Domein Goede Tijden, Slechte Tijden

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Domein Goede Tijden, Slechte Tijden"

Transcriptie

1 Domein Goede Tijden, Slechte Tijden Zie steeds de eenvoud!! vwo Frans Etman

2 Hoog- of laagconjunctuur Het Centraal Bureau van de Statistiek (CBS) heeft 2 filmpjes gemaakt over de indicatoren van de economie. Hoe werkt de conjunctuurklok? De economische crisis is beeld Een economie kan sneller gaan groeien dan in de loop der tijd. Er is ook een grote kans op een economische groei die lager is dan over een groot aantal jaren gebruikelijk is. De groei van de economie kan gemeten worden met het reële BBP (het aantal producten dat gemaakt is). Als over een groot aantal jaren de groeipercentages opgeteld worden en gedeeld wordt door het aantal jaren, weet je de gemiddelde groei (=trend). Als de procentuele groei van het reële BBP hoger is dan gemiddeld, dan is er sprake van hoogconjunctuur. Als het reële BBP procentueel minder sterk groeit dan de trend, dan is er sprake van laagconjunctuur. Dus om te zien of de economie een situatie van hoogconjunctuur of laagconjunctuur kent, kijk je als eerste naar het reële BBP. Redeneringen met de indicatoren Bij hoogconjunctuur zullen bedrijven hun productiecapaciteit willen uitbreiden. Er worden bestellingen bij andere bedrijven gedaan. Denk bijvoorbeeld aan bedrijven die meer machines nodig hebben om te produceren. De productiecapaciteit gaat stijgen en er kan meer gemaakt worden. De indicator orders bij bedrijven stijgt en dat is een signaal voor hoogconjunctuur. De indicator producentenvertrouwen (in de economische groei) zal gestegen zijn. Uitzendbranche als indicator

3 De tweede manier. Bedrijven hebben hogere kosten, waardoor de kosten per product gaan stijgen. Deze stijging wordt doorberekend in de prijs van het product. Deze vorm van (prijs)inflatie wordt kosteninflatie genoemd. De hogere kosten kunnen loonkosten zijn (door de krappe arbeidsmarkt), maar ook rentekosten (van geldleningen), grondstofkosten. In plaats van loonkosten moet er gekeken worden naar de loonkosten per product. In formulevorm: loonkosten / productie OF loonkosten per mens/ gemiddelde arbeidsproductiviteit Bij hoogconjunctuur is er veel vraag naar goederen op de goederenmarkt. Daardoor ontstaat er veel vraag op de arbeidsmarkt (arbeidsmarkt wordt krapper), de werkgelegenheid stijgt en de werkloosheid daalt. Een toename van de indicator werkgelegenheid en een afname van de indicator werkloosheid wijzen op een verbetering van de conjunctuur en is een signaal voor hoogconjunctuur. Door de krappe arbeidsmarkt zullen de lonen stijgen (=loonvoet stijgt). Hierdoor kunnen gezinnen meer consumeren. Het consumentenvertrouwen (in de economie ) zal toenemen. Een toename van de indicatoren consumentenvertrouwen en consumptie wijst op een verbetering van de economie en wijst ook op (het ontstaan van) een situatie van hoogconjunctuur. Bij hoogconjunctuur zal het inflatiepercentage stijgen. Dit kan op een aantal manieren verklaard worden. De eerste manier. De vraag naar goederen (=geaggregeerde vraag) wordt groter dan de productiecapaciteit van de bedrijven kan leveren. De bedrijven reageren met prijsstijgingen. Deze vorm van (prijs)inflatie wordt bestedingsinflatie genoemd. Als de gemiddelde arbeidsproductiviteit procentueel sterker stijgt dan de loonkosten per mens dan dalen de loonkosten per product. Dit wordt loonmatiging genoemd. De derde manier. Als de wisselkoers van de munt van een land daalt. De euro wordt minder waard in vergelijking met de dollar, dan moet voor het Amerikaanse product meer euro betaald worden. Hierdoor worden de importkosten per product voor de bedrijven in het eurogebied hoger. Als deze kostenstijging doorberekend wordt in de prijs van dit product zal er ook inflatie kunnen ontstaan. Een toename van het inflatie wijst op een verhitting van de economie. Er dreigt hoogconjunctuur. De ECB heeft een filmpje gemaakt hoe de inflatie kan ontstaan. Het gaat over het Inflatiemonster.

4 Het meten van inflatie Het CPI is een gewogen en samengesteld gemiddelde. Samengesteld verwijst naar de verschillende categorieën (goederen). Gewogen geeft aan dat de categorieën niet allemaal even belangrijk zijn. Hoe belangrijker hoe groter het gewicht. De aparte prijsindexcijfers van de categorieën worden partiële prijsindexcijfers genoemd. Vanzelfsprekend: Als de opgave over reëel gaat, controleer of de rest van de opgave over nominaal gaat en ga ervan uit dat er toch nog ergens inflatie in de opgave verstopt zit. (Prijs)inflatie is de stijging van het algemeen prijspeil. Deflatie is de daling van het algemeen prijspeil. Het prijspeil wordt bereken met behulp van het ConsumentenPrijsInxcijfer (CPI). Het CPI is een gewogen gemiddelde. Een rekenvoorbeeld. In het jaar 2009 wordt 2000 aan goederen (producten en diensten) uitgegeven. Aan voeding 800, kleding 700, sport 200 en aan de overige goederen dus 300. Het aandeel van voeding in het budget 800 / 2000 * 100% = 40%. Het aandeel van kleding in het budget 700 / 2000 * 100% = 35%. Het aandeel van de overige goederen, de restgroep, moet dan 25% zijn ( ). Het aandeel (gewicht of wegingsfactor) bepaalt hoe zwaar een prijsstijging meetelt in het CPI of in het inflatiepercentage. Stel 2009 is het basisjaar (2009 = 100) en de prijsstijging geldt voor 2012 in vergelijking met het basisjaar. gewicht prijsstijging PIC voeding 40% 5% 105 0,4*105 = 42 Kleding 35% -2% 98 0,35*98 = 34,3 Overige 25% ,25*100 = 25 CPI = , = 101,3 Dit betekent een prijsstijging van 1,3% t.o.v. het basisjaar. Om hetzelfde aantal goederen te kunnen kopen als in het basisjaar moet het budget met 1,3% stijgen. Monetaire inflatie Monetaire inflatie houdt in dat per saldo de geldschepping groter is dan de afname van de omloopsnelheid van het geld. Dit is te zien in de Verkeersvergelijking van Fisher: M* V = P*T M staat voor maatschappelijke geldhoeveelheid ("Money"), V voor omloopsnelheid van het geld(= het aantal keer dat geld van eigenaar verandert; V komt van velocity). De P staat voor prijs en de T (of Y) staat voor aantal goederen ("Trade"). Dit is een reële grootheid. De monetaire inflatie in symbolen: M stijgt sneller dan V daalt. Als de omloopsnelheid constant blijft zal dit niet leiden tot inflatie zolang de productiecapaciteit (geaggregeerd aanbod) kan stijgen. Als de productiecapaciteit al helemaal benut wordt, dan zal de inflatie stijgen. In symbolen: M stijgt; V en P blijven gelijk T (of Y) stijgt. M*V = P*T zegt eigenlijk dat als je een tientje 1 keer uitgeeft, je 5 producten kunt kopen van 2 euro. Zo kan een afname van de maatschappelijke geldhoeveelheid deflatie ontstaan onder de voorwaarde dat de omloopsnelheid en de hoeveelheid goederen constant blijven. Zou de maatschappelijke geldhoeveelheid stijgen dat kan onder dezelfde voorwaarden (V en T constant) inflatie ontstaan. We verkeren dan wel in een situatie van hoogconjunctuur.

