II.2.11.3. FUNCTIEOMSCHRIJVING CONTEXTBEGELEIDER 1. Doel van de functie De contextbegeleider is de centrale ankerfiguur inzake overleg en hulpverleningscontacten met extern betrokken partijen. Hij staat in voor de begeleiding en ondersteuning van de ouders of opvoedingsverantwoordelijken en het gezinsmilieu in ruime zin bij het uitoefenen van hun opvoedingsmandaat. De contextbegeleider stimuleert tevens de gezinsgerichte werking in de verschillende afdelingen van de organisatie. De contextbegeleider komt aan de pas in geval van een module contextbegeleiding in combinatie met dagbegeleiding, verblijf, kamertraining, crisisverblijf of in geval van een module contextbegeleiding in functie van autonoom wonen. 2. Functievereisten - een diploma bachelor maatschappelijk werk of orthopedagogie dat toegang geeft tot begeleider klasse 1; - afhankelijk van het diploma kan een bijkomende opleiding inzake gezinsbegeleiding gevraagd worden; - bij voorkeur enkele jaren relevante beroepservaring in het werken met gezinnen en in de bijzondere jeugdzorg of aanverwante sector; - werkschema van maandag tot en met vrijdag, mogelijks avondbezoeken; - in het bezit zijn van een auto en rijbewijs B. 3. Plaats in het organogram De contextbegeleider werkt in de verschillende afdelingen van zijn regio en rapporteert aan de coördinator(en) cliënten. Voor de realisatie van zijn verantwoordelijkheidsgebieden werkt hij nauw samen met de andere betrokken begeleiders van de betreffende afdelingen. Hoewel de contextbegeleider geen leidinggevend mandaat heeft, heeft hij wel een bepalende rol in de inhoudelijke sturing van het begeleidingsproces. Kwal.HB II 2.11.4. Goedgekeurd op : 01/10/2014 Nazicht voorzien: 01/10/2018 1/5
4. Resultaatsgebieden 4.1. Verbinding maken in functie van de contextbegeleiding Er wordt getracht om verbinding te maken met alle bij de begeleiding betrokken partijen met het oog op het versterken van de context. Hiervoor wordt gedoseerd en gepast informatie doorgegeven aan de verschillende betrokken figuren. 4.2. Het proces van de contextbegeleiding vormgeven De toevertrouwde contextbegeleidingen verlopen in dialoog met alle betrokken partijen in functie van de hulpverleningsvraag en de begeleidingsdoelstellingen en volgens de visie van de organisatie. 4.3. Samenwerking met interne en externe partners - De begeleider heeft een professionele werkrelatie met interne en externe partners i.f.v. de hulpverlening. - De begeleider vertegenwoordigt de dienst ten aanzien van interne en externe partners. 4.4. Beleid van de residentiële voorziening - Vanuit zijn vakgebied en specifieke deskundigheid levert de contextbegeleider, in samenspraak met de andere collega s, de coördinatoren en de directie, een zichtbare bijdrage in het beleid van de voorziening. - Inzake inzetten van methodieken, opmaken van visies en beleidsmatige keuzes biedt de contextbegeleider advies op basis van zijn expertise. 4.5. Administratie en organisatie - De contextbegeleider is eindverantwoordelijk voor het centrale dossier en de centrale administratie. - De dossiers zijn in orde conform de regelgeving en interne afspraken - De interne afspraken zijn nageleefd. 4.6. Eigen ontwikkeling - Zichtbaar bezig zijn met het eigen leren en ontwikkelen alsook met de verdere uitbouw van de eigen functie in de organisatie. - Inspirerend zijn voor anderen om van te leren. Kwal.HB II 2.11.4. Goedgekeurd op : 01/10/2014 Nazicht voorzien: 01/10/2018 2/5
5. COMPETENTIES Onderstaande competenties zijn aanvullend aan de kerncompetenties. 5.1. Verbindend werken Het vermogen om op een positieve manier in contact te treden met de ander. Iemand anders, de dienst en/of de maatschappij aanwezig stellen. Een positieve brug maken naar de anderen en de maatschappij. - Een probleem herdefiniëren, herkaderen, - De andere(n) aanwezig stellen, afwezige partijen (mentaal) mee in het gesprek betrekken, - Cliënten aanzetten om naar elkaar te luisteren en rechtstreeks met elkaar te spreken, - Zelf model staan voor positief contact: zelf het woord nemen, initiatief nemen in het maken van contact, een aanzet geven om tot een positieve contactopbouw te komen, - Coachen van conflicten, - Bereidheid tot ontmoeting met de ander. 5.2. Meerzijdige partijdigheid Het bewaken van het aan bod komen van ieders belang. - Niet meegaan in negatieve verhalen over anderen alsof het zijn eigen standpunt is, - Geven van erkenning voor ieders unieke verhaal en gevoelens, - Respecteren van de belangen van iedereen, ook van wie afwezig is, - Afwisselend partijdig zijn met alle betrokkenen. Kwal.HB II 2.11.4. Goedgekeurd op : 01/10/2014 Nazicht voorzien: 01/10/2018 3/5
5.3. Emancipatorisch werken: Cliënten helpen het vermogen terug te vinden om hun leven zelf in handen te nemen. - De cliënt helpen het effect en de consequenties van zijn handelen te zien, - De cliënt helpen in het ontdekken en ontwikkelen van zijn eigen mogelijkheden, - Bij de cliënt het vertrouwen in het eigen kunnen teweeg brengen, - De cliënt helpen om zelf tot een oplossing / tot antwoorden te komen, - De verantwoordelijkheid, gepast en op maat, bij de cliënt zelf leggen - De cliënt uitdagen, aanmoedigen en stimuleren tot groei. 5.4. Planmatig en doelgericht werken Zijn taken voldoende doordacht tot een goed einde brengen. - Een metapositie innemen ten aanzien van de verschillende opdrachten, - Processen en situaties in beweging brengen, - Theoretische inzichten en vaardigheden in de praktijk brengen en uitleggen waarom men op een bepaalde manier werkt, - Hoofd- en bijzaken van elkaar kunnen scheiden en kunnen verantwoorden wat eerst moet komen, - Een situatie vanuit verschillende invalshoeken bekijken, - Het vermogen om problemen te voorkomen door preventief te werken, - Het kunnen combineren van de verschillende aspecten en opdrachten van de betreffende dienst of werking. Kwal.HB II 2.11.4. Goedgekeurd op : 01/10/2014 Nazicht voorzien: 01/10/2018 4/5
5.5. Analysevermogen Komen tot een duidelijk beeld van een situatie. - Een situatie inschatten, - Bevragen van een team en anderen, - Informatie verwerken, - Analyseren van situaties en processen, - Situaties kaderen, - Beïnvloedende factoren detecteren, - Zelf reflecteren en anderen in reflectie zetten, - Exploreren van een vraag, - Zich bevragend opstellen, zaken in vraag stellen, - Informatie verzamelen en verwerken, - Goed observeren en zaken bevragen - Samenvatten en toetsen wat gehoord werd. Kwal.HB II 2.11.4. Goedgekeurd op : 01/10/2014 Nazicht voorzien: 01/10/2018 5/5