Grammatica Jaar 1-2 & 3 Beste Leerling, Met deze grammatica heb je een overzicht over de grammatica die wij in klas 1-2 besproken hebben en in het klas 3 zullen bespreken. Deze opdrachten staan natuurlijk ook online als deelopdrachten: www.meesterarndt.nl: Ga dan naar Klasniveau VO Klas 3 Grammatica Veel succes met het leren van de Duitse taal.
Inhoudsopgave: Letters Kennis vanuit klas 1-2: Het alfabet 4 Uitspraak letters en lettercombinaties 5 Regels rond om het gebruik van hoofdletters 6 Zelfstandige Naamwoorden Kennis vanuit klas 1-2: Zelfstandige Naamwoorden 10 Het geslacht van het zelfstandig naamwoord 11 Klas 3: Meervoudsvorm van zelfstandige naamwoorden: 14 Lidwoorden Kennis vanuit klas 1-2: Bepaald en onbepaald 15 Werkwoorden Kennis vanuit klas 1-2: Zwakke werkwoorden 18 Sterke werkwoorden 21 Werkwoorden met een klinkerwissen 26 Onrelmatige werkwoorden 30 Sein und haben 33 Klas 3: Koppelwerkwoorden 34 Modale hulpwerkwoorden 35 Moeten ( müssen of sollen ) 37 Samenvatting werkwoorden 38 Voornaamwoorden Kennis vanuit klas 1-2: Persoonlijke voornaamwoorden 43 Bezittelijke voornaamwoorden 44 Klas 3: Bijvoegelijke voornaamwoorden 47
Voorzetsel Kennis vanuit klas 1-2: naar : zu, nach, in 48 Kennis vanuit klas 1-2: Rangtelwoorden 51 Naamvallen Kennis vanuit klas 1-2: Ontleden Lidwoorden en bezittelijke voornaamwoorden 53 Hij & Hem Regel: Onderwerp & Lijdend Voorwerp 57 Persoonlijke voornaamwoorden 60 Voorzetsels 63 Voorzetsels uitgebreid: Kastwoorden 3 de of 4 de naamval 67 Klas 3: Naamvallentabel 70 Naamvallentabel begrijpen 71 Tweede naamval 75 Naamwoordelijk deel van het gezegde 78 Naamval & Voorzetsels 79 Kennis vanuit klas1-2: Mann of man 83 Tijden Kennis vanuit klas1-2: Voltooid tegenwoordige tijd 84 Klas 3: Toekomst tijd 89 Verleden tijd 90 Kennis vanuit klas1-2: Kloktijden 97 Overige Klas 3: Trappen van vergelijking 101 Konjunktiv II (beleefd spreken) 102
Letters Kennis vanuit klas 1-2 Het alfabet Uitspraak in het Duits soms anders dan in het Nederlands a a b be c tse d de e e f ef g ke (zachte k) h ha i i j iot k ka l el m em n en o o p pe q koe r er s es t te u oe v faoe w we x ix y upsilon z tset Extra letters en combinaties: ä e van heg ö eu van Euro ü u van muur ß es tset
Uitspraak letters en lettercombinaties: De uitspraak van sommige letters in het Duits is anders dan in het Nederlands c tse g ke (zachte k) j q u v y z iot koe oe faoe upsilon tset Extra letters en combinaties: ä e van heg ö eu van Euro ü u van muur ß es tset eu/ äu oi van hoi
Regels rond om het gebruik van hoofdletters. Waarom hebben den Duitsers voor deze hoofdletterregels gekozen? Hoofdletters maken de zin overzichtelijker en helpen de lezer/schrijver sneller het onderwerp of de inhoud van de zin te bepalen. 1.In het Duits schrijf alle zelfstandige naamwoorden (dat zijn de woorden waar je de volgende woorden voor kunt schrijven: NL D m, v, o m o v Bepaalde lidwoord: de, het der, das, die Onbepaalde lidwoord: een ein eine bezittelijk voornaamwoord: mijn mein meine jouw dein deine zijn sein seine haar ihr ihre ons, onze unser unsere jullie euer eure hun ihr ihre uw Ihr Ihre De Duitse lidwoorden en bezittelijke voornaamwoorden zullen wij in een andere les bespreken. NL de man de vrouw het kind de boeken een man een vrouw een kind mijn boeken D der Mann die Frau das Kind die Bücher ein Mann eine Frau ein Kind meine Bücher
2.Elk woord aan een zin begin schrijf je met een hoofdletter. Der Mann kauft einen Ball. Ich habe meine Bücher nicht gefunden. Meine Kinder haben heute ein Turnier. 3.Woorden in verband met een aanhef schrijf je in het Duits met een hoofdletter. Persoonlijke voornaamwoorden: Kunt u mij vertellen, wanneer de letter arriveert? Können Sie mir sagen, wann der Brief ankommt? Bezittelijke voornaamwoorden: Ik heb uw brief gelezen. Ich habe Ihren Brief gelesen. 4.Namen van personen, landen, steden en etc. beginnen met een hoofdletter. Herr Müller, München, Deutschland Voor de opdrachten ga naar de volgende bladzijde.
Opdracht: Haal de 18 fouten uit de volgende tekst. Onderstreep de fouten en schrijf de juiste woorden beneden op. hallo herr müller, Kennen sie mich noch. Ich habe ihnen doch letztes jahr einen brief geschrieben. Wir wollen gerne eine antwort. Uns hat ihre stadt ganz toll gefallen und wir wollen diesen sommer gerne wieder zu ihnen kommen. Da wollen wir das willem busch museum besuchen. Ist das möglich. Gerne wollen wir eine schnelle antwort. Mit freundlichen grüßen, Hans meier. 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12. 13. 14. 15. 16. 17. 18. Controleer je antwoorden op de volgende bladzijde.
Antwoorden: hallo herr müller, Kennen sie mich noch. Ich habe ihnen doch letztes jahr einen brief geschrieben. Wir wollen gerne eine antwort. Uns hat ihre stadt ganz toll gefallen und wir wollen diesen sommer gerne wieder zu ihnen kommen. Da wollen wir das willem busch museum besuchen. Ist das möglich. Gerne wollen wir eine schnelle Antwort. Mit freundlichen grüßen, Hans meier. 1.Hallo 2.Herr 3.Müller 4.kennen 5.Sie 6.Ihnen 7.Jahr 8.Brief 9.Antwort 10.Ihre 11.Stadt 12.Sommer 13.Ihnen 14.Willem 15.Busch 16.Museum 17.Grüßen 18.Meier
Zelfstandige naamwoorden: Kennis vanuit klas 1-2 Zelfstandige naamwoorden zijn woorden waar je een de, het of een voor kunt zetten. De man koopt een huis. Het kind is aardig. De vrouw heeft een een tas. In het Duits beginnen deze woorden met een hoofdletter. Der Mann kauft ein Haus. Das Kind ist artig. Die Frau hat eine Tasche.
Het geslacht van het zelfstandig naamwoord. Wanneer der - die - das? 1. Personen of dieren. Het natuurlijk geslacht = het grammaticale geslacht De koe = die Kuh (v) De vrouw = die Frau (v) De man = der Mann (m) De hengst = der Hengst (m) Veel persoonsaanduidingen zijn mannelijk en die worden vrouwelijk gemaakt door de toevoeging -in : der Fahrer (m) die Fahrerin (v), der Schüler (m) die Schülerin (v). 2. Zaken en dingen. A: Mannelijk (der) zijn: - Stammen van werkwoorden: der Beginn (beginnen) der Besuch (besuchen=bezoeken) der Anfang (anfangen=beginnen) Let op: die Antwort, die Arbeit (als de stam eindigt op een t, is het vrouwelijk!) B: Vrouwelijk (die) zijn: - Veel woorden die eindigen op een e: die Frage, die Schule, die Katze. Let op! der Junge, der Neffe, der Name. - Alle woorden die eindigen op: -ei, -keit-, -heit, -schaft, -ung, -schrift, -sicht, - in, -ie, -ik, -ion, -tät, -a, -ur, -anz, -enz. C: Onzijdig (das) zijn: - Woorden die beginnen met Ge- en eindigen op een e: das Gebäude, das Gemüse - Verkleinwoorden die eindigen op: -chen, -lein: das Mädchen, das Fräulein D: Indien de bovenstaande regels niet gelden: Nederlands de - Duits der Nederlands het - Duits das
Opdracht: Kies uit der die das en leg uit! Woord Geslacht Waarom? 1 Jahr 2 Tag 3 Zeitung 4 Essen 5 Antwort 6 Wirtschaft 7 Bruder 8 Tier 9 Abend 10 Schlüssel 11 Kuh 12 Schwester 13 Mädchen 14 Sohn 15 Spiel 16 Haus 17 Stuhl 18 Mutter 19 Diskussion 20 Gefühl 21 Stier 22 Museum 23 Junge 24 Lehrer 25 Schule 26 Direktor 27 Lehrerin 28 Land 29 Gemüse 30 Frage Controleer je antwoorden op de volgende bladzijde.
Opdracht: Kies uit der die das en leg uit! Woord Geslacht Waarom? 1 Jahr das het 2 Tag der de 3 Zeitung die eindigt op ung 4 Essen das het 5 Antwort die de 6 Wirtschaft die eindigt op schaft 7 Bruder der geslacht 8 Tier das het 9 Abend der de 10 Schlüssel der Eindigt op el 11 Kuh die geslacht 12 Schwester die geslacht 13 Mädchen das eindigt op chen 14 Sohn der geslacht 15 Spiel das het 16 Haus das het 17 Stuhl der de 18 Mutter die geslacht 19 Diskussion die eindigt op ion 20 Gefühl das het 21 Stier der geslacht 22 Museum das het 23 Junge der geslacht 24 Lehrer der geslacht 25 Schule die eindigt op e 26 Direktor der geslacht 27 Lehrerin die geslacht of eindigt op in 28 Land das het 29 Gemüse das Begint op ge 30 Frage die eindigt op e Klas 3
Meervoudsvorm van zelfstandige naamwoorden: a) Mannelijke zelfstandige naamwoorden: -e + Umlaut (a-ä, o-ö, u-ü) B.v.: der Vorrat die Vorräte b) Vrouwelijke zelfstandige naamwoorden: -en of n B.v.: die Antwort die Antworten c) Onzijdige zelfstandige naamwoorden: -e B.v.: das Jahr die Jahre Opmerking1: Bij woorden op in of nis wordt de medeklinker verdubbeld B.v.: die Sekretärin das Verhältnis die Sekretärinnen die Verhältnisse Opmerking 2: Onveranderd blijven in het meervoud de meeste mannelijke en onzijdige zelfstandige naamwoorden op el, -en, -er. B.v.: der Deckel das Unternehmen die Deckel die Unternehmen
Lidwoorden Kennis vanuit klas 1-2 Het bepaald lidwoord: Het onbepaald lidwoord: D NL D NL mannelijk (m) der de ein een onzijdig (o) das het ein een vrouwelijk (v) die de eine een meervoud (mv) die de Het onbepaald lidwoord ein (een) bestaat niet in de meervoudsvorm. Het woord kein (geen): D NL mannelijk kein geen onzijdig kein geen vrouwelijk keine geen meervoud (mv) keine geen Tip!!! Je ziet dat de vrouwelijke vorm van ein of kein ook een extra e krijgt dus eine of keine. Ook de meervoudsvorm van ein of kein krijgt een extra e. Bij bezittelijke voornaamwoorden gaat dit precies zo: D NL m der mein mijn o das mein mijn v die meine mijn mv die meine mijn De bezittelijk voornaamwoorden bespreken wij apart.
