Samenvatting Geschiedenis Hoofdstuk 3

Vergelijkbare documenten
heel veel was er nodig.

Samenvatting Geschiedenis Hoofdstuk 3 paragraaf 1 t/m 5

Samenvatting Geschiedenis Hoofdstuk 5, par. 2 t/m 9

Samenvatting Geschiedenis Hoofdstuk 3 1 t/m 9

Samenvatting Geschiedenis H3

Paragraaf 1: Het ontstaan van een industriële samenleving. Ontstaan industriële samenleving goederen in fabrieken gemaakt en mensen wonen in steden.

Tijd van burgers en stoommachines De sociale kwestie.

Samenvatting Geschiedenis Hoofdstuk 6

7,5. Samenvatting door Lisette 1239 woorden 18 april keer beoordeeld. Geschiedenis. Russische Revolutie

Samenvatting Geschiedenis Hoofdstuk 3 De Industri?le Revolutie

Burgers en Stoommachines. Tot 1:20

Samenvatting Geschiedenis Hoofdstuk 8: Tijd van burgers en stoommachines

Proef Geschiedenis Hoofdstuk 5

Samenvatting Geschiedenis Module 1: Industriele revolutie

Samenvatting Geschiedenis Hoofdstuk 2, Een trage revolutie

De industriële samenleving in Nederland. Hoofdstuk 3. Van stoommachine tot robot. indus_samenleving_2007_2009_vragen.doc

Naam:.. Fotokopie begrippen

Samenvatting Geschiedenis Hoofdstuk 1 de industri?le samenleving

Werkstuk Geschiedenis Nederland in de 19e eeuw

2,1: Nederlands-Indië, 19 e eeuw

SO 2 Tijdvak I AVONDMAVO Staat en Natie. Dit SO bestaat uit 37 vragen. 29 openvragen en 8 meerkeuze vragen.

Tijdvak van burgers en stoommachines ( ) / 19 e eeuw

Toetsvragen geschiedenis toelating Pabo. Tijdvak 8 Toetsvragen

Toetsvragen Geschiedenis toelating Pabo. Tijdvak 7 Toetsvragen

De Sovjet-Unie (9.3) Tijd van wereldoorlogen De Sovjet Unie.

De Industriële Revolutie. Veranderingen in de landbouw

Samenvatting Geschiedenis HST 5 - De Industrialisatie van het Westen

Tijd van burgers en stoommachines De Industriële Revolutie

Samenvatting Geschiedenis 51 een nieuw koninkrijk - 52 liberale revolutie gelijkheid voor iedereen

GROTE-LIJN-OVERZICHT VAN TIJDVAKKEN BEHANDELD IN LEERJAAR 1

7,2. 1 Wetenschappelijke revolutie. 2 Gevolgen van de wetenschappelijke revolutie. 3 Kenmerken van de verlichting

UIT arbeidsdeling

Samenvatting Geschiedenis Koude oorlog h1 en h2

Samenvatting Geschiedenis Hoofdstuk 5 De Romeinen

Samenvatting Geschiedenis Module 3, Welvaart in Amerika en Nederland

Samenvatting Geschiedenis H5

Het Congres van Wenen hertekent Europa (1815) (les 03 5des) Geschiedenis 5MEVO-5EM-5EI-5IW VTI Kontich

Hoofdstuk 5 Sprekend Verleden 2e fase VWO

Samenvatting Geschiedenis Hoofdstuk 2

GESCHIEDENIS EN STAATSINRICHTING CSE KB

Kenmerkend aspect 31: de Industriële Revolutie die in de westerse wereld de basis legde voor de industriële samenleving

Marx, Engels en de Industriële Revolutie

UIT de arbeidsmarkt

5,4. Politiek. Wat is democratie? Aanvullende kenmerken van een parlementaire democratie. Samenvatting door een scholier 2462 woorden 1 april 2006

Samenvatting Economie Hoofdstuk 4

Turken in Kreuzberg. Bram Vrielink en Jens Barendsen (2de)

Samenvatting Economie H 6

2. Russische geschiedenis in de 19e eeuw tot en met de Russische revoluties van 1917

Jagers & boeren Waarvan leefden de jagers-verzamelaars? Jagers & boeren Waarvan leefden de boeren? Van de jacht en van vruchten en planten

Союз СоветскихСоциалистических Республик

Wat zijn de oorzaken en gevolgen van het afschaffen van de kinderarbeid in Nederland?

Tegenwoordig werken jonge kinderen niet. Tot 1874 is dat anders. Kinderen. Waarom vinden mensen het goed dat kinderen werken?

