KENNISBASIS MAATSCHAPPIJLEER. en de sociaal-wetenschappelijke bijdrage aan burgerschap

Vergelijkbare documenten
Maatschappijleer in kernvragen en -concepten

Tweedegraadslerarenopleiding. Kennisbasis Maatschappijleer

Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814.

Examenprogramma maatschappijleer havo/vwo

Samenvatting Maatschappijleer Hoofdstuk 3

Thema 2 : Politiek, rechtstaat en democratische burgerschap.

Examenprogramma maatschappijleer havo/vwo (gemeenschappelijk deel)

Samenvatting Maatschappijleer Politieke besluitvorming

Samenvatting Maatschappijleer Politiek

Maatschappijleer par. 1!

Eindexamen maatschappijleer 2 vmbo gl/tl II

Syllabus maatschappijwetenschappen havo 2014

Samenvatting Maatschappijleer Hoofdstuk 1

Samenvatting Maatschappijleer Politieke besluitvorming H9 en H10

Profielkeuzevakken C&M E&M. Ak Ec Mw. Fa/Du Ak BE Mw. N&G en N&T in de vrije ruimte. Een van de volgende vakken. Een van de volgende vakken:

Examenprogramma maatschappijwetenschappen vwo

Samenvatting Maatschappijleer Hoofdstuk 1 t/m 4

Examenprogramma maatschappijwetenschappen havo/vwo

Inhoud. Voorwoord XI. 3 Staatshoofd en ministers De liefde van een crimineel De Grondwet Het Statuut 50

LB Project 2 Politiek-Juridische dimensie. 2 e schooljaar periode 8 voor AA en DA. LB 2 e jaar periode 8 cohort 2013 voor AA, DA maart 2015 / 1 van 8

Samenvatting Maatschappijleer Hoofdstuk 3

Voorwoord 9. Inleiding 11

PTA maatschappijleer 1&2 KBL Bohemen cohort

LANDSEXAMEN VWO

Samenvatting Maatschappijleer Politieke besluitvorming Hoofdstuk 1 t/m 3

Beginselen van de democratische rechtsstaat

Samenvatting Geschiedenis Hoofdstuk 7

7, Het parlement is baas boven baas. Samenvatting door een scholier 1995 woorden 13 januari keer beoordeeld.

Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814.

A. LEER EN TOETSPLAN. Vak: Geschiedenis Leerjaar: 2 Onderwerp: De Nieuwe Tijd (extra uitgereikt materiaal) Kerndoel(en):

5,9. Samenvatting door een scholier 1292 woorden 15 februari keer beoordeeld. Maatschappijleer

Samenvatting Maatschappijleer Politieke besluitvorming, paragraaf 1 t/m 6

6,1. Politiek: het omzetten van verlangens, eisen en wensen vanuit de samenleving in bindende besluiten. Een

Samenvatting Maatschappijleer Hoofdstuk 2 Politieke Besluitvorming

Een democratie is een staatsvorm waarbij de bevolking direct of indirect invloed uitoefent op de politieke besluitvorming.

Samenvatting door M woorden 15 januari keer beoordeeld. Thema's maatschappijleer. Hoofdstuk 1. Algemeen belang:

Staatsrecht. Course information. Commencement Period. Lecturer(s) RD Nederlands

Maatschappijwetenschappen

Waar Bepaal ten slotte zo nauwkeurig mogelijk waar het onderwerp zich afspeelt. Gaat het om één plek of spelen meer plaatsen/gebieden een rol?

Samenvatting Maatschappijleer 1 Politiek

2 keer beoordeeld 20 februari 2016

Samenvatting Maatschappijleer Politiek - Democratie en rechtstaat

Aantekening Geschiedenis Hoofdstuk 6: Staatsinrichting

SOCIALE EN BURGERSCHAPSCOMPETENTIE

Verslag college 4: De staat van burgerschapsonderwijs en een blik op de toekomst

Notitie burgerschapscompetenties in het MBO. Inleiding

Samenvatting Maatschappijleer Maatschappijleer voor jou Hoofdstuk 3 Politiek

PTA maatschappijkunde KBL Bohemen cohort

Constitutioneel recht

PTA maatschappijleer 2 KBL Bohemen cohort

Examenprograma filosofie havo/vwo

Bestuurslagen in Nederland rijksoverheid provinciale overheid gemeentelijke overheid

Inhoudsopgave Politiek en politieke wetenschap Staat en macht Breuklijnen en ideologieën

Keurmerk: Duurzame school

5.9. Boekverslag door E woorden 23 oktober keer beoordeeld. Maatschappijleer Thema's maatschappijleer

7,4. Samenvatting door een scholier 2092 woorden 2 april keer beoordeeld. Maatschappijleer. Toets politieke besluitvorming H2

Aardrijkskunde inhouden (PO-havo/vwo)

Samenvatting Geschiedenis Staatsinrichting H3+4

PROCESDOEL 3 HUMANISEREN VAN HET SAMENLEVEN MET ANDEREN

Referendum. Het voorleggen van een vraag met betrekking tot wetgeving aan de kiesgerechtigden in een land of gebied. Gert Beijer 09/11/2016

MAATSCHAPPIJLEER II VMBO KB VAKINFORMATIE STAATSEXAMEN 2016 V15.7.0

Samenvatting Maatschappijleer Hoofdstuk 2 (Politieke Besluitvorming)

Wat is burgerschap? Een inleiding

x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x

5,9. Samenvatting door een scholier 1608 woorden 12 januari keer beoordeeld. Maatschappijleer Thema's maatschappijleer

Correctievoorschrift VMBO-GL en TL 2004

Examenprogramma aardrijkskunde havo

DOCENTENDAG MAATSCHAPPIJLEER

Profilering derde graad

Examen VWO maatschappijwetenschappen (pilot) tijdvak 1 tijdvak woensdag 22 mei woensdag 22 mei uur uur

Eindexamen filosofie vwo I

maatschappijwetenschappen (pilot) Achter het correctievoorschrift is een aanvulling op het correctievoorschrift opgenomen.

Samenvatting Maatschappijleer Hoofdstuk 2, paragraaf 4 t/m 6

Mens en maatschappij (aardrijkskunde, economie, geschiedenis, godsdienst)

Examen HAVO. maatschappijwetenschappen (pilot) tijdvak 1 vrijdag 25 mei uur. Bij dit examen hoort een bijlage.

LANDSEXAMEN MAVO

Examen VWO. Maatschappijleer (nieuwe stijl en oude stijl)

Nieuws in de klas Postbus AA Amsterdam t: f: e: w:

Samenvatting Maatschappijleer Hoofdstuk 1 en 2

Examen HAVO. maatschappijwetenschappen (pilot) tijdvak 1 donderdag 21 mei uur. Bij dit examen hoort een bijlage.

Examenprogramma geschiedenis havo

Loopbaan & Burgerschap VERANTWOORDINGSDOCUMENT

Examen HAVO. maatschappijwetenschappen (pilot) tijdvak 2 dinsdag 16 juni uur. Bij dit examen hoort een bijlage.

Samenvatting Maatschappijleer Inleiding recht

Scheikunde inhouden (PO-havo/vwo): Schaal, verhouding en hoeveelheid

Advies burgerschapscompetenties in het MBO

Eindexamen maatschappijleer havo 2006-I

Samenvatting Maatschappijleer Hoofdstuk 3 Politiek

Samenvatting Maatschappijleer Politieke beluistvorming

Tijd van burgers en stoommachines De sociale kwestie.

Verslag college 1: Democratische waarden onder druk?

Hoe hieraan exact wordt vormgegeven binnen onze school, wordt duidelijk in dit document.

