Reader Gespreksvoering Achtergrondinformatie Soorten vragen Actief Luisteren Slecht nieuws Gesprek Fasen in het gesprek
Soorten Vragen In een gesprek kun je verschillende soorten vragen stellen. Al je je bewust bent van de mogelijke effecten van verschillende vragen, kun je leren om in een gesprek bewust te kiezen voor bepaalde vragen, afhankelijk van het effect dat je wilt bereiken. Dat wat je wilt weten kan in verschillende vragenvormen gesteld worden, er zijn meerdere manieren om een vraag te formuleren. Verschillende soorten vragen: Open vragen Gesloten vragen Suggestieve vragen Dubbele vragen Waarom vragen Open vragen Open vragen zijn vragen waarop je niet met ja of nee kunt antwoorden. Wanneer je iemand een open vraag stelt kan de ander zelf bepalen wat hij of zij wil vertellen. Je stuurt iemand met een open vraag niet in en bepaalde richting.open vragen sluiten aan bij de ander. Door open vragen te stellen concentreer je je vanzelf op de ander. Een open vraag helpt de ander verder, je dwingt de ander om te preciseren, om verder te vertellen. Meestal geven mensen uitgebreid antwoord op een open vraag om dat men zich uitgenodigd voelt om zijn verhaal te vertellen. Open vragen beginnen meestal met de woorden hoe, wat, welke, wie, wanneer, hoe lang. Voorbeelden van open vragen zijn: Hoe gaat het met eten? Wat doet hij de hele dag? Wie brengt haar naar bed? Gesloten vragen Gesloten vragen zijn vragen waarop je alleen met ja of nee kunt antwoorden. Wanneer je beperkte informatie wilt over een speciaal onderwerp, dan kun je een gesloten vraag stellen. De persoon die antwoordt heeft weinig vrijheid om zelf het antwoord te bedenken. Kenmerkend voor een gesloten vraag is dat in dit soort vragen altijd al een onderwerp besloten zit. Doordat een gesloten vraag al een onderwerp in zich heeft kan het teveel invullen voor de ander. Hierdoor krijg je minder informatie en heeft de ander neiging om steeds passiever te worden. Gesloten vragen kunnen soms in het contact gebruikt worden om de ander op weg te helpen of vertrouwen te winnen doordat het initiatief bij jou ligt. Ook kunnen gesloten vragen helpen om bepaalde informatie te krijgen en zo helpen het probleem duidelijk te krijgen. Een valkuil is dat als je teveel met jezelf bezig bent je gesloten vragen gaat stellen.
Suggestieve vragen Een bijzondere vorm van gesloten vragen zijn de suggestieve vragen. De naam zegt het al: in deze vragen doet de vragensteller al een suggestie voor het antwoord. Zijn eigen ideeën en vooronderstellingen liggen besloten in de vraag. De persoon die antwoordt heeft geen ruimte om te vertellen wat hij wil, het antwoord wordt hem als het ware in de mond gelegd. Een mogelijke reactie op suggestieve vragen is dat de ander dicht klapt of in de verdediging schiet omdat er een oordeel uitgesproken in besloten kan liggen. Voorbeeld: Jij hebt dat zeker gedaan? Dubbele vragen Dubbele vragen zijn vragen waarin je twee of meer dingen tegelijk vraagt. Hierdoor kan er verwarring ontstaan want het is niet duidelijk wat er beantwoordt moet worden. Voorbeelden: Wil je nog meer weten of is dit genoeg informatie? Een kenmerk van dubbele vragen is dat je het gesprek stuurt doordat dubbele vragen ook een gesloten of suggestief karakter hebben. Ook krijg je op dit soort vragen weinig informatie doordat de vraag beperkte keuzemogelijkheden biedt. Waarom vragen Waarom vragen zijn vragen waar het woord waarom in zit. Bijvoorbeeld: Waarom ben je boos? of Waarom heb je dat gedaan? Waarom vragen kunnen, ook als hij goed bedoelt is, negatief en veroordelend overkomen. Waarom heb je dat gedaan? betekent dan Dat had je niet moeten doen. Om een waarom-vraag te omzeilen kun je vraag omzetten in een hoe- komt- vraag. Hoe komt het dat je boos bent? Hoe is het zo gekomen dat je dat gedaan hebt?
Slecht nieuws gesprek Het voeren van een slecht nieuws gesprek is behalve moeilijk vanwege het slechte nieuws, extra gecompliceerd door de verschillende rollen die je hebt en moet toepassen in het gesprek. Wil je het proces van het slechte nieuwsgesprek naar tevredenheid doorlopen dan heb je vier rollen uit te voeren. Elke rol brengt weer een eigen houding en vaardigheden met zich mee. Je bent brenger van het slechte nieuws; je kunt kort en zonder omwegen je zorgen uitspreken. Je vangt de reactie van de ander op; je kunt de ander de ruimte geven zich af te reageren op de boodschap, dit vraagt een adequate ondersteunende reactie en de goede vragen. Je denkt mee naar het zoeken naar een oplossing; je kunt de verantwoordelijkheid van het vinden van een oplossing bij de nader laten liggen. Je verwijst; je bent op de hoogte van de helpende instanties en hun werkwijze. En bovenal ben je in staat te schakelen tussen de verschillende vier rollen. Valkuilen bij het brengen van het slechte nieuws: Uitstellen om het te vertellen, er lang om heen draaien of zelfs uiteindelijk het helemaal niet zeggen. Beginnen met vragen stellen, in de hoop dat de ander het slechte nieuws zo zelf ontdekt. Boodschap verzachten uit angst geconfronteerd te worden met de gevoelens van de ander. Jezelf rechtvaardigen dat je het ook niet helpen kunt. Bijvoorbeeld door te zeggen dat je ook maar doet wat je opgedragen wordt. Waarmee je als het ware zegt Je hebt geen recht om je gefrustreerd te voelen en je hebt geen recht op mij kwaad te worden of met emoties te komen.