Samenvatting geschiedenis H2 wetenschappelijke revolutie, verlichting en Franse Revolutie 2tm5 2 De verlichting De samenleving wetenschappelijk

CPN. Manifest der Communistische Partij

Tijd van burgers en stoommachines Emancipatie en democratisering. Onderzoeksvraag: Hoe werd de politiek gedemocratiseerd?

Samenvatting Geschiedenis Hoofdstuk 4

Samenvatting Geschiedenis De Tweede Wereldoorlog

TIJD VAN PRUIKEN EN REVOLUTIES

Eén Korea, twee landen

Tegenwoordig werken jonge kinderen niet. Tot 1874 is dat anders. Kinderen. Waarom vinden mensen het goed dat kinderen werken?

Bijlage VMBO-GL en TL 2005

Democratie en ismen; begrippen blijven, hun inhoud verandert

Arbeiders organiseert u! CNV Senioren 29 maart 2017

Werkstuk Geschiedenis Frankrijk in de tijd van het absolutisme

Samenvatting Maatschappijleer Politiek

Examenopgaven VMBO-KB 2004

4. De politieke en sociale ontvoogding. marxisme, socialisme, arbeidersbeweging en christendemocratie Pionier 5 p p.111

Politieke stromingen hv123. CC Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Nederland licentie.

GESCHIEDENIS EN STAATSINRICHTING CSE KB

Taakkaart 3 De ontdekking van de stoommachine: de industriële revolutie

DE DEMOCRATIE-INDEX GROEP 1: Hebben alle partijen min of meer gelijke kansen in de campagneperiode?

Samenvatting Moderne Geschiedenis ABC

Paragraaf 2 De hedendaagse arbeids samenleving 2.1 wat is een arbeids samenleving?

Samenvatting Aardrijkskunde Paragraaf 1.1 t/m , 1.8

Samenvatting door een scholier 2007 woorden 29 januari keer beoordeeld. Geschiedenis Sprekend verleden

Geschiedenis Amerika en Frankrijk in de tijd van pruiken en revoluties: een overzicht. Een les van: Bor

-5 $ -5 $ +5 $ -5 $ Loonsverhoging: De werknemers in jouw fabriek zijn blij omdat ze loonsverhoging krijgen.

De tijd van: Wereldoorlogen

Hoofdstuk 5: Koude Oorlog en Dekolonisatie

Examenopgaven VMBO-BB 2003

BASISVRAGEN TV 7-8 (KA 27-36)

Hitler op weg naar de macht Wie was Adolf Hitler?

Samenvatting Maatschappijleer Hoofdstuk 1

7,9. Samenvatting door een scholier 1248 woorden 29 september keer beoordeeld. Economie Samenvatting; de arbeidsmarkt

Propaganda: "systematische werkzaamheid om aanhangers te winnen voor zekere principes"

Eindexamen geschiedenis vwo II

Na de WOI vluchtte de keizer naar Nederland

Werkstuk Geschiedenis Communistisch Rusland

1 De economische ontwikkeling van Nederland in de 19-de eeuw

Samenvatting Aardrijkskunde hoofdstuk 1 paragraaf 2,3,4,7,8

Andere boeken in deze serie:

Examenkatern :Sociale zekerheid en verzorgingsstaat in Nederland

Deelcontext. Hoofdvraag Welke invloed had de Verlichting op de politieke cultuur, ?

Tijdvak I. 31 oktober : 30-10:00.

Examen VMBO-GL en TL 2005

Transcriptie:

Samenvatting Geschiedenis Hoofdstuk 3 Samenvatting door Edo 2719 woorden 30 juni 2014 4,1 7 keer beoordeeld Vak Methode Geschiedenis Sprekend verleden Par. 1 Pas de laatste 200 jaar maken we gebruik van machines. Pas in die tijd zijn mensen gebruik gaan maken van gas, olie, elektriciteit en atoomenergie. Het gebruik van al deze nieuwe machines en energiebronnen werd pas mogelijk door een groot aantal uitvindingen vanaf het einde van de 18 de eeuw. Aan die uitvindingen is nog steeds geen eind aan gekomen. Er zijn 5 dingen die het ontstaan van industrieën mogelijk maakten: Uitvindingen Energiebronnen Grondstoffen Zeer veel kapitaal Voldoende arbeidskrachten Voor veel mensen bracht het grote verandering in de samenleving toen de landbouw in West-Europa als belangrijkste middel van bestaan werd verdrongen door de industrie. De veranderingen waren zo groot, dat men ook wel spreekt van de Industriële Revolutie. Door deze revolutie ontstond er een Industriële samenleving. Als een agrarische samenleving door het toenemen van een aantal industrieën verandert in een industriële samenleving, wordt deze verandering industrialisatie genoemd. Ontstaan Industriële samenleving in de wereld: Engeland (halverwege 18 e eeuw) West-Europa, VS (halverwege 19 e eeuw) Oost-Europa, Japan (einde 19 e eeuw) Andere landen van de wereld (20 e eeuw (maar in de meeste gevallen bleef landbouw nog belangrijkste middel van bestaan))par. 2 De eerste fabrieken werden gebouwd bij snel stromende rivieren. Dat water kon gebruikt worden voor de aandrijving van de machines. Maar toen de stoommachine in gebruik kwam, werden de fabrieken dichtbij ijzer- en steenkoolmijnen gebouwd. De arbeiders die in de fabrieken werkten gingen bij de fabrieken wonen. Zo ontstonden nieuwe steden of groeiden oude steden flink. https://www.scholieren.com/verslag/samenvatting-geschiedenis-hoofdstuk-3-82624 Pagina 1 van 8

