PRAKTIJKINFORMATIEGIDS
Voorwoord De afgelopen periode is door een afvaardiging vanuit het werkveld kinderopvang, de directies van de ROC s in Gelderland en de adviseur van Calibris met veel betrokkenheid gesproken over het gezamenlijke doel: goed opgeleide mensen die aansluiten bij de vraag vanuit de praktijk. Ondersteuning werd geboden vanuit het Bureau Kwaliteit Kinderopvang en Spectrum CMO Gelderland. In deze praktijkinformatiegids staan de werkwijze, uitgangspunten en afspraken die zijn gemaakt over het verbeteren van de samenwerking, van de kwaliteit en de gewenste kwantiteit van de opleidingen Pedagogisch Werker kinderopvang niveau 3 en 4 beschreven. Deze werkwijze wordt door alle ROC s toegepast en geldt voor alle leerbedrijven in Gelderland. Komend jaar worden ook andere convenantafspraken nog uitgewerkt. De tekst van deze praktijkgids en latere aanvullingen en wijzigingen kunt u vinden op www.ko-rocgelderland.nl In een bovenliggend convenant tussen kinderopvang en peuterspeelzaalwerk en de ROC s in Gelderland worden de afspraken en het nakomen ervan geborgd. Door ondertekening van het convenant verbinden partijen zich aan deze afspraken. De opleidingen en het werkveld presenteren met trots voorliggend stuk. Velp, juli 2011
Inhoud Inleiding 1 1. Structuur van de opleiding.3 1.1 Inleiding van KD naar leerplan. 3 1.2 Voorbereiden op de BPV.. 4 1.3 Plaatsingsprocedure.... 4 2. Examineren..5 2.1 Fases en momenten van afsluiten.. 5 2.2 Werken met de methodenmix..5 2.3 Rollen en taken.. 5 3. Begeleiden (BPV) 7 3.1 POP/PAP. 7 3.2 Bezoeken aan de praktijk..9 3.3 Contact 9 3.4 Begeleiden op school en in de praktijk.10 De begeleiding vanuit de praktijk.. 10 De begeleiding vanuit de opleiding... 11 De student. 11 Voorbeeld globaal leerplan met indeling fases over de leerjaren. 13 Begrippenlijst... 17
Inleiding Een leven lang leren Doel van het convenant kinderopvang is het komen tot beroepsopleidingen die inhoudelijk en qua planning aansluiten bij wat het werkveld nodig heeft en passen bij de verschillende manieren waarop studenten leren. Daarbij is door de partijen uit het werkveld nadrukkelijk uitgesproken dat er een grote wens is aan een meer eenduidige werkwijze vanuit de betrokken ROC s. Deze vraag resulteert in voorliggend product in de vorm van een praktijkinformatiegids. Hierin staat de werkwijze beschreven in het kader van examineren en begeleiden van de betrokken partijen. Daar waar onderscheid is tussen de diverse ROC s treft u de uitwerking achter het betreffende ROC tabblad. De praktijkgids gaat voornamelijk over de beroepsopleidende leerweg (bol). Het middelbaar beroepsonderwijs gaat uit van het competentiegericht leren. Studenten worden voorbereid op een dynamische toekomst. De veranderingen in de maatschappij gaan zo snel dat de voorbereiding op het functioneren in de maatschappij niet kan volstaan met het overdragen van de bestaande kennis over die samenleving, of specifieke beroepen in die samenleving (Gertjan Sinke). Er is behoefte aan competente beroepsbeoefenaren die nieuwe oplossingen kunnen bedenken voor nieuwe problemen (Cluitmans 2002). Deze veranderde visie heeft grote gevolgen voor onderwijs en werkveld. Hoe organiseer je de ondersteuning van een leerproces dat niet voorspelbaar is? De uiteindelijke taak van het middelbaar beroepsonderwijs is echter hetzelfde gebleven: het opleiden van bekwame beginnende beroepsbeoefenaren voor het werkveld. Het ministerie van onderwijs heeft landelijk vastgesteld over welke competenties een beginnend beroepsbeoefenaar Pedagogisch Werker kinderopvang niveau 3 en 4 moet beschikken. De diploma-eisen zijn beschreven in het landelijk kwalificatiedossier. Deze eisen geven samen weer wat de gediplomeerde moet kunnen als hij/zij op de arbeidsmarkt start. De praktijkinformatiegids is als volgt opgebouwd: In hoofdstuk 1 wordt beschreven hoe de opleiding is opgebouwd. De structuur van de opleidingen Pedagogisch Werker kinderopvang niveau 3 en 4 ingedeeld in fasen. In hoofdstuk 2 wordt stilgestaan bij het beoordelen, de kwalificering. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het begeleiden op school en in de praktijk en de verschillende rollen daarbij. Samenwerkingsverband KO-ROC Gelderland Praktijkinformatiegids 1