Actief Luisteren Actief luisteren is alles wat je doet om de ander te laten merken dat je luistert en gehoord en begrepen hebt wat er gezegd is. Dat kun je doen door het verbale en het non-verbale gedrag. Verbaal gedrag is bijvoorbeeld: Hummen Steunen; Wat goed dat je dit vertelt Samenvatten; gebruik hierbij je eigen woorden. Dus als ik het goed begrijp Doorvragen; Wilt u daar wat meer over vertellen?, Wat bedoelt u precies met.. Checken; klopt het dat.. begrijp ik u goed Gevoelens benoemen; bijvoorbeeld; ik kan me voorstellen dat u zich erge zorgen maakt of u zult wel uitgeput zijn Herhalen; soms is herhalen nuttig, met name om de ander tot kalmte te brengen. Bijvoorbeeld.. dus u zegt.. Non-verbaal gedrag is bijvoorbeeld: Knikken; ja-knikken om aan te geven dat je het gehoorde begrijpt Een open houding; niet met de armen over elkaar heen of met de rug naar de ouder toegekeerd Glimlachen; stelt de ander op zijn gemak en is uitnodigend Oogcontact; hiermee hou je contact en heb je zicht op de non-verbale reacties van de ander Voldoende spreekvolume; spreek verstaanbaar en in, een voor de ouder, duidelijke taal Passend tempo; sluit aan bij het tempo van de ouder
Vijf-fasen model Elk gesprek heeft een begin, een opbouw en een eind. Dit model helpt om na te gaan waar je je in het gesprek bevindt. Als je vastloopt in een gesprek kan het zijn dat je te snel van de ene naar de volgende fase bent gegaan. 1. Contact leggen\ Vertrouwen winnen. Voor elk gesprek geldt dat je elkaar aftast voordat je tot de kern komt. Soms klikt het direct, vaker zal het meer tijd kosten. Het is heel belangrijk dat het vertrouwen aan beide kanten bestaat. Het voeren van een gesprek is een interactie. Heb jij twijfel aan de oprechtheid of intentie van de ander, zoek dat dan eerst uit voordat je verder gaat. 2. Probleem duidelijk krijgen. In deze fase ga je na met welke vraag iemand zit. Dit kan dus van alles zijn. Ga het gesprek aan met in je achterhoofd of het om een informatievraag dan wel een belevingsvraag gaat. Maak hierbij afwisselend gebruik van open en gesloten vragen. Teveel gesloten vragen na elkaar kan het initiatief van de ander ondergraven. De ander krijgt dan steeds meer het gevoel dat jij het gesprek toch wel gaande zult houden. Te veel open vragen na elkaar kan de ander makkelijk het gevoel geven helemaal alleen voor zijn probleem te staan. 3. Doel van het gesprek duidelijk krijgen. Dit kan zijn: a - Verkennend (ben ik de enige met dit probleem?) b - Toetsend (wat vindt iemand van mijn situatie en gedachten?) c - Analyserend (wat is de kern van mijn probleem?) d - Steun- en begrip vragend (zo gek is het toch niet wat ik heb?) e - Spuiend (als ik het niet uitspreek kan ik niet verder) f - Praktisch (waar kan ik verdere hulp krijgen?) g - Informatief (hoe helpt Veilig Thuis?) h -... 4. Samen met de cliënt naar oplossingen zoeken. a - Kan de cliënt de besproken zaken hanteren? Durven, kunnen en willen zijn drie totaal verschillende ingangen. b - Mogelijk consequenties van veranderd gedrag of een andere situatie op een rij zetten. c - Welke functie kan een vervolggesprek hebben? d - Is een verwijzing op zijn plaats? 5. Afronding. a - Nagaan of en wat de cliënt aan het gesprek gehad heeft. b - Vertel dat je iets over het gesprek doorgeeft aan je collega ('s) c - Blijft het bij dit ene gesprek of bied je een vervolggesprek aan? d - Al dan niet verwijzen. Realiseer je dat het goed doorlopen van de eerste fase een voorwaarde is om te komen tot de tweede fase. De tweede doorlopen is weer een voorwaarde voor de derde etc. Lukt dit niet, dan is de kans op een machteloos dan wel gefrustreerd gevoel tijdens of na het gesprek groot. Merk je in een gesprek dat je vastloopt, ga dan na in welke fase je bent. Ga dan voor jezelf na in welke voorgaande fase je iets hebt laten liggen. Neem dus voor elke fase de tijd.