Geen einddatum én toch is er hoop

Vergelijkbare documenten
Zorg voor personen met het statuut internering. Lunchen met justitie 24 oktober 2017

Project D: Recover. De Schone en het Beest. Persoonlijk herstel binnen een forensische context

Oude uitdagingen, nieuwe kansen! Over de behandeling van geïnterneerden

Rehabilitatie in de forensische psychiatrie, een schijnbare tegenstrijdigheid een zicht op de visie van een forensischpsychiatrische

Herstelgerichte ondersteuning van personen met een psychiatrische problematiek die een strafbaar feit pleegden

Artikel. iedereen? Annelies Permentier 1, Freya Vander Laenen 2, Wouter Vanderplasschen 3 & Tom Vander Beken 4

Project C: Desist. Desistance bij wetsovertreders met een psychiatrische problematiek Verkennende focusgroepen

Internering. Analyse dossiers vanuit brugfunctie justitie zorgsector

Welkom op onze afdeling!

Herstel van verslaving? Conceptualisering door individuen in herstel

Belangrijke woorden Herstel Centraal

Advies KAGB over de Forensische Psychiatrie 26 April Em. Prof. Paul Cosyns UA Gewoon lid, Psychiatrie

Uitdagingen in de forensische psychiatrie

Centrum voor Transculturele Psychiatrie Veldzicht

Internering: POSITIENOTA

Persoonlijk herstel in een forensische context

VAN ZORG NAAR PREVENTIE

Externe brochure : toelichting

Overzicht tabellen en figuren 19. Overzicht gebruikte afkortingen 19

De internering van personen die lijden aan een geestesstoornis

Abagg. Ambulante Begeleiding Aan Geïnterneerden met een verstandelijke beperking in de Gevangenis

Herstel bij ouderen. Tienen 19 oktober 2018 Ann Callebert

Leven in Herstel : onderzoek naar de hersteltrajecten van mensen met een drugsverslaving

Project E Include. De ervaringen van familieleden van personen die geïnterneerd zijn (geweest): een kwalitatief onderzoek. Drs.

Goede afspraken maken goede vrienden: het beroepsgeheim van de GGZ bij justitie-patiënten

De multidisciplinaire richtlijn voor de preventie en toepassing van afzondering en fixatie in de residentiële GGZ

Advies betreffende opmerkingen op de wet van 21 april 2007 betreffende de internering van personen met een geestesstoornis

Manifest Internering Een betere behandeling voor geïnterneerden

Sociale Plattegrond Justitie

Naar een betere geestelijke gezondheidszorg. door de realisatie van zorgcircuits en netwerken

Wie zijn onze patiënten?

T. Vander Beken is hoogleraar aan de Vakgroep Criminologie, Strafrecht en Sociaal Recht (IRCP), Faculteit Rechtsgeleerdheid, Universiteit Gent.

De organisatie van vorming, opleiding en arbeidstoeleiding als voorbereiding sociale re-integratie in Vlaamse gevangenissen

GERONTOLOOG WORDEN MASTER OF SCIENCE

Van twee naar één netwerk Een nieuw netwerk Een nieuwe naam

WELLNESS RECOVERY ACTION PLAN (WRAP ) IT S A WAY OF LIFE!

Naar een betere geestelijke gezondheidszorg. door de realisatie van zorgcircuits en netwerken

Nederlandse samenvatting (Summary in Dutch)

CGt binnen de ambulante forensische GGz: nieuwe ontwikkelingen

Forensische zorg en LVB. Een beter leven in een veilige maatschappij

De juridische positie van wetsovertreders met een psychische stoornis. De implementatie van een internationaal en Europees raamwerk in België

Kwaliteitsvolle vraagverduidelijking

Onze visie is gebaseerd op literatuur, ervaringen van cliënten en de vele ontmoetingen met allerlei mensen, instellingen, onderwijs, gemeenten etc.

Sterktes van mensen. Sterktegerichte strategieën voor het ondersteunen van mensen met een psychiatrische problematiek die strafbare feiten pleegden

Forensischezorg: circuit of kortsluiting?

OBRA BAKEN vzw Voorheen Centrum OBRA vzw. 4HOBO: Forensische outreach voor jongeren met (vermoeden van) een verstandelijke beperking en risicogedrag

WET BETREFFENDE DE INTERNERING 5 MEI 2014

HERSTELLEN KAN JE ZELF Hoopvol leven met een psychische kwetsbaarheid

The Whole is More. A Contextual Perspective on Attitudes and Reactions of Staff towards Aggressive Behaviour of Clients with ID in Residential

Wat is shared decision making? (SDM)

Factoren van invloed op de intensiteit van de behandeling van patiënten met een autismespectrumstoornis en het geassocieerde herstel.

werken aan herstel startdag rond herstelondersteunende zorg PZ Onze-Lieve-Vrouw Brugge PC Sint-Amandus Beernem 27 maart 2013 OC De Kleine Beer

Expertisecentrum E-QUAL. Inhuldiging E-QUAL leerstoelen

Actie ter ondersteuning van de federale beleidsnota drugs

Richtlijnen Palliatieve en Supportieve zorg

Van Probleem naar Perspectief. Onderzoek naar het herstel van mensen met een ernstig psychiatrische aandoening

Herstelondersteunende zorg in een veranderend zorglandschap. Michiel Bähler Adviseur/ psycholoog GGZ NHN

Achtergronddocument Specifieke groepen binnen de GGZ

Nederlandse samenvatting proefschrift: Mild intellectual disability: an entity? Mapping clinical profiles and support needs.

Steunpunt Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Personen met een verstandelijke handicap onderhevig aan een interneringsmaatregel

Exploratief onderzoek naar de kwaliteit van leven bij oudere geïnterneerden

Welkom op onze afdeling!

De opvang van geïnterneerden anno 2009 een stand van zaken.

PATHOLOGIE EN BEHANDELING BIJ

Ouderschap strategieën van vaders en moeders met een psychische ziekte.

Interventie Grip op Agressie

Herstel bij verslaving

Mentale kracht in de Forensische Psychiatrie

SAMENVATTING. Inleiding

Hybride werken bij diagnose en advies. Inleiding

Steunpunt Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Personen met een verstandelijke handicap onderhevig aan een interneringsmaatregel

MEDEDELING AAN DE LEDEN VEN DE VLAAMSE REGERING

Samenwerking SPV PI Zwolle en ACT

Methoden van het Wetenschappelijk Onderzoek: Deel II Vertaling pagina 83 97

Samenvatting. Onderzoeksvragen

Forensische psychiatrie en positieve psychologie

Historiek en vermaatschappelijking van de geestelijke gezondheidszorg

Inzicht in psychische kwetsbaarheid. informatieblad. 1 augustus Vooruitgang door vernieuwend werkgeven

Forensisch Psychiatrisch Centrum de Kijvelanden. Over TBS

Recht op zorg? De rechtspositie van geïnterneerden

SWVG zoekt wetenschappelijk medewerkers

Procedure voor de verwerking van een aanvraag tot onderzoek

Verklarende woordenlijst

Angst Stemming Psychose Persoonlijkheid Gebruik middelen Rest

Verdere informatie is te vinden in de statuten van de vzw, zoals gepubliceerd in het staatsblad van 22/03/2007.

jongeren. het beste in verdieping en

Positioneren van de SPV

Welkom op onze afdeling!

richtlijnen opstellen, al dan niet voor specifieke dadertype/doelgroepen

POLPAROL HOE ONT-MOETEN KAN BIJDRAGEN TOT HERSTEL

Landelijke dag VMDB 18 maart Ontwikkelen en implementeren van Zorgstandaarden


Netwerk Geestelijke Gezondheid ADS. Situering Netwerkdag 25 januari 2019 Vanessa De Roo Netwerkcoördinator Netwerk GG ADS

Begeleiding van geïnterneerden met een verstandelijke handicap

Symposium: Vermaatschappelijking en de vraag naar creativiteit en innovatie in het werken met mensen in maatschappelijk kwetsbare leefsituaties

Ga de dialoog aan, Distelmans!