5 De maatschappelijke geldhoeveelheid is het girale en chartale geld in handen van het publiek (gezinnen en bedrijven). Productiecapaciteit is het aantal goederen dat een bedrijf of land maximaal kan produceren met inzet van alle productiemiddelen. De geldhoeveelheid kan veranderen als gezinnen en bedrijven geld lenen van de banken, geld op een spaarrekening storten, vreemde valuta omzetten in eigen valuta. De productiecapaciteit kan in de loop der tijd stijgen door uitbreiding van de capaciteit. Ook door technologische vernieuwing kan de productiecapaciteit stijgen. In beide gevallen zullen bedrijven in het land moeten investeren. Als geïnvesteerd wordt in menselijk kapitaal is aan een van de voorwaarden voor innovatie voldaan: mensen moeten nieuwe technieken kunnen ontwikkelen. Innovatie is de succesvolle ontwikkeling en toepassing van nieuwe/ verbeterde producten, productieprocessen en distributieprocessen. Er zijn nieuwe producten gemaakt. Bestaande manier van produceren wordt verbeterd. In de meeste opgaven denk je bij innovatie: er is technische vernieuwing; ze hebben een nieuwe machine gekocht die meer kan (met minder mensen). Mochten de prijzen enorm stijgen (hyperinflatie) dan zal het gevolg zijn dat mensen het geld niet meer vertrouwen. De koopkracht van het geld daalt heel sterk. Consumenten en bedrijven zullen dan hun toevlucht kunnen nemen in ruilhandel of betalen in buitenlandse valuta. In de foto zie je iemand met heel veel bankbiljetten die amper waarde hebben. Verklaring van de grafiek. Als de geldhoeveelheid stijgt, dan hebben de gezinnen meer bestedingsmogelijkheden en zal de consumptie stijgen en zal de productie van de bedrijven stijgen. Zolang de bedrijven de producten kunnen produceren heeft dat geen gevolg voor de ontwikkeling van het prijsniveau. Op een gegeven moment zullen er sectoren in de economie zijn, waar bedrijven tegen hun capaciteitsgrenzen aanlopen; die bedrijven zullen de prijs laten stijgen. Als de hele economie de productiecapaciteit benut heeft, en T niet meer kan stijgen, zal elke stijging van van de geldhoeveelheid (M) leiden tot prijsinflatie. De maatschappelijke geldhoeveelheid is het girale en chartale geld in handen van het publiek (gezinnen en bedrijven). Productiecapaciteit is het aantal goederen dat een bedrijf of land maximaal kan produceren met inzet van alle productiemiddelen. De geldhoeveelheid kan veranderen als gezinnen en bedrijven geld lenen van de banken, geld op een spaarrekening storten, vreemde valuta omzetten in eigen valuta.

6 Bij hoogconjunctuur is er veel vraag naar producten op de goederenmarkt. Bedrijven zullen veel willen produceren. Er ontstaat veel vraag naar arbeid (=werkgelegenheid) door de bedrijven, met andere woorden de arbeidsmarkt verkrapt. De lonen zullen hierdoor stijgen en daarmee de loonkosten. Als de winstgevendheid van de bedrijven gelijk blijft moeten de prijzen stijgen. Via de Verkeersvergelijking van Fisher (M*V=P*T) heb je kunnen zien dat dan ook de prijzen stijgen (bestedingsinflatie). De centrale bank ziet door de prijsinflatie de koopkracht van het geld dalen en zal het monetaire beleid willen inzetten. De centrale bank zal de rente laten stijgen,waardoor het geldlenen onaantrekkelijk wordt en het sparen aantrekkelijker. De gezinnen zullen minder consumeren, waardoor de bestedingen op de goederenmarkt (=geaggregeerde vraag) zal afnemen en de productie van de bedrijven zal afnemen. Minder gevaar voor krapte op de arbeidsmarkt (meer vraag naar dan aanbod van mensen) en de lonen minder snel zullen stijgen. De bestedingsinflatie zal ook afnemen. De centrale overheid kan haar beleid inzetten om inflatie,krapte op de arbeidsmarkt en hoogconjunctuur te verminderen.het probleem ontstond door te veel vraag op de goederenmarkt. De overheid kan haar eigen overheidsbestedingen verminderen. Hierdoor minder bestedingen op de goederenmarkt en de bedrijven zullen minder hoeve te produceren. Hoogconjunctuur wordt afgeremd. De overheid kan ook de inkomstenbelasting verhogen. Hierdoor zal het besteedbaar inkomen verminderen en de consumptie van de gezinnen afnemen. Er zijn dan minder bestedingen op de goederenmarkt en de bedrijven zullen minder produceren. Dit beleid, minder overheidsbestedingen en meer inkomstenbelasting heffen, heet anti-cyclisch conjunctuurbeleid.

7 Maatregelen die genomen om laagconjunctuur te verminderen, kunnen in de werkelijkheid veel tijd kosten om uitgevoerd te worden. Het kan zijn dat een anticyclische maatregel dan procyclisch uitpakt. De extra bestedingen gaan de situatievan hoogconjunctuur versterken. Dit kan natuurlijk ook het geval zijn bij maatregelen die de hoogconjunctuur meoten afremmen. Het CBS noemt grootheden die dezelfde richting als de conjunctuur gaan procyclisch; gaan de tegengesteld dan worden ze anticyclisch genoemd. Bijvoorbeeld: BBP stijgt en daardoor de werkgelegenheid. Werkgelegenheid wordt dan procyclisch genoemd. Werkloosheid daalt in dit geval en wordt dan een anticyclische grootheid genoemd. Bij laagconjunctuur gelden dezelfde redeneringen. Veelal zal een stijging een daling worden en een daling een stijging. Bij hoogconjunctuur stijging van de bestedingen, productie en werkgelegenheid; bij laagconjunctuur een daling van de bestedingen, productie en werkgelegenheid. Bij hoogconjunctuur daalt de werkloosheid, bij laagconjunctuur vermindert die. Het anticyclisch beleid van de overheid kent ook dezelfde denkstappen, maar bij laagconjunctuur zal de overheidsbestedingen stijgen en de inkomstenbelasting moeten dalen. De uitkeringen kunnen meestijgen met het inflatiepercentage. Er is sprake van een waardevaste uitkering. Als de uitkeringen mee stijgen met de gemiddelde loonstijging bij bedrijven, dan wordt er van welvaartsvaste uitkeringen gesproken. Voorbeeld: De uitkeringen (per persoon) stijgen met 2,5%. Als het inflatiepercentage 2% is dan is er sprake van waardevaste uitkeringen. As het loon gemiddeld met 2% zou stijgen dan is de uitkering ook nog welvaartsvast. Zo zal bij hoogconjunctuur door het progressieve belastingstelsel de inkomstenbelasting ervoor zorgen dat het netto inkomen minder stijgt dan het bruto inkomen. De hoogconjunctuur wordt afgeremd. Inkomstenbelasting wordt daarom een automatisch stabilisator genoemd. Bij laagconjunctuur zorgt de progressiviteit ervoor dat bij een daling van het bruto inkomen het netto inkomen in verhouding minder daalt. Bij een situatie van laagconjunctuur zorgen de uitkeringen ervoor dat er besteed kan blijven worden door de gezinnen. Hierdoor zakt de economie niet helemaal in. Ook uitkeringen worden een automatische stabilisator genoemd.

8 Arbeidsmarkt Werkloosheid kan ontstaan door het ontbreken van voldoende vraag naar producten, waardoor bedrijven minder produceren. Als mensen ontslagen worden en daardoor werkloos worden, kan dat conjunctuurwerkloosheid genoemd worden. Gaan er zelfs arbeidsplaatsen afgestoten worden of bedrijven gaan failliet, dan worden deze werklozen aangeduid met structuurwerkloosheid. Als er wel voldoende vraag naar arbeid is maar de werklozen hebben niet de juiste scholing wordt dit ook structuurwerkloosheid genoemd. Ontstaat er werkloosheid omdat door het seizoen (weer en dergelijke) werkloosheid ontstaat, wordt dit seizoenswerkloosheid genoemd. Het is niet zeker of deze werkloosheidsbegrippen gekend moeten worden bij het examen. De kranten spreken wel over deze begrippen. Zie ook de aantekening op fransetman.nl De vraag naar arbeid wordt gedaan door de werkgevers (bedrijven en overheid de werkgelegenheid). Het aanbod van arbeid komt van mensen( de beroepsbevolking = werkenden en werklozen). Als er meer vraag dan aanbod op de arbeidsmarkt is, een krappe arbeidsmarkt, zullen de lonen stijgen. Hierdoor zal er (marktconform) evenwicht ontstaan. Als er een ruime arbeidsmarkt is, zijn er meer werklozen dan openstaande vacatures. De lonen zullen minder sterk stijgen of mogelijk dalen. Dit dalen zal dan net zolang doorgaan totdat werkgevers weer meer arbeid (in plaats van kapitaal) willen gaan gebruiken. Omdat er sprake is van een wettelijke minimum en CAO-afspraken kan het zijn dat de lonen niet vergenoeg kunnen dalen (er is sprake van neerwaartse loonstarheid) en zal de werkloosheid niet afnemen

9 Wisselkoers Buitenlandse beleggers Omdat het rentepercentage ("de rente") in ons land hoger is dan in andere (niet-euro) landen, is het aantrekkelijk voor buitenlandse beleggers hier te beleggen. Daarvoor zullen zij hun munt omruilen voor onze euro. Dus is er meer aanbod van hun munt op de valutamarkt en daalt de wisselkoers van hun munt. Er is tegelijkertijd ook meer vraag naar onze euro dus stijgt de wisselkoers van de euro. De beleggers kopen hier waardepapieren als staatsobligaties, bedrijfsobligaties of aandelen op. Beleggers willen met hun aandelen veelal niet mede-eigenaar worden maar alleen delen in de winst. Buitenlandse investeerders Als de winstgevendheid van onze bedrijven gunstig is (of de winstverwachtingen zijn positief) dan zullen buitenlandse investeerders de aandelen van bedrijven willen opkopen. Er ontstaat meer vraag naar de euro en de wisselkoers stijgt. Tegelijkertijd ontstaat er ook meer aanbod van hun munteenheid en daalt die wisselkoers. De waarde van een munt ten opzichte van een andere munteenheid is de wisselkoers. De wisselkoers is de prijs van een andere munteenheid. Dit wordt bepaald op de valutamarkt door het geheel van vraag en aanbod naar de munt. Dit wordt een flexibel of zwevend wisselkoerssysteem genoemd. De wisselkoers stijgt betekent dat de munt meer waard wordt. Daardoor hoef je minder van je eigen munt te geven om een product uit het (niet-euro) buitenland te kopen. In je eigen munteenheid worden de buitenlandse producten goedkoper. De vraagkant van de valutamarkt De vraag naar een munt komt door: - export van goederen en diensten - buitenlandse beleggers die naar dit land komen om te beleggen - buitenlandse investeerders die mede-eigenaar van een bedrijf in dit land willen worden (dit wordt ook wel directe investeringen genoemd). De aanbodkant van de valutamarkt Het aanbod van een munt op de valutamarkt ontstaat door: - import van producten - de beleggers gaan vanuit het binnenland naar het buitenland - de investeerders gaan vanuit het binnenland naar het buitenland. Export van goederen en diensten. Omdat onze producten goedkoper zijn (een gunstige internationale concurrentiepositie), kopen de bedrijven uit andere (niet-euro) landen onze producten. Die bedrijven moeten in onze munt betalen. Zij vragen euro's op de valutamarkt in ruil voor hun munt. Er is meer vraag naar onze munt (en dus ook meer aanbod van hun munt). De wisselkoers van onze munt stijgt (appreciatie) en de wisselkoers van hun munt daalt (depreciatie). Import van goederen en diensten Als de producten in het buitenland goedkoper worden, dan zal de import stijgen en dan moeten onze bedrijven het buitenland betalen. Zij ruilen onze euro's in voor de buitenlandse munteenheid. Meer aanbod van de euro op de valutamarkt en de wisselkoers van de euro daalt. Meer vraag naar de buitenlandse munteenheid op de valutamarkt en de wisselkoers van die munt stijgt

10 Gevolgen van een stijging van de wisselkoers Export Door de stijging van de wisselkoers van de euro worden alle producten van de eurolanden duurder voor de niet-eurolanden. De internationale concurrentiepositie verslechtert. Hierdoor zal de vraag naar de producten - de export - afnemen en dalen de bestedingen op de goederenmarkt van de eurolanden. Hierdoor zal de productie van de bedrijven afnemen en de vraag naar arbeid (de werkgelegenheid) afnemen, waardoor er werkloosheid kan ontstaan. Beleggers Als de rente in ons land lager wordt, zullen buitenlandse beleggers weg blijven en ontstaat er minder vraag naar onze munt op de valutamarkt en daalt de wisselkoers. Bij een dalende rente (=rentevoet) zullen de beleggers vanuit het binnenland naar het buitenland gaan en stijgt het aanbod van onze munt op de valutamarkt en daalt de wisselkoers. Investeerders Als de (verwachte) winstgevendheid van het eigen bedrijfsleven tegen valt, kunnen de binnenlandse investeerders de keuze maken om in het buitenland te investeren. Hierdoor ontstaat er meer aanbod op de valutamarkt van onze munt en daalt de wisselkoers. Import Door de wisselkoersstijging worden de buitenlandse producten (uit nieteurolanden) goedkoper. De vraag naar deze producten - de import - stijgt. Dit gaat ten koste van de vraag naar eigen producten en zal daardoor de productie van eigen bedrijven en de eigen werkgelegenheid aantasten. Zonder verdere vermelding ga je bij zowel de export als de import uit van een prijselastische vraag. Inflatie Door de wisselkoersstijging worden de buitenlandse producten goedkoper. Hierdoor wordt de inkoopprijs per product voor de bedrijven lager. Als dit doorberekend wordt in de prijs voor de consument dan daalt de prijs en het inflatiepercentage. De internationale concurrentiepositie zal ook verbeteren. Als de kostprijsdaling zorgt dan ook voor lagere prijzen voor de exportproducten. Betalingsbalans Lopende rekening Als de export toeneemt dan zal het saldo op de lopende rekening verbeteren, want dit land ontvangt meer. Gaat de import toenemen dan verslechtert het saldo op de lopende rekening,omdat er meer betaald wordt. Kapitaalrekening Als de buitenlandse beleggers naar ons land toekomen, ontvangt dit land meer vermogen en verbetert de kapitaalrekening. Gaan onze beleggers naar het buitenland dan gaat er vermogen weg - we betalen aan het buitenland - en verslechtert de kapitaalrekening. Beleggers en investeerders Als een belegger verwacht dat de wisselkoers zal gaan stijgen van een land waarin hij wil beleggen, zal hij zeker beleggen omdat de belegging na de wisselkoersstijging in de eigen munteenheid gemeten meer waard geworden is. Blijkt er een daling van de wisselkoers te komen dan zal de belegging minder waard worden in de eigen valuta.