2 Praktijkinformatiegids Samenwerkingsverband KO-ROC Gelderland
1. Structuur van de opleiding 1.1 Van Kwalificatiedossier naar leerplan. Het ministerie van onderwijs heeft landelijk vastgesteld over welke competenties een beginnend beroepsbeoefenaar Pedagogisch Werker kinderopvang niveau 3 en 4 moet beschikken om de werkprocessen uit te kunnen voeren. De diploma-eisen zijn beschreven in het landelijk Kwalificatiedossier. Deze eisen geven samen weer wat de gediplomeerde moet kunnen als hij./zij op de arbeidsmarkt start. Voor het Kwalificatiedossier kunt u kijken op www.calibris.nl Toelichting aan de hand van een voorbeeld: Kerntaak 1. Opstellen van een activiteitenprogramma en plan van aanpak. Werkprocessen 1.1 Inventariseert de situatie van het kind. 1.2 Stelt een activiteitenprogramma op. 1.3 Maakt een plan van aanpak. Competenties behorende bij werkproces 1.1 Overtuigen en beïnvloeden; Onderzoeken; Op de behoefte en verwachtingen van de klant richten. Iedere beginnend beroepsbeoefenaar dient in staat te zijn een activiteitenprogramma op te stellen en een plan van aanpak te maken. Om dit te kunnen doen dient hij/zij eerst zijn doelgroep te observeren (werkproces 1.1). Daarbij is kennis van de doelgroep (ontwikkelingspsychologie) en kennis over diverse observatiemethoden o.a. vereist. Om een activiteitenprogramma op te stellen dient de beginnend beroepsbeoefenaar methodisch te kunnen handelen (werkproces 1.2). Wanneer een kind opvalt door opvallend gedrag of een ontwikkelingsachterstand dient de beginnend beroepsbeoefenaar een specifieke observatie uit te kunnen voeren en een plan van aanpak (werkproces 1.3) te formuleren voor een individueel kind (of groepje kinderen). Om bovenstaande te kunnen doen dient de beginnend beroepsbeoefenaar te beschikken over diverse competenties. De competenties zijn verbonden aan de werkprocessen. Wanneer de beginnend beroepsbeoefenaar de situatie en wensen van het kind wil inventariseren (werkproces 1.1) moet hij beschikken over de competenties behorende bij werkproces 1.1, zijnde overtuigen en beïnvloeden; onderzoeken; op de behoefte van de klant richten. Een competentie kan meerdere keren voorkomen maar de invulling is afhankelijk van de context (het werkproces). Zo vraagt de competentie aansturen van een vrijwilliger een andere kwaliteit/methodiek dan de competentie aansturen van een groep kinderen. De opleiding bestaat uit een ontwikkelingsgericht gedeelte en een kwalificerend gedeelte. Op basis van de kwalificerende onderdelen geeft het ROC invulling aan het opleidingsprogramma. Centraal staat dat de student zich ontwikkelt tot een beginnend beroepsbeoefenaar. Samenwerkingsverband KO-ROC Gelderland Praktijkinformatiegids 3
Termen die bij alle ROC s centraal staan zijn: Ontwikkelingsgericht leren: de student oefent op school en/of in de praktijk competenties (kennis, houding, vaardigheden) en werkprocessen en het levert een bijdrage aan de ontwikkeling van de student. Kwalificerend afsluiten: de student rondt (onderdelen) van zijn opleiding af. Feitelijk doet hij examen. Het examen vindt niet perse aan het einde van de opleiding plaats en wordt in delen afgelegd. In hoofdstuk 3 wordt een voorbeeld gegeven van de indeling in fases met betrekking tot ontwikkelingsgericht leren en kwalificerend afsluiten. In het deel per ROC wordt dit specifiek uitgewerkt. 