Take-home toets: Kwalitatief onderzoek

DEELNEMEN AAN ONDERZOEK

POST-HBO OPLEIDING. Forensische psychiatrie. mensenkennis

Transcriptie:

Academiejaar 2015 2016 Tweedekansexamenperiode Geen einddatum én toch is er hoop Geïnterneerde personen met een verstandelijke beperking aan het woord over hun herstelproces Promotor: Prof. Dr. W. Vanderplasschen Begeleidster: Natalie Aga Sibylle Heimans Masterproef II neergelegd tot het behalen van de graad van Master of Science in de Pedagogische Wetenschappen, afstudeerrichting Orthopedagogiek.

1

The goal of recovery is not to become normal. The goal is to embrace the human vocation of becoming more deeply, more fully human. Amerikaanse ervaringsdeskundige (Patricia Deegan, 2016) 2

3

WOORD VOORAF Alhoewel dit dankwoord op de eerste pagina is neergeschreven, kwam het tot stand op het einde van het afwerken van deze masterproef. Bovendien is mijn thesis het resultaat van een sluitstuk van een zeer boeiende en uitdagende opleiding. Binnenkort laat ik mijn studieperiode achterwege en opent zich een heel nieuwe weg voor mij. Met veel nieuwsgierigheid en gedrevenheid kijk ik uit om deze nieuwe richting in te slaan. Vooraleer ik langzamerhand mijn nieuw pad bewandel, wil ik graag van de gelegenheid gebruik maken om terug te blikken naar de voorbije jaren en mijn dank te uiten aan de personen die meegeholpen hebben met de realisatie van dit eindwerk. Mijn interesse in de forensische zorgsector kent zijn wortels in mijn voorgaande opleiding Orthopedagogie aan de Hogeschool. Hier kreeg ik de kans om stage te volgen in een woon- en behandelingscentrum voor geïnterneerde personen met een verstandelijke beperking. Deze leerrijke ervaring wakkerde mijn interesse ten aanzien van deze dynamische doelgroep sterk aan. De aandacht voor het criminologisch en forensisch werkveld is mij ook niet vreemd geweest omwille van de boeiende en vooral menselijke verhalen van mijn ouders. Zes jaar terug stond ik voor de keuze om verder te studeren. Een tijd heb ik getwijfeld om Criminologische Wetenschappen te studeren. Uiteindelijk heb ik toch mijn buikgevoel gevolgd en voor datgene gekozen waarbij de persoon centraal staat en minder het delict. Orthopedagogiek is een handelingswetenschap die een persoonlijke uitdaging biedt om voortdurend op zoek te gaan naar mogelijkheden om verder aan de slag te gaan. Deze reflectieve houding en het creatief denken, spreken mij het meest aan. Vooraleer jullie overgaan tot het lezen van deze thesis, wil ik graag enkele personen in de verf zetten. Vooreerst gaat een speciaal woord van dank uit naar de respondenten en instanties, die deelgenomen hebben aan deze studie. Graag wil ik hen bedanken om tijd vrij te maken en om bereid geweest te zijn hun verhaal te delen met ons. De diepgaande en confronterende gesprekken met de respondenten waren betekenisvol voor mij als onderzoeker, maar ook als toekomstige hulpverlener. Daarnaast wil ik ook mijn oprechte dank betuigen aan mijn promotor Prof. Dr. Vanderplasschen en mijn begeleidster Natalie Aga. Jullie verdienen een welgemeende dankwoord voor de talrijke tips, ondersteuning en feedback gedurende het hele traject tijdens het tot stand brengen van mijn thesis. Graag wil ik Natalie Aga extra bedanken voor de tijd en energie die zij vrij maakte om al mijn vragen te beantwoorden, mij te voorzien van uitgebreide feedback en haar aanmoedigende woorden. Tot slot nog een speciaal woord van dank aan mijn ouders, Laurens en Stefanie. Papa, graag wil ik jou bedanken voor de onvoorwaardelijke steun de voorbije jaren. De aanmoedigende telefoontjes, onverwachte bezoekjes tijdens de blokperiode en jouw trotse blik hebben mij gesterkt in het volgen van deze opleiding en het volbrengen van deze masterproef. Mama, graag wil ik jou bedanken voor de talloze teksten die je hebt nagelezen en jouw kritische blik. Je stimuleerde mij telkens verder na te denken, ook al botste je af en toe op verzet. Ondanks de moeilijke periode de afgelopen jaren, toonde je een onuitputtelijke kracht om te blijven vechten en liefde te delen met ons. Laurens, graag wil ik jou bedanken voor jouw geduld, zachtaardigheid, motiverende gesprekken en het runnen van ons huishouden tijdens de opsluitmomenten in mijn bureau. Als laatste wil ik graag Stefanie bedanken voor het grondig nalezen van mijn thesis op taalgebied. 4

INHOUDSOPGAVE Woord vooraf 4 1. Probleemstelling en onderzoeksvragen... 7 2. Theoretisch kader... 9 2.1. Internering... 9 2.1.1. Interneringsmaatregel..9 2.1.2. Wetgeving..9 2.2. Geïnterneerde personen met een verstandelijke beperking 11 2.2.1. Personen met een interneringsstatuut...11 2.2.2. Cijfermateriaal..12 2.2.3. Verstandelijke beperking 13 2.2.4. Ondersteuning- en behandelingsmogelijkheden in Vlaanderen 13 2.2.4.1. Zorg in penitentiaire inrichtingen..14 2.2.4.2. Gespecialiseerde zorg buiten penitentiaire inrichtingen..14 2.3. Ondersteuning- en behandelingsbenadering..15 2.3.1. Rehabilitatiemodellen en -interventies binnen de forensische zorg..15 2.3.2. Herstelperspectief..16 2.3.2.1. Situering herstelbeweging..16 2.3.2.2. Het concept herstel.16 2.3.2.3. Vormen van herstel.17 2.3.2.4. Herstelgerichte ondersteuning 17 2.3.2.5. Herstelperspectief binnen de forensische zorg 18 3. Methodologie..19 3.1. Keuze onderzoeksmethode.19 3.2. Samenstelling steekproef.19 3.3. Gegevensverzameling en -verwerking.20 3.3.1. Deelnemers.20 3.3.2. Diepte-interviews 21 3.3.3. Thematische analyse via het kwalitatieve analysesoftwarepakket NVivo..22 4. Onderzoeksresultaten.23 4.1. Kritische incidenten uit het verleden 23 4.2. Hulpverleningsrelatie 24 4.3. Begeleidingsvorm 25 5

4.3.1. Algemene herstelfactoren 25 4.3.2. Beleving van herstel vanuit de forensische ondersteuning..28 4.4. Persoons- en omgeving gerelateerde herstelfactoren.28 5. Discussie 30 5.1. Bespreking van belangrijkste conclusies.30 5.2. Beperking van het onderzoek.32 5.3. Aanbevelingen voor toekomstig onderzoek 33 5.4. Theoretische, praktische en beleidsrelevante bijdrage 33 6. Referentielijst 36 Bijlage 1: Informed consent.44 Bijlage 2: Interviewleiddraad... 47 6

