Elementaire meettechniek (2) E. Gernaat (ISBN 978-90-808907-5-6) 1 Elektrische schema s 1.1 Introductie Het kunnen lezen van elektrische schema s is van belang bij het opsporen van storingen 1. Veel merken hebben hun eigen schematekeningen. De schema s van de afzonderlijke fabrikanten hebben vaak hun eigen bijzonderheden. We zouden de schema s naar functie kunnen verdelen in: het contactslotcircuit; het start- en laadcircuit; deelcircuits als verlichtings- en ruitewissercircuit; de computercircuits; de buscircuits; de voertuigspecifieke circuits. Vaak wordt er gebruik gemaakt van watervalschema s, de voedingsdraden boven, de massa aan de onderzijde en daartussen de componenten. 2 VAG-schema s We bekijken de opbouw van een schema zoals bij VAG standaard wordt toegepast (fig. 1). De kleurcode van de bedrading is als volgt: ws = wit sw = zwart ro = rood br = bruin gn = groen bl = blauw gr = grijs li = paars ge = geel 1. Op dit werk is de Creative Commons Licentie van toepassing. Op voorwaarden vrij kopieerbaar 1
Figuur 1: Het elektrische schema van het start- en laadcircuit van de Seat Arosa. A accu, B startmotor, C dynamo, C1 spanningsregelaar, D contactslot, J59 ontlastrelais, S zekeringen, T23 23-wegstekker, (1)(2) massakabel, (Bxxx) kabellassen, E19 schakelaar parkeerlicht, E1 lichtschakelaar, E4 dim- en grootlicht. 2
De draaddoorsnede in mm 2 wordt bij de kleurcode aangegeven. De relatie tussen de doorsnede en de toelaatbare stroom wordt in de tabel van fig. 2 weergegeven. We onderscheiden in het schema van fig. 1 drie plusaansluitingen te doorsnede 2 opp. mm 1 1,5 2,5 4 6 10 16 25 35 50 70 95 120 weerstand per m in mohm bij 20 o C 18,5 12,7 7,6 4,71 3,14 1,82 1,16 0,743 0,527 0,368 0,259 0,196 0,153 draad buiten diam. in mm 2,7 19 3.0 3,6 4,4 5,0 6,5 8,3 10,4 11,6 13,5 15,5 18,0 19,7 max. continu stroom (A) 0 30 50 C 24 32 42 54 73 98 129 158 198 245 292 344 Figuur 2: Tabel draaddoorsnede weten: Plus 30, dit is de plus-aansluiting rechtstreeks van de batterij/dynamo. Tegenwoordig wordt deze meestal via een hoofdzekering gezekerd. Plus x (75x), dit is een plus-aansluiting die via het contactslot door het ontlastrelais wordt ingeschakeld (accessoires-aansluiting). Plus 15, dit is de plus-aansluiting die door het contactslot wordt ingeschakeld. Verder hebben we vaak te maken met: Een hoofdzekeringkast Een relaiskast Een zekeringkast 2.0.1 De hoofdzekeringkast Deze is geplaatst op of in de buurt van de batterij. De doos bevat zware zekeringen. Men maakt vaak gebruik van bladzekeringen. In fig. 1 zijn dit zekeringen van 80, 20 en 110 A. 2.0.2 De relaiskast Een relaiskast ontvangt zijn voeding van de hoofdzekeringkast en vormt het voedingscentrum voor een groot aantal elektrische circuits. Belangrijke relais zijn: ontlastrelais (X); brandstofpomprelais; knipperlicht/alarm relais; 3
