleid toegenomen, uitmondend in de recente aandacht voor de Ruimte voor de regio. In deze studie zijn we op zoek gegaan naar de mogelijkheden en verschillen in het arbeidsmarktbeleid van lokale overheden. Het doel van de studie is te proberen de verschillende handelingsstrategieën met het oog op het regionale arbeidsmarktbeleid theoretisch en empirisch te verkennen en de relatie met het functioneren van de regionale arbeidsmarkt na te gaan. Een arbeidsmarktstrategie definiëren we daarbij als een al dan niet bewuste, samenhangende keuze uit het geheel aan handelingsalternatieven dat een gemeente ter beschikking staat om de uitkomsten van de arbeidsmarkt te beïnvloeden, waarbij zij rekening moet houden met de kenmerken van de doelgroepen en de situatie op de arbeidsmarkt. Naast een theoretische verkenning bestaat het onderzoek uit een statistische, econometrische analyse van bestaande gegevens op gemeenteniveau over de jaren 1998-2007. Het voordeel van bestaande gegevens is dat deze over meerdere jaren beschikbaar zijn, het nadeel is dat bestaande gegevens maar in beperkte mate een inhoudelijke operationalisatie van arbeidsmarktstrategieën mogelijk maken. Op de onderzoeksresultaten is op verschillende bijeenkomsten gereflecteerd door de consortiumgemeenten: Almelo, Achtkarspelen/Kollumerland, Den Haag, Dordrecht, Gouda, Groningen, Haarlem, Lelystad, Oss, Spijkenisse, Utrecht, Roermond en Tytsjerksteradiel. 3 Wat kunnen gemeenten doen? De historie laat zien dat met de decentralisatie van de bijstandswetgeving vanaf begin jaren negentig zowel het belang als de invloed van gemeenten op het terrein van het arbeidsmarktbeleid is toegenomen. Tegelijk blijkt het niet eenvoudig daar handen en voeten aan te geven. In de beleidspraktijk kunnen we drie niveaus onderscheiden: Het niveau van de regionale arbeidsmarktinitiatieven. Momenteel krijgt deze vorm via het beleidsprogramma van Ruimte voor de regio van de VNG waarin circa 56 ambassadeursgemeenten fungeren als voortrekker voor regionaal arbeidsmarktbeleid. De sturingsvorm om ambassadeurgemeenten aan te wij- 7

zen is uiteindelijk een reactie op het achterwege blijven van zelforganiserend vermogen in de regio om effectieve samenwerkingsverbanden tot stand te brengen tussen gemeenten, UWV, werkgevers en scholingsinstellingen; Het niveau van de ketensamenwerking tussen UWV en gemeenten. Deze krijgt momenteel vorm via de implementatie van de zogenaamde (plusvestigingen van de) Werkpleinen en de mobiliteitscentra. In tegenstelling tot de variëteit van de regionale arbeidsmarktinitiatieven wordt hier een eenduidig dienstverleningsconcept nagestreefd volgens het toonkamermodel; Het niveau van de WWB-uitvoering: de preventieve en reintegratie-inspanningen die door individuele gemeenten en/of door gemeenten bestuurde werkleerbedrijven worden gevoerd of ingekocht. Hierbij valt te denken aan Workfirst, scholingsinspanningen en gesubsidieerde arbeid. De huidige actualiteit doet haast vergeten dat alle drie de niveaus een lange voorgeschiedenis kennen waarbij in het verleden getracht is in verschillende institutionele settings tot verbeteringen in beleid en uitvoering te komen. Daarbij is een gegeven dat gemeenten nauwelijks de hoogte en de regionale verschillen in werkloosheid kunnen beïnvloeden. Deze zijn het gevolg van gebeurtenissen die in de meeste gevallen buiten de gemeentelijke invloedssfeer liggen: Internationale conjunctuur, sectorale loonontwikkelingen en nationaal beleid. Wat voor de gemeente overblijft zijn drie functies van beleid: werkgelegenheidsbevordering, optimaliseren allocatie en schadelastbeperking. Deze functies kunnen vanuit het perspectief van gemeenten op basis van probleemdefinities worden onderverdeeld in een vijftal handelingsstrategieën: een controlerende sociale zekerheid, een activerende sociale zekerheid, een allocatiebenadering, een werkgelegenheidsaanpak en een coördinatiestrategie. Iedere aanpak kent zijn eigen probleemdefinitie, instrumenten, valkuilen en (neven)effecten. De handelingsstrategieën zijn in de onderstaande tabel weergegeven. Tabel I: Conceptuele indeling arbeidsmarktstrategieën Controlerende sociale zekerheid Activerende sociale zekerheid Allocatie Nadruk op Aanbod Aanbod Vraag- en aanbod Threat Treatment Bemiddeling Primaire probleetekort Moral Hazard Productiviteits- Informatietekort Vertrouwens- problemen Werkgelegenheidsbeleid Vraag Werkgelegenheidsbevordering Onvoldoende vraag Coördinatieperspectief Transities en ketens Coördinatie en coöperatie (Deel)marktfalen Inefficiency Free-ridergedrag 8

