Rijden in het terrein

Vergelijkbare documenten
Rijden in het terrein

Rijtechnieken. RIJDEN OP EEN GLADDE ONDERGROND (ijs, sneeuw, modder, nat gras)

Automatische transmissie

Starten en rijden STUURSLOT

Waarschuwingslampjes WAARSCHUWINGSLAMPJES

Trekken/slepen TREKKEN/SLEPEN

Stoelen VOORSTOELEN. Juiste zithouding H6544L. Stoelen

Uitrusting in interieur van auto

Starten en rijden CONTACTSCHAKELAAR STUURSLOT

NL ESP-Systeem

Powerpack. gebruikshandleiding

Praktijk Vragen over auto

Praktijk Vragen over auto

Starten & rijden STUURSLOT

Hoe maak je jack-up van een auto (of

RC030/RC035 Pneumatisch (handmatig) vloeistof afzuigapparaat. Instructies

Handleiding: Rupsdumper zelfladende bak.

Handleiding: Rupsdumper roterende kipbak.

Voortgang CO 2 reductie

RIJVAARDIGHEID CATEGORIE A

CO2 REDUCTIE BRANDSTOFBESPARING DOOR GEDRAGSVERANDERING WERKGROEP TACIDE KENNIS. Fase 2 Rijgedrag/technisch onderhoud

Voortgang CO2 reductie

Module 3 Handelingsanalyses Bijzondere manoeuvres

Algemene informatie Algemene informatie

Voortgang CO2 reductie

Remmen WERKINGSPRINCIPE. Rempedaal. Rembekrachtiging. Remblokken. Natte rijomstandigheden

Toolbox-meeting Rijden met aanhangwagens

Voertuigcontrole Kawasaki Z650 (BRAVOK)

Bijzondere Verrichtingen CBR

Trekken AANBEVOLEN TREKGEWICHTEN ELEKTRISCHE AANSLUITING VAN DE AANHANGER

Verkorte gebruiksaanwijzing

Vloeistofpe ilcontro les

Td4 - dieselmotor - aanzicht onder de motorkap

Wielen vervangen GEREEDSCHAPSSET HET RESERVEWIEL VERWIJDEREN AFSLUITBARE WIELMOEREN

Sloten en alarm ALARM-SYSTEEM

Lankhaar Techniek B.V. De Korten Bruggert ER Eethen Telefoon Fax

Activeren voetplaat volgens EN Functie

200 bar, 15 l/min., l, tandemasser met honda benzine motor (11,7 Hp 8.6 kw) Instructies voor gebruik, onderhoud en transport.

EEN VEILIGE WINTER(VAKANTIE) MET DE ALD WINTERTIPS

BBRAAVVOK. Ezelsbruggetje

VOERTUIGCONTROLE ( BRAVOK)

Stoelen IN DE JUISTE HOUDING ZITTEN

BGR 233 GEKEURD (DE) Gebruikshandleiding Laadbrug. Bekijk de instructievideo op

Sulky Line Painter 1200

Starten en rijden STUURSLOT

& U UW GIDS REMSYSTEEM

Zekeringen ZEKERINGEN

Starten, schakelen & wegrijden:

Voer de vervanging in de volgende volgorde uit:

Werking van de koppeling in het kort en het wegrijden.

Fiat Panda 4x4. Stille wateren, diepe gronden. Wie niet sterk is, moet slim zijn

Bijzondere verrichtingen

X Veiligheidsgordel 3 Verklikkerlicht brandt (met waarschuwingstoon) bij ingeschakelde ontsteking: Gordel omdoen, zie pagina 33.

8. Onderhoud 8. ONDERHOUD. 8.1 Winteropslag. Robotmaaier

Onderhoudsprogramma, update

Veilig op alle wegen. De 4x4 banden van Continental.

0 Algemeen GEGEVENS VAN DE AUTO - MECHANISCH MECHANISCHE INLEIDING HEFMIDDELEN SMEERMIDDELEN INGREDIËNTEN - PRODUCTEN X91 01A 01D 02A 04A 04B

Recht achteruit rijden

Duurzaam rijden, samen met ECOdrive

Garagekrik 3 ton + assteunen 3 ton Handleiding

BBRAAVVOK. Ezelsbruggetje

Accu en oplader instructies: Eigen bedrijfsgegevens

Lees aandachtig deze handleiding vooraleer u uw Strider scooter gebruikt!