intervalrelais voor ruitewissers. In fig. 3 is het bovenaanzicht van de relaiskast weergegeven, waarin het ontlastrelais met 3 en het benzinepomprelais met 4 wordt aangegeven. We vinden 3 ook weer terug in fig. 1. Figuur 3: Bovenaanzicht van de relaiskast van de Seat Arosa 2.0.3 De zekeringenkast Meestal is deze geplaatst bij de relaiskast. De kast bevat de zekeringen van de elektrische componenten of clusters van componenten. De zekeringen hebben meestal een kleurcodering. 30 A zekeringen zijn groen, 20 A zekeringen geel en 10 A zekeringen zijn rood. Keren we terug naar fig. 1 dan zien we dat de laadstroom vanaf B+ via een 110 A zekering naar de batterij gaat en via een 80 A zekering naar plus 30. Verder zien we in een paar hokjes de getallen [71], [17] en [104] staan. Op de onderste lijn in het schema staan getallen van 1 t/m 14. 14 is een massapunt maar ook de positie waarin zich [104] bevindt. Zoeken we nu in het schema van de Arosa op een andere bladzijde [104] op dan vinden we in de [104] aansluiting [14] terug (fig. 4). Aansluiting [104] is dan doorverbonden met [14]. We komen dan uit bij het instrumentenpaneel en wel bij het dynamocontrolelampje. Dit hadden we natuurlijk ook verwacht van de D+ aansluiting van de dynamo. 2.1 Het contactslotcircuit In fig. 5 is het schema van het contactslot vergroot weergegeven alsmede de aansluitingen aan de onderzijde van het contactslot. We onderscheiden de volgende situaties: 4
Figuur 4: Vanaf [104] vinden we [14] zijnde de aansluiting van het dynamocontrolelampje. G5 toerenteller, H11 waarschuwing oliedrukcontrole, J285 instrumentenpaneelcomputer, S227 zekering, T32 32polige stekker, B102 en 44 massaverbinding, B159 diagnose. 30 50 15 P 30 D S X X 50 15 P S Figuur 5: Contactslot: 50 startmotor, 15 plus contactslot, 30 plus, X accessoire-contact, S sleutelcontact, P parkeercontact 5
1. Instappen Nog geen contact, contactsleutel in stand 0 (zonder draaien). Elektrisch: 30 doorverbonden met P. Vanuit P kunnen de parkeerlichten van spanning worden voorzien. 2. Contactslot in stand 1 (slot beweegt naar binnen) Het stuurslot komt vrij. Elektrisch: 30 wordt doorverbonden met S. Dit is het sleutelcontact. De radio is meestal over het sleutelcontact aangesloten. 3. Contactslot in stand 2 (contact) Elektrisch: 30 wordt doorverbonden met S, X en 15. De injectoren, computer en ontsteking krijgen plus van het 15 contact. 4. Contactslot in stand 3 (start) Elektrisch: 30 doorverbonden met S, 15 en 50 (X contact wordt verbroken). Wanneer de verlichting gevoed wordt vanaf het X-contact zal bij licht aan het licht tijdens het starten uitgaan. 5. Contactslot weer terug in 2 (contact, motor draait) 6. Contactslot terug in stand 1 Motor stopt, plus 15 wordt verbroken. 7. Contactslot terug in stand 0 Slot wordt nog naar binnen geduwd, 30 wordt doorverbonden met S. Radio blijft aan. 8. Contactsleutel uit slot, stand 0 Slot wordt naar buiten gedrukt, op stuurslot. 30 doorverbonden met P. Radio uit. 2.2 Het startmotorcircuit De startmotor B kent de genormaliseerde aansluitingen 30 en 50. De hoofdstroom komt direct van de batterij met een zwarte kabel (SW) met een doorsnede van 35 mm 2. In het geval van starten wordt aansluiting 30 en 50 van het contactslot met elkaar verbonden. Zie dat in het contactslot X wordt verbroken. 2.3 Elektrische deelcircuits In het voorbeeld schema van fig. 6 heeft men de aansluiting van de achterruitverwarming, wissermotor achter en de sproeierpomp weergegeven. De bedrading aan de bovenzijde aangegeven met n, o, p verwijst naar de volgende bladzijde van het schemaboek (fig. 7). Aansluiting m (geheel links) is een plus van het ontlastrelais. [152] komt van de verlichtingsschakelaar. De klemaanduiding geschiedt bij VAG volgens de DIN 72552. Hier volgen de voornaamste aansluitingen. 6
