Toetsvragen bij het boek Activerend opleiden A. Werken vanuit een fundament Hoofdstuk 1: Bouwen op een fundament Teken het onderwijsontwikkelmodel en benoem de componenten van dit model. Noem de onderdelen van het model van onderwijsontwikkeling. Geef kort aan wat er met het onderdeel bedoeld wordt Wat staat er in de kern van het model? Kun je uitleggen waarom juist de missie in de kern staat? Om de missie staan Visie op beroep, Visie op leren en didactiek en Visie op resultaatmeting. Geef een korte toelichting wat hiermee bedoeld wordt Wat zijn competenties? Uit welke vier onderdelen bestaat een competentie? Op veel HBO opleidingen is sprake van competentiegericht onderwijs. Wat is de kenmerkend aan competentiegericht onderwijs? Bij activiteiten in het model wordt gesproken over de integrale leerlijn, de conceptuele leerlijn, de vaardigheden leerlijn en de persoonlijke leerlijn. Geef een korte toelichting over wat er in die verschillende leerlijnen aan de orde komt. Schrijf de missie van je opleiding op. Hoe kun je als docent rekening houden met deze missie? Wat is de missie van jouw opleiding? Hoe komt die terug in jouw onderwijsontwikkeling? Leg de link tussen de verschillende vormen van visie naar je eigen onderwijs. Hoe komen competenties terug in jouw onderwijsontwikkeling? Geef aan wat het werkveld is waar je mee te maken hebt als docent / trainer als je deze vaardigheid gaat aanleren. Geef een beroepstaak aan die te maken heeft met een vaardigheid die je gaat aanleren. Geef voor de competentie Presenteren bij elk van de vier onderdelen 2 indicatoren. Hoe worden de onderdelen van het model van onderwijsontwikkeling binnen je eigen situatie toegepast Welke feedback zou je jouw opleiding willen geven als het gaat over het werken vanuit het fundament? Hoe verschillen de activiteiten die in de verschillende leerlijnen gebruikt worden? Beschrijf het werkveld waar je mee te maken hebt en geef aan wat de vier belangrijkste beroepstaken zijn. 1
Maak een lijstje van de meest voorkomende verschillen die je als docent bij studenten kunt aantreffen. Wanneer vind je een student absoluut niet geschikt voor het volgen van jouw opleiding?. Beschrijf een aantal contra-indicatoren bij zijn, willen, kunnen of weten. Geef bij elk van de volgende indicatoren aan of deze horen bij zijn, willen, kunnen of weten 1. een lesopzet maken conform het model van activerend opleiden 2. creatief zijn 3. aansluiten bij de doelgroep 4. goed verzorgd (beeld)materiaal maken 5. definitie, belang en de onderdelen van een competentie 6. gestructureerd zijn 7. docent als rolmodel 8. aandacht van studenten vasthouden 9. factoren beschrijven die lastig gedrag van studenten bepalen 10. feedback geven en accepteren 11. een toetsanalyse maken 12. eigen mogelijkheden als docent herkennen er welke wet- en regelgeving relevant is voor jouw onderwijs. Geef jouw mening over de vraag Moet een opleiding zich aanpassen aan de vraag van het werkveld? Beschrijf minimaal vier kwaliteiten van een docent Activerend opleiden en vermeld daarbij of je deze kwaliteit goed gebruikt binnen het onderwijs. In het model van onderwijsontwikkeling wordt gesproken over verschillende elementen van visie. Geef jouw visie: op welke elementen zou jouw opleiding zich de komende jaren zou moeten vernieuwen en waarom en waar is de huidige situatie prima en waarom? Welke regelgeving zou jij maken om het onderwijs te verbeteren? Je wordt gevraagd om een nieuwe minor te ontwikkelen. Wat wil je weten bij de opdracht? Benoem een competentie van een docent die gekoppeld is aan een visie van opleiden en leren (voor zelfstandig trainers): schrijf jouw missie op voor de trainingen die jij geeft. Zorg dat in die missie jouw antwoorden terugkomen op het gebied van zingeving, kernactiviteiten en doelgroep. 2
