Activiteitenplan: Woeste Willem

Vergelijkbare documenten
Leeskastje Mama kwijt

Boeken & praatjes, Letters en laatjes.

De Weier Vissedijk 35c 7602 CP Almelo

Activiteitenplan leeskastje bedoelt voor leerkrachten werkzaam in de onderbouw.

Auditieve oefeningen bij het thema: piraten

Activiteitenplan: Kleine Pien op reis Schatkist eropuit

Titel: Elmo en het geheim van Sinterklaas

Samen kunnen we alles.

Lezer: 2 Woeste Willem is een echte brombeer. Hij houdt niet van gezelschap. Iedereen die maar in de buurt van zijn huis komt, jaagt hij weg.

Activiteitenplan leeskastje. Kikker en het Nieuwjaar. Activiteitenplan bedoelt voor groep 1/2 in het basisonderwijs

Activiteitenplan leeskastje. Dikkie Donderkopje wordt groot. Activiteitenplan bedoelt voor groep ½ in het basisonderwijs

Activiteitenplan leeskastje. Elmer. Activiteitenplan bedoelt voor groep 1/2 in het basisonderwijs

Activiteitenplan: Beer bouwt een winterhuis

Inhoudsopgave: Activiteiten die betrekking hebben op de tussendoelen en gerelateerd zijn aan het prentenboek: Dotties eieren.

Voorbeelden van basiscompetenties TAAL/mondelinge taalontwikkeling zijn: Groeiboek Groeiboe

Auditieve oefeningen bij het thema: Barbapapa

maken de kinderen een waterorgel en laten elke lettergreep uit een lied horen op dit orgel. Groep 1 Groep 2 samengestelde woorden in

Bijlage 14 Registratie- en planningsformulier gehele groep

maakt (kirrende) geluidjes of brabbelt (tegen personen en speelgoed) begint steeds meer woorden te herhalen en (na) te zeggen

Samen kunnen we alles

Kleuters leren lezen

DC thema 62 Taalbewustzijn stimuleren bij kleuters

Thema 4 Lezen de prentenboeken 2. het versje 3. klappen. 2. het vers 2. Een vers is een lied of gedicht.

Auditieve oefeningen bij het thema: Mama kwijt

Auditieve oefeningen bij het thema de dierentuin

Auditieve oefeningen bij het thema:

Auditieve oefeningen bij het thema: onderwater/de zee

Prentenboek: Plotter wil niet zwemmen Hilde Schuurmans

Auditieve oefeningen bij het thema: bijen

Auditieve oefeningen bij het thema: Plastic Boek van de week: 1: Plasticsoep van de klimaatjesreeks van Clavis 2: Plasticsoep is troep

Harro van Lien. Woeste Willem. Lesbrief

Nieuwsbrief groep 3 december 2016

Taallessen Kruisje het spinnetje.

Nieuwsbrief groep 3 december 2014

Kern 4: huis-weg-bos-tak-hut

Kern 3: doos-poes-koek-ijs

Auditieve oefeningen bij het thema: dinosaurussen

Algemene informatie groep 1-2. Ontwikkeling van kleuters:

WOORDEN VERANDEREN. grap. glas. kras. grijs NIEUWE WOORDEN MAKEN. sterk - kers. ster. Kies een woord uit het woordpakket. gras -

2 > Kerndoelen > Aan de slag > Introductie van de manier van werken > Mogelijke werkvormen en de plaats op het rooster 27

instapkaarten taal verkennen

Auditieve oefeningen bij het thema:

Woordenschat blok 04 gr4 Les 1 Enzovoort: en ga zo maar verder. Hierboven: boven iets, bijvoorbeeld een lijn. Hieronder: onder iets, bijvoorbeeld een

Auditieve taaloefeningen bij onderwerp indianen

LESBRIEF. Grote Anna leert lezen en rekenen. Digibordles lezen : Digibordles rekenen : Wij maken kinderdromen waar

Wij willen u vragen niet vooruit te gaan werken/oefenen. Er kan dan verwarring ontstaan bij het kind. Wij willen dit graag voorkomen!

Auditieve oefeningen bij het thema: Mijn huis

LESBESCHRIJVING GROEP 1-2

Leerlijnen peuters en jonge kind (MET extra doelen) versie juli Naam leerling. Taal Beginnende geletterdheid

Auditieve oefeningen bij het thema: opa en oma

Online leren lezen - Overzicht van de oefeningen

Beoordeling power-point groep 5

Klankgroep en lettergreep

Kern 6: geit-pauw-duif-ei

Auditieve oefeningen bij het thema: lang leve de koningin

Auditieve oefeningen bij het thema:

Aanbod van zelfstandige activiteiten BC Piraten zonder grenzen

Woeste Willem Groep 1 2

Peuters Groep 1 Groep 2 Groep 3 BP MP EP M1 E1 M2 E2 M3

Wat voor tekst schrijf je en voor wie: een gedicht voor op een poëziekaart. Hoe pak je het schrijven van een gedicht aan?