Figuur 6: Schema van de achterruitverwarming, wissermotor achter en de sproeierpomp. E15 schakelaar achterruitverwarming, K10 controlelampje achterruitverwarming, L39 verlichtingslampje in schakelaar, Sxxx, zekeringen in zekeringhouder, V12 achterruitwissermotor, V59 voorruit- en achterruitsproeierpomp, Z1 achterruitverwarming, T5 vijfwegstekker, 81, 98, 218 massa-las, A96, A97, A102, W8 kabellas. 7
Figuur 7: Schema van de ruitewisserschakelaar met interval, regelaar ruitewisserintervalschakelaar, sproeiwis-intervalrelais, ruitewissermotor. E22 ruitewisserschakelaar met interval, E38 regelaar ruitewisser (intervalschakeling), V ruitewissermotor, T5 5-wegstekker in ruitewissermotor, 81,179 massa-las, A96, A97, A102 kabel-las 8
3 Klemaanduiding volgens DIN 72552 bobine, stroomverdeler 1 bobine, laagspanningsgedeelte 15 geschakelde plus na batterij voorgloeischakelaar 17 starten 19 voorgloeien batterij 30 ingang van de plus van de batterij, direct 31 terugvoerleiding naar batterij min of massa, direct 31b geschakelde min of massa elektromotoren 32 terugvoerleiding 33 hoofdaansluiting startmotor 45 gescheiden startrelais. uitgang: startmotor, ingang hoofdstroom 48 klem aan startmotor en aan het startherhaalrelais, bewaking van het startverloop 50 startmotorbediening (direct) knipperlichtautomaat (impulsgever) 49 ingang 49a uitgang ruitewissermotor 53 wissermotor, ingang (+) 53a wisser (+), eindafstelling 53b wisser (shuntwikkeling) 53c elektrische ruitesproeierpomp 53e wisser (remwerking) 53i wissermotor met permanente magneet en derde borstel (voor hogere snelheid) verlichting 55 mistlampen 56 koplamplicht 56a grootlicht en grootlichtcontrole 56b dimlicht 56d waarschuwingslichtcontact 9
57a parkeerlicht 57L parkeerlicht, links 57R parkeerlicht, rechts 58 markerings-, achter-, kenteken- en instrumentenverlichting dynamo en regelaar 61 dynamocontrole B+ batterij plus B- batterij min D+ dynamo plus D- dynamo min DF dynamoveld (rotor) U, V, W draaistroomklemmen schakelapparaat toonopeenvolging 71 ingang 71a uitgang naar claxon 1+2 laag 71b uitgang naar claxon 1+2 hoog geluidsapparatuur 75 radio 76 luidspreker schakelaar 81 ingang 81a uitgang 82 ingang 82a uitgang 83 ingang 83a uitgang stroomrelais 84 ingang, aansturing relaiscontact 84a uitgang aansturing 84b uitgang relaiscontact 84a 84b 84 Figuur 8 schakelrelais 10
85 uitgang, aansturing (wikkelingseinde min of massa) 86 wikkelingsbegin relaiscontact bij verbreekcontact- of wisselschakelaars 87 ingang 87a eerste uitgang (verbreek-contactkant) relaiscontact bij verbreekcontactschakelaar 88 ingang relaiscontact bij verbreekcontact en wisselschakelaar 88a uitgang relaiscontact bij maakcontact 88z eerste ingang 88y tweede ingang 86 87a 88a 87a 88a 87a 88a 88b 85 87 88 87 87 Figuur 9 richtingaanwijzing C eerste controlelamp C0 hoofdaansluiting van de knipperlichtgever gescheiden controlelamp C2 tweede controlelamp C3 derde controlelamp (bijv. bij twee aanhangerbedrijf) L knipperlichten, links R knipperlichten, rechts 4 Elektrische schema s van Peugeot Bij Peugeot worden de elektrische (functie)schema s verdeeld in drie catagoriëen, namelijk: schematische overzichten met symbolen van de componenten; bedradingsschema s met kabelbundels; situatie-tekeningen van componenten en kabelbundels. Een schematisch overzicht toont ons fig. 10. In het schema van fig. 10 is de betekenis van de letters bij de pijlen: A: massa-verbinding 11