B. Gebruik maken van breinprincipes Hoofdstuk 2: Brein en Leren Noem de 7 breinprincipes die genoemd worden bij tips voor de docent. Geef bij elk principe een korte toelichting Waar heeft een 19 jarige student nog moeite mee? Hoe kun je dat verklaren vanuit de kennis over het brein? Leren betekent het vormen van nieuwe neurale netwerken, welk breinprincipe is daarbij van belang? Uit welke stappen bestaat het leerproces? Wat zijn de vier leerstadia? Kun je de breinprincipes koppelen aan je kennis over het brein? Beschrijf drie manieren waarop je de werking van spiegelneuronen in het onderwijs kunt benutten. Uit welke fasen bestaat het proces van aanleren van motorische vaardigheden? Hoe kun je breinprincipes in een les toepassen? Welke breinprincipes heb je toegepast tijdens jouw lessen en hoe heb je dat gedaan? Wat was het effect? Hoe houd je rekening de adolescent (van de Einsteingeneratie) tijdens het ontwerpen van je lessen? Hoe kun de stappen van het leerproces? (1. informatie krijgen, 2. informatie selecteren, 3. informatie organiseren, 4. informatie integreren) concreet vertalen naar een lessituatie? Hoeveel nieuwe informatie bij een deelnemer aan een opleiding blijft hangen is afhankelijk van de methode van overbrengen. Noteer in volgorde de methodes van overbrengen van nieuwe informatie en geef een concreet voorbeeld hoe jij deze methode in jouw les kunt toepassen. Welke breinprincipes zijn niet (goed) toegepast in een casus? Waar loop jij nog tegenaan bij toepassen breinprincipes? Hoe ervaar jij de concentratiecurve in jouw lessen? Als we kijken naar het brein dan moeten vier stappen worden doorlopen om te leren: informatie krijgen, informatie selecteren, informatie organiseren en informatie integreren. Als je kijkt naar jouw eigen lessen, wat doe je dan wel/niet om het brein van jouw studenten door deze fasen heen te loodsen? 3
Koppel de methoden van overbrengen aan de breinprincipes C. Aansluiten bij leerstijlen Hoofdstuk 3: Leve de leerstijlen Noem de vier leerstijlen van Kolb. Geef bij elke leerstijl 2 karakteristieken of uitspraken waardoor je studenten met deze leerstijl herkent in de les Benoem bij elke leerstijl twee mogelijkheden om aan te sluiten bij de leerstijl en twee punten die de student met die leerstijl uitdagen. Hoe leert een student met de leerstijl doener het best? Teken het model van ervaringsleren. Geef een korte uitleg bij iedere fase. Beschrijf een casus waarbij het gedrag van een leerstijl wordt beschreven Noem voor de leerstijl bezinner activiteiten waarmee je aansluit bij studenten met deze leerstijl. Geef een voorbeeld van een les waarin je het model van ervaringsleren toepast. Geef het onderwerp, de doelgroep en het leerdoel. Noem bij elke fase een andere werkvorm In welke fase(s) is de docent uit de volgende casus aan het werk? Licht je antwoord toe. Casus: Tijdens een les over mantelzorg toont de docent drie soorten jassen: een doorschijnende regenjas, een vrolijke, luchtige zomermantel en een zware, zwarte winterjas. De docent vraagt aan de studenten: Welke jas past voor jou het beste bij mantelzorg? Na inventariseren van de keuzes, vraagt de docent door naar het waarom van de keuzes. De studenten spelen een rollenspel in 3-tallen over het houden van een sollicitatiegesprek. De derde persoon geeft na afloop van het gesprek feedback aan de hand van een checklist. Als alle drie studenten per groep geweest zijn, inventariseert de docent het belangrijkste leerpunt per groep. In welke fase van het model van ervaringsleren bevindt de les zich? Motiveer je antwoord Geef bij elke leerstijl een tip voor de docent die deze stijl als favoriete leerstijl heeft. Wat vind je de waarde van de leerstijlen van Kolb? Wanneer vind jij het onmogelijk / moeilijk om het model van ervaringsleren toe te passen? Als docent heb je te maken met studenten met verschillende leerstijlen. Geef van elk van de leerstijlen van Kolb aan op welke bij die leerstijl passende kenmerken jij gemakkelijk aansluit (en hoe?) en wat jij lastig vindt om mee om te gaan. 4
