Opgave 1 Lorenzcurve en economische kringloop Definities: Bruto inkomen Loon/pensioen, interest, winst/dividend, huur/pacht Netto inkomen Bruto inkomen inkomstenbelasting (IB) Netto besteedbaar inkomen Netto inkomen plus een eventuele uitkering Gegevens: aantal personen in % van het totaal, gegroepeerd naar afnemend bruto inkomen bruto inkomen interest & winst netto besteedbaar inkomen 10% 80.000 + 12.000 56.000 20% 40.000 + 4.000 28.000 40% 20.000 2.000 (3) 20% 10.000-2.000 15.250 10% 2.000-3.000 (5) 100% = 10 mln personen Dit land heeft een eenvoudig stelsel van inkomstenbelasting en sociale zekerheid: Over het bruto inkomen wordt 30% belasting betaald. Het bruto inkomen na belasting wordt netto inkomen genoemd. Voor het netto besteedbaar inkomen is er een richtinkomen van 18.000 euro. Als het netto inkomen lager is dan het richtinkomen wordt er een belastingvrije inkomensaanvulling verstrekt die gelijk is aan 75% van het verschil tussen het richtinkomen en het netto inkomen. a. Toon aan dat bij (3) en (5) in de tabel 17.000 en 13.850 moet komen. b. (3 ) Teken drie lijnen in één grafiek: de Lorenzcurve voor de verdeling van het bruto inkomen, de lijn voor de verdeling van winst & interest (komt op de verticale as boven de 100 uit), en een schets van de lijn voor de verdeling van het netto besteedbaar inkomen. c. (2 ) Geef een toelichting op de geschetste lijn, en geef een economische verklaring voor de verdeling van winst & interest. Bas Meijer 2016 pagina 1 van 5
Dit vraagstuk gaat verder met macro-cijfers in mld euro, afgerond op gehele getallen. Eerst moeten Ŷ, C, B en S gezinnen worden bepaald vanuit bovenstaande gegevens. Ŷ = bruto inkomen huishoudens C = consumptie B gezinnen = inkomstenbelasting minus inkomenstoelage S gezinnen = besparingen huishoudens d. Toon met berekeningen aan dat het gemiddeld bruto inkomen en het netto besteedbaar inkomen resp. 26.200 en 22.400 (afgerond op 100 euro) zijn. De consumptie is 80% van het netto besteedbaar inkomen. e. Toon aan dat Ŷ = 262, B = 38, C = 179 en S gez = 45, afgerond op mld Alle vaste activa die bedrijven kopen, kopen ze van andere bedrijven. Overige macro-cijfers: Bruto investeringen bedrijven: I bruto = 40. Afschrijvingen bedrijven:  = 10. Ingehouden winst bedrijven: Ŵ = S bedrijven = 3. B bedrijven = indirecte belastingen subsidies = 20 Onderlinge leveringen: grondstoffen en diensten tussen bedrijven: OL = 700. Overheidsbestedingen: G = 70, waarvan 5 miljard ambtenarensalarissen. Export: E = 150. Import: M = 144. f. Stel het geldkringloopschema samen, met een aparte geldlijn van overheid naar huishoudens voor de ambtenarensalarissen. Macro-economische relaties tussen de grootheden Y, C, I, O, E, M, B, S : i Y netto = C + I netto + G + E M Y bruto = C + I bruto + G + E M ii Y netto = C + B + S Y bruto = C + B + S +  iii S = S gez + S bedr { S bedrijven = Ŵ } S = S gezinnen + Ŵ Ga na: uit i, ii en iii volgen iv en v : iv S gez = (I netto Ŵ) + (G B) + (E M) S gez = (I bruto  Ŵ) + (G B) + (E M) v S = I netto + (G B) + (E M) S +  = I bruto + (G B) + (E M) Bas Meijer 2016 pagina 2 van 5
Opgave 2 Ga naar econog.nl, tabblad trefwoorden economie. Kies wisselkoers, bestudeer de onderdelen. Onderdelen 4/5 en 6/7 vormen opgave/antwoorden-paren. Opgave 3 Je meet je winst of verlies in euro's, maar leent in yens en belegt in dollars. Alles speelt zich af tussen 1 januari en 31 oktober van een jaar. 1 JPY = 100 Japanse yen Koersgegevens 1 januari: Koersgegevens 31 oktober: 1 USD = 1,3176 JPY 1 EUR = 1,5322 JPY 1 USD = 0,8224 EUR 1 EUR = 1,2735 USD Je leent op 1 januari 1.000.000 Japanse yens (dus 10.000 JPY) tegen 4%. Je doet er een dollarbelegging mee die 7% oplevert. Je betaalt op 31 oktober de Japanse lening en de rente erop terug. a. Bereken het beleggingsresultaat afgerond op euro's, rond tussenantwoorden niet af. {Mijn antwoord: 450 verlies} NB Omdat je er geen eigen geld in hebt gestopt is het rendement in procenten van de "investering" niet te berekenen. De koers van een valuta is de resultante van vraag en aanbod voor die valuta, zelfs als de centrale bank de koers op een bepaald niveau vasthoudt. b. Leg de betekenis van "zelfs vasthoudt" uit. Een willekeurige 10 verklaringen voor een hogere koers van de euro: c. Geef 5 voorbeelden van