1.2 Voorbereiding op BPV De student heeft in het eerste leerjaar een oriënterende stage gedaan. De student heeft op school geleerd hoe een POP/PAP passend bij de plaats waar zij zich in het opleidingstraject bevindt- te maken. In de POP/PAP wordt onderscheid gemaakt in het eigen leerproces en het beroep waarvoor wordt opgeleid. De leerdoelen uit de POP/PAP worden in de eerste weken vertaald naar stagedoelstellingen De student voldoet aan de voorwaarden zoals genoemd in punt 6 van de gezamenlijke afspraken uit het convenant. De afspraken genoemd onder B zijn ontwikkelpunten waarbij de onderwijsdeelnemer in de gelegenheid wordt gesteld daarin te groeien. Voor format POP en PAP zie 3.1. 1.3 Plaatsingsprocedure (uit het convenant:) Er vindt structureel (regionale) afstemming plaats over het aantal en niveau van te plaatsen studenten. Minimaal twee maanden voorafgaand aan de BPV geeft het ROC aan hoeveel studenten en van welk niveau en leerjaar zij willen plaatsen De leerbedrijven geven aan hoeveel studenten zij kunnen plaatsen, rekening houdend met heel en halfjaar stages. De studenten schrijven een sollicitatiebrief naar het leerbedrijf en worden uitgenodigd voor een kennismaking- en/of sollicitatiegesprek Het leerbedrijf neemt op basis van heldere criteria binnen één week na dit gesprek een besluit over het al dan niet aannemen van de student en neemt daarover met hem/haar contact op. Wanneer een student niet wordt aangenomen neemt het leerbedrijf contact op met het ROC. 4 Praktijkinformatiegids Samenwerkingsverband KO-ROC Gelderland
2. Examineren De door OCW vastgestelde kwalificatiedossiers zijn uitgangspunt bij het examineren. Voor het examineren zijn onderwijsinstellingen gebonden aan inspectie-eisen. Het gaat o.a. om de volgende eisen die van belang zijn: 1. Vertrouwen beroepenveld 2. Deskundigheid betrokkenen 3. Exameninstrumentarium: dekking 4. Exameninstrumentarium: toetstechnische eisen 5. Examenprocessen: afname, beoordeling en diplomering 6. Borging examenkwaliteit 7. Wettelijke vereisten examinering 2.1 Fases en momenten van afsluiten In hoofdstuk 1 is de opzet van de opleiding beschreven. Voor de specifieke beschrijving van de kwalificerende onderdelen zie ROC-gedeelte. De onderwijsinstelling neemt één of meerdere kwalificerende toetsen (proeve, praktijktoets, beroepsprestatie) af in de praktijk. Deze toetsen kunnen plaatsvinden over de verschillende leerjaren. 2.2 Werken met de methodenmix. De examinering vindt plaats aan de hand van een methodenmix. Dit kan bestaan uit een combinatie van verschillende toetsvormen. Hierbij valt te denken aan: Een proeve of kwalificerende beroepsprestatie. Hier wordt het gedrag beoordeeld. Een verantwoordingsverslag. Hierin kijkt de student terug op de kwaliteit van zijn handelen in de proeve of beroepsprestatie. De student toont aan dat zij inzicht heeft gekregen in het handelen en de achtergrond van de keuzes die hierbij gemaakt zijn. Een hulpmiddel hierbij kan de STARRT methode zijn. Een assessment/beoordelingsgesprek, al dan niet op de praktijkplaats gevoerd. Hierin kan de student zijn handelen met theorie onderbouwen en verantwoorden. Dit betekent voor het werkveld dat assessoren deskundig moeten zijn in het beoordelen van het gedrag/prestatie-indicatoren. Voor het onderwijs betekent dit dat de assessoren naast bovenstaande deskundigheid ook bekwaam moeten zijn in het beoordelen van een portfolio en het kunnen voeren van een assessmentgesprek. De onderwijsinstelling is eindverantwoordelijk voor de beoordeling van de student en legt daarover verantwoording af aan de inspectie. Het oordeel van de praktijk is zeer zwaarwegend. De onderwijsinstelling wijkt hier slechts bij hoge uitzondering vanaf. Zij verantwoordt dit naar de student en het werkveld. Samenwerkingsverband KO-ROC Gelderland Praktijkinformatiegids 5
2.3 Rollen, taken en deskundigheid ten aanzien van examinering Werkveld Rol : assessor Taak : beoordelen van gedrag in de praktijk op de kwalificerende onderdelen; zo mogelijk mede beoordelen assessmentgesprek Opleiding Rol : assessor Taak : beoordelen van het kwalificerend portfolio (bewijsstukken), beoordelen verantwoordingsverslag, beoordelen assessmentgesprek. Kwaliteitseisen die aan assessoren uit het werkveld gesteld worden zijn: minimaal opleidingsniveau 3 en minstens hetzelfde werk- en denkniveau hebben als de student die beoordeeld wordt; twee jaar werkervaring binnen de sector; training voor assessoren met positief gevolg afgelegd hebben. Deze training is binnen een termijn van 2 jaar gerealiseerd met als uiterlijke streefdatum schooljaar 2012 2013; kunnen reflecteren, feedback kunnen geven; rollen tussen begeleider en beoordelaar kunnen scheiden. Kwaliteitseisen die aan assessoren van de opleiding worden gesteld: actuele kennis over het werkveld kinderopvang is aanwezig (bijv. door middel van docentenstages, volgen van symposia); training voor assessoren met positief gevolg afgelegd hebben; deze training is binnen een termijn van 2 jaar gerealiseerd met als uiterlijke streefdatum (einde) schooljaar 2012 2013. (indien aan de orde) rollen tussen begeleider en beoordelaar kunnen scheiden. Het is de eigen verantwoordelijkheid van werkveld en onderwijs om daar medewerkers voor aan te wijzen. Voor kleine organisaties geldt dat als zij geen interne medewerkers beschikbaar hebben voor de rol van assessor, er in het samenwerkingsverband gezocht wordt naar alternatieve mogelijkheden (pool van assessoren, inzet onderwijs, samenwerking met andere organisaties) 6 Praktijkinformatiegids Samenwerkingsverband KO-ROC Gelderland
3. Begeleiden in de BPV 3.1 POP/PAP Een POP is een PersoonlijkOntwikkelingsPlan. Hierin beschrijft de student wat hij tijdens de opleiding wil leren. Een PAP is het Persoonlijk Activiteiten Plan. Hierin beschrijft de student hoe hij aan dit leerdoel gaat werken. De student maakt het POP en PAP (of BPV leerplan) bespreekbaar op het stageadres. Het is tevens gespreksonderwerp in het gesprek tussen de student, de praktijk en de opleiding. Het POP/PAP gaat tenminste over: eigen leerproces; professionele houding; beroepscompetenties en werkprocessen. De precieze inhoud van een POP/PAP hangt af van de ontwikkeling van de student. In het bijgevoegde format is aangegeven welke onderdelen in ieder geval moeten voorkomen. In het POP worden de leerdoelen SMART geformuleerd. Voorbeeld van een POP. De student wil leren contact op te bouwen met ouders van de kinderen van de groep. De student moet voor zichzelf duidelijk hebben welk doel hij wil bereiken. In een eerste BPV periode kan dit zijn: het groeten van de ouders aan het begin en eind van de dag en een praatje starten over algemene zaken, bijvoorbeeld over het weekend. De leervraag in het POP kan zijn: Over 10 weken groet ik ouders bij het halen en brengen van hun kinderen en maak ik een algemeen praatje met hen. S = specifiek - het doel is specifiek als iedereen begrijpt wat met het begroeten van ouders wordt bedoeld. M = meetbaar - als duidelijk is om welk gedrag van de student het gaat A = acceptabel - zowel de ouders als de student als de leidsters zijn bereid mee te werken aan het bereiken van het doel. R = realistisch - van de student mag je verwachten dat hij dit doel kan bereiken. T = tijdgebonden - er wordt een datum genoemd wanneer het doel bereikt moet zijn. Samenwerkingsverband KO-ROC Gelderland Praktijkinformatiegids 7
Format POP Naam student : Naam begeleider vanuit ROC : BPV instelling : Periode : Leerdoel 1 (SMART geformuleerd) Mijn leerdoel heeft te maken met: o Persoonlijke ontwikkeling o Beroepsvaardigheden o Beroepskennis o Beroepshouding Bij dit leerdoel werk ik aan de volgende werkproces(sen) en de bijbehorende competenties. Leerdoel 2 (SMART geformuleerd) Mijn leerdoel heeft te maken met: o Persoonlijke ontwikkeling o Beroepsvaardigheden o Beroepskennis o Beroepshouding Bij dit leerdoel werk ik aan de volgende werkproces(sen) en de bijbehorende competenties: Leerdoel 3 (SMART geformuleerd) Mijn leerdoel heeft te maken met: o Persoonlijke ontwikkeling o Beroepsvaardigheden o Beroepskennis o Beroepshouding 8 Praktijkinformatiegids Samenwerkingsverband KO-ROC Gelderland
