AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK



Vergelijkbare documenten
ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ1014

vanstate /1. Datum uitspraak: 8 februari 2008 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

vanstate /1. Datum uitspraak: 1 november 2007 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

vanstate /1/V3. Datum uitspraak: 29 augustus 2011 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

ECLI:NL:RBSGR:2007:BB2855

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Raad vanstatc /1/V1. Datum uitspraak: 28 augustus 2012

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. de Raad voor Rechtsbijstand 's-gravenhage, appellant,

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

vanstate /1/V1. Datum uitspraak: 18 juli 2011 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Raad van State /1/V1. Datum uitspraak: 2 november 2009

Raad vanstate /1/V1. Datum uitspraak: 31 mei 2010

* vanstate /1/V1. Datum uitspraak: 13 juli 2012

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

ECLI:NL:RBSGR:2011:BT6286

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

ECLI:NL:RBSGR:2012:BY0698

Raad vanstate /1. Datum uitspraak: 17 maart 2008

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

vanstate /1/V6. Datum uitspraak: 28 maart 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

ECLI:NL:RVS:2007:AZ9709

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

ECLI:NL:RBDHA:2014:10175

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

vanstate /1/V2. Datum uitspraak: 27 juli 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

ECLI:NL:RBSGR:2006:AY9580

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

Raad vanstate /1. Datum uitspraak: 20 mei 2008

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

vanstate /1. Datum uitspraak: 19 maart 2008 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste (id, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

ECLI:NL:RBDHA:2017:2650

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

ECLI:NL:RVS:2014:3127

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Transcriptie:

Raad vanstate 201111247/1/V4. Datum uitspraak: 1 december 2011 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: appellant, tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 18 oktober 2011 in zaak nrs. 11/28087 en 11/28088 in het geding tussen: en de vreemdeling de minister voor Immigratie en Asiel.

201111247/1 A/4 2 1 december 2011 1. Procesverloop Bij besluit van 29 augustus 2011 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 18 oktober 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 25 oktober 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Vervolgens is het onderzoek gesloten. 2. Overwegingen 2.1. Ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 bevat het hogerberoepschrift in aanvulling op artikel 6:5, eerste lid, onderdeel d, van de Awb, één of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank. Ingevolge het tweede lid omschrijft een grief het onderdeel van de uitspraak waarmee de indiener zich niet kan verenigen alsmede de gronden waarop de indiener zich daarmee niet kan verenigen. Ingevolge het derde lid wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard, indien niet is voldaan aan het eerste of tweede iid, aan artikel 6:5 van de Awb of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het hoger beroep. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing, indien niet is voldaan aan de vereisten vermeld in artikel 6:5, eerste lid, onder c en d, of aan het eerste of tweede lid van dit artikel. 2.2. Hetgeen de vreemdeling in het hogerberoepschrift heeft aangevoerd, is uitsluitend een herhaling van in beroep naar voren gebrachte standpunten, waarop de voorzieningenrechter heeft beslist. Derhalve is geen sprake van een grief in de zin van voormeld artikel 85, tweede lid. Daarom is niet voldaan aan voormeld artikel 85, eerste lid. 2.3. Het hoger beroep is, gelet op voormeld artikel 85, derde lid, kennelijk niet-ontvankelijk. 2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

201111247/1/V4 3 1 december 2011 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H. van der Winden, ambtenaar van staat. w.g. Lubberdink lid van de enkelvoudige kamer w.g. Van der Winden ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 1 december 2011 348-719. Verzonden: 1 december 2011 Voor eensluidend afschrift, de secretaris van de Raad van State, mr. H.H.C. Visser

_18/iy 2011 15:22 FAX 0388884730 RB ZWOLLE VK 0003/0005 ^^OHRlfj IK 'S-GRAVENHAGE nevenzittingsplaats Zwolle Sector Bestuursrecht, Voorzieningen rechter Registratienummer: Awb 11/28088 (voorlopige voorziening) Awb 11/28087 (beroep) Uitspraak in het geding tussen: alias geboren op van Iraanse nationaliteit, IND dossiernummer 110X13.1188, verzoeker, gemachtigde mr. K.J. Meijer, advocaat te Sint Annaparochie; en de minister voor Immigratie en Asie], (Immigratie- en Naturalisatiedienst), te 's-gravenhage, vertegenwoordigd door mr. J.HJL. Eefting, ambtenaar ten departemente, verweerder. 1. Procesverloop Op 19 augustus 2011 heeft verzoeker een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 29 augustus 2011 heeft verweerder de aanvraag afgewezen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Bij brief van 30 augustus 2011 is daartegen beroep ingesteld. Verzoeker mag de behandeling daarvan niet in Nederland afwachten. Bij verzoek van 30 augustus 2011 is verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot in beroep is beslist. Het verzoek is voorzien van gronden bij brief van 8 september 2011. Het verzoek is ter zitting van 7 oktober 2011 behandeld. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen. Het onderzoek is geschorst, omdat er geen tolk aanwezig was. Bij brief van 12 oktober 2011 zijn aanvullende stukken ingediend. Het verzoek is verder behandeld ter zitting van 14 oktober 2011. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen. Het verzoek is tezamen behandeld met het verzoek van de heer

r..18/10 2011 15:23 FAI 0388884730 RB ZÏÏOLLE VK 0004/0005 AWB 11/28088 (voorlopige voorziening) blad 2/3 AWB U/28087 (beroep) 2. Overwegingen 2.1 De voorzien ingenrechter stelt vast dat wordt voldaan aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechter zal toetsen of het beroep een redelijke kans van slagen heeft en of bij afweging van de betrokken belangen uitzetting van verzoeker in afwachting van de beslissing op beroep moet worden verboden. 2.2 Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (htema: Vw 2000) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaaldetijd,als bedoeld in artikel 28 van deze wet, afgewezen, indien een ander land, partij bij het Vluchtelingenverdrag ingevolge een verdrag of een dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval is van toepassing Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna Vo 343/2003). 2.3 Duitsland heeft op 21 juli 2011 het terugnameverzoek op grond van artikel 16, eerste lid onder c, Vo 343/2003 aanvaard. 2.4 Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Vo 343/2003, voor zover thans van belang, kan, in afwijking van het eerste lid, verweerder een bij hem ingediend asielverzoek van een onderdaan van een derde land behandelen, ook al ts hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht. 2.5 Verzoeker heeft aangevoerd dat hij in Duitsland ernstig werd gehinderd in zijn bewegingsvrijheid en deelname aan het maatschappelijke leven. Zijn asielaanvraag werd afgewezen en hem werd aangezegd Duitsland te verlaten. Aldus loopt verzoeker een reëel risico om door Duitsland te worden uitgezet naar het land van herkomst, alwaar hem een behandeling in strijd met artikel 3 van het (Europees) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) te wachten staat Voorts vreest verzoeker dat de Iraanse autoriteiten op de hoogte raken van zijn homoseksuele geaardheid en zijn bekering tot het christendom. 2.6 De rechter overweegt als volgt In zijn algemeenheid mag verweerder ten opzichte van Duitsland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan verzoeker aannemelijk te maken dat dit in dit geval wat betreft Duitsland anders is. Verzoeker is hierin niet geslaagd. Het persoonlijk relaas van verzoeker biedt geen indicaties voor het oordeel dat Duitsland de op dat land rustende internationale verplichtingen jegens hem niet zal nakomen. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat verzoeker heeft verklaard dat hij in Duitsland een asielverzoek heeft kunnen indienen. Bovendien zijn de Duitse autoriteiten op 21 juli akkoord gegaan met de terugname van verzoeker. Duitsland heeft daarmee toegezegd verzoeker in de gelegenheid te stelten een asielverzoek te doen en is op grond van artikel 16, eerste lid en onder c van de Vo 343/2003 verplicht het asielverzoek volledig te behandelen.

^U^IO 2011 15:24 FAI 0388884730 RB ZWOLLE VK lg]0oo5/o0o5 AWB 11/28088 (voorlopige voorziening) blad 3/3 AWB U/28087 (beroep) Evenmin heeft verzoeker ter onderbouwing van zijn relaas algemene dan wel hem persoonlijk betreffende stukken overgelegd, waaruit kan worden afgeleid dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen jegens hem niet zal naleven. Voor wat betreft hetgeen verzoeker heeft gesteld omtrent zijn problemen in Iran, overweegt de voorzieningenrechter dat dit ziet op de inhoudelijke beoordeling van zijn asielaanvraag en dat verzoeker dit aan de orde dient te stellen in een (herhaalde) asielprocedure in Duitsland. Verweerder heeft zich daarom met een beroep op het interstate lijk vertrouwensbeginsel op het standpunt kunnen stellen, dat ervan kan worden uitgegaan dat Duitsland de verplichtingen zoals vastgelegd in het Vluchtelingenverdrag en het EVRM niet zal schenden. 2.7 Het beroep heeft geen redelijke kans van slagen, zodat het verzoek wordt afgewezen. Omdat nader onderzoek niet tot een andere uitkomst zal leiden, verklaart de voorzieningenrechter, met toepassing van artikel B:S6 Awb, tevens het beroep ongegrond. 2.8 Er bestaat geen aanleiding voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. 3. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen a verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Banda, rechter, en door hem en K.M.C. Zijlstra-van Middelkoop als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op ^ «n I/J 21111 Afschrift verzonden op: 1 A flkt?ö1s Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak, yoorzover daarbij in de hoofdzaak is beslist, kunnen partijen één week na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuuhrechtspraakjan de Baad van State, onder vermelding van "Hoger beroep vreemdelingenzaken ", postbus 161 lsi^250o BCjfGravenhage. Artikel 85 Vvi 20OO bepaalt in dat verband dat het beroepschrift een afmeer grtevtrftegen de uitspraak bevat Artike 6:6 Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. / fvüürafschrïf/ CQ^FORM DE GRIFFIER V _ Î PFnHTBANK 'ajgravenhage \

i RAAD VAN STATE INGEKOMEN 2 5 OKT 2011 Aan de Raad van State Afdeling Bestuursrechtspraak, Hoger beroep Vreemdelingenzaken Postbus 16113 2500 BC 's-gravenhage ZAAKNR. lollli A AU: 8EHAN0ELD:DD: Z(fJ PAR: Sint Annaparochie, 24 oktober 2011 HOGER BEROEP VREEMDELINGENZAKEN Geachte heer/mevrouw, Namens (alias ), geboren op ;n van Iraanse nationaliteit, thans verblijvende te aan het adres ] -hierna verder te noemen: appellant-, te dezer zake woonplaats kiezende te Sint Annaparochie aan de Van Harenstraat 3 (9076 BS) ten kantore van advocaat mr. K.J. Meijer, die te dezer zake door appellant voornoemd toot (opvolgend) bepaaldelijk gevolmachtigde is aangesteld en als zodanig optreedt om namens appellant voornoemd hoger beroep in te stellen, deel ik u hierbij mee dat ik heden, daartoe bepaaldelijk gevolmachtigd door appellant vernoemd, HOGER BEROEP instel tegen de uitspraak d.d. 18 oktober 2011, aan zijn huidige bepaaldelijk gevolmachtigde, de heer mr. K.J. Meijer, verzonden op 18 oktober 2011, van de vreemdelingenkamer van de rechtbank 's-gravenhage, zittinghoudende te Zwolle-Lelystad met registratienummer Awb 11/28087, waarbij het namens appellant ingediende beroepsschrift d.d. 30 augustus 2011, gericht tegen de beschikking van verweerder d.d. 29 augustus 2011, -waarbij afwijzend op de aanvraag van appellant d.d. 19 augustus 20 i 1 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is beslist-, ongegrond is verklaard. Grief! In strijd met het recht en/of het motiverings- dan wel zorgvuldigheidsbeginsel heeft de rechtbank Zwolle in haar uitspraak ten onrechte overwogen c.q. geoordeeld dat: "2.6 De rechter overweegt als volgt. In zijn algemeenheid mag verweerder ten opzichte van Duitsland

uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan verzoeker aannemelijk te maken dat dit in dit geval wat betreft Duitsland anders is. Verzoeker is hierin niet geslaagd. Het persoonlijke relaas van verzoeker beidt geen indicaties voor het oordeel dat Duitsland de op dat land rustende internationale verplichtingen jegens hem niet zal nakomen. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat verzoeker heeft verklaard dat hij in Duitsland een asielverzoek heeft kunnen indienen. Bovendien zijn de Duitse autoriteiten op 21 juli akkoord gegaan met de terugname van verzoeker. Duitsland heeft daarmee toegezegd verzoeker in de gelegenheid te stellen een asielverzoek te doen en is op grond van artikel 16, eerste lid en onder c van de Vo 343/2003 verplicht het asielverzoek volledig te behandelen. Evenmin heeft verzoeker ter onderbouwing van zijn relaas algemene dan wel hem persoonlijk betreffende stukken overlegd, waaruit kan worden afgeleid dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen jegens hem niet zal naleven. Voor wat betreft hetgeen verzoeker heeft gesteld omtrent zijn problemen in Iran, overweegt de voorzieningenrechter dat dit ziet op de inhoudelijke beoordeling van zijn asielaanvraag en dat verzoeker dit aan de orde dient te stellen in een (herhaalde) asielprocedure in Duitsland. Verweerder heeft zich daarom met een beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel op het standpunt kunnen stellen, dat ervan kan worden uitgegaan dat Duitsland de verplichtingen zoals vastgelegd in het Vluchtelingenverdrag en het EVRM niet zal schenden." Toelichting: Appellant stelt dat hij duidelijk en terecht heeft aangegeven dat een terugkeer danwei overdracht naar Duitsland geen optie voor hem is en dat hij ook niet terug wil of kan. Appellant heeft duidelijk aangegeven dat hij ernstig gehinderd werd ten aanzien van zijn bewegingsvrijheid en deelname aan het maatschappelijke leven. Appellant stelt tevens ook dat hij al eerder een asielprocedure is doorlopen in Duitsland welke negatief voor appellant is uitgevallen. Ondanks dat appellant in beroep was gegaan tegen de beschikking in eerste aanleg, is dit beroep buiten zitting om ongegrond verklaard. Ook is appellant aangezegd Duitsland te moeten verlaten althans er is tegen hem gezegd dat hij terug zou worden gestuurd naar Iran. Daarnaast vreest appellant ervoor om, indien in Duitsland bekend mocht worden dat hij bekeerd is naar het christendom, dit alsdan eveneens bekend zal (kunnen) worden bij de Iraanse autoriteiten hetgeen dan een terugkeer naar het land van herkomst in de weg staat althans dat appellant dan bij een (gedwongen) terugkeer naar het land van herkomst het slachtoffer zal worden van een door artikel 3 EVRM verboden (be)handeling. Alhoewel in beginsel kan of mag worden aangenomen dat Duitsland zijn verplichtingen uit hoofde van het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 EVRM naleeft, is het zeer de vraag, mede gelet op het voorgaande, of Duitsland de aanvraag van appellant nu wel opeens positief zou beslissen. Aldus loopt appellant een reëel risico om door Duitsland te worden uitgezet naar het land van herkomst alwaar hij vanwege zij seksuele geaardheid en het feit dat hij nu christene is een reëel risico loopt om te worden onderworden aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen althans dat hij het slachtoffer zal worden van een door artikel 3 EVRM verboden handeling. Kortom, een overdracht van appellant aan Duitsland betekent een schending van artikel 3 EVRM.

-* Grief II In strijd met het recht en/of het motiverings- dan wel zorgvuldigheidsbeginsel heeft de rechtbank Zwolle in haar uitspraak ten onrechte overwogen c.q. geoordeeld dat: "2.7 Het beroep heeft geen redelijke kans van slagen, zodat het verzoek wordt afgewezen. Omdat nader onderzoek niet tot een andere uitkomst zal leiden, verklaart de voorzieningenrechter, met toepassing van artikel 8:86 Awb, tevens het beroep ongegrond. 2.8 Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken." Toelichting: Appellant verwijst hierbij naar de toelichting op grief I waarvan de inhoud hierbij als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd, en als zodanig eveneens dient te worden beschouwd als ware dit de toelichting op grief II. Appellant stelt derhalve dan ook dat, nu de rechtbank verweerder ten onrechte is gevolgd in diens stellingen, de bestreden uitspraak dient te worden vernietigd en dat aldus aan appellant alsnog een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd behoort te worden verleend danwei dat er door verweerder opnieuw op de herhaalde asielaanvraag van appellant zal dienen te worden beslist. REDENEN waarom appellant zich tot u wendt met het eerbiedige verzoek om: 1. het onderhavige hoger beroep gegrond te verklaren en rechtdoende: 2. de in het onderhavige hoger beroep bestreden uitspraak van de rechtbank Assen d.d. 18 oktober 2011 te vernietigen; 3. het beroepsschrift d.d. 30 augustus 2011 gegrond te verklaren; 4. de bestreden beschikking van verweerder d.d. 29 augustus 2011 te vernietigen en rechtdoende: 5. te bepalen dat de appellant een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd zoals bedoeld in de zin van artikel 28 Vw 2000 zal behoren te worden verleend danwei 6. te bepalen dat verweerder, met inachtneming van uw besluit, opnieuw op de aanvraag van appellant tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel zal behoren te beslissen, met 7. veroordeling van verweerder in de kosten van deze procedure, daarbij inbegrepen de kosten van appellant voor rechtsbijstand. Hoogachtend, mr. K.J. Meijer Advocatenkantoor Meijer Postbus 10 9076 ZN St. Annaparochie Tel: 0.513-102186 cc: Uitspraak rechtbank Zwolle d.d. 18 oktober 2011, AWV nummer: 11/328087