Tweeassige trekkers juli 2008

Toetsmatrijs Praktijkexamen Rijbewijs voor categorie T*

1

Gebruiksaanwijzing Multi-Motion M5

Kenteken 58-HV-RN Datum keuring Merk en type


Sloten en alarmen. Gebruiken van de zender

ROAM Special Cycles B.V. Haarstraat 19b 5324 AM Ammerzoden Tel.nr

Voertuig Controle Golf 7

Probleemoplossingsgids

3. BEDIENINGSVOORSCHRIFTEN

Het praktijkexamen leerboek. Hoe slaag ik in 1 keer?

Voer de vervanging in de volgende volgorde uit:

BERG SPECIAL. age. Perfect voor als je op avontuur gaat! BERGTOYS.COM. Productsheet XL CHOPPER, DUO CHOPPER

Voertuig Controle BMW 116d Sportline

6.5. EVENWIJDIG TEN OPZICHTE VAN DE WEG RECHTS PARKEREN TUSSEN TWEE VOERTUIGEN

Installation instructions, accessories. Sneeuwkettingen. Volvo Car Corporation Gothenburg, Sweden. Pagina 1 / 15 R

Richtlijnen bij het tanken

De auto als caravantrekker

5.9 PARKEREN ACHTER EEN VOERTUIG

<<RIJOPLEIDING IN STAPPEN>> Training Rijden onder specifieke omstandigheden

1. Veiligheidsmaatregelen en waarschuwingen

Tax = Taxonomiecode F = Feitelijke kennis B = Begripsmatige kennis R = Reproductieve vaardigheid P = Productieve vaardigheid

Downloaded from Register your product and get support at HP8655 HP8656. Gebruiksaanwijzing

druk 1 1TH NSN PROJECTNUMMER TECHNISCHE HANDLEIDING VAU 150 KN 6X6 DAF YBB TAKEL

Toetsmatrijs Praktijkexamen Rijbewijs voor categorie T

Eisen examenvoertuig categorieën C1, C1E, D1 en D1e

Bedieningen Dutch - 1

Een caravan of aanhanger trekken

Bijzondere manoeuvre: Straatje keren in 3 keer

01.07 Specifiek gezichtshulpmiddel

Voorstoelen HANDMATIG VERSTELBARE STOELEN

HET WEGRIJDEN VOOR HET WEGRIJDEN

Schakel zo vroeg mogelijk op naar een hogere versnelling, tussen 2000 en 2500 toeren.

Transcriptie:

Rijden in het terrein Rijden in het terrein Rijden in het terrein VOOR HET WEGRIJDEN Voordat u gaat terreinrijden is het absoluut essentieel dat onervaren bestuurders geheel bekend worden gemaakt met de bedieningsorganen van het voertuig. Hierbij gaat het vooral om de verdeelbak. Tevens dienen de technieken voor terreinrijden op deze en de volgende pagina's uiterst zorgvuldig te worden bestudeerd. WAARSCHUWING Terreinrijden kan gevaarlijk zijn! Neem NOOIT onnodige risico's en wees altijd voorbereid op noodsituaties. Maak uzelf bekend met de aanbevolen rijtechnieken teneinde de risico's voor uzelf, uw voertuig EN uw passagiers zoveel mogelijk te beperken. BELANGRIJKE INFORMATIE In het terrein moeten, ter bevordering van de persoonlijke bescherming, altijd autogordels worden gebruikt. NOOIT met het voertuig rijden als in de tank nog slechts een kleine hoeveelheid brandstof aanwezig is - als op steile hellingen of een ongelijkmatige ondergrond wordt gereden, is het mogelijk dat de motor geen brandstof ontvangt waardoor de katalytische omvormer kan worden beschadigd. Als door water wordt gereden (doorwaden), mag de motor NOOIT worden afgezet - als water in de achterste uitlaatpijp wordt gezogen, kan de katalytische omvormer ernstig worden beschadigd. FUNDAMENTELE RIJTECHNIEKEN IN HET TERREIN Deze fundamentele rijtechnieken zijn een inleiding voor de kunst van het terreinrijden, maar bevatten niet altijd alle informatie die noodzakelijk is om met succes iedere situatie in het terrein het hoofd te kunnen bieden. Door ons wordt dus ten sterkste aanbevolen dat eigenaars die het voertuig vaak in het terrein willen gebruiken, alle beschikbare aanvullende informatie verzamelen en zoveel mogelijk praktische ervaring opdoen. Voordat in het terrein wordt gereden is het belangrijk dat u de conditie van de wielen en banden controleert. Ga tevens na of de bandenspanningen correct zijn. Door versleten of incorrect opgeblazen banden zullen de prestatiekarakteristieken, de stabiliteit en de veiligheid van het voertuig negatief worden beïnvloed. 171