Opdrachten: 1. (de)...frau (v) kauft einen weißen Hut. 2. (een)...mann (m) ist sehr nett. 3. (de) Kind (o) hat Training. 4. (de)...kirschen (mv) sind sehr lecker. 5. (een).pferd (o) ist sehr groß. 6. (geen) Probleme (mv) sind besser als viele. 7. (de) Taschen (mv) sind kaputt. 8. (de) Mann (m) kann besser Fußball spielen als ich. 9. (geen) Klassenarbeit (v) war besser als diese. 10. (de) Freunde (mv) fahren morgen nach Berlin. m = mannelijk v = vrouwelijk o = onzijdig mv = meervoud Controleer je antwoorden op de volgende bladzijde
Antwoorden: 1. Die Frau kauft einen weißen Hut. 2. Ein Mann ist sehr nett. 3. Das Kind hat Training. 4. Die Kirschen sind sehr lecker. 5. Ein Pferd ist sehr groß. 6. Keine Probleme sind besser als viele. 7. Die Taschen sind kaputt. 8. Der Mann kann besser Fußball spielen als ich. 9. Keine Klassenarbeit war besser als diese. 10. Die Freunde fahren morgen nach Berlin.
Werkwoorden Kennis vanuit klas 1-2 Zwakke werkwoorden: Zwakke werkwoorden vervoegen altijd op de zelfde manier. In tegenstelling tot sterker werkwoorden veranderen deze niet van klinker in de verleden tijd. Tegenwoordige tijd: Ik woon Verleden tijd: Ik woonde In het Duits weet je net zo als in het Nederlands of het zwak of sterk is, het verandert namelijk ook niet van klinker: Tegenwoordige tijd: Ich wohne Verleden tijd: Ich wohnte 1.Pak de stam van het hele werkwoord door de uitgang en af te halen en zet de uitgang van de persoonsvorm erachter. hele werkwoord: wohnen stam: wohn 2.Maak nu der persoonsvormen: ev. ik ich wohne jij du wohnst arbeitest findest hij, het, zij er,es, sie wohnt arbeitet findet mv. wij wir wohnen jullie ihr wohnt arbeitet findet zij, U sie, Sie wohnen Let wel op de werkwoorden diens stam op een t of d eindigt. Deze werkwoorden krijgen een extra e bij de jij, hij, zij, het en de jullie vorm.
Opdrachten: Gebruik een woordenboek voor deze opdracht. 1. trainen Wo du? 2. reisen Wohin er? 3. vragen Sie bitte jemand anders. 4. kosten Was.dieses Bett? 5. geloven..ihr an Gott? 6. koken Ich morgen mit meinen Freunden. 7. wachten Ihr schon lang? 8. campen Wir.nächsten Monat in der Schweiz. 9. leren du immer so viel? 10. roken Ich will nicht, dass ihr. Controleer je antwoorden op de volgende bladzijde.
Antwoorden 1. trainen Wo trainierst du? 2. reisen Wohin reist er? 3. vragen Fragen Sie bitte jemand anders. 4. kosten Was kostet dieses Bett? 5. geloven Glaubt ihr an Gott? 6. koken Ich koche morgen mit meinen Freunden. 7. wachten Wartet Ihr schon lang? 8. campen Wir zelten nächsten Monat in der Schweiz. 9. leren Lernst du immer so viel? 10. roken Ich will nicht, dass ihr raucht.
Sterke werkwoorden: In tegenstelling tot zwakke werkwoorden veranderen sterke werkwoorden van klinker in de verleden tijd. Tegenwoordige tijd: Ik loop Verleden tijd: Ik liep In het Duits werkt dit net zo: Tegenwoordige tijd: Ich laufe Verleden tijd: Ich lief De lijst van de meest belangrijke sterke werkwoorden staat achter in deze stencil. De klinkerwissel van deze werkwoorden moet je uit je hoofd leren. De persoonsvormen gaan net zo als de zwakke werkwoorden. 1. Bepaal of het werkwoord sterk of zwak is. 2. Pak de stam van het hele werkwoord door de uitgang en af te halen en zet de uitgang van de persoonsvorm erachter. hele werkwoord: laufen stam: lauf 3. Maak nu der persoonsvormen: ev. ik ich laufe jij du läufst hij, het, zij er,es, sie läuft mv. wij wir laufen jullie ihr lauft zij, U sie, Sie laufen Sterke werkwoorden herken je net zoals in het Nederlands. Deze veranderen van klinker in de verleden tijd.
Opzoeklijst verleden tijd met sterke werkwoorden: Gaat net zo als in het Nederlands. Heden NL: Heden D: Verleden D: Aankomen ankommen kam an beginnen beginnen begon bevallen gefallen gefiel bevinden befinden befand blijven bleiben blieb breken brechen brach doen tun tat dragen tragen trug drinken trinken trank eten essen aß fietsen Rad fahren fuhr Rad gaan gehen ging geven geben gab hangen hängen hing helpen helfen half heten heißen hieß houden halten hielt huren, lenen leihen lieh kijken sehen sah komen kommen kam krijgen bekommen bekam laten lassen ließ lezen lesen las liggen liegen lag (hard)lopen laufen lief nemen nehmen nahm ontmoeten treffen traf opbellen anrufen rief an optreden auftreten trat auf overstappen umsteigen stieg um paardrijden reiten ritt rijden fahren fuhr schieten schießen schoss schijnen scheinen schien schrijven schreiben schrieb skiën Ski fahren fuhr Ski slaan schlagen schlug
slapen schlafen schlief sluiten schließen schloss snijden schneiden schnitt solliciteren bewerben bewarb spreken sprechen sprach springen springen sprung staan stehen stand treffen treffen traf tv-kijken fernsehen sah fern uitnodigen einladen lud ein vallen fallen fiel vergeten vergessen vergaß verliezen verlieren verlor vertrekken abfahren fuhr ab vinden finden fand vliegen fliegen flog vriezen frieren fror wielrennen Rennrad fahren fuhr Rennrad winnen gewinnen gewann zien sehen sah zingen singen sang zitten sitzen saß zwemmen schwimmen schwomm Voor de opdrachten ga naar de volgende bladzijde.
Opdrachten: 1. kijken.du das Theater dort? 2. komen Er..morgen mit nach Deutschland. 3. krijgen Wir jeden Monat 5 Euro. 4. laten Er..mich ganz allein. 5. lezen Ihr..zu wenig. 6. liggen Ich..in der Sonne. 7. (hard)lopen Sie.jeden Tag 5 Kilometer. 8. nemen.du noch einen Kaffee? 9. ontmoeten Wo.wir uns morgen? 10. Opbellen..du mich morgen an? Controleer je antwoorden op de volgende bladzijde.
Antwoorden: 1. kijken Siehst du das Theater dort? 2. komen Er kommt morgen mit nach Deutschland. 3. krijgen Wir bekommen jeden Monat 5 Euro. 4. laten Er lässt mich ganz allein. 5. lezen Ihr lest zu wenig. 6. liggen Ich liege in der Sonne. 7. (hard)lopen Sie laufen jeden Tag 5 Kilometer. 8. nemen Nimmst du noch einen Kaffee? 9. ontmoeten Wo treffen wir uns morgen? 10. Opbellen Rufst du mich morgen an?
Werkwoorden met een klinkerwissel moet je uit je hoofd leren. wissen (weten) mögen (houden van) ich weiß mag du weißt magst er, es, sie weiß mag wir wissen mögen ihr wisst mögt sie, Sie wissen mögen dürfen (mogen) können (kunnen) ich darf kann du darfst kannst er, es, sie darf kann wir dürfen können ihr dürft könnt sie, Sie dürfen können müssen (moeten) wollen (willen) ich muss will du musst willst er, es, sie muss will wir müssen wollen ihr müsst wollt sie, Sie müssen wollen lesen (lezen) sehen (zien) ich lese sehe du liest siehst er, es, sie liest sieht wir lesen sehen ihr lest seht sie, Sie lesen sehen
essen (eten) nehmen (nemen) ich esse nehme du isst nimmst er, es, sie isst nimmt wir essen nehmen ihr esst nehmt sie, Sie essen nehmen geben (geven) schlafen (slapen) ich gebe schlafe du gibst schläfst er, es, sie gibt schläft wir geben schlafen ihr gebt schlaft sie, Sie geben schlafen fahren (rijden) laufen (rennen/ hard lopen) ich fahre laufe du fährst läufst er, es, sie fährt läuft wir fahren laufen ihr fahrt lauft sie, Sie fahren laufen
Opdrachten: 1. weten Ich.es leider nicht. 2. houden van.du gerne Eis? 3. mogen Er.nicht in die Disko. 4. kunnen Sie mir das erklären? 5. moeten Ihr..eure Hausaufgaben machen. 6. willen du mitkommen? 7. lezen Er den ganzen Tag Bücher. 8. zien Wir zu viel fern. 9. eten.du lieber Marmelade oder Käse? 10. Nemen..ihr Früchte oder Gemüse? 11. geven Wir ihm ein Geschenk. 12. slapen Du zu viel. 13. rijden Er.jeden Tag 400 Kilometer. 14. lopen..du mit? Controleer je antwoorden op de volgende bladzijde.
Antwoorden: 1. weten Ich weiß es leider nicht. 2. houden van Magst du gerne Eis? 3. mogen Er darf nicht in die Disko. 4. kunnen Können Sie mir das erklären? 5. moeten Ihr müsst eure Hausaufgaben machen. 6. willen Willst du mitkommen? 7. lezen Er liest den ganzen Tag Bücher. 8. zien Wir sehen zu viel fern. 9. eten Isst du lieber Marmelade oder Käse? 10. Nemen Nehmt ihr Früchte oder Gemüse? 11. geven Wir geben ihm ein Geschenk. 12. slapen Du schläfst zu viel. 13. rijden Er fährt jeden Tag 400 Kilometer. 14. lopen Läufst du mit?
Onregelmatige werkwoorden: In tegenstelling tot zwakke en sterke werkwoorden veranderen onregelmatige (bijzondere) werkwoorden van de hele persoonsvorm. Onregelmatige werkwoorden die in het Nederlands onregelmatig zijn, zijn in het Duits ook onregelmatig. Dan weet je ook direct wanneer een werkwoord in het Duits onregelmatig is. Deze werkwoorden moet je geheel uit je hoofd leren. De belangrijksten zijn: zijn hebben worden/zullen ev. ik ich bin habe werde jij du bist hast wirst hij, het, zij er,es, sie ist hat wird mv. wij wir sind haben werden jullie ihr seid habt werdet zij, U sie, Sie sind haben werden Maak de opdrachten op de volgende bladzijde.
Opdrachten: 1. zijn Ich zufrieden. du auch zufrieden? 2. zijn Er.ein reicher Mann. 3. zijn Wir..gestern nach Amsterdam gefahren. 4. hebben Heute Nacht..ich gut geschlafen. 5. hebben Er..noch sechs Geschwister. 6. hebben..ihr wirklich einen neuen Fernseher? 7. worden Wir..ein neues Auto kaufen. 8. worden..ihr morgen zum Konzert kommen? 9. worden Du..dich noch erkälten. Controleer je antwoorden op de volgende bladzijde.
Antwoorden: 1. zijn Ich bin zufrieden. Bist du auch zufrieden? 2. zijn Er ist ein reicher Mann. 3. zijn Wir sind gestern nach Amsterdam gefahren. 4. hebben Heute Nacht habe ich gut geschlafen. 5. hebben Er hat noch sechs Geschwister. 6. hebben Habt ihr wirklich einen neuen Fernseher? 7. worden Wir werden ein neues Auto kaufen. 8. worden Werdet ihr morgen zum Konzert kommen? 9. worden Du wirst dich noch erkälten.
Sein und Haben zijn hebben ev. ik ich bin habe jij du bist hast hij, het, zij er,es, sie ist hat mv. wij wir sind haben jullie ihr seid habt zij, U sie, Sie sind haben Zonder deze werkwoorden zouden wij niet bestaan. Leer deze werkwoorden dus goed uit je hoofd. Dit zijn de belangrijksten.
Klas 3 Koppelwerkwoorden Koppelwerkwoorden in het Duits koppelen het naamwoordelijk deel van het gezegde aan het zelfstandige naamwoord. Het naamwoordelijk deel van het gezegde staat in de eerste naamval (Nominativ) D sein werden bleiben scheinen NL zijn worden blijven schijnen, lijken, blijken
Modale hulpwerkwoorden: D dürfen können mögen müssen sollen wollen wissen NL mogen, toestemming hebben kunnen, in staat zijn mogen, leuk vinden, zin hebben, houden van moeten, (noodzakelijk, vanzelfsprekend, kan niet anders!) moeten (van iemand anders), ook in betekenis 'mocht het regenen...' etc. willen weten In eerste plaats hebben de enkelvoudige personen (ich, du, er, sie, es) vaak een klinkerwisseling ten opzichte van het meervoud. Bv. 'ich kann' en 'wir können'. Ten tweede hebben de 1ste (ich) en 3de persoon enkelvoud (er, sie, es) géén uitgang. Bv. 'ich darf' én 'er darf' (dus niet 'darft!'). De persoonsvorm van deze werkwoorden gebruik je met het hele werkwoord van andere werkwoorden. Ihn het Duits werkt dit precies zo. Dat is handig. Ga naar de volgende bladzijde
Voorbeelden: D Er darf gehen. Wir können Fußball spielen. Ich muss gehen. Ich mag gerne Pommes essen. Wir müssen hausaufgaben machen. Ich soll besser aufpassen. Ihr wollt Fern sehen. NL Hij mag gaan. Wij kunnen voetbal spelen. Ik moet gaan. Ik houd van patat eten. Wij moeten huiswerk maken. Ik moet beter opletten. Jullie willen tv kijken.
müssen oder sollen? Het werkwoord moeten heeft 2 betekenissen in het Duits: moeten = sollen als een ander vindt dat iets moet. Voorbeeld: Du sollst nicht so viel rauchen. Dus, iemand ander wil dat je niet zo veel rookt. moeten = müssen. als van jezelf iets moet. Ich muss besser aufpassen, sonst verpasse ich den Anschluss. Ik moet beter opletten anders miss ik de aansluiting.
Samenvatting Werkwoorden: Zwakke werkwoorden: Zwakke werkwoorden vervoegen altijd op de zelfde manier. In tegenstelling tot sterker werkwoorden veranderen deze niet van klinker in de verleden tijd. Tegenwoordige tijd: Ik woon Verleden tijd: Ik woonde In het Duits weet je net zo als in het Nederlands of het zwak of sterk is, het verandert namelijk ook niet van klinker: Tegenwoordige tijd: Ich wohne Verleden tijd: Ich wohnte 1. Pak de stam van het hele werkwoord door de uitgang en af te halen en zet de uitgang van de persoonsvorm erachter. hele werkwoord: wohnen stam: wohn 2. Maak nu der persoonsvormen: ev. ik ich wohne jij du wohnst arbeitest findest hij, het, zij er,es, sie wohnt arbeitet findet mv. wij wir wohnen jullie ihr wohnt arbeitet findet zij, U sie, Sie wohnen Let wel op de werkwoorden diens stam op een t of d eindigt. Deze werkwoorden krijgen een extra e bij de jij, hij, zij, het en de jullie vorm
Sterke werkwoorden: In tegenstelling tot zwakke werkwoorden veranderen sterke werkwoorden van klinker in de verleden tijd. Tegenwoordige tijd: Ik loop Verleden tijd: Ik liep In het Duits werkt dit net zo: Tegenwoordige tijd: Ich laufe Verleden tijd: Ich lief De lijst van de meest belangrijke sterke werkwoorden staat in je tekstboek. De klinkerwisse van deze werkwoorden moet je uit je hoofd leren. De persoonsvormen gaan net zo als de zwakke werkwoorden. 3. Bepaal of het werkwoord sterk of zwak is. 4. Pak de stam van het hele werkwoord door de uitgang en af te halen en zet de uitgang van de persoonsvorm erachter. hele werkwoord: laufen stam: lauf 5. Maak nu der persoonsvormen: ev. ik ich laufe jij du läufst hij, het, zij er,es, sie läuft mv. wij wir laufen jullie ihr lauft zij, U sie, Sie laufen
Onregelmatige werkwoorden: In tegenstelling tot zwakke en sterke werkwoorden veranderen onregelmatige werkwoorden van de hele persoonsvorm. Onregelmatige werkwoorden die in het Nederlands onregelmatig zijn, zijn in het Duits ook onregelmatig. Dan weet je ook direct wanneer een werkwoord in het Duits onregelmatig is. Deze werkwoorden moet je geheel uit je hoofd leren. De belangrijksten zijn: zijn hebben worden/zullen ev. ik ich bin habe werde jij du bist hast wirst hij, het, zij er,es, sie ist hat wird mv. wij wir sind haben werden jullie ihr seid habt werdet zij, U sie, Sie sind haben werden Bijzondere werkwoorden, werkwoorden met een een klinkerwissel moet je uit je hoofd leren. wissen (weten) mögen (houden van) ich weiß mag du weißt magst er, es, sie weiß mag wir wissen mögen ihr wisst mögt sie, Sie wissen mögen
dürfen (mogen) können (kunnen) ich darf kann du darfst kannst er, es, sie darf kann wir dürfen können ihr dürft könnt sie, Sie dürfen können müssen (moeten) wollen (willen) ich muss will du musst willst er, es, sie muss will wir müssen wollen ihr müsst wollt sie, Sie müssen wollen sollen (moeten) ich du er, es, sie wir ihr sie, Sie soll sollst soll sollen sollt soll lesen (lezen) sehen (zien) ich lese sehe du liest siehst er, es, sie liest sieht wir lesen sehen ihr lest seht sie, Sie lesen sehen essen (eten) nehmen (nemen) ich esse nehme du isst nimmst
er, es, sie isst nimmt wir essen nehmen ihr esst nehmt sie, Sie essen nehmen geben (geven) schlafen (slapen) ich gebe schlafe du gibst schläfst er, es, sie gibt schläft wir geben schlafen ihr gebt schlaft sie, Sie geben schlafen fahren (rijden) laufen (rennen/ hard lopen) ich fahre laufe du fährst läufst er, es, sie fährt läuft wir fahren laufen ihr fahrt lauft sie, Sie fahren laufen tragen (dragen) ich du er, es, sie wir ihr sie, Sie trage trägst trägt tragen tragt tragen
Persoonlijke voornaamwoorden ich (ik) du (jij) er,es, sie (hij, het, zij) wir (wij) ihr (jullie) sie, Sie (zij, U) Als je over personen of dingen spreekt dan kun je in plaats van de personen ook persoonlijke voornaamwoorden gebruiken. Welk persoonlijke voornaamwoord kun je in plaats van de volgende woorden in rood gebruiken? hij (er), zij (sie) of het( es) Bettina hat sich heute ein gelbe Hose gekauft. Mein Bruder kennt viele Leute..... Je ziet als je dus het zelfstandige naamwoord met hij, zij of het kunt vervangen volgt de persoonsvorm (werkwoord) van de hij, zij en het vorm.
Bezittelijke voornaamwoorden: Het bezittelijke voornaamwoord drukt een bezitsverhouding uit en staat direct voor een zelfstandig naamwoord: mijn broer, jouw zus, zijn fiets, haar geld, onze moeder, jullie vader, hun vakantie, uw kind. De vrouwelijke vorm krijgt een extra e net als eine en keine NL D m,o v mijn = mein e jouw = dein e zijn = sein e haar = ihr e ons = unser e jullie = euer eure uw = Ihr e gaat dus net zo als ein e gaat dus net zo als kein e Bezittelijke voornaamwoorden vervoegen precies zo als de lidwoorden als deze in een ander naamval staan. Dit zullen wij bij het onderwerp naamvallen nog bespreken.
Opdrachten: 11. (mijn)...frau (v) kauft einen weißen Hut. 12. (jouw)...mann (m) ist sehr nett. 13. (onze) Kind (o) hat Training. 14. (haar)...kirschen (mv) sind sehr lecker. 15. (jullie).pferd (o) ist sehr groß. 16. (geen) Probleme (mv) ist besser als viele. 17. (jullie).taschen (mv) sind kaputt. 18. (uw).mann (m) kann besser Fußball spielen als ich. 19. (zijn) Klassenarbeit (v) war sehr gut. 20. (onze).freunde (mv) fahren morgen nach Berlin. m = mannelijk v = vrouwelijk o = onzijdig mv = meervoud Controleer je antwoorden op de volgende bladzijde.
Antwoorden: 1. Meine Frau kauft einen weißen Hut. 2. Dein Mann ist sehr nett. 3. Unser Kind hat Training. 4. Ihre Kirschen sind sehr lecker. 5. Euer Pferd ist sehr groß. 6. Keine Probleme sind besser als viele. 7. Eure Taschen sind kaputt. 8. Ihr Mann kann besser Fußball spielen als ich. 9. Seine Klassenarbeit war sehr gut. 10. Unsere Freunde fahren morgen nach Berlin.
Klas 3: Het bijvoeglijke voornaamwoord: Bijvoeglijke voornaamwoorden vertellen iets over de eigenschap van een zelfstandig naamwoord. Kijk naar de volgende zinnen en onderzoek de uitgangen van de bijvoeglijke voornaamwoorden. 1de (OW) 2 de (Bezit) 3de (MVW) 4de (LVW) m Der neue Besitzer des alten Hauses gibt dem netten Jungen einen leckeren Apfel. o Das große Kind des netten Onkels leiht dem kleinen Kind das schnelle Fahrrad. v Die gute Mutter der schönen Hauses schenkt der lieben Tante eine schöne Tasche. mv Die schlauen Schüler der großen Schulen geben den kleinen Kindern gute Tips. Ontwikkel nu een regel uit met de volgende uitgangen 1de (OW) 2 de (bezit) 3 de (MVW) 4 de (LVW) e en en en e en en e e en en e en en en e Welke regel voor bijvoeglijke voornaamwoorden kun je dus hieruit afleiden? 1de (OW) 2 de (bezit) 3 de (MVW) 4 de (LVW) e en en e Behalve mannelijk LVW en meervoud OW: en
Voorzetsel Kennis vanuit klas 1-2 Voorzetsel naar : zu, nach, in naar heeft in het Duits 3 betekenissen: Beginnen wij met: nach zu Gebruik je voor: landen (zonder lidwoord) personen steden activiteiten huis plekken links, rechts alles andere dus windstreken Voorbeelden met nach : Ich fahre nach Deutschland (Frankreich, etc). Ich fahre nach Berlin (Amsterdam, etc). Ich gehe nach Haus(e). Er fährt nach rechts (links). Wir laufen nach Norden (Westen, etc). Voorbeelden met zu : Ich fahre zu meiner Oma. Ich gehe zu dem Strand. Ich gehe zu dem Sport. Ich gehe zu dem Skifahren. Als je letterlijk gebouwen in gaat gebruik je ook het voorzetsel in. Ook bij sommige landsnamen gebruik je in. Da zijn de landsnamen waar een die. Voor staat. B.v.: die Schweiz die Türkei die Mongolei die Vereinigten Emirate die Vereinigten Staaten Von Amerika Wat valt verder op? Deze landen hebben iets met ei te maken of ze staan in het meervout. Voorbeelden met in : Ich gehe in die Sporthalle. Ich gehe in den Fußballclub. Ich gehe in den Supermarkt.
Opdrachten: Ich fahre in die Schweiz. Ich fahre in die Mongolei. Ich fahre in die Vereinigten Emirate. Zu, nach oder in? 1. Ich fahre..meiner Oma. 2. Morgen reisen wir die Türkei. 3. Gestern sind wir..frankreich gefahren 4...dem Fußballstadion war eine tolle Atmosphäre. 5. Morgen gehen wir das Kino. 6. Wir gehen lieber das Haus. Es beginnt zu regnen. 7. Wir sind jetzt.den Vereinigten Staaten von Amerika. 8. Erst fahren wir.meinem Onkels und dann geht es.belgien. 9. Ich drehe den Kompass Norden und dann..süden. 10. Sie gehen erst links und dann kommen Sie..dem Kiosk. Controleer je antwoorden op de volgende bladzijde.
Antwoorden: Zu, nach oder in? 1. Ich fahre zu meiner Oma. 2. Morgen reisen wir in die Türkei. 3. Gestern sind wir nach Frankreich gefahren 4. In dem Fußballstadion war eine tolle Atmosphäre. 5. Morgen gehen wir in das Kino. 6. Wir gehen lieber in das Haus. Es beginnt zu regnen. 7. Wir sind jetzt in den Vereinigten Staaten von Amerika. 8. Erst fahren wir zu meinem Onkels und dann geht es nach Belgien. 9. Ich drehe den Kompass nach Norden und dann nach Süden. 10. Sie gehen erst nach links und dann kommen Sie zu dem Kiosk.
Rangtelwoorden Kennis vanuit klas 1-2 In het Nederlands plakken we een de of ste achter een getal om er een rangtelwoord van te maken. Uitzonderingen zijn een, drie en acht. In het Duits gaat het net zo. We gebruiken in het Duits te. Kijk maar. Een eerste eins erste Twee tweede zwei zweite Drie derde drei dritte Vier vierde vier vierte Vijf vijfde fünf fünfte Zes zesde sechs sechste Zeven zevende sieben siebte Acht achtste acht achte Negen negende neun neunte Tien tiende zehn zehnte Twintig twintigste zwanzig zwanzigste Zoek op en en vul in! Was hast du Montag, die (1e) Stunde?... Was hast du Dienstag, die (4e) Stunde?... Was hast du Mittwoch, die (6e) Stunde?... Heute ist der (9e) April... Morgen ist der (20e) Mai... Der (5e) Mai ist bei uns ein Feiertag.... Wat valt nu op bij de volgende rangtelwoorden op i.v.m. datum? Der zweite Juni ist ein Samstag. Maar: Am fünften Juni fahren wir nach Deutschland Am vierzehnten Mai gebe ich hein Konzert. Am zwanzigsten April werden wir eine Party feiern Am dreißigsten Oktober hat er Geburtstag. Uitzonderingen: ersten, dritten im Sommer (m) in dem in + wanneer? = 3 de naamval am Mittwoch (m) an dem an + wanneer? = 3 de naamval
Dus: jaartijden met in en dagen met an Antwoorden: Was hast du Montag, die (1e) Stunde? Was hast du Dienstag, die (4e) Stunde? Was hast du Mittwoch, die (6e) Stunde? Heute ist der (9e) April Morgen ist der (20e) Mai Der (5e) Mai ist bei uns ein Feiertag. erste vierte sechste neunte zwanzigste fünfte
Naamvallen: Kennis vanuit klas 1-2 Ontleden, lidwoorden & bezittelijke voornaamwoorden In het Duits kennen wij 4 naamvallen. Zoals in het Nederlands leer je omgaan met, en toepassen van de naamvallen. Wij moeten de zin dus eerst ontleden. Dat doe je op basis van de volgende volgorde: 1. Persoonsvorm (PV) bepalen: werkwoord? 2. Onderwerp (OW) bepalen: Wie of wat + PV? 3. Lijdend Voorwerp (LVW) bepalen: Wie of wat + PV + OW? 4. Meewerkend Voorwerp (MVW) bepalen: Aan/Voor wie of wat + PV + OW + LVW? 5. Bezitsverhouding bepalen: van wie? OW, LVW, MVW en Bezit kent ook andere namen: Onderwerp Bezit Meewerkend Voorwerp Lijdend Voorwerp 1 de naamval 2 de naamval 3 de naamval 4 de naamval Nominativ Genetiv Dativ Akkusativ Nu kunnen we starten met ontleden en de naamvallen bepalen: OW Bezit PV MVW LVW De zoon des vaders stuurt zijn neef een brief. 1. PV: stuurt? 2. OW: Wie of wat stuurt? de zoon 3. LVW: Wie of wat stuurt de zoon? een brief 4. MVW: Aan wie stuurt de zoon een brief? zijn neef 5. Bezit: Van wie is de zoon? des vaders
Ben je klaar met ontleden ga dan naar de volgende bladzijde. De volgende woorden vervoegen als deze in een ander naamval staan. Enkelvoud meervoud m o v mv bepaalde lidwoorden: der das die die onbepaalde lidwoorden: ein ein eine bezittelijke voornaamwoorden: mein mein meine meine Maar! Je hoeft alleen het rijtje van de bepaalde lidwoorden te leren. Dan ken je ook de uitgangen van de onbepaalde lidwoorden en van de bezittelijke voornaamwoorden. Dus: 1 de (OW) 2 de (Bezit) 3 de (MVW) 4 de (LVW) M der des + s of es dem den V die der der die O das des + s of es dem das MV die der den + n of en die Dan wordt b.v. OW Bezit MVW LVW m mein meines meinem meinen v deine deines deiner deine o sein seines seinem sein mv unsere unserer unseren unsere ga naar de volgende bladzijde
Wat betekent: + s of es, +n of en: Het zelfstandig naamwoord krijgt deze uitgangen als deze in de betreffende naamvallen staan. 2 de NV (m) 3 de NV (m) BV.: Das Kind meines Onkels ist lieb. Opdrachten: Ich geben den Kindern die Hand. 1.Benoem de zinsdelen met: OW, LVW, MVW, B, PV (ontleden) PV = Persoonsvorm OW = Onderwerp LVW = Lijdend voorwerp MVW = Meewerkend voorwerp B = Bezit (tweede naamval) 1. Der Vater meines Freundes kauft seiner Frau einen schönen Ring. 2. Ist er der Sohn deines Onkels? 3. Er beschließt, dass er der Cousine seiner Freundin einen Brief schickt. Controleer je antwoorden op de volgende bladzijde.
Antwoorden: 1. Der Vater meines Freundes kauft seiner Frau einen schönen Ring. OW B PV MVW LVW 2. Ist er der Sohn deines Onkels? PV OW OW B 3. Er beschließt, dass er der Cousine seiner Freundin einen Brief schickt. OW PV OW MVW B LVW PV
Hij & Hem Regel: Onderwerp & Lijdend Voorwerp Je weet hoe je in het Nederlands het onderwerp (OW) en het lijdend voorwerp (LVW) bepaalt. 1. Persoonsvorm (PV) bepalen: werkwoord? 2. Onderwerp (OW) bepalen: Wie of wat + PV? 3. Lijdend Voorwerp (LVW) bepalen: Wie of wat + PV + OW? Je weet dat de lidwoorden als deze in een ander naamval staan veranderen. Dus: 1 de (OW) 4 de (LVW) OW LVW OW LVW M der den ein einen mein meinen V die die eine eine meine meine O das das ein ein mein mein MV die die meine meine Wat valt dus op? Alleen mannelijke woorden veranderen. Met de Hij & Hem regel kun je heel makkelijk bepalen of een mannelijk zelfstandig naamwoord onderwerp of lijdend voorwerp is. Hij is namelijk onderwerp en hem is lijdend voorwerp. En dan alleen nog op de uitgangen van de lidwoorden letten. Klaar. Voorbeeld: De man koopt een hoed. Hij koopt hem Dus: OW PV LVW Vertaal: Der Mann kauft einen Hut.
Opdrachten: Hij of hem? Antw. (De) Mann kauft einen Ball.. Der Onkel kauft (een) Kugelschreiber.. (Mijn) Hut ist gelb.. Ich schenke ihr (onze) Kater.. Deine Mutter kauft (haar) Bleistift.. (Onze) Opa ist in Frankreich.. Der Onkel schenkt ihr (een) Tisch.. Controleer je antwoorden op de volgende bladzijde.
Antwoorden: hij of hem? Antw. hij (De) Mann kauft einen Ball. Der hem Der Onkel kauft (een) Kugelschreiber. einen hij (Mijn) Hut ist gelb. Mein hem Ich schenke ihr (onze) Kater. unseren hem Deine Mutter kauft (haar) Bleistift. ihren hij (Onze) Opa ist in Frankreich. Unser hem Der Onkel schenkt ihr (een) Tisch. einen
Persoonlijke voornaamwoorden Ook persoonlijke voornaamwoorden vervoegen als deze in en ander naamval staan. Erst ontleden wij, dan bepalen wij de persoonlijke voornaamwoorden. PV = persoonsvorm (PV) bepalen 1de = onderwerp Wie of wat + PV 4 de = lijdend voorwerp Wie of wat + PV + OW 3 de = meewerkend voorwerp Aan/ Voor Wie of wat + PV + OW + LVW Let op!!!: Voorzetsels en sommige werkwoorden eisen een naamval (NV). bitten, fragen, es gibt durch (door), für (voor hem/haar), ohne (zonder), um (om): an (aan), auf (op), hinter (achter), neben (naast), in (in), über (over), unter (onder), vor (voor de kast), zwischen (tussen) danken, helfen, gefallen mit (met), nach (naar), bei (bij), seit (sinds), von (van), zu (naar), aus (uit) anlässlich (na aanleiding van), wegen (wegen) 4 de NV 3 de NV bij bevinden of 4 de NV bij beweging 3 de NV 2 de NV Ga naar de volgende bladzijde voor de persoonlijke voornaamwoorden.
De persoonlijke voornaamwoorden: 1de 3 de 4de ich (ik) mir (mij) mich (mij) du (jij) dir (jou) dich (jou) er,es, sie (hij, het, zij) ihm,,ihr (hem, haar) ihn, es, sie (hem, het zij) wir (wij) uns (ons) uns (ons) ihr (jullie) euch (jullie) euch (jullie) sie, Sie (zij, U) ihnen, Ihnen (hen, U) sie, Sie (zij, U) Opdrachten: 1. hij.gibt dem Kind einen Lolly. 2. mij Schicken Sie.bitte eine Mail. 3. u Ich kenne noch nicht so gut. 4. u Ich danke.. 5. mij Ich frage..,ob die Antwort stimmt. 6. hem Ohne fahre ich nicht weg. 7. jou Ich helfe. gern. 8. hij Er ist.. 9. jou Ich gebe den folgenden Rat (advies). 10. hun Unter..ist ein Streit ausgebrochen. Controleer je antwoorden op de volgende bladzijde.
Antwoorden: 1. hij Er gibt dem Kind einen Lolly. 2. mij Schicken Sie mir bitte eine Mail. 3. u Ich kenne Sie noch nicht so gut. 4. u Ich danke Ihnen. 5. mij Ich frage mich, ob die Antwort stimmt. 6. hem Ohne ihn fahre ich nicht weg. 7. jou Ich helfe dir gern. 8. hij Er ist er. 9. jou Ich gebe dir den folgenden Rat (advies). 10. hun Unter ihnen ist ein Streit ausgebrochen.
Voorzetsels: an, auf, in, vor, zu, nach en de 3de naamvallen. Voorzetsel eisen altijd een naamval. De naamval die de voorzetsel eist moet je uit je hoofd leren. Beginnen wij eerst met vertalen: D an auf in vor zu NL aan, op op in voor naar Als je bij : an, auf, in, vor de waar of wanneer vraag kunt stellen gebruik je de 3 de naamval (meewerkend voorwerp) 1de (onderwerp) 3de (meewerkend voorwerp) m der dem, einem, deinem, etc. v die der, einer, deiner, etc. o das dem, einem, deinem, etc. mv die den, meinen, deinen, etc. + n Voorbeeldzinnen met waar : der Garten Ik sta in de tuin (m). Waar? Ja Ich stehe in dem Garten. die Leiter Ik sta op een ladder (v). Waar? Ja Ich stehe auf einer Leiter. das Auto Ik sta voor jouw auto (o). Waar? Ja Ich stehe vor deinem Auto. die Kinder Ik sta voor de kinderen (mv). Waar? Ja Ich stehe vor den Kindern.
Voorbeeldzinnen met wanneer : der Januar Op drie januari ga ik. Wanneer? Ja An dem dritten Januar gehe ich. der Sommer In de zomer vertrek ik. Wanneer? Ja In dem Sommer fahre ich. An dem kun je samenvoegen tot am. Dus: Am dritten Januar gehe ich. In dem kun je samenvoegen tot im. Dus: Im Sommer fahre ich. am gebruik je bij tijdstippen: im gebruik je bij tijdstrajecten: am ersten (sechsten) Januar. im Sommer (im Herbst), im Januar (im Februar) Samenvoegen van voorzetsel en lidwoorden: zu dem = zum in dem = im an dem = am zu der = zur in das = ins an das = ans Voorbeeldzinnen: Ich gehe zu dem (zum) Sport (m). Ich bin in dem (im) Fußballclub (m). Ich stehe an dem (am) Wasse (o). Ich gehe zu der (zur) Oma (v). Ich gehe in das (ins) Wasser (o). D NL Ich fahre an das (ans) Meer (o). das Meer de zee
De voorzetsel zu en nach eisen altijd de 3 de naamval: Dus veranderen ook de lidwoorden. 1de 3de 1de 3de der dem ein einem ev die der eine einer das dem ein einem mv die den meine meinen Voorbeeldzinnen: Ich gehe zu meinem Opa (m). Nach meinem Geburtstag (m) fahre ich weg. Opdrachten: Geef in het duits antwoord op de volgende vragen en. Gebruik persoonlijke voornaamwoorden. 1. Wo sind deine CD s? 2. Wo wohnt dein Cousin Peter? 3. An welchem Tag ist deine Schwester/dein Bruder geboren? 4. Essen wir in einem Imbiss? 5. In welchem Land liegt Bern? 6. Wo steht das Fahrrad? 7. An welchem Tag ist dieses Jahr Weihnachten? 8. Wann kommt dein Bruder auds dem Urlaub zurück? 9. Wann rufst du mich zurück? 10.Wo liet der Schlüssel? Controleer je antwoorden op de volgende bladzijde.
Antwoorden: 1. Wo sind deine CD s? Sie liegen auf dem Tisch. 2. Wo wohnt dein Cousin Peter? Er wohnt in Deutschland 3. An welchem Tag ist deine Schwester/dein Bruder geboren? Sie ist am sechsten Januar in Köln geboren. 4. Essen wir in einem Imbiss? Nein, wir essen in einem Restaurant 5. In welchem Land liegt Bern? Bern liegt in der Schweiz. 6. Wo steht das Fahrrad? Es steht in dem Keller. 7. An welchem Tag ist dieses Jahr Weihnachten? Am vierundzwanzigten Dezember ist Weihnachten. 8. Wann kommt dein Bruder auds dem Urlaub zurück? Er kommt am dreiundzwanzigsten August zurück. 9. Wann rufst du mich zurück? Ich rufe dich um zehn Uhr zurück. 10.Wo liet der Schlüssel? Er liegt auf dem Fernseher.
Voorzetsels uitgebreid: Kastwoorden 3 de of 4 de naamval an, auf, in, vor: noem ik kastwoorden (voor de kast, op de kast enz.) Als je bij de voorzetsel: an, vor, in en auf waar of wanneer kunt vragen vervoegen de lidwoorden zoals die van de 3de naamval. Als je nu waarheen kunt vragen volgt de 4 de naamval. Dit wordt bepaald door het werkwoord wat voor het voorzetsel staat. Laten we eerst herhalen hoe de lidwoorden in de naamvallen vervoegen. 1de=ow 3de=mvw 4de=lvw m der dem den Ev v die der die o das dem das Mv die den+n die Kastwoorden met waar of wanneer vraag: Ich stehe vor der Disco (v). Waar sta ik? Ich bin im (in dem) Hotel (o). Waar ben ik? Ich stehe vor den Kindern (mv). Waar sta ik? Am (an dem) sechsten Januar (m) fahre ich. Wanneer ga ik? Zie je dat hier heel duidelijk de naamval door het werkwoord voor het kastwoord bepaalt wordt? Kastwoorden met de waarheen vraag: Ich gehe in den Wald (m) Waarheen ga ik? Er läuft auf den Berg (m) Waarheen gaat hij?
Opdrachten: Gebruik het juiste lidwoord: 1.In...Schrank (m) hängen viele Kleider. 2.Ich hänge den Pullover in...schrank (m). 3.Meine Mutter fährt sehr gerne an...see (m). 4.Herr Ober, in...kaffee (m) ist ein Haar. 5.Das Wasser läuft in...badewanne (v). 6.Das Wasser ist in...badewanne (v). 7.Der Stuhl steht vor...tisch (m). 8.Der Chef steht vor...mitarbeiter...(mv). 9.Der Schüler wirft den Ball auf...dach (o). Vertaal en gebruik an, auf, in of vor: Gebruik ook een woordenboek. 1.De leerling staat in de winkel:... 2.De Leerling gaat de winkel in:... 3.De vogel is op de boom:... 4.Devogel vliegt op de boom:... 5.De trui ligt in de kast:... 6.Ik leg de trui in de kast:... m=mannelijk v=vrouwelijk o=onzijdig mv=meervoud Controleer je antwoorden op de volgende bladzijde.