1. Probleemstelling en onderzoeksvragen De ongunstige situatie waarin geïnterneerde personen in ons land verblijven is niet onbekend. Verschillende experten hebben reeds herhaaldelijk gewezen op hun precaire situatie (o.a. Casselman et al., 1997; Cosyns et al., 2007; Smet, 2013). Mede onder externe druk van nationale en internationale veroordelingen, stond het interneringsbeleid voortdurend, ook juridisch, ter discussie. Bovendien kwam in 2013, naar aanleiding van een euthanasieverzoek van een geïnterneerde persoon, de aandacht voor een meer humane behandeling van geïnterneerde personen sterk in de media (Nolf, 2013). De euthanasievraag riep heel wat bedenkingen op. Het structureel probleem van ontoereikende zorg voor geïnterneerde personen met een verstandelijke beperking zou immers niet mogen leiden tot een aanvraag voor euthanasie. Men kan zich de vraag stellen of de euthanasieverzoek er ook zou geweest zijn indien hij een gepaste behandeling kreeg. Het aantal geïnterneerde personen in de gevangenis stijgt alsmaar (Federale Overheidsdienst Justitie, 2012). Op 15 september 2004 telde België 3306 geïnterneerde personen, waarvan 70% vrij op proef. Deze laatste groep ondergaat geen effectieve opsluiting, maar zijn wel geplaatst in een voorziening en krijgen een ambulante of residentiële behandeling (Cosyns et al, 2007). Sommige personen wachten al verschillende jaren op een aangepaste psychiatrische behandeling buiten de muren van de gevangenis. Een langdurige opsluiting in een penitentiaire inrichting zonder enige vorm van behandeling, heeft een negatief effect op het psychisch welbevinden. Mogelijks heeft dit ook geen gunstig effect op het recidiverisico. Een interneringsmaatregel heeft immers als doel een zo goed mogelijke rehabilitatie te verzekeren in de maatschappij en recidivekansen te beperken. Forensische patiënten vereisen een specifieke aanpak. De kans op re-integratie in de samenleving wordt in belangrijke mate mede bepaald door het kwalitatief zorgaanbod dat in voldoende continuïteit voorziet (Tervoort, 2003). Er dienen meer dynamische en flexibele zorgtrajecten uitgewerkt te worden. Zo hebben geïnterneerde personen het recht om te re-integreren via externe zorgcircuits buiten de penitentiaire inrichtingen (Heimans, Vander Beken & Schipaanboord, 2015). Op 9 juli 2014 werd de nieuwe wet betreffende de internering van personen van 5 mei 2014 gepubliceerd. Deze nieuwe interneringswet zal in werking treden op 1 oktober 2016 en vervangt bijgevolg de verouderde wetgeving die dateert van 1964 (Lagae, Vander Laenen, De Pauw & Janssens, in press). Door de sterke groei van het aantal geïnterneerde personen, moet er dringend meer aandacht besteed worden aan de zorg en behandeling van deze groep. Het bevorderen van de re-integratie in de maatschappij is de voornaamste zorgdoelstelling van het forensisch zorgcircuit. Afhankelijk van de mogelijkheden en beperkingen van de geïnterneerde persoon, krijgt dit zijn concrete invulling (Boers, Vandevelde, Soyez, Smet & To, 2011). Voor de behandeling van geïnterneerde personen verwijst Blackburn (2004) naar het gebrek aan voldoende wetenschappelijke literatuur. Ondanks het feit dat de reguliere geestelijke gezondheidszorg voornamelijk een positief georiënteerde benadering naar voren schuift, is de huidige aanpak van geïnterneerde personen dikwijls negatief georiënteerd. Bovendien wordt er nauwelijks gekeken naar hun eigen ervaringen en behoeftes gedurende het hele interneringsproces (Barnoa, Ward & Casey, 2015; Stephard, Doyle, Sanders & Shaw, 2015). De groep geïnterneerde personen is zeer heterogeen waardoor gedifferentieerde zorg cruciaal is. Er is een veelheid aan psychische en/ of psychiatrische problemen waarmee zij te kampen hebben. Binnen die groep zijn geïnterneerde personen met een verstandelijke beperking zeer kwetsbaar wegens hun specifieke zorgbehoeftes. Door hun beperkte weerbaarheid zijn zij in de gevangenis vaak slachtoffer van allerlei pesterijen. Daarnaast zijn zij ook slachtoffer van blijvende stigmatisatie. Deze groep wordt 7

al te vaak geassocieerd met gevaarlijke, onvoorspelbare individuen die niet of nauwelijks kunnen herstellen (Crisp, Gelder, Rix, Meltzer & Rowalds, 2000). Als gevolg van deze vooroordelen kunnen er psychische problemen, zoals sociale isolatie en angst, ontstaan. Bovendien stellen Van der Sleen en Heestermans (2010) dat deze groep kwetsbaar is gedurende het hele justitiële onderzoek. De politionele verhoren mogen niet suggestief zijn en er moet rekening gehouden worden met het tempo en taalgebruik van de persoon. De verhoordruk en hun psychische kwetsbaarheid, laag IQ 1 of psychiatrische stoornis, doet de kans tot onjuiste bekentenissen toenemen (Heestermans, 2010). Het in kaart brengen van belangrijke herstelfactoren maakt deel uit van het doctoraatsonderzoek van Natalie Aga. Haar onderzoek heeft als doel evidence-based strategieën te inventariseren voor herstelgerichte ondersteuning van personen met een psychiatrische problematiek die een strafbaar feit pleegden. Deze studie kadert binnen het grootschalig onderzoek Sterktes van mensen met een psychiatrische problematiek die strafbare feiten hebben gepleegd van de Universiteit Gent (Aga & Vanderplasschen, 2016). Via mijn thesisonderzoek wordt er gepoogd een bijdrage te leveren aan de conceptualisatie en visie rond belangrijke elementen van herstel van geïnterneerde personen met een verstandelijke beperking. Naast de wetenschappelijke bijdrage kunnen deze resultaten ook een aandeel leveren in de praktijk. In de literatuur is onderzoek naar de ervaring van het herstelproces van geïnterneerde personen met een verstandelijke beperking vrij beperkt. Deze studie kan een aanzet geven tot het verder ontwikkelen en verbeteren van behandeltrajecten in het forensisch zorgcircuit en het uitbreiden van wetenschappelijk onderzoek. Op basis van bovenstaande probleemstelling in de forensische zorgsector komen we tot het formuleren van de concrete onderzoeksvraag: Wat zijn, volgens geïnterneerde personen met een verstandelijke beperking, die ondersteund worden door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH), effectieve strategieën om herstel te initiëren, te bevorderen en te behouden? Deze onderzoeksvraag leidt tot de volgende deelvragen: A. Hoe ervaren geïnterneerde personen met een verstandelijke beperking hun herstelproces? a. Welke persoon- en omgeving gerelateerde factoren hebben een positieve invloed op het herstelproces? b. Welke factoren, eigen aan de specifieke begeleiding- en ondersteuningsvorm, helpen hen vooruit? 1 De gebruikte opdeling van IQ (intelligentiequotiënt): 70-85 zwakbegaafd, 50-70 lichte verstandelijke beperking, 35-50 matige verstandelijke beperking, 20-35 ernstige verstandelijke beperking en lager dan 20 diepe verstandelijke beperking. 8

2. Theoretisch kader Dit hoofdstuk behandelt uitvoerig de situatie van geïnterneerde personen met een verstandelijke beperking. Vooreerst wordt de interneringsmaatregel en de wetgeving uitgelegd. Nadien wordt dieper ingegaan op de doelgroep en de gekende statistische cijfers. Vervolgens wordt toegelicht welke behandelmogelijkheden en modellen voor geïnterneerde personen met een verstandelijke beperking gehanteerd worden. Tot slot wordt beschreven welke invloed de recovery-beweging heeft binnen de forensische zorg. 2.1. Internering 2.1.1. Interneringsmaatregel Internering is een beveiligingsmaatregel van onbepaalde duur die wordt opgelegd aan personen die strafbare feiten hebben gepleegd, maar omwille van hun geestestoestand niet toerekeningsvatbaar zijn verklaard (Casselman et al., 1997). Dit wil zeggen dat de persoon niet verantwoordelijk wordt gesteld voor het plegen van strafbare feiten omwille van zijn psychische toestand. De interneringsmaatregel is bijgevolg geen straf, maar een beschermingsmaatregel met als doel de geïnterneerde persoon te behandelen om re-integratie in de samenleving mogelijk te maken. Het onderzoeksgerecht of vonnisgerecht beslist over de ontoerekeningsvatbaarheid en kan een internering uitspreken (Vander Beken & Vanhaelemeesch, 2013). Van Koppen et al. (2002) wijzen op de cruciale rol van een kwalitatief onderbouwd psychiatrisch deskundigenverslag in de beslissing tot het uitspreken van een interneringsmaatregel. Het toekennen van een interneringsmaatregel wordt in België gezien als een dichotoom gegeven. Iemand is toerekeningsvatbaar of niet. Dit verschilt met onze noorderburen. In Nederland zijn er vijf verschillende gradaties in toerekeningsvatbaarheid (de Kijvelanden, 2007). Cosyns et al. (2007) verwijzen naar de tweeledigheid van een interneringsmaatregel, namelijk de maatschappij beschermen en de geïnterneerde persoon behandelen. Deze dubbele finaliteit is enerzijds gericht op het bieden van voldoende veiligheid aan de maatschappij en anderzijds op het aanbieden van gepaste zorgverstrekking met oog op re-integratie in de samenleving (Simpson & Penney, 2011). Bijgevolg dient er voortdurend een evenwicht bewaard te worden tussen de belangen van de maatschappij en de zorgbehoeftes van de geïnterneerde persoon. De interneringsmaatregel is van onbepaalde duur omwille van de onvoorspelbaarheid van de geestestoestand van de persoon om te kunnen re-integreren in de samenleving. Het interneringsbeleid is in ons land vaak onderhevig aan heel wat kritiek. Zo is België meermaals veroordeeld door het Europees Comité voor de Preventie van Foltering en Onmenselijke of Vernederende Behandeling of Bestraffing en door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (Smet, 2013). 2.1.2. Wetgeving Tot voor kort werd er gewerkt met de verouderde interneringswet van 1964: de wet ter bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde strafbare feiten (Goethals, 2002, p549). De eerste interneringswet dateert van 9 april 1930. Voordien bestond enkel het artikel 71 2 in het strafwetboek. Wanneer een beschuldigde of beklaagde op het ogenblik van het feit in staat van krankzinnigheid was, dan kon hij niet verder vervolgd worden (Casselman, 2015). 2 Artikel 71 stelt dat er geen misdrijf is wanneer de beschuldigde of de beklaagde op het ogenblik van het feit in staat van krankzinnigheid is. 9