Rijden in het terrein Schakelen - handgeschakelde versnellingsbak Bij terreinrijden is het kiezen van de juiste versnellingen van het grootste belang teneinde veilig en met succes in het terrein te kunnen rijden. Hoewel alleen ervaring u zal kunnen vertellen wat de juiste versnelling is voor een bepaalde ondergrond, moet toch altijd rekening worden gehouden met de volgende fundamentele richtlijnen: NOOIT op- en neerschakelen of het koppelingspedaal induwen in moeilijk of zwaar terrein - de vertraging die wordt uitgeoefend op de wielen kan tot gevolg hebben dat het voertuig tot stilstand komt terwijl het koppelingspedaal is ingedrukt. In dat geval kan het opnieuw starten moeilijkheden met zich meebrengen. Over het algemeen - en vooral op een gladde of zachte ondergrond - is het het best om een zo hoog mogelijke versnelling te kiezen. Als zeer steile hellingen worden afgereden, moeten altijd de eerste versnelling, de LAGE overbrengingsverhoudingen en de afdalingsremregeling (HDC) worden gekozen. Onervaren bestuurders worden geadviseerd om het voertuig eerst stil te zetten (op een stevige ondergrond) en daarna zorgvuldig te overwegen welke versnelling voor een bepaalde manoeuvre het beste is. Rijd dan pas door. Slippende koppeling Gebruik van te veel slippende koppeling, teneinde het afslaan van de motor te voorkomen, zal onvermijdelijk tot gevolg hebben dat de koppelingsplaten te snel slijten. Kies een versnelling die laag genoeg is, zodat het voertuig door kan rijden zonder dat dit terug hoeft te vallen op een slippende koppeling. NOOIT rijden met de voet op het koppelingspedaal. Het dan mogelijk dat u de controle over het voertuig verliest door het koppelingspedaal onopzettelijk in te drukken wanneer het voertuig plotseling over een richel rijdt. Schakelen - automatische versnellingsbak Als de versnellingshefboom in 'D' wordt gezet zal de automatische versnellingsbak op modellen die daarmee zijn uitgerust, altijd de juiste versnelling kiezen voor de gekozen overbrengingsverhouding (HOGE of LAGE overbrengingsverhoudingen). Vergeet nooit dat in stand "1" de versnellingsbak in de eerste versnelling zal blijven rijden zodat maximaal op de motor kan worden afgeremd. Indien mogelijk moeten altijd de HOGE overbrengingsverhoudingen worden gekozen - schakel uitsluitend terug naar de LAGE overbrengingsverhoudingen als het terrein zeer moeilijk wordt. De differentieelvergrendeling* moet altijd worden ingeschakeld als het mogelijk is dat de grip wordt verloren. Zodra het voertuig weer op een stevige horizontale ondergrond staat die niet glad is, dient het systeem weer te worden uitgeschakeld. (Zie DE DIFFERENTIEELVERGRENDELING*, blz 140 ). 172

Rijden in het terrein "Niet-automatische" functie Druk de functieschakelaar in terwijl de versnellingsbak in de lage overbrengingsverhoudingen staat teneinde de "niet-automatische" functie te kiezen; de transmissie kan nu net zo worden gebruikt als een handgeschakelde versnellingsbak waarbij de versnellingsbak in de gekozen versnelling wordt vergrendeld ('D' = 4e versnelling). Het voertuig kan nu zo goed mogelijk onder controle worden gehouden terwijl ook goed op de motor kan worden afgeremd - dit is ideaal in zwaar terrein. N.B.: Als van de lage naar de hoge overbrengingsverhoudingen wordt opgeschakeld, zal de "niet-automatische" functie automatisch worden geannuleerd. Remmen De snelheid van het voertuig dient zoveel mogelijk onder controle te worden gehouden door de juiste versnelling te kiezen en met behulp van de afdalingsremregeling (HDC). Het rempedaal moet zo weinig mogelijk worden gebruikt. Als de juiste versnelling en afdalingsremregeling (HDC) zijn gekozen zal het over het algemeen onnodig zijn om de remmen te gebruiken. Als het rempedaal wordt ingeduwd terwijl de afdalingsremregeling (HDC) is geactiveerd, dan wordt de afdalingsremregeling (HDC) buiten werking gesteld. De remmen werken dan op normale wijze. Als het rempedaal dan wordt losgelaten zal de afdalingsremregeling (HDC) zonodig opnieuw gaan werken, Afremmen op de motor Voordat steile hellingen worden afgereden moet het voertuig minstens één voertuiglengte voor de helling worden stilgezet. Kies vervolgens de LAGE overbrengingsverhoudingen en de eerste of tweede versnelling (zet de versnellingshefboom van de automatische transmissie in "1" of "2"). Het hangt er dus vanaf hoe steil de helling is. Indien een helling wordt afgereden mag nooit worden vergeten dat de motor voldoende remwerking ontwikkelt om de snelheid, gedurende het afrijden, onder controle te houden. De remmen hoeven dus niet te worden gebruikt. Accelereren Het gaspedaal moet voorzichtig worden gebruikt - als dit plotseling wordt ingedrukt is het mogelijk dat de wielen doorslaan waardoor de gripregeling spontaan kan gaan werken. In extreme gevallen is het ook mogelijk dat de controle over het voertuig wordt verloren. 173

