Bewijzen hoofdstuk 2



Vergelijkbare documenten
LES1: ELEKTRISCHE LADING DE WET VAN COULOMB. H21: Elektrische lading en elektrische velden

Elektro-magnetisme Q B Q A

TENTAMEN ELEKTROMAGNETISME (3D020)

NATIONALE NATUURKUNDE OLYMPIADE. Tweede ronde - theorie toets. 21 juni beschikbare tijd : 2 x 2 uur

1. Langere vraag over de theorie

Elektrische stroomnetwerken

Langere vraag over de theorie

TWEEDE RONDE NATUURKUNDE OLYMPIADE 2014 TOETS APRIL uur

1 Overzicht theorievragen

Hoofdstuk 23 Electrische Potentiaal. Copyright 2009 Pearson Education, Inc.

Langere vraag over de theorie

Deeltoets II E&M & juni 2016 Velden en elektromagnetisme

TENTAMEN ELEKTROMAGNETISME (8N010)

7 College 01/12: Electrische velden, Wet van Gauss

We willen dat de magnetische inductie in het punt K gelijk aan rul zou worden. Daartoe moet men door de draad AB een stroom sturen die gelijk is aan

Opgave 1. Voor de grootte van de magnetische veldsterkte in de spoel geldt: = l

Hoofdstuk 27 Magnetisme. Copyright 2009 Pearson Education, Inc.

Schriftelijk examen 2e Ba Biologie Fysica: elektromagnetisme

Oplossing examenoefening 2 :

1. Weten wat potentiaal en potentiaalverschil is 2. Weten wat capaciteit en condensator is 3. Kunnen berekenen van een vervangingscapaciteit

Voorbereiding toelatingsexamen arts/tandarts. Fysica: Elektrostatica. 25 juli dr. Brenda Casteleyn

Mkv Magnetisme. Vraag 1 Twee lange, rechte stroomvoerende geleiders zijn opgehangen in hetzelfde verticale vlak, op een afstand d van elkaar.

TENTAMEN ELEKTROMAGNETISME

Statische elektriciteit; elektrische lading en het behoud ervan

Tentamen. Elektriciteit en Magnetisme 1. Woensdag 20 juni :00-12:00. Leg je collegekaart aan de rechterkant van de tafel.

HOOFDSTUK 2: Elektrische netwerken

Juli blauw Vraag 1. Fysica

Tentamen Fysica: Elektriciteit en Magnetisme (MNW)

Vrijdag 19 augustus, uur

Deze Informatie is gratis en mag op geen enkele wijze tegen betaling aangeboden worden. Vraag 1

Begripsvragen: Elektrisch veld

Eindronde Natuurkunde Olympiade 2015 theorietoets deel 1

TWEEDE RONDE NATUURKUNDE OLYMPIADE 2013 TOETS APRIL :00 12:45 uur

TWEEDE RONDE NATUURKUNDE OLYMPIADE 2019 TOETS APRIL 2019 Tijdsduur: 1h45

Langere vraag over de theorie

I A (papier in) 10cm 10 cm X

Eindronde Natuurkunde Olympiade 2014 theorietoets deel 1

TENTAMEN DYNAMICA (140302) 29 januari 2010, 9:00-12:30

4. Maak een tekening:

TENTAMEN ELEKTROMAGNETISME (8N010)

Hoofdstuk 6: Elektromagnetisme

Eindronde Natuurkunde Olympiade 2018 theorietoets deel 1

Hoofdstuk 29 Electromagnetische Inductie en de wet van Faraday. Copyright 2009 Pearson Education, Inc.

koper hout water Als de bovenkant van het blokje hout zich net aan het wateroppervlak bevindt, is de massa van het blokje koper gelijk aan:

TENTAMEN ELEKTROMAGNETISME (3D020)


jaar: 1989 nummer: 10

Inhoudsopgave. 0.1 Netwerkmodel voor passieve geleiding langs een zenuwcel.. 2

1. Langere vraag over de theorie

o a. onveranderd blijven o b. verdubbelen tot -360 kv. o c. stijgen tot een waarde van OV. o d. positief worden tot een waarde van 720 kv.

Hoofdstuk 26 Gelijkstroomschakeling

8 College 08/12: Magnetische velden, Wet van Ampere

toelatingsexamen-geneeskunde.be

Examen Algemene natuurkunde 1, oplossing

Condensator. Het hellingsgetal a is constant. Dit hellingsgetal noemen we de capaciteit van de condensator C. Er geldt dus: C = Q U

Langere vraag over de theorie

Voorbereiding toelatingsexamen arts/tandarts. Fysica: Elektrostatica. 4 november Brenda Casteleyn, PhD

Formules voor Natuurkunde Alle formules die je moet kennen voor de toets. Eventuele naam of uitleg

Tentamen Mechanica ( )

1. Langere vraag over de theorie

Tentamen Fysica: Elektriciteit en Magnetisme (MNW en SBI)

Condensator. Het hellingsgetal a is constant. Dit hellingsgetal noemen we de capaciteit van de condensator C. Er geldt dus: C = Q U

1 ELECTROSTATICA: Recht toe, recht aan

XXX INTERNATIONALE NATUURKUNDE OLYMPIADE PADUA, ITALIË THEORIE-TOETS

In een U-vormige buis bevinden zich drie verschillende, niet mengbare vloeistoffen met dichtheden ρ1, ρ2 en ρ3. De hoogte h1 = 10 cm en h3 = 15 cm.

jaar: 1989 nummer: 25

Tentamen. Elektriciteit en Magnetisme 1. Woensdag 22 juni :00-12:00. Schrijf op elk vel uw naam en studentnummer. Schrijf leesbaar.

Hoe merkt een geladen deeltje dat er een tweede geladen deeltje in de buurt is als de twee deeltjes elkaar niet aanraken?

Hoofdstuk 25 Elektrische stroom en weerstand

Q l = 23ste Vlaamse Fysica Olympiade. R s. ρ water = 1, kg/m 3 ( ϑ = 4 C ) Eerste ronde - 23ste Vlaamse Fysica Olympiade 1

oefen vt vwo5 h6 Elektromagnetisme Opgaven en uitwerkingen vind je op Oefen vt vwo5 h6 Elektromagnetisme Opgave 1.

VLAKKE PLAATCONDENSATOR

De wetenschap natuurkunde

NATUURKUNDE KLAS 5. PROEFWERK H8 JUNI 2010 Gebruik eigen rekenmachine en BINAS toegestaan. Totaal 29 p

. Vermeld je naam op elke pagina.

3. Beschouw een zeer goede thermische geleider ( k ) in de vorm van een cilinder met lengte L en straal a

Vak: Elektromagnetisme ELK Docent: ir. P.den Ouden nov 2005

Op basis van de tweede wet van Newton kan onderstaand verband worden afgeleid. F = m a = m Δv Δt

Impuls en stoot. De grootheid stoot Op basis van de tweede wet van Newton kan onderstaand verband worden afgeleid. F = m a = m Δv Δt.

TWEEDE RONDE NATUURKUNDE OLYMPIADE 2018 TOETS 1

Als de trapper in de stand van figuur 1 staat, oefent de voet de in figuur 2 aangegeven verticale kracht uit op het rechter pedaal.

HOOFDSTUK 1: Fysische grondslagen van de elektrotechniek

Hoofdstuk 24 Condensatoren, Diëlektrika, Electrische Energie Opslag. Copyright 2009 Pearson Education, Inc.

1 VRIJE TRILLINGEN 1.0 INLEIDING 1.1 HARMONISCHE OSCILLATOREN het massa-veersysteem. Hoofdstuk 1 - Vrije trillingen

Hoofdstuk 26 DC Circuits. Copyright 2009 Pearson Education, Inc.

Hoofdstuk 12 Elektrische velden. Gemaakt als toevoeging op methode Natuurkunde Overal

Tentamen Natuurkunde 1A uur uur vrijdag 14 januari 2011 docent drs.j.b. Vrijdaghs

Fysica. Indien dezelfde kracht werkt op een voorwerp met massa m 1 + m 2, is de versnelling van dat voorwerp gelijk aan: <A> 18,0 m/s 2.

TENTAMEN ELEKTROMAGNETISME (8N010)

Samenvatting Natuurkunde Hoofdstuk 1 t/m 3

Deze toets bestaat uit 3 opgaven (34 punten). Gebruik eigen grafische rekenmachine en BINAS toegestaan. Veel succes!

TENTAMEN ELEKTROMAGNETISME (8N010)

Samenvatting Natuurkunde Syllabus domein C: beweging en energie

TWEEDE RONDE NATUURKUNDE OLYMPIADE 2015 TOETS APRIL :00 12:45 uur

Een elektrische schakeling is tot op zekere hoogte te vergelijken met een verwarmingsinstallatie.

Schriftelijk examen: theorie en oefeningen Fysica: elektromagnetisme

Transcriptie:

Bewijzen hoofdstuk 2 1

Bewijzen hoofdstuk 3 2

Bewijzen hoofdstuk 5 3

Bewijzen hoofdstuk 6 4

5

Bewijzen hoofdstuk 7&8 6

7

8

9

10

11

Bewijzen hoofdstuk 9 Bewijs H9 Bewijs H9 Verband kracht en impuls Tweede wet van Newton voor een systeem van voorwerpen schrijven in termen van de totale impuls van een systeem puntmassa s Uit volgt dat de totale impuls van een systeem van puntmassa s is gelijk aan het product van de totale massa M en de snelheid van het massamiddelpunt van het systeem de impuls van een ruimtelijk voorwerp is het product van de massa van het voorwerp en de snelheid van het MM ervan naar tijd differentiëren levert: Uit volgt dat dit is de tweede wet van Newton voor een systeem van voorwerpen (geldig voor willekeurige gesloten systemen van puntmassa s of voorwerpen) Bewijs H9 De tweede wet van Newton voor een systeem Een belangrijke reden voor het belang van het concept massamiddelpunt is dat de translatiebeweging van het MM voor een systeem van puntmassa s direct gerelateerd is aan de nettokracht die op het systeem als geheel werkt, bewijs: (differentiëren naar de tijd:) (de afgeleide naar de tijd:) of (de tweede wet van Newton is dus:) Dat wil zeggen dat de vectorsom van alle krachten die op het systeem werken gelijk is aan de totale massa van het systeem maal de versnelling van het massamiddelpunt ervan. De krachten die uitgeoefend worden op de puntmassa s van het systeem kunnen in twee soorten opgesplitst worden: uitwendige krachten die uitgeoefend worden door voorwerpen buiten het systeem en inwendige krachten die puntmassa s binnen het systeem op elkaar uitoefenen. Volgens de derde wet van Newton treden de inwendige krachten paarsgewijs op: als een puntmassa ene kracht uitoefent op een tweede puntmassa in het systeem, moet de tweede een even grote en tegenovergesteld gerichte kracht uitoefenen op de eerste puntmassa. In de som van alle krachten heffen deze inwendige krachten elkaar dus op. De tweede wet van Newton (voor een systeem). Bewijs H9 Elastische botsingen in één dimensie Behoud van impuls: m A (v A v A ) = m B (v B v B ) Behoud van kinetische energie: m A (v 2 A v 2 A) = m B (v 2 B v 2 B) dit kunnen we weer omschrijven tot m A (v A v A ) (v A +v A ) = m B (v B v B ) (v B + v B ) We delen de wet van behoud van impuls door de wet van behoud van kinetische energie: (alleen gebruiken als de botsing eendimensionaal frontaal is!) 12

Bij een willekeurige elastische frontale botsing geldt blijkbaar dat de relatieve snelheid van de twee voorwerpen na de botsing dezelfde grootte (maar tegengestelde richting) heeft als voor de botsing, ongeacht hoe groot de massa s zijn. Voor een willekeurige elastische frontale botsing geldt dat ( ) ( ) en ( ) ( ) Bewijs H9 Behoud van impuls Behoud van impuls afleiden uit de bewegingswetten van Newton: de kracht die voorwerp A op voorwerp B op een willekeurig moment uitoefent is gelijk aan, volgens de derde wet van Newton geldt dan dat de kracht die door voorwerp B op voorwerp A uitgeoefend wordt gelijk is aan en we veronderstellen dat er geen andere uitwendige krachten werken & Bewijs H9 Totale impuls/tweede wet van Newton voor een systeem De totale impuls van een systeem: 13

Bewijzen hoofdstuk 10 Bewijs H10 Lineaire snelheid of Bewijs H10 Lineaire versnelling of De totale lineaire versnelling van een punt op een willekeurig moment is de vectorsom van twee componenten: Bewijs H10 Traagheidsmoment en krachtmoment Situatie: een puntmassa met massa m beschrijft een cirkelvormige baan met straal R aan het eind van een touw of stang, waarvan we de massa kunnen verwaarlozen t.o.v. m, en we veronderstellen dat er één tangentiale kracht F werkt op m. We gebruiken de tweede wet van Newton voor lineaire grootheden en de vergelijking voor de hoekversnelling en de tangentiale lineaire versnelling levert: (beiden zijden vermenigvuldigen met R geeft:) De grootheid stelt de rotationele traagheid van de puntmassa voor en wordt het traagheidsmoment genoemd. Bewijs H10 Rotationele kinetische energie Rotationele kinetische energie: Een willekeurig star roterend voorwerp bestaat uit veel miniscule puntmassa s die elk een massa m i hebben. Als we de afstand van een willekeurig deeltje tot de rotatie-as R i noemen, is de lineaire snelheid daarvan v i = R i ω. De totale kinetische energie van het hele voorwerp zal de som zijn van de kinetische energieën van alle deeltjes waaruit het bestaat: ( ) ½ en ω 2 worden buiten de sommatie gebracht, omdat zij gelijk zijn voor elk deeltje van een star voorwerp en ( ) [rotatie om een vaste as!] De kracht uitgeoefend op een punt op een afstand R van de rotatie-as verricht arbeid: waarin een oneindig kleine afstand is, loodrecht op R met grootte dl = Rdɵ, en de component is van loodrecht op R en evenwijdig aan. is het krachtmoment om de rotatie-as, dus: 14

is de verrichte arbeid door een krachtmoment dat een voorwerp wil laten roteren over de hoek. De snelheid waarmee de arbeid verricht wordt, het vermogen P,: Het principe van arbeid en energie is geldig voor de rotatie van een star voorwerp om een vaste as: In dit geval is en (waarin we de kettingregel gebruikten en ) De verrichte arbeid bij het roteren van een voorwerp is gelijk aan de verandering van de rotationele kinetische energie van het voorwerp. Bewijs H10 Rotationele plus translationele beweging Een voorwerp dat om het massamiddelpunt roteert en een translatiebeweging ondergaat, zal zowel translationele als rotationele kinetische energie bezitten. K tot kunnen we schrijven in termen van het massamiddelpunt m.b.v. de verschuivingsstelling: I P = I MM + MR 2, waarin we R gesubstitueerd hebben voor h. Dus geldt dat: Maar Rω = v MM -> (waarin v MM de lineaire snelheid van het MM is, I MM het traagheidsmoment om een as door het MM, ω de hoeksnelheid om deze as en M de totale massa van het voorwerp) Bewijs H18 Verband tussen hoeksnelheid en lineaire snelheid Bewijs H10 Krachtmoment 15