toenemende vraag naar de euro: twee ervan moeten op de lopende rekening te zien zijn, en drie op de financiële rekening (kapitaalrekening) van de betalingsbalans van de eurozone. d. Idem voor dalend aanbod van de euro. Een grafiekje van vraag en aanbod op de valutamarkt voor een bepaalde valuta wordt vaak "in dollarspiegelbeeld" getekend: het aantal USD langs de horizontale as en de koers van de dollar langs de verticale as. e. (2x) Teken zo'n grafiekje voor de valutamarkt voor de euro, en leg uit wat er in de grafiek verandert als de het monetair beleid van de ECB gericht is op daling van de rentestand. Bas Meijer 2016 pagina 3 van 5
Opgave 4 Gegevens: Index arbeidsproductiviteit (apt) Jaar CPI Loonindex 2011 118,2 117,2 110,1 2012 121,7 119,8 112,4 Rond procentuele veranderingen en indexcijfers af op 1 decimaal. a. (3x) Toon aan dat de loonindex in 2012 gelijk zou moeten zijn aan 120,7 bij een waardevaste loonontwikkeling 123,2 bij volledig aanpassing van de lonen aan de prijzen én aan de arbeidsproductiviteit. Verklaar dat de loonquote bij bedrijven gelijk blijft als de lonen volledig worden aangepast aan de prijs- én arbeidsproductiviteitontwikkeling. Van Loon had in 2011 een looninkomen van 4.000 per maand. Zijn looninkomen ging in 2012 omhoog met 2 het percentage dat zou passen bij een welvaartsvaste loonontwikkeling. b. Bereken de reële procentuele toename van Van Loon zijn loon in 2012. Exportbedrijven hebben er voordeel van als de loonkosten per product minder toenemen dan bij hun concurrenten in het buitenland. Voor producten die op de wereldmarkt een prijs in dollars hebben, is ook de koersontwikkeling van de eigen valuta ten opzichte van de dollar van belang. c. Bereken de procentuele verandering van de loonkosten per product in euro s en in dollars, als de euro 3% is gestegen t.o.v. de dollar. laatste opgave op bladzijde 5 Bas Meijer 2016 pagina 4 van 5
Opgave 5 Balans van de banken (bedragen mld euro) a1 Tegoed bij CB (de centrale bank) a2 Beleggingen in staatsobligaties a3 Debiteuren, krediet aan publiek 12 400 700 1112 p1 Betaaltegoeden publiek 1) p2 Spaartegoeden publiek p3 Eigen vermogen 1) publiek = bedrijven en gezinnen 540 462 110 1112 De centrale bank legt de banken de volgende voorwaarden op: Liquiditeitseis: balanspost a1 mag niet lager zijn dan 2% p1 Solvabiliteitseis: het eigen vermogen mag niet lager zijn dan 10% (a2 + a3) Er is alleen giraal geld. De spaartegoeden van het publiek groeien niet, omdat de rente erg laag is. a. Welke balansmutaties zou je krijgen als de banken hun kredietverlening aan het publiek 10 miljard groter zouden maken? b. Toon aan dat de banken volgens bovenstaande balans en de liquiditeits- en solvabiliteitseisen, niet in staat zijn tot extra kredietverlening aan het publiek. Omdat de nationale overheid weinig mogelijkheden heeft voor extra bestedingen of belastingverlaging, terwijl er deflatie dreigt, besluit CB tot kwantitatieve verruiming: CB neemt voor 50 miljard staatsobligaties van de banken over. CB hoopt hiermee de macro-economische vraagcurve een duwtje naar rechts te geven. c. Leg uit op welke wijze deflatie nadelig kan zijn voor economische groei en dat het besluit van de CB misschien zal helpen deflatie te voorkomen. Door die kwantitatieve verruiming kunnen banken weer geld aan het publiek uitlenen. d. Bereken de maximaal mogelijke kredietexpansie door de banken. Er wordt onder economen verschillend gedacht over kwantitatieve verruiming: 1 Groep 1 betwijfelt of het de banken gaat lukken extra krediet uit te zetten. 2 Groep 2 denkt dat het extra krediet van banken niet in de bestedingssfeer terechtkomt, dat wil zeggen dat het geleende geld niet in de "echte of reële economie" van productie en werkgelegenheid neerslaat. 3 Anderen vrezen voor hoog oplopende inflatie. 4 Weer anderen verwachten dat de actie van CB het uiteindelijke doel dient. e. Geef voor elk van de vier standpunten een verklaring. f. Geef voor elk van de vier standpunten een verklaring met behulp van deze aangepaste geldverkeersvergelijking van Fisher: M Vy = Py y, met Py : prijsindex binnenlands product ; y : reëel binnenlands product ; M : de maatschappelijke geldhoeveelheid ; Vy : de inkomensomloopsnelheid van de geldhoeveelheid. ## Bas Meijer 2016 pagina 5 van 5