Massaproductie wordt ingevoerd. De groei van fabrieken werd ook mogelijk gemaakt door massaproductie, waarbij gebruik werd gemaakt van arbeidsverdeling en de lopende band. Er waren voor en nadelen bij massaproductie. Nadelen van massaproductie: Er kwam een einde aan het werk van gediplomeerde handwerkslieden. Het werk werd voor de arbeiders veel eentoniger. Er kwamen meer spanningen, want iedereen moest aan een bepaald tempo voldoen. Er kwam veel minder aandacht voor de arbeiders als mens. Voordelen van massaproductie: Het produceren werd veel sneller en goedkoper (hierdoor werden de producten betaalbaar voor de mensen). Kapotte onderdelen van producten konden steeds worden vervangen. Slechte werkomstandigheden van de fabrieksarbeiders. De arbeider moest in de fabriek zelf een machine bedienen. Hij maakte maar een onderdeel van het product zelf en had bijna geen gereedschappen meer in zijn handen. De machine bepaalde ook het tempo van het werk. Door dit alles verloor de arbeider een groot deel het plezier in zijn werk. Het werk in de fabriek was erg simpel. Hiervoor waren er dus ook geen gediplomeerde arbeiders nodig. Ongeschoolde arbeiders kregen meer kans op een baan in de fabriek dan gediplomeerde arbeiders, omdat de ongeschoolde arbeiders het werk bijna even goed konden doen en ook veel goedkoper. Voor vrouwen en kinderen gelde hetzelfde en waren zelfs nog goedkoper. In het begin van de industrialisatie werkten er dan ook meer kinderen en vrouwen dan mannen in de fabrieken. Kinderarbeid was niet nieuw. Eeuwenlang werkten kinderen al in de landbouw of in de nijverheid. Dit was normaal. Maar kinderarbeid in de fabrieken leverde veel kritiek op, want het werk in de fabrieken was ongezond en gevaarlijk. In de fabrieken werken was vaak onplezierig en ongezond. In een Engelse katoenfabriek in 1823 werkten arbeiders maarliefst 14 uur per dag, werkten in een temperatuur van ruim 30 graden, omdat in warmte en vochtigheid de draden van katoen minder gauw knapten. Als je het raam opendeed kreeg je een boete die niet niks was. Zo werden er veel boetes gegeven aan mensen die regels van de fabriek overtreden. Door de ongezondheid van de mensen braken er ook vaak ziektes uit. En werkloos wilde je ook niet raken, want dan kreeg je geen inkomsten en kon je alleen in leven blijven door particuliere liefdadigheid. Leven in de steden verbetert vanaf eind 19 e eeuw. Het leven in de steden was heel erg slecht en de regering nam dus maatregelen. Hieronder volgen de grootste veranderingen: Er kwam straatverlichting (eerst gas, later elektriciteit) en openbaar vervoer (de tram). Er kwamen meer uitgaansmogelijkheden (zoals toneel, sport en film). De steden kregen een ondergronds riolenstelsel. Er werden waterleidingen aangelegd. Er werd meer politie aangesteld om de burgers te beschermen. Het aantal scholen, ziekenhuizen en bibliotheken werd uitgebreid. https://www.scholieren.com/verslag/samenvatting-geschiedenis-hoofdstuk-3-82624 Pagina 2 van 8