11 Een ander wisselkoerssysteem Centrale banken van landen kunnen samen afspreken dat de wisselkoers niet boven of onder een bepaalde afgesproken koers mag komen. Dit is de bandbreedte waarbinnen de wisselkoers van een munt door middel van vraag en aanbod op de valutamarkt mag bewegen. Als de wisselkoers boven het hoogste afgesproken punt (bovenste interventiekoers) dreigt te komen moeten de gezamenlijke centrale banken beleid gaan voeren. Rentebeleid (discontopolitiek) De rente moet dalen, daardoor minder aantrekkelijk voor de buitenlandse beleggers en er ontstaat minder vraag naar de munt. De wisselkoers komt weer binnen de bandbreedte. Interveniëren Door meer van de eigen munt op de valutamarkt aan te bieden kan ook de koers beïnvloed worden. Als de koers bij het onderste punt (onderste interventiekoers) is dan kan de centrale bank meer vraag naar de eigen munt uiten op de valutamarkt. Dan zal de wisselkoers stijgen. De afgesproken wisselkoers aanpassen. Als de eerste twee maatregelen niet succesvol zijn, dan kunnen de centrale banken een hogere spilkoers afspreken (revaluatie) - als de wisselkoers te hoog wordt - of een lagere spilkoers overeenkomen (devaluatie). De bandbreedte verschuift dan mee. Het rekenen met de wisselkoers Voorbeelden De euro in dollar is 1, euro is dan 100 * 1,22 dollar dus 122 dollar. Om de wisselkoers van de dollar in euro te berekenen, doe je eenvoudig door 1/ wisselkoers. In dit geval wordt de wisselkoers van de dollar in euro dus 1/1,22 = 0,8197 Zo is 540 dollar gelijk aan 540 * 0,8197 euro = 442,63 euro. Dit had je ook kunnen berekenen door 540 / 1,22 = 442,62 euro. Het verschil ontstaat omdat 0,8197 een afronding is. Als de wisselkoers van de Chinese yuan in dollar gegeven is, kun je het yuan bedrag in dollars uitrekenen en daarna van dollars weer euro's maken.

Domein Goede Tijden, Slechte Tijden

Domein Goede Tijden, Slechte Tijden Domein Goede Tijden, Slechte Tijden Zie steeds de eenvoud!! havo Frans Etman Hoog- of laagconjunctuur Het Centraal Bureau van de Statistiek (CBS) heeft 2 filmpjes gemaakt over de indicatoren van de economie.

Nadere informatie

Module 8 havo 5. Hoofdstuk 1 conjunctuurbeweging

Module 8 havo 5. Hoofdstuk 1 conjunctuurbeweging Module 8 havo 5 Hoofdstuk 1 conjunctuurbeweging Economische conjunctuur hoogconjunctuur Reëel binnenlands product groeit procentueel sterker dan gemiddeld. laagconjunctuur Reëel binnenlands product groeit

Nadere informatie

Economische conjunctuur

Economische conjunctuur Economische conjunctuur hoogconjunctuur Reëel binnenlands product groeit procentueel sterker dan gemiddeld. Ontstaat door veel vraag naar producten Trend (Gemiddelde groei over groot aantal jaren) laagconjunctuur

Nadere informatie

Domein GTST havo. 1) Gezinnen, bedrijven, overheid en buitenland; of anders geformuleerd: (C + I + O + E M)

Domein GTST havo. 1) Gezinnen, bedrijven, overheid en buitenland; of anders geformuleerd: (C + I + O + E M) 1) Geef de omschrijving van trendmatige groei. 2) Wat houdt conjunctuurgolf in? 3) Noem 5 conjunctuurindicatoren. 4) Leg uit waarom bij hoogconjunctuur de bedrijfswinsten zullen stijgen. 5) Leg uit waarom

Nadere informatie

Valutamarkt. fransetman.nl

Valutamarkt. fransetman.nl euro in dollar wisselkoers Wisselkoers (ontstaat op valutamarkt) Waarde van een munt uitgedrukt in een andere munt Waardoor kan de vraag naar en het aanbod van veranderen? De wisselkoers van de euro in

Nadere informatie

wisselkoers Euro in Amerikaanse dollar 1,3644 Hoeveel dollar is 590?

wisselkoers Euro in Amerikaanse dollar 1,3644 Hoeveel dollar is 590? wisselkoers Euro in Amerikaanse dollar 1,3644 Hoeveel dollar is 590? 1,3644 * 590 = $805 2300 is dan 1,3644 * 2300 =$3138,12 Hoeveel euro is $789? 1,3644 dollar = 1 euro $789 / 1,3644 =578,28 euro Bereken

Nadere informatie

6,3 ECONOMIE. Samenvatting door een scholier 4680 woorden 25 januari keer beoordeeld. Lesbrief Globalisering INFLATIE

6,3 ECONOMIE. Samenvatting door een scholier 4680 woorden 25 januari keer beoordeeld. Lesbrief Globalisering INFLATIE Samenvatting door een scholier 4680 woorden 25 januari 2011 6,3 17 keer beoordeeld Vak Economie ECONOMIE Lesbrief Globalisering INFLATIE Soort Oorzaken OPLOSSINGEN Vraag Bestedingsinflatie Door de oplevende

Nadere informatie

Domein E: Ruilen over de tijd. fransetman.nl

Domein E: Ruilen over de tijd. fransetman.nl Domein E: Ruilen over de tijd Rente : prijs van tijd Nu lenen: een lagere rente Nu sparen: een hogere rente Individuele prijs van tijd: het ongemak dat je ervaart Algemene prijs van tijd: de rente die

Nadere informatie

DOMEIN E: RUILEN OVER DE TIJD. Module 4 Nu en later

DOMEIN E: RUILEN OVER DE TIJD. Module 4 Nu en later DOMEIN E: RUILEN OVER DE TIJD Module 4 Nu en later Inflatie Definitie: stijging van het algemeen prijspeil Gevolgen van inflatie koopkracht neemt af Verslechtering internationale concurrentiepositie Bij

Nadere informatie

MACRO-VRAAG EN MACRO-AANBOD

MACRO-VRAAG EN MACRO-AANBOD pdf18 MACRO-VRAAG EN MACRO-AANBOD De macro-vraaglijn of geaggregeerde vraaglijn geeft het verband weer tussen het algemeen prijspeil en de gevraagde hoeveelheid binnenlands product. De macro-vraaglijn

Nadere informatie

CPI = 122,5 Wat zegt dit? Hoe bereken je dit? Categorieën Aandeel Prijsstijging Optelling. Voeding 40% 10% Kleding 35% -5% Overig 0 CPI 102,25

CPI = 122,5 Wat zegt dit? Hoe bereken je dit? Categorieën Aandeel Prijsstijging Optelling. Voeding 40% 10% Kleding 35% -5% Overig 0 CPI 102,25 CPI = 122,5 Wat zegt dit? Hoe bereken je dit? Categorieën Aandeel Prijsstijging Optelling Voeding 40% 10% Kleding 35% -5% Overig 0 CPI 102,25 ConsumentenPrijsIndexcijfer Consumenten Prijsindexcijfer in

Nadere informatie

Arbeid = arbeiders = mensen

Arbeid = arbeiders = mensen Vraag van en aanbod naar arbeid Arbeid = arbeiders = mensen De vraag naar mensen = werkenden Het aanbod van mensen = beroepsbevolking Participatiegraad Beroepsbevolking / beroepsgeschikte bevolking * 100%