Bij dit leerdoel werk ik aan de volgende werkproces(sen) en de bijbehorende competenties: Format PAP Naam Student : Naam begeleider vanuit ROC : BPV instelling : Datum start : Einddatum : Actiepunten worden per leerdoel uitgewerkt. Hierbij werk je volgens de vijf W s: Wat Waar wat wil je leren? school / BPV / anders? Wanneer in welke periode? Waarmee wat heb je nodig? Wie wie heb jij nodig hierbij? Welk bewijsmateriaal levert dit op voor je portfolio? 3.2 Bezoeken aan de praktijk De BPV docent of praktijkbegeleider brengt voor de BOL- student tenminste éénmaal per half jaar een bezoek aan het praktijkadres. Dit kan ten behoeve van de voortgang of de kwalificering zijn, afhankelijk van het leerproces van de student. Als het bezoek ten behoeve van de voortgang is, dan maakt het POP/PAP deel uit van het gesprek. De BPV docent of praktijkbegeleider brengt voor de BBL- student éénmaal per jaar een bezoek. Dit bezoek zal in de regel in het teken staan van kwalificering. 3.3 Contact Er is tenminste (naast het bezoek) één keer in de stageperiode telefonisch of e-mailcontact tussen de docent en de praktijkopleider, op initiatief van de docent en in het begin van de stageperiode. In geval van stagnatie, probleem o.i.d. neemt de praktijkbegeleider of docent contact op met de andere partij. Samenwerkingsverband KO-ROC Gelderland Praktijkinformatiegids 9
3.4 Begeleiden op school en in de praktijk Tijdens de beroepspraktijkvorming krijgt de student begeleiding vanuit de praktijkorganisatie door de praktijkopleider/werkbegeleider en vanuit de opleiding door de praktijkbegeleider. De student heeft in dit proces een actieve rol. De begeleider vanuit praktijk De begeleiding wordt verzorgd door een beroepskracht die werkzaam is in de beroepspraktijk. De begeleiding zal zich vooral richten op het functioneren van de student in de praktijksituatie. De begeleidinggesprekken dienen regelmatig terug te keren. Taken voor de begeleider vanuit de praktijk: de student gedurende de BPV begeleiden op de werkplek; aandacht hebben voor de student in de nieuwe situatie. De begeleider introduceert de student in de organisatie. De begeleider verschaft de student de nodige informatie om zich te kunnen oriënteren op het leren in de praktijk (o.a. informatie verstrekken ten aanzien van werkwijze, organisatie, doelen en regels); de student begeleiden bij het uitvoeren van de werkzaamheden. De begeleider helpt de student bij het oefenen van de werkzaamheden op het niveau waarop de student behoort te (gaan) functioneren; de student planmatig begeleiden bij het uitvoeren van de opdrachten, waarin de student methodisch te werk gaat; de student coachen bij het opstellen, uitvoeren en evalueren van leerdoelen; de student leren nadenken over zijn handelen en het leren leggen van verbanden tussen praktijkervaringen en theorie; tweewekelijks een gesprek voeren met de student; de eerst aangewezen persoon is waar de student terecht kan met vragen en problemen over de BPV; samen met de student de werktijden plannen binnen het kader van de praktijkovereenkomst en de CAO; deelnemen aan het gesprek met de opleiding over het functioneren in de BPV; het lezen van bewijsstukken en benoemen van eventuele onjuistheden; contact opnemen met de begeleider vanuit opleiding indien er zich problemen voordoen; de opleiding informeren over ideeën die mogelijk in het werkveld leven, ten aanzien van vorm en inhoud van het opleidingsprogramma. Kwaliteitseisen aan de begeleider vanuit de praktijk Deze beroepskracht heeft een werk- en denkniveau gelijkwaardig of hoger aan de opleiding van de student. Wanneer een niveau 4 student begeleid wordt door een niveau 3 PW-er moet duidelijk zijn dat het een vakvolwassen medewerker met voldoende ervaring betreft. De medewerker heeft een aanvullende scholing gevolgd in het kader van competentiegericht begeleiden. 10 Praktijkinformatiegids Samenwerkingsverband KO-ROC Gelderland