Examenbespreking havo maatschappijwetenschappen Donderdag 23 mei 2019

1Nederland als democratie

Kunst en cultuur (PO-havo/vwo)

TOELICHTING OP HET NIEUWE EXAMEN MAATSCHAPPIJWETENSCHAPPEN HAVO 2019

Mens en maatschappij vaardigheden (PO-vmbo)

Transcriptie:

KENNISBASIS MAATSCHAPPIJLEER en de sociaal-wetenschappelijke bijdrage aan burgerschap INLEIDING, PREAMBULE Het vak maatschappijleer Het vak maatschappijleer handelt over sociale en politieke vraagstukken die vanuit een sociaal-wetenschappelijke invalshoek bestudeerd worden (Olgers, Otterdijk, Ruijs, Kievid, and Meijs (2010). Deze omschrijving lichten we nader toe: Sociale en politieke vraagstukken. Deze vraagstukken voldoen aan deze kernmerken: - Veelal gaat het over vraagstukken die min of meer verband houden met de wijze waarop mensen hun samenleving inrichten (vandaar: sociaal). In die zin zijn het vraagstukken die telkens, onafhankelijk van tijd of plaats, terugkeren en waar elke samenleving zijn eigen oplossing voor vindt, mede door bestuurlijk-politiek handelen (vandaar: politiek). - Het zijn veelomvattende vraagstukken of problemen in de samenleving, kwesties die grote groepen mensen als ongewenst zien of waarbij zij betrokkenheid ervaren. - Het vraagstuk houdt daarom de mogelijkheid in van conflict. Mensen zullen bij problemen, ongewenste situaties, niet lang passief afwachten, maar op een goed moment hun onvrede laten horen. Er zullen meningsverschillen zijn over de oorzaak of oplossing van deze problemen. - Groepen mensen kunnen op diverse manieren met het vraagstuk te maken krijgen. Dit kan als zij enerzijds direct betrokken zijn bij het vraagstuk. Zij hebben in hun dagelijks leven de ongewenste situatie van doen. Anderzijds kunnen zij indirect betrokken zijn: zij brengen dan voor het vraagstuk interesse op, het vraagstuk trekt belangstelling van mensen. - De vraagstukken hebben min of meer een interne samenhang. Dit wil zeggen dat een reeks problemen bij nader inzien te bestempelen is als één maatschappelijke kwestie (veiligheid, diefstal, geweld, hebben bijvoorbeeld gemeen dat zij allen normoverschrijdend gedrag van een samenleving betreffen, en zo allen onder het vraagstuk criminaliteit vallen). Bij maatschappijleer heten deze vraagstukken ook wel thema s. De vraagstukken, thema s die in deze kennisbasis onder de domeinen 2 t/m 8 zijn gerangschikt, voldoen aan bovenstaande beschrijving. In de toelichting op de afzonderlijke vraagstukken (zie aldaar) geven hier nadere toelichting op. Kenmerkend voor maatschappijleer is ten eerste dat genoemde sociale en politieke vraagstukken aan de orde komen. Het vak is uniek omdat leerlingen alleen bij maatschappijleer leren over vraagstukken rondom politiek bestuur, criminaliteit, pluriforme samenleving of massa- en nieuwe media Sociale wetenschappen. De uniciteit van maatschappijleer zit in het behandelen van genoemde vraagstukken en in de sociaal-wetenschappelijke bestudering daarvan. We behandelen de thema s door gebruik te maken van sociologie en politicologie, alsmede een aantal ondersteunende wetenschappen als rechtswetenschappen, culturele antropologie, bestuurskunde of sociale psychologie. Door deze benadering ontstaat een specifieke analyse van vraagstukken. Het vak is, in het verlengde van die wetenschappen, te zien als een zoektocht naar een verklaring van en wetmatigheden in het menselijk samenleven. Het behandelen hiervan helpt leerlingen bij het begrijpen en verklaren van maatschappelijke en politieke vraagstukken en de problemen die daarbij spelen. Met sociaal-wetenschappelijke analyse kunnen leerlingen en leden van de samenleving bij sociale en politieke vraagstukken: 1

- begrijpen hoe een samenleving is ingericht, de complexiteit daarvan meer inzien; - de betrokkenheid van mensen beschrijven; - het conflict in en bij de vraagstukken doorgronden; - de belangstelling voor en urgentie van de vraagstukken plaatsen; - begrijpen hoe bestuurlijk handelen mogelijk oplossingen aandraagt. Hierdoor zijn zij beter in staat om te denken over hun eigen betrokkenheid en de oplossingen voor dergelijke vraagstukken. Leerlingen en leden van de samenleving kunnen zo besluiten zelf daarin een actieve rol te spelen, als burger te participeren. De ordening van sociaal-wetenschappelijke theorieën en begrippen gebeurt bij het vak maatschappijleer volgens de zogenaamde benaderingswijzen of invalshoeken. Er worden vier invalshoeken gehanteerd: de politiek-juridische, de sociaal-economische, de sociaal-culturele de veranderings-/vergelijkingsinvalshoek. De laatste kent weer een indeling in een twee deelinvalshoeken: de historisch-vergelijkende en de geografisch-vergelijkende. Met deze twee deelinvalshoeken maakt het vak gebruik van en vormt zo een koppeling met de vakken geschiedenis en aardrijkskunde. Kern van de vier benaderingswijzen zijn: Tabel 1 Concepten van de benaderingswijzen maatschappijleer Benaderingswijze Kernconcepten Politiek-juridisch Bestuur, rechtsstaat, democratie, politieke actoren en structuren, rechtsorde, politieke besluitvorming, macht en gezag, politicologische en bestuurlijke theorieën over deze punten. Sociaal-economisch Economische actoren, functies, organisaties, instituties, sociale structuur, sociale ongelijkheid, sociale posities en sociale rollen, sociologische theorieën over deze punten. Sociaal-cultureel Cultuur, waarden en normen, gedrag, beeldvorming en beïnvloeding, socialisatie, visies, sociologische, antropologische en sociaal-psychologische theorie over deze punten. Verandering en vergelijkinticologische theorie, met gebruikmaking van historische inzichten, over deze pun- Veranderingen in de tijd in sociale en politieke vraagstukken, sociologische, politen. Vergelijkingen tussen sociale en politieke vraagstukken in de Nederlandse samenleving en andere samenlevingen, sociologische en politicologische theorie, met gebruikmaking van en geografische inzichten over deze punten. Deze benaderingswijzen en de sociaal-wetenschappelijke theorie als zodanig, komen in domein 1 van deze kennisbasis aan de orde. Door deze benaderingswijzen kunnen we diverse sociaal-wetenschappelijke disciplines tegelijk en door elkaar gebruiken. Bij bijvoorbeeld de sociaal-culturele benaderingswijze kunnen sociologische, antropologische en sociaal-psychologische theorie bij elkaar staan. Als we zo de benaderingswijzen toepassen op de genoemde vraagstukken, dan komt de relevante sociaal-wetenschappelijke kennis tot stand. Maatschappijleer, burgerschap en leerlingen Maatschappijleer heeft als centrale doel om leerlingen te begeleiden bij het ontwikkelen van gegronde inzichten over oorzaken, gevolgen, oplossingsrichtingen en perspectieven op politieke en sociale vraagstukken. Daarmee maatschappijleer een belangrijk vak het ontwikkelen van democratisch burgerschap. Maatschappijleer en de rol van onderwijs bij te dragen aan burgerschap, zijn dan ook niet los van elkaar te zien. 2

Maatschappijleer kent zo het volgende belang (aansluitend bij de begrippen substantiële en functionele rationaliteit van Mannheim): - Het belang van maatschappijleer is eerst substantieel van aard. Leerlingen moeten leren zich te verhouden tot de samenleving, politiek en bredere wereld (Wilschut and Nieuwelink (2016)). Iedere burger zou in hoofdlijnen niet alleen de geschiedenis van een samenleving moeten kennen, of kennis moeten hebben van het cultureel erfgoed. Ook het functioneren van de samenleving, politiek en democratie hoort bij deze vanzelfsprekende basiskennis. Iedereen behoort kennis te hebben van en na te denken over de manieren waarop samenlevingen functioneren en wat democratie betekent. Leerlingen moeten daarom leren welke sociale structuren er bestaan, welke politieke opvattingen (daarover) voorkomen, op welke manier de overheid functioneert en wat voor opvattingen daarover zijn, wat instituties zijn, wat de rol van waarden en opvattingen in een samenleving kunnen zijn, welk soort gedrag voorkomt, de samenhang in dit alles. Dit is noodzakelijke kennis voor alle burgers. Deze kennis is substantieel omdat het, zo beschreven, geen ander nut heeft dan vanzelfsprekend voor iedereen te zijn. - Daarnaast heeft maatschappijleer een functioneel belang. Het schoolvak maatschappijleer en burgerschap op het mbo vormen beide grotendeels een studie naar structuren van en processen in maatschappij en politiek. Ze brengen leerlingen begrip over deze structuren bij. Dat levert hen ook direct nuttige informatie op. Zij kunnen de dagelijkse gebeurtenissen in samenleving en actualiteit om hen heen beter begrijpen en daarover meepraten. Zij kunnen het maatschappelijk en politiek debat over sociale en politiek kwesties beter volgen en daaraan meedoen. Zij kunnen zo beter hun eigen positie innemen en op grond daarvan zelf betere (politieke) keuzes maken. Wetenschappelijke studies (Nieuwelink, 2016) hebben aangetoond dat politieke kennis een belangrijk voorwaarde is voor politieke participatie en de ontwikkeling van burgerschapshoudingen. Omdat maatschappijleer een centrale kennis aanlevert over burgerschap, democratie, rechtsstaat en politiek vervult een belangrijke voor leerlingen en de samenleving als geheel. Maatschappijleer en burgerschap In de diverse notities (Onderwijsraad (2003) Onderwijsraad, 2012, Bron (2006)) staat nadrukkelijk dat de wettelijke verplichting tot burgerschap niet in één schoolvak post moet vatten, maar dat de school als geheel, met bijdragen van alle schoolvakken, tot een versterkt burgerschap zou moeten leiden. Maar de herijkingsgroep van de kennisbasis maatschappijleer constateert het volgende: - Het idee dat burgerschap onderdeel van de gehele school zou moeten gaan, heeft vooral betrekking op het ontwikkelen van burgerschapshoudingen en vaardigheden. Hiervoor speelt een open pedagogisch klimaat en een dialogische didactiek een centrale rol. Bij alle vakken kan dit terugkomen, maar zeker bij maatschappijleer ligt het voor de hand dat docenten verwante pedagogisch-didactische strategieën hanteren. Burgerschapskennis is veel minder een onderdeel dat overal terugkomt, maar maakt deel uit van enkele vakken, vooral geschiedenis, aardrijkskunde en maatschappijleer. - Vele onderwijsinhouden die in de aangehaalde notities als onderdeel van burgerschap staan genoemd, zijn traditioneel onderdeel van maatschappijleer. Het gaat dan om inhouden die in thematiek als een sociaal en politiek vraagstuk te boek staan. Denk daarbij aan vraagstukken rond politiek, de democratische rechtsstaat, pluriforme samenleving, media, de rol van instituties en organisaties bij cultuur en socialisatie en de controversen die rond deze thema s voorkomen. Dergelijke thematiek is, door zijn sociale en politieke dimensie (maatschappijleer als de representant van de sociale wetenschappen) nagenoeg uniek in dit schoolvak uitgewerkt. Bij andere vakken bestaan hierover geen complete landelijke examens. - Daarnaast zijn de huidige burgerschapscompetenties in het mbo ontwikkeld uit maatschappijleer en vervingen de maatschappelijk culturele kwalificaties die daarvoor golden. Dit waren eindtermen waar alleen 3

bevoegde maatschappijleerdocenten over les konden geven. Burgerschap staat zo in de traditie van maatschappijleer. - Maatschappijleer (zie de toelichting op het vak hierboven) heeft de bedoeling dat leerlingen participeren in de samenleving. De kennis en vaardigheden in deze kennisbasis zijn onontbeerlijk voor deze vorm van burgerschap Let wel: 1. Maatschappijleer richt zich primair op de kennis en vaardigheden van burgerschap, houdingen krijgen meer indirecte aandacht. In domeinen van de kennisbasis brengen we dit verder onder woorden. 2. Bij maatschappijleer ligt het accent vooral het meso- en macroniveau van de maatschappij als geheel waarbij het microniveau, de leefwereld van de kinderen zeker ook als uitgangspunt kan gelden. Bij burgerschap ligt het accent juist vaak op dit microniveau. 3. Bij burgerschap zijn de tijdsdimensie (geschiedenis) en de ruimtelijke dimensie (aardrijkskunde) mede van belang, als ook aspecten van persoonlijk gedrag (omgangskunde) en beschouwing (levensbeschouwing en filosofie). De inhoudelijke overlap tussen maatschappijleer en burgerschap is, puur gekeken naar onderwerpen en benadering, sterk. Daarom de herijkingsgroep deze kennisbasis niet alleen van belang acht voor docenten maatschappijleer, maar ook alle docenten die aan burgerschap bijdragen. Maatschappijleer en mens en maatschappij De kerndoelen mens en maatschappij, in de onderbouw van het voortgezet onderwijs, vervangen formeel de vroegere, afzonderlijke kerndoelen van aardrijkskunde, economie en geschiedenis. De nieuwe kerndoelen verwijzen echter naar leerstof die verwant is met maatschappijleer. Maatschappijleer borduurt daar in de bovenbouw doorgaans op voort. Leerlingen moeten, volgens deze doelen, actuele maatschappelijke vraagstukken kunnen bestuderen, weten hoe de democratie en politieke bestel functioneert, leefwijzen en cultuur kunnen vergelijken. Ook deze doelen zijn geformuleerd om maatschappelijke participatie van de leerling te formuleren (in de geest van burgerschap). De kennisbasis maatschappijleer omvat dergelijke domeinen, waarbij uiteraard wel het maatschappijleerperspectief van de benaderingswijzen geldt. Maar daarmee staan in deze kennisbasis zeker eindtermen die een relatie tonen met onderbouwleerstof. Er mag in die zin van docenten mens en maatschappij verwacht worden dat zij beheersing hebben van deze kennisbasis, op genoemde onderwerpen. We maken in deze kennisbasis ook een andere verbinding met geschiedenis, aardrijkskunde en mens en maatschappij. De vergelijkende benaderingswijze van maatschappijleer valt uiteen in een historisch vergelijkende en een geografisch vergelijkende invalshoek. We kijken bij een sociaal en politiek vraagstuk naar, voor dat vraagstuk, kenmerkende gebeurtenissen in het verleden of in andere samenlevingen. Daarbij is het vraagstuk zelf het uitgangspunt, maar op deze wijze maken we wel, in zeer grote lijnen, gebruik van historische en geografische inzichten. Daarmee maken studenten maatschappijleer, wederom, in zeer grote lijnen terloops ook kennis met deze vakgebieden. 4