Tussendoelen Taal: Spraak- Taalontwikkeling

MEMORY WOORDEN 1.1. TaalCompleet A1 Memory Woorden 1 1

Kern 2: teen - een - neus - buik - oog. Spellen bij kern 2. In deze kern leert uw kind: Letters: t n b oo ee Woorden: teen - een - neus - buik - oog

Auditieve oefeningen bij het thema: Tijgers Boek van de week: 1; Ssst! De tijger slaapt 2; Tijgers; informatieboekje

Gratis spellen bij kern 4 Spel 1: Tik aan Spel 2: Een verlanglijstje schrijven Spel 3: Prentenboeken lezen Spel 4: Rijmpjes maken

De uil ziet de warme want. Hij denkt daarin is het lekker warm.

Voor jezelf? Les 1 Welkom!

Inleiding van het project: Benodigdheden: - handpop - kist - versje

Rekenen groep 1. Welke leerdoelen gelden voor de komende periode? Getalbegrip:

Activiteit Doel Beschrijving doel Planning Uitvoering. De kinderen: - oriënteren zich op het thema. - activeren hun voorkennis.

Hoe maak ik een werkstuk?

Auditieve oefeningen. Boek van de week: Verhaalbegrip: Taalbewustzijn: 1; Voetbal 2; Beroemd 3;

LESBRIEF. Er ligt een krokodil onder mijn bed

Auditieve oefeningen thema het bos

Document vertellen en presenteren voor de groepen 1, 2, 3 en 4. Doelen van vertellen en presenteren in groep 1 en 2:

PIRATEN. WAT LEERT DE LEERLING? Nadenken over hoe ze er uit zien.

Grafementoets: instructie voor de leerkracht

Signaleringslijst voor Kleuters 2.0 1)

Nieuwsbrief groep 3 september 2016

Lesplan theaterlezen. Voorlezen? Herhaald lezen?

Lespakket. Ssst de tijger slaapt. Door: Maike Douglas jufmaike.nl. De lessen met een * ervoor zijn alleen geschikt voor kleuters. ã jufmaike.

Waarom dit boek? 7. 1 De ik-fabriek, wat is dat? Lichaamsseintjes Je lichaam is net een fabriek 17

lezen veilig leren Kinderboekenweek 2010 Tips voor regio zuid Zinnen maken met woorden én beeldtaal zijn Les 1

Auditieve oefeningen bij het thema: Kriebelbeestjes

Hoeveel stukjes hoor je? Chinees praten. Een doos vol spulletjes.

Werkstukken maken op PCBO-Het Mozaiek Groep 6

inhoud blz. 1. Drijven of zinken? 2. Lucht is licht 3. De duikboot 4. De zwemles 5. Zout en zoet water 6. Olie en water 7.

Tips voor aanvankelijk technisch lezen (groep 3)

Werkblad. LES 9: Ouders. GROEP 1-2. Bijlage 1. Rood actief inspannen/ sporten. Oranje middelmatig inspannen.

Nieuwsbrief groep 3 oktober 2016

Arrangementen dagbesteding VSO Oriëntatiefase Verdiepingsfase Integratiefase Leerjaar 1 (de

Nieuwsbrief groep 3 januari 2016

Spelenderwijs rijmen. Linda Willemsen.

Huiswerk Spreekbeurten Werkstukken

Reader voor pedagogisch medewerkers

= een boek met getekende plaatjes. Er staan meestal maar weinig woorden in een prentenboek. = een ander woord voor het gedicht.

Auditieve oefeningen thema kleding

Spinners. Veel plezier! Juf Els en juf Anke

4 In de tekst staat: Dit is een recept voor een toetje. Weet jij wat een recept is? Kruis de goede zin aan.

Transcriptie:

Leeskastje: Activiteitenplan: Woeste Willem 1

Leeskastje: Activiteitenplan Woeste Willem. Ingrid&Dieter Schubert Introductieactiviteit. Doel: - De kinderen maken kennis met het leeskastje: - De kinderen kunnen aan de hand van de inrichting van de hoek en de titel van het boek, een voorspelling doen over de inhoud. - De leerlingen weten dat ze spelletjes met boeken en letters gaan doen, als ze met Dit kastje gaan werken. Activiteit 1: Inhoud activiteit: De kinderen zitten in een kring, rond de hoek die ingericht is als piratenboot. De leerkracht zet het kistje op een centrale plaats. Het kistje wordt bekeken. - Wat zou het zijn? - Welke tekeningen / pictogrammen zie je? - Wat zit er in? - Wat hoort er op de standaard te staan? - Wat staat er aan de zijkant? De leerkracht vertelt dat ze een nieuw kastje in de klas hebben dat de naam heeft: "leeskastje". Als je goed naar deze naam luistert dan weet je ook wat we gaan doen. Luister nog maar eens goed: We gaan een boekje lezen en daarna gaan we steeds een ander laatje open maken en er een praatje over houden en een spelletje doen. Boekoriëntatie (Tussendoel 1) 1. Boekenstandaard Doel: - De leerlingen kunnen na afloop van de boekoriëntatie de titel van het verhaal aanwijzen. - De kinderen kunnen aan de hand van de tekeningen op de voorkant van het boek, een voorspelling maken over de inhoud van het boek. - De kinderen weten dat een boek van voren naar achteren wordt gelezen. Activiteit 2: Inhoud activiteit: De leerkracht vertelt dat ze een boek heeft meegenomen. - Kijk eens goed naar de tekening op de voorkant van het boek, waar zou het boek over gaan? - Dadelijk begin ik te lezen aan de voorkant en daarna lees ik steeds een volgende bladzijde. Als het verhaal uit is kijk ik naar de achterkant. Welke tekening zie je daar? 2

