Rabobank Cijfers & Trends Thema-update: Onderwijs Onderwijsvastgoed in breder perspectief De verantwoordelijkheid voor het buitenonderhoud van vastgoed in het primair onderwijs verschuift per 1 januari 2015 van gemeenten naar schoolbesturen. Dit vraagt om extra kennis van de schoolbestuurders. Bovendien bevat de wet nog een aantal lacunes die het nood zakelijk maakt vroegtijdig met elkaar in gesprek te gaan. Maar de wetswijziging biedt ook kansen. Bijvoorbeeld op het gebied van samenwerking met andere maatschappelijke partners, zoals kinder opvang. In deze thema-update leest u hierover meer. De wetswijziging In 1997 zijn de taken en financiële middelen voor de huisvesting van het primair en voortgezet onderwijs overgedragen van het Rijk naar de gemeenten. De wet beoogde het toekennen van de huisvestingsvoorzieningen doelmatiger, eenvoudiger en doorzichtiger te maken. In 2005 trad de Wijzigingswet op het voortgezet onderwijs in werking. Niet de gemeente, maar schoolbesturen in het primair onderwijs (PO) en voortgezet onderwijs (VO) werden vanaf dat moment verantwoordelijk voor het binnenonderhoud aan school gebouwen. Desondanks bleef de kwaliteit van de onderwijs huisvesting een veelbesproken onderwerp tussen het kabinet, de Tweede Kamer, de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), de Primair Onderwijs Raad (PO-Raad) en de Voortgezet Onderwijs Raad (VO-Raad). Naar aanleiding van de onderzoeken Een fris alternatief (Rebel Group, 2010) en Gezond en goed, schoolgebouw in topconditie (Rijksbouwmeester, 2009) stelde het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) een onderzoek in naar de voorkeuren van schoolbestuurders en gemeenten wat betreft het onderwijsvastgoed en de bekostiging hiervan. Hieruit bleek dat beide partijen voorstander zijn van de overheveling van de verantwoor delijkheid voor het buitenonderhoud en de aanpassing van schoolgebouwen van de gemeenten naar de onderwijsinstellingen. Dit wordt nu geregeld met de wetaanpassing buitenonderhoud die van kracht wordt op 1 januari 2015. Budgetverschuiving De wet beoogt geen stelselwijziging, maar is een aanpassing in de vergoedingenstroom. In de huidige situatie hebben de gemeenten een wettelijke zorgplicht. Zij stellen een budget vast waarmee redelijkerwijs kan worden voorzien in de huisvestigingskosten. De gemeente is verantwoordelijk voor de bekostiging van de volgende voorzieningen: nieuwbouw, uitbreiding, medegebruik (verhuur), onderhoud buitenzijde, aanpassingen, constructiefouten (o.a. asbest) en herstel in geval van calamiteit zoals brand, diefstal of stormschade. De gemeente ontvangt hiervoor een vergoeding van het Rijk als nietgeoormerkte component vanuit het gemeentefonds. 1
Per 1 januari 2015 gaat het budget rechtstreeks van het Rijk naar de schoolbesturen. Hiervoor wordt een bedrag van 158,8 miljoen uit het gemeentefonds toegevoegd aan de lumpsumvergoeding van het primair onderwijs. Schoolbesturen kunnen dan niet langer een beroep doen op de gemeente voor een vergoeding voor het buitenonderhoud en aanpassingen aan het schoolgebouw. Zij zullen dit uit eigen middelen moeten voldoen. In de nieuwe situatie blijven gemeenten wel verantwoordelijk voor de bekostiging van de volgende voorzieningen: nieuwbouw, uitbreiding, medegebruik, constructiefouten en herstel in geval van bijzondere omstandigheden. Schematisch ziet het er als volgt uit: Oude situatie Verantwoordelijkheid Sector Gemeente Schoolbestuur Primair onderwijs Buitenonderhoud, aanpassing, uitbreiding, nieuwbouw Binnenonderhoud Nieuwe situatie Verantwoordelijkheid Sector Gemeente Schoolbestuur Primair onderwijs Uitbreiding, nieuwbouw Buitenonderhoud, aanpassing, binnenonderhoud Ongewijzigd Medegebruik, constructiefouten, herstel in geval van calamiteit Overgangsregeling Op 1 oktober publiceerde het ministerie van OCW de programma s van eisen (PvE s). Hierin staat hoe het totale bedrag van 158,8 miljoen wordt verdeeld. Na publicatie van deze PvE s geldt een voorhangtermijn bij de Tweede Kamer die strikt genomen nog tot wijzigingen zou kunnen leiden. De kans hierop is echter uiterst klein. In 2015 wordt 135 miljoen verdeeld over de schoolbesturen. Het resterende bedrag wordt ingezet voor de eerste tranche van de overgangsregeling. Voor het basisonderwijs wordt een bedrag van 75,00 per leerling basisonderwijs aan de lumpsum toegevoegd en daarnaast 130,00 per leerling voor het speciaal basisonderwijs. Voor scholen die vallen onder de Wet op de expertisecentra geldt een toevoeging aan de lumpsum van 270,00 per leerling. Hiervan is 75,00 basisbekostiging en 195,00 ondersteuningsbekostiging. De genoemde bedragen staan op dit moment nog niet vast, maar een afwijking van meer dan 1,- per leerling wordt vrijwel uitgesloten geacht. Afhankelijk van het aantal aanvragen voor de overgangsregeling wordt deze binnen 1 tot 2 jaar uitgevoerd. Wanneer alle rechtmatige aanvragen zijn afgehandeld, wordt het volledige bedrag van 158,8 miljoen uitgekeerd en worden de bedragen per leerling naar rato verhoogd. Dat zal waarschijnlijk voor het eerst in 2017 zijn. Voor specifieke situaties geldt een eenmalige overgangsregeling. Dit betreft enerzijds schoolbesturen met oude gebouwen en een beperkte omvang, waardoor weinig ruimte is om dit op de onderhoudsvraag te vereffenen. Anderzijds gaat het om grotere schoolbesturen met een relatief ouder gebouwenbestand, waar in de regel extra onderhoud noodzakelijk is. Schoolbesturen kunnen de overgangsregeling aanvragen bij het ministerie wanneer zij voldoen aan een aantal specifieke criteria. Het budget voor deze Rabobank Cijfers & Trends Thema-update: Onderwijs 2
overgangsregeling komt uit het macrobedrag van 158,8 miljoen dat met de overheveling gemoeid is. Goede afspraken noodzakelijk In de wet zitten nog wel een aantal lacunes waarover gemeenten en onderwijsbesturen onderling goede afspraken moeten maken. Het is aan te raden om daarover in een vroegtijdig stadium met elkaar in gesprek te gaan. Zeker wanneer er met meerdere gemeenten overleg moet plaatsvinden. Per gemeente kunnen namelijk verschillen optreden. Daarnaast is het raadzaam met collega-schoolbestuurders te overleggen en ervaringen uit te wisselen. Een van de vraagstukken is de staat van onderhoud van het schoolgebouw. De wetgever gaat ervan uit dat schoolbesturen dit in het verleden met de gemeenten geregeld hebben via de daarvoor geldende gemeentelijke procedures. Van achterstallig onderhoud zou derhalve geen sprake hoeven te zijn. De overheveling vindt dan ook plaats in de staat van onderhoud waarin het schoolgebouw zich bevindt bij invoering van de wet. De praktijk is echter vaak weerbarstiger en verschillende onderwijsinstellingen trachten bij de gemeente een vergoeding te krijgen voor achterstallig onderhoud, of voor groot onderhoud dat staat gepland voor 2015-2016. De schoolbesturen kunnen dit echter niet claimen bij gemeenten, ook niet als gemeenten hiervoor geld gereserveerd hebben. Een andere lacune is dat de meningen verdeeld zijn hoe om te gaan met de bekostiging van renovatie en levensduurverlenging van gebouwen. Volgens de wet komt het totale onderhoud en elke aanpassing voor rekening van het schoolbestuur. In de praktijk blijkt echter vaak dat een grootschalige aanpassing (levensduur verlengende renovatie) een prima alternatief biedt voor uitbreiding of nieuwbouw. In dat geval raken de zorgplicht van de gemeente en de taken van het schoolbestuur elkaar. Over dit thema willen PO-Raad, VNG en de staatssecretaris landelijke richtlijnen opstellen die duidelijkheid geven. De kern is dat gemeente en schoolbestuur er onderling uitkomen en afspraken maken. Dit kan leiden tot de nodige fricties, en juridische procedures lijken bij voorbaat dan ook niet uitgesloten. Er zijn immers vaak aanzienlijke bedragen mee gemoeid. Toenemende leegstand Scholen in krimpregio s voorzien eveneens de nodige problemen. Door het jaarlijks teruglopend aantal leerlingen, vermindert de lumpsumvergoeding en daarmee de beschikbare middelen voor onderhoud. Tegelijkertijd bestaat het risico dat een (steeds groter) deel van de school (structureel) leeg komt te staan. Het wijzigen van een deel van de bestemming van het pand is niet altijd mogelijk. Bovendien lost dat het probleem op de lange termijn niet op. Aan te raden is om samen met de gemeente en maatschappelijke instellingen te onderzoeken of er alternatieven zijn voor een deel van het gebouw, of dat het pand voor meerdere doeleinden te gebruiken is. Denk aan een gemeenschappelijk gebruik met kinderopvang. Uit onderzoek blijkt dat bestuurders in het primair onderwijs nog over onvoldoende kennis beschikken om deze uitbreiding in taken professioneel in te vullen. Het beheer en onderhoud van vastgoed is een vak op zich. Zeker voor scholen met een groot aantal vestigingen. Het loont de moeite om zowel bij collega s als bij professionele partijen advies in te winnen. Inmiddels zijn er de nodige best practices en verschillende concepten ontwikkeld die onderwijsbesturen kunnen ondersteunen bij het beheer van onderwijshuisvesting. Rabobank Cijfers & Trends Thema-update: Onderwijs 3