De begeleider vanuit de opleiding De begeleider vanuit de opleiding volgt het verloop van de BPV en de ontwikkeling van de student in de BPV op afstand. De begeleider vanuit de opleiding heeft in het begeleidingsproces voornamelijk indirect met het functioneren van de student in de praktijk te maken. Taken voor de begeleider vanuit de opleiding: de student op de opleiding voorbereiden op de BPV-periode; de student voorlichten en begeleiden ten aanzien van de BPV; de student adviseren bij het opstellen, uitvoeren en evalueren van leerdoelen; de student leren nadenken over zijn handelen en het leren leggen van verbanden tussen praktijkervaringen en theorie; contact onderhouden met de begeleider vanuit de praktijk ten aanzien van de voortgang van de BPV; bereikbaar zijn bij vragen en problemen; na aanvang van de BPV contact opnemen met de begeleider vanuit de praktijk; tijdens de BPV-periode op bezoek komen; deelnemen aan een gesprek tussen student, school en praktijk over het functioneren in de BPV; geven van ontwikkelingsgerichte feedback; contact opnemen met het leerbedrijf bij stagnatie of twijfels. Kwaliteitseisen aan de begeleider vanuit de opleiding: is op de hoogte van het beroep waarvoor wordt opgeleid; kent het kwalificatiedossier; is op de hoogte van het pedagogisch kader; heeft bij voorkeur kennis van het (pedagogisch beleid van) de instelling. De student De student is primair verantwoordelijk voor zijn eigen leerproces. Hij/zij zorgt er voor dat de opleider en de begeleider zijn leerproces goed kunnen volgen en zorgt ervoor dat alle materialen nodig voor de begeleiding ter beschikking staan. Om dat te bereiken zal de student: afspraken maken met de BPV-begeleider over de werktijden; afspraken plannen met de begeleider uit de praktijk, minimaal tweewekelijks; van te voren gesprekpunten aandragen voor de gesprekken; inzichtelijk maken door middel van POP/PAP aan welke werkprocessen en competenties, hij werkt en heeft gewerkt en hierop feedback vragen; inzichtelijk maken wat hij/zij met feedback heeft gedaan door het opstellen/aanpassen van een persoonlijk ontwikkelingsplan en activiteitenplan; methodisch werken aan opdrachten waarin hij/zij werkt volgens het stappenplan: oriëntatie, planning, uitvoering, controle en evaluatie; problemen vroegtijdig bespreekbaar maken; de resultaten van het begeleidingsgesprek verwerken in zijn/haar POP en PAP en dit communiceren met de praktijkopleider/werkbegeleider en de praktijkbegeleider van de opleiding. Samenwerkingsverband KO-ROC Gelderland Praktijkinformatiegids 11
12 Praktijkinformatiegids Samenwerkingsverband KO-ROC Gelderland
Voorbeeld Uitwerking ROC gedeelte Aventus De opleiding PW 3 Kinderopvang schematisch weergegeven; lees van onder naar boven 40 weken Theorie Fase C: opvoeden, stimuleren en begeleiden Afronden proeve B: planmatig werken Afronden proeve C: opvoeden, stimuleren en begeleiden (jaar)stage van 800 klokuur 40 weken Theorie Fase B : planmatig werken afsluiten van Proeve A ondersteunen bij dagelijkse taken Mogelijk afronden proeve B planmatig werken (jaar)stage van 800 klokuur 20 weken Theorie Fase A: ondersteunen bij dagelijkse taken Stage van 140 klokuren 20 weken Fase 0 + oriënterende stage Samenwerkingsverband KO-ROC Gelderland Praktijkinformatiegids 13
De opleiding PW 4 kinderopvang in schema weergegeven; lees van onder naar boven 40 weken Theorie fase D: Uitvoeren van coördinerende en beleidsmatige taken (KO) Afronden proeve C: werken als ontwerper Afsluiten van proeve D: Uitvoeren van coördinerende en beleidsmatige taken (KO) Jaarstage in differentiatie 800 klokuur 20 weken Theorie Fase C: werken als ontwerper Afronden proeve B: inzoomen op het kind van 0 tot 12 (jaar)stage van 400 klokuur 40 weken Theorie Fase B: inzoomen op het kind van 0 tot 12 afsluiten van Proeve A: dagelijkse routine beheersen Mogelijk afsluiten proeve B inzoomen op het kind van 0 tot 12 (jaar)stage van 800 klokuur 20 weken Theorie Fase A: dagelijkse routine beheersen Stage van 140 klokuren 20 weken Fase 0 + oriënterende stage 14 Praktijkinformatiegids Samenwerkingsverband KO-ROC Gelderland