- Op de voorkant van het boek staan letters. Dat noemen we de titel van het boek. De leerkracht leest de titel voor: Woeste Willem - Deze woorden noemen we een zin. De leerkracht schrijft de zin op een flap. - Als ze dit heeft gedaan komt de praatpop tevoorschijn die zegt: Hé, dat boek gaat over mij! Dat ben ik, ik heet zo! De juf vraagt aan de pop wie hij is. "Ik ben Willem, en ik ben een echte woeste zeerover. - Dit boek gaat over mij en over het jongetje Frank. Op de flap wordt het woord wie Bijlage 1 geschreven. Daarachter een W en nog een W van Woeste Willem Dat begint met dezelfde letter! Het klinkt hetzelfde en ziet ook hetzelfde uit. De juf zegt dat ze nu erg benieuwd is geworden naar het boek en dat ze het wil gaan voorlezen. De pop wordt even in de piratenboot gezet. Bij het voorlezen past de grote la met het boek pictogram. De la wordt open gemaakt. verhaalbegrip Activiteit 3: ( Tussendoel 2) Laatje 2 Doel: - de kinderen breiden hun woordenschat uit door de attributen te benoemen die een ondersteunende rol in het verhaal hebben. - de kinderen zijn in staat om het verhaal na te vertellen m.b.v. voorwerpen. - de kinderen zijn in staat om het verhaal na te vertellen m.b.v. afbeeldingen. Inhoud activiteit: De spullen uit de grote la worden bekeken. Er zitten twee poppen in. Woeste Willem en Frank. Er ligt ook een ooglap, een hoofddoek, een verrekijker, een schatkaart, en een zeeroversvlag in. Die heb je natuurlijk nodig als je een zeerover bent. ( De la kan altijd aangevuld worden) Er zitten ook plaatjes in. (zie bijlage 2) Die gaan allemaal over het boek. Enkele plaatjes worden bekeken en dan even aan de kant gelegd. De spullen die in de piratenboot staan en te groot zijn voor het kastje, worden ook genoemd. ( Piraten kleren, schatkist met schatten,zwaard, touw en stokken om een vlot te maken, fles met post, piraten boot (makkelijk te maken van omgekeerde tafels, met daaromheen karton), mast en zeilen, roer van de boot, stuk hout met een touw als rest van de boot. anker, zwemvliezen, zwemband, Vervolgens wordt het boek voorgelezen. De attributen bieden hierbij een ondersteunende rol. Op het moment dat het jongetje Frank op het dak staat wordt samen naar een oplossing gezocht. Hoe gaat het verhaal verder? 3

De tweede stop wordt gemaakt na het voorlezen van waar zou die rommel toch vandaan komen. De laatste onderbreking is het zoeken naar een goed einde van het verhaal. Wat is het probleem van Willem, en hoe kan het opgelost worden? Keuzeactiviteiten Nadat het boek gelezen is, kunnen de kinderen kiezen welk laatje er geopend wordt. Een aantal lades kunnen meerdere malen geopend worden. Keuzeactiviteit: verhaalbegrip De volgende activiteiten kunnen na het lezen worden uitgevoerd m.b.t. verhaalbegrip.(tussendoel 2) Verhaalschema maken m.b.v. pictogrammen: Doel: - de leerlingen krijgen inzicht in pictogrammen m.b.t. het verhaalschema. - de leerlingen zijn in staat om vragen te beantwoorden, m.b.t. de inhoud van het boek. - na afloop zijn de kinderen in staat om de schematisch aangegeven verhaallijn te verwoorden. Activiteit: zie bijlage 1 - Op een flap heeft de leerkracht een pictogram en de wie vraag geschreven. - De overige pictogrammen worden besproken en ingevuld op de flap. Op deze manier kan het verhaalschema in kaart worden gebracht. In eerste instantie kunnen de volgende vragen worden gesteld: - over wie gaat het verhaal? - waar speelt het verhaal zich af? - begin, wat kun je vertellen over het begin van het verhaal? - afloop, hoe loopt het verhaal af? Deze vragen kunnen uitgebreid worden. Na afloop kan een kind aan de hand van de pictogrammen, woorden en de eigen gemaakte tekeningen, de verhaallijn verwoorden. Deze flap, met het verhaalschema moet een centrale plek krijgen, binnen het thema. Navertellen van het verhaal m.b.v. materiaal. Doel: - de kinderen breiden hun woordenschat uit door attributen te gebruiken/ benoemen. - de leerlingen van groep 1 zijn in staat om de verhaallijn globaal na te vertellen m.b.v. 4 attributen. - de leerlingen van groep 2 zijn in staat om de verhaallijn precies na te vertellen m.b.v. 6 of 7 attributen. 4

Activiteit: Eén kind opent de lade en de attributen worden benoemd. De leerkracht selecteert een aantal attributen en vraagt aan de leerlingen om met deze attributen in de goede volgorde van het verhaal te leggen. Daarna wordt er gekeken of het kind m.b.v. deze attributen het verhaal in goede volgorde kan navertellen. Afhankelijk van het kind en de groep kan het aantal attributen uitgebreid worden en kan het verhaal gedetailleerder omschreven worden. Navertellen van het verhaal m.b.v. afbeeldingen. Zie bijlage 2 Doel: - de leerlingen van groep 1 zijn in staat om de verhaallijn globaal na te vertellen m.b.v. 4 afbeeldingen - de leerlingen van groep 2 zijn in staat om de verhaallijn precies na te vertellen m.b.v. 6 of 7 afbeeldingen. Activiteit: Eén kind opent de lade en de afbeeldingen worden bekeken. De leerkracht selecteert een aantal afbeeldingen en vraagt aan de leerlingen om met deze afbeeldingen in de goede volgorde van het verhaal te leggen. Daarna wordt er gekeken of het kind m.b.v. deze plaatjes, in de goede volgorde, het verhaal kan navertellen. Afhankelijk van het kind en de groep kan het aantal afbeeldingen uitgebreid worden en kan het verhaal gedetailleerder omschreven worden. Functies van geschreven taal) Laatje 3 Keuzeactiviteit:. (Tussendoel3 Activiteit 1: M.b.v. Pictogrammen het verhaalschema maken. Bijlage 1 Doel: - De Kinderen weten dat geschreven taal een communicatief doel heeft. - De kinderen weten dat symbolen verwijzen naar woorden. - De kinderen weten dat gesproken woorden permanent kunnen worden vastgelegd op papier. - De kinderen weten wat het verschil is tussen lezen en schrijven. Activiteit: - Op een flap heeft de leerkracht een pictogram Woeste Willem en de wie vraag geschreven. - De overige pictogrammen worden besproken en ingevuld op de flap. 5

Op deze manier kan het verhaalschema in kaart worden gebracht. In eerste instantie kunnen de volgende vragen worden gesteld: - wie; over wie gaat het verhaal? - waar speelt het verhaal zich af? - begin; wat kun je vertellen over het begin van het verhaal? - afloop; hoe loopt het verhaal af? Deze vragen kunnen uitgebreid worden. Na afloop kan een kind aan de hand van de pictogrammen, woorden en de eigen gemaakte tekeningen de verhaallijn verwoorden. Deze flap, met het verhaalschema moet een centrale plek krijgen, binnen het thema Activiteit 2: Schatkaart maken. Doel: - de leerlingen ervaren dat je iets kunt leren door te lezen; - de leerlingen leren dat je m.b.v. letters en tekeningen werkschema's kunt maken; - de leerlingen ervaren dat werkschema's je helpen bij het uitvoeren van activiteiten. In het lokaal, of op de speelplaats wordt een schat verstopt. Via aanwijzingen op de schatkaart moet hij gevonden worden. Kinderen lezen zelf de kaart. Het lied Wij zijn piraten van de zee kan hier bij gezongen worden. Willem maakt voor Frank een vlieger. Hoe doe je dat? Wat heb je nodig? Waarmee moet je beginnen? En wat doe je dan? Er wordt een werkschema gemaakt dat de kinderen kunnen lezen. Activiteit 3. Informatie rondom Woeste Willem Zie bijlage 3 In de la zit algemene informatie over zeerovers, maar ook over boten, water, drijven en zinken, zwemmen en zwemles, zeedieren en schelpen Die kan worden voorgelezen. Het onderwerp kan naar keuze en interesse van de kinderen uitgebreid worden. Activiteit 4: Woordenschat. Zie bijlage 4 Woordenschat als zodanig maakt geen deel uit van het dyslexie protocol. Toch is woordenschat dé sleutel voor schoolsucces en onlosmakelijk verbonden met taal. Vandaar dat we deze woordenlijst hebben opgenomen in ons leeskastje. De woorden komen steeds terug in verschillende activiteiten. Herhaling is noodzakelijk om woorden te alten beklijven. Van deze woorden is een woordkaart gemaakt. Het schip Het huis Huis bouwen Zwaaien Allen zijn Harmonica Bliksem Haaien Onder je arm dragen 6

De zeeleeuw Kapot Het dak Rennen over zijn schouder op de stoep de rommel de zeeroverskist brievenpost de haaientand het dek het zeemonster zeeziek sjooren de schat zeeroversvlag afgebroken Relatie tussen gesproken en geschreven taal. Laatje 4 Activiteit 1: Pictogrammen voor het versje maken. (Tussendoel 4) Doel: - de kinderen ervaren dat ze het versje dat ze horen ook kunnen opschrijven. - de kinderen kunnen de twee laatste zinnen die ze horen na zeggen. - de kinderen kunnen tekeningetjes maken bij bepaalde woorden in het versje, waardoor ze het versje visueel beter kunnen volgen. Activiteit: Als een kind dit laatje wil open maken, wijs dan kort even op het pictogram. Wat zie je? Wat zou je moeten gaan doen? In het laatje ligt een briefje. (tekst van het versje) Bijlage 5 Wat zou er op staan? Kun je al een woordje lezen? Gezamenlijk wordt dit versje 2 keer beluisterd. woeste willem wie vaart daar op een stoere boot? streepjes trui en armen bloot? doek met knoopjes op zijn kop, ogen met een lap erop. woeste Willem, piraten kapitein, houdt van mopperen, wil niet aardig zijn. maar een kleine jongen op zijn dak, helpt hij naar beneden met gemak. lieve Willem ga met mij mee, een eindje varen op de grote zee. samen lachen, samen beven, samen avonturen beleven. dan verklapt de piraten kapitein, 7

aan kleine Frank zijn groot geheim. ik kan niet zwemmen, ik durf niet mee, ik verdrink vast op die woeste zee. welnee zegt Frank, niets aan de hand, ik heb voor jouw buik een zwemmers band. want zwemmen dat kan ik al lang, voor de grote zee ben ik echt niet meer bang. Karina Wetzelaer Het zou handig zijn als we dit kunnen opschrijven op een flap. Dan kunnen we het versje horen, maar ook zien. We luisteren nu steeds naar een zin. Eén kind helpt mij met het opschrijven van het gedicht en herhaalt steeds de zin van het versje. Sommige zinnen zijn moeilijk te onthouden: ze zijn lang. Zijn deze zinnen ook moeilijk om op te schrijven? (Ja dat is veel werk!) De relatie wordt gelegd tussen: als je veel woorden hoort, moet je ook veel woorden opschrijven. (dit noemen we een lange zin ) En als je weinig woorden hoort, moet je ook weinig woorden opschrijven. (dit noemen we een korte zin ). Als het hele versje is opgeschreven, gaan we tekeningetjes maken bij de woorden die je veel hoort / ziet. Eventueel kan op het laatst het versje opgezegd worden waarbij de leerkracht de woorden aanwijst die gesproken worden. Kloppen de tekeningen? Het versje kan met twee kinderen gespeeld worden. De tekeningen kunnen hierbij weer een handig hulpmiddel zijn. Taalbewustzijn (fonologisch bewustzijn) Laatje 5 Activiteit 1: Eindrijm. La 5: pictogram oor Vervolgactiviteit, maar ook los te gebruiken. Doel: - de kinderen kunnen samen het versje opzeggen; - twee kinderen kunnen dit ook alleen; - de kinderen zijn in staat om eindrijm te herkennen; - de kinderen kunnen zelf rijmwoorden maken. Activiteit: Als dit laatje wordt geopend, treffen de kinderen hierin het versje van Woeste Willem. Bijlage 5 Dit versje wordt gezamenlijk nog eens gelezen. Vervolgens vraagt de leerkracht of de kinderen woordjes horen die rijmen. Dit kunnen o.a. de volgende woorden zijn: De rijmwoorden worden opgezocht op de flap en nogmaals genoteerd. Wat zien jullie bij deze woorden? Rijmwoorden hebben dezelfde letters op het eind. 8

Kunnen jullie nog meer rijmwoorden bedenken op: Deze woorden worden onder elkaar genoteerd. Telkens wordt gekeken of er dezelfde letters zijn en waar die staan. Activiteit 2: Rijmen (eindrijm) Bijlage 6 Doel: - rijmzinnen kunnen afmaken. - Spelen met klankpatronen De zin wordt langzaam voorgelezen. Het laatste woord moeten de kinderen aanvullen. Dit kan in de grote en in de kleine kring gebeuren. Naar aanleiding van de laatste woorden kunnen de kinderen zelf rijmwoorden of rijmzinnen maken. Willem woont aan de rand van het meer, Hij loopt door zijn huis heen en w (weer) Willem is nu met pensioen, Varen op zijn boot hoeft hij niet meer te d.. (doen) Kom je in zijn buurt dan heb je pech, Hij jaagt gewoon iedereen w.. (weg) Dan hoort Willem een vreemd geluid. Hij loopt snel zijn huisje ui (uit) Alle bliksem en garnalen, Moet ik je van het dak komen h.. (halen) Met wat stokken en een laken, Gaat woeste Willem een vlieger m. (maken) Maar Frank, die wil een nieuwe boot, Wil gaan varen in de sl.. (sloot) Woeste Willem heeft verdriet, Want zwemmen kan hij echt nog n (niet) Landrot- koffie (pot) Brombeer- indianen (veer) Kraaiennest- koeien (mest) Regenpijp- appels zijn (rijp) Zeeleeuw- harde (schreeuw) Schatkaart- lange (baard) Baantjes zwemmen- beren (temmen) 9

Activiteit 3: zinnen opdelen in woorden. Bijlage 7 Doel: - de kinderen kunnen zinnen opdelen in woorden. - de kinderen kunnen aangeven hoeveel woorden er zijn met behulp van materiaal. Het schip vaart op zee. Ik zie een vlag met een hoofd. Er is ook een zeil. Ik draai aan het roer. Frank zit op het dak. Hij is bang. Het is heel hoog. Van een stok maakt hij een mast. De haai vliegt door het zeil Zijn tand breekt af. In de fles zit een kaart. Om zijn buik doet hij een band. De zinnen van 4 en 5 woorden zijn meer geschikt voor groep 1 leerlingen. De langere zinnen kunnen door de groep 2 leerlingen gedaan worden. Bepalend hiervoor is echter de ontwikkeling van het kind en niet de groep. Deze oefening kan ook gedaan worden m.b.v. de bijl. Elk woord krijgt een tik. Lange en korte zinnen kunnen aangegeven worden. Let op het neerleggen van de blokjes. Hanteren ze de leesrichting, gaan ze geordend te werk?in plaats van de blokjes kunnen ook schelpen gebruikt worden. Activiteit 4: Woorden in klankgroepen verdelen. Bijlage 8 Doel: - Lange en korte woorden kunnen aangeven. (Objectivatie) - Lettergrepen kunnen verbinden tot woorden. Woeste Willem zegt een woord in stukjes en Frank maakt er één woord van. Land-rot-ten (Uitspreken als landro-ten) Zee-meer-min Zee-ro-ver Pen-si-oen Brom-beer Kraai-en-nest (Uitspreken als kraaje-nest) Zee-mon-ster 10 Ver-re-kij-ker. (Uitspreken als vere-kij-ker) Zee-ro-vers-lied Har-mo-ni-ca Re-gen-pijp Zee-leeuw Zee-ro-vers-kist Zwaard-tand-haai Zee-meer-min. Wa-ter-man Deze woorden kunnen ook herhaald worden in omgekeerde vorm. Frank zegt nu het hele woord en Woeste Willem hakt ze in stukjes.