Wegens hevige kritiek werd het artikel 71 van het strafwetboek verder geoperationaliseerd door de wet van 9 april 1930 (Goethals, 2002). Ondanks de inwerkingtreding van deze wet, kwam er geen einde aan de maatschappelijke en juridische onenigheid rond de interneringsmaatregel. Er was hevige kritiek op het gebrek aan rechtspositie van de betrokkenen en de onaangepaste psychiatrische annexen in de gevangenissen. Bijgevolg werd deze wet later vervangen door de wet van 1 juli 1964. In deze wet bleef de duurtijd van internering onbeperkt, maar werden meer rechten toegekend aan de geïnterneerde persoon en kreeg de Commissie tot Bescherming van de Maatschappij (CBM) meer bevoegdheden (Casselman, 2015). Vervolgens ontstond de wet van 21 april 2007 betreffende de internering van personen met een geestesstoornis, maar deze wetgeving is nooit geoperationaliseerd. Opmerkelijk in dit verhaal is het gebruik van de nog zeer verouderde termen zoals krankzinnigheid, abnormalen, geestesstoornis en zwakzinnigen. Deze termen wijzen op een zeer negatieve oriëntering van de betrokken personen. De huidige wetgeving, de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering van personen, werd op 9 juli 2014 in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd. Er werden enkele veranderingen ingevoerd. Zo wordt bijvoorbeeld de uitvoering van de internering geregeld door de Kamer ter Bescherming van de Maatschappij (KBM). Het forensisch-psychiatrisch deskundigheidsverslag wordt verplicht voor het uitspreken van een interneringsmaatregel (Seynnaeve, Beeuwsaert & Deckers, 2016). Zeer recent nog werd de nieuwe interneringswet reeds gewijzigd. De strafrechtelijke criteria die kunnen leiden tot een internering worden nu aanzienlijk beperkt, enkel voor misdaden en wanbedrijven die de fysieke of psychische integriteit van derden aantast of bedreigt (Heimans et al., 2015). Dit betekent dat men niet meer zal kunnen geïnterneerd worden voor misdrijven met een lage strafmaat, zoals het plegen van winkeldiefstal of opzettelijke beschadigingen. De nieuwe wetgeving, de wet betreffende de internering van personen, stelt de persoon in zijn totaliteit centraal en niet meer louter het label geïnterneerd zijn. Uiterlijk op 1 oktober 2016 zal deze nieuwe wetgeving in werking treden (Lagae, Vander Laenen, De Pauw & Janssens, in press). Al deze veranderingen zorgen voor heel wat juridische vooruitgang binnen het interneringsbeleid. Het nieuwe beleid en een aangepaste wetgeving zijn cruciaal binnen de forensische psychiatrische hulpverlening. Zo stelden FOD Volksgezondheid en FOD Justitie in 2013 verschillende netwerkcoördinatoren internering aan. Zij dienen een brug te slaan tussen justitie en het GGZnetwerk om zo de in-, door- en uitstroom tussen verschillende instanties en settingen op een verantwoorde manier te laten gebeuren (Aga, Rowaert, Vanderplasschen & Wuyts, in press). Naast de netwerkcoördinatoren werden ook schakelteams ingericht. Dit zijn multidisciplinaire teams die de sociale re-integratie vorm geven. Zij vormen een schakel op casusniveau tussen de verschillende partners om een vlottere doorstroming vanuit de gevangenis naar externe zorgcircuits te faciliteren (Dheedene, Seynnaeve & Goyens, 2015). Volgens Zorgnet Vlaanderen (2014), de Vlaamse werkgeversorganisatie van verzorgingsinstellingen, is het niet wenselijk om deze inrichtingen te belasten met een opnameplicht. De nieuwe wet kiest ervoor een onderhandeld zorgaanbod uit te werken door samenwerkingsovereenkomsten te sluiten met voorzieningen die vervolgens subsidies ontvangen voor het opnemen van een geïnterneerde persoon (Zorgnet Vlaanderen, 2014). Hoewel de nieuwe wetgeving verschillende veranderingen met zich meebrengt, zijn er nog steeds onvolmaaktheden en kan de nieuwe wet geen garantie bieden voor een goede en correcte behandeling. Zo verwezen Heimans et al (2015), naar een juridische vooruitgang door betere, 10

consistentere regeling voor geïnterneerde personen, maar tegelijkertijd zal de wetgeving de fundamentele problemen betreffende de internering niet kunnen oplossen. Zo zullen er steeds forensische patiënten zijn die nooit een (sterk) beveiligde setting kunnen verlaten en dus afhankelijk zullen blijven van externe zorg. Uit recent onderzoek in Engeland bleek echter dat er een groot aantal van deze patiënten specifieke ondersteuning nodig heeft (Edworthy, Furtado & Vollm, 2014). In Nederland is deze gespecialiseerde aanpak niet primair gericht op het verminderen van recidivekans, maar op het optimaliseren van de levenskwaliteit van de persoon. Ze trachten een leefomgeving te creëren die optimaal afgestemd is op de individuele mogelijkheden en wensen van de persoon. Deze vorm van hulpverlening wordt de langdurige forensisch-psychiatrische zorg genoemd (Expertisecentrum Forensische Psychiatrie, 2014). Naast een gebrek aan gepaste ondersteuning aan de zogenaamde long-stay patiënten, zijn nog tal van andere aspecten onderhevig aan blijvende kritiek, zoals de onbepaalde duur van de veiligheidsmaatregel, de ontoereikendheid van de rechtsbescherming, gebrekkige ondersteuning voor geïnterneerde personen met een verstandelijke beperking en het gebrek aan kwalitatieve (of kwalitatief) onderbouwde behandelingsprogramma s. 2.2. Geïnterneerde personen met een verstandelijke beperking 2.2.1. Personen met een interneringsstatuut De doelgroep geïnterneerde personen is een zeer heterogene, dynamische groep. Kenmerkend bij de meeste geïnterneerde personen is de comorbiditeit (Dheedene, Seynnaeve & Van der Auwera, 2015). Zo bleek uit het onderzoek in de Belgische gevangenissen van Cosyns en zijn collega s (2007) dat 75% van de geïnterneerde personen twee of meerdere psychische problemen hebben. Door de heterogeniteit van de doelgroep is het niet evident een opdeling te maken. Toch worden zij vaak onderverdeeld in verschillende subgroepen, op basis van een aantal factoren (Zorgnet Vlaanderen, 2012): - De gevaarlijkheidsgraad of het risico op herval (risk); - Het veiligheidsrisico ten opzichte van zichzelf of de samenleving (security); - De complexiteit, duur en intensiteit van de nodige zorg (care en/of cure en/of resocialisatie). Op basis van hun risicoprofiel spreekt men van high-, medium- en low risk psychiatrische patiënten. Deze classificatie is echter onderhevig aan heel wat kritiek. Ten eerste kan het gezien worden als een theoretisch denkconcept, waardoor het in de praktijk nauwelijks gebruikt wordt. Er ontstaat heel wat onduidelijkheid omtrent deze begrippen door een gebrek aan eenduidige, consistente invulling van de inhoud. Bovendien wordt er amper rekening gehouden met positieve, compenserende en beschermende factoren (de Vogel, De Vries, De Ruiter & Bouman, 2011). Ten slotte kan de high-risk groep een argument zijn voor de reguliere sector om hen te weigeren binnen hun werking omwille van veiligheidsredenen. To, Vandevelde, Soyez, Boers, & Vanheule (2014) hebben een grootschalig onderzoek gedaan via de Delphi methode 3, waar zowel Belgische als internationale experten aan deelnamen. Hieruit bleek dat experts geïnterneerde personen eerder zouden opdelen naargelang de behoefte aan ondersteuning dan louter te classificeren via de DSM-criteria. In de nieuwe wetgeving wordt er gesproken over geïnterneerde personen i.p.v. geïnterneerden. Zo tracht men de totaliteit van de persoon te benaderen. De persoon mag niet gereduceerd worden tot louter de opgelegde 3 Een Delphi studie is een onderzoeksmethode waarbij de meningen van een groot aantal experts worden bevraagd. Op die manier tracht men antwoorden terug te koppelen naar elkaar ten aanzien van een onderwerp waar er geen consensus over bestaat. 11