Stichting Ruimte-OK De PO-Raad, de VO-raad, de Vereniging voor Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Waarborgfonds Kinderopvang hebben gezamenlijk het Kenniscentrum Ruimte voor Onderwijs en Kinderopvang (Ruimte-OK) opgericht. Ruimte-OK is een onafhankelijke organisatie met expertise op het gebied van ontwikkeling, financiering en organisatie van huisvesting voor onderwijs en kinderopvang. Via een website, helpdesk, online kennisbank, trainingen en andere praktische hulpmiddelen ondersteunt de stichting besturen en gemeentes bij het nemen van de regie op het gebied van huisvesting voor het onderwijs en kinderopvang. De Rabobank is ondersteuningspartner van Ruimte-OK in de voorlichtingsbijeenkomsten. Meer informatie over de voorlichtingsbijeenkomsten: www.ruimte-ok.nl Vastgoed in een breder perspectief Naast bovengenoemde vraagstukken biedt de wetswijziging ook kansen. Goede onderwijshuisvesting draagt immers bij aan kwalitatief onderwijs. Ook maakt het een integrale afstemming mogelijk tussen binnen- en buitenonderhoud. Verder geeft het schoolbesturen een grotere vrijheid om eigen keuzes te maken in het uit te voeren onderhoud en het doen van aanpassingen. Tot slot biedt het onderwijsbestuurders de mogelijkheid een actievere rol spelen naar gemeente en andere maatschappelijke partijen. Bijvoorbeeld om onderwijshuisvesting in een breder perspectief te zien. Vraagstukken als de bevolkingsontwikkeling en voorzieningenstructuur spelen hierbij een rol. Deze discussie raakt namelijk het leefbaarheidsthema. Behalve het bieden van goed onderwijs is de aanwezigheid van onderwijsinstellingen ook belangrijk voor de leefbaarheid van een regio, stad of dorp en andersom. Zo ondervindt het primair onderwijs nu al de gevolgen van demografische krimp. Een overheidsmaatregel die hier direct aan gerelateerd kan worden, is het verhogen van de ondergrens voor kleine scholen van 35 naar 100 leerlingen. Hierdoor worden veel scholen in het PO in hun voortbestaan bedreigd. Structurele en intensieve samenwerking tussen kleine scholen en een breder perspectief op onderwijshuisvesting lijken de enige oplossing voor het behoud van dit type scholen. Niet alleen in krimpgebieden, maar ook op wijkniveau. In sommige wijken neemt de leefbaarheid af door leegloop of maatschappelijke problemen. Scholen zijn vaak de spil in de wijk of dorp en kunnen, samen met partners, een rol spelen bij het revitaliseren ervan. Door de decentralisatie van de rijksoverheid ontstaat een dynamiek die het op lokaal niveau mogelijk maakt om met alle maatschappelijke en betrokken partners en burgers maatwerkoplossingen te vinden. Kinderdagverblijven, zorginstellingen en buurtcentra zijn voorbeelden van organisaties die samen met scholen de leefbaarheid kunnen verbeteren. Maar denk ook aan de bibliotheek of verenigingen. Creëer een breed maatschappelijk speelveld. Veel gemeenten hebben al een dergelijk integraal (maatschappelijk) huisvestingsplan of zijn hier mee bezig. Onderwijsbestuurders krijgen nu de kans om hierin een actievere rol te spelen. Ook het onderwijsvastgoed kan in deze discussie in breder perspectief worden gezien. Het schoolgebouw kan veelal langer en breder benut worden dan alleen tijdens de onderwijsuren. Zo wordt de school het middelpunt van activiteit in een wijk of gemeente. Samenwerking met kinderdagverblijven Scholen voor primair onderwijs, kinderopvangorganisaties en peuterspeelzalen zijn allen betrokken in het domein van voor- en vroegschoolse educatie en voor-, tussenen naschoolse opvang. De samenwerking tussen deze instellingen neemt alleen maar verder toe. Het aantal Integrale Kindcentra groeit, waarbij vanuit een gezamenlijke missie en visie wordt gewerkt en de ontwikkeling van kinderen van 0 tot 12 jaar centraal staat. De inhoudelijke voordelen zijn minstens zo belangrijk als de synergievoordelen. Niet alleen de sector, ook het kabinet onderschrijft de noodzaak dat onderwijs, kinderopvang, peuterspeelzalen en voor- en vroegschoolse educatie op elkaar afgestemd moeten zijn. Een van de maatregelen hiervoor is de integratie van de peuterspeelzalen in de Wet kinderopvang. Daarmee verdwijnt het onderscheid tussen peuterspeelzalen voor doelgroepkinderen en kinderopvang voor kinderen van werkende ouders. Het peuterspeelzaalwerk valt volledig onder de Wet kinderopvang en moet voldoen aan dezelfde (kwaliteits)eisen als de kinderopvang. Hoewel er geen concrete plannen zijn voor een verdere verplichte integratie met onderwijsinstellingen, geeft het kabinet aan deze ontwikkeling wel positief te vinden. Het besluit hiertoe ligt nu bij gemeenten en Rabobank Cijfers & Trends Thema-update: Onderwijs 4
de instellingen zelf. Per gemeente zijn er echter grote verschillen. Aan te raden is om in de gesprekken over het vastgoedbeheer ook de samenwerking met kinderopvang mee te nemen. Samenwerking biedt perspectief voor een betere samenhang tussen de organisatie, de financiering en de regelgeving van lokale kindvoorzieningen. Een betere samenhang leidt tot een beter en overzichtelijk aanbod voor ouders én vergroot tegelijkertijd het maatschappelijke rendement van kinderopvang en onderwijs. Rabo Kennis App Speciaal voor ondernemers is de Rabo Kennis App ontwikkeld. Daarmee vergaart u snel en gemakkelijk kennis op macroeconomisch en sector niveau. Hierdoor blijft u op de hoogte van wat er speelt in het onderwijs, zodat u beter kunt anticiperen op economische ontwikkelingen in uw branche. De app is gratis beschikbaar voor ipad, Android en overige ios. Contactgegevens Menno van Noort Sectormanager Onderwijs e.h.a.noort@rn.rabobank.nl tel: 030-7121578 Van reserveren naar investeren; financiële opties Het vastgoedbeheer brengt ook financiële consequenties met zich mee. Schoolbesturen zullen goed in kaart moeten brengen welke investeringen de komende jaren nodig zijn. Een meerjarenonderhoudsplan is van belang. Daarnaast zullen scholen moeten onderzoeken welke aanpassingen eventueel aan het schoolgebouw nodig zijn in het geval van samenwerking met maatschappelijke partners en voor wiens rekening deze komen. Een aandachtspunt is de samenhang tussen en de mogelijkheden ten aanzien van de totale gebouwportefeuille. Ook is het belangrijk een afweging te maken tussen nieuwbouw of duurzame renovatie. Wanneer de eigen financiële middelen ontoereikend blijken voor de investeringen, zijn er verschillende andere opties. Onderwijsinstellingen kunnen bijvoorbeeld op vrijwillige basis deelnemen aan schatkistbankieren, waarbij zij een financiering bij de overheid aangaan. Zonder gemeentelijke medewerking is dit echter vaak lastig. Maar zijn er ook bancaire financieringsmogelijkheden of lease-oplossingen. Welke mogelijkheden het beste passen, verschilt vaak per school. Het is daarom zinvol om hierover tijdig in gesprek te gaan en de mogelijkheden met voor- en nadelen naast elkaar te zetten. Vastgoedbeheer biedt samenwerkingskansen De wetswijziging ten aanzien van de overheveling van het buitenonderhoud en de benodigde aanpassingen vragen het nodige van schoolbesturen. Enerzijds om expertise op het gebied van vastgoedbeheer, anderzijds onderhandelingen met de gemeente over de verschillende lacunes in de wet. Bovenal biedt de overheveling kansen. Het stelt schoolbesturen in staat om eigen keuzes en aanpassingen te maken in het uit te voeren onderhoud. Maar belangrijker nog is de samenwerking met andere stakeholders als gemeente, kinderopvang en maatschappelijke organisaties. Door een breed maatschappelijk speelveld te creëren, kan een bijdrage worden geleverd aan de leefbaarheid op lokaal niveau. Dit verhoogt het maatschappelijk rendement. Nynke Struik Sectormanager Dienstverlening n.struik@rn.rabobank.nl tel: 030-6123336 Stichting Ruimte-OK www.ruimte-ok.nl overhevelingbuitenonderhoud.nl www.rabobank.nl/onderwijs Disclaimer: deze publicatie is met zorg samengesteld, maar beoogt niet volledig te zijn. Deze informatie is gebaseerd op de situatie van. Aan de inhoud kunnen geen rechten worden ontleend. 5