Antwoorden: Gebruik het juiste lidwoord: 1.In dem Schrank (m) hängen viele Kleider. 2.Ich hänge den Pullover in den Schrank (m). 3.Meine Mutter fährt sehr gerne an die See (m). 4.Herr Ober, in dem Kaffee (m) ist ein Haar. 5.Das Wasser läuft in die Badewanne (v). 6.Das Wasser ist in der Badewanne (v). 7.Der Stuhl steht vor dem Tisch (m). 8.Der Chef steht vor den Mitarbeitern (mv). 9.Der Schüler wirft den Ball auf das Dach (o). Vertaal en gebruik an, auf, in of vor: Gebruik ook een woordenboek. 1.Der Schüler steht in dem Laden/Geschäft. 2.Der Schüler geht in den Laden/das Geschäft. 3.Der Vogel ist auf dem Baum. 4.Der Vogel fliegt auf den Baum. 5.Der Pullover liegt in dem Schrank. 6.Ich lege den Pullover in den Schrank. Klas 3: Voor de Naamvallentabel ga naar de volgende bladzijde
Naamval m = mannelijk der o = onzijdig das v = vrouwelijk die mv = meervoud die Persoonlijke Voornaamwoorden Werkwoorden Voorzetsels Kastwoorden (speciale Voorz.) Onderwerp (OW) 1de naamval Nominativ Bepaal met vraag: Wie of wat + PV der kleine Mann ein kleiner Mann mein kleiner Mann das kleine Kind ein kleines Kind mein kleines Kind die kleine Frau eine kleine Frau meine kleine Frau die kleinen Kinder meine kleinen Kinder ich ik ev. du jij er hij es het sie zij wir wij mv. Ihr jullie sie zij Sie u Werkwoorden: bitten = verzoeken fragen = vragen es gibt = er is, er zijn Voorzetsels: durch = door für = voor (een persoon) gegen = tegen ohne = zonder um = om Lijdend Voorwerp (LVW) 4de naamval Akkusativ Bepaal met vraag: Wie of wat + PV + OW den kleinen Mann einen kleinen Mann meinen kleinen Mann das kleine Kind ein kleines Kind mein kleines Kind die kleine Frau eine kleine Frau meine kleine Frau die kleinen Kinder meine kleinen Kinder mich mij dich jou ihn hem es het sie zij uns ons euch jullie sie hen Sie u Kastwoorden: 4 de of 3 de naamval an = aan auf = op hinter = achter neben = naast in = in über = boven unter = onder vor = voor zwischen = tussen Doelgericht beweging waarheen? Zich bevinden Waar? Meewerkend Voorwerp (MVW) 3 de naamval Bepaal met vraag: Aan/Voor wie of wat + PV + OW + LVW dem kleinen Mann einem kleinen Mann meinem kleinen Mann dem kleinen Kind einem kleinen Kind meinem kleinen Kind der kleinen Frau einer kleinen Frau meiner kleinen Frau den kleinen Kindern meinen kleinen Kindern mir mij dir jou ihm hem ihm het ihr haar uns ons euch jullie ihnen hun Ihnen u wanneer? Voorzetsels: mit = met nach = naar bei = bij seit = sinds von = van zu = naar aus = uit Werkwoorden: danken = danken helfen = helpen gefallen = bevallen Als in het Nederlands van tussen 2 twee zelfstandige naamwoorden staat, gebruik je de tweede naamval.
Voorzetsels: anlässlich = na aanleiding van wegen = wegens Bezit 2de naamval des kleinen Mannes eines kleinen Mannes des kleinen Kindes eines kleinen Kindes der kleinen Frau einer kleinen Frau der kleinen Kinder Genetiv meines kleinen Mannes meines kleinen Kindes meiner kleinen Frau meiner kleinen Kinder Bepaal met vraag: Van wie?
Naamvallentabel begerijpen: Wat moet je wel kunnen om met de Naamvaltabel aan de slag te kunnen gaan? 1. Kun je ontleden? a) Persoonsvorm (PV) bepalen: werkwoord bepalen. De vader geeft zijn lieve zoon een leuk cadeau. Der Vater gibt seinem lieben Sohn ein tolles Geschenk. b) Onderwerp (OW of 1de naamval of Nominativ) : wie of wat + PV. Wie of wat geeft? de vader c) Lijdend voorwerp (LVW of 4 de naamval om Akkusativ): wie of wat + PV + OW Wie of wat geeft de vader? een leuk cadeau d) Meewerkend voorwerp (MVW of 3 de naamval of Dativ): Aan/Voor wie of wat + PV + OW + LVW Aan wie of wat geeft de vader een leuk cadeau? zijn zoon 2. Kun je voorzetsel bepalen en weet je wat ze in een zin doen? Voordat je ontleedt kijk eerst of er voorzetsel in de zin staan. Voorzetsel zitten letterlijk voor een zelfstandig naamwoord. Ik ga door het bos. Kijk in een zin altijd of er een voorzetsel staat. Voorzetsel eisen een naamval. Deze moet je leren. a) durch (door), für (voor (het is voor hem)), gegen (tegen), ohne (zonder), um (om) eisen de 4 de naamval. b) aus (uit), bei (bij), mit (met), von (van), zu (naar) eizen de 3 de naamval. c) De kastwoorden (op, onder, in,.de kast) eisen de 4 de of 3 de naamval. an (aan), auf (op), in (in), unter (onder), vor (voor (ik sta voor hem)) Drukt het een beweging uit, dan gebruik je de 4 de naamval. De man gaat op de berg (m). Der Mann geht auf den Berg. Drukt het een bevinding uit, dan gebruik je de 3 de naamval. De man staat op de berg. Der Mann steht auf dem Berg.
3.Naamvallen Tabel aanpakken: der-gruppe: (der, die, das, dies, welch) Als voor een zelfstandig naamwoord een bepaald woord uit de der-gruppe staat pak je de grijze lijn. ein-gruppe (gele rij): (ein, kein, mein, dein, sein, ihr, unser, euer, Ihr) Als voor een zelfstandig naamwoord een onbepaald woord uit de ein-gruppe staat pak je de gele lijn. Blauwe kolom: Hier zie je een aantal werkwoorden, en voorzetsel die gelinkt zijn aan de naamvallen. Auf: bitten, vragen, es gibt volgt de 4 de naamval. Auf: danken, helfen, gefallen volgt de 3 de naamval. De voorzetsels hebben wij net besproken. 1de naamval (onderwerp) rij: bepaalde woorden, onbepaalde woorden, bijvoeglijke voornaamwoorden, zelfstandige naamwoorden, persoonlijk e voornaamwoorden. 4de naamval (lijdend voorwerp) rij: bepaalde woorden, onbepaalde woorden, bijvoeglijke voornaamwoorden, zelfstandige naamwoorden, persoonlijk e voornaamwoorden. 3de naamval (meewerkend voorwerp) rij: bepaalde woorden, onbepaalde woorden, bijvoeglijke voornaamwoorden, zelfstandige naamwoorden, persoonlijk e voornaamwoorden. Voor de 2 de naamval ga naar de volgende bladzijde.
2de naamval (bezit) rij (A2): Als tussen twee zelfstandige naamwoorden een van staat gebruik bij het tweede zelfstandige naamwoord de tweede naamval. van valt dan weg. Mannelijke en onzijdige zelfstandige naamwoorden krijgen nog een extra s of es eindigt het woord op d o t. 1de ZNW 2 de ZNW De fiets van mijn broer (m). mijn kind (o). mijn dochter (v). mijn kinderen (mv) Das Fahrrad meines Bruders (m) meines Kindes (o) meiner Schwester (o) meiner Kinder (mv) 4. Vertaal met hulp van de Naamvallen Tabel en een woordenboek: Wij sturen hem een lange brief (m). Mijn aardige moeder kent hem. Hij rijdt door een bos (m). Ik ga met mijn zus naar huis (v). Hij staat op de station (m). Wij lopen onder de brug (v). Het bedrijf (m) van mijn oom (m) stuurt aan de familie (v) een groot pakket (o).
Antwoorden: Wij sturen hem een lange brief (m). Wir schicken ihm einen langen Brief. Mijn aardige moeder kent hem. Meine nette Mutter kennt ihn. Hij rijdt door een bos (m). Er fährt durch den Wald Ik ga met mijn zus naar huis (v). Ich fahre mit meiner Schwester nach Hause. Hij staat op de station (m). Er steht auf dem Bahnhof. Wij lopen onder de brug (v). Wir laufen unter die Brücke. Het bedrijf (m) van mijn oom (m) stuurt aan de familie (v) een groot pakket (o). Der Betrieb meines Onkels chickt seiner Familie ein groβes Packet.
2 de naamval (Genetiv) In het Nederlands bestaat de 2 de naamval maar wordt nauwelijks nog gebruikt. Tegenwoordig gebruikt men in het Nederlands het voorzetsel: van Voorbeelden: Het huis des vaders. Het verhaal onzer voorvaderen. Wordt:Het huis van de vader. Wordt:Het verhaal van onze voorvaderen. 1 de 2 de 3 de 4 de der des + s of es dem den die der der die das des + s of es dem das die der den + n of en die De vrouw van mijn vriend stuurt hem een brief. De vrouw van de vriend stuurt hem een brief. De vrouw van een vriend stuurt hem een brief. Dus: van + bezittelijk voornaamwoord/bep. Lidw./onbep.lidw./ + zelfstandig naamwoord = 2 de naamval Die Frau meines Freundes schickt einen Brief. Die Frau meines Onkels schickt einen Brief. m2 de + es : Uitgang bij zelfstandige naamwoorden die op d of t of n eindigen Er zijn ook een aantal voorzetsels die de 2 de naamval eisen: anlässlich (na aanleiding van), wegen (vanwege) De bewering dat je het voorzetsel van (D: von) i.p.v. de 2 de naamval gebruikt kan in het Duits natuurlijk ook. Let dan wel erop dat het voorzetsel von de 3 de naamval eist: Das Haus von meinem Vater.
Opdrachten: Gebruik de juiste vervoeging in de volgende zinnen. Die Mutter (van mijn vriend) hat Geburtstag. Ich habe die Nachricht..(van jouw vriendin) gehört. Der Unterricht (van onze leraar) gefällt mir. Das Portemonaie..(van haar zus) ist rot. Ich bekomme noch Geld.(van hem). Vertaal: Ik zal het boek van mijn tante lenen... Vanwege het slechte weer gaan (fahren) wij niet naar Frankrijk... Na aanleiding van de wedstijd gaan wij morgen middag niet naar school... Controleer je antwoorden op de volgende bladzijde.
Opdrachten: Gebruik de juiste vervoeging in de volgende zinnen. Die Mutter meines Freundes hat Geburtstag. Ich habe die Nachricht deiner Freundin gehört. Der Unterricht unseres Lehrers gefällt mir. Das Portemonaie unserer Schwester ist rot. Ich bekomme noch Geld von ihm. (opletten dit is niet de 2 de maar de 3 de. Van staat dus niet tussen twee zelfstandige naamwoorden.) Vertaal: Ich werde das Buch meiner Tante leihen Wegen des schlechten Wetters fahren wir nicht nach Frankreich. Anläßlich des Wettkampfes fahren wir morgen mittag nicht zur Schule.
Het naamwoordelijk deel van het gezegde: Het naamwoordelijk deel v.h. gezegde kun je vaak verwachten na de koppelwerkwoorden sein, werden, bleiben en scheinen. bijvoorbeeld: Hij is mijn beste vriend Er ist mein bester Freund. onderwerp: krijgt 1e naamval koppelwerkwoord: ist [vorm van sein] naamwoordelijk deel v.h. gezegde: krijgt ook 1e naamval! Naamvallen & Voorzetsels
Zoals jullie afgelopen jaar geleerd hebben eisen voorzetsels een naamval. Onder aan staat het rijtje met de belangrijkste voorzetsels en werkwoorden. Meteen heb je ook een overzicht hoe dan bepaalde lidwoorden (der, die, das), onbepaalde lidwoorden (ein, eine), bezittelijke voornaamwoorden, bijvoegelijke voornaamwoorden en persoonlijke voornaamwoorden vervoegen. Staat voor het zelfstandige naamwoord geen voorzetsel bepaal je de naamval met de volgorde van het ontleden: 1. Persoonsvorm (PV) bepalen: werkwoord? 2. Onderwerp (OW) bepalen: Wie of wat + PV? 3. Lijdend Voorwerp (LVW) bepalen: Wie of wat + PV + OW? 4. Meewerkend Voorwerp (MVW) bepalen: Aan/Voor wie of wat + PV + OW + LVW? 5. Bezitsverhouding bepalen: van wie? Werkwoorden: Ook bepalen sommige werkwoorden een naamval. Deze zijn ook te vinden in het onder staande schema.