Rijden in het terrein Stuurinrichting H2543 WAARSCHUWING NOOIT de rand van het stuurwiel vasthouden met de duimen aan de binnenkant - door plotselinge sterke terugslag van de voorwielen als het voertuig over een richel of rotsblok rijdt, kunnen de duimen ernstig worden verwond. Het stuur moet in het terrein ALTIJD aan de buitenkant van de rand worden vastgehouden (zie illustratie). Verken de ondergrond voordat u gaat rijden Voordat u in moeilijk terrein gaat rijden is het altijd verstandig om eerst te voet een verkenning uit te voeren. Daardoor wordt het minder waarschijnlijk dat uw voertuig in moeilijkheden raakt door voorheen niet-opgemerkte moeilijke situaties. Bodemvrijheid Vergeet nooit om rekening te houden met de bodemvrijheid onder het chassis, de assen en de voor- en achterbumpers. Ook wordt er de aandacht op gevestigd dat de asdifferentiëlen ONDER het chassis iets rechts van de hartlijn van het voertuig zijn geplaatst. Tevens mag u nooit vergeten dat andere onderdelen van het voertuig in contact kunnen komen met de grond - zorg ervoor dat het voertuig niet op de grond vastloopt. De bodemvrijheid is vooral belangrijk aan de onderkant van steile hellingen, als karrensporen ongewoon diep zijn of als plotseling veranderingen worden ondervonden in de helling van de ondergrond. Op een zachte ondergrond trekken de asdifferentiëlen, behalve in de moeilijkste situaties, hun eigen pad. Op bevroren, rotsige of harde grond zal het voertuig als gevolg van hard contact tussen de differentiëlen en de ondergrond over het algemeen plotseling tot stilstand komen. Vergeet nooit om ALTIJD obstakels te vermijden die in contact kunnen komen met het chassis of de asdifferentiëlen. Zelfnivellerende ophanging De achterwielophanging van voertuigen met automatische hoogte-instelling van de wielophanging kan omhoog worden gezet zodat de bodemvrijheid en de afrijhoeken aan de achterkant van het voertuig worden vergroot (zie ZELFNIVELLERENDE OPHANGING*, blz 155 ). 174

Rijden in het terrein Tractieverlies Als het voertuig als gevolg van verlies van adhesie tussen de wielen en de ondergrond tot stilstand komt, kunnen de volgende tips nuttig zijn: Lang doorslaan van de wielen moet altijd worden voorkomen; hierdoor wordt de situatie alleen maar verergerd. Obstakels moeten worden verwijderd. Dit is beter dan het voertuig daar over- of doorheen te forceren. Verstopte loopvlakken moeten worden schoongemaakt. Zoveel mogelijk achteruit rijden en proberen met het extra momentum dat het gevolg is van de hogere snelheid het obstakel te overwinnen. Takken, zakken of soortgelijk materiaal dat voor de banden wordt geplaatst kan tot gevolg hebben dat de banden een beter contact maken met de grond. Automatische CD-wisselaar In zwaar terrein wordt niet aanbevolen om CD's af te spelen. Door de zware schokken waaraan het voertuig kan worden onderworpen is het mogelijk dat de automatische CD-wisselaar niet goed werkt waardoor tracks of CD's worden overgeslagen of plotseling op een andere track wordt overgegaan. NA TERREINRIJDEN BELANGRIJKE INFORMATIE Alvorens het voertuig de weg op te rijden, of voordat met het voertuig harder wordt gereden dan 40 km/u, dient rekening te worden gehouden met het volgende: De wielen en banden moeten worden gecontroleerd op beschadiging. Tevens moet alle modder worden verwijderd. Als de wielen en banden niet goed worden gereinigd, is het mogelijk dat de wielen, de banden, het remsysteem en componenten van de vering worden beschadigd. Remschijven en remklauwen controleren. Eventuele stenen, grind of gruis verwijderen daar die een negatief effect kunnen hebben op de efficiënte werking van de remmen. De onderkant van het voertuig moet worden gecontroleerd op beschadiging. Let vooral op de luchtveren en dempers. Beschadigde lak of beschermlagen moeten zo snel mogelijk door een Land Rover dealer/officieel geautoriseerde reparateur worden hersteld. Als u niet zeker weet of uw voertuig is beschadigd, laat dit dan door een Land Rover dealer/officieel geautoriseerde reparateur inspecteren. 175