Welk woord is het langst? Land-rot-ten Schat-kist Schip Zee-meer-min Zee-ro-ver Pi-raat Pen-si-oen Boot Brom-beer Zee Fles Kraai-en-nest Schat-kaart Zee-mon-ster Ver-re-kij-ker Dak Zee-ro-vers-lied Zeil Zwem-band Har-mo-ni-ca Re-gen-pijp Pi-ra-ten-vlag Haai Zee-leeuw Strand Zee-ro-vers-kist Zwaard-tand-haai Hang-mat Zee-meer-min. Brom-beer Zee-ro-vers-lied Wa-ter-man Taalbewustzijn (fonemisch bewustzijn) Laatje 5 Activiteit 1: Sorteren van woorden op beginrijm. Bijlage 9 Doel: - de kinderen zijn in staat om beginrijm te herkennen in langgerekte woorden; - de kinderen kunnen worden herkennen die een andere beginletter hebben; - de kinderen kunnen zelf woorden bedenken met deze beginrijm. Activiteit: In dit laatje ligt een briefje waarop woorden staan. Dit zijn de woorden die horen bij het verhaal van Woeste Willem. De juf vertelt dat ze woordjes gaat oplezen. Jullie moeten goed naar deze woordjes luisteren. Kunnen jullie vertellen waarom deze bij elkaar horen?" De leerkracht praat met een langgerekte beginklank. 1. woest water willem waterman Ik hoor vooraan de letter : w 2. zeilboot zeerover zwaardvis - zeeleeuw Ik hoor vooraan de letter : z 3. frank fles fris - flauw Ik hoor vooraan de letter : f 4. brombeer boot bang bliksem 11

Ik hoor vooraan de letter :b 5. regenpijp ruig raam rugzak. Ik hoor vooraan de letter : r 6. meer monster mist - maan. Ik hoor vooraan de letter : m 7. schip schoorsteen sterk schatkaart Ik hoor vooraan de letter s 8. vlag vlieger vis varen Ik hoor vooraan de letter : v 9. landrot laken luisteren lek Ik hoor vooraan de letter : l Ter controle kunnen de woorden op de flap geschreven worden. Verdere mogelijkheden zijn: - Bedenk nog een woord met deze beginletters. Dit hoeven geen Woeste Willem woorden te zijn. Schrijf deze woorden ook op de flap erbij. - Welk woord hoort er niet bij? Dezelfde woorden als bovenstaande oefening maar nu met een ander woord er tussen. - Zijn er in de klas ook kinderen die dezelfde letter vooraan hebben in hun naam als Willem of Frank? Ook andere namen kunnen op de flap genoteerd worden zodat de kinderen overeenkomsten gaan zien. De A B C muur kan bij deze activiteit geïntroduceerd / uitgebreid worden. In het laatje zitten ook losse kaartjes. De kaartjes moeten gesorteerd worden op beginklank. Activiteit 2: Hakken en plakken met Woeste Willem. Bijlage 10 Doel: - de kinderen kunnen losse klanken samenvoegen tot een woord, waarbij de zin een ondersteunende rol biedt. - de kinderen kunnen losse klanken samenvoegen tot een woord uit het boek, zonder ondersteuning van de zin. Activiteit: Eén kind maakt het laatje open haalt er een blaadje met zinnen uit. Willem weet hier wel een spelletje mee. Zij zegt de zin, en één woord zegt ze in stukjes. De kinderen raden wat ze gezegd heeft. Een vervolg activiteit hierop kan zijn; alleen het losse woord herkennen. Met een echte bijl worden de letters gehakt. Mijn b-o-o-t is lek. 12