Bewijs H10 Traagheidsmoment 16

Bewijs H10 Voorwaarde voor zuiver rollen 17

Bewijzen hoofdstuk 11 Bewijs H11 Impulsmoment/tweede wet van Newton voor rotatie Tweede wet van Newton voor rotatie in termen van impulsmoment: ( ) Bewijs H11 Impulsmoment van een puntmassa Situatie: een puntmassa met massa m heeft een impuls en een positievector t.o.v. de oorsprong O in een bepaald inertiaalstelsel. Het impulsmoment : Impulsmoment is een vectoriële grootheid. De richting ervan staat loodrecht op zowel als volgens de rechterhandregel. De grootte ervan is: De relatie tussen impulsmoment en krachtmoment; De verandering van impulsmoment van een puntmassa in de tijd is gelijk aan het netto krachtmoment dat erop uitgeoefend wordt. 18

Bewijs H11 De verandering van het totale impulsmoment van een systeem van puntmassa s in de tijd is gelijk aan het netto uitwendige krachtmoment op het systeem. De tweede wet van Newton. Bewijs H11 de tijdsafgeleide daarvan is: dl MM dt τ MM zelfs bij versnelling of vertraging is de positievector van de i-de puntmassa in een inertiaalstelsel en de positievector van het massamiddelpunt van het systeem in dit referentiestelsel De positie van de i-de puntmassa t.o.v. het MM is : vermenigvuldig elke term met m i en bepaal de afgeleide ( ) Het impulsmoment t.ov. van het MM is: de eerste term aan de rechterkant is (sinɵ=0) en is gelijk aan nul, omdat evenwijdig is aan zichzelf ( ) de tweede term aan de rechterkant is nul, en per definitie uit de tweede wet van newton volgt dat: waarin de nettorkacht op m i is 19

Bewijs H11 Impulsmoment en krachtmoment voor een star voorwerp Voor elke puntmassa van het voorwerp is: De component van langs de roatie-as is: De som over alle puntmassa s: ( ) De component van het totale impulsmoment langs de rotatie-as is dus: 20

Bewijzen hoofdstuk 18 Bewijs H18 Druk Hoe groot is de druk die een gas uitoefent op een vat? Stel de moleculen voor binnen een rechthoek vat waarvan de uiteinden een oppervlakte A hebben en waarvan de lente l is. De druk die door het gas op de wanden van het vat wordt uitgeoefend is een gevolg van de botsingen van de moleculen met de wanden. Wanneer een molecuul een kracht uitoefent op de wand oefent de wand een gelijke en tegengestelde reactiekracht uit op het molecuul (derde wet van Newton). Op grond van de tweede wet van Newton is de grootte van deze kracht op het molecuul gelijk aan de impulsverandering van het molecuul, F = dp/dt. Ervan uitgaande dat de botsing elastisch is, verandert alleen de x-component van de impuls van het molecule, van mv x tot +mv x. Dit molecuul zal vaak botsen met de muur, met tussenpozen van Δt, de tijd die het molecuul nodig heeft om in het vat een afstand (x-component) heen en terug af te leggen, dat wil zeggen 2l. De tijd Δt tussen de botsingen is erg kort, dus is het aantal botsingen per seconde erg groot. Dus is de gemiddelde kracht gelijk aan de impulsverandering gedurende één botsing gedeeld door de tijd tussen botsingen: De feitelijke kracht als gevolg van één molecuul fluctueert, maar omdat elke seconde een groot aantal moleculen de wand raakt, is de kracht gemiddeld genomen vrijwel constant. De nettokracht op de wand (de kracht als gevolg van alle moleculen in het vat):. Met de gemiddeld waarde van de x-component van de snelheid is: We kunnen de kracht dus schrijven als Voor elke vector geld dat het kwadraat van de grootte ervan gelijk is aan de som van de kwadraten van de componenten:. Omdat de snelheden van de moleculen in het gas willekeurig worden verondersteld, is er geen voorkeursrichting. Dus geldt Dit substitueren we in de vergelijking voor de nettokracht F: De druk op de wand is dan: oftewel met V = la De grootheid is de gemiddelde kinetische energie van de moleculen in het gas. Bovenstaande vergelijking vergelijken met de ideale gaswet levert ( ) oftewel verband tussen temperatuur en gemiddelde kinetische energie van moleculen 21

Bewijs H18 Diffusie Diffusie: deeltjes gaan spontaan van regio met hoge concentratie naar regio met lage concentratie (passief proces). Een buis met dwarsdoorsnede A met links moleculen in een hogere concentratie dan rechts. Er zal een nettostroom van moleculen naar rechts zijn. Een klein deel van de buis met lengte Δx wordt doorkruist door moleculen uit zowel gebied 1 als gebied 2. Naarmate er zich meer moleculen in een gebied bevinden, zullen er meer een gegeven oppervlak raken of een grens passeren. Omdat er in gebied 1 een hogere concentratie moleculen is dan in gebied 2, zullen er meer moleculen uit gebied 1 het centrale gedeelte doorkruisen dan uit gebied 2. Er is dus een nettotransport van moleculen van links naar rechts, van hoge concentratie naar lage concentratie. De nettostroom wordt alleen dan gelijk aan nul wanneer de concentraties aan elkaar gelijk geworden zijn. De diffusiesnelheid J (aantal deeltjes ΔN doorheen doorsnede A in een tijd Δt) is recht evenredig met het verschil in concentratie per eenheidsafstand oftewel de concentratiegradiënt (C 1 -C 2 )/Δx, met de oppervlakte van de dwarsdoorsnede A en de duur van het tijdsinterval Δt. (Aanname: concentraties C 1 en C 2 constant.) de diffusievergelijking (de wet van Fick): (met D is de evenredigheidsconstante in m 2 /s diffusiecoëfficiënt en Δx in meter) J is de deeltjesflux en de deeltjesstroom per oppervlak concentraties in mol/m 3 J is het aantal mol dat per seconde een gegeven punt passeert concentraties in kg/m 3 J is de massa die per seconde een bepaald punt passeert (kg/s) 22

Bewijzen hoofdstuk 19 Bewijs H19 Inwendige energie Inwendige energie: de totale energie van alle moleculen binnen het voorwerp. De inwendige energie van n mol van een ideaal eenatomig gas is de som van de translatie-energieën van alle atomen de gemiddelde kinetische energie per molecuul maal het totaal aantal moleculen m.b.v. kunnen we dit schrijven als oftewel Bewijs H19 Isotherm proces (cte T) De eerste hoofdwet van de thermodynamica: De temperatuur en de massa worden constant gehouden, de inwendige energie verandert niet:. Dus geldt op de grond van de eerste wet van de thermodynamica, dus W=Q: de arbeid die door het gas in een isotherm proces wordt uitgevoerd is gelijk aan de warmte die wordt toegevoegd aan het gas. Bewijs H19 Q=0 dus Adiabatisch proces (Q=O / geen warmtestroom) Dat wil zeggen: als het gas uitzet, neemt de inwendige energie af; dus neemt ook de temperatur af. Bewijs H19 Isobare en isovolumetrische processen Een isobaar proces is een proces waarbij de druk constant wordt gehouden. Een isovolumetrisch proces is een proces waarbij het volume niet verandert (ΔV=0 zorgt dat W=0). Isobaar proces: en isovolumetrisch proces: 23

Bewijs H19 Arbeid en volumeveranderingen Arbeid die wordt uitgevoerd bij volumeveranderingen Stel dat we een gas hebben in een cilindrisch vat met een beweegbare zuiger. Kies als systeem het gas; de wanden en de zuiger maken deel uit van de omgeving. Arbeid bepalen die door het gas wordt verricht wanneer het quasistatisch uitzet, zodat P en T op elk moment gedefinieerd zijn voor het systeem. Het gas zet uit tegen de zuiger met oppervlakte A. Het gas oefent een kracht F=PA uit op het gas, waarin P de druk in het gas is. De arbeid die door het gas wordt verricht voor een oneindig kleine verplaatsing van de zuiger is omdat een oneindig kleine volumetoename gelijk is aan. Bij een eindige volumeverandering van V A naar V B zou de door het gas verrichte arbeid W gelijk zijn aan. 24

Bewijs H19 Verband tussen C P en C V Vergelijk isovolumetrisch en isobaar proces waarbij de temperatuur met eenzelfde waarde toeneemt. Isovolumetrisch: er wordt geen arbeid verricht omdat ; dus toegevoegde warmte wordt volledig omgezet in inwendige energie Isobaar: er wordt wel arbeid verricht; dus toegevoegde warmte wordt omgezet in inwendige energie en arbeid [constant volume] [constante druk] Combineren van de twee vergelijkingen: Voor een proces bij constante druk geldt : of na vereenvoudiging;. Omdat de gasconstante R=8,341 J/mol.K is C P circa 8,31J/mol.K groter dan C V. Bij een ideaal monoatomisch gas is de inwendige energie gelijk aan de totale kinetische energie van alle moleculen: ( ) 25

Bewijzen hoofdstuk 21 Bewijs H21 Puntlading & Continue ladingsverdeling. Bewijs H21 Versnelling en afbuiging van elektronenbundels. 26

Bewijzen hoofdstuk 23 Bewijs H23 Elektrische potentiële energie Situatie: het elektrisch veld tussen twee evenwijdige platen met een even grote, maar tegengestelde lading; we veronderstellen dat de afstand tussen de platen klein is in vergelijking met hun breedte en hoogte, zodat het veld in het grootste deel van het gebied tussen de platen homogeen zal zijn. Bekijk een minuscule positieve puntlading q in een punt erg dicht bij de positieve plaat. Deze lading q is zo klein dat deze geen effect heeft op. Als deze lading q ter plaatse van een punt a wordt losgelaten, zal de elektrische kracht arbeid op de lading verrichten en deze versnellen in de richting van de negatieve plaat. De arbeid W die door het elektrisch veld E wordt verricht om de lading over een afstand d te verplaatsen is De verandering van de elektrische potentiële energie is gelijk aan het tegengestelde van de door de elektrische kracht verrichte arbeid: [homogeen ] Bewijs H23 Relatie tussen elektrisch potentiaal en elektrisch veld Het verschil in potentiële energie tussen twee willekeurige punten in de ruimte, a en b, wordt beschreven door: Het potentiaalverschil is Het elektrisch veld in een willekeurig punt in de ruimte is de kracht per eenheid van lading: Deze twee relaties in bovenstaande vergelijking substitueren levert: Bewijs H23 Elektrische potentiaal als gevolg van puntladingen De elektrische potentiaal op een afstand r van één enkele puntlading Q kan rechtstreeks worden afgeleid uit Het elektrisch veld als gevolg van één enkele puntlading heeft een grootte: of en is radiaal naar buiten gericht vanuit een positieve lading (of naar binnen gericht als Q<0). Bereken de integraal lang een (rechte) veldlijn van punt a, op een afstand r a van Q, naar punt b, op een afstand r b van Q. In dit geval zal. Dus geldt dat evenwijdig zijn aan en Het is gebruikelijk om de potentiaal nul te kiezen in punten die oneindig ver zijn verwijderd (stel V b =0 ter plaatse van r b = ). In dat geval is de elektrische potentiaal V op een afstand r van één enkele puntlading gelijk aan [één enkele puntlading; V=0 ter plaatse van r= ] 27

Bewijs H23 Potentiaal veroorzaakt door dipool 28

Bewijzen hoofdstuk 24 Bewijs H24 Capaciteit van vlakke condensator Bewijs H24 Capaciteit van een condensator De relatie tussen het elektrisch veld en de elektrische potentiaal is We kunnen de lijnintegraal bepalen langs een baan antiparallel met de veldlijnen (dus in tegenovergestelde richting van de veldlijnen), dus van plaat a naar plaat b, waarbij geldt dat en, dus Dit levert een relatie tussen Q en V en daarmee kunnen we de capaciteit C bepalen in termen van de geometrie van de platen: [condensator met evenwijdige platen] Bewijs H24 Condensator opladen De benodigde arbeid om een kleine hoeveelheid lading dq toe te voegen wanneer er een potentiaalverschil V over de platen aanwezig is, is. Omdat op een willekeurig tijdstip, waarin C de capaciteit is, is de benodigde arbeid om een totale lading Q op te slaan gelijk aan De energie opgeslagen in een condensator is wanneer de twee geleiders van de condensator C ladingen +Q en Q bezitten. Omdat, waarin V het potentiaalverschil is over de condensator, kunnen we ook schrijven dat. Het is handig om de energie die is opgeslagen in een condensator te beschouwen als energie die is opgeslagen in het elektrisch veld tussen de platen. We hebben gezien dat het elektrisch veld tussen twee evenwijdige platen die zich dicht bij elkaar in de buurt bevinden homogeen is en de grootte ervan als volgt aan het potentiaalverschil is gerelateerd:, waarin d de afstand tussen de platen is. voor een condensator met evenwijdige platen. Dus geldt dat ( ) ( ) (geldig voor elk willekeurig gebied in de ruimte waar een elektrisch veld aanwezig is) ( met eenheid (C 2 /N.m 2 )(N/C) 2 =N/m 2 =(N.m)/m 3 =J/m 3 ) (de grootheid Ad is het volume tussen de platen waarin het elektrisch veld E aanwezig is) 29

Bewijs H24 Parallelschakeling van condensatoren Bewijs H24 Serieschakeling van condensatoren 30

Bewijzen hoofdstuk 25 Bewijs H25 Het vermogen P De snelheid waarmee energie wordt omgezet in een weerstand R: ( ) Bewijs H25 Wisselstroom. Het vermogen is altijd positief. De grootheid varieert tussen 0 en 1 en het is niet al te moeilijk om aan te tonen dat de gemiddelde waarde ervan ½ is. Het gemiddelde omgezette vermogen :. Het vermogen kan ook worden geschreven als ( ), dus het gemiddelde vermogen is gelijk aan De vierkantswortel van elk van deze termen is de rms-waarde (root-mean-square; kwadratisch gemiddelde), ookwel de effectieve waarde, van de stroom of de spanning: Een gelijkstroom met waarden I en V gelijk aan de rms-waarden I en V van een wisselstroom zal hetzelfde vermogen leveren als die wisselstroom. Bewijs H25 Driftsnelheid en stroom De driftsnelheid kan gerelateerd worden aan de macroscopische stroom I in de draad. In een tijd Δt leggen de elektronen gemiddeld een afstand l=v d Δt af. Veronderstel dat de draad een dwarsdoorsnede met oppervlakte A heeft. In dat geval zullen in een tijd Δt de elektronen in een volume de dwarsdoorsnede A van de draad passeren (zie afbeelding). Als er n vrije elektronen (elk met een lading e) per eenheid van volume (n=n/v) zijn, is de totale lading ΔQ die het oppervlak A passeert in een tijd Δt gelijk aan De stroom I in de draad is dus De grootte van de stroomdichtheid,, is In vectorvorm is dit 31