Rijden in het terrein ONDERHOUDSVEREISTEN Voertuigen die onder ongunstige omstandigheden en vooral in stoffig, modderig of nat terrein worden gebruikt en voertuigen waarmee diepe stromen regelmatig worden doorwaden moeten vaker worden onderhouden. Zie DOOR EIGENAAR UIT TE VOEREN ONDERHOUD, blz 190 en neem voor advies ook contact op met een Land Rover dealer/officieel geautoriseerde reparateur. Na het doorwaden van zout water of een rit op zanderige stranden, moeten alle componenten onder de auto met een slang worden afgespoten. Ook moeten aangetaste carrosseriepanelen met zoet water worden afgespoten. Dit zijn cosmetische maatregelen die het uiterlijk van de auto ten goede komen. 176

Rijtechnieken Rijtechnieken RIJDEN OP ZACHTE OPPERVLAKKEN EN DROOG ZAND Ideaal gezien dient het voertuig op zachte oppervlakken (bijv. droog zand) altijd in beweging te worden gehouden. Door zacht zand worden de wielen ernstig vertraagd waardoor de voorwaartse beweging van het voertuig ook snel wordt verloren zodra het momentum is verloren. Om deze reden dient zo weinig mogelijk te worden geschakeld (speciaal met voertuigen met handgeschakelde versnellingsbak). Kies de differentieelvergrendeling*. Kies een zo hoog mogelijke versnelling en BLIJF altijd in die versnelling rijden tot een stevige ondergrond wordt bereikt. Over het algemeen is het verstandig om de LAGE overbrengingsverhoudingen te kiezen daar u dan in staat bent om door verslechterende condities te accelereren zonder dat u het risico loopt dat het voertuig niet opnieuw kan worden gestart. Schakel het differentieelslot uit*. Stilzetten van het voertuig op een zachte ondergrond, een helling of in los zand Als u het voertuig stilzet mag u nooit vergeten: Dat starten op een helling, zachte ondergrond of zand, vrijwel onmogelijk is. Parkeer altijd op een stevige ondergrond of zorg ervoor dat de voorkant van het voertuig omlaag is gericht. Teneinde te voorkomen dat de wielen doorslaan moet de tweede of derde versnelling worden gekozen (zet de automatische versnellingsbak in 'D'). Druk het gaspedaal ook zo WEINIG mogelijk in om het voertuig in beweging te krijgen. Als voorwaartse beweging verloren is geraakt, mag het gaspedaal nooit te ver worden ingeduwd - hierdoor zullen de wielen doorslaan, zodat het mogelijk is dat het voertuig zich ingraaft. Verwijder zand rond de wielen en zorg ervoor dat het chassis en de assen niet op het zand rusten voordat u poogt om door te rijden. Zijn de wielen ingegraven, gebruik dan een luchtzak of een krik om het voertuig omhoog te bewegen. Breng vervolgens zand onder de wielen aan zodat het voertuig weer op een gelijkmatige ondergrond staat. Als het onmogelijk is om het voertuig opnieuw te starten, plaats dan zandmatten of ladders onder de wielen. RIJDEN OP GLADDE OPPERVLAKKEN (ijs, sneeuw, modder, nat gras) Kies de differentieelvergrendeling*. Kies een zo hoog mogelijke versnelling. Vervolgens wegrijden door het gaspedaal zo WEINIG mogelijk in te duwen. Blijf altijd langzaam rijden en tracht zo weinig mogelijk te remmen. Vermijd tevens plotselinge bewegingen met het stuurwiel. Schakel het differentieelslot uit* zodra een stevige ondergrond is bereikt. 177

Rijtechnieken RIJDEN OP RUWE PADEN Hoewel het soms mogelijk is om ruwe paden in de normale rijversnellingen te nemen verdient het aanbeveling om de differentieelvergrendeling in te schakelen* als door te sterke bewegingen van de wielophanging, minstens één wiel kan gaan doorslaan. Op zeer ruwe sporen of paden moet de LAGE gearing worden gekozen zodat, zonder het gaspedaal en koppelingspedaal constant te hoeven gebruiken, een gelijkmatige lage snelheid kan worden gehandhaafd. WAARSCHUWING Met ingeschakelde differentieelvergrendeling mag NOOIT harder worden gereden dan 60 km/u. Als met ingeschakelde differentieelvergrendeling harder wordt gereden dan 60 km/u, is het mogelijk dat - met geactiveerd ABS-systeem - onder bepaalde omstandigheden de remprestatie achteruit gaat. 178

Rijtechnieken OPRIJDEN VAN STEILE HELLINGEN Kies de differentieelvergrendeling* en volg ALTIJD de neergaande lijn van de helling - als diagonaal op een helling wordt gereden is het mogelijk dat het voertuig zijwaarts de helling afglijdt. Steile hellingen zullen gewoonlijk in de LAGE overbrengingsverhoudingen moeten worden genomen. Als op een losse of zachte ondergrond wordt gereden, moet in een zo hoog mogelijke versnelling voldoende snelheid worden verkregen om te kunnen profiteren van het momentum van het voertuig. Een te hoge snelheid bij het oprijden van een helling met een ongelijk oppervlak kan tot gevolg hebben dat één of meer wielen omhoog komen waardoor het voertuig tractie kan verliezen. In dit geval kan een langzame benadering eventueel meer succes hebben. Tractie kan ook worden verbeterd door het gaspedaal los te laten vlak voordat de voorwaartse beweging wordt verloren. Als het voertuig een heuvel niet op kan klimmen zonder dat de motor afslaat, mag op de helling nooit worden gekeerd. In plaats daarvan moet de volgende procedure worden uitgevoerd zodat tot aan de onderkant van de helling achteruit wordt gereden. 1. Houd het voertuig met het rempedaal en de handrem in positie. 2. Tracht de motor zonodig opnieuw te starten. 3. Kies de achteruitversnelling en de LAGE overbrengingsverhoudingen (zet een automaat in 'R'). 4. Kies de afdalingsremregeling (HDC). 5. Zet de handrem los. Laat vervolgens het rem- en koppelingspedaal (indien van toepassing) tegelijkertijd los. Laat het voertuig voorzichtig, achteruit, de helling afrijden waarbij door af te remmen op de motor en met de afdalingsremregeling (HDC) de afdalingssnelheid onder controle moet worden gehouden. 6. Tenzij het noodzakelijk is om het voertuig stil te zetten teneinde obstakels te overwinnen, mogen het rem- en koppelingspedaal gedurende het afdalen NOOIT worden aangeraakt - zelfs als die pedalen licht worden ingedrukt is het mogelijk dat de voorwielen worden geblokkeerd waardoor het voertuig onbestuurbaar wordt. 7. Als het voertuig begint te glijden, moet iets worden geaccelereerd tot de wielen weer goed contact maken met de grond. Zodra weer een stevige ondergrond is bereikt, of als de tractie is hersteld is het vaak mogelijk om met een snellere aanloop de heuvel op te klimmen. Neem echter NOOIT onnodige risico's. Is de helling te moeilijk, volg dan een alternatieve route. WAARSCHUWING Tracht NOOIT om achteruit een helling af te rijden zonder dat de motor loopt of de afdalingsremregeling (HDC) wordt gebruikt daar anders het remmende effect van de versnellingsbak zal worden verloren. 179

Rijtechnieken AFRIJDEN VAN STEILE HELLINGEN H4426 WAARSCHUWING Als deze instructies niet worden uitgevoerd, is het mogelijk dat het voertuig omkantelt. Breng het voertuig minstens één voertuiglengte voor het begin van de helling, tot stilstand. Kies de eerste versnelling (zet de automaat in "1"), de LAGE overbrengingsverhoudingen en de afdalingsremregeling Tenzij het voertuig onvermijdelijk tot stilstand moet worden gebracht om obstakels op verantwoordelijke wijze te kunnen nemen, NOOIT het rem- of koppelingspedaal gedurende het afdalen aanraken - door de motor en de afdalingsremregeling (HDC) zal de snelheid binnen zekere grenzen worden gehouden waardoor zolang de voorwielen blijven draaien, het voertuig perfect onder controle kan worden gehouden. Als het voertuig begint te glijden wil dit zeggen dat de adhesielimieten zijn overschreden. Het kan dan onmogelijk zijn om de minimum snelheid voor de gekozen versnelling te handhaven. In dat geval is het mogelijk dat door de werking van de afdalingsremregeling (HDC) de snelheid van het voertuig automatisch voldoende wordt verhoogd om richtingsstabiliteit te handhaven. Het gaspedaal of de remmen mogen NOOIT worden gebruikt. Tracht ook nooit op/neer te schakelen. Door de afdalingsremregeling (HDC) zal het voertuig zodra dit mogelijk is, automatisch weer worden vertraagd. Zodra een gelijkmatige ondergrond is bereikt, moet een juiste versnelling worden gekozen voor de volgende fase van uw rit. 180

