OPDRACH TE N B I J TH E M A 4 COM MU N I C A TI E Eén blik en ik weet genoeg.
INLEIDING In je toekomstige beroep communiceer je de hele dag: met cliënten, collega s, leidinggevenden, ouders, verzorgers. Je voert gesprekken en wisselt informatie non-verbaal uit. In dit thema leer je alles over communicatie en het belang van communicatie in jouw beroepspraktijk. Doelstellingen Je: beschrijft de belangrijkste begrippen uit het thema kunt het doel van communicatie en de verschillende vormen van communicatie beschrijven (met voorbeelden) kunt het communicatieschema beschrijven en toepassen op een concrete situatie beschrijft het belang van communiceren in je toekomstige beroep kunt aangeven waaraan je als gespreksdeelnemer moet voldoen ( wanneer ben ik communicatief vaardig? ). Verdieping Je: kunt jouw eigen communicatieve eigenschappen beschrijven en plaatsen in het kwadrantschema beschrijft een praktijkvoorbeeld. Voorbereiding Voor het maken van de opdrachten heb je nodig: potlood/pen kleurpotloden tekenpapier filmcamera computer. 2 OPDRACHTEN BIJ THEMA 4 COMMUNICATIE
OPWARMEN EN ORIËNTEREN Opdracht 1 Geef je mening: stellingenspel* Doe deze opdracht met de groep. In dit spel word je uitgedaagd na te denken over communicatie. Vorm een vijftal. Lees de stellingen en vorm er een mening over. Wissel deze meningen uit binnen het vijftal. Dan volgt er een uitwisseling van meningen in de hele groep. 1 Communicatie: één blik en ik weet genoeg. 2 In ons toekomstige beroep is verbale communicatie belangrijker dan non-verbale communicatie. 3 Non-verbale boodschappen worden eerder geloofd dan verbale. 4 Communiceren is makkelijk, iedereen kan het. Opdracht 2 Lopen of stilstaan: dramaoefening* Doe deze opdracht in de groep. Zoek een plekje in de ruimte. Je communiceert nu niet meer verbaal. Vanaf nu wordt er dus niet meer gesproken. Wanneer de docent een teken geeft, mag één groepslid starten met lopen. Wanneer hij of zij stopt, starten twee anderen met lopen. Zij stoppen tegelijk met lopen. Nu mogen drie anderen lopen, hierna vier, daarna vijf. Nabespreken: lukt het om non-verbaal afspraken te maken over wie gaat lopen? En wanneer te stoppen? Hoe komt dit, denk je? Wat maakt het zo makkelijk of juist moeilijk? Maakt het verschil of er één persoon moet gaan lopen of meerderen? Hoe komt dat, denk je? OPDRACHTEN BIJ THEMA 4 COMMUNICATIE 3
WETEN EN BEGRIJPEN Opdracht 3 Puzzel* Vul de kruiswoordpuzzel in. 4 OPDRACHTEN BIJ THEMA 4 COMMUNICATIE
Opdracht 4 Verbaal of non-verbaal* Vul het schema in. Geef met een kruisje aan of het gaat om verbale of non-verbale communicatie. Situatie Verbale communicatie Non-verbale communicatie De leerling stuurt een e-mail naar haar praktijkbegeleider. Jip ziet dat Floor van zes stiekem een snoepje pakt. Hij kijkt haar aan en geeft haar een knipoog. Meneer Vermeulen is boos op de klas. Hij verheft zijn stem en geeft een donderpreek. Joris zit al de hele middag in een hoekje. Hij kijkt boos de kamer rond. Mees liket de Facebook-update van Samia. Valerie geeft een presentatie voor de klas. Ze gebruikt daarbij een PowerPoint. Opdracht 5 Manieren van communiceren* 1 Noem situaties waar het schrijven van een e- mail of brief de voorkeur heeft boven een gesprek. 2 Noem situaties waar het voeren van een gesprek de voorkeur heeft boven het schrijven van een brief of e-mail. OPDRACHTEN BIJ THEMA 4 COMMUNICATIE 5
3 Beschrijf een situatie waar jij bewust gebruik hebt gemaakt van non-verbale communicatie. Opdracht 6 Situatieschets** 1 Lees de volgende situatie. Jade werkt in een schippersinternaat. Vince is een van de tieners die er doordeweeks woont. Vince heeft moeite met zijn opleiding. Ook weet Jade dat hij zijn ouders en zusje enorm mist. Vandaag is Vince uit school meteen naar zijn kamer gelopen. Hij is niet eens in de huiskamer geweest om wat te drinken en iets lekkers te pakken. Het is tijd voor een praatje, denkt Jade. Wanneer ze op zijn kamer komt, maakt Vince nauwelijks oogcontact met haar. Hij scrolt wat op zijn mobieltje. Wanneer ze vraagt hoe het met hem gaat, antwoordt hij: Prima hoor. Wanneer Jade doorvraagt, roept hij: Ik zei toch dat het goed gaat, mens, laat me met rust! 2 Analyseer deze situatie met behulp van het communicatieschema. Denk aan: Wie is de zender? Welke boodschap wordt er verzonden? Wat is het doel? Hoe wordt deze gecodeerd en gedecodeerd? Welke boodschappen worden er verbaal verstuurd, welke non-verbaal? Wat kan er misgaan? 3 Bespreek je analyse in de groep. Zijn er verschillen? Zo ja, welke? 6 OPDRACHTEN BIJ THEMA 4 COMMUNICATIE