Niveau Lokaal Lokaal Lokaal/regionaal Regionaal Lokaal/Regionaal Instrumen- Bestands- Workfirst Bemiddeling Vestigingenbeleid Regie en samen- ten/aandachts- Scholing analyse Onderwijs- Econ. stimul. be- werking gebieden Handhaving Begeleiding arbeidsmarkt leid Partnerships Substitutie Gesubsidieerde Integraal beleid Workfirst arbeid Gezamenlijke uitvoering Neveneffect/ Sociale uitslui- Netto- Publieke taak? Problematische Bestuurskracht dilemma ting effectiviteit Netto- sociale situaties Visie Verdringing effectiviteit Verdringing 4 Doen zich verschillen voor tussen gemeenten? Het antwoord daarop is ja. Een verkenning van de handelingsstrategieen laat verschillen tussen gemeenten zien wanneer we kijken naar landsdelen, grootteklasse van gemeenten en mate van stedelijkheid. Helaas stelde de beschikbare data ons niet in staat de allocatiestrategie waarbij de bemiddeling tussen vraag naar en aanbod van arbeid centraal staat - te operationaliseren. Deze blijft dus in het vervolg achterwege. Grosso modo is het beeld dat gemeenten verschillen in de inzet van middelen, in hun bijstandsontwikkeling en in de inzet van instrumenten. Voor wat betreft de inzet van middelen valt op dat de uitgaven uit het inkomensdeel als percentage van het WWB-volume niet varieert over de landsdelen, wel naar grootteklasse: de G27-gemeenten en gemeenten tussen de 20-50k geven gemiddeld meer uit dan de andere gemeenten. De verklaring daarvoor zit vermoedelijk in het voordelig uitpakken van de verdeelsystematiek voor grote gemeenten, de samenstelling van het cliëntenbestand en de keuzes in de uitruil met het W-deel; meer cliënten ten laste brengen van het W-deel leidt tot besparingen op het I- deel. De uitgaven werkdeel als percentage van het WWB-volume lijkt daarvan het spiegelbeeld te zijn. Hier zien we juist wel regionale variatie (vooral het Noorden en het Oosten geven meer W-middelen uit per bijstandsgerechtigde) evenals gemeenten tussen de 50-100k. In termen van handelingsstrategieën (zie tabel II) zien we eveneens verschillen. Eenvoudig gezegd: grotere gemeenten sporen meer fraudegevallen op, kennen een grotere instroom in de Wajong, zetten meer trajecten met en zonder loonkostensubsidie in en werken meer en intensiever samen, zowel met externe partners als binnen de gemeente. De enige uitzondering vormt de intergemeentelijke samenwerking waar- 9

aan juist gemeenten kleiner dan 20k bijdragen. We zien ook regionale variatie waarbij vooral het Noorden meer dan gemiddeld bijdraagt aan de opgespoorde fraude, de instroom in de WAJONG, de trajecten met en zonder loonkostensubsidie en de externe samenwerking. Opvallend is verder dat het westen minder dan gemiddeld bijdraagt aan de trajecten met en zonder loonkostensubsidie. Tabel II: Overzicht verschillen in beleidsintensiteit. Licht grijs is meer dan gemiddeld, donker grijs is minder dan gemiddeld, wit is neutraal. Controlerende sociale zekerheid Activerende sociale zekerheid Werkgelegenheid Coördinatie Fraudegevallen Instroom WAJONG Instroom WSW Trajecten z. loonkosten Trajecten met loonk. Intergem. Samenw. Externe samenw. Interne samenw. Landsdeel Politiek Grootteklasse > 100k 50-100k 20-50 k < 20k Noord Oost West Zuid Links Lokaal Centrum/ rechts We vinden ook relaties met de politieke samenstelling van de gemeenteraad. Gemeenten met in verhouding veel linkse (D 66, PvdA, Groen links, SP) gemeenteraadszetels hebben een meer dan gemiddelde instroom in de WSW en meer trajecten zonder loonkostensubsidie (per bijstandsontvanger). Opvallend is verder dat linkse gemeenten meer interne (binnen gemeentelijke) en intergemeentelijke samenwerking kennen terwijl zij juist minder samenwerking met externe partijen zoeken. Het lijkt erop dat linkse gemeenten meer zelf (willen) doen en daarom minder de samenwerking met derden zoeken. Het zou kunnen duiden op een maakbaarheidgedachte en een groot vertrouwen in de rol van lokale overheid. De regionale variatie kan verschillende oorzaken hebben. Er kan sprake zijn van verschillen in regionale structuurkenmerken (zoals sectorsamenstelling en demografische opbouw), van verschillen in politieke en beleidsmatige keuzes en van historische erfenissen die doorwerken naar het heden (sommige regio s hebben meer een samenwerkingscultuur dan anderen). Vervolgonderzoek zou licht kunnen werpen naar de achterliggende mechanismen. 10