Rijtechnieken DWARS OVERSTEKEN VAN EEN HELLING H4433 Passagiers achterin het voertuig moeten aan de hoge kant van het voertuig plaatsnemen. Onder extreme omstandigheden dienen zij het voertuig te verlaten tot de helling op veilige wijze is gepasseerd. AFRIJDEN VAN EEN "V"-VORMIGE GEUL Dit dient zeer voorzichtig te geschieden! Wanneer het voertuig tegen één van de zijwanden van de geul wordt gestuurd is het mogelijk dat dit tegen de tegenoverliggende wand komt vast te zitten. WAARSCHUWING Als deze instructies niet worden uitgevoerd, is het mogelijk dat het voertuig omkantelt. Het dwars oversteken van een helling mag ALLEEN geschieden als de volgende voorzorgsmaatregelen zijn getroffen: Controleer eerst of de ondergrond stevig is en of de grond niet glad is. Controleer of de wielen aan de lage kant niet in een plotselinge verzakking in de grond kunnen vallen en of de wielen aan de hoge kant van het voertuig niet over rotsen, boomwortels of soortgelijke obstakels kunnen lopen daar hierdoor de kanteling plotseling en dramatisch kan worden vergroot. Zorg ervoor dat het gewicht van de passagiers in het voertuig gelijkmatig is verspreid. Tevens moet alle bagage van het imperiaal zijn verwijderd. Ook alle andere bagage moet altijd zo laag mogelijk worden vastgemaakt. Nooit vergeten: door een plotselinge beweging van de lading kan het voertuig omkantelen. 181

Rijtechnieken RIJDEN IN WIELSPOREN Laat het voertuig zoveel mogelijk een eigen weg zoeken langs de onderkant van de wielsporen. Het stuurwiel moet echter altijd stevig worden vastgehouden zodat dit niet vrij kan ronddraaien. Speciaal als op een natte ondergrond het stuurwiel wel de gelegenheid wordt gegeven om vrij rond te draaien, kan het erop lijken of het voertuig in de wielsporen recht vooruit rijdt. In feite (als gevolg van het gebrek aan tractie veroorzaakt door de natte ondergrond) is het mogelijk dat de voorwielen geheel naar links of rechts staan. Zodra door de wielen een gelijkmatige ondergrond of een droog gedeelte wordt bereikt, wordt de tractie hersteld en is het mogelijk dat het voertuig dan plotseling naar links of rechts schiet. OVERSTEKEN VAN EEN RICHEL H4434 Altijd een richel onder een rechte hoek benaderen zodat beide voorwielen tegelijkertijd de richel oversteken - als een richel onder een hoek wordt benaderd is het mogelijk dat tractie wordt verloren omdat diagonaal tegenover elkaar geplaatste wielen eventueel tegelijkertijd het contact met de ondergrond kunnen verliezen. 182

Rijtechnieken OVERSTEKEN VAN EEN SLOOT OF GREPPEL H4435 Greppels dienen, met ingeschakeld differentieelslot* onder een hoek te worden overgestoken zodat altijd drie wielen in contact blijven met de grond. Als u onder een rechte hoek op de sloot of greppel afrijdt zullen beide voorwielen tegelijkertijd omlaag "vallen" waardoor het chassis en de voorbumper vast kunnen komen te zitten op de andere kant van de sloot of greppel. Als een voertuig is uitgerust met een wielophanging met automatische hoogte-instelling en als dit door de zwaarte van het terrein nog de enige mogelijke oplossing is, dan is het mogelijk om met de hand de automatische hoogte-instelling te gebruiken om de bodem-vrijheid aan de achterkant van het voertuig te verhogen. In sommige gevallen kan dit nuttig zijn. 183