interneringsmaatregel, die hem/haar werd opgelegd. In de eerste plaats gaat het om een persoon met eigen zorgbehoeften en mogelijkheden. 2.2.2. Cijfermateriaal Ondanks de schaarste in betrouwbare statistieken, is duidelijk merkbaar dat het aantal geïnterneerde personen in België licht blijft stijgen. In 2004 waren er 3306 geïnterneerde personen (Cosyns et al., 2007). In 2011 is het aantal gestegen naar 4093 personen (Justitie in Cijfers, 2013). De meest recente cijfers stellen vast dat er in oktober 2015 ruim 4000 mensen met een statuut internering waren in België. Onder de Nederlandstalige Commissies tot Bescherming van de Maatschappij (CBM) ressorteren 2143 geïnterneerde personen, van wie 92 % mannen en 8 % vrouwen (Dheedene, Seynnaeve & Van der Auwera, 2015). Figuur 1: Evolutie van de penitentiaire bevolking per categorie van gedetineerden (2002-2012/ 2002=100) (bron: Justitie in cijfers, 2013) Uit een grootschalig Europees onderzoeksproject Mentally Disordered Persons in European Prison Systems Needs, Programmes and Outcomes, werd het gebrek aan correcte statistieken ook in andere Europese landen vastgesteld. Er werd in 2007 onderzoek verricht in 24 verschillende gevangenissen van Europa. De aanwezigheid van statistische gegevens van personen met een psychische problematiek in de gevangenis was erg schaars (Dressing, Kief & Salize, 2009). Sinds 2012 ontwikkelen netwerkcoördinatoren van Justitie en Volksgezondheid een registratiesysteem dat op een uniforme wijze deze gegevens bijhoudt waardoor er meer overzicht is over het profiel en zorgbehoefte van geïnterneerde personen. Bovendien zorgen zij voor een betere samenwerking tussen beide instanties (De Rycke & Pauwelyn, 2015). 12

2.2.3. Verstandelijke beperking Verschillende internationale, sociale en politieke bewegingen van mensen met een verstandelijke beperking, met name de self-advocacy beweging, duiden op het moeizaam verloop om hun mensenrechten te realiseren (Williams & Shoultz, 1982; Van Hove, 2000). Het nastreven van volwaardig burgerschap van mensen met een beperking ligt aan de grondslag van de opkomst van disability studies als academisch perspectief (Claes, Roets, Coene & Van Hove, 2011). De definitie van verstandelijke beperking die momenteel wordt gebruikt, is deze van de American Association on Intellectual and Developmental Disabilities (AAIDD). De nieuwste editie hanteert drie criteria voor het stellen van een diagnose (Schalock, Borthwick-Duffy, Bradley, Buntinx, Courter & Craig, 2010): - Een significante beperking in het intellectuele functioneren (personen met een IQ beneden de 70); - Gelijktijdig optreden met een significante tekortkoming in adaptief gedrag; - Het optreden van deze beperkingen op verschillende levensdomeinen vóór het 18 e levensjaar. De cijfers inzake prevalentie van personen met een verstandelijke beperking in de gevangenis variëren zeer sterk (Lindsay, Hasting, Grifiths & Hayes, 2007). Met name de IQ-grens die men gebruikt in prevalentieonderzoek, beïnvloedt de resultaten. Ook de specifieke setting waar het intelligentieonderzoek wordt uitgevoerd, zoals een stressvolle omgeving van een politiekantoor, bepalen de resultaten (Maes, Goethals & Verlinden, 2009). Uit onderzoek van Centrum OBRA blijkt dat 20% van de geïnterneerde personen die verblijven in de Vlaamse gevangenissen, een verstandelijke beperking heeft (Vanden Hende, Caris & De Block-Bury, 2005). Bijgevolg vormen personen met een verstandelijke beperking geen onbelangrijke subgroep in de forensische zorg. Uit deze Vlaamse cijfers blijkt ook dat het meestal gaat om mannelijke cliënten en meer dan 70% van de personen met een verstandelijke beperking zouden ook één of meerdere psychiatrische stoornissen hebben (Vanden Hende et al, 2005). Personen met een verstandelijke beperking en bijkomende psychische en/of gedragsmoeilijkheden vallen vaak door de mazen van het hulpverleningsnet (Claes, Roets, Coene & Van Hove, 2011). De gehandicaptensector, de bijzondere jeugdzorg en de geestelijke gezondheidszorg zijn nog te vaak categoriaal doelgroepgericht waardoor er een bepaalde groep uitvalt. Zo worden personen met een verstandelijke beperking vaak geweigerd in de geestelijke gezondheidszorg omwille van hun beperking (Vanderplasschen, Lievens & Roets, 2006). 2.2.4. Ondersteuning- en behandelingsmogelijkheden in Vlaanderen Internering is een strafrechtelijke beveiligingsmaatregel met een tweeledig doel, namelijk het instaan voor de veiligheid van de samenleving en het bieden van gespecialiseerde behandeling aan geïnterneerde personen. De juridische context begrenst de behandeling en kan zorgen voor het ontstaan van een aantal spanningsvelden in het werkveld. De begeleiding en behandeling moet daarom zo goed mogelijk aangepast worden aan de specifieke noden en behoeften van de persoon (Allen, Lindsay, MacLeod & Smith, 2011). De voorbije jaren zijn er heel wat inspanningen geleverd om de gepaste behandel-, begeleidings- en verzorgingsmogelijkheden te voorzien voor geïnterneerde personen met een verstandelijke beperking. Voor deze doelgroep is er een specifiek zorgaanbod, bestaande uit verschillende betrokken sectoren (De Rycke & Pauwelyn, 2015). Het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH) tracht weliswaar in beperkte mate de kans op een succesvolle re-integratie van geïnterneerde personen met een handicap te vergroten. 13