5 Zijn handelingsstrategieën effectief? Om de effectiviteit vast te stellen zijn in de eerste plaats modellen geschat op basis waarvan we de volumeontwikkelingen in de WWB kunnen verklaren uit omgevings- en demografische kenmerken als het aantal eenoudergezinnen en minderheden, de krapte op de arbeidsmarkt en het aantal WW-ers. De werkwijze is dezelfde als wordt gehanteerd bij het schatten van de uitkeringslasten uit objectieve factoren in het kader van het objectieve verdeelmodel. Wanneer de handelingsstrategieën aan de modellen worden toegevoegd kunnen we vaststellen welke additionele bijdragen deze hebben op de in- en uitstroom in de bijstand. Alle vier de handelingsstrategieën lijken hun invloed te hebben, echter in verschillende gradaties en in wisselende mate op de in- en uitstroom en de langdurige bijstandskans (zie tabel III). Aan de vermindering van de instroom draagt vooral een controlerende aanpak (fraudebeleid en handhaving) bij, evenals meer trajectinspanningen (met en zonder loonkostensubsidie) en intensievere samenwerking met externe partijen. De achterliggende mechanismen wijzen naar effecten van ontmoediging (door bijvoorbeeld Workfirst en verplichte tegenprestaties) al dan niet in combinatie met verloning en samenwerking in de keten. Aan een vergroting van de uitstroom naar werk dragen vooral een grotere trajectinzet (met en zonder loonkostensubsidie) en intensiever intern samenwerkingsgedrag (integraal beleid) bij. Dat een hogere trajectintensiteit gepaard gaat met meer uitstroom duidt naast een behandel effect ( treatment ) op een ontmoedigingseffect ( threat ) al dan niet in combinatie met verloning. Daarnaast is verloning voor een deel kunstmatige uitstroom naar werk, terwijl de cliënt feitelijk in dienst wordt gehouden door een loonkostensubsidie gefinancierd uit het W-deel. Of verloning leidt tot duurzame uitstroom naar regulier werk, hebben wij binnen het kader van dit onderzoek niet kunnen nagaan. Opvallend is dat meer interne samenwerking binnen een gemeente (tussen afdelingen leidt tot meer uitstroom naar werk. Dat is een belangrijke constatering. Het onderstreept dat samenwerking tussen de gemeentelijke afdelingen Werk en inkomen, Welzijn, EZ en Onderwijs bij kan dragen aan integrale oplossingen voor cliëntproblemen. Deze samenwerking kan op bestuurlijk niveau gestalte krijgen (wethouders met brede portefeuilles), op beleids- en managementniveau en op casemanagementniveau. 11

Een vermindering van de langdurige bijstandskans heeft een relatie met een hogere instroom in de Wajong. Dit duidt op een substitutie-effect waarbij gemeenten hun bestanden hebben geschoond met de voor de Wajong in aanmerking komende cliënten. Onderzoek van het UWV heeft eerder deze substitutie-effecten aangetoond. Voor de gemeente leidt dat weliswaar tot vermindering van het WWB-cliëntenbestand en de directe schadelast, maar niet tot een vermindering van de totale groep inactieven in de gemeente. Substitutie leidt tot een besparing op de WWB-middelen, maar niet voor de sociale zekerheid als geheel. De slotsom is dat de handelingsstrategieën effecten hebben op de inen/of uitstroom (naar werk). Vervolgonderzoek zal naar de onderliggende mechanismen en de duurzaamheid van de effecten moeten kijken. Bijvoorbeeld welke specifieke partners binnen samenwerkingsverbanden dragen bij aan de gevonden effecten, of welke interne samenwerkingsrelaties (met EZ?, Onderwijs?, Welzijn?) zijn van belang? En wat zijn de duurzame effecten van verloningsconstructies? Tabel III: Gevonden effecten. Licht grijs is een negatief verband, donker grijs is een positief verband, Wit is geen verband Instroom 1 Uitstroom naar werk 2 Langd. bijstandskans Controlerende sociale zekerheid Aantal fraudegevallen Instroom Wajong Instroom WSW Activerende Aantal trajecten sociale zekerheid Werkgelegenheid Omvang gesubs. arbeid Coördinatie Externe samenwerking: aantal partners Interne samenwerking: aantal terreinen 1. Instroom in de WWB (<65) in jaar t als percentage van WWB volume t-1 2. Uitstroom naar werk uit de WWB (<65 jaar) in jaar t als percentage van WWB volume t-1 6 Convergentie divergentie Over de tijd lijken gemeenten te convergeren. Kijken we bijvoorbeeld naar de bijstandsontwikkeling over de afgelopen tien jaren dan blijkt dat gemeenten met een lage bijstandskans in de jaren daarna meer groei (of minder krimp) vertonen dan gemeenten met een hoge bij- 12

standskans. Dat lijkt intuïtief logisch, maar opvallend is dat we dezelfde patronen waarnemen als het gaat om de besteding van middelen, de inen uitstroom als de inzet van beleid. Het lijkt er op dat gemeenten die het goed doen gas terugnemen terwijl gemeenten die het wat slechter doen extra gemotiveerd zijn om de bij het gemiddelde aan te sluiten. Hoewel de landelijke beweging er een van convergentie lijkt te zijn, geldt dit niet voor alle regio s, grootteklassen van gemeenten en maten van stedelijkheid. Convergerende trends doen zich vooral voor bij grotere en/of stedelijke gemeenten en gemeenten in het westen en oosten van het land. De vraag is hoe we deze patronen moeten duiden. Kijken we naar de verschillen in beleidsinzet op enig moment (zie paragraaf 4) dan zijn er regionale variaties en verschillen naar grootteklasse. Ook is er een invloed waarneembaar van de politieke samenstelling van de gemeenteraad op een aantal beleidskeuzes die worden gemaakt. Al met al duidt dit op differentiatie, aanpassing aan omgevingsfactoren en een politieke wil tot verschil. Kijken we naar de ontwikkeling over een lange periode dan groeien de gemeenten echter naar elkaar toe. Dit is zowel een bevestiging van het feit dat gemeenten van elkaar leren, als van de convergerende werking van de wet- en regelgeving. Wat overblijft is de vraag of gemeenten over deze periode ook efficiënter zijn geworden. Dat zou namelijk licht kunnen werpen of gemeenten kuddegedrag vertonen of dat ze ook daadwerkelijk leren om de meest efficiënte werkwijze kiezen. 7 Wat is de praktische betekenis? De variëteit in het huidige lokale arbeidsmarktbeleid is groot. Verschillende studies van de VNG, het IWI en Divosa tonen dit aan 2. Gemeenten beproeven vele aanpakken, al dan niet samen met andere partijen en al dan niet vanuit doelstellingen die dichterbij of verder weg liggen van de beperking van de bijstandsafhankelijkheid. Door het lokale arbeidsmarktbeleid vanuit het perspectief van een gemeente in te delen in een vijftal handelingsstrategieën wordt een kader aangereikt dat gebruikt 2 VNG (2008) Regionaal arbeidsmarktbeleid: De stand van zaken bij gemeenten, voorjaar 2008. Den Haag: VNG; IWI (2008) Regionale samenwerking arbeidsmarktbeleid. Den Haag; IWI; Divosa (2005, 2006, 2007, 2008) WWB-monitoren. Utrecht: Divosa. 13

kan worden om de eigen, gemeentelijke inspanningen tegen het licht te houden. Dat is een belangrijk winstpunt. De studies van de VNG, IWI en Divosa laten ook zien dat gemeenten in zijn algemeenheid risicomijdend zijn, vooral op beperking van de schadelast zijn gericht, een korte termijn oriëntatie hebben en samenwerking niet altijd omhelzen. Deze studie toont aan dat dit geen wijze strategie is. Zeker in de huidige recessie zijn twee beleidsstrategieën van belang: Investeren en coördineren. 1. Meer investeren in trajecten met en zonder loonkostensubsidie loont. Het draagt bij aan het voorkomen van instroom en het bevorderen van de uitstroom naar werk. 2. Een coördinerende aanpak werkt. Externe samenwerking voorkomt instroom, interne samenwerking binnen een gemeenten draagt bij aan meer uitstroom naar werk. Nogmaals, beide strategieën lijken ogenschijnlijk vanzelfsprekend, maar dat is niet zo. De onderbesteding uit het W-deel in de afgelopen jaren en de geringe externe en interne samenwerking tonen anders aan. Toch is ook realisme in ambitie op zijn plaats. Gemeenten hebben een beperkte invloed op de hoogte en de regionale verschillen in werkloosheid. Daarbij leidt de verkenning van de literatuur tot voorzichtigheid gelet op mogelijke neveneffecten van handelingswijzen van de lokale overheid, zoals het gevaar van sociale uitsluiting, verdringingseffecten en ruimtelijke externe effecten. Wat op microniveau effectief is, hoeft per saldo op macroniveau de werkgelegenheid en werkloosheid niet ten goede te komen. 14