Ik w-o-o-n in een huis. Mijn boot heeft een v-l-a-g. Willem is een echte brom b-ee-r. Frank staat op het d-a-k. Hij kijkt s-i-p. Er liggen cadeautjes op de s-t-oe-p. Een vlieger maak je met een s-t-o-k. Hij heeft nog geen s-t-aa-r-t. Willem redt de h-aa-i. Hij vindt ook een sch-a-t. Een staart maak je met een t-ou-w. z-ee z-ei-l h-ou-t t-ou-w sch-i-p sch-oe-n k-i-s-t. k-aa-r-t v-l-o-t w-oe-s-t s-t-o-r-m z-w-aa-r-d Alfabetisch principe. Laatje 6 Activiteit: Zoem zoem de letterbij, maakt ons blij. Doel : - de kinderen maken kennis met Zoem Zoem de letterbij die erg van letters houdt; - de kinderen kunnen de letter w herkennen tussen andere letters; - de kinderen kunnen de positie van de letter aangeven in een woord dat visueel wordt aangeboden; - de kinderen kunnen de positie van de letter aangeven in een woord dat auditief wordt aangeboden; - de kinderen kunnen woorden benoemen met deze letter. Activiteit: Als een leerling laatje 6 wil openmaken klinkt er gezoem. Met z'n allen luisteren we naar het geluid. "Waar komt het toch vandaan?" In het laatje ligt een bijtje. "Ik ben Zoem, Zoem", zegt de bij en ik heb erge honger. De juf wil hem honing geven maar de bij lust dit niet. "Ik lust alleen maar letters", en daarom zegt hij: "Ik ben Zoem, Zoem de letterbij en ik maak kinderen blij!" Zoem Zoem vliegt door de klas op zoek naar letters. De kinderen helpen hem erbij en wijzen letters aan. Zoem Zoem kan moeilijk beslissen welke letter hij vandaag eens wil proeven. 13

Uiteindelijk vliegt hij terug naar zijn laatje en vindt daarin de letter W. Hij besluit om deze letter te proeven, maar eerst moeten de kinderen hem erbij helpen. - wie weet hoe deze letter heet? - wie heeft deze letter al eens gezien? - zie je deze letter op het boek? - zie je deze letter in het versje van Woeste Willem? - wie heeft deze letter in zijn naam? Zoem Zoem snoept van alle letters W een beetje. Als hij zijn buikje vol heeft, gaat hij lekker slapen in zijn letterlaatje. Vervolgactiviteiten: - De Lettermuur: Tijdens het werken kunnen kinderen tekeningen maken of plaatjes uitknippen van woorden met een W. Deze tekeningen krijgen een plaatsje bij de letter W van de lettermuur. - Schrijf/stempelhoek: Schatkaart maken. Op de tekening staan ook de bijbehorende woorden. (zee, strand, pijl, weg enz ) Websites: http://www.kinderpleinen.nl/showplein.php?plnid=130 14

Bijlage 1: Pictogrammen wie waar begin afloop 15

Bijlage 2: prenten prentenboek 16

17

18

19

20

21

22

Bijlage 3: Informatie over moeilijke woorden: Wat is een zeerover? Een zeerover noem je ook wel een piraat. Dit zijn mensen die op een heel groot schip varen en andere mensen die ook varen op een boot overvallen. Ze willen alle kostbare dingen van deze mensen stelen. Vaak doen ze alle deze dure dingen, goud, sieraden enz. in een grote kist. Deze noem je dan een schatkist. Deze kist wordt ergens op een eiland verstopt. En om deze plaats niet te kunnen vergeten maken ze een geheime schatkaart. Wat is een boot? Een boot is een kleiner vaartuig (roeiboot, zeilboot, reddingsboot. Met een boot kun je varen. 23

Wat is een kraaiennest? Kraaiennest is de term die gebruikt wordt voor een platform in de mast van een schip. Het kan ook een mand zijn en het wordt gebruikt voor de uitkijk. Hoog boven in de mast staat een man op de uitkijk. Hij kijkt bijv. of er schepen in aantocht zijn. Wat is drijven en wat is zinken? Als iets blijft drijven dan blijft iets op het water liggen. Als iets zinkt dan zakt dit naar de bodem van de zee. 24

Wat is zwemmen? Zwemmen doe je meestal in het zwembad. Het is een sport en je moet het leren. Zwemmen is in het water voort bewegen. Je moet hiervoor kunnen drijven. Als je niet kan drijven dan blijf je steeds onder water zwemmen en dan kan je geen adem halen en kan je verdrinken. Zwemmen leer je meestal op zwemles. Zwemmen kan iedereen doen. Wat is zwemles? Als je nog niet kan zwemmen dan moet je dat leren. Dit doe je op zwemles. Je leert dit van een badmeester of badjuf. 25

Wat zijn zeedieren? Zeedieren zijn dieren die leven in het water. Er zijn zeedieren die onder water adem kunnen halen. Dit doen zij door middel van hun kieuwen. Andere dieren kunnen dit niet. Zoals een walvis en dolfijn. Deze dieren moeten boven water komen om lucht te kunnen happen. Sommige zeedieren kunnen aan land kruipen. Zij kunnen op het strand gaan liggen. Dit doen bijv. de zeehonden. Andere zeedieren komen nooit uit het water want zij kunnen alleen in het water adem halen. Wat zijn schelpen? Schelpen zijn de huisjes van schelpdiertjes. Een schelp bestaat uit kalk. Het schelpdiertje haalt de kalk uit het water. In zout water zit meer kalk dan in zoet water, daarom zijn de schelpen in zout water dikker dan de schelpen in zoet water. Een schelp heeft ook groeilijnen, die kun je soms voelen. Elke keer als het schelpdiertje groeit bouwt hij een stukje aan zijn schelp dat zijn de groeilijnen. Een schelp groeit sneller in de zomer dan in de winter. Schelpen zijn er in verschillende kleuren en vormen. Er zijn twee groepen schelpen: de tweekleppigen en de zeeslakken. De tweekleppige schelp bestaat uit twee kleppen die met een scharnier en een elastische band aan elkaar zitten. Van deze schelp vind je meestal maar één helft op het strand. Bijlage 4: Woordkaarten Woeste Willem 26