Nadere informatie

Keuzeonderwerp. Keynesiaans model. Gesloten /open economie zonder/met overheid met arbeidsmarkt. fransetman.nl

Keuzeonderwerp. Keynesiaans model. Gesloten /open economie zonder/met overheid met arbeidsmarkt. fransetman.nl Keuzeonderwerp Keynesiaans model Gesloten /open economie zonder/met overheid met arbeidsmarkt Vraag op de goederenmarkt Alleen gezinnen en bedrijven kopen op de goederenmarkt. C = 0,6 Y Aa = 4 mln mensen

Nadere informatie

Examen HAVO. Economie 1

Examen HAVO. Economie 1 Economie 1 Examen HAVO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Tijdvak 2 Woensdag 21 juni 13.30 16.00 uur 20 00 Dit examen bestaat uit 31 vragen. Voor elk vraagnummer is aangegeven hoeveel punten met een goed

Nadere informatie

1)Waaruit bestaat de vraag op de Werkenden en arbeidsmarkt? (openstaande)vacatures. 2)Noem een ander woord voor Werkenden werkgelegenheid.

1)Waaruit bestaat de vraag op de Werkenden en arbeidsmarkt? (openstaande)vacatures. 2)Noem een ander woord voor Werkenden werkgelegenheid. 1 1)Waaruit bestaat de vraag op de arbeidsmarkt? 2)Noem een ander woord voor werkgelegenheid. 3)Wie vragen arbeid? 4)Met welk woord wordt het aanbod van arbeid ook aangeduid? 5)Geef de omschrijving van

Nadere informatie

Rente de prijs van tijd. Als rente hoger is dan de opofferingskosten individuele prijs van tijd niet lenen maar sparen

Rente de prijs van tijd. Als rente hoger is dan de opofferingskosten individuele prijs van tijd niet lenen maar sparen Rente de prijs van tijd. Als rente hoger is dan de opofferingskosten individuele prijs van tijd niet lenen maar sparen Ruilen over de tijd Intertemporele substitutie Bedrijven lenen geld om te investeren

Nadere informatie

Als de lonen dalen, dalen de loonkosten voor de producent. Hetgeen kan betekenen dat de producent niet overgaat tot mechanisatie/automatisering.

Als de lonen dalen, dalen de loonkosten voor de producent. Hetgeen kan betekenen dat de producent niet overgaat tot mechanisatie/automatisering. Top 100 vragen. De antwoorden! 1 Als de lonen stijgen, stijgen de productiekosten. De producent rekent de hogere productiekosten door in de eindprijs. Daardoor daalt de vraag naar producten. De productie

Nadere informatie

Samenvatting Economie Inkomen Hoofdstuk 1 t/m 3

Samenvatting Economie Inkomen Hoofdstuk 1 t/m 3 Samenvatting Economie Inkomen Hoofdstuk 1 t/m 3 Samenvatting door een scholier 1203 woorden 17 januari 2005 6,1 90 keer beoordeeld Vak Economie Samenvatting economie lesbrief: inkomen. Hoofdstuk 1: de

Nadere informatie

1. Leg uit dat het sparen door gezinnen een voorbeeld is van ruilen in de tijd. 2. Leg uit waarom investeren door bedrijven als ruilen over de tijd beschouwd kan worden. 3. Wat is intertemporele substitutie?

Nadere informatie

Vroeger: directe ruil goederen tegen goederen, nadeel: moeilijk waardeverhouding / ruilverhouding te schatten.

Vroeger: directe ruil goederen tegen goederen, nadeel: moeilijk waardeverhouding / ruilverhouding te schatten. Samenvatting door een scholier 1593 woorden 27 juni 2003 4,4 11 keer beoordeeld Vak Economie Leerstof Economie 1: Hoofdstuk 4: Vroeger: directe ruil goederen tegen goederen, nadeel: moeilijk waardeverhouding

Nadere informatie

Welvaart en groei. 1) Leg uit wat welvaart inhoudt. 1) De mate waarin mensen in hun behoefte kunnen voorzien. 2) Waarmee wordt welvaart gemeten?

Welvaart en groei. 1) Leg uit wat welvaart inhoudt. 1) De mate waarin mensen in hun behoefte kunnen voorzien. 2) Waarmee wordt welvaart gemeten? 1) Leg uit wat welvaart inhoudt. 2) Waarmee wordt welvaart gemeten? 3) Wat zijn negatief externe effecten? 4) Waarom is deze maatstaf niet goed genoeg? Licht toe. 1) De mate waarin mensen in hun behoefte

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2008-II

Eindexamen economie 1-2 havo 2008-II Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 De werkgelegenheid verandert met

Nadere informatie

UIT theorie ASAD

UIT theorie ASAD Uitleg theorie AS-AD model. Het AS-AD model is een theoretisch model over de werking van de economie. Het model is een samenvoeging van de theorie van Keynes met de oude klassieke modellen. In verschijningsvorm

Nadere informatie

Ruilen over de tijd (havo)

Ruilen over de tijd (havo) 1. Leg uit dat het sparen door gezinnen een voorbeeld is van ruilen in de tijd. 2. Leg uit waarom investeren door bedrijven als ruilen over de tijd beschouwd kan worden. 3. Wat is intertemporele substitutie?

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2007-II

Eindexamen economie 1-2 havo 2007-II Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 Een antwoord waaruit blijkt dat

Nadere informatie

Om een zo duidelijk mogelijk verslag te maken, hebben we de vragen onderverdeeld in 4 categorieën.

Om een zo duidelijk mogelijk verslag te maken, hebben we de vragen onderverdeeld in 4 categorieën. Beste leerling, Dit document bevat het examenverslag voor leerlingen van het vak economie vwo, eerste tijdvak (2019). In dit examenverslag proberen we een zo goed mogelijk antwoord te geven op de volgende

Nadere informatie

20.1 Wat is economische groei?!

20.1 Wat is economische groei?! 20.1 Wat is economische groei? Om te beoordelen of er geproduceerd is, moet het BBP worden gecorrigeerd voor de inflatie. BBP is de totale product door binnenlandse sectoren. We vinden dan de toename van

Nadere informatie

Te weinig verschil Verschil tussen de hoogte van uitkeringen en loon is belangrijk. Het moet de moeite waard zijn om te gaan werken.

Te weinig verschil Verschil tussen de hoogte van uitkeringen en loon is belangrijk. Het moet de moeite waard zijn om te gaan werken. Hoofdstuk 4 Inkomen Paragraaf 4.1 De inkomensverschillen Waardoor ontstaan inkomens verschillen. Inkomensverschillen ontstaan door: Opleiding Verantwoordelijkheid Machtspositie Onregelmatigheid of gevaar

Nadere informatie

Samenvatting Economie Hoofdstuk

Samenvatting Economie Hoofdstuk Samenvatting Economie Hoofdstuk 21 22 23 Samenvatting door E. 2523 woorden 12 juli 2013 5,7 10 keer beoordeeld Vak Methode Economie Percent Economie hoofdstuk 21 22 23 Havo 4 en 5 Hoofdstuk 21: Conjuctuur

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2008-I

Eindexamen economie 1 vwo 2008-I Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 vergemakkelijken van het ontslaan

Nadere informatie

M * V = P * T (T kan ook Y (reëel inkomen zijn)

M * V = P * T (T kan ook Y (reëel inkomen zijn) Centrale bank leent aan banken geld. Banken kunnen geld uitlenen aan gezinnen en bedrijven. Gezinnen consumeren meer, bedrijven investeren meer. De bedrijven gaan meer produceren. (Er ontstaat meer welvaart