Inhoud per fase: Fase 0 + oriënterende stage: 20 weken Doelstellingen van deze fase: Kennismaken met het beroep en heb ik het juiste beroepsbeeld studieonderdelen studieonderdelen studieonderdelen 20 weken ontwikkelingspsychologie 10 weken presenteren kun je leren 10 weken werken met audio middelen 20 weken Thema 20 weken sociale vaardigheden Inhoud per fase: Fase A : 20 weken Werkprocessen in deze fase: studieonderdelen studieonderdelen studieonderdelen 20 weken ontwikkelingspsychologie 10 weken kinder-ehbo 20 weken huishoudelijke vaardigheden Samenwerkingsverband KO-ROC Gelderland Praktijkinformatiegids 15
Inhoud per fase: Fase B: 40 weken Werkprocessen in deze fase: studieonderdelen studieonderdelen studieonderdelen Inhoud per fase: Fase C: 40 weken Werkprocessen in deze fase studieonderdelen studieonderdelen studieonderdelen 16 Praktijkinformatiegids Samenwerkingsverband KO-ROC Gelderland
Begrippenlijst Assessor Beoordelaar van gedrag in de praktijk en/of beoordelaar van reflectieverslag en assessmentgesprek. Assessmentgesprek Gesprek waarin bepaalde (vantevoren geoormerkte) werkprocessen en competenties aangetoond worden. Calibris Kenniscentrum voor leren in de praktijk in de sectoren Gezondheidszorg, Welzijn en Sport. Geeft erkenningen, accreditaties, af van stage-instellingen. Competentie Het geheel van kennis, houding en vaardigheden dat iemand bekwaam/bevoegd maakt om allerlei werksituaties aan te kunnen pakken en in een werksetting te kunnen functioneren. Er zijn: algemene competenties, zoals begeleiden, plannen, systematisch werken; leercompetenties, zoals hoofd- en bijzaken kunnen scheiden; het kunnen reproduceren van het geleerde tijdens een toets en/of in de praktijk; burgerschapcompetenties Competentiegericht leren Leren dat erop gericht is dat de student de benodigde competenties beheerst om de kerntaken en daarbij behorende werkprocessen van het beroep uit te kunnen voeren. Kwalificatiedossier In het kwalificatiedossier is op een gestandaardiseerde manier de startpositie van de beginnende beroepsbeoefenaar op de arbeidsmarkt beschreven. Met andere woorden in het kwalificatiedossier staat wat iemand aan het einde van de opleiding moet kunnen en kennen om het diploma voor een kwalificatie te behalen. POP Een POP is een Persoonlijk Ontwikkelingsplan. Hierin staat het leerproces van de student centraal. De student beschrijft aan welke leerdoelen hij gaat werken. PAP Een PAP is een Persoonlijk Activiteitenplan. Hierin beschrijft de student op welke manier hij aan zijn leerdoelen gaat werken. Portfolio Verzameling van bewijsstukken. Het portfolio kan een ontwikkelingsgericht portfolio zijn of een examenportfolio. Samenwerkingsverband KO-ROC Gelderland Praktijkinformatiegids 17
Praktijkopleider Beroepskracht die vanuit de stage-instelling belast is met de begeleiding van de stagiaires in de praktijk. Prestatie-indicatoren Gedragscriteria op grond waarvan beoordeeld wordt of de beginnend beroepsbeoefenaar de kerntaken en werkprocessen goed uitvoert. Proeve (kwalificerende beroepsprestatie) Een opdracht die de student uitvoert waarbij hij beoordeeld wordt op gedrag beschreven in de prestatie indicatoren Reflectieverslag Verslag waarin de student terugkijkt op zijn handelen aan de hand van de STARRT-methode. Werkproces Het geheel van beroepshandelingen dat kenmerkend is binnen de beroepspraktijk. Het werkproces leidt altijd tot een resultaat en bestaat nooit uit één handeling of gedraging. 18 Praktijkinformatiegids Samenwerkingsverband KO-ROC Gelderland