Opzet van de kennisbasis Verdeling van de domeinen De kennisbasis kent een functieonderscheid tussen de volgende domeinen: Tabel 2 Overzicht domeinen kennisbasis maatschappijleer Domeinen Functie Domein 1 Dit domein bevat de sociaal-wetenschappelijke basiskennis voor de bachelor leraar maatschappijleer. In domein 1 komt dit op twee manieren tot uiting: 1. Met als ordeningsprincipes de omschreven benaderingswijzen, geven we per benaderingswijze wat de conceptuele kennis van de bachelor op dit terrein moet zijn. 2. In dit domein is eveneens de sociaal-wetenschappelijk, methodologische basiskennis aan de orde. Domeinen 2 t/m 8 In deze domeinen geven de basiskennis die de bachelor van sociale en politieke vraagstukken moet hebben. Het gaat dan om de vraagstukken: -domein 2 politiek; -domein 3 criminaliteit; -domein 4 massamedia en communicatie; -domein 5 pluriforme samenleving; -domein 6 arbeid en verzorgingsstaat; -domein 7 cultuur en socialisatie; -domein 8 internationale betrekkingen. Domein 9 In domein 9 staat de vakdidactische kennisbasis. Formulering van het kennisniveau domeinen Domein 1 t/m 8. Bij deze domeinen kent elke samenhangende reeks van eindtermen telkens een aanvangszin en slotzin. Deze zinnen bepalen op welk niveau de eindtermen beheerst moeten worden. De aanvangszin luidt: Docenten kunnen (...) toepassen. Zij kunnen beschrijven, herkennen, uitleg geven aan, gebruik maken van, verbanden zien in, voorbeelden noemen van: ( ). De slotzin luidt: (...) En van deze kennis gebruikmaken om verklaringen te geven, standpunten in te nemen, voorstellen te doen en nieuwe ideeën te ontwikkelen. De bachelor moet dus bij alle eindtermen in deze domeinen niet alleen parate kennis hebben, maar ook hogere-orde kennis tonen. Deze kennisniveaus zijn gebaseerd op de taxonomie van Bloom. Domein 9. De eindtermen in dit vakdidactische domein beginnen met deze zijn: ( ) Kunnen overzicht en ordening geven in en uitleg geven aan de voor maatschappijleer en burgerschap vakspecifieke concepten en inhouden. Zij kunnen daartoe in materiaal voor leerlingen, scholen, ouders, inspectie en andere belanghebbenden een uitwerking geven van onderstaande zaken: ( ). Bij dit domein wordt van de bachelor dus vooral productie en vaardigheid verwacht. Structuur bij toepassing benaderingswijzen maatschappijleer: de subdomeinen In de domeinen 1 t/m 8 zijn de benaderingswijzen in eerste instantie het uitgangspunt. Deze benaderingswijzen zijn op hun beurt zelf weer opgesplitst in deelonderwerpen die voor betreffende benaderingswijze het belangrijkst zijn. Deze systematiek zorgt ervoor dat er een reeks subdomeinen tot stand komt, telkens met de volgende tekst (waarbij op de x een nummer van het betreffend domein kan worden ingevuld): 5

Tabel 3 Indeling subdomeinen kennisbasis maatschappijleer x.1 Politiek-juridische benaderingswijze: beleid en regelgeving x.2 Politiek-juridische benaderingswijze: politiek-juridische actoren x.3 Politiek-juridische benaderingswijze: politiek-juridische aandachtsgebieden x.4 Politiek-juridische benaderingswijze: politiek-juridische begrippen, concepten en theorieën x.5 Politiek-juridische dilemma s en problemen x.6 Sociaal-economische benaderingswijze: sociaal-economische actoren en functies x.7 Sociaal-economische benaderingswijze: sociaal-economische aandachtsgebieden x.8 Sociaal-economische benaderingswijze: sociaal-economische begrippen, concepten en theorieën x.9 Sociaal-economische dilemma s en problemen x.10 Sociaal-culturele benaderingswijze: cultuur en visies x.11 Sociaal-culturele benaderingswijze: sociaal-culturele aandachtsgebieden x.12 Sociaal-culturele benaderingswijze: sociaal-culturele begrippen, concepten en theorieën x.13 Sociaal-culturele dilemma s en problemen x.14 Veranderings- en vergelijkende benaderingswijze: sociale en politieke vraagstukken in de tijd x.15 Veranderings- en vergelijkende benaderingswijze: sociale en politieke vraagstukken in de wereld Binnen deze subdomeinen zijn vervolgens de eindtermen van deze kennisbasis gegeven. Dit leidt ertoe dat er in deze domeinen een consequente opbouw zit en het vakconcept maatschappijleer systematisch uitgewerkt wordt. Aanvullend noemen we bij de eindtermen telkens ook nog kernbegrippen die een nadere ordening van de eindtermen leveren. In een enkel geval kunnen we bij de subdomeinen en kernbegrippen geen eindtermen genereren. Dan zijn deze subdomeinen en kernbegrippen voor de volledigheid wel opgenomen, maar in plaats van een eindterm volgt dan de mededeling: Geen zelfstandige, domeineigen inhoud. Burgerschap Deze kennisbasis draagt in belangrijk mate bij aan burgerschap. In de domeinen 1 t/m 8 maken we dit duidelijk door een apart subdomein Burgerschap (genummerd x.16) op te nemen. In de daarbij horende eindtermen laten we zien hoe betreffend domein van belang is voor burgerschap. 6

KENNISBASIS MAATSCHAPPIJLEER EN BURGERSCHAP Domein 1: Benaderingswijzen en sociale wetenschappen Maatschappijleer vertegenwoordigt de sociale wetenschappen, vooral sociologie en politicologie. Het vak maakt ook gebruik van wetenschappen als culturele antropologie, sociale psychologie, bestuurskunde, en rechtswetenschappen. De tweedegraads docent maatschappijleer dient over de basiskennis van deze wetenschappen te beschikken. De ordening van de sociaal-wetenschappelijke theorie en begrippen gebeurt in het vak volgens de benaderingswijzen of invalshoeken. Dit zijn er vier: de politiek-juridische, de sociaal-economische, de sociaal-culturele de veranderings-/vergelijkingsinvalshoek. De laatste kent weer een indeling in een twee deelinvalshoeken: de historisch-vergelijkende en de geografisch-vergelijkende. Met de deze twee laatste invalshoeken maakt het vak gebruik van en vormt zo een koppeling met de vakken geschiedenis en aardrijkskunde. Niet alleen sociaal-wetenschappelijke theorie, maar ook sociaal-wetenschappelijke methodologie behoort bij de kennis van de tweedegraads docent. De opvatting is dat docenten maatschappijleer niet alleen kennis hebben van het wat (de inhouden van de sociale wetenschappen), maar ook van het hoe, de wijze waarop deze inhouden tot stand komen. Zo kan hij kritisch reflecteren op de theorie. In hoofdlijnen moet hij bekend zijn met dit instrumentarium, mede ook omdat hij leerlingen bij kleine onderzoekingen moet kunnen begeleiden. Tevens kent elke hbo-opleiding een duidelijke onderzoekscomponent, dat met kennis van de sociaal-wetenschappelijke methoden en technieken voor de docent maatschappijleer wordt ingevuld. Subdomein Indicatoren van bachelorsniveau Docenten kunnen politiek-juridische basisconcepten toepassen. Zij kunnen beschrijven, herkennen, uitleg geven aan, gebruik maken van, verbanden zien in, voorbeelden noemen van: 1.1 Politiek-juridische Rechtsstaat. De rechtsstatelijke principes van en kaders voor een samenleving (legaliteitsbeginsel, grondrechten, machtenscheiding [tussen wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht, de trias politica]). benaderingswijze: beleid en regelgeving Rechtsstaat. De relatie tussen rechtstatelijke principes en democratie (machtenscheiding, grondrechten). Rechtsstaat. Omschrijving van klassieke en sociale grondrechten. Rechtsstaat. De belangrijkste klassieke en sociale grondrechten, i.c.: -vrijheid van meningsuiting, vergadering, godsdienst, recht op leven; -recht op arbeid, huisvesting, inkomen, leefmilieu. Rechtsstaat. Onderscheid tussen klassiek en sociale grondrechten, namelijk: -afdwingbaarheid; -rol van de overheid. Rechtsstaat. Wat de opzet en kern is van de Nederlandse Grondwet. Staat. Kenmerken van een staat, i.c.: -erkenning door andere landen; -geweldsmonopolie; -soevereiniteit; -eigen grondgebied; -eigen bevolking. Staat. Het onderscheid tussen natie en staat. Recht. Op welke grondslagen een rechtsorde gebaseerd is (codificatie, ethiek, normen). Recht. De rechtsgebieden en wat deze gebieden omvatten, i.c.; -privaatrecht (personen- en familierecht, vermogensrecht, ondernemingsrecht); -publiekrecht (staatsrecht, bestuursrecht, strafrecht). Recht. De rechtsbronnen (wet, verdrag, gewoonte, jurisprudentie). Beleid. Wat beleid is, i.c. de definities van/omvatten: 7

-het aanpakken van problemen; -door het nemen van beslissingen en maatregelen; -op basis van bepaalde keuzes (bijvoorbeeld waarden of ideologieën) Beleid. De fasen in het beleidsprocesmodel. Beleid. Het verschil tussen incrementeel een synoptisch beleid. Beleid. Het verschil tussen intentionele en onbedoelde effecten van beleid. Beleid. De aard van en de mate waarin beleid betrekking heeft op collectieve actie-problemen. Politieke besluitvorming. Wat politieke besluitvorming inhoudt, welke (ideaaltypische) fasen er in deze besluitvorming voorkomen, wat in die fasen bij een sociaal en politiek vraagstuk is gebeurd, wie (zie Politieke actoren) op welke wijze daar bij betrokken zijn en op welke manier besluiten op een democratische manier genomen kunnen worden (meerderheid, consensusvorming, deliberatie). 1.2 Politiek-juridische Politieke actoren. Van de volgende politieke actoren: benaderingswijze: politiek-juridische actoren -de (Europese, landelijke, plaatselijke) overheid; -de VN; -politieke partijen; -belangenorganisaties, -ambtenaren; -media; -wetenschap; -quasi-gouvernementele organisaties; kunnen aangeven wat voor een zij spelen in de (mondiale, Europese, landelijke) politieke besluitvorming, hun organisatiestructuur, hun leiding en hun mogelijke positie in de trias politica, hun mogelijke invloed. Politieke actoren. Het onderscheid tussen pressiegroepen, belangengroepen, actiegroepen en sociale bewegingen. 1.3 Politiek-juridische Democratie. Uitwerkingen van deze kern kunnen formuleren: benaderingswijze: politiek-juridische aan- -besluitvorming op basis van meerderheden (rekening houdend met minderheden); -invloed van het gehele volk op de besluitvorming, waarbij ieder hoofd van de bevolking gelijke invloed heeft; dachtsgebieden -mogelijkheden van vrije en gelijke burgers om voor hun belangen op te komen -de wenselijkheid om op te komen voor algemeen belang, waarbij deelbelangen worden meegenomen -mogelijkheden voor burgers om nie te participeren -het op gespannen voet staan van kernelementen van democratie (vrijheid-gelijkheid en volkssoevereiniteitrechtsstaat). Democratie. Voorbeelden van directe en indirecte democratie. Democratie. Ideaaltypen (liberaal-individualistisch versus sociaal-collectivistisch) van democratie. Macht. Wat macht, gezag en invloed inhouden en hoe deze tot stand komen (machtsbronnen), waaronder status, kennis, bevoegdheden. 1.4 Politiek-juridische Politieke theorieën en begrippen. De kern van de volgende theorieën: benaderingswijze: politiek-juridische begrip- -gezagstheorie van Weber; -beleidsprocesmodel van Hoogerwerf; pen, concepten en theorieën -ijzeren wet van Michels. -Bureaucratietheorie van Weber; Politieke theorieën en begrippen. De volgende definities van politiek: -Easton (toedeling van waarden); 8

-Van Deth en Vis (overheidsbetrokkenheid); -Hoogerwerf (overheidsbeleid); -Taylor (collectieve-actieproblemen); -Kaplan (verdeling van macht) 1.5 Politiek-juridische Politieke dilemma s en problemen. Bovenstaande termen veronderstellen dat onderstaande dillema s en problemen kunnen worden ge- en/of herkend en met argumenten kunnen worden omkleed: dilemma s en problemen -Voor- en nadelen van diverse vormen van democratie. -De mate van invloed van genoemde politieke actoren op politiek. En van deze kennis gebruikmaken om verklaringen te geven, standpunten in te nemen, voorstellen te doen en nieuwe ideeën te ontwikkelen. Docenten maatschappijleer kunnen sociaal-economische basisconcepten toepassen. Zij kunnen beschrijven, herkennen, uitleg geven aan, gebruik maken van, verbanden zien in, voorbeelden noemen van: 1.6 Sociaal-economische benaderingswijze: in voorkomende vormen van overleg, welke onderlinge verhoudingen zijn hebben, in elk geval overheid, Actoren. Wie of wat sociaal-economische actoren en functies zijn en doen en welke formele positie zij hebben sociaal-economische werkgevers en werknemers en consumenten. actoren en functies Actoren. Wat actoren en instituties zijn. Functies. De functies van instituties. 1.7 Sociaal-economische benaderingswijze: maatschappelijke groepen. Belangen. Wat (economische) belangen zijn en welke type belangen gekoppeld kunnen worden aan diverse sociaal-economische Economische orde. De wijzen waarop economische orde is te omschrijven in termen van planeconomie, gemengde - en vrijemarkteconomie, Rijnlands en Angelsaksische model, corporatistische economie en uitleggen aandachtsgebieden welke samenhang er mogelijk is tussen een dergelijke orde en maatschappelijke vraagstukken. Sociale ongelijkheid. Wat sociale ongelijkheid is (met aandacht voor sociale strata, sociale posities, sociale status), hoe dat mogelijk (theoretisch) tot stand komt en hoe deze ongelijkheid samenhangt met maatschappelijke problemen. Structuur. Sociale structuur en mogelijke verklaringen daarvoor. Structuur. Het verschil tussen cultuur (zie aldaar) en sociale structuur. Structuur. Het gegeven dat de samenlevingsstructuur te omschrijven is als een geheel van min of meer voorspelbare sociale rollen die mensen en groepen ten opzichte van elkaar hebben. Structuur. Wat een bureaucratie is en hoe deze ideaaltypisch werkt. Structuur. Het verschijnsel maatschappelijke differentiatie. 1.8 Sociaal-economische benaderingswijze: Ongelijkheidstheorie van Marx. Sociaal-economische theorieën en begrippen. De kern van de volgende theorieën: sociaal-economische Klassen- en standentheorie van Weber. begrippen, concepten Klassentheorie van Marx. en theorieën Structureel functionalisme. Kapitaaltheorie van Bourdieu. Gemeinschaft- en Gesellschaft-theorie. 1.9 Sociaal-economische dilemma s en prolema s en problemen kunnen worden herkend en met argumenten kunnen worden omkleed: Sociaal-economische dilemma s en problemen. Bovenstaande termen veronderstellen dat onderstaande dilblemen -Voor- en nadelen van verschillende economische systemen. 9

-Opvattingen over de rechtvaardigheid van sociale ongelijkheid. En van deze kennis gebruikmaken om verklaringen te geven, standpunten in te nemen, voorstellen te doen en nieuwe ideeën te ontwikkelen. Docenten maatschappijleer kunnen sociaal-culturele basisconcepten toepassen. Zij kunnen beschrijven, herkennen, uitleg geven aan, gebruik maken van, verbanden zien in, voorbeelden noemen van: 1.10 Sociaal-culturele Cultuur. De begrippen cultuur, waarden en normen, en (theoretisch) uitleggen hoe deze tot stand komen, met benaderingswijze: cultuur en visies - nature-nurture -debat; gebruikmaking van de volgende uitgangspunten: -sociale omgeving en werkelijkheid; Cultuur, De overdracht van cultuur kunnen omschrijven door gebruik te maken van de begrippen socialisatie, instituties, acculturatie, enculturatie, internalisatie. Visies. Verschil aangeven tussen opvattingen, opinies, visies, ideologieën, tradities, waarden, doelen en. 1.11 Sociaal-culturele Sociale orde. Sociale orde en cohesie omschrijven en er mogelijke verklaringen voor geven, met gebruikmaking van de volgende termen benaderingswijze: sociaal-culturele aandachtsgebieden -interactie; -interdependentie; -bindingen; -sociale cohesie; -(sociale) identiteit. Gedrag. dat menselijk gedrag in de sociale wetenschappen bestudeerd wordt door te kijken naar verklaringen vanuit de sociale werkelijkheid en naar gedrag dat gestuurd wordt door de sociale omgeving, Beïnvloeding. Hoe beïnvloedingsmechanismen mogelijk werken, met gebruikmaking van de volgende theorieën en concepten: -imitatie; -attributie; -socialisatie; -en- en acculturatie; -attitudevorming; -sociale dilemma s; -stereotypering; -groepsdenken; -conformisme en gehoorzaamheid; -sociale controle; -sancties; -cognitieve dissonantie. Beïnvloeding. Hoe beeldvorming van maatschappelijke problemen mogelijk tot stand komt, met gebruikmaking van de volgende concepten: -manipulatie; -indoctrinatie; -inductie; -deductie; -inferentie. 10

