UNIVERSITEIT GENT FACULTEIT DIERGENEESKUNDE. Academiejaar

Vergelijkbare documenten
Serum als matrix voor de diagnose van Fusariummycotoxicosis bij varkens

INHOUD 2 1. VOORWOORD 3

Mycotoxinemonitoring GRANEN Oogst 2015

MYCOTOXINE MONITORING MAÏS OOGST 2014

MYCOTOXINEMONITORING GRANEN OOGST 2013

MYCOTOXINE MONITORING MAÏS OOGST 2015

Mycotoxinemonitoring GRANEN Oogst 2017

Biotransformatie en toxiciteit van

Mycotoxinemonitoring GRANEN Oogst 2014

Mycotoxinemonitoring GRANEN Oogst 2016

MYCOTOXINE MONITORING MAÏS OOGST 2018

Natuurlijke toxinen in voedingsmiddelen: Mycotoxinen

MYCOTOXINES en DIERGEZONDHEID

Algemene Samenvatting

Nederlandse. Samenvatting

Nederlandse samenvatting - voor niet-vakgenoten -

Mycotoxinemonitoring GRANEN - Oogst

Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen 1 / 4

Welke richting volg je? In welke mate ga je akkoord met volgende stellingen?

Niet-technische samenvatting Algemene gegevens. 2 Categorie van het project. 3 Projectbeschrijving

Tien jaar onderzoek in de agro- voedingssector gesubsidieerd door de DWTC

Geïntegreerde aanpak van aarfusarium in granen en het effect op mycotoxinen

Interaktie tussen koper in oppervlaktewater, de structuur van microbiële levensgemeenschappen en histamine concentraties in eetbare kreeftachtigen

Geïntegreerde aanpak van aarfusarium in granen en het effect op mycotoxinen

Mycotoxinengevaar vergt ketenborging

Mycotoxines. Inleiding

Bijlage II. Een genetisch gemodificeerd micro-organisme wordt ondergebracht in risicoklasse 1 als aan alle volgende criteria voldaan is :

Samenvatting. Samenvatting

Nederlandse samenvatting

Productie kweekvis,

BIJSLUITER. EQUIOXX 8.2 mg/g orale pasta voor paarden

Publicatieblad van de Europese Unie L 318/19

RAAD VAN DE EUROPESE UNIE. Brussel, 25 november 2013 (OR. nl) 16792/13 DENLEG 136. BEGELEIDENDE NOTA de Europese Commissie ingekomen: 21 november 2013

Intoxicaties. bij PLUIMVEE. Dr. Maarten De Gussem. Created with novapdf Printer ( Please register to remove this message.

(Voor de EER relevante tekst)

Achtereenvolgens zullen we bij de bespreking van de farmacokinetiek het distributievolume, de clearance van een medicament, de verdeling van een

ASPI-kel 65%, 650 mg/g, poeder voor toediening in het drinkwater

WELLNESS CATFOOD DOG & CAT WELLNESS DOGFOOD HI-TEC BALANCED NUTRITION

SKP NL versie Clindabuc 200

Waar gaan we het over hebben?

Kansen voor weerbaar telen

SAMENVATTING Technische mengsels van vetoplosbare polychloorbifenylen (PCBs) zijn gebruikt als vloeistof in transformatoren, condensatoren en als

L EVAMISOLE HYDROCHLORIDE

Panbonis in Pluimvee

Praktijknetwerk Fusarium Onderwerpen. Aarfusarium. relevante mycotoxinen in graan. risicofactoren aarfusarium.

Cover Page. The handle holds various files of this Leiden University dissertation

De diervoedersector haalt uit voorzorg voer voor melkvee terug om besmetting van boerderijmelk met aflatoxine uit te sluiten

Samenvatting. Chapter 8

BIJLAGE I SAMENVATTING VAN DE PRODUCTKENMERKEN

Chapter 9. Nederlandse samenvatting Curriculum vitae List of publications

WAT IS GENETISCHE MODIFICATIE?

Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen 1

Optimalisatie van de eerste klinische studies in bi ondere patie ntengroepen: op weg naar gebruik van semifysiologische

Bijsluiter NL versie Promycine Pulvis 1000 I.E./mg BIJSLUITER 1

BVD-bestrijding in België: een algemene aanpak lijkt er te komen.

Hierbij gaat voor de delegaties document D048570/03.

HEBBEN NIET TOT EEN BETERE GEZONDHEID VAN ONZE HUISDIEREN GELEID.

Gezondheid & Voeding

AT-10. Beheersing Salmonella. Ver BT-12 v0.12

Hoofdstuk 2 Hoofdstuk 3

Aflatoxine in maïs. Raadgevend comité maart Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen

Spijsverteringsstoornissen

SAMENVATTING VAN DE PRODUCTKENMERKEN. Amoxicilline trihydrate (= Amoxicilline 150 mg) Alum. Stearaat gefractioneerde kokosnootolie q.s. ad 1 ml.

Risicobeoordeling en beheer met betrekking tot de aanwezigheid van fipronil in eieren, eiproducten, pluimveevlees en verwerkte producten

Het belang van monitoring en vaccinatie in de BVD-aanpak

Intermezzo, De expressie van een eiwit.


Botulisme. Botulisme: een veelal fatale voedselvergiftiging

SAMENVATTING Hoofdstuk 2 Hoofdstuk 3.1 Hoofdstuk 3.2 Hoofdstuk 3.2 Hoofdstuk 3.3

Cover Page. The handle holds various files of this Leiden University dissertation

SAMEN ME VAT A T T I T N I G

Nederlandse Samenvatting

BIJLAGE I SAMENVATTING VAN DE PRODUCTKENMERKEN

Dagelijkse consumptie van yoghurt helpt hartziekten te voorkomen

Productie kweekvis,

Samenvatting. Vraagstelling

'LHUJH]RQGKHLG,,,QWHUYHQWLHPDDWUHJHOHQ

Cover Page. The handle holds various files of this Leiden University dissertation

Samenvatting. Indicatoren voor ecologische effecten hangen sterk met elkaar samen

Ziekteverwekkende micro-organismen dringen via lichaamsopeningen het lichaam binnen:

Redenen genoeg om de BVDV-situatie op uw bedrijf na te gaan

Duurzaam middelengebruik: een gezamenlijke opgave. Ernst van den Ende Algemeen Directeur Plant Sciences Group Wageningen UR

Gezondheid & Voeding

Appendix. Nederlandse Samenvatting

Nederlandse samenvatting. Inleiding

Publicatieblad van de Europese Unie L 289/33

Sojaproducten - Een bron van hoogwaardige eiwitten

hoofdstuk 2-4 hoofdstuk 2

2.1 Verstoord evenwicht protease-antiprotease

PLUIMVEE HARTSLAG #26

Waarom kunnen omgevingsfactoren een belangrijk risico op kanker inhouden?

Mijn hond of kat heeft darmproblemen

Karakterisatie van stammen van de aardappelziekte in Wallonië (2012)

Genetisch gewijzigde aardappelen ter bestrijding van de aardappelziekte. met de medewerking van

2009R0041 NL

Cover Page. The handle holds various files of this Leiden University dissertation

Wat is je leeftijd (bv. 17)? Typ leeftijd over (enkel cijfers) jaar. In welke mate ga je akkoord met volgende stellingen?

Eiwitbehoeftes van zwarte soldatenvlieg larven

Het literatuuroverzicht in dit proefschrift beschrijft dat coccidiose, zoals veroorzaakt door de parasiet van de soort Eimeria, een ernstige, alomtege

Samenvatting voor niet-ingewijden

Transcriptie:

UNIVERSITEIT GENT FACULTEIT DIERGENEESKUNDE Academiejaar 2014 2015 BELANG VAN MYCOTOXINEN IN DE AQUACULTUUR door Katrien QUINTELIER Promotoren: Prof. Dr. S. Croubels Prof. Dr. A. Decostere Literatuurstudie in het kader van de masterproef Katrien Quintelier

Universiteit Gent, haar werknemers of studenten bieden geen enkele garantie met betrekking tot de juistheid of volledigheid van de gegevens vervat in deze masterproef, noch dat de inhoud van deze masterproef geen inbreuk uitmaakt op of aanleiding kan geven tot inbreuken op de rechten van derden. Universiteit Gent, haar werknemers of studenten aanvaarden geen aansprakelijkheid of verantwoordelijkheid voor enig gebruik dat door iemand anders wordt gemaakt van de inhoud van de masterproef, noch voor enig vertrouwen dat wordt gesteld in een advies of informatie vervat in de masterproef.

UNIVERSITEIT GENT FACULTEIT DIERGENEESKUNDE Academiejaar 2014 2015 BELANG VAN MYCOTOXINEN IN DE AQUACULTUUR door Katrien QUINTELIER Promotoren: Prof. Dr. S. Croubels Prof. Dr. A. Decostere Literatuurstudie in het kader van de masterproef Katrien Quintelier

VOORWOORD Bij deze zou ik graag mijn promotor Prof. Dr. Siska Croubels willen bedanken voor het advies en de verbetering van dit werk. Ook mijn co-promotor Prof. Dr. Annemie Decostere zou ik willen danken om te helpen waar mogelijk met documentatie over aquacultuur. Mijn ouders en broers zou ik ook willen bedanken, dankzij hen ben ik al zo ver in mijn studie geraakt. Tot slot nog een woord van dank aan mijn medestudenten en kotgenoten voor de steun gedurende de studie.

INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING... 1 INLEIDING... 2 LITERATUURSTUDIE... 3 1 BELANG VAN AQUACULTUUR... 3 2 WAT ZIJN MYCOTOXINEN?... 3 3 VOORKOMEN VAN MYCOTOXINEN IN VISVOEDERS... 4 4 TOXICITEIT VAN MYCOTOXINEN... 6 4.1 Aflatoxinen... 8 4.2 Deoxynivalenol... 9 4.3 Fumonisinen... 11 4.4 Ochratoxinen... 12 4.5 Zearalenone... 13 5 DETECTIE VAN MYCOTOXINEN... 14 5.1 Mycotoxicosen bij vissen... 14 5.2 Mycotoxinen in voeder... 14 6 BESTRIJDING EN PREVENTIE VAN MYCOTOXINEN... 15 6.1 Preventie... 15 6.2 Decontaminatie... 16 6.3 Inhibitie van absorptie... 16 BESPREKING... 18 REFERENTIELIJST... 20 BIJLAGEN... 24 BIJLAGE I: RICHTLIJNEN MET BETREKKING TOT AFB1 IN DIERVOEDING... 24 BIJLAGE II: AANBEVELINGEN VOOR DE AANWEZIGHEID VAN MYCOTOXINEN IN DIERVOEDING... 25

SAMENVATTING Aquacultuur is wereldwijd een belangrijke sector in de voedselproductie. Uitbreiding van deze sector kan gerealiseerd worden door onderzoek. Er is een trend in de samenstelling van voeders voor aquacultuur; er wordt gestreefd naar een hoger percentage plantaardig materiaal. Hiermee gaan echter ook nadelen gepaard. Het plantaardig materiaal is vaak besmet met mycotoxinen. Mycotoxinen zijn secundaire metabolieten van schimmels die groeien op onder andere maïs, tarwe en milo. Er zijn verschillende soorten mycotoxinen met elk hun specifieke condities waarin ze voorkomen en hun toxische werking en ziektebeeld dat ze veroorzaken. De belangrijkste zijn aflatoxines, deoxynivalenol, fumonisines, ochratoxine A en zearalenone. Het klinisch beeld is meestal vaag. Een mycotoxicose kan vermoed worden, de diagnose kan gesteld worden door analyse van het voeder. Er zijn verschillende detectiemethoden ontwikkeld. Aangezien er nog geen behandeling is beschreven, is de preventie van mycotoxicosen van groot belang. Men kan op meerdere momenten van de productie ingrijpen, een perfecte manier die economisch rendabel is, is echter nog niet beschreven. Sleutelwoorden: Aquacultuur Mycotoxinen Preventie Toxiciteit Visvoeder

INLEIDING Een groot deel van de wereldwijde landbouwproductie is besmet met schimmels. Die schimmels kunnen mycotoxinen als secundaire metabolieten produceren. Er is reeds veel onderzoek gedaan naar de werking, detectie en bestrijding van mycotoxinen. In het verleden werden vooral de effecten van een acute blootstelling aan hoge dosissen bestudeerd, de gevolgen van een chronische blootstelling op lange termijn zijn veel minder gekend. Klinische mycotoxicosen zijn vooral gerapporteerd bij grote huisdieren, terwijl er veel minder gekend is bij vissen. Verschillende mycotoxinen vormen ook een bedreiging voor de aquacultuur. Ze zorgen voor een verlies van waarde en kwaliteit van productie. In deze literatuurstudie is getracht een overzicht te geven van het belang van mycotoxinen in de aquacultuur. Eerst wordt de situatie van de aquacultuur in Europa algemeen geschetst en wordt kort weergegeven wat mycotoxinen zijn. Daarna wordt per mycotoxine beknopt weergegeven wat er gekend is over de toxiciteit, toegepast op aquacultuur. Ten slotte wordt er ingegaan op detectiemethoden en manieren om mycotoxinen te voorkomen en te bestrijden. 2

LITERATUURSTUDIE 1 BELANG VAN AQUACULTUUR Aquacultuur is het kunstmatig kweken van vis, schelpdieren en wieren. Al honderden jaren wordt er aan aquacultuur gedaan, maar door vooruitgang van wetenschap en technologie is deze sector in de laatste 60 jaar uitgegroeid tot een belangrijke schakel in de voedselvoorziening op wereldniveau (EATiP, 2012a). Ongeveer de helft van onze vis- en schelpdierconsumptie is afkomstig van de aquacultuur, en in de toekomst zou dit nog een groter aandeel kunnen en moeten zijn wegens uitputting van de natuurlijke bronnen. Deze groei moet bereikt worden door te investeren in onderzoek; onderzoek naar onder andere kweektechnieken, nieuwe vissoorten en optimale voeders (EATiP, 2012b). In Europa is de aquacultuursector een grote en moderne industrietak waarin 100,000 mensen tewerkgesteld zijn en nog eens 90,000 in de randactiviteiten zoals transport en onderzoek. In de toekomst wil Europa een rol van betekenis hebben op wereldniveau: het wil producent zijn van grote hoeveelheden voedsel die ook nog eens veilig zijn en wil evolueren met het wijzigende klimaat, in harmonie met de natuur en de samenleving (EATiP, 2012c). Potentiële gevaren voor de aquacultuur komen van allerlei kanten: wetgeving, plaatsgebrek, concurrentie, gebrek aan kennis, klimaatverandering, voedselveiligheid, visziekten en zo verder (EATiP, 2012d). In deze literatuurstudie zal worden ingegaan op het gevaar die mycotoxinen vormen voor de aquacultuurindustrie en consument. 2 WAT ZIJN MYCOTOXINEN? Mycotoxinen zijn wereldwijd voorkomende toxische secundaire metabolieten van fungi. Die fungi kunnen voorkomen op onder andere graangewassen, specerijen etc. en worden ingedeeld in 2 groepen: enerzijds fungi die op het veld groeien en anderzijds species die ontwikkelen tijdens de opslag van de graangewassen. De belangrijkste mycotoxine-producerende fungi behoren tot de genera Aspergillus en Penicillium, die beiden hoofdzakelijk tijdens het bewaren ontwikkelen en het genus Fusarium die vooral op het veld groeit. In een geschikte omgeving, waarbij vooral temperatuur, vochtigheid, beschadigingen door insecten en verwerkingsprocedures van belang zijn, gaan deze hun toxische metabolieten vormen (Osweiler, 1996). Toxigene schimmels kunnen in verschillende substraten groeien (Tabel 1), maar mycotoxinen worden slechts in een bepaald milieu geproduceerd. Dat mileu is specifiek voor elk genus (Abramson et al., 1980). Productie van secundaire metabolieten is niet noodzakelijk voor de essentiële metabole functies van de schimmel, maar kan wel door de schimmel geproduceerd worden om in competitie te gaan met andere species en zo langer te overleven (Moss, 1991). De mycotoxinen contamineren onze voedselketen via besmette voeding en voeder (Osweiler, 1996), ze worden vaak teruggevonden in ingrediënten voor diervoeder zoals tarwe, maïs, aardnoten, pinda s, sorghum en rijstmeel (Ellis et al., 2000). De toxinen hebben een erg stabiele chemische structuur 3

waardoor ze het productieproces van het voeder vaak ongeschonden doorkomen, ze zullen bijgevolg in hun originele vorm teruggevonden worden in het eindproduct (Bullerman en Bianchini, 2007). Tabel 1: Overzicht van de voornaamste mycotoxinen in diervoeders, de bijhorende fungi en hun substraten (naar Osweiler, 1996) Mycotoxine Fungus Substraat Aflatoxines Aspergillus flavus, A. parasiticus Maïs, katoenzaad, pindanoten, milo Deoxynivalenol (DON) Fusarium sporotrichioides, F. poae, F. graminearum, F. culmorum, F. roseum Maïs, gerst, rogge, tarwe, milo T2-toxine F. sporotrichioides Maïs, gerst, rogge, tarwe, milo Fumonisines F. moniliforme, F. proliferatum Maïs Ochratoxine A A. ochraceus, Penicillium viridicatum Maïs, gerst, rogge, haver Zearalenone F. roseum, F. moniliforme Maïs, tarwe, gerst, milo 3 VOORKOMEN VAN MYCOTOXINEN IN VISVOEDERS Commerciële visvoeders bevatten maïs, tarwe en hun bijproducten als hoofdingrediënt met hieraan vismeel en visolie toegevoegd om aan de proteïne- en vetbehoefte van de carnivore species te voldoen (Tabel 2) (Santacrose et al., 2008). De visvoederkostprijs bedraagt meer dan 60% van de totale kosten (Pietsch et al., 2014). Tabel 2: Voorbeelden van samenstellingen van voeder voor katvissen (uit Menghe en Robinson, 2013) 4

Door enerzijds de verhoogde druk op de industrie om minder visolie en meel te gebruiken om economische en ecologische redenen, en anderzijds het doel om lagere productiekosten te bekomen in de aquacultuur ziet men de laatste 10 jaar een omschakeling in het dieet (Tacon en Metian, 2008). Het mariene vismeel wordt vervangen door plantaardige voedingselementen, dit wordt reeds uitgebreid toegepast in het Verenigd Koninkrijk en Schotland (Tabel 3) (Santacrose et al., 2008; Manning en Abbas, 2012; Pietsch et al., 2014). Deze overschakeling zorgt voor relatief weinig problemen bij herbivore en omnivore species (Spring en Fegan, 2006). De belangrijkste vissoorten die in de Europese aquacultuur gehouden worden zijn Atlantische zalm (Salmo salar), regenboogforel (Oncorhynchus mykiss), zeebaars (Dicentrarchus labrax), zeebrasem (Pagellus erythrinus), tarbot (Psetta maxima) en paling (Anguilla Anguilla) (Santacrose et al., 2008). Dit zijn carnivoren en door de omschakeling naar meer plantaardig materiaal zal er bij deze soorten ook een hoog risico voor mycotoxine-contaminatie zijn (Spring en Fegan, 2006). Tabel 3: Veranderingen in het dieet van zalm van de periode van 1989-2010 (naar Nizza en Piccolo, 2009) 1989 1995 2000 2002 2004 2010 (voorspelling) Proteïnen/vet 50/18 46/26 43/27 38/33 36/35 34/37 Vismeel 75% 60% 50% 40% 25-35% 20-25% Visolie 10% 20% 22% 20% 20% 7% Plantaardige olie 0% 0% 0% 8% 10% 25% Sojameel 0% 0% 5% 10% 15% 20% Maïsgluten 0% 0% 0% 10% 15% 10-15% Graan 10% 15% 15% 10% 10% 10% Naast het klimaat zijn nog andere elementen bepalend voor het al dan niet voorkomen van mycotoxinen; een gebrek aan socio-economische ontwikkeling, onhygiënisch werken en verouderde technieken tijdens de productie van het voeder, alsook een slechte bewaring ervan zijn van belang. De meeste voederproducenten en het grotendeel van de intensieve visboerderijen zijn gelokaliseerd in ontwikkelingslanden. Als men dan ook weet dat voeder voor de industrie vooral geïmporteerd wordt vanuit (sub)tropische landen kan men concluderen dat mycotoxinecontaminatie van de voeders een reëel en wijdverspreid probleem is; zowel op economisch gebied, als dat van voedselveiligheid (Santacrose et al., 2008). Tarwegries is een bijproduct van de verwerking van tarwe tot bloem, het bestaat uit het fijngemalen omhulsel van de tarwekorrel, de kiem en wat bloem. Aangezien het de buitenste delen van de tarwekorrel bevat, is het mogelijk dat dit tarwegries mycotoxinen bevat. Bij de productie van ethanol voor brandstoffen uit de gisting van maïs heeft men dried distillers grain with solubles (DDGS) als bijproduct. Mycotoxinen worden niet vernietigd door dat gistingsproces, bijgevolg zullen deze ook aanwezig zijn in het DDGS, tot zelfs 3 keer meer dan in het originele maïsbestand (Wu et al., 2008). Om de kostprijs van het voer te beperken worden tegenwoordig DDGS en tarwegries gebruikt in plaats van de duurdere granen zoals bijvoorbeeld maïs. 5

Er werd door Binder et al. (2007) een survey gehouden gedurende 2 jaar. De verzamelde stalen waren afkomstig van rauw materiaal en afgewerkt voeder. In Tabel 4 wordt de incidentie weergegeven van de belangrijkste mycotoxinen weergegeven per regio, in Tabel 5 worden de gegevens weergegeven per grondstof. Van de genomen stalen was 52% positief voor Europa en het Mediterraan gebied, de incidentie van mycotoxinen is dus hoog, maar de relevantie van deze waarden is moeilijk te bepalen (Binder et al., 2007). Tabel 4: Gehaltes van mycotoxinecontaminatie (µg/kg) gedetecteerd in stalen uit verschillende regio s in Europa en het Middellands Zeegebied (uit Binder et al., 2007) Tabel 5: Incidentie van mycotoxinecontaminatie in voedergranen en diervoeders afkomstig uit Europa en het Middellands Zeegebied (uit Binder et al., 2007) 4 TOXICITEIT VAN MYCOTOXINEN Volgens het Council for Agricultural Science and Technology (2003), bestaan er naar schatting zo n 20,000 tot 300,000 unieke mycotoxinen, maar van veel soorten is nog niet geweten wat hun biologisch en diergeneeskundig belang is (Osweiler, 1996). Aandoeningen ten gevolge van mycotoxine-opname zijn meestal vaag en worden gezien na subacute tot chronische opname van gecontamineerd voeder. Er worden ook klinische symptomen vastgesteld bij inname van een acute hoge dosis. De belangrijkste schadelijke effecten van mycotoxinen in de 6

diergeneeskunde zijn de volgende: hepatotoxiciteit, nefrotoxiciteit, teratogeniciteit, mutageniciteit, carcinogeniciteit, hematopoietische en coagulatoire veranderingen, directe irritatie, reproductieve en/of endocriene stoornissen, verminderde voederopname, respiratoire veranderingen, effecten op het centraal zenuwstelsel en immunosuppressie (Osweiler, 1985). De symptomen die bij dieren zullen waargenomen worden, worden door verschillende factoren beïnvloed. Ten eerste het mycotoxine zelf: type, hoeveelheid en blootstellingsduur. Vervolgens ook het individu: species, geslacht, ras, leeftijd, algemene gezondheid en immuunstatus. Ten derde het bedrijfsmanagement: hygiëne, temperatuur en productiedichtheid en dan zijn er tenslotte ook nog mogelijke synergistische, additieve of antagonistische effecten tussen verschillende mycotoxinen (CAST, 2003). De belangrijkste mycotoxinen, hun structuur en toxiciteit, zowel algemeen en specifiek voor de aquacultuur (Fig. 1), zullen in deze paragraaf besproken worden. Fig. 1: Effecten van mycotoxinen op de gezondheid van vissen (uit BIOMIN, 2015) 7

4.1 Aflatoxinen 4.1.1 Algemeen Aflatoxinen zijn de meest onderzochte en wijdverspreide voedings- en voedercontaminanten (Santacroce et al., 2008). In 1960 werd aflatoxine B 1 voor het eerst geïsoleerd en onderzocht bij de dood van 100,000 jonge kalkoenen met onbekende etiologie, de turkey X disease. Na onderzoek vond men dat het voeder aardnotenmeel uit Brazilië bevatte, die sterk gecontamineerd was met aflatoxine B 1 (Fig. 2) (Osweiler, 1996). Ook in de aquacultuur is het een Fig. 2: Aflatoxine B1 significant probleem, daar aflatoxinen aandoeningen met een hoge mortaliteit geven en een risico vormen voor de kwaliteit van het visbestand (Santacroce et al., 2008). Aflatoxinen zijn metabolieten van 4 species van fungi, allemaal behorend tot het genus Aspergillus. Aspergillus flavus en A. parasiticus zijn de belangrijkste vormers (Osweiler, 1996). De voornaamste aflatoxinen worden door het internationaal agentschap voor kankeronderzoek (IARC) ingedeeld in 2 groepen. Aflatoxine B 1 (AFB 1 ), aflatoxine B 2 (AFB 2 ), aflatoxine G 1 (AFG 1 ) en aflatoxine G 2 (AFG 2 ) horen in klasse 1 (carcinogeen voor mens en dier), terwijl aflatoxine M 1 (AFM 1 ), een metaboliet van AFB 1, behoort tot klasse 2B (mogelijk carcinogeen voor mens en dier) (Nomura, et al., 2011). De factoren die een invloed hebben op het voorkomen van aflatoxinen kunnen ingedeeld worden in 2 groepen. Enerzijds het milieu, waarin vooral temperatuur, droogtestress en relatieve vochtigheid van belang zijn en anderzijds de fysieke toestand van de korenaren en zaden (Osweiler, 1996). 4.1.2 Toxiciteit Vooral van AFB1 is de toxiciteit en toxicokinetiek gekend. Het wordt door de mixed function oxidases (MFOs, cytochroom P450 enzymecomplex) van de lever gemetaboliseerd tot minstens 7 metabolieten. Die hebben elk een andere biologische activiteit, één belangrijke metaboliet, nl. het aflatoxine B 1-8,9-epoxide, is een zeer reactieve elektrofiele molecule. Het vormt covalente verbindingen met DNA, RNA en eiwitten. De toxicologische schade wordt bijgevolg veroorzaakt doordat dit aflatoxine B 1-8,9-epoxide de proteïnesynthese inhibeert. Dit gebeurt door de DNA-template te wijzigen en de synthese van het messenger RNA te inhiberen. De verzwakte eiwitsynthese heeft een deficiëntie van enzymen tot gevolg. Er is een verminderde vorming van structurele proteïnen, onvoldoende aanmaak van antilichamen, verzwakt vetmetabolisme, leververvetting, necrose door enzymtekorten en een deficiëntie van stollingsfactoren. Jonge dieren van de meeste diersoorten blijken gevoeliger dan volwassenen, omwille van hun relatief grote voederopname. Nutritionele deficiënties, vooral voor selenium, eiwitten en vitamine E verhogen de gevoeligheid voor een aflatoxicose (Osweiler, 1996). 8

4.1.3 Symptomen Bij mensen en dieren werden aflatoxinen en hun biotransformatieproducten, voedseloverdraagbare carcinogenen, reeds meerdere maal geassocieerd met erg schadelijke gezondheidseffecten (Hussein en Brasel, 2001). Carcinogene en teratogene effecten, genotoxiciteit en een kwaliteitsvermindering van het immuun- en genitaalstelsel zijn effecten die men kan vaststellen bij de meeste diersoorten (Steyn, 1995). De regenboogforel (Oncorhynchus mykiss) is de vissoort met de laagste lethale dosis voor 50% van de populatie (LD 50 ) voor aflatoxinen, dus de meest gevoelige diersoort, wat de soort tot een dankbaar studieobject maakt. Ze hebben een LD 50 van 0,5 mg AFB 1 /kg, bij die dosis in het voeder zal 50% van populatie snel sterven. In de vroege jaren 60 werd in Amerika AFB 1 teruggevonden in de voeding van regenboogforellen die massaal stierven bij een epizoötie van hepatoma s. Sindsdien zijn er nog meerdere uitbraken van aflatoxicose bij vissen gerapporteerd, onder andere in Duitsland, Mexico, Denemarken en Chili (Santacroce et al., 2008). De ergheid van de letsels ten gevolge van aflatoxinen wordt bepaald door de concentratie van de toxinen in de voeding, de duur van de blootstelling en de speciesgevoeligheid (Smith, 2011). Acute aflatoxicose bij regenboogforellen geeft een ziektebeeld met anemie, bleke kieuwen, verlaagde hematocrietwaarden, oedeem, frequent bloedingen, wijzigingen in het nutriëntenmetabolisme en leverschade. Daarnaast geeft met aflatoxinen besmette voeding bij de Nijltilapia (Oreochromis niloticus) cataract en blindheid, vergeling van het lichaamsoppervlak, abnormale zwempatronen en anorexie. Een acute blootstelling kan ook symptoomloos verlopen en plotse dood geven (Cagauan et al., 2004). Bij subacute aflatoxicose kan men milde tot erge leverschade, gele ogen, gele mucosa en huid, stollingsstoornissen, verhoogde voedselconversie, anemie, voortplantingsstoornissen, verminderde immuunrespons, nierschade en premature sterfte waarnemen (Hamilton, 1990). Chronische aflatoxicose ziet men bij langdurige opname van lage dosissen. Dit geeft een vaag beeld met traag ontwikkelende, subklinische symptomen. Het beeld dat men ziet is grotendeels het gevolg van een verminderde leverfunctie: verhoogde voedselconversie, gewichtsverlies, verhoogde gevoeligheid voor infecties, necrose en tumorontwikkeling in de lever en andere organen en een verhoogde mortaliteit (Pier et al., 1980). 4.2 Deoxynivalenol 4.2.1 Algemeen Deoxynivalenol (DON) of vomitoxine (Fig. 3) is een trichotheceen mycotoxine dat voornamelijk geproduceerd wordt door Fusarium fungi, maar ook nog door andere species; onder andere Myrothecium en Cephalosporium (Pietsch et al., 2014). DON wordt vooral gevormd bij klimatologische omstandigheden die gekenmerkt worden door lage temperaturen en grote hoeveelheden Fig. 3: Deoxynivalenol 9

neerslag waardoor het rijpen van de oogst vertraagd wordt (Manning en Abbas, 2012). Besmetting van tarwe- en maïsplanten met Fusarium graminearum geeft een bepaald ziektebeeld bij de plant, respectievelijk Fusarium head blight en Fusarium ear rot (CAST, 2003). Deze ziekten zorgen ervoor dat de granen en hun bijproducten niet meer geschikt zijn om te verwerken in diervoeders wegens de mogelijke toxiciteit van DON (Manning en Abbas, 2012). Hoewel DON het minst toxische type trichotheceen is, is het toch een verwekker van aanzienlijke schade bij zowel mens als dier (Wegulo, 2012), het wordt door het IARC ingedeeld bij klasse 3 (niet classificeerbaar met betrekking tot de carcinogeniciteit bij de mens). Er zijn 4 types trichothecenen bekend: type A, B, C en D; DON hoort in groep B (Osweiler, 1996). 4.2.2 Toxiciteit Trichothecenen zijn sterke inhibitoren van de proteïnesynthese via binding aan het 60S subunit in eukaryote ribosomen. Ze inhiberen ook de DNA- en RNA-synthese, maar hiervoor zijn hogere dosissen nodig. Lage hoeveelheden geven een verminderde transmembranaire transfer van glucose, calcium en aminozuren. Trichothecenen zijn direct cytotoxisch voor bepaalde cellen, het mechanisme hiervoor is nog niet gekend. Er zijn 3 gekende mechanismen van immuniteitsvermindering: de antilichaamproductie wordt onderdrukt, de combinatie van een vertraagde overgevoeligheidsreactie en remming van suppressor T-cellen, en ten laatste wordt de blastogenese van de lymfocyten aangetast (Osweiler, 1996). 4.2.3 Symptomen Bij zoogdieren ziet men diarree, braken en malabsorptie van nutriënten ten gevolge van DON, algemeen bekend als het abdominal distress syndroom (Pietsch et al., 2014). Tot voor kort werden de schadelijke effecten van een met DON gecontamineerd dieet in de aquacultuur niet uitgebreid bestudeerd. Nu er steeds meer graan en graanbijproducten gebruikt worden in visvoeders, is het belangrijk om te weten wat de gevolgen van een DON contaminatie kunnen zijn (Manning en Abbas, 2012). Het is wel bekend dat vooral varkens en in tweede instantie ook kippen gevoeliger zijn voor DON dan vissen (Manning, 2010). Tussen de verschillende vissoorten is er een verschil in gevoeligheid voor een blootstelling aan DON gecontamineerd voeder, zo blijkt de forel opnieuw extreem gevoelig (Hooft et al., 2011). Trichothecenen kunnen veranderingen in het gedrag induceren waaronder een verminderde voederopname, en door de verminderde proteïnesynthese kunnen er beschadigingen van het spijsverteringskanaal ontstaan (Smith, 2011). Anemie bij de forel kan verklaard worden door de gastrointestinale haemorrhagische letsels (Matejova et al., 2014). Bij vroegere studies naar de toxiciteit van DON vond men dat juveniele forel erg gevoelig is, dit vertaalt zich in een verminderde voederopname en groei (Woodward et al., 1983). Er werden door Hooft et al. (2011) morfologische veranderingen aan de lever gerapporteerd, zoals vetinfiltratie, veranderingen aan de hepatocyten en subcapsulair oedeem. 10

4.3 Fumonisinen 4.3.1 Algemeen Fumonisinen worden geproduceerd door F. moniliforme en F. proliferatum. Ze worden ingedeeld in 3 toxines: fumonisine B1 (FB1), FB2 en FB3, naargelang het aantal en de positie van de hydroxylgroepen (Osweiler, 1996). Fig. 4: Fumonisine B1 Fumonisine B 1 (Fig. 4) is het meest voorkomende toxine, verantwoordelijk voor 70% van het totaal aantal besmettingen van granen met fumonisinen (Manning en Abbas, 2012). De factoren die de aanmaak bevorderen zijn nog niet gekend. Fumonisinen zijn uniek onder de mycotoxinen daar zij zowel wateroplosbaar, hittestabiel als resistent tegen behandeling met alkalische stoffen zijn (Osweiler, 1996). 4.3.2 Toxiciteit Fumonisinen inhiberen de synthese van sfingolipiden, en men veronderstelt dat dit een belangrijke factor is in hun toxische en kankerverwekkende eigenschappen. Ze worden door het IARC ingedeeld bij klasse 2B. FB1 en FB2 zijn gelijkend qua toxiciteit, FB3 is het minst schadelijk (Osweiler, 1996). Over de toxische effecten bij vissen is nog maar weinig gekend (Encarnação, 2006). 4.3.3 Symptomen Bij paarden en andere equidae kan FB 1 equine leukoencephalomalacie (ELEM) veroorzaken, de hersenen worden hierbij aangetast en dit leidt tot fysieke beperkingen zoals apathie, moeilijke steunname, pharyngeale paralyse, blindheid en eventueel sterfte (Ross et al., 1993). Met fumonisinen gecontamineerd voeder bij varkens kan porcien pulmonair oedeem geven (PPE), gekarakteriseerd door oedeem in de pleurale holte (Colvin en Harrison, 1992). Gekweekte warmwatervis wordt negatief beïnvloed door de aanwezigheid van fumonisinen in het voeder. De gevoeligheid voor FB 1 is afhankelijk van het lichaamsgewicht van de individuele vis: hoe lager het gewicht, hoe gevoeliger (Manning en Abbas, 2012). Een verminderde gewichtstoename na intoxicatie met fumonisinen is beschreven bij de kanaalmeerval (Ictalurus punctatus) en de nijltilapia, maar die laatste is wel minder gevoelig (Enacarnação, 2006). Bij onderzoek door Lumlertdacha et al. (1995) zag men bij besmetting door FB 1 een verminderde weerstand, resulterend in een hogere mortaliteit bij kanaalmeervallen die blootgesteld werden aan de bacterie Edwardsiella ictaluri (Manning en Abbas, 2012). Bij hoge dosissen fumonisinen vindt men een lagere hematocriet en een verminderd aantal rode bloedcellen. De lange termijn effecten heeft men bij de karper onderzocht. Langdurige blootstelling is niet lethaal, maar veroorzaakt wel fysieke schade. De targetorganen bij de karper zijn 11

vooral de lever en de nieren, de endocriene en exocriene pancreas en het inter-renaal weefsel worden ook aangetast (Enacarnação, 2006). 4.4 Ochratoxinen 4.4.1 Algemeen Ochratoxinen worden aangemaakt door Penicillium viridicatum en A. ochraceus. Ochratoxine A (OTA, Fig. 5) is het meest voorkomende toxine en heeft het grootste toxische belang. De vochtigheid van het graan, de temperatuur en de relatieve vochtigheid zijn bepalend voor de productie van toxinen Fig. 5: Ochratoxine A (Osweiler, 1996). OTA is een belangrijk mycotoxine; het heeft een nadelige invloed op de productie in de aquacultuur en -van groter belang- het contamineert de eetbare weefsels van vissen en andere dieren zodat het ook de humane voedselketen treft (Manning, 2010). 4.4.2 Toxiciteit Microsomale MFO s zetten ochratoxinen om tot actieve metabolieten zoals bijvoorbeeld ochratoxine-α en phenylalanine. Op cellulair niveau binden ze sterk met proteïnen, interfereren ze met de proteïnesynthese, verstoren ze het koolhydraatmetabolisme, belemmeren ze de synthese van transfer- en messenger-rna en zorgen ze voor een verhoogde vorming van vrije radicalen (IARC klasse 2B). Ze richten zich vooral op de proximale renale tubuli; ze verminderen de renale klaring, verlagen het concentratievermogen van de nier, verhinderen het aniontransport en veroorzaken het vrijkomen van de renale borstelzoom enzymes (Osweiler, 1996). 4.4.3 Symptomen OTA veroorzaakt leverschade bij vee. Bij kanaalmeervallen ziet men een verminderde gewichtstoename en obliteratie van het exocriene pancreasweefsel (Manning, 2010). Bij een hoge dosis is er een verminderde overlevingskans en een lagere hematocriet vastgesteld. Na langdurige blootstelling (8 weken) aan een hoge dosis OTA ziet men ernstige histopathologische letsels in de lever en de achterste nier (Encarnação, 2006). Er is accumulatie van OTA in lever en spierweefsel van meervallen na voederen van OTAgecontamineerd dieet. Via consumptie van besmette dieren kunnen mensen geïntoxiceerd raken; het nierweefsel wordt aangetast met een mogelijke nefropathie tot gevolg (Manning, 2010). 12

Balkan endemic nephropathy (BEN) werd in de jaren 50 gezien in Roemenië, Bulgarije en voormalig Joegoslavië en zou mogelijk gecorreleerd zijn met genetische factoren en OTA. Het is gekenmerkt door een progressieve, onbehandelbare ziekte met hoofdzakelijk nierproblemen en uremie die uiteindelijk fataal is (Pfohl-Leszkowicz en Manderville, 2007). 4.5 Zearalenone 4.5.1 Algemeen Fig. 6: Zearalenone Zearalenone (Fig. 6) is een van de meest voorkomende mycotoxinen, en het enige gekende myco-oestrogeen (Bakos et al., 2013). Het wordt aangemaakt door F. roseum en F. moniliforme. Besmetting van maïs wordt pink ear rot genoemd en bij tarwe wordt dit scab genoemd. Een hoog vochtgehalte van de granen, later oogsten en alternerend hoge en lage temperaturen bevorderen de productie van zearalenone (Osweiler, 1996). 4.5.2 Toxiciteit Zearalenone wordt makkelijk geabsorbeerd uit de gastro-intestinale tractus. Het toxine wordt gemetaboliseerd tot α- en β-zearalenol en uitgescheiden via de urine, gal en faeces (Osweiler, 1996). Bij de regenboogforel is er vooral metabolisatie tot het minder potente β-isomeer (Malekinejad et al, 2012). Zearalenone, α- en β-zearalenol binden aan de cytosolische oestradiolreceptoren, het α-isomeer heeft wel een grotere affiniteit. Dat complex migreert naar de nucleus van de cel en zorgt voor de initiatie van specifieke RNA synthese. Het functioneert fysiologisch als een zwak oestrogeen met een zwakke capaciteit. Het vermindert secretie en vrijzetting van het follikel stimulerend hormoon (FSH). Dat hormoon zorgt voor de maturatie van het pre-ovulatoir follikel. Door de enterohepatische kringloop is er verlengde retentie van zearalenone, zelfs nadat de consumptie reeds gestopt is (Osweiler, 1996). 4.5.3 Symptomen Gecontamineerd voeder kan bij varkens, die vooral het α-isomeer vormen, zorgen voor permanente schade van het reproductiestelsel. De vatbaarheid is afhankelijk van de leeftijd: hoe ouder, hoe vatbaarder (Manning, 2010). Het effect van zearalenone is nog niet goed bestudeerd in de aquacultuur, maar aangezien het bij vele diersoorten reproductiestoornissen geeft is verder onderzoek aangewezen (Manning, 2010). Er zijn wel al onderzoeken gebeurd bij onder andere de Atlantische zalm (Salmo salar), de forel (O. mykiss) en de karper (Cyprinus carpio). De gevolgen bij blootstelling, zowel op korte als lange termijn, zijn intersexen, testiculaire degeneratie, verminderde 13

spermaproductie en motiliteit, verminderd fertilisatievermogen, slechte immuniteitsopbouw en groei, en dosisgerelateerde inductie van oestrogeenresponsieve genen (Bakos et al, 2013). 5 DETECTIE VAN MYCOTOXINEN 5.1 Mycotoxicosen bij vissen De symptomen van mycotoxicosen komen overeen met een slecht management. Toch zijn er enkele kenmerken die kunnen wijzen richting mycotoxinen. Ten eerste verspreiden de symptomen zich niet tussen de dieren via de omgeving, intoxicatie kan enkel door opname van gecontamineerd voeder. Ten tweede kan het klinisch beeld niet verbeterd worden door een medicamenteuze behandeling. Ten derde is het meestal een vaag, subacuut tot chronisch probleem dat beantwoordt aan het dosisrespons-principe. Soms kan men ook het verband leggen met een verandering van het voeder. Men ziet niet altijd al deze kenmerken, maar hoe meer men er ziet, hoe sterker het vermoeden (Osweiler, 1996). 5.2 Mycotoxinen in voeder Bij een vermoeden van een mycotoxicose gaat men het voeder onderzoeken. Bij staalname hiervan zijn er 2 problemen. Ten eerste is het mogelijk dat de intoxicatie gebeurde met een voeder dat niet meer beschikbaar is, en ten tweede zijn de schimmels en hun mycotoxinen niet homogeen in het voeder verspreid, er is een verdeling over zogenaamde hotspots. Er zijn 2 manieren om het staal te nemen. Men kan de moving-streammethode gebruiken: hierbij worden tijdens het laden en lossen een aantal substalen genomen. Men kan ook de probe samplingmethode uitvoeren; in de voedersilo worden om de 2 meter in de hoogte substalen genomen met behulp van probes. De eerste methode heeft de voorkeur omdat er in de silo ideale micromilieus voor schimmels kunnen ontstaan zodat de staalname niet representatief is. Bij beide methoden worden de substalen samengebracht en gehomogeniseerd. Voor het transport naar het onderzoekscentrum kan men de stalen drogen en verpakken in papieren of katoenen zakken (Osweiler, 1996). Om de stalen te onderzoeken is het belangrijk dat er een snelle, gevoelige en accurate methode wordt ontwikkeld. Hiernaar is reeds veel onderzoek gebeurd wegens het grote belang van mycotoxinen in de voedings- en voederindustrie en bijgevolg op de hele economie en volksgezondheid. Er zijn reeds verschillende analytische methoden voor mycotoxinen ontwikkeld met een verschillende sensitiviteit en accuraatheid. Dunnelaagchromatografie, high-performance liquid chromatography (HPLC) met UV of fluorescentie detectie, enzyme immunoassay, en recenter ook de liquid chromatography-mass spectrometry en gas chromatography-mass spectometry zijn technieken die in aanmerking komen (Rahmani et al., 2009). Detectie van schimmels in het substraat is geen zekerheid dat er ook mycotoxinen aanwezig zijn, er zijn immers specifieke omstandigheden nodig vooraleer schimmels toxinen produceren. Omgekeerd kan het zijn dat bij de aanwezigheid van mycotoxinen er geen schimmel wordt teruggevonden, deze kan al dood zijn (Santacroce et al., 2008). Uit recente onderzoeken is gebleken dat de mycotoxinen gemodificeerd kunnen worden door de aangetaste planten. Er is mogelijk een conjugatie met glucose, dit is reeds aangetoond bij DON 14

(Berthiller et al., 2005) en zearalenone (Schneweis et al., 2005). Deze modificatie heeft als gevolg dat de geconjugeerde mycotoxinen niet kunnen gedetecteerd worden, maar waarschijnlijk wel toxisch zullen zijn. Zhou et al. hebben in 2007 een onderzoek gedaan waarbij het DON-gehalte in gerst werd bepaald. Na toevoegen van trifluorazijnzuur, dat ervoor zorgt dat de glucoseconjugaten gehydrolyseerd worden, was er een toename van het DON-gehalte van 88%. Het lijkt waarschijnlijk dat de conjugaten ook zullen hydrolyseren door de sterke zuren van de spijsverteringssappen en zo toch hun toxische werking kunnen uitvoeren. Met deze kennis lijkt het reëel dat de mycotoxinengehalten worden onderschat (Smith, 2011; Broekaert et al., 2015). In Richtlijn 2003/100/EG van de Commissie van 31 oktober 2003 (Bijlage I) en aanbeveling 2006/576/EG van de Commissie van 17 augustus 2006 (Bijlage II) over respectievelijk de wijziging van bijlage I bij Richtlijn 2002/32/EG van het Europees Parlement en de Raad inzake ongewenste stoffen in diervoeding en de aanwezigheid van deoxynivalenol, zearalenone, ochratoxine A, T-2- en HT-2-toxine en fumonisinen in producten die bedoeld zijn voor het voederen van dieren, worden grenzen gegeven voor de gehalten van de meest voorkomende mycotoxinen in diervoeders. 6 BESTRIJDING EN PREVENTIE VAN MYCOTOXINEN Er is geen specifieke behandeling of antidotum voor mycotoxicosen, al worden kwalitatieve eiwitten en supplementatie van eiwitten en selenium wel aangeraden. Het voorkomen van opname van mycotoxinen is dus van groot belang (Osweiler, 1996). Er zijn verschillende technieken voor de decontaminatie van voeders. Deze methoden steunen op de volgende principes: - Het mycotoxine moet geïnactiveerd / vernietigd worden door transformatie naar niet-toxische verbindingen. - De schimmelsporen en mycelia moeten vernietigd worden zodat er geen nieuwe toxinevorming kan plaatsvinden. - Het voeder of de voeding moet de nutritionele waarde behouden en moet smakelijk blijven. - De fysieke eigenschappen van het rauwe materiaal zouden moeten bewaard blijven. - Het moet economisch haalbaar zijn; de kosten van het decontamineren zouden lager moeten zijn dan de waarde van het te decontamineren materiaal. Er zijn 3 grote manieren om de toxische effecten van mycotoxinen te vermijden. Men kan ingrijpen voor het oogsten en contaminatie voorkomen, men kan het voeder of de voeding decontamineren na het oogsten of men kan de absorptie van mycotoxinen ter hoogte van het spijsverteringsstelsel inhiberen (Bata en Lásztity, 1999; Devreese et al., 2013). 6.1 Preventie Het cultiveren van een resistente graansoort is de meest effectieve preventieve techniek. Men heeft door selectie al verschillende variëteiten van vooral maïs en tarwe kunnen ontwikkelen met resistentie. Volledig resistente stammen heeft men nog niet kunnen ontwikkelen (Bata en Lásztity, 1999). Preventie van schimmelgroei en toxineproductie zijn ook een mogelijkheid. Een goede oogsttechniek, fungicidengebruik, bewaringsmethode en verwerkingsmanier zijn hierbij van groot belang (Bata en 15