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2006-II

Eindexamen economie 1-2 havo 2006-II Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Voorbeelden van een juist antwoord zijn: kosten van politie-inzet

Nadere informatie

Eindexamen economie vwo II

Eindexamen economie vwo II Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 Voorbeelden van een

Nadere informatie

2) sparen -> oppotten: chartaal of giraal geld op een betaalrekening. Direct kunnen gebruiken (=liquide). Geen rendement

2) sparen -> oppotten: chartaal of giraal geld op een betaalrekening. Direct kunnen gebruiken (=liquide). Geen rendement Samenvatting door C. 1209 woorden 29 mei 2016 7,8 6 keer beoordeeld Vak Methode Economie LWEO Samenvatting Economie Monetaire Zaken H.1 Geld * Geld -> Chartaal (munten en bankbiljetten) + Giraal (geld

Nadere informatie

Ruilen over de tijd. Zie steeds de eenvoud!! Frans Etman

Ruilen over de tijd. Zie steeds de eenvoud!! Frans Etman Ruilen over de tijd Zie steeds de eenvoud!! vwo Frans Etman Bedenk dat bij ruilen er altijd twee dingen gedaan worden. Je geeft wat en je krijgt wat terug. Als je twee keer ruilt - ruilen over de tijd

Nadere informatie

6,3. Samenvatting door een scholier 2386 woorden 25 juni keer beoordeeld. Economie in context

6,3. Samenvatting door een scholier 2386 woorden 25 juni keer beoordeeld. Economie in context Samenvatting door een scholier 2386 woorden 25 juni 2012 6,3 13 keer beoordeeld Vak Methode Economie Economie in context Paragraaf 19.1: Consumentenprijsindex en gevolgen inflatie. Inflatie: stijging van

Nadere informatie

Samenvatting Economie Hoofdstuk 1 t/m 5: Verdienen en Uitgeven

Samenvatting Economie Hoofdstuk 1 t/m 5: Verdienen en Uitgeven Samenvatting Economie Hoofdstuk 1 t/m 5: Verdienen en Uitgeven Samenvatting door D. 1403 woorden 18 januari 2014 7 3 keer beoordeeld Vak Economie Conjunctuurbeweging/Conjunctuur: Het patroon van het stijgen

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo I

Eindexamen economie 1 vwo I Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 vakbonden, werkgeversbonden, individuele

Nadere informatie

Samenvatting Economie Hoofdstuk 1 en 2 Inkomen

Samenvatting Economie Hoofdstuk 1 en 2 Inkomen Samenvatting Economie Hoofdstuk 1 en 2 Inkomen Samenvatting door een scholier 1329 woorden 12 maart 2004 7,8 37 keer beoordeeld Vak Economie Samenvatting economie Inkomen hoofdstuk 1: Inkomen in natura:

Nadere informatie

5.1 Wie is er werkloos?

5.1 Wie is er werkloos? 5.1 Wie is er werkloos? Volgens het CBS behoren mensen tot de werkloze beroepsbevolking als ze een leeftijd hebben van 15 tot en met 64 jaar, minder dan 12 uur werken, actief op zoek zijn naar betaald

Nadere informatie

UIT theorie Fisher

UIT theorie Fisher De econoom Fisher. Fisher was een econoom die zijn theorie over de werking van geld lang voor de depressie in de jaren 30 van vorige eeuw publiceerde (the purchasing power of money 1911). Dit was een uitbreiding

Nadere informatie

5.2 Wie is er werkloos?

5.2 Wie is er werkloos? 5.2 Wie is er werkloos? Volgens het CBS behoren mensen tot de werkloze beroepsbevolking als ze een leeftijd hebben van 15 tot en met 64 jaar, minder dan 12 uur werken, actief op zoek zijn naar betaald

Nadere informatie

Vraag Antwoord Scores

Vraag Antwoord Scores Opgave 1 Hoe verdelen we de zorgkosten? 1 maximumscore 2 Stel het bbp op 100 en het totaal van de zorgkosten op 9 9 1,035 24 = 9 2,283328 = 20,55 1 100 1,0132 24 = 136,99 20,55 136,99 100% = 15% (en dat

Nadere informatie

Uitleg theorie AS-AD model. MEV Wat betekent AS-AD. Aggregated demand: de macro-economische vraag.

Uitleg theorie AS-AD model. MEV Wat betekent AS-AD. Aggregated demand: de macro-economische vraag. Uitleg theorie AS-AD model. Het AS-AD model is een theoretisch model over de werking van de economie. Het model is daarmee een macro-economisch model. Het model maakt sterk gebruik van het marktmodel uit

Nadere informatie

UIT groei en conjunctuur

UIT groei en conjunctuur Economische groei. Economische groei drukken we uit in de procentuele groei van het BBP op jaarbasis. De groei van het BBP heeft twee oorzaken. Het BBP kan groeien omdat de prijzen van producten stijgen

Nadere informatie

bruto inkomen (per persoon)

bruto inkomen (per persoon) Opgave 1 Lorenzcurve en economische kringloop Definities: Bruto inkomen Loon/pensioen, interest, winst/dividend, huur/pacht Netto inkomen Bruto inkomen inkomstenbelasting (IB) Netto besteedbaar inkomen

Nadere informatie

Groep Wegingsfactor Prijsverandering Partieel prijsindexcijfer Woning 40% +10% 110 Voeding 30% -10% 90 Kleding 20% +20% 120 Diversen 10% +15% 115

Groep Wegingsfactor Prijsverandering Partieel prijsindexcijfer Woning 40% +10% 110 Voeding 30% -10% 90 Kleding 20% +20% 120 Diversen 10% +15% 115 Samenvatting door M. 1480 woorden 6 januari 2014 7,2 17 keer beoordeeld Vak Methode Economie Praktische economie Tijd is geld De ECB leent geld uit aan de banken. Ze rekenen daar reporente voor. Banken

Nadere informatie

ALGEMENE ECONOMIE /03

ALGEMENE ECONOMIE /03 HBO Algemene economie Raymond Reinhardt 3R Business Development raymond.reinhardt@3r-bdc.com 3R 1 M Productiefactoren: alle middelen die gebruikt worden bij het produceren: NOKIA: natuur, ondernemen, kapitaal,

Nadere informatie

Begrippenlijst Economie H10 geld en geldschepping

Begrippenlijst Economie H10 geld en geldschepping Begrippenlijst Economie H10 geld en geldschep Begrippenlijst door V. 902 woorden 8 juni 2013 3 2 keer beoordeeld Vak Methode Economie Kern van de economie Begrippenlijst economie hoofdstuk 10 10.1 geld

Nadere informatie

Kleurpagina vraagkaartjes beginner Ruilen over de tijd Quiz. Deze pagina 2 keer printen daarna op de achterkant de vraagkaartjes Ruilen over de tijd

Kleurpagina vraagkaartjes beginner Ruilen over de tijd Quiz. Deze pagina 2 keer printen daarna op de achterkant de vraagkaartjes Ruilen over de tijd Kleurpagina vraagkaartjes beginner Ruilen over de tijd Quiz. Deze pagina 2 keer printen daarna op de achterkant de vraagkaartjes Ruilen over de tijd quiz beginner printen en uitsnijden of knippen. Bijlage

Nadere informatie

Vraag Antwoord Scores

Vraag Antwoord Scores Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 Zakelijk boeren 1 maximumscore 1 A, B, D, E, F, H Opmerking

Nadere informatie

Het rendement van een belegging is de opbrengst uitgedrukt in procenten van het belegde bedrag.