Figuur 10: Voorbeeld van een elektrische schema van Peugeot. 12
B: componentnummer C: draadnummer D: nummer van de connector E: kleur van de connector F: pinnummer G: nummer van de zekering H: draadverbinding I: functienummer van het component J: aanwezigheid afhankelijk van de voertuigspecifikatie K: symbool (pictogram) van het component L: bij elkaar komende draden M: aanduiding van een knooppunt De kleurcodes zoals onder E zijn aangegeven als volgt: BA: wit BE: blauw BG: beige GR: grijs JN: geel MR: bruin NR: zwart OR: oranje RG: rood PS: paars VE: groen VI: zacht paars VJ: groen/geel 4.0.1 Functie en onderdeelcodes De functiecode-nummering zorgt ervoor dat het onderdeelnummer gekoppeld wordt aan een elektrische functie. Een onderdeelnummer bestaat uit 4 cijfers. De eerste twee cijfers geven de functie van het onderdeel weer en de laatste twee zijn de eigenlijke componentnummers. Bijv. 8048 (fig. 10) laat zich splitsen in 80 (I) als de functie en 48 als het onderdeelnummer. De functies worden onderverdeeld in acht hoofdgroepen, welke weer worden onderverdeeld in subgroepen. Groep 8 staat bekend onder rijcomfort waarvan 80 verwarming, ventilatie, airconditioning vertegenwoordigt en 84 (als voorbeeld) de radiogroep is. Het onderdeel 8048 is dan de relais-ventilator. Twee andere nummers die we tegenkomen in fig. 10 zijn 1010 en 1020. 1 staat voor de motorgroep en de 0 staat voor starten en stroomopwekking. 10 en 20 zijn weer de onderdeelnummers. Onderdeelnummer 1010 is de startmotor en onderdeel 1020 de dynamo. 13
Peugeot hanteert met het eerste cijfer van het onderdeelnummer de volgende functiegroepen: 1: motorgroep; 2: buitenverlichting en signalering; 3: binnenverlichting; 4: bestuurdersinformatie; 5: ruitewissers; 6: hulp aggregaten; 7: bestuurders-aggregaten; 8: rijcomfort. Wanneer de onderdelen behoren tot de elektriciteits-voorziening dan krijgen ze een eigen nummer bijv.: (zie weer fig. 10) BB00 is de batterij; CA00 is de contactschakelaar; BF00 is de zekeringenkast passagierscompartiment; BMF1 is een hoofdzekeringkast. Vrije connectoren die een speciale functie hebben bijv. een testfunctie beginnen met de letter C gevolgd door een cijfer bijv. C001. De letter M gevolgd door een nummer of letter staat voor de verschillende massapunten. C004 is het instrumentenpaneel; C001 diagnose-connector; M000 massapunt. Uiteraard kent Peugeot lijsten van alle componenten waarin deze nummers kunnen worden opgezocht. 4.0.2 Het bedradingsschema Fig. 11 geeft het bedradingsschema met de kabelbundels 10 PR, 50 P/B en 20 MOT. Deze kabelbundels kunnen weer opgezocht worden in een lijst van kabelbomen. De betekenis van de letters bij de aanduidingsstrepen is als volgt: B: componentnummer; C: draadnummer; D: nummer van de connector; E: kleur van de connector; F: pinnummer; H: draadverbinding; I: functienummer van het component; J: aanwezigheid afhankelijk van de voertuigspecifikatie; K: symbool (pictogram) van het component; N: kabelbundel identificatie; O: onderdeelnummer zekeringskast passagierscompartiment; P: verbindingsnummer altijd voorafgegegaan door IC (interconnect); 14