Lászity, 1999). Er wordt bijvoorbeeld een hoger gehalte aan sporen gevonden wanneer er geen grondbewerking was tussen oogsten en zaaien en bij het verbouwen van een monocultuur (Spring en Fegan, 2006). De goede landbouwpraktijken leiden tot publicatie van een praktische gids voor de preventie van mycotoxinen door Fusarium bij granen en diervoeder (Trenholm et al., 1989). Het verdunnen van besmet graan met niet-besmette granen vermindert het mycotoxine-gehalte, maar zorgt voor steeds meer voeders met lage contaminatiegehaltes (Osweiler, 1996) en is illegaal op verschilende markten. Er zijn ook fungiciden op de markt, deze zorgen voor stabiliteit van diervoeders en ingrediënten tijdens de opslag (Spring en Fegan, 2006) 6.2 Decontaminatie Wanneer preventie van contaminatie onvoldoende is, moet er decontaminatie gebeuren. De eenvoudigste methode hiervoor is manuele selectie van de granen; gebroken en afwijkende korrels worden verwijderd. Dit is een intensieve en tijdrovende procedure en is veelal praktisch onmogelijk. De meeste mycotoxinen zijn hittestabiel, dus een warmtebehandeling gaat geen significant verschil geven in contaminatiegraad. Een deel van de besmette granen kan verwijderd worden door te stomen of te malen. Bij het malen is er een scheiding in 2 fracties: de zemelen met een hogere contaminatie en de bloem met een lagere contaminatie (Bata en Lásztity, 1999). Er wordt op grote schaal onderzoek gedaan naar economisch voordelige chemische stoffen die de mycotoxinen kunnen omzetten tot niet-toxische producten. Alkalische stoffen, zoals ammoniak en natrium- en calciumhydroxide, werden voornamelijk gebruikt bij aflatoxinen. Deze hebben wel een groot nadeel; ze zorgen voor een verlies van nutriënten (Samarajeewa et al., 1990). Door toevoegen van chemicaliën kan men ook een vermindering van toxine-productie bekomen. Er zijn een honderdtal stoffen gekend die de vorming van aflatoxinen inhiberen, hun werking is vooral gesteund op inhibitie van schimmelgroei. Dichloorvos, een organofosfaat pesticide, en caffeine zijn veel bestudeerde stoffen (Zalka en Buchanan, 1987). Oxiderende agentia als chlorine en een ozonbehandeling werden ook gebruikt. Ze zorgen voor een significante reductie van de mycotoxinen, maar deze behandelingen zijn te drastisch om te gebruiken bij granen die voor consumptie bestemd zijn (Bata en Lásztity, (1999). 6.3 Inhibitie van absorptie Er zijn verschillende producten op de markt die mycotoxinen gaan binden tijdens passage door het spijsverteringskanaal. Het complex moet veilig door het lichaam kunnen passeren en uitgescheiden worden via de faeces zodat er minimale blootstelling is voor de dieren (Spring en Fegan, 2006). Actieve kool is hier een gekend voorbeeld van; het bindt onder andere patuline (Mutli en Goklem, 1998), een mycotoxine van het genus Penicillium, en ochratoxine A (Galvano et al. 1998). Aflatoxine B1 wordt door gehydrateerde sodium calcium aluminosilicaten (HSCAS) geadsorbeerd (Grant en Phillips, 1998). Een mogelijk nadeel bij deze methoden is dat er een kans is dat er ook belangrijke micronutriënten worden geadsorbeerd en zo niet door het lichaam kunnen worden opgenomen. Ondanks dit worden sommige absorbantia regelmatig gebruikt in diervoeders (Bata en Lásztity, 1999). 16

Een onderzoekstak die hier ook in kadert is biodegradatie van mycotoxinen. Het idee is ontstaan bij de productie van ethanol door fermentatie van met zearalenone besmette maïs. De geproduceerde ethanol was helemaal vrij van zearalenone, maar de nevenproducten, zowel de vaste als de oplosbare fractie die bij de productie van diervoeding worden gebruikt, waren wel gecontamineerd. Het doel is om een techniek te vinden waarbij de mycotoxinen via gisting omgezet worden tot niettoxische producten (Bata en Lásztity, 1999). Flavobacterium aurantiacum is een bacterie die irreversibel mycotoxinen uit oplossingen kan verwijderen, dit werd reeds aangetoond in onder andere melk, plantaardige olie en pindamelk en boter (Ciegler et al. 1966). Door het toenemend wantrouwen van consumenten in chemische behandelingen van voeding, zal het belang van biologische technieken en middelen voor de bestrijding van mycotoxinen in belang toenemen. 17

BESPREKING Mycotoxinen zijn een plaag van de mensheid (Miller, 1995), ze werden reeds vermeld in het Oude Testament, maar zorgen nu nog voor problemen waar men geen antwoord op heeft. Mycotoxinen hebben een grote impact op zowel de voedselveiligheid als op het welzijn van de dieren en zorgen bovendien voor economische schade. De diagnose van mycotoxicosen kan moeilijk worden gesteld, want de klinische symptomen komen overeen met een slecht management. Dit is het geval bij alle diersoorten; bij de conventioneel gehouden productiediersoorten zoals varkens, pluimvee en rundvee is dit een goed gekende en onderzochte problematiek. Er zijn maar weinig gegevens beschikbaar over de impact van mycotoxinen op aquacultuur, dus een diagnose stellen is een echte uitdaging. De symptomen zijn vooral subklinisch en moeilijk te detecteren. Aangezien men de aquacultuursector zou willen uitbreiden om aan de steeds groter wordende voedingsbehoefte te beantwoorden, moet er geïnvesteerd worden in verder onderzoek. Er zijn wel al verschillende metabolisme- en toxiciteitsstudies gebeurd, maar er is weinig standaardisatie in de studiedesign. De onderzoeken zijn gebeurd voor diverse mycotoxinen en bij verschillende vissoorten. Hierdoor is het moeilijk om een algemeen beeld te krijgen van de toxiciteit en volledige impact bij vissen. Als parameter voor blootstelling aan mycotoxinen kan men bij vissen enkel het voeder gebruiken, er is dus nood aan biomerkers die kunnen dienen om de blootstelling en toxiciteit bij vissen te evalueren. Eens men het exacte mechanisme kan achterhalen, zou men sneller de diagnose kunnen stellen en gerichter kunnen ingrijpen. Misschien wel het belangrijkste onderwerp voor verder onderzoek is de preventie. Wanneer men mycotoxinen in het voeder volledig zou kunnen voorkomen, zou dit van enorme waarde zijn voor alle takken van de voedingsindustrie en leiden tot een reductie in verliezen van de volledige dierlijke productie. Ontwikkeling van volledig resistente stammen van verschillende graansoorten zou een ideale oplossing zijn, hierbij pakt men immers rechtstreeks de bron aan en vermijdt men dat de mycotoxinen al voor schade kunnen zorgen bij de productie van de grondstoffen. Wanneer niet kan vermeden worden dat er mycotoxinebesmetting is, zou de biodegradatie met behulp van micro-organismen een mooie oplossing kunnen zijn. Dit zou een veelbelovende oplossing kunnen zijn die veilig en effectief is. Meer onderzoek naar micro-organismen en interacties met schimmels en toxinen is aangewezen. Een groot deel van de industrie rond aquacultuur bevindt zich in minder ontwikkelde landen. Het is dus van belang om de kennis die men al heeft over het voorkomen en gevaar van mycotoxinen te communiceren. Door kleine ingrepen bij bijvoorbeeld het oogsten en bewaren van granen kan men de contaminatiegraad verlagen. Zo kunnen onnodige economische verliezen worden vermeden en kan dit de volksgezondheid enkel ten goede komen. Aangezien aquacultuur een opkomende sector is in Europa, zal er hiernaar intensiever onderzoek gebeuren. Er zal meer budget vrijgesteld worden om onderzoek te doen naar de optimale infrastructuur, het natuurlijk gedrag, voederkwaliteit en -samenstelling, kweek, Mycotoxinen zullen hierin zeker aan bod komen als boosdoener. Er zou een inschatting moeten komen van het risico dat 18

mycotoxinen vormen voor de vissen en consumenten, en er zou een concrete aanpak moeten voorgesteld worden om hierop te kunnen anticiperen. In de wetgeving op Europees niveau worden er grenzen vastgelegd voor de belangrijkste mycotoxinen in de verschillende diervoeders. Voeder voor aquacultuur wordt hierbij slechts uitzonderlijk vermeld. Een wettelijke bepaling van grenzen is nochtans nodig, want in deze sector wordt er wereldwijd handel gedreven. 19

REFERENTIELIJST Abramson D., Sinha R. N., Mills J. T. (1980). Mycotoxin and Odor Formation in Moist Cereal Grain During Granary Storage. Cereal Chemistry 57, 346-351. Bakos K., Kovács R., Staszny Á., Sipos D. K., Urbányi B., Müller F., Csenki Z., Kovács B. (2013). Developmental toxicity and estrogenic potency of zearalenone in zebrafish (Danio rerio), Aquatic Toxicology 136-137, 13-21. Bata Á., Lásztity R. (1999). Detoxification of mycotoxincontaminated food and feed by microorganisms. Trends in Food Science & Technology 10, 223-228. Berthiller F., Dall Astra C., Schuhmacher R., Lemmens M., Adam G., Krska R. (2005). Masked Mycotoxins: Determination of a Deoxynivalenol Glucoside in Artificially and Naturally Contaminated Wheat by Liquid Chromatography Tandem Mass Spectometry. Journal of Agricultural and Food Chemistry 53, 3421-3425. Binder E. M., Tan L. M., Chin L. J., Handl J., Richard J. (2007) Worldwide occurrence of mycotoxins in commodities, feeds and feed ingredients. Animal Feed Science and Technology 137, 265-282. BIOMIN (2015). Symptoms/Residues. Internetreferentie: http://www.mycotoxins.info/myco_info/anima_sr.html (geconsulteerd op 28 maart 2015). Broekaert N., Devreese M., De Baere S., De Backer P., Croubels S. (2015). Modified Fusarium mycotoxins unmasked: From occurrence in cereals to animal and human excretion. Food and Chemical Toxicology 80 (2015), 17-31. Bullerman L. B., Bianchini A. (2007). Stability of mycotoxins during food processing. International Journal of Food Microbiology 119, 140-146. Cagauan A. G., Tayaban R. H., Somga J., Bartolome R. M. (2004). Effect of aflatoxin-contaminated feeds in Nile tilapia (Oreochromis niloticus L.). Voordracht 6th International Symposium on Tilapia in Aquaculture (ISTA 6), Philippines, 12-16 september 2004. 172-178. Ciegler A., Lillehoj E. B., Peterson R. E., Hall H. (1966) Microbial Detoxification of Aflatoxin. Applied Microbiology 14, 934-939. Colvin B. M., Harrison L. R. (1992). Fumonisin-induced pulmonary edema and hydrothorax in swine. Mycopathologia, 117, 79-82. Devreese M., De Backer P., Croubels S. (2013). Different methods to counteract mycotoxin production and its impact on animal health. Vlaams Diergeneeskundig Tijdschrift 82, 181-190. Ellis R. W., Clements M., Tibbetts A., Winfree R. (2000). Reduction of the bioavailability of 20 µg/kg aflatoxin in trout feed containing clay. Aquaculture 183, 179-188. Encarnação P. (2006). The consequences of mycotoxins in aquaculture. Internetreferentie: http://www.allaboutfeed.net/all-abouts/mycotoxins/the-consequences-of-mycotoxins-inaquaculture/ (geconsulteerd op 4 maart 2015). European Aquaculture Technology and Innovation Platform (2012a). Putting European Aquaculture into Context. The future of European Aquaculture, 3-5. European Aquaculture Technology and Innovation Platform (2012b), The Strategic Research and Innovation Agenda, The future of European Aquaculture, 18-33. 20

European Aquaculture Technology and Innovation Platform (2012b). EATiP and its Vision for European Aquaculture. The future of European Aquaculture, 6-9. European Aquaculture Technology and Innovation Platform (2012c). Strategic Goals & Plans for Action. The future of European Aquaculture, 15-17. Galvano F., Pietri A., Bertuzzi T., Piva A., Chies L., Galvano M. (1998). Activated Carbons: In Vitro Affinity for Ochratoxin A and Deoxynivalenol and Relation of Adsorption Ability to Physicomechanical Parameters. Journal of Food Protection 61, 469-475. Grant P. G., Phillips T. D. (1998). Isothermal Adsorption of Aflatoxin B1 on HSCAS Clay. Journal of Agricultural and Food Chemistry 46, 599-605. Hamilton P. (1990). Problems with mycotoxins persist, but van be lived with. Feedstuffs 62, 22-23. Geciteerd door Santacrose et al. (2008). Hooft J. M., Elmor A. E. H. I., Encarnação P., Bureau D. P. (2011). Rainbow trout (Oncorhynchus mykiss) is extremely sensitive to the feed-borne Fusarium mycotoxin deoxynivalenol (DON). Aquaculture 311, 224-232. Hussein H. S., Brasel J. M. (2001). Toxicity, metabolism, and impact of mycotoxins on humans and animals. Toxicology 167, 101-134. Lumlertdacha S., Lovell R. T., Shelby R. A., Lenz S. D., Kemppainen B. W. (1995). Growth, hematology, and histopathology of channel catfish, Ictalurus punctatus, fed toxins from Fusarium moniliforme. Aquaculture 130, 201-218. Malekinejad H., Agh N., Vahabzadeh Z., Varasteh S. Alavi M. H. (2012). In vitro reduction of zearalenone to β-zearalenol by rainbow trout (Oncorhynchus mykiss) hepatic microsomal and post-mitochondrial subfractions. Iranian Journal of Veterinary Research 38, 28-35. Manning B. B. (2010). Mycotoxins in Aquaculture Feeds. SRAC (Southern Regional Aquaculture Center), publication No 5002, mei 2012 Manning B. B., Abbas H. K. (2012). The effect of Fusarium mycotoxins deoxynivalenol, fumonisin, and moniliformin from contaminated moldy grains on aquaculture fish. Toxin Reviews 31 (1-4), 11-15. Matejova I., Modra H., Blahova J., Franc A., Fictum P., Sevcikova M., Svobodova Z. (2014). The Effect of Mycotoxin Deoxynivalenol on Haematological and Biochemical Indicators and Histopathological Changes in Rainbow Trout (Oncorhynchus mykiss). Hindawi Publishing Corporation, 2014, 1-5. Menghe H. L., Robinson E. H. (2013). Feed Ingredients and Feeds for Channel Catfish. SRAC (Southern Regional Aquaculture Center), publication No 1806, februari 2013 Miller J. D. (1995). Fungi and mycotoxins in grain: implications for stored product research. Journal of Stored Products Research 31,1-16 Moss M. O. (1991). The environmental factors controlling mycotoxin formation. In: Smith J. E., Anderson R. A. (Editors) Mycotoxins and animal foods. CRC Press, Boca Raton, Florida, p. 37-56. 21