Het rendement van een belegging is de opbrengst uitgedrukt in procenten van het belegde bedrag. Samenvatting door een scholier 1412 woorden 18 juli 2015 6,7 33 keer beoordeeld Vak Methode Economie LWEO De klassieken Keynes Lange termijn/geen termijn Korte termijn Prijsmechanisme: vraag en aanbod

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2001-II

Eindexamen economie 1 vwo 2001-II 4 Antwoordmodel Opgave Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. ja Uit de toelichting moet blijken dat de stijging

Nadere informatie

Samenvatting Economie Internationale handel

Samenvatting Economie Internationale handel Samenvatting Economie Internationale handel Samenvatting door een scholier 1484 woorden 7 oktober 2003 5,5 44 keer beoordeeld Vak Economie Lesbrief Internationale handel HS 1 Nederland handelsland Par.

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2004-II

Eindexamen economie 1-2 havo 2004-II 4 Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 artikel 1 Een verklaring waaruit

Nadere informatie

Rendement = investeringsopbrengst/ investering *100% Reëel rendement = Nominaal rendement / CPI * 100-100 Als %

Rendement = investeringsopbrengst/ investering *100% Reëel rendement = Nominaal rendement / CPI * 100-100 Als % Inflatie Stijging algemene prijspeil Consumenten Prijs Indexcijfer Gewogen gemiddelde Voordeel: Mensen met schulden Nadeel: Mensen met loon, spaargeld Reële winst bedrijven daalt Rentekosten bedrijven

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2004-I

Eindexamen economie 1-2 havo 2004-I 4 Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Een voorbeeld van een juist antwoord

Nadere informatie

Economie. Arbeidsmarkt. Domein markt en domein goede tijden, slechte tijden

Economie. Arbeidsmarkt. Domein markt en domein goede tijden, slechte tijden Economie Arbeidsmarkt Domein markt en domein goede tijden, slechte tijden ETMF, STAI oktober 2014 Opgave 1 (havo 2002-1 ec1 opg 6) Kunnen de premies lager? Alle werknemers betalen verplicht premies voor

Nadere informatie

Toetsopgaven VWO bij de euro-editie van het Onderdeel Geld van Percent Economie voor de tweede fase

Toetsopgaven VWO bij de euro-editie van het Onderdeel Geld van Percent Economie voor de tweede fase Toetsopgaven VWO bij de euro-editie van het Onderdeel Geld van Percent Economie voor de tweede fase Opgave 1 Sinds 1 juni 1998 maakt De Nederlandsche Bank (DNB) samen met de centrale banken van andere

Nadere informatie

1. Lees de vragen goed door; soms geeft een enkel woordje al aan welke richting je op moet.

1. Lees de vragen goed door; soms geeft een enkel woordje al aan welke richting je op moet. AANVULLENDE SPECIFIEKE TIPS ECONOMIE VWO 2007 1. Lees de vragen goed door; soms geeft een enkel woordje al aan welke richting je op moet. : Leg uit dat loonmatiging in een open economie kan leiden tot

Nadere informatie

Eindexamen economie havo I

Eindexamen economie havo I Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 Een antwoord waaruit blijkt dat

Nadere informatie

Hoofdstuk 1: Waar produceren

Hoofdstuk 1: Waar produceren Hoofdstuk 1: Waar produceren Open economie - Een land handeld veel met het buitenland, importeert & exporteert veel Er is meer keuze aan goederen of diensten dan in een gesloten economie Concurrentiepositie

Nadere informatie

Domein Welvaart en Groei

Domein Welvaart en Groei Domein Welvaart en Groei Zie steeds de eenvoud!! vwo Frans Etman Welvaart Welvaart Hoe je jouw wensen kan vervullen met producten. Dat is thuistaal. Voor een toets schrijf je op: de mate van behoeftebevrediging

Nadere informatie

Loonkosten per product omhoog - Prijzen omhoog - Internationale concurrentiepositie omlaag

Loonkosten per product omhoog - Prijzen omhoog - Internationale concurrentiepositie omlaag Samenvatting Economie Europa Samenvatting door S. 1608 woorden 27 maart 2017 7,5 27 keer beoordeeld Vak Methode Economie LWEO Hoofdstuk 1: Waar produceren Open economie - Een land handeld veel met het

Nadere informatie

Antwoorden stencils OPGAVE 1 11.313 pond. (36,41%) 1,48 miljard als het BNP in procenten harder is gestegen dan het bedrag in ponden in procenten

Antwoorden stencils OPGAVE 1 11.313 pond. (36,41%) 1,48 miljard als het BNP in procenten harder is gestegen dan het bedrag in ponden in procenten Antwoorden stencils OPGAVE 1 1. Nominaal Inkomen 1996 = 25,34 miljard pond x 1,536 = 38,92224 miljard pond Bevolkingsomvang 1996 = 3.340.000 x 1,03 = 3.440.200 Nominaal Inkomen per hoofd = 38,92224 miljard

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 havo 2008-I

Eindexamen economie 1 havo 2008-I Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 bij (1) primair bij (2) directe

Nadere informatie

Eindexamen havo economie oud programma 2012 - I

Eindexamen havo economie oud programma 2012 - I Opgave 1 Beleggingen leiden tot inkomensverschillen Aangetrokken door voorspoedige ontwikkelingen op de effectenbeurs, zijn in een land de mensen steeds meer gaan beleggen in aandelen en obligaties. Mede

Nadere informatie

H2: Economisch denken

H2: Economisch denken H2: Economisch denken 1 : Produceren Produceren: Het voortbrengen van goederen en diensten met behulp van de productiefactoren door bedrijven en de overheid. Alleen bedrijven en de overheid kunnen produceren

Nadere informatie

1)Waaruit bestaat de vraag op de Werkenden en (openstaande)vacatures. arbeidsmarkt? Werkenden 2)Noem een ander woord voor

1)Waaruit bestaat de vraag op de Werkenden en (openstaande)vacatures. arbeidsmarkt? Werkenden 2)Noem een ander woord voor 1)Waaruit bestaat de vraag op de arbeidsmarkt? 2)Noem een ander woord voor werkgelegenheid. 3)Wat houdt het arbeidsvolume in? 4)Met welk woord wordt het aanbod van arbeid ook aangeduid? 5)Geef de omschrijving

Nadere informatie

Domein E: Concept Ruilen over de tijd

Domein E: Concept Ruilen over de tijd 1. Het bruto binnenlands product is gestegen met 0,9%. Het inflatiepercentage bedraagt 2,1%. Bereken de reële groei van het BBP. 2. Waarmee wordt het inflatiepercentage gemeten? 3. Lees de onderstaande

Nadere informatie

Basisperiode Periode 1 Stijgings-percentage Basisperiode Periode 1 Gegeven: 400 miljard

Basisperiode Periode 1 Stijgings-percentage Basisperiode Periode 1 Gegeven: 400 miljard Aantekeningen Economie VWO-6 onderdeel 7: Conjunctuur Hoofdstuk 26 1 De economische conjunctuur Met economische groei wordt bedoeld: het jaarlijkse groeipercentage van het reële Bruto Binnenlands Product

Nadere informatie

Eindexamen economie havo I

Eindexamen economie havo I Opgave 1 Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. 1 Voorbeeld van een juiste berekening: 47,5 27,5 100% = 72,73% 27,5

Nadere informatie

Samenvatting Economie Arbeidsmarkt & inkomen

Samenvatting Economie Arbeidsmarkt & inkomen Samenvatting Economie Arbeidsmarkt & inkomen Samenvatting door een scholier 1239 woorden 30 oktober 2003 6,6 81 keer beoordeeld Vak Economie Lesbrief Arbeidsmarkt Hoofdstuk 1 Beroepsbevolking= werkgelegenheid