Naamval m = mannelijk der o = onzijdig das v = vrouwelijk die mv = meervoud die Persoonlijke Voornaamwoorden Werkwoorden Voorzetsels Kastwoorden (speciale Voorz.) Onderwerp (OW) 1de naamval Nominativ Bepaal met vraag: Wie of wat + PV der kleine Mann ein kleiner Mann mein kleiner Mann das kleine Kind ein kleines Kind mein kleines Kind die kleine Frau eine kleine Frau meine kleine Frau die kleinen Kinder meine kleinen Kinder ich ik ev. du jij er hij es het sie zij wir wij mv. Ihr jullie sie zij Sie u Werkwoorden: bitten = verzoeken fragen = vragen es gibt = er is, er zijn Voorzetsels: durch = door für = voor (een persoon) gegen = tegen ohne = zonder um = om Lijdend Voorwerp (LVW) 4de naamval Akkusativ Bepaal met vraag: Wie of wat + PV + OW den kleinen Mann einen kleinen Mann meinen kleinen Mann das kleine Kind ein kleines Kind mein kleines Kind die kleine Frau eine kleine Frau meine kleine Frau die kleinen Kinder meine kleinen Kinder mich mij dich jou ihn hem es het sie zij uns ons euch jullie sie hen Sie u Kastwoorden: 4 de of 3 de naamval an = aan auf = op hinter = achter neben = naast in = in über = boven unter = onder vor = voor zwischen = tussen Doelgericht beweging waarheen? Zich bevinden Waar? Meewerkend Voorwerp (MVW) 3 de naamval Bepaal met vraag: Aan/Voor wie of wat + PV + OW + LVW dem kleinen Mann einem kleinen Mann meinem kleinen Mann dem kleinen Kind einem kleinen Kind meinem kleinen Kind der kleinen Frau einer kleinen Frau meiner kleinen Frau den kleinen Kindern meinen kleinen Kindern mir mij dir jou ihm hem ihm het ihr haar uns ons euch jullie ihnen hun Ihnen u wanneer? Voorzetsels: mit = met nach = naar bei = bij seit = sinds von = van zu = naar aus = uit Werkwoorden: danken = danken helfen = helpen gefallen = bevallen Als in het Nederlands van tussen 2 twee zelfstandige naamwoorden staat, gebruik je de tweede naamval.
Voorzetsels: anlässlich = na aanleiding van wegen = wegens Bezit 2de naamval des kleinen Mannes eines kleinen Mannes des kleinen Kindes eines kleinen Kindes der kleinen Frau einer kleinen Frau der kleinen Kinder Genetiv meines kleinen Mannes meines kleinen Kindes meiner kleinen Frau meiner kleinen Kinder Bepaal met vraag: Van wie? Opmerking 1: Bezittelijke voornaamwoorden zoals: mein, dein, sein, ihr, unser euer, ihr en Ihr vervoegen precies zo als het onbepaald lidwoorden ein. Opmerking 2: Alle bijvoegelijke voornaamwoorden vervoegen zo als klein in deze tabel.
Voorbeelden om het boven genoemde schema duidelijk te maken. Werkwoorden met de 4 de naamval: Ich frage den Mann (m). Ich frage ihn. Es gibt einen guten Film. Voorzetsel met 4 de naamval. Ich gehe durch den Wald (m). Ich kaufe es für ihn. Ich fahre gegen den Baum (m). Voorzetsels met de 3 de of 4 de naamval (Kastwoorden) an, auf, in, vor, unter, über: noem ik kastwoorden (voor de kast, op de kast enz.) Als je bij deze voorzetsel waar of wanneer kunt vragen vervoegen de lidwoorden zoals die van de 3de naamval. Als je nu waarheen kunt vragen volgt de 4 de naamval. Dit wordt bepaald door het werkwoord wat voor het voorzetsel staat. Kastwoorden met waar of wanneer vraag: Ich stehe vor der Disco (v). Waar sta ik? Am (an dem) sechsten Januar (m) fahre ich. Wanneer ga ik? Zie je dat hier heel duidelijk de naamval door het werkwoord voor het kastwoord bepaalt wordt? Kastwoorden met de waarheen vraag: Ich gehe in den Wald (m) Waarheen ga ik? Er läuft auf den Berg (m) Waarheen gaat hij ik?
Voorzetsels met de 3 de naamval Ich bin bei meinem Onklel (m). Mit ihm fahre ich morgen nach Deutschland. Von diesem Film (m) habe ich noch nichts gehört. Werkwoorden met de 3 de naamval: Ich danke Ihnen. Das war ein guter Tipp. Dieser nette Mann hilft dem Kind (o). Voorzetsels met de 2 de naamval Wegen des großen Erfolges (m) verlängeren wir das Musical. Anlässlich des schechten Wetters fällt die Schule aus
Mann of man Wo kann man eine Email abschicken? Der Mann kauft einen Hut. Wat is het verschill? D der Mann man NL de man men
Voltooid tegenwoordige tijd (D = Perfekt) De voltooid tegenwoordige tijd wordt in het Duits meestal in de spreektaal gebruikt. Je duidt een tijdstip in het verleden aan (dus geen duur). Ik heb huiswerk gemaakt. Ich habe Hausaufgaben gemacht. (zwak werkwoord want stam veranderd niet van klinker in de verleden tijd) Ik ben gisteren naar huis gelopen. Ich bin gestern nach Hause gelaufen. (sterk werkwoord, want stam veranderd van klinker in de verleden tijd) Makkelijk: In het Duits werkt het precies zo. Conclusie: Alle werkwoorden die in het Nederlands zwak zijn, zijn ook in het Duits zwak en de werkwoorden die in het Nederlands sterk zijn, zijn in het Duits ook sterk. Anders dan in het Nederlands: 1.)Voltooid deelwoord i.v.m. en beweging in het Duits doe je met het werkwoord sein, alles andere met het werkwoord haben : Beweging: Ich bin gereist, ich bin gelaufen, ich bin gefahren, etc. Andere: Ich habe geschlafen, ich habe gegessen, ich habe gesehen, etc. Er is wel een lijst met sterke woorden die hiervan afwijken. Je ziet bij deze woorden vaak een klinkerwissel. Zie volgende bladzijde. Deze woorden moet je leren. Sterke werkwoorden die niet met sein staan gebruik je haben.
Heden NL: D: voltooid deelwoord: D Aankomen ankommen (sein) angekommen beginnen beginnen angefangen, begonnen bevallen gefallen (sein) gefallen bevinden befinden befunden blijven bleiben (sein) geblieben breken brechen gebrochen doen tun getan dragen tragen getragen drinken trinken getrunken eten essen gegessen fietsen Rad fahren (sein) Rad gefahren gaan gehen (sein) gegangen geven geben gegeben hangen hängen gehangen helpen helfen geholfen heten heißen geheißen houden halten gehalten huren, lenen leihen geliehen kijken sehen gesehen komen kommen (sein) gekommen krijgen bekommen bekommen laten lassen gelassen lezen lesen gelesen liggen liegen gelegen (hard)lopen laufen (sein) gelaufen nemen nehmen genommen ontmoeten treffen getroffen opbellen anrufen angerufen optreden auftreten (sein) aufgetreten overstappen umsteigen (sein) umgestiegen paardrijden reiten (sein) geritten rijden fahren (sein) gefahren schieten schießen geschossen schijnen scheinen geschienen schrijven schreiben geschrieben skiën Ski fahren (sein) Ski gefahren slaan schlagen geschlagen slapen schlafen geschlafen sluiten schließen geschlossen snijden schneiden geschnitten solliciteren bewerben beworben
spreken sprechen gesprochen springen springen (sein) gesprungen staan stehen gestanden treffen treffen getroffen tv-kijken fernsehen ferngesehen uitnodigen einladen eingeladen vallen fallen (sein) gefallen vergeten vergessen vergessen verliezen verlieren verloren vertrekken abfahren (sein) afgefahren vinden finden gefunden vliegen fliegen (sein) geflogen vriezen frieren gefroren wielrennen Rennrad fahren (sein) Rennrad gefahren winnen gewinnen gewonnen zien sehen gesehen zingen singen gesungen zitten sitzen gesessen zwemmen schwimmen geschwommen 2.)Alle werkwoorden op ieren zijn zwak en krijgen geen ge aan het begin. Ich habe trainiert, ich habe mankiert, ich habe fraudiert, etc.
Opdrachten: 1. rijden Ich. gestern zum Einkaufen.. 2. kopen..du dir das neue Buch.? 3. zien Wir.gestern einen tollen Film. 4. lopen Gestern. ihr fünf Stunden. 5. lezen..du schon die Zeitschrift? 6. wonen Er.. fünf Jahre in Hamburg.. 7. trainen Ich..sechs Stunden.. 8. werken.sie letzte Woche..? 9. hebben Wir..keine Hausaufgaben. 10.nemen 11.zingen 12.sluiten Gestern..ihr eine Limo.. Vor drei Tagen.er ein tolles Lied Der Markt voor einem Monat. Controleer je antwoorden op de volgende bladzijde.
Antwoorden: 1. rijden Ich bin gestern zum Einkaufen gefahren. 2. kopen Hast du dir das neue Buch gekauft? 3. zien Wir haben gestern einen tollen Film gesehen. 4. lopen Gestern seid ihr fünf Stunden gelaufen. 5. lezen Hast du schon die Zeitschrift gelesen? 6. wonen Er hat fünf Jahre in Hamburg gewohnt. 7. trainen Ich habe sechs Stunden trainiert. 8. werken Haben Sie letzte Woche gearbeitet? 9. hebben Wir haben keine Hausaufgaben gehabt. 10.nemen 11.zingen 12.sluiten Gestern habt ihr eine Limo genommen. Vor drei Tagenhat er ein tolles Lied gesungen Der Markt hat voor einem Monat geschlossen.
De Toekomst: De toekomst maak je in het Duits met de persoonsvormen van het werkwoord werden (zullen). werden (zullen) ich du er, es, sie wir ihr sie, Sie werde wirst wird werden werdet werden Betrokken op de toestand van iets in de toekomst betekend werden : worden. Betrokken op algemene gebeurtenissen in de toekomst betekend werden : zullen Voorbeelden: Het zal morgen regenen. Morgen zal ik reizen. Es wird morgen regnen. Morgen werde ich reisen.
Verleden tijd werkwoorden De verleden tijd gebruik je in het Duits bij schijftaal zoals bij brieven en emails. Verleden tijd van zwakke werkwoorden: normale stam stam op d of t ich wohnte arbeitete du wohntest arbeitetest er, es, sie wohnte arbeitete wir wohnten arbeiteten ihr wohntet arbeitetet sie, Sie wohnten arbeiteten Voorbeeld: Letztes Jahr wohnten wir noch in Deutschland. Dieses Jahr wohnen wir hier. Verleden tijd van sterke werkwoorden: Let op! Sterke werkwoorden hebben zoals in het Nederlands een klinkerwissel in de verleden tijd. t.t. v.t. t.t. v.t. b.v.: NL: gaan ging D: gehen ging normale stam fahren (rijden) stam op d of t finden (vinden) ich fuhr- fanddu fuhrst fandst er, es, sie fuhr- fandwir fuhen fanden ihr fuhrt fandet sie, Sie fuhren fanden Voorbeeld: Letztes Jahr fuhr ich nach Paris. Dieses Jahr fahre ich nach Berlin.
Verleden tijd bijzondere werkwoorden: haben (hebben) sein (zijn) ich hatte war du hattest warst er, es, sie hatte war wir hatten waren ihr hattet wart sie, Sie hatten waren werden (zullen) werden (zouden) ich wurde würde du wurde st würdest er, es, sie wurde würde wir wurde n würden ihr wurde t würdet sie, Sie wurde n würden wissen (weten) können (kunnen) ich wusste konnte du wusstest konntest er, es, sie wusste konnte wir wussten konnten ihr wusstet konntet sie, Sie wussten konnten müssen (moeten) sollen (moeten) ich musste sollte du musstest solltest er, es, sie musste sollte wir mussten sollten ihr musstet solltet sie, Sie mussten sollten ich du er, es, sie wir ihr sie, Sie wollen (willen) wollte wolltest wollte wollten wolltet wollten
Voorbeelden: Ich hatte gestern eine interessante Konferenz. Gestern waren wir im Schwimmbad. Letztes Jahr wurde ich erster beim Wettkampf. An deiner Stelle würde ich mehr Hausaufgaben machen. (Dit bespreken wij later bij het onderwerp beleeft spreken (Konjunktiv 2)) Er wusste nicht, dass du ein bekannter Schauspieler bist. Bei der Wahl konnten wir 10 kandidaten wählen. Ich habe meine Hausaufgaben vergessen und musste nachbleiben. Wir sollten gestern 10 Runden laufen. Ihr wolltet doch gestern einen Film sehen.
Opzoeklijst verleden tijd met sterke werkwoorden: Gaat net zo als in het Nederlands. Heden NL: Heden D: Verleden D: Aankomen ankommen kam an beginnen beginnen begon bevallen gefallen gefiel bevinden befinden befand blijven bleiben blieb breken brechen brach doen tun tat dragen tragen trug drinken trinken trank eten essen aß fietsen Rad fahren fuhr Rad gaan gehen ging geven geben gab hangen hängen hing helpen helfen half heten heißen hieß houden halten hielt huren, lenen leihen lieh kijken sehen sah komen kommen kam krijgen bekommen bekam laten lassen ließ lezen lesen las liggen liegen lag (hard)lopen laufen lief nemen nehmen nahm ontmoeten treffen traf opbellen anrufen rief an optreden auftreten trat auf overstappen umsteigen stieg um paardrijden reiten ritt rijden fahren fuhr schieten schießen schoss schijnen scheinen schien schrijven schreiben schrieb skiën Ski fahren fuhr Ski slaan schlagen schlug
slapen schlafen schlief sluiten schließen schloss snijden schneiden schnitt solliciteren bewerben bewarb spreken sprechen sprach springen springen sprung staan stehen stand treffen treffen traf tv-kijken fernsehen sah fern uitnodigen einladen lud ein vallen fallen fiel vergeten vergessen vergaß verliezen verlieren verlor vertrekken abfahren fuhr ab vinden finden fand vliegen fliegen flog vriezen frieren fror wielrennen Rennrad fahren fuhr Rennrad winnen gewinnen gewann zien sehen sah zingen singen sang zitten sitzen saß zwemmen schwimmen schwomm
Opdrachten: Gebruik de verleden tijd Zwakke werkwoorden: 1. wonen Ich.. letztes Jahr in München. 2. werken Er...gestern vier Stunden. 3. landen Wir..letzten Sommer in Singapur. 4. branden Die Kerzen..noch vier Stunden. Sterke werkwoorden: 5. fahren Letzen Monat er zum Segeln. 6. slapen Heute morgen ihr bis elf Uhr. 7. snijden Thomas.sich leider in den Finger. 8. Vallen Gestern.du leider vom Fahrrad. Bijzondere werkwoorden 9. hadden Ich.gestern keine Lust. 10. worden Beim Wettkampf.wir Zweiter. 11. moeten Ich doch gestern das Haus aufräumen. 12. willen Gestern ihr euch ein Fahrrad kaufen. Controleer je antwoorden op de volgende bladzijde.
Antwoorden: verleden tijd Zwakke werkwoorden: 1. wonen Ich letztes Jahr in München. 2. werken Er arbeitete gestern vier Stunden. 3. landen Wir landeten letzten Sommer in Singapur. 4. branden Die Kerzen brannten noch vier Stunden. Sterke werkwoorden: 5. fahren Letzen Monat fuhr er zum Segeln. 6. slapen Heute morgen schlieft ihr bis elf Uhr. 7. snijden Thomas schnitt sich leider in den Finger. 8. Vallen Gestern fielst du leider vom Fahrrad. Bijzondere werkwoorden 9. hadden Ich hatte gestern keine Lust. 10. worden Beim Wettkampf wurden wir Zweiter. 11. moeten Ich musste doch gestern das Haus aufräumen. 12. willen Gestern wolltet ihr euch ein Fahrrad kaufen.
Kloktijden Wij hebben analoge en digitale kloktijden Dit werk precies zo als in het NL: Analoog: twaalf uur: vijf over drie: twaalf minuten over drie: kwart over twee: tien voor half zes: half een: vier minuten over half drie: kwart voor twee: enz. zwölf Uhr fünf nach drei zwölf Minuten nach drei Viertel nach zwei zehn vor Halb sechs Halb eins vier Min. nach Halb drei Viertel vor zwei Let op: Halb, Viertel en Uhr zijn zelfstandige naamwoorden en worden uiteraard met een hoofdletter geschreven.
Digitaal: 11:10: elf Uhr zehn 15:07: fünfzehn Uhr sieben 20:15: zwanzig Uhr fünfzehn 16:47: sechzehn Uhr siebenundvierzig enz. Wanneer gebruik je het woord Uhr en wanneer Stunden. Uhr: Voorbeeld: In verband met kloktijden/tijdstippen Um drei Uhr stehe ich auf. Om drie uur sta ik op. Stunden: Voorbeeld: In verband met tijdstrajecten In drei Stunden fahre ich nach Deutschland. Over drie uren ga ik naar Duitsland.
Opdrachten: Vertaal de analoge kloktijden: 1. Het is twaalf minuten over twee:. 2. Het is kwart voor drie:. 3. Het is vijf minuten voor negen: 4. Het is tien voor zeven:. 5. Het is half elf:.. Vertaal de digitale kloktijden: 6. Het is achttien uur drieëntwintig: 7. Het is veertien uur dertig: 8. Het is twintig uur drie: 9. Het is vierentwintig uur:... 10. Het is drie uur vijfenveertig:.. Controleer je antwoorden op de volgende bladzijde.
Antwoorden: Vertaal de analoge kloktijden: 1. Es ist zwölf Minuten nach zwei. 2. Es ist Viertel vor drei. 3. Es ist fünf Minuten vor neun. 4. Es ist zehn vor sieben. 5. Es ist Halb elf. Vertaal de digitale kloktijden: 6. Es ist achtzehn Uhr dreiundzwanzig. 7. Es ist vierzehn Uhr dreißig 8. Es ist zwanzig Uhr drei. 9. Es ist vierundzwanzig Uhr. 10. Es ist drei Uhr fünfundvierzig.
Trappen van vergelijking In het Nederlands is dit: Regelmatig: klein, kleiner, het kleinst of lang, langer, het langst Afwijkend: goed, beter, het best of veel, meer, het meest In het Duits gaat het precies zo. De regelmatige en afwijkende vormen zijn precies de zelfden. Je moet wel de afwijkingen en de uitgangen leren. Regelmatige: klein, kleiner, am kleinsten of rund, runder, am rundesten Let op! Eindigt een bijvoeglijk naamwoord op een d of t komt bij de overtreffende trap een extra e Afwijkend: gut, besser, am besten of viel, mehr, am meisten Vaak krijgen de afwijkende vormen ook een trema: hoch, höher, am höchsten Vergelijkingen: NL kleiner dan zo groot als even groot even groot als D kleiner als so groß wie gleich groß genauso groß wie
Konkunktiv II: Beleeft spreken/schrijven D Konjunktiv 2 NL aanvoegende wijs De beleefdheidsvorm gebruik je dan als je wilt aangeven dat je niet opdringerig wilt zijn maar dat je op een beleefde en sympathieke manier iets wilt bereiken gebruik je de Konjunktiv 2. In het Nederlands doe je dit met het werkwoord zouden en het hele werkwoord. Als ik jou was zou ik morgen naar Duitsland gaan. Hoe maak je de beleefdheidsvorm in het Duits? Zouden direct vertaald betekend würden en is afkomstig van het werkwoord werden. a) zouden + hele werkwoord = beleefd Ik zou het vliegtuig morgen om drie uur nemen. 1. Vervoeg het werkwoord werden in de verleden tijd ich du er, sie, es wir ihr sie, Sie wurde wurdest wurde wurden wurdet wurden 2. Zet puntjes op de klinker. Klaar! Ich würde das Flugzeug morgen um 3 Uhr nehmen.
b) Vaak gebruik je een hulpwerkwoord bij de beleefdheidsvorm. zouden + hulpwerkwoord + hele werkwoord = beleefd Van zouden + hulpwerkwoord maak je het beleefde hulpwerkwoord. Zou ik een pen kunnen lenen? 1. Vertaal het werkwoord kunnen NL kunnen D können 2. Vervoeg de stam van het werkwoord in de verleden tijd. ich du er, sie, es wir ihr sie, Sie konnte konntest konnte konnten konntet konnten 3. Zet puntjes op de klinker. Klaar! Dus: Könnte ich einen Kugelschreiber leihen? Voorbeeldzinnen: NL Zou ik naar de WC mogen gaan? Dürfte ich auf die Toilette gehen? De hulpwerkwoorden zijn: können, müssen, dürfen, werden, sollen
Het beleefde gebruik van het werkwoord zijn : ich wäre, du wärst er,es,sie wäre, wir wären, ihr wärt, sie,sie wären Als ik jou was dan zou ik deze vliegreis boeken. (advies) Wenn ich du wäre dann würde ich diese Flugreise buchen. Zit je in een restaurant: Ik wil graag Ich hätte/möchte gern einen Kaffee bitte.