Rijtechnieken DOORWADEN WAARSCHUWING De maximum geadviseerde doorwadingsdiepte bedraagt 0,5 m. Het elektrische systeem kan ernstig worden beschadigd als het voertuig enige tijd stil blijft staan terwijl het waterpeil hoger is dan de deurdorpel. De katalytische omvormer kan gedurende doorwaden van water ernstig worden beschadigd als de motor langer dan een paar seconden afslaat terwijl het water hoger staat dan de achterste uitlaatpijp. Als het water waarschijnlijk dieper is dan 0,5 m, dan moeten de volgende voorzorgsmaatregelen worden getroffen: Plaats een vel waterbestendig materiaal voor de radiatorgrille, zodat water daar niet doorheen kan stromen en de motor dus minder makkelijk kan worden doordrenkt. Ook zal de radiator niet door modder worden verstopt. Verwijder deautomatische CD-wisselaar.* Controleer of de bodem van de stroom vrij is van obstakels en stevig genoeg is om het gewicht van het voertuig te kunnen dragen. Ook moet voldoende tractie worden geleverd. Zorg ervoor dat de luchtinlaat van de motor boven het water uitsteekt. Kies de differentieelvergrendeling*. Kies een lage versnelling. Zorg ervoor dat het gaspedaal voldoende wordt ingedrukt zodat de motor niet afslaat. Dit is vooral belangrijk als de uitlaatpijp zich onder water bevindt. Het water langzaam inrijden en accelereren tot een snelheid waarbij een boeggolf wordt gevormd; die snelheid moet worden gehandhaafd. De deuren mogen nooit - zelfs niet gedeeltelijk - worden geopend. N.B.: Als regelmatige diepe stromen moeten doorwaad, verdient het aanbeveling om voor advies contact op te nemen met uw Land Rover dealer/officieel geautoriseerde reparateur. 184

Rijtechnieken Na doorwaden Schakel het differentieelslot uit* zodra een stevige ondergrond is bereikt. Een korte afstand met het voertuig afleggen en het rempedaal induwen teneinde te controleren of de remmen nog geheel effectief werken. Vertrouw NOOIT op de handrem om het voertuig in stationaire positie te houden tot de transmissie geheel is gedroogd; Laat het voertuig in de tussentijd met de versnellingsbak in een versnelling, staan (kies de parkeerstand 'P' op voertuigen met automatische versnellingsbak). Verwijder het vel waterbestendig materiaal voor de radiatorgrille. Als het water bijzonder modderig was, moeten eventuele verstoppingen (modder en bladeren) uit de radiator worden verwijderd teneinde oververhitting te voorkomen. Als regelmatig door diep water moet worden gereden, moet alle olie gecontroleerd worden op water-vervuiling - vervuilde, geëmulgeerde olie is makkelijk herkenbaar aan het "melkachtige" uiterlijk. Tevens moet worden gecontroleerd of in het luchtfilter-element water is doorgedrongen. Een nat filter moet worden vervangen - zonodig dient u het advies in de winnen van een Land Rover dealer/officieel geautoriseerde reparateur. Als vaak in zout water wordt gereden, moeten de componenten onder de auto en aangetaste carrosseriepanelen met zoet water goed worden gereinigd. N.B.: Voertuigen waarmee regelmatig diepe stromen moeten worden doorwaden, moeten vaker worden onderhouden. Vraag een Land Rover dealer/officieel geautoriseerde reparateur om advies. 185

Door eigenaar uit te voeren onderhoud Onderhoud ONDERHOUD........................... 189 DOOR EIGENAAR UIT TE VOEREN ONDERHOUD........................... 190 VEILIGHEID IN DE GARAGE................ 191 EMISSIEREGELING...................... 192 WEGTESTDYNAMOMETERS ("rolbanen")............................ 192 Motorkapopening MOTORKAPOPENING.................... 193 Motorruimte DIESELMOTOR......................... 194 BENZINEMOTOR........................ 195 Motorolie CONTROLEREN EN BIJVULLEN............. 196 Koelsysteem KOELVLOEISTOF CONTROLEREN EN BIJVULLEN............................ 198 ANTIVRIES............................. 199 Remmen REMVLOEISTOF......................... 200 Met stuurbekrachtiging STUURBEKRACHTIGINGSVLOEISTOF........ 202 Actief stabilisatiesysteem (ACE) ACTIEF STABILISATIESYSTEEM (ACE) - VLOEISTOF........................... 203 Sproeiers RUITENSPROEIERRESERVOIR BIJVULLEN.... 204 SPROEIERBUISJES...................... 205 KOPLAMPSPROEIERS.................... 205 Wisserbladen WISSERBLADEN VERVANGEN............. 206 187

Door eigenaar uit te voeren onderhoud Accu ACCU - VEILIGHEID..................... 207 ACCU - ONDERHOUD.................... 207 Banden ONDERHOUD VAN UW BANDEN........... 210 Sneeuwkettingen........................ 213 Reiniging en verzorging van voertuig WASSEN VAN UW VOERTUIG............. 214 REINIGEN VAN HET INTERIEUR............ 216 Identificatienummers VOERTUIGIDENTIFICATIENUMMER (VIN).... 217 Onderdelen en accessoires ONDERDELEN EN ACCESSOIRES........... 218 KLANTENNAZORG...................... 219 188