Opdracht 7 Mind map** Maak een mind map over communicatie in je toekomstige beroep. Op een leeg vel papier schrijf je in het midden het woord communicatie. Daaromheen schrijf je alles op wat je te binnen schiet als je denkt aan communicatie in je beroep. Verwerk in je mind map in elk geval de onderstaande vragen. Waarom is communicatie belangrijk in je toekomstige werk? Met welk doel communiceer je? Welke onderwerpen worden veel besproken op de werkvloer? Welke gesprekssituaties kun je bedenken? Aan welke eisen moet jij als gespreksdeelnemer voldoen? OPDRACHTEN BIJ THEMA 4 COMMUNICATIE 7
VERDIEPEN EN CREËREN Opdracht 8 Rollenspel** Doe deze opdracht met de groep. 1 Lees de volgende situaties. SITUATIE 1 Rol 1: Je bent leerkracht op een basisschool. Je begeleidt er een onderwijsassistent. Je vindt dat ze haar werk eigenlijk niet goed doet: ze is slordig en loopt er de kantjes vanaf. Jullie moeten nog een heel jaar samenwerken, dus je wilt voorzichtig laten weten dat je ontevreden bent. Rol 2: Je bent onderwijsassistent op een basisschool. Je wordt er begeleid door een leerkracht. Tijdens je stage heb je alleen maar positieve feedback gehad van al je collega s. Je vindt gewoon dat je de beste assistent ooit bent! En je wilt ook niets anders horen. SITUATIE 2 Rol 1: Je werkt binnen een sociale werkvoorziening. Pim is een van je cliënten. Hij heeft een verstandelijke beperking, maar functioneert op hoog niveau. Vandaag is het Pims taak de afwas te doen, maar daar heeft hij geen oren naar. Je probeert hem te motiveren toch aan de slag te gaan. Rol 2: Je speelt Pim. Hij is een verstandelijk gehandicapte jongen, die op hoog niveau functioneert. Je werkt binnen een sociale werkvoorziening. Vandaag is het jouw taak de afwas te doen, maar daar heb je geen zin in. Je bent absoluut niet van plan dit te gaan doen. Je communiceert alleen non-verbaal. 2 Speel de situaties in een rollenspel, er spelen steeds twee studenten een rol. De andere observeren: 3 Hoe verliep het gesprek? 4 Hoe kwam dat? 5 Wat was de verbale boodschap? 6 Wat was de non-verbale boodschap? 7 Hoe werd er gecodeerd/gedecodeerd? 8 Wat viel je op? 8 OPDRACHTEN BIJ THEMA 4 COMMUNICATIE
Opdracht 9 Filmpje** Doe deze opdracht met de groep. Vorm groepjes van ongeveer vier studenten. Elk groepje maakt een kort filmpje van ongeveer vijf minuten, met als onderwerp communicatie. Je mag zelf de vormgeving en verhaallijn bepalen. De volgende onderwerpen moeten naar voren komen: verbale communicatie non-verbale communicatie referentiekader zender/boodschap/ontvanger coderen/decoderen feedback. Opdracht 10 Kernkwadranten*** Om goed te communiceren, heb je een aantal vaardigheden nodig. Bedenk welke kwaliteit jij bezit als het gaat om communiceren. Welke positieve eigenschap helpt je hierbij? Vul nu het schema in. Wat is jouw valkuil met communiceren? Wat is je uitdaging, wat je irritatie? Kwaliteit: Te veel van het goede Het negatief tegenovergestelde is: Positief tegenovergestelde is: Te veel van het goede Je hebt nu nagedacht over je kwaliteit, valkuil, uitdaging en irritatie. Kun je een voorbeeld geven uit de praktijk waar dit tot uiting kwam? Bespreek de kwadranten en voorbeelden in de groep. OPDRACHTEN BIJ THEMA 4 COMMUNICATIE 9
EVALUEREN EN REFLECTEREN Opdracht 11 Terugkijken** In dit thema ben je aan de slag geweest met communicatie. Beantwoord deze vragen: 1 Hoe kun jij straks in je werk gebruikmaken van bewust communiceren? 2 Wat vind jij moeilijk bij deze vaardigheid? 3 Wat wil je nog leren of oefenen? 4 Maak een korte samenvatting van wat je nu weet over signaleren en observeren. 10 OPDRACHTEN BIJ THEMA 4 COMMUNICATIE