2.2.4.1. Zorg in penitentiaire inrichtingen Hoewel erkend wordt dat geïnterneerde personen recht hebben op adequate zorg en behandeling, verblijft nog steeds een groot aantal geïnterneerde personen in penitentiaire inrichtingen (Vander Laenen & De Cauwer, 2011). Toegang tot geestelijke gezondheidszorg is in dergelijke inrichtingen vrijwel beperkt (Vandevelde et al., 2011). Omwille van de eigenheid en de maatschappelijke opdracht van penitentiaire inrichtingen ligt de focus grotendeels op het reduceren van het recidiverisico en het beschermen van de samenleving. De meeste penitentiaire inrichtingen hebben een zorgteam dat onder meer instaat voor de begeleiding van geïnterneerde personen met een verstandelijke beperking. Voor deze specifieke groep worden activiteiten, zoals kooklessen, georganiseerd en begeleid door zorgpersoneel. Daarnaast bestaan er drie gespecialiseerde ambulante werkingen, vanuit het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap: ABAGG 4 (Merksplas), Ontgrendeld (Gent) en Otwee (Antwerpen). Zij bieden opvang en begeleiding aan geïnterneerde personen met een verstandelijke beperking die verblijven in een strafinrichting. De ondersteuning richt zich voornamelijk op het activeren en motiveren van geïnterneerde personen. Hierbij wordt rekening gehouden met de mogelijkheden en beperkingen verbonden aan de gevangenis. Daarnaast is in 2009 De Haven opgericht binnen de instelling voor Sociaal Verweer te Merksplas. Dit is een project voor beveiligde zorg voor geïnterneerde personen met een lichte tot matige verstandelijke beperking en personen met een autismespectrumstoornis. Deze personen verblijven in een speciaal voorziene afdeling van de strafinrichting in Merksplas. Via dit project tracht men de detentieschade te beperken, en een goede diagnostische beeldvorming in functie van een aangepaste zorg en doorverwijzing op te stellen (De Haven, 2012). Ook in het Forensisch Psychiatrisch Centrum in Gent is er één specifieke afdeling voor personen met een verstandelijke beperking (Casselman, De Rycke & Heimans, 2015). 2.2.4.2. Gespecialiseerde zorg buiten penitentiaire inrichtingen Gespecialiseerde forensische zorg binnen het VAPH-landschap is erg schaars in Vlaanderen. In totaal zijn er drie gespecialiseerde behandelunits voor geïnterneerde personen met een verstandelijke beperking en/of autismespectrumstoornis die een gedrags- of psychiatrische stoornis vertonen én beschikken over een VAPH-erkenning (Jeandarme, Wittouck, Vander Laenen, Ampe, Grouwels, De Varé, Oei, Groenhuijsen & Bogaerts, 2015; De Rycke & Pauwelyn, 2015). Deze drie residentiële centra zijn gevestigd op de campus van een psychiatrisch centrum: Amanis (PC Bethanië te Zoersel), Limes (PC Aster te Sint-Truiden) en Itinera (PC Sint-Amandus te Beernem). Dit is speciaal bedoeld om, in geval van agressie, snel beroep te kunnen doen op gespecialiseerde hulp vanuit het psychiatrisch centrum. Bovendien heeft dit het voordeel te beschikken over permanente psychiatrische expertise (De Rycke & Pauwelyn, 2015). Enkele geïnterneerde persoon verblijven ook in een reguliere VAPH-voorziening of in een afdeling in een psychiatrisch ziekenhuis, al dan niet na het verblijf in een penitentiaire inrichting of gespecialiseerde inrichting. Deze initiatieven komen vaak vanuit hun eigen engagement voor deze doelgroep. Niettemin tracht men via de toekomstige samenwerkingsovereenkomsten dit aanbod uit te breiden. 4 Ambulante Begeleiding Aan Geïnterneerden met een verstandelijke beperking in de Gevangenis 14

2.3. Ondersteuning- en behandelingsbenadering 2.3.1. Rehabilitatiemodellen en -interventies binnen de forensische zorgsector Door de opkomende aandacht voor de situatie van geïnterneerde personen in België, wordt er nu meer onderzoek gevoerd naar de behandeling van personen met een psychiatrische stoornis of een verstandelijke beperking die een delict pleegden. Volgens Decoene (2007) is het forensisch werkveld echter nog steeds te sterk georiënteerd op risicobeheersing en controle. Daardoor is er te weinig aandacht voor wat de persoon net vooruit helpt. Het paradigma dat hierbij het meest aansluit en bovendien wereldwijd het meeste invloed heeft, is ongetwijfeld de What Works -benadering (RNR) van onder andere Don Andrews en James Bonta. Een ander forensisch rehabilitatieprogramma dat internationaal onderbouwd wordt, is het Good Lives Model (GLM) van Tony Ward. RNR wordt gezien als een behandelingstheorie, terwijl GLM meer gezien wordt als een behandelingsprogramma. Daarnaast bestaan er nog andere benaderingen zoals het biopsychosociaal model en het equivalentieprincipe (To et al., 2013). Het Risk-Needs-Responsivity model (RNR) is een belangrijk model voor de rehabilitatie en behandeling van delictplegers. Het model vertrekt vanuit volgende drie principes (Andrews & Bonta, 2010): - Risico de kans dat een persoon opnieuw crimineel gedrag vertoont; - Behoefte de aanwezigheid van criminogene behoeftes; - Responsiviteit mogelijke individuele factoren die de effectiviteit van de behandeling kunnen beïnvloeden. Het RNR richt zich voornamelijk op het inschatten van het risicoprofiel, waarbij vooral aandacht gegeven wordt aan de criminogene behoeften. De theoretische concepten vinden we terug in de algemene persoonlijkheidsleer en de sociale psychologie van crimineel gedrag. Daarnaast zijn er nog twee principes toegevoegd in het RNR-model, met name het principe van de integriteit en professionaliteit (To et al., 2013). Integriteit is de mate waarin het programma wordt uitgevoerd zoals het wordt voorgesteld. Professionaliteit is de mate waarin het professioneel handelen voldoet aan wettelijke kaders. Het RNR-model vormt tot op heden de basis voor verschillende behandelprogramma s en focust vooral op risicomanagement en terugvalpreventie (Ward & Stewart, 2003). Het Good Lives Model (GLM) werd ontwikkeld door Tony Ward en zijn collega s als reactie op een te eenzijdige focus op risicobeheersing bij het RNR-model (Ward & Brown, 2004; Drennan & Alred, 2012). Dit model richt zich vooral op het bevorderen van de levenskwaliteit van delinquenten, waarbij de sterktes en mogelijkheden van het individu centraal staan. Het focust zowel op criminogene als nietcriminogene behoeften. Volgens Ward en Brown (2004) is het beheersen van risico s noodzakelijk, maar zeker niet voldoende voor de behandeling van forensische patiënten. Het GLM is ontstaan vanuit de ondersteuningsgedachten om psychiatrische patiënten een menswaardige behandeling te bieden. Het verbeteren van de levenskwaliteit zou een positieve invloed hebben op het reduceren van de criminogene behoeften waardoor de dynamische risicofactoren kunnen dalen (Pomp, 2009). Het GLM gaat er vanuit dat iedereen, dus ook delictplegers, primaire levensbehoeften primary goods hebben, zoals vriendschap, innerlijke vrede, voortreffelijk zijn in het werk, etc. Deze worden nagestreefd door middel van de secundary goods, die omschreven worden als rollen, praktijken en handelingen die leiden tot primary goods. Het is van belang dat deze secundary goods niet-criminogeen en sociaal geaccepteerd zijn (Ward, Yates & Willis, 2011). Concreet wordt het model in een behandelprogramma 15