Figuur 11: Voorbeeld van bedradingsschema van Peugeot. 10 PR staat voor de hoofdkabel, 50 P/B staat voor het dashboard, 20 MOT staat voor de motor, 30 ABR voor de ABS-kabelbundel. 15
Q: aantal interconnecties op dit knooppunt; R: kleur van de interconnector; S: het interconnectienummer (13 van 23); T: verbinding. De onderdeelnummers zijn al bij fig. 10 ter sprake gekomen. 4.0.3 Situatie-tekeningen van componenten en kabelbundels De plaats van de componenten en de kabelbomen worden in situatietekeningen weergegeven. Fig. 12 geeft een voorbeeld. De betekenis van de genummerde Figuur 12: Voorbeeld van situatieschema van Peugeot pijlen is als het volgt: 1: nummer van de kabelbundel (30 ABR ABS-kabelbundel); 2: onderdeelnummer (7020 ABS-computer); 3: aantal pinnen van de connector (31V); 4: connectorkleur (NR); 5: massapunt (MC10A); 6: splitsing bundel (E104); 7: interconnectie tussen kabelbundels (IC048); 8: nummer (verbonden) kabelbundel (10 PR hoofdbundel); 9: A zie detailtekening A; 10: plaats van de kabellabel. 16
Fig. 13 toont ons als voorbeeld het overzichtsschema van de buitenverlichting en signalering van de Peugeot 307 met de volgende elementen: 2100: stoplicht schakelaar; 2110: extra stoplichten; 2200: achteruitrijlampschakelaar; 2215: achterruitrijlamp schakelaar rechts; 2615: rechter achterlicht; 2522: hoogtonige claxon; 2675: mistlamp rechts voor; 2210: schakelaar achteruitrijlamp; 2630: achterlicht links; 2635: achterlicht rechts; 2610: linker koplamp; 2521: laagtonige claxon; 2670: linker mistlamp voor; BSI1: ingebouwde interface-schakeling; BM34: motorzekeringenkast met 34 zekeringen; 2633: nummerplaatverlichting rechts; 2636: nummerplaat verlichting; 2340: clignoteurschakelaar links; 2345: clignoteurschakelaar rechts; CV00: schakelaar onder stuurwiel; 2300: alarmschakelaar; 0004: instrumentenpaneel. Figuur 13: Overzichtsschema van de buitenverlichting Hiervan wordt de achterverlichting in fig. 14 gedetailleerd weergegeven. In fig. 15 vinden we de gebruikte symbolen terug. 17
Figuur 14: Voorbeeld van situatieschema van Peugeot Figuur 15: Gebruikte symbolen: a dimlicht, b grootlicht, c (oranje) zijlichten, d mistlampen, e rechterachterlicht, f linker voorkoplamp, g rechter voorkoplamp, h linker achterlicht. 18
5 Elektrische schema s van Chrysler De elektrische schema s van Chrysler zijn ook weer verschillend. Het startcircuit bijv. wordt in eerste instantie door een overzichtstekening weergegeven (fig. 16) gevolgd door een beknopte beschrijving. Willen we meer details over het Figuur 16: Overzichtsschema van het startcircuit. PCM = Powertrain Control Module, contactslot hebben dan zoeken we in een componenten-index naar het contactslot (ignition switch). Deze vinden we onder 8W-10-15 (zie fig. 17). Nu kunnen we verder zoeken naar ST A41 en we zien de details van het startcircuit afgebeeld (fig. 18). Wanneer we nu fig. 17 met fig. 18 vergelijken dan zien we de verschillende onderdelen als de koppelingsschakelaar, het startrelais, de startmotor in detail afgebeeld. Het valt op dat we bij deze auto het koppelingspedaal in moeten trappen om te kunnen starten en dat het startrelais beschermd wordt door een PTC-weerstand van 3 A. 19
Figuur 17: schema van het contactslot 20
Figuur 18: Schema van het startcircuit in detail 21
6 Vragen en opgaven 22