Op welke manier ging jij om met verschillende leerstijlen van mensen voor de start van de opleiding en in hoeverre is je manier van werken met leerstijlen nu veranderd/hetzelfde gebleven. Beargumenteer je antwoord. Koppel de vier leerstadia aan de fasen van het ervaringsleren. Bedenk een experiment waarmee je de waarde het model van ervaringsleren kunt toetsen. Benoem allereerst een inhoudelijk onderwerp waarin jij lesgeeft. Stel je voor dat jij nu inderdaad een les gaat geven rondom dit onderwerp. De materialen die je wilt gebruiken heb je in jouw kast met spullen gedaan en die uiteraard op slot gedaan. Echter als je in je lokaal komt blijkt dat je de sleutel van je kast vergeten bent en computer en beamer zijn stuk. Je hebt alleen een flipover en wat marker. Beschrijf bij elk van de vier leerstijlen een werkvorm die je rondom je onderwerp met hooguit deze materialen kunt uitvoeren. D. Variatie in werkvormen Hoofdstuk 4: Variatie in soorten werkvormen Benoem de vijf soorten werkvormen Hoe zorg je ervoor dat een werkvorm effectief is? Noem vijf verschillende soorten ijsbrekers met de daarbij behorende doelen. Noem vier verschillende soorten spelvormen op basis van het spelidee. Een voorbeeld van een discussievorm is het werken met stellingen. Waar let je op bij het formuleren van de stelling? Beschrijf de kenmerken van een goede stelling. Waar moet een uitdagende werkopdracht aan voldoen? Geef van iedere soort werkvorm een voorbeeld die jij tijdens de les gebruikt of kan gebruiken Geef van iedere soort van de vijf groepen werkvormen tenminste twee voorbeelden die jou aanspreken, met een korte motivatie. Verzin bij de vijf verschillende soorten ijsbrekers bij elke soort een voorbeeld. Beschrijf een ijsbreker die je tijdens een van je lessen ingezet hebt. Om wat voor soort ijsbreker gaat het in dit geval? Geef een voorbeeld van een spelvorm die je hebt toegepast. Bedenk een discussiewerkvorm voor de eigen les Hoe geef je het werken met stellingen concreet vorm in je les? Bedenk bij een zelfgekozen onderwerp een demonstratie en een practicum. Kun je een voorbeeld beschrijven van een werkvorm die niet goed ging tijdens de les? Kun je benoemen waardoor dat kwam? En hoe zou je dit de volgende keer aanpakken zodat de werkvorm wel effectief is? 5
Welke werkvorm zet je vaak in tijdens je lessen? Hoe heb je deze werkvorm concreet vorm gegeven? En waarom juist deze werkvorm? Geef een voorbeeld van een goede stelling en een voorbeeld van een foute stelling. Welke soort werkvorm vind jij niet geschikt voor jouw situatie? Vind jij dat digitale werkvormen als aparte soort benoemd moeten worden of vallen deze onder de andere soorten? Beschouw de werkvormen die jij tot nu toe gebruikt. Met het inzetten van welk type werkvormen zou jij echt een stap buiten je comfortzone zetten? Benoem argumenten om die stap toch te zetten en koppel je antwoord aan de theorie over leerstijlen en aan de theorie over het omgaan met weerstand. Beargumenteer welke soorten werkvormen in algemene zin meer of minder zouden kunnen aansluiten bij verschillende leerstijlen. Heb je wel eens gemerkt dat er weerstand ontstond die hierop terug te leiden is? Zo ja, hoe ben je hiermee omgegaan en wat was het resultaat? Zo nee, stel dat er weerstand optreedt. Hoe zou je hiermee omgaan? Gebruik hierbij de theorie van Leary. Je gaat een les geven over een onderwerp waarin je gewend bent les te geven. Beschrijf het doel van die les. Creëer (en beschrijf hier) vervolgens een werkvorm passend bij het doel waarin je de volgende materialen gebruikt: twee lange touwen, flipover vellen en markers, ballen in drie verschillende kleuren. Koppel de soort werkvormen aan de verschillende fasen van het ervaringsleren Hoofdstuk 5: Oog voor talenten Noem tenminste drie (van de zeven) criteria die Gardner hanteerde om te besluiten of een talent een intelligentie genoemd kan worden Noem de 8 verschillende soorten intelligenties en geef per intelligentie twee kenmerken van de intelligentie Wat voor werkvormen passen bij de verschillende intelligenties? Hoe houd je tijdens je lessen rekening met deze verschillende intelligenties? Geef per intelligentie een concreet voorbeeld Geef drie voorbeelden uit je eigen lessen over hoe jij meerdere intelligenties hebt geprikkeld. Hoe kun je een soort werkvorm (bijvoorbeeld discussie) zo kneden om aan te sluiten bij een bepaalde intelligentie intelligentie Casus waarbij verbale intelligentie de boventoon voert. Hoe kun je dat oplossen? Koppel elk van de volgende werkvormen aan één of meer van de acht intelligenties: 6
Limerick Casus Kruiswoordpuzzel Taboe Beeldhouwen Smakelijk eten Loesje Metafoor uit de natuur Welke werkvormen met betrekking tot MI vind jij niet geschikt voor jouw situatie? Koppel de leerstijlen met de verschillende intelligenties Koppel de breinprincipes aan de verschillende intelligenties Je hebt tijdens de opleiding verkend welke intelligenties jij bij jezelf herkent en verkend welke intelligenties je in jouw lessen aandacht geeft. Schrijf op welke intelligentie het minst aan bod komt in jouw lessen. Schrijf vervolgens een vurig pleidooi om deze intelligentie in jouw lessen een grote plek te geven. Gebruik bij je pleidooi de theorie uit de opleiding die je argumenten kan ondersteunen. E. Benutten van verschillen Hoofdstuk 6: Verschillen als uitdaging Wat is het verschil tussen externe en interne differentiatie? Noem enkele voordelen en nadelen van differentiëren. Beschrijf ook vier nadelen of ongewenste effecten van differentiatie. Op welke manier kun je deze verkleinen? Benoem de vier leerstijlen van Vermunt Bedenk een tip voor een collega om hem te helpen bij het toepassen van differentiëren Hoe geef je differentiatie op capaciteit, motivatie en resultaat binnen de les concreet vorm? Geef een voorbeeld van elke vorm waarin je dit toepast. Hoe heb je differentiatie georganiseerd? Wat was het effect? Vermunt onderscheidt de ongerichte, reproductiegerichte, toepassingsgerichte en betekenisgerichte leerstijl. Als docent kun je aansluiten op deze leerstijlen door een toepassingsopdracht te geven aansluitend bij elk van deze leerstijlen. Schrijf zo n opdracht bij elke leerstijl voor een onderwerp waarin jij les geeft. Casus: van welke vorm van differentiëren is hier sprake? 7
Geef twee voorbeelden van externe differentiatie en twee voorbeelden van interne differentiatie. Wat is het verband tussen beide vormen van differentiatie. Welke vormen van differentiatie in de les hebben je voorkeur en waarom? Wat is jouw mening over differentiëren in jouw les en met toetsen? Wat zijn voor jou de meest belangrijke voordelen van differentiatie? Benoem er tenminste vier met voorbeelden uit je eigen omgeving. Bosker benoemt bij elk van de soorten differentiatie een aantal mogelijke effecten. Welke vorm(en) van differentiatie komen voor in de opleidingen / het opleidingsinstituut waar jij lesgeeft. Welke effecten zie jij bij deze vormen? Als er negatieve effecten zijn in jouw eigen lessen, hoe wil je hiermee dan in de toekomst omgaan? Benoem de verschillen tussen de leerstijlen van Kolb en Vermunt Hoofdstuk 7: Kiezen en plannen Wat leg je allemaal vast in een lesplan? Uit welke vaste onderdelen bestaat een les? Wat komt er in die verschillende onderdelen aan de orde? Wat breng je in kaart met de beginsituatie? Noem de vier aspecten van de beginsituatie waarmee je rekening houdt bij het voorbereiden van je les of hoorcollege. Beschrijf minimaal drie eisen gesteld aan het formuleren van leerdoelen Eén van de organisatievormen voor een les is groepswerk. Noem drie voordelen en drie nadelen van deze vorm. Maak drie goed geformuleerde leerdoelen uit jouw eigen lessen waarin je een opbouwende moeilijkheidsgraad laat zien Geef bij elk aspect van de beginsituatie een voorbeeld uit jouw eigen situatie Bedenk een lessituatie waarin je gebruik maakt van de organisatievorm circuit. Geef aan wat de verschillende opdrachten zijn en motiveer waarom het circuit de meest geschikte organisatievorm is Geef van vier verschillende media of hulpmiddelen minimaal twee voordelen en twee nadelen aan. Op basis waarvan maak je de keuze welke media je tijdens de les inzet? 8