vertaald via zes verschillende fasen (Pomp, 2009; Ward, Mann & Gannon, 2007): detecteren van criminogene behoeften, identificeren van primary goods, identificeren van de belangrijkste waarden, selecteren van secondary goods, identificeren van de contexten of omgevingen en opstellen van een Good Lives Plan. 2.3.2. Herstelperspectief 2.3.2.1. Situering herstelbeweging Het herstelperspectief ontstond vanuit een groeiende kritiek binnen de geestelijke gezondheidszorg en drukte onder meer zijn stempel op de verslavingszorg. Het medisch-psychiatrisch perspectief zorgde voor een traditionele betekenis van het begrip herstel. Het concept, ook wel recovery genoemd, werd jarenlang in verband gebracht met de kans op genezing. Het perspectief van de cliënten bleef op de achtergrond staan (van der Stel, 2011). Sinds enkele jaren kreeg de term een ruimere betekenis. Dit werd mede beïnvloed door de groei van de opkomende patiëntenorganisaties en de meer belangrijke rol van ervaringsdeskundigheid binnen de hulpverlening (Simpson & Penney, 2011; van der Stel, 2014). Jacobson & Greenley (2001) stellen dat de recovery-beweging gebaseerd is op de principes van hoop, empowerment en verbinding. In tegenstelling tot de antipsychiatrie in de jaren 60 tot 70, beweert de recovery-beweging dat een psychiatrische aandoening wel degelijk bestaat. De psychiatrie heeft volgens deze beweging, een bijzondere rol in het verbeteren van de kwaliteit van leven van personen met een psychiatrische problematiek (Pouncey & Lukens, 2010). Deze beweging pleit ervoor dat patiënten in eerste instantie volwaardige personen zijn met eigen wensen en doelen. Zo willen zij een einde maken aan het reduceren van psychiatrische patiënten tot hun toegewezen diagnose, een zogenaamde verzameling van symptomen. Labelen leidt immers tot stigma en discriminatie (Williams & Heslop, 2005). 2.3.2.2. Het concept herstel Uit literatuuronderzoek blijkt dat er nood is aan meer duidelijkheid rond het concept recovery (Silverstein& Bellack, 2008; Warner, 2009). Recentelijk werd het concept recovery geïntroduceerd in het verslavingsonderzoek en wordt het benoemd als een langdurig proces waarbij verslaafden leren omgaan met terugval en een kwaliteitsvol leven leren opbouwen (Sommer, Dekkers & Vanderplasschen, 2014; van der Stel, 2014). In de geestelijke gezondheidszorg wordt herstel gezien als een persoonlijk proces waarin mensen met psychische kwetsbaarheid de draad van hun leven trachten op te nemen (Van Audenhove, 2012). Andresen, Oades & Caputi (2003) spreken van vier belangrijke sleutelelementen voor het begrip recovery met name: zelfwaardering, hoop, (her)installeren van zelfcontrole en het invullen van een sociale rol in de samenleving. Uit onderzoek van Leamy en haar collega s (2011) werd een kader ontwikkeld dat verschillende sleutelelementen van herstel omvat, met name CHIME (connectedness, hope and optimism, identity, meaning in life, empowerment). Dergelijke elementen worden als basis gezien voor de ondersteuning van cliënten. Dit wordt ook wel de herstelondersteunende zorg genoemd en richt zich op het bevorderen van het herstelproces van de patiënt. Naast de wensen van de cliënt, staat ook de relatie met de begeleider en empowerment centraal (van Gestel- Timmermans, Place, van Vugt, van Rooijen & van Nieuwenhuizen, 2015). Herstel is geen statisch concept maar een persoonlijk en continu veranderingsproces. Zoals eerder vermeld, kende het begrip herstel een betekenisverschuiving van een klinisch-medische benadering 16

naar een meer persoonlijke, ervaringsgerichte definitie vanuit de cliënt zelf (Deegan, 1996; Schrank & Slade, 2007). Van Audenhove (2015) wijst op het feit dat beide benaderingswijzen een totaal verschillende context van denken over psychiatrie en psychische kwetsbaarheid hebben. De traditionele betekenisverlening van herstel wil een ziekte genezen en dus symptomen doen verminderen. Terwijl de vernieuwende betekenis van herstel focust op de kwaliteit van leven van een persoon met psychische kwetsbaarheid. De patiënt is verantwoordelijk voor zijn of haar herstel en dient geholpen te worden om zelf de regie te nemen en opnieuw inhoud en richting te geven aan zijn/haar leven (van der Stel, 2011; Verween & Abts, 2015). 2.3.2.3. Vormen van herstel Vanuit de verslavingszorg onderscheidt men vier vormen van herstel, die een continuüm vormen en elkaar onderling beïnvloeden: klinisch -, functioneel -, maatschappelijk - en persoonlijk herstel (van der Stel, 2014). Klinisch herstel verwijst naar het verminderen van symptomen om stabilisatie of genezing te verwezenlijken. Functioneel herstel betreft het herstel van het lichamelijk, psychisch en maatschappelijk functioneren. Maatschappelijk herstel legt vooral de focus op het heropbouwen of verbeteren van de maatschappelijke positie. Sociale integratie op vlak van wonen, werken en relaties, is hierbij erg belangrijk. Ten slotte heeft persoonlijk herstel vooral te maken met het individueel veranderingsproces van attitudes, waarden, gevoelens en doelen van de persoon in kwestie. Persoonlijk herstel wordt gezien als de motor van de andere vormen van herstel (Drennan & Alred, 2012, Sommer, Dekkers & Vanderplasschen, 2014; van der Stel, 2014, 2015). Leamy et al (2011) omschrijven dit proces als a way of living a satisfying, hopeful and contributing life even with the limitations caused by illness (p. 445). In het kader van dit onderzoek wordt nagegaan welke factoren het herstelproces bij geïnterneerde personen met een verstandelijke beperking beïnvloeden. Bijgevolg wordt het persoonlijk herstelverhaal, de laatste beschreven vorm van herstel, als uitgangspunt genomen voor dit onderzoek. 2.3.2.4. Herstelgerichte ondersteuning De sterktegerichte benadering wil een alternatief bieden voor de huidige dominante risicogerichte aanpak. Het krachtenperspectief richt zich meer op capaciteiten, potentieel en mogelijkheden van cliënten in plaats van zijn/haar tekortkomingen. Dergelijke benadering sluit het meest aan bij de herstelbeweging. Ook binnen de positieve psychiatrie neemt het bevorderen van het welbevinden een belangrijke plaats in. Delleman (2014) omschrijft positieve psychiatrie als een op de individuele patiënt toegesneden, gepersonaliseerde behandeling, waarbij een focus op klachten en problemen gecompleteerd wordt met een focus op eigen kracht en mogelijkheden, met aandacht voor de wisselwerking met de persoonlijke woon-/werkomgeving (p.16). Het bevorderen van geestelijke veerkracht wordt als een belangrijk aandachtspunt gezien. Veerkracht is het vermogen flexibel om te gaan met moeilijkheden en tegenslagen. Via positieve adaptie leert de persoon, in stressvolle levensomstandigheden, zich recht te houden (Delleman, 2014; Van Gestel-Timmermans et al, 2015; Verween& Abts, 2015). Een voorbeeld van herstelondersteunende zorg is het zogenaamde shared decision making, het bespreken van en inspraak geven aan cliënten op vlak van hun behandelingsdoelen (van der Stel, 2011). Door het betrekken van de cliënt en het uitgaan van het principe van zelfregie, wordt de hulpverlener veeleer gezien als een coach. Cliënten worden ondersteund om zoveel mogelijk actief vorm te geven aan hun herstelproces (van Gestel-Timmermans et al, 2015; van der Stel, 2015). 17

2.3.2.5. Herstelperspectief binnen de forensische zorg Het herstelperspectief binnen de forensische zorgsector is nauwelijks gekend. Onderzoek naar interventies, gericht op empowerment en zelfmanagement bij de forensische doelgroep, is zeer schaars (van Gestel-Timmermans et al, 2015). Niettemin blijkt uit sommige onderzoeken dat de focus op positieve en beschermende factoren bevorderend kan zijn voor de preventie van geweld, risicomanagement en reductie van schadelijke gevolgen (Simpson & Penney, 2011). Het Good Lives Model (GLM) sluit het best aan bij het sterkteperspectief. Ward & Brown (2004) stellen dat eigen regie en persoonlijke identiteit erg belangrijk zijn binnen het GLM. Door focus te leggen op de capaciteiten en mogelijkheden van individuen, nemen ze afstand van het deficit-denken. Het uitgangspunt is niet meer de ziekte, maar het persoonlijk functioneren en bevorderen van de kwaliteit van leven (Van Audenhove, 2012). Ondanks het tekort aan wetenschappelijk onderzoek geven Drennan en Alfred (2012) aan dat de herstelvisie vertaald moet worden naar de forensische sector. Volgens Simpson en Penney (2011) beschikken geïnterneerde personen over unieke rehabilitatiebehoeften. Het bijkomend proces wordt de offender recovery genoemd (Corlett & Miles, 2016). Dit wordt omschreven als het herdefiniëren van de dader als persoon na het plegen van feiten. Daarnaast krijgen geïnterneerde personen, omwille van het plegen van strafbare feiten, voor een lange duur bepaalde juridische voorwaarden opgelegd waar zij voortdurend rekening mee moeten houden (Simpson & Penney, 2011). Dergelijke restricties maken de invoering van herstelprincipes in de forensische zorg niet evident (Aga & Vanderplasschen, 2016). 18