1.12 Sociaal-culturele Sociaal-culturele theorieën en begrippen. De kern van de volgende theorieën: benaderingswijze: sociaal-culturele begrippen, Civilisatietheorie van Elias. Anomietheorie van Dürkheim. concepten en theorieën Symbolisch interactionisme. Goffman stagetheorie. Malinowski s functionalisme. 1.13 Sociaal-culturele Sociaal-culturele dilemma s en problemen. Bovenstaande termen veronderstellen dat onderstaande dillema s dilemma s en problemen -Verschillen tussen ideologieën. en problemen kunnen worden herkend en met argumenten kunnen worden omkleed: -Validiteit, betrouwbaarheid en bruikbaarheid van sociaal-wetenschappelijke theorie (zie subdomeinen 1.14 en 1.15). En van deze kennis gebruikmaken om verklaringen te geven, standpunten in te nemen, voorstellen te doen en nieuwe ideeën te ontwikkelen. Docenten maatschappijleer kunnen basisconcepten rond verandering en vergelijking toepassen. Zij kunnen beschrijven, herkennen, uitleg geven aan, gebruik maken van, verbanden zien in, voorbeelden noemen van: 1.14 Veranderings- en Verleden. In hoofdlijnen de politiek-juridische, sociaal-economische en sociaal-culturele sleutelgebeurtenissen van historische tijdvakken. i.c.: vergelijkende benaderingswijze: sociale en -jagers-/verzamelaarsmaatschappij, landbouwmaatschappij, industriële maatschappij, informatiemaatschappij; politieke vraagstukken in de tijd -Prehistorie, Oudheid, Middeleeuwen, Vroegmoderne Tijd, Moderne Tijd, Contemporaine Geschiedenis; -Moderne tijd (tijdvak Burgers en Stoommachines): modernisering van de samenleving (rationalisering, commodificering, differentiatie); -in hoofdlijnen de breukvlakken tussen en jaartallen van deze tijdvakken, in het bijzonder de breukvlakken tussen de Vroegmoderne en Moderne Tijd (Verlichting, Franse Revolutie, Industrialisatie) en de breukvlakken tussen de Moderne Tijd en de Contemporaine Geschiedenis (de Wereldoorlogen, democratisering en mondialisering). Verleden. Ontwikkelingen in de contemporaine tijd koppelen aan de volgende begrippen -individualisering, informalisering, informatisering, internationalisering en intensivering. 1.15 Veranderings- en Andere samenlevingen. In hoofdlijnen internationale politiek-juridische, sociaal-economische en sociaal-culturele internationale ontwikkelingen, i.c.: vergelijkende benaderingswijze: sociale en -ontwikkelingslanden versus ontwikkelde landen; politieke vraagstukken -voormalige Oostbloklanden versus westerse landen; in de wereld -internationalisering en globalisering; -Europese eenwording; -religieuze staten tegenover seculiere staten. In hoofdlijnen politiek-juridische, sociaal-economische en sociaal-culturele internationale ontwikkelingen kunnen beschrijven met de begrippen: lokaal, nationaal en mondiaal, micro, meso, en macro. En van deze kennis gebruikmaken om verklaringen te geven, standpunten in te nemen, voorstellen te doen en nieuwe ideeën te ontwikkelen. Docenten kunnen met de kennis en vaardigheden uit de voorgaande de subdomeinen invulling geven aan burgerschap, door de volgende zaken te kennen en in burgerschapsactviteiten en houdingen te vertalen. 11

1.16 Burgerschap en kritisch denken democratie, politieke processen, instituties, waarden en normen en gedrag, de internationale context daarvan. Begrip en vaardigheden: van de bovengenoemde inhouden, in het bijzonder de rechtstaat, grondrechten, de Activering: deze kennis te gebruiken om een eigen actieve rol rondom deze inhouden deze kunnen spelen, zo te participeren op micro- (de eigen directe leefomgeving), meso- (instituties als school of vrije tijd) en macroniveau (de sociale en politieke context van de samenleving als geheel). Kritische beschouwing: op deze inhouden gefundeerde inhoudelijke kritiek kunnen leveren. Docenten maatschappijleer kunnen sociaal-wetenschappelijke methodologie toepassen. Zij kunnen beschrijven, herkennen, uitleg geven aan, gebruik maken van, verbanden zien in, voorbeelden noemen van: 1.17: Sociaal-wetenschappelijke onder- Onderscheid aanbrengen tussen waardeneutraliteit, objectiviteit, subjectiviteit, betrouwbaarheid, feit en me- Sociaal-wetenschappelijke informatie verzamelen en problematiseren. zoeksaanpak ning en leerlingen hiervan in de les bewust maken als het gaat om het analyseren van (actuele) politieke en maatschappelijke vraagstukken en problemen. Validiteit en betrouwbaarheid beoordelen en zich hiervan bewust te zijn bij het doen van eigen onderzoek. Formulering van sociaal-wetenschappelijke doel- en vraagstellingen. De fasen in de empirische cyclus. Een theoretische redenering, aansluitend bij een bestaande sociaal-wetenschappelijke theorie, en de daaruit voortvloeiende hypothesen. 1.18: Methoden en technieken surveys), observatie- en interviewmethoden, materiaal in bestaande bronnen. Kenmerken van, alsmede eenvoudig onderzoek met experimenten, enquêtes (inclusief steekproeftrekking, Dataverzamelingsmethoden alsmede deze toepassen. Eenvoudige statistische methoden: tabellen en grafieken, centrummaten (modus, mediaan, gemiddelde) en spreidingsmaten (standaardafwijking). Conclusies op basis van gebruikte onderzoekstechnieken en gevonden data. En van deze kennis gebruikmaken om verklaringen te geven, standpunten in te nemen, voorstellen te doen en nieuwe ideeën te ontwikkelen. 12

Domein 2: Politiek Het eerste sociaal en politiek vraagstuk dat in maatschappijleer aan de orde komt is het vraagstuk op welke wijze de samenleving bestuurd wordt of dient te worden. Politiek handelen is het maatschappelijk gedrag dat invulling geeft aan dit bestuur. Dit is een fundamenteel sociaal en politiek vraagstuk mede omdat elke samenleving voor de opgave staat bestuur goed te laten verlopen. Object van studie is vooral de wijze waarop politiek in de hedendaagse Nederlandse samenleving en andere samenlevingen functioneert en welke problemen zich daarbij voordoen. De tweedegraads docent maatschappijleer en de docent burgerschap dient kennis te hebben van dit vraagstuk, mede omdat hij hier zelf les over geeft. In domein 1 werkten we de benaderingswijzen maatschappijleer zelf uit. In dat domein werd de sociaal-wetenschappelijke basiskennis gegeven zoals met die benaderingswijzen gerangschikt kan worden. In de domeinen 2 t/m 8 maken we opnieuw van de benaderingswijzen gebruik. Nu door deze op sociale en politieke vraagstukken toe te passen. In dit domein bestuderen we zo politiek door daarvan de politiek-juridische, sociaal-economische, sociaal-culturele en veranderings- en vergelijkingsaspecten uit te werken. Subdomein Indicatoren voor het bachelorsniveau Docenten maatschappijleer kunnen de politiek-juridische benaderingswijze toepassen op dit domein. Zij kunnen beschrijven, herkennen, uitleg geven aan, gebruik maken van, verbanden zien in, voorbeelden noemen van: 2.1 Politiek-juridische Rechtsstaat. De grondrechten die van belang zijn voor het functioneren van het Nederlandse politieke bestel, benaderingswijze: beleid en regelgeving bij -het Nederlanderschap; te weten: het vraagstuk politiek -het kiesrecht; -het petitierecht; -vrijheid van vereniging; -vrijheid van vergadering; -rechten van de monarchie. Rechtsstaat. Welke organen met welke bevoegdheden de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht vormen. Dit op deze bestuursniveaus: -VN (zie domein 8); -EU (zie domein 8); -Nederlandse staat; -provincies in Nederland; -gemeenten in Nederland. Rechtsstaat. Het onderscheid tussen de vierde (ambtenaren), vijfde (zelfstandige bestuursorganen, adviesorganen etc.) en zesde macht (media). Staat. Soorten staatsvormen, i.c.: -parlementaire en presidentiele democratie; -constitutionele monarchie; -representatieve democratie; -federaties en confederaties (zie domein 8); -ge(de)centraliseerde eenheidsstaat; -totalitaire staten; -republiek. Staat. Klassieke staatsvormen, i.c.: -aristocratie; -autocratie; -plutocratie; 13

-oligarchie; -monarchie; -timocratie; -tirannie. Recht. De hoofdstukken in de Grondwet die van belang zijn voor de inrichting van het Nederlandse Staatsbestel, de strekking van deze hoofdstukken: -hoofdstuk over de regering; -hoofdstuk over Staten-Generaal; -hoofdstuk over wetgeving en bestuur. Recht. Van het Nederlandse staatsrecht de volgende regels en gewoonten bij de landelijke, provinciale en gemeentelijke bestuurslagen: -de totstandkoming van de vertegenwoordigende organen (kiesrecht); -de totstandkoming en het functioneren van de uitvoerende organen (het formatieproces, de actoren en procedures daarin, de provinciale en gemeentelijke actoren); -de wijze waarop de uitvoerende macht gecontroleerd wordt, de middelen van de volksvertegenwoordiging daarbij; -het wetgevingsproces en de uitvoering van de wetgevende taak van de volksvertegenwoordiging. Recht. Aanvullende soorten wetgeving, i.c., wetten, AmvB s, Koninklijke Besluiten. Politieke besluitvorming. De beleidsdoelen van de overheid om de politieke besluitvorming in Nederland beter te laten functioneren. Politieke besluitvorming. De beleidsdoelen van de overheid om de democratische processen in Nederland beter te laten functioneren. Politieke besluitvorming. Maatschappelijke wensen en eisen om de politieke besluitvorming en democratie beter te laten functioneren. Politieke besluitvorming. De manieren waarop de volksvertegenwoordiging haar controlerende taak uitvoert, de rechten die zij daarbij heeft. Politieke besluitvorming. Politiek als vraagstuk: -het gegeven dat een samenleving bestuur nodig heeft en dat dit bestuur mogelijkerwijs bij voortduring een punt van aandacht is. -het geven dat een rechtsstaat mogelijkerwijs zijn waarde heeft bewezen en ook bij voortduring een punt van aandacht is. 2.2 Politiek-juridische Politieke actoren. Van de volgende politieke actoren aangeven welke samenstelling en/of (formele) rol en benaderingswijze: politiek-juridische actoren, -regering (inclusief rol Koning) en kabinet (inclusief rol Minister-President en de staatssecretarissen); functie zij in het Nederlandse politieke bestel hebben: bij het vraagstuk politiek -parlement (Staten-Generaal, Eerste en Tweede Kamer); -Commissaris van de Koning, Gedeputeerde en Provinciale Staten; -College van B&W en gemeenteraad; -de adviesorganen CPB, SER, SCP, WRR; -de Algemene Rekenkamer. -kiezers; -politieke partijen; -fracties en fractievoorzitters; -de Raad van State -pressiegroepen; 14

-media. Politieke actoren. Van de volgende politieke actoren welke belangen zij in het Nederlandse politieke bestel proberen te realiseren en op welke wijze zij dat doen: -lobby-organisaties. -actiegroepen; -pressiegroepen; -media. 2.3 Politiek-juridische Democratie. De democratische procedures (verkiezingen, stemmen) van Nederland, i.c.: benaderingswijze: politiek-juridische aan- -de verkiezingsprocedures van de (indirect) gekozen organen in Nederland en de EU.; -de campagnestrategieën en vormen rond de diverse verkiezingen in Nederland en de EU; dachtsgebieden, bij het -de eisen geteld aan volksvertegenwoordigers en kiezers (leeftijd, nationaliteit). vraagstuk politiek Democratie. Voorbeelden van democratische betrokkenheid, i.c.: -participatie; -besluitvorming; -discussie en meningsvorming. Democratie. Kenmerken van de Nederlandse parlementaire democratie omschrijven, te weten: -coalitievorming, consensusvorming en noodzaak tot zoeken naar compromis; -dualisme en monisme; -representatief stelsel: open voor nieuwe geluiden en partijen. Democratie. Diverse kiesstelsels. i.c.: -evenredige vertegenwoordiging (zonder/met kiesdrempel); -districtenstelsels; -directe en indirecte vormen van verkiezingen. Democratie. Verschillen tussen democratie, autocratie en dictatuur, i.c.: -wel/geen inspraak van het volk op beleid en wetgeving; -wel/geen democratische grondrechten; -macht niet/wel in handen van kleine groep of een persoon. Democratie. Mogelijkheden op vernieuwing aan democratische praktijken te geven: -gekozen burgemeester, premier; -referenda; -districtenstelsel; -deliberatieve democratie; -loting. Macht. De volgende machtsmiddelen: -aantallen; -geld; -kennis; -macht; -mogelijkheid tot gebruik van geweld; -overtuigingskracht. Macht. De vermogensdefinitie van macht. Macht. De relationele definitie van macht. Macht. De wijze waarop macht wordt gemeten, i.c.: 15

-reputatiemethode; -netwerkmethode; -besluitvormingsmethode. 2.4 Politiek-juridische Politieke theorieën en begrippen. De kernredeneringen over de werking van politieke besluitvorming, uit de benaderingswijze: politiek-juridische begrip- -systeemmodel; volgende theorieën: pen, concepten en theorieën bij het vraagstuk en de mate waarin deze redeneringen worden ondersteund door onderzoek. -barrièremodel; politiek 2.5 Politiek-juridische Bovenstaande termen veronderstellen dat onderstaande dillema s en problemen kunnen worden ge- en/of dilemma s en problemen bij het vraagstuk -het eventuele democratische tekort; herkend en met argumenten kunnen worden omkleed: politiek -meer of minder monisme of dualisme; -eventuele mogelijkheden de betrokkenheid van burgers en burgerschap te vergroten (referenda, burgerplatforms); -de spanningen tussen vrijheid en gelijkheid; -de spanningen tussen volkssoevereiniteit en rechtsstaat; En van deze kennis gebruikmaken om verklaringen te geven, standpunten in te nemen, voorstellen te doen en nieuwe ideeën te ontwikkelen. Docenten maatschappijleer kunnen de sociaal-economische benaderingswijze toepassen op dit domein. Zij kunnen beschrijven, herkennen, uitleg geven aan, gebruik maken van, verbanden zien in, voorbeelden noemen van: 2.6 Sociaal-economische benaderingswijze: politiek, welke wettelijke positie zij hebben, welke (onderlinge) verantwoordelijkheden en taken zij hebben, Actoren. Wat de belangrijkste sociaal-economische organisaties en instituties zijn betrokken bij beleid en sociaal-economische hoe daartussen de afstemming plaatsvindt, hun rechtspersoon, hun achterban, hun belangen, i.c.: actoren en functies bij -Stichting van de arbeid; het vraagstuk politiek -Centraal Planbureau; -SCP; -WRR; -SER; -de Nationale Ombudsman. Functies. Functies van de overheid (interne en externe veiligheid, voorwaardenscheppend betreffend democratisch burgerschap en met betrekking tot de verzorgingsstaat). Functies. Functies van de politieke partijen in een vertegenwoordigende democratie. 2.7 Sociaal-economische benaderingswijze: -corporatisme; Economische orde. Diverse voorstellen voor een andere economische orde, i.c.: sociaal-economische -planeconomie; aandachtsgebieden bij -uitgebreidere rol maatschappelijk middenveld. het vraagstuk politiek Structuur. Geen zelfstandige, domeineigen inhoud. Belangen. Van de volgende sociaal-economische actoren en functies aangeven welke belangen zij in het politieke bestel proberen te realiseren en op welke wijze zij dat doen: -media; 16

-werkgevers en werknemersorganisaties (SER en Stichting van de Arbeid). Sociale ongelijkheid. De ongelijkheid in politieke participatie van verschillende groepen van leeftijd, opleidingsniveau, sekse, migratie-achtergrond. 2.8 Sociaal-economische benaderingswijze: Sociaal-economische theorieën en begrippen. Geen zelfstandige, domeineigen inhoud. sociaal-economische begrippen, concepten en theorieën bij het vraagstuk politiek 2.9 Sociaal-economische dilemma s en pro- met argumenten kunnen worden omkleed: Bovenstaande termen veronderstellen dat onderstaande dillema s en problemen kunnen worden herkend en blemen -het vraagstuk van meer of minder directe democratie; -het vraagstuk van eventuele bedreigingen van de rechtsstaat; -de tegenstellingen tussen belangen van de rechtsstaat (vrijheid tegenover overheidsbescherming). En van deze kennis gebruikmaken om verklaringen te geven, standpunten in te nemen, voorstellen te doen en nieuwe ideeën te ontwikkelen. Docenten maatschappijleer kunnen de sociaal-culturele benaderingswijze toepassen op dit domein. Zij kunnen beschrijven, herkennen, uitleg geven aan, gebruik maken van, verbanden zien in, voorbeelden noemen van: 2.10 Sociaal-culturele Cultuur. Kenmerken van de Nederlandse politieke cultuur, i.c.: benaderingswijze: cultuur en visies bij het -compromis, coalitie, consultatie, consensus; -de invloed van de verzuiling; vraagstuk politiek -geïndividualiseerd electoraat -poldermodel; Visies. Het verschil tussen politieke ideologieën, stromingen en partijen. Visies. Politieke linkse en rechtse opvattingen de volgende dimensies: -progressieve of conservatieve uitspraken; -materiële of postmateriële waarden; -economische vrijheid en economische gelijkheid; -versterken/behouden of liberaliseren/privatiseren collectieve voorzieningen. Visies. Van de volgende politieke ideologieën en stromingen: Anarchisme Christendemocratie/confessionalisme Communisme Conservatisme Ecologisme Liberalisme Multiculturalisme Nationalisme Populisme Pragmatisme Socialisme/Sociaaldemocratie 17

De volgende kenmerken: -kernuitspraken; -voorbeelden van voorgestelde veranderingen in de samenleving; -voorbeelden van de visie op de samenleving in verleden of heden; -opvattingen over democratie, politieke invloed, betrokkenheid burger. Visies. Visies en standpunten van Nederlandse politieke partijen in het parlement over: -het bevorderen van democratie; -het verhogen van politieke betrokkenheid; -de mate waarin politieke participatie gewenst is. Visies. Het verschil in visie op relatie politiek en economie (marxisme, corporatisme, liberalisme). Visies. Het verschil in visies op de relatie tussen kiezer en gekozene, i.c. het verschil tussen representatie, representativiteit, legitimiteit, volatiliteit. Visies, De volgende visies op burgerschap: -de liberale; -de communitaristische; -republikeinse. 2.11 Sociaal-culturele Sociale orde. Mogelijke sociale voorwaarden voor het functioneren van democratie herkennen in casuïstiek, benaderingswijze: sociaal-culturele aandachts- -sociaal-economische ontwikkeling; i.c.: gebieden -redelijke mate van sociaal-economische gelijkheid; -democratische cultuur; -sterke civil society. Gedrag. Politiek handelen van en in de Nederlandse samenleving, i.c.: -opkomst bij de diverse verkiezingen; -betrokkenheid bij maatschappelijke organisaties; -politieke interesse. Beïnvloeding. De wijze waarop media van invloed zijn op het politiek en vice versa. 2.12 Sociaal-culturele Sociaal-culturele theorieën en begrippen. Geen zelfstandige, domeineigen inhoud. benaderingswijze: sociaal-culturele begrippen, concepten en theorieën bij het vraagstuk politiek 2.13 Sociaal-culturele Bovenstaande termen veronderstellen dat onderstaande dillema s en problemen kunnen worden herkend en dillema s en problemen met argumenten kunnen worden omkleed: bij het vraagstuk politiek En van deze kennis gebruikmaken om verklaringen te geven, standpunten in te nemen, voorstellen te doen en nieuwe ideeën te ontwikkelen. Docenten maatschappijleer kunnen de veranderings- en vergelijkingsbenaderingswijze toepassen op dit domein. Zij kunnen beschrijven, herkennen, uitleg geven aan, gebruik maken van, verbanden zien in, voorbeelden noemen van: 18

2.14 Veranderings- en Verleden. Politiek-juridische, sociaal-economische of sociaal-culturele ontwikkelingen in historische tijdvakken die voor dit vraagstuk van belang zijn geweest, i.c.: vergelijkende benaderingswijze: politiek in de -Moderne Tijd (tijdvak Burgers en Stoommachines): ontstaan politieke ideologieën; tijd -Moderne Tijd: totstandkoming grondrechten en grondwetten, in het bijzonder rond de Franse Revolutie; -Moderne Tijd (tijdvak van de Burgers en Stoommachines): veranderingen in Nederlands Staatsbestel, i.c. invoering Grondwet onder Thorbecke, ministeriële verantwoordelijkheid, censuskiesrecht; -Moderne Tijd: veranderingen in het Nederlandse staatsbestel sinds 1848: algeheel kiesrecht, vrouwenkiesrecht, opkomst politieke partijen, beëindiging schoolstrijd; -Moderne Tijd (tijdvak van de Wereldoorlogen)/Contemporaine Geschiedenis: verzuiling en ontzuiling in de politiek. 2.15: Veranderings- en Andere samenlevingen. Politiek-juridische, sociaal-economische of sociaal-culturele ontwikkelingen in andere vergelijkende benaderingswijze: politiek in de Andere samenlevingen. De overeenkomsten en verschillen tussen de Nederlandse politiek en politieke cultuur landen of regio's die voor dit vraagstuk van belang zijn (geweest). wereld (zie aldaar) en die van andere landen, samenlevingen en culturen, onder andere de vergelijking met andere bestuursvormen (dictaturen, eenpartijstaten). En van deze kennis gebruikmaken om verklaringen te geven, standpunten in te nemen, voorstellen te doen en nieuwe ideeën te ontwikkelen. Docenten kunnen met de kennis en vaardigheden uit de voorgaande de subdomeinen invulling geven aan burgerschap, door de volgende zaken te kennen en in burgerschapsactviteiten te vertalen. 2.16 Burgerschap en kritisch denken bij het democratie, politieke processen en stromingen, de internationale context daarvan. Begrip en vaardigheden: van de bovengenoemde inhouden, in het bijzonder de rechtstaat, grondrechten, de vraagstuk politiek Aanzetten tot participatie: deze kennis te gebruiken om een eigen actieve rol te kunnen spelen als democratisch burger, in politieke processen, zo te participeren op micro- (de eigen directe leefomgeving), meso- (instituties als school of vrije tijd) en macroniveau (de sociale en politieke context van de (internationale) samenleving als geheel). Kritische beschouwing: bij informatie over de rechtsstaat, grondrechten, democratie, politieke processen en stromingen de betrouwbaarheid van deze informatie beoordelen, feiten aanvaarden, veronderstellingen en interpretaties onderscheiden, logisch geldige redeneringen herkennen en geven, oordelen en verantwoorden. 19