waarin het minusteken aangeeft dat de richting van de (positieve) stroom tegengesteld is gericht aan de driftsnelheid van de elektronen. (verschillende soorten ionen, die elk een dichtheid n i hebben (aantal per eenheid van volume), een lading q i (q i =-e voor elektronen) en een driftsnelheid, is de resulterende stroomdichtheid in een willekeurig punt gelijk aan bovenstaande vergelijking) De totale stroom I door een oppervlak A loodrecht op een homogene is dan. Bewijs H25 Microscopische vorm van de wet van Ohm schrijven in termen van microscopische grootheden. en (bij de laatste vergelijking veronderstellen we dat het elektrisch veld binnen de draad homogeen is en dat l de lengte is van de draad (of een deel van de draad) waarover tussen de uiteinden een potentiaalverschil V staat) dus ( ) waarin de geleidbaarheid is Bij een metalen geleider zijn en niet afhankelijk van V (en daarom ook niet van E). De stroomdichtheid is dus recht evenredig met het elektrisch veld in de geleider. Dit is de microscopische variant van de wet van Ohm, in vectorvorm 32

Bewijzen hoofdstuk 26 Bewijs H26 Klemspanning Wanneer er een stroom I op natuurlijke manier uit de batterij stroomt (dus van de pluspool naar de minpool), is er een inwendige daling van het potentiaalverschil van de batterij die gelijk is aan Ir. De klemspanning is dan. Bewijs H26 Verband tussen klemspanning en bronspanning Bewijs H26 Weerstanden in serie en parallel 33

Bewijs H26 Condensator opladen Wanneer de schakelaar S gesloten wordt begint er een stroom door de schakeling te lopen. Elektronen zullen vanuit de negatieve pool van de batterij door de weerstand R stromen en zich verzamelen op de bovenste plaat van de condensator. Ook zullen er elektronen naar de positieve pool van de batterij stromen, waardoor een positieve lading op de andere plaat van de condensator ontstaat. Naarmate er meer lading op de condensator komt, neemt het potentiaalverschil erover ( ) toe en de stroom neemt af tot het potentiaalverschil over de condensator gelijk geworden is aan de emk van de batterij,. Er is dan geen potentiaalverschil over de weerstand en er loopt geen stroom meer. Het potentiaalverschil over de condensator neemt dus in tijd toe (afbeelding b). De wiskundige vorm van deze kromme, dat wil zeggen als functie van de tijd, kan afgeleid worden met de wet van behoud van energie (of de tweede wet van Kirchhoff). De emk van de batterij zal gelijk zijn aan de som van het potentiaalverschil over de weerstand (IR) en dat over de condensator (Q/C): de weerstand R is de totale weerstand van de schakeling, inclusief de inwendige weerstand van de batterij; I de stroom in de schakeling op een willekeurig moment en Q de lading op de condensator op datzelfde moment Hoewel, R en C constanten zijn, zijn zowel Q als I veranderlijk in de tijd. De snelheid waarmee lading door de weerstand stroomt (I=dQ/dt) is gelijk aan de snelheid waarmee lading zich verzamelt op de condensator. Dus kunnen we schrijven ( ) Integreren van t=0, als Q=0, tot een tijdstip t wanneer er een lading Q op de condensator aanwezig is: 34

( ) Neem de antilogaritme van beide zijden: Het potentiaalverschil over de condensator is V C = Q/C, dus De lading Q op de condensator en het potentiaalverschil V C over de condensator nemen pas na een erg lange tijd toe van nul op t=0 tot hun maximale waarden Q max = Q en V C =. De grootheid RC in de exponent wordt de tijdconstante van de schakeling genoemd:. Deze grootheid stelt de tijd voor die de condensator nodig heeft om (1-e -1 ) = 0,63 of 63% van zijn maximale lading en zijn maximale potentiaalverschil te bereiken. De stroom I door de schakeling Op t=0 is de stroom dus, zoals te verwachten was voor een schakeling met alleen een weerstand (er is nog geen potentiaalverschil over de condensator). De stroom neemt dan exponentieel af in de tijd met een tijdconstante die gelijk is aan RC, terwijl het potentiaalverschil over de condensator toeneemt. De tijdconstante RC stelt de tijd voor waarin de stroom daalt naar 1/e 0,37 van de initiële waarde. Bewijs H26 Condensator opladen Een condensator die al geladen is kan ontladen over een weerstand R. Het potentiaalverschil over de weerstand op een willekeurig moment is gelijk aan dat over de condensator: De snelheid waarmee lading de condensator verlaat is gelijk aan het tegengestelde van de stroom door de weerstand,, omdat de condensator bezig is te ontladen (Q neemt af). We schrijven de vergelijking hierboven nu als of. Vervolgens integreren van t=0 wanneer de lading op de condensator gelijk is aan Q 0 tot een bepaald tijdstip t wanneer de lading op de condensator Q geworden is: of Het potentiaalverschil over de condensator (V C =Q/C) als functie van de tijd is waarin het beginpotentiaalverschil is. De lading op de condensator en het potentiaalverschil erover nemen dus exponentieel in de tijd af met een tijdsconstante RC. De stroom is en ook deze neemt exponentieel in de tijd af met dezelfde tijdconstante RC. De lading op de condensator, het potentiaalverschil erover en de stroom in de weerstand nemen allemaal tot 37% van hun oorspronkelijke waarde af in één tijdsconstante. 35