3. Methodologie In dit onderdeel wordt het onderzoeksdesign verder toegelicht. Zowel de keuze van de gehanteerde onderzoeksmethode, als de keuze van de onderzoekseenheden en de manier van gegevensverzameling en verwerking komen uitvoerig aan bod. Aangezien de interpretatie van de sociale werkelijkheid in dit onderzoek wordt gevormd door het zorgvuldig analyseren van de verzamelde data, hanteerde men een inductieve werkwijze (Coffey & Atkinson, 1996). 3.1. Keuze onderzoeksmethode Zoals in de probleemstelling is aangegeven, is het doel van het onderzoek inzicht te verwerven in de beleving van persoonlijk herstel bij geïnterneerde personen met een verstandelijke beperking. In het bijzonder wordt er aandacht geschonken aan factoren die hen vooruit helpen in hun herstelproces. Gezien de aard van de probleemstelling en de specifieke onderzoeksvragen is er gekozen voor een kwalitatief onderzoeksopzet door middel van het afnemen van diepte-interviews (Boeije, 2005). Via kwalitatief onderzoek trachten wij de betekenis, die respondenten zelf geven aan hun herstelproces, te interpreteren en te beschrijven. Het perspectief van de respondenten staat centraal. Een belangrijke hoofdvorm van kwalitatief onderzoek is de gefundeerde theoriebenadering, grounded theory (Boeije, 2005). Glaser en Strauss (1967), eveneens de grondleggers van de gefundeerde theoriebenadering, omschrijven dit soort onderzoek als het ontwikkelen van een theorie, gesteund door diezelfde empirische gegevens. De contouren van een theoretisch model worden gedurende het onderzoek langzaam gevormd (Boeije, 2005). In dit onderzoek werd geopteerd om niet te vertrekken vanuit bepaalde theoretische kaders om herstelfactoren te analyseren. Wel werd er gekozen om, vanuit de eigen ervaringen van de respondenten, gemeenschappelijke factoren van herstel te omschrijven. Op die manier tracht het onderzoek de gegevens vooral te interpreteren vanuit het gezichtspunt van de respondenten (Baarda, Kuipers, Teunissen & De Goede, 2005). Overigens is het interessant om te kijken of er een gedeelde beleving is omtrent het herstelproces. Baarda et al (2005) benoemen dit als de intersubjectiviteit in de dataverwerking. 3.2. Samenstelling steekproef Gezien de intensiteit en de duur van het uitvoeren van kwalitatief onderzoek werd er gekozen voor een steekproefgrootte van twaalf respondenten (n=12). Ook omwille van de heterogeniteit van de populatie van geïnterneerde personen in het algemeen, werd de onderzoeksgroep gespecificeerd. Bij de selectie van de deelnemers werd er gebruik gemaakt van een aantal inclusiecriteria. De geïnterneerde persoon dient een verstandelijke beperking te hebben én minstens zes maanden eerder geïnterneerd te zijn. De respondent dient begeleid te worden door een VAPH-instantie (residentieel of ambulant). Tot slot dient de respondent in staat te zijn om een verhaal te brengen over herstel, dus niet te verkeren in een klinisch acute fase. Via gerichte steekproeftrekking werd er rekening gehouden met de aard van de ondersteunings- en woonvorm, het geslacht en de leeftijd van de respondent. Daarnaast werd er gekozen om informatierijke cases te selecteren zodanig dat er voldoende variatie is om het thema rond herstel te exploreren. Bij dergelijke doelgerichte selectie, purposive sampling, wordt geen statistische representativiteit gerealiseerd. Toeval bepaalt niet de kans dat een eenheid in de steekproef valt. De basis voor een steekproefselectie zijn bepaalde kenmerken van de populatie (Boeije, 2005). Onderstaande tabel geeft een overzicht van de steekproefsamenstelling en de specifieke ondersteuningsvormen van de respondenten. 19

Residentiële VAPH ondersteuning Penitentiair Residentieel Ambulant Nazorg Ambulante VAPH ondersteuning Forensische VAPH ondersteuning Reguliere VAPH ondersteuning Forensische VAPH ondersteuning Reguliere VAPH ondersteuning 3 2 2 2 Onbestaand 2 1 Tabel 1: Overzicht ondersteunings- en woonvorm deelnemers onderzoek (n=12) Dergelijke onderzoeksgroep is meer exploratief van aard en wil vooral de variëteit van het herstelverhaal van geïnterneerde personen met een verstandelijke beperking in kaart brengen. Na de afname van twaalf diepte-interviews was er sprake van een verzadiging. Verdere dataverzameling zou geen nieuwe informatie opleveren. 3.3. Gegevensverzameling en verwerking 3.3.1. Deelnemers Vooraleer het onderzoek kon starten, werd een onderzoeksvoorstel ingediend bij de Commissie voor Medische Ethiek in het Universitair Ziekenhuis van Gent. Zij verlenen advies met betrekking tot ethische aspecten van onderzoeken of experimenten (Ethisch Comité, 2016). Omwille van de kwetsbare positie van geïnterneerde personen is het immers aangewezen om dergelijke aanvraag in te dienen. Van zodra de aanvraag voor de deelname aan het onderzoeksproject was goedgekeurd (Belgisch registratienummer 670201422068), werden verschillende instanties gecontacteerd waarbinnen geïnterneerde personen met een verstandelijke beperking verbleven. In totaal werd contact opgenomen met zeven instellingen met de vraag tot deelname aan het onderzoek. In samenspraak met de instelling, werden enkele personen uitgekozen die vervolgens werden bevraagd om deel te nemen aan het onderzoek. Er werd een geïnformeerde toestemming opgesteld voor onder meer het verwerken van gegevens in het onderzoek en het gebruik maken van opnamemateriaal tijdens het interview (cf. bijlage). Vóór de afname van het interview werd de informed consent mondeling overlopen met de respondent. Indien de persoon akkoord was met de inhoud, werd het formulier ondertekend in tweevoud. Één respondent gaf geen toestemming om het interview op te nemen. Iedere respondent ontving een tegoedbon van 20 als blijk van waardering voor de deelname aan het onderzoek. In de penitentiaire inrichtingen werd dit bedrag overgemaakt op de rekening van de deelnemer. De interviews werden uitsluitend afgenomen met mannen. De jongste respondent was 28 jaar en de oudste respondent 63 jaar. Deze personen werden allemaal ondersteund door een erkend VAPHinitiatief, maar verbleven in diverse ondersteuningsvormen. Iets minder dan de helft van de respondenten verbleven in een penitentiaire inrichting (n=5). De overige respondenten (n=6) verbleven in reguliere of gespecialiseerde VAPH-setting. Één respondent woonde alleen en ontving nazorg van het VAPH. De interviews werden opgenomen door een opnamerecorder. Één respondent gaf geen toestemming om het interview op te nemen en wou niet praten over de gepleegde feiten. Gedurende dit interview werd wel notities gemaakt. Vier respondenten kozen ervoor om het interview te laten doorgaan in aanwezigheid van hun individuele begeleid(st)er. Tijdens het analyseproces werd er voornamelijk rekening gehouden met de beleving van de cliënt zelf. Uitzonderlijk werden tekstfragmenten van de begeleider hierin opgenomen. In totaal waren er vijf respondenten die eerdere veroordelingen (n=4) of gedwongen opnames (n=1) achter de rug hadden. De gemiddelde duurtijd van de internering van 20