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 havo 2004-II

Eindexamen economie 1 havo 2004-II 4 Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 2,6% 2 Voorbeelden van juiste antwoorden zijn:

Nadere informatie

Eindexamen vwo economie 2013-I

Eindexamen vwo economie 2013-I Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 Een antwoord waaruit

Nadere informatie

Verboden woord Lesvoorbereiding kaartjes kaartjes achterkant Spelregels Afronding

Verboden woord Lesvoorbereiding kaartjes kaartjes achterkant Spelregels Afronding Verboden woord Lesvoorbereiding Maak de kaartjes (print eerst het (word)document kaartjes op dik papier en vervolgens het (powerpoint)document kaartjes achterkant op de achterzijde. U kunt ook gebruik

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2000-I

Eindexamen economie 1-2 havo 2000-I 4 Antwoordmodel Opgave 1 Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. 1 voorbeelden van juiste antwoorden: Een antwoord

Nadere informatie

Examen HAVO en VHBO. Economie 1,2 oude en nieuwe stijl

Examen HAVO en VHBO. Economie 1,2 oude en nieuwe stijl Economie 1,2 oude en nieuwe stijl Examen HAVO en VHBO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Vooropleiding Hoger Beroeps Onderwijs HAVO Tijdvak 2 VHBO Tijdvak 3 Woensdag 21 juni 13.30 16.30 uur 20 00 Dit

Nadere informatie

Eindexamen economie vwo 2010 - I

Eindexamen economie vwo 2010 - I Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 Een antwoord waaruit

Nadere informatie

Macro-economie examenvragen

Macro-economie examenvragen Macro-economie examenvragen Deel II 1. Indien de reële productie en het arbeidsaandeel constant blijven, dan kan het aantal tewerkgestelde personen van het ene jaar op het andere slechts toenemen indien.

Nadere informatie

7,4. Samenvatting door een scholier 1838 woorden 5 december keer beoordeeld

7,4. Samenvatting door een scholier 1838 woorden 5 december keer beoordeeld Samenvatting door een scholier 1838 woorden 5 december 2005 7,4 9 keer beoordeeld Vak Economie Samenvatting Economie H5 Paragraaf 1 Geld = ongedifferentieerde koopkracht die door iedereen wordt geaccepteerd

Nadere informatie

Hoofdstuk 5: Internationale betrekkingen

Hoofdstuk 5: Internationale betrekkingen Hoofdstuk 5: Internationale betrekkingen Economie VWO 2011/2012 www.lyceo.nl H5: Internationale betrekkingen Economie 1. Inkomen 2. Consument 3. Producenten 4. Markt en Overheid 5. Internationale betrekkingen

Nadere informatie

Lesbrief Buitenland 2

Lesbrief Buitenland 2 Lesbrief Buitenland 2 Hoofdstuk 1 Internationale handel 1.1 Uitvoer en invoer Invoervolume ( = importvolume): Uitvoervolume (= exportvolume): de hoeveelheid goederen en / of diensten gekocht uit het buitenland

Nadere informatie

Samenvatting Economie Hoofdstuk 1 t/m 4: monetaire zaken

Samenvatting Economie Hoofdstuk 1 t/m 4: monetaire zaken Samenvatting Economie Hoofdstuk 1 t/m 4: monetaire zaken Samenvatting door R. 1640 woorden 24 juni 2014 7,3 5 keer beoordeeld Vak Methode Economie LWEO Hoofdstuk 1. Geld Begrippen Directe ruil Indirecte

Nadere informatie

7,9. Samenvatting door E woorden 21 april keer beoordeeld. 1.Waar produceren? Kennen:

7,9. Samenvatting door E woorden 21 april keer beoordeeld. 1.Waar produceren? Kennen: Samenvatting door E. 3688 woorden 21 april 2014 7,9 44 keer beoordeeld Vak Methode Economie LWEO 1.Waar produceren? Arbeidsmigratie: Werknemers verhuizen naar plaatsen waar werk is. Dat kan binnen een

Nadere informatie

Eindexamen economie havo I

Eindexamen economie havo I Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 salaris: 122.000 175 = 86.437

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 havo 2000-I

Eindexamen economie 1 havo 2000-I Opgave 1 Meer mensen aan de slag Het terugdringen van de werkloosheid is in veel landen een belangrijke doelstelling van de overheid. Om dat doel te bereiken, streeft de overheid meestal naar groei van

Nadere informatie

Micronieveau: dat wil zeggen naar de productie van een bedrijf of het inkomen van een huishouden

Micronieveau: dat wil zeggen naar de productie van een bedrijf of het inkomen van een huishouden Samenvatting door een scholier 1037 woorden 19 augustus 2003 5,5 126 keer beoordeeld Vak Economie H1. Micronieveau: dat wil zeggen naar de productie van een bedrijf of het inkomen van een huishouden Macroniveau:

Nadere informatie

Examen HAVO. economie. tijdvak 2 woensdag 23 juni 13.30-16.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage.

Examen HAVO. economie. tijdvak 2 woensdag 23 juni 13.30-16.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage. Examen HAVO 2010 tijdvak 2 woensdag 23 juni 13.30-16.00 uur economie tevens oud programma economie 1,2 Bij dit examen hoort een bijlage. Dit examen bestaat uit 27 vragen. Voor dit examen zijn maximaal

Nadere informatie

Om een zo duidelijk mogelijk verslag te maken, hebben we de vragen onderverdeeld in 4 categorieën.

Om een zo duidelijk mogelijk verslag te maken, hebben we de vragen onderverdeeld in 4 categorieën. Beste leerling, Dit document bevat het examenverslag voor leerlingen van het vak economie vwo, tweede tijdvak (2017). In dit examenverslag proberen we een zo goed mogelijk antwoord te geven op de volgende

Nadere informatie

UIT de arbeidsmarkt

UIT de arbeidsmarkt Verandering van de werkloosheid. Vraag en aanbod op de arbeidsmarkt zijn onderhevig aan continue veranderingen. Als gevolg daarvan verandert de omvang van de werkloosheid in een land ook continue. Werkloosheid

Nadere informatie

Samenvatting Economie Internationale Handel

Samenvatting Economie Internationale Handel Samenvatting Economie Internationale Handel Samenvatting door een scholier 1611 woorden 9 september 2001 6,5 169 keer beoordeeld Vak Economie Economie Internationale Handel Hoofdstuk 1 Nederland is erg

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2006-I

Eindexamen economie 1-2 havo 2006-I 4 Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 Maximumscore 1 1 Uit het antwoord moet blijken

Nadere informatie

Inleiding tot de economie Test december 2008 H17 tem H25 VERBETERING 1

Inleiding tot de economie Test december 2008 H17 tem H25 VERBETERING 1 Inleiding tot de economie Test december 2008 H17 tem H25 VERBETERING 1 Vraag 1 Bin. Munt/Buit. munt Hoeveelheid buitenlandse munt Beschouw bovenstaande grafiek met op de Y-as de hoeveelheid binnenlandse

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2005-II

Eindexamen economie 1-2 vwo 2005-II 4 Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Een voorbeeld van een juist antwoord

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2000-II

Eindexamen economie 1-2 havo 2000-II Opgave 1 Uit een krant: Uitzendbranche blijft groeien Uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) blijkt dat de uitzendbranche in het eerste kwartaal van 1998 flink is gegroeid. In vergelijking

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2007-I

Eindexamen economie 1-2 havo 2007-I 4 Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 twee van de volgende voorbeelden

Nadere informatie