Hoofdstuk 8: Presenteren met power Op welke manieren kun je omgaan met vragen van studenten? Noem er vier. Benoem de stappen van voorbereiding van een presentatie in logische volgorde. Benoem een aantal mogelijk valkuilen in de verbale communicatie en interactie tijdens een presentatie. Noem de vier onderdelen van lichaamstaal die je kunt inzetten om een overtuigende presentatie te geven. Geef daarbij per onderdeel de belangrijkste tip. Welke manieren van omgaan met vragen van studenten gebruik jij het meest, motiveer je keuze. Welke manier gebruik je nooit en waarom niet? In het boek wordt de aandachtscurve van studenten behandeld. Wat is de belangrijkste conclusie die je hieruit trekt? Hoe vertaal je deze informatie concreet naar jouw lessen? Teken de mogelijke aandachtscurve van de studenten tijdens het volgende hoorcollege: 5 min: Activerende opening, bespreken met buurman. 15 min: Uitleg theorie. 10 min: Casus oplossen in 3-tallen en nabespreken 25 min: Uitleg theorie 5 min: Quizvragen Wat is (zijn) je belangrijkste leerpunt(en) mbt presenteren met power. Hoe heb je daaraan gewerkt? Wat was het effect? Met welke stap van voorbereiding van een presentatie heb je het meeste moeite en waarom? F. Motiveren en stimuleren Hoofdstuk 9: Ze gaan ervoor! Wat is het verschil tussen intrinsieke motivatie en extrinsieke motivatie? Hoe zie je dat terug in het gedrag van studenten? Beschrijf de behoeftepiramide van Maslow 9
Waarin verschillen de behoeften tussen de G- en F-culturen? Geef aan hoe cultuurverschillen van invloed kunnen zijn op de behoeften van de deelnemers die deze les krijgen en op welke manier je daar rekening mee kunt houden. Wat is het verschil tussen interne en externe attributie? Geef van beiden een positief en een negatief voorbeeld. Noem minimaal drie taakgerichte en drie persoonsgerichte maatregelen om een student te stimuleren. Hoe ga je om met de twee soorten motivaties bij studenten in de les? Geef per niveau van de behoeftepiramide van Maslow een voorbeeld van hoe je dit niveau vertaalt naar de concrete lespraktijk. Er zijn drie manieren om studenten te stimuleren: behoeftegericht, taakgericht en persoonsgericht. Geef per manier aan hoe je studenten stimuleert. Wanneer houdt motiveren van studenten op voor jou? Van welke manieren om studenten te stimuleren: behoeftegericht, taakgericht en persoonsgericht maak je zelf vooral gebruik? Waarom juist die manier? Hoe doe je dat concreet? Wat is het effect? er de casus van het motivatiegesprek m.b.v. de hoeden van de Bono Hoe kun je de piramide van Maslow koppelen aan de theorie over intrinsieke en extrinsieke motivatie? Pas het coachmodel toe op de casus van het motivatiegesprek Koppel het triademodel aan differentiatiemogelijkheden. Hoofdstuk 10: Bestaan lastige studenten? Beschrijf welke drie vormen van weerstand er tijdens jouw les kunnen ontstaan en geef daarbij een voorbeeld. Aan welk gedrag herken je weerstand bij studenten? Wat zijn mogelijke oorzaken voor lastig gedrag in de klas? Hoe ga je om met weerstand in de klas? Benoem de vijf stijlen om met weerstand en conflicten om te gaan en geef bij elke stijl een voorbeeld van het docentengedrag dat daarbij hoort. Noem drievormen van ongewild lastig gedrag waarmee je in jouw les te maken kunt krijgen? Hoe herken je deze vormen? Noem bij elke vorm twee tips om hiermee om te gaan. 10
Beschrijf een student met lastig gedrag. In welke categorie valt het gedrag dat je beschrijft: agressie, degressie of regressie? Casus lastig gedrag bekijken vanuit model Beschrijf een situatie in jouw les waarbij er sprake was van weerstand. Wat heb je gedaan om de weerstand te verlagen? Waren dit acties op het inhoudelijke, het procedurele of het interactieve niveau? Casus van een intercultureel probleem uit PF. Wat zou er aan de hand kunnen zijn gekoppeld aan de motivatie en behoefte van de student? Welke voorzieningen zou jij willen treffen voor studenten met ongewild lastig gedrag? Koppel 5 soorten conflicthantering aan agressie, degressie en regressie Casus lastig gedrag: kan hier sprake zijn van een van de problemen van ongewild lastig gedrag Hoofdstuk 11: Pamperen en loslaten Welke vormen van feedback zijn er? Wat zijn de meest kenmerkende verschillen tussen de rollen van docent en tutor? Geef de vier fasen in het ontstaan van een groep. Benoem van elke fase twee karakteristieke kenmerken. Geef per fase een voorbeeld. Welke teamrollen kun je in groep tegenkomen? Benoem bij elke rol de belangrijkste kenmerken. Benoem bij de vier vormen van feedback die je kunt geven van elke vorm een voorbeeld uit jouw praktijk. Pas de eisen gesteld aan goede feedback toe in de volgende casus: Een student heeft voor de derde keer zijn les niet voorbereid en heeft ook de boeken en studiewijzer niet bij zich. Hierdoor houd hij de les nodeloos op. Wat zeg je tegen hem? Hoe geef je feedback op een student die zijn huiswerk niet gemaakt heeft? Groepsdynamica: Hoe gebruik je de kennis die je hebt opgedaan over groepsdynamica concreet in je lessen? Geef aan wat je met de teamrollen in de praktijk kunt doen. Geef vier voorbeelden van regels die je kunt stellen. Motiveer wat de grenzen bij deze regels zijn en hoe je ervoor kunt zorgen dat deze regels gehandhaafd worden. 11
Geef een voorbeeld van een motivatiegesprek dat je met een student hebt gevoerd. Geef aan hoe je het gesprek hebt opgebouwd en welk probleem je aan de orde hebt gesteld. Op welke punten zou je het gesprek een volgende keer anders doen? Welke groepsfase(n) herkennen je in je eigen situatie? Wat vind jij de waarde van rollen van Belbin? Bedenk een koppeling tussen de groepsfasen en mogelijke irrationele gedachten Hoofdstuk 12: De competente docent Noem de vier ontwikkelingsfasen van een docent met voor iedere fase twee belangrijke kenmerken: Met behulp van de Roos van Leary zijn verschillende gedragswijzen van docenten te onderscheiden. Welk docentengedrag heeft vooral effect op de prestatie van studenten? Leg uit. Welk docentengedrag beïnvloed de motivatie van studenten? Beschrijf het kernkwadranten model van Daniel Ofman. Uit welke vier gebieden bestaat het johari-window? Teken het en geef per gebied een korte toelichting. Teken het kwadrant van de theorie van Ik ben oké en beschrijf de kenmerken van de vier vakken Welke vijf soorten irrationele gedachten zijn er? Geef bij elke soort een voorbeeld vanuit een docent. Kun je het ABC-schema toepassen op een concrete situatie die je overkomen is tijdens één van je lessen? Wat levert het je op? Teken de 8 vormen van docentgedrag in de Roos van Leary en beschrijf twee (anonieme) voorbeelden uit je directe omgeving. Leg de vier vakken van het Johari window uit met een persoonlijk voorbeeld. Er zijn vier psychologische basishoudingen bij docenten te onderscheiden, de winnaarspositie, de arrogantiepositie, de slachtofferpositie en de wanhoopspositie. Welke basishouding past bij activerend opleiden? Wat houdt deze basishouding in Welke gedragswijze past bij jou? Wat zijn de kenmerken van deze gedragswijze? Wat zijn de valkuilen? Hoe kan de RET-methode je helpen in je ontwikkeling als docent? 12
Beschrijf met twee overtuigende voorbeelden in welke ontwikkelingsfase jij jezelf het meest herkent. Welke irrationele gedachten spelen bij jou? Maak een kernkwadrant voor een van de leerstijlen Koppel de 4 soorten feedback aan het Johari window G. Toetsen van resultaten Hoofdstuk 13: Resultaten die spreken De kwaliteit van het onderwijs kun je evalueren aan de hand van de evaluatiecyclus. Uit welke vier stappen bestaat deze cyclus? Wat zijn methoden/manieren om informatie te verzamelen? Waar herken je een student aan die reflectief is? Wat is het verschil tussen evalueren, feedback en reflecteren? Hoe kun je studenten helpen om te reflecteren? Wat is het verschil tussen een formatieve toets en een summatieve toets? Hoe kun je het rendement van de opleiding meten? Noem drie formatieve / summatieve toetsen in jouw situatie Welke beoordelaarsfouten herken je in de praktijk Welke soort toetsen gebruik je zelf veel en waarom? Welke methode/manieren om informatie te verzamelen gebruik je zelf en waarom? Wat doe je in de les (bij het ontwerpen van je les) om de kans op positieve transfer zo groot mogelijk te maken? Je wilt graag dat je studenten (beter) leren reflecteren. Noem tenminste acht activiteiten die reflectie stimuleren. Geef drie voorbeelden van transfer in je eigen praktijk Een student kan het geleerde niet toepassen in werk of stage. Wat zou er aan de hand kunnen zijn? Beoordeel een vaardigheidsformulier: is het valide, betrouwbaar etc Welke soort kwaliteit lever jij? er een student met een onvoldoende voor de toets m.b.v. het triademodel Geef aan welke van de vier niveaus de kwaliteit van onderwijs het meest zichtbaar in je eigen organisatie? Beschrijf kort de overeenkomsten en verschillen tussen formatief en summatief toetsen 13
Wat is jouw mening over het nadeel teaching to the test t.o.v. de eis tot transparantie? Vind je dat je rekening moet houden met studenten met etiketjes (ongewild lastig gedrag) tijdens de les en tijdens de toets? Hoe kun jij als docent een bijdrage leveren aan het rendement van de opleiding? Reflecteer op jouw eigen leerhouding tijdens de Leergang met het triple loop learningmodel Wat vind jij van het belang dat aan het externe rendement wordt gehecht? Welk advies heb jij om het rendement van jouw opleiding te verbeteren? Hoe kun je de verschillende intelligenties gebruiken bij de 4 evaluatieniveaus? Koppel de leerstijlen van Kolb en het reflectiemodel van Korthagen Hoofdstuk 14: Toetsen die kloppen Binnen het onderwijs kunnen we kennis, vaardigheden en attitude toetsen. Noem één of meerdere voorbeelden van soorten toetsen die je kunt gebruiken om kennis, om vaardigheden en om attitude te toetsen. Welke vier eisen stel je aan toetsen? Geef van iedere eis een voorbeeld. Bloom (revisie van Anderson en Krathwohl) onderscheidt in zijn taxonomie 6 soorten vragen: onthouden, begrijpen, toepassen, analyseren, evalueren en creëren. Waar zijn de creëer vragen op gericht? Hoe gebruik je de taxonomie van Bloom bij het maken van een toets? Welke toetsvormen kun je gebruiken voor het meten van kennis? Op basis waarvan maak je een keuze voor één van deze soorten toetsvormen? Benoem tenminste zes soorten toetsen en geef van iedere soort een voordeel en een nadeel. Waarom werk je bij vaardigheidstoetsen met een beoordelingsschaal? Wat zijn de voordelen van het werken met een beoordelingsschaal bij vaardigheidstoetsen? Hoe stel je een toets samen? Neem een voorbeeld uit je eigen praktijk en beschrijf hoe je daarbij de toets zou maken. Welke toetsvormen gebruik je zelf veel en waarom? Bedenk vragen / opdrachten op de zes niveaus van Anderson en Krathwohl gebaseerd op Bloom: Onthouden, Begrijpen,, ren, Evalueren en Noem een voorbeeld van een beoordelingsfout waar jij je als beoordelaar ook wel eens schuldig aan maakt. Bedenk bij jouw vaardigheid 1 item dat je wilt beoordelen. Maak een beoordelingsschaal met de categorieën: goed, voldoende, matig, onvoldoende 14
Maak een schema waarbij je Bloom aan Vermunt koppelt 15