Bewijzen hoofdstuk 27 Bewijs H27 Bewijs H27 Magnetische kracht op een bewegende lading in een magneetveld Vrij bewegende geladen deeltjes ondervinden ook een kracht wanneer ze door een magnetisch veld passeren. Als N van dergelijke deeltjes met een lading q in een tijd t een bepaald punt passeren, vormen ze een stroom. We stellen t gelijk aan de tijd die een lading q nodig heeft om een afstand in een magnetisch veld te overbruggen. In dat geval geldt, waarin de snelheid van het deeltje is. De kracht op deze N deeltjes is ( ) De kracht op één van de N deeltjes: 36

Bewijs H27 Kracht van magnetische inductie op een stroomgeleider Bewijs H27 De baan van een geladen deeltje dat beweegt in een vlak loodrecht op een homogeen magnetisch veld is cirkelvormig. Het elektron beweegt met de klok mee. Een positief deeltje in dit veld zou een kracht in tegengestelde richting ondervinden en dus tegen de klok in bewegen. De richting van het magnetisch veld is in de pagina gericht. Een elektron in punt P beweegt naar rechts en de kracht op dit elektron in dit punt is verticaal omlaag gericht. Omdat de kracht altijd loodrecht op staat, verandert de grootte van niet: het elektron beweegt met een snelheid met constante grootte. Als de kracht op een deeltje altijd loodrecht op de snelheid ervan staat, beschrijft het deeltje en cirkelvormige baan en heeft een centripetale versnelling. Een geladen deeltje beschrijft dus een cirkelvormige baan met een constante centripetale versnelling in een homogeen magnetisch veld. Substitueren van F en a in de tweede wet van Newton levert: De tijd T die een deeltje met een lading q en een constante snelheid v nodig heeft om een cirkelvormige omwenteling in een homogeen magnetisch veld te beschrijven ( ) is, waarin de omtrek van de cirkelvormige baan is. 37

Bewijs H27 Krachtmoment op een stroomlus; magnetisch dipoolmoment Een elektrische stroom in een gesloten draadlus, die in een uitwendig magnetisch veld is geplaatst magnetische kracht op de stroom kan een krachtmoment veroorzaken. Er loopt een stroom door de rechthoekige lus, waarvan het vlak evenwijdig is aan. oefent geen kracht en geen krachtmoment uit op de horizontale segmenten van de draad, omdat deze evenwijdig zijn aan het veld en sin nul is. Het magnetisch veld oefent wel eenkracht uit op elk van de verticale segmenten van de draad: 1 en 2. De richting van de kracht op de stroom verticaal omhoog links is tegengesteld aan de richting van de even grote kracht 2 op de stroom vertikaal omlaag rechts. Deze krachten veroorzaken een resulterend krachtmoment dat de winding om de verticale as wil laten draaien. De grootte van het krachtmoment met a de lengte van de verticale arm van de lus de arm voor elke kracht is b/2, waarin b de breedte van de lus is waarvan de as zich in het middelpunt bevindt De krachtmomenten die geproduceerd worden door 2 en 2 werken in dezelfde richting, dus het totale krachtmoment is de som van de twee krachtmomenten: waarin A = ab de oppervlakte van de lus is Als de lus bestaat uit n windingen, zal de stroom NI zijn, en het krachtmoment Als de lus een hoek maakt met het magnetisch veld veranderen de krachten niet, maar hun arm is wel afgenomen van ½ b tot ½ b sin. De hoek lus. Het krachtmoment wordt dus is de hoek tussen en de loodlijn op het vlak van de niet alleen geldig voor een rechthoekige spoel, maar voor elke willekeurige andere vorm van een vlakke spoel NIA = het magnetisch dipoolmoment van de spoel, beschouwd als een vector: waarin de richting van Dus (en dus van ) loodrecht op het vlak van de spoel staat en gegeven wordt door de rechterhandregel of (geeft de correcte grootte en richting voor het krachtmoment aan) Om een stroomvoerende draadlus te roteren waarbij groter wordt, moet arbeid verricht worden tegen het krachtmoment als gevolg van het magnetisch veld. De potentiële energie hangt dus als volgt af van de hoek (zie het principe van arbeid en energie voor rotationele beweging): 38

Als we U=0 kiezen voor is de arbitraire constante C nul en is de potentiële energie 39