het schip het huis huis bouwen zwaaien 27

alleen zijn harmonic bliksem haaien 28

onder je arm dragen de zeeleeuw het dak kapot 29

rennen over zijn schouder op de stoep de rommel 30

de brievenpost de zeeroverskist de haaientand het dek 31

het zeemonster zeeziek sjorren de schat 32

afgebroken zeeroversvlag 33

Bijlage 5: woeste willem wie vaart daar op een stoere boot? streepjes trui en armen bloot? doek met knoopjes op zijn kop, ogen met een lap erop. woeste Willem, piraten kapitein, houdt van mopperen, wil niet aardig zijn. maar een kleine jongen op zijn dak, helpt hij naar beneden met gemak. lieve Willem ga met mij mee, een eindje varen op de grote zee. samen lachen, samen beven, samen avonturen beleven. dan verklapt de piraten kapitein, aan kleine Frank zijn groot geheim. ik kan niet zwemmen, ik durf niet mee, ik verdrink vast op die woeste zee. welnee zegt Frank, niets aan de hand, ik heb voor jouw buik een zwemmers band. want zwemmen dat kan ik al lang, voor de grote zee ben ik echt niet meer bang. 34

Bijlage 6: Willem woont aan de rand van het meer, Hij loopt door zijn huis heen en w (weer) Willem is nu met pensioen, Varen op zijn boot hoeft hij niet meer te d.. doen) Kom je in zijn buurt dan heb je pech, Hij jaagt gewoon iedereen w.. (weg) Dan hoort Willem een vreemd geluid. Hij loopt snel zijn huisje ui (uit) Alle bliksem en garnalen, Moet ik je van het dak komen h.. (halen) Met wat stokken en een laken, Gaat woeste Willem een vlieger m. (maken) Maar Frank, die wil een nieuwe boot, Wil gaan varen in de sl.. (sloot) Woeste Willem heeft verdriet, Want zwemmen kan hij echt nog n (niet) Landrot- koffie (pot) Brombeer- indianen (veer) Kraaiennest- koeien (mest) Regenpijp- appels zijn (rijp) Zeeleeuw- harde (schreeuw) Schatkaart- lange (baard) Baantjes zwemmen- beren (temmen) 35

Bijlage 7 Het schip vaart op zee. Ik zie een vlag met een hoofd. Er is ook een zeil. Ik draai aan het roer. Frank zit op het dak. Hij is bang. Het is heel hoog. Van een stok maakt hij een mast. De haai vliegt door het zeil Zijn tand breekt af. In de fles zit een kaart. Om zijn buik doet hij een band.. 36

Bijlage 8 Land-rot-ten (Uitspreken als land-ro-ten) Zee-meer-min Zee-ro-ver Pen-si-oen Brom-beer Kraai-en-nest (Uitspreken als kraa-je-nest) Zee-mon-ster Ver-re-kij-ker. (Uitspreken als ve-re-kij-ker) Zee-ro-vers-lied Har-mo-ni-ca Re-gen-pijp Zee-leeuw Zee-ro-vers-kist Zwaard-tand-haai Zee-meer-min. Wa-ter-man Welk woord is het langst? Land-rot-ten Schat-kist Schip Zee-meer-min Zee-ro-ver Pi-raat Pen-si-oen Boot Brom-beer Zee Fles Kraai-en-nest Schat-kaart Zee-mon-ster Ver-re-kij-ker Dak Zee-ro-vers-lied Zeil Zwem-band Har-mo-ni-ca Re-gen-pijp Pi-ra-ten-vlag Haai Zee-leeuw Strand Zee-ro-vers-kist Zwaard-tand-haai Hang-mat Zee-meer-min. Brom-beer Zee-ro-vers-lied Wa-terman 37

Bijlage 9 1. woest water willem waterman Ik hoor vooraan de letter : w 2. zeilboot zeerover zwaardvis - zeeleeuw Ik hoor vooraan de letter : z 3. frank fles fris - flauw Ik hoor vooraan de letter : f 4. brombeer boot bang bliksem Ik hoor vooraan de letter :b 5. regenpijp ruig raam rugzak. Ik hoor vooraan de letter : r 6. meer monster mist - maan. Ik hoor vooraan de letter : m 7. schip schoorsteen sterk schatkaart Ik hoor vooraan de letter s 8. vlag vlieger vis varen Ik hoor vooraan de letter : v 9. landrot laken luisteren lek Ik hoor vooraan de letter : l 38

Bijlage 10 Mijn b-o-o-t is lek. Ik w-o-o-n in een huis. Mijn boot heeft een v-l-a-g. Willem is een echte brom b-ee-r. Frank staat op het d-a-k. Hij kijkt s-i-p. Er liggen cadeautjes op de s-t-oe-p. Een vlieger maak je met een s-t-o-k. Hij heeft nog geen s-t-aa-r-t. Willem redt de h-aa-i. Hij vindt ook een sch-a-t. Een staart maak je met een t-ou-w z-ee z-ei-l h-ou-t t-ou-w sch-i-p sch-oe-n k-i-s-t. k-aa-r-t v-l-o-t w-oe-s-t s-t-o-r-m z-w-aa-r-d 39

40