De arbeiders gingen eigen activiteiten organiseren om elkaar te helpen. Paragraaf de. Onder kapitalisme verstaan we een economie waarin de grond en de bedrijven eigendom zijn van ondernemers die met hun bedrijf een zo groot mogelijke winst willen maken. De belangrijkste kenmerken van het kapitalisme zijn: Er is scheiding tussen arbeid en kapitaal. De werkgever is een zakenman die het kapitaal heeft om grondstoffen, werktuigen, vervoermiddelen en lonen te kunnen betalen. De meeste bedrijven zijn in handen van particulieren. De werkgevers proberen zoveel mogelijk winst te maken. Handelskapitalisme. Handelskapitalisme was een kapitalisme waarbij de winst door middel van handel werd gemaakt. Dit soort kapitalisme ontstond rond het jaar 1400. De kooplieden kochten de grondstoffen vaak in verre landen. Deze werden door boeren en arbeiders thuis verwerkt. De kooplieden verkochten de producten dan weer. Zij kregen de winst. Industrieel kapitalisme. Bij industrieel kapitalisme wordt er winst gemaakt door middel van de industrie. De belangrijkste werkgevers waren fabrikanten die in fabrieken producten lieten maken. De uitvinding van allerlei machines leidde aan het einde van de 18 de eeuw tot het verdwijnen van de huisnijverheid en het ontstaan van fabrieken, waar arbeiders kwamen werken. De meeste bedrijven worden naamloze vennootschappen (NV). Tot omstreeks 1870 waren de meeste bedrijven in handen van één eigenaar. Dat veranderde door de groei van het aantal NV s. In een NV bezitten mensen gezamenlijk een bedrijf door een of meer aandelen te kopen. Er waren fabrikanten die meer geld wilden om hun fabriek uit te bouwen of nieuwe fabrieken te bouwen. Om aan voldoende geld te komen verkochten zij aandelen aan mensen die hun geld wilden beleggen. Als je een aandeel kocht werd je mede-eigenaar van het bedrijf en kreeg je jaarlijks een deel van de winst van het bedrijf. Grootindustriëlen krijgen enorme invloed. De grootindustriëlen krijgen veel invloed op het dagelijks leven. Voorbeelden zijn: Een eigenaar van een spoorwegmaatschappij kon duizenden boeren in problemen brengen, door bijvoorbeeld de prijzen te verhogen voor het vervoer van de producten van de boeren. Een eigenaar kon ook sommige boeren of fabrikanten boven andere bevoordelen door voor hen lagere prijzen te berekenen. Grootindustriëlen konden verkiezingen beïnvloeden, door bijvoorbeeld geld voor propaganda te geven aan een politieke partij. Ze konden kranten kopen om redacties te benoemen die in de kranten schreven wat de grootindustriëlen wilden. Par. 4 Grote veranderingen in de gelaagdheid van de bevolking. Rond 1800 was de bevolking in West-Europa verdeeld in drie lagen: Een kleine bovenlaag, met de bourgeoisie (rijke kooplieden en fabrikanten) en de adel. Een kleine middenlaag, met de ambachtslieden, kleine handelaren, winkeliers en boeren met veel grond. De onderste laag, met arme boeren, landarbeiders en arbeiders in de steden. Op het platteland woonden toen veel meer mensen dan in de steden. Door de industrialisatie traden er in deze gelaagdheid veranderingen op: https://www.scholieren.com/verslag/samenvatting-geschiedenis-hoofdstuk-3-82624 Pagina 3 van 8

Opkomst van de fabrikanten. Door de opkomst van de industrie kwamen er meer rijke fabrikanten. Zij werden de belangrijkste groep van de bovenlaag. Minder arbeiders, meer fabrieksarbeiders. Rond 1800 vormden zij bijvoorbeeld in Frankrijk maar 2% van de bevolking. Een eeuw later waren zij de grootste bevolkingsgroep. Sterke uitbreiding van het personeel in de dienstensector. De mensen in de dienstensector maken niets, maar zij verrichten diensten voor andere mensen. Voorbeelden van mensen die diensten verlenen zijn: de politie, doktoren, verpleegsters, leraren. Sterke uitbreiding van de middelste laag van de bevolking. Er kwamen te veel arbeiders in de fabrieken werken voor de fabrikant om in de gaten te houden. Hiervoor werden mensen in dienst genomen. Deze mensen verdienden meer geld dan de arbeiders, maar minder dan de rijke bovenlaag. Grotere mogelijkheden om van de ene laag in de andere laag terecht te komen. In de industriële revolutie kwamen er veel nieuwe beroepen bij, waardoor de bevolkingslagen steeds onduidelijker werden. Het ging nu niet meer in welke laag je zat alleen om afkomst en bezit, maar ook om wat men presteerde. In de industriële samenleving begon men het werk van de arbeiders en werknemers te belonen. Hardwerkende mensen kregen meer kans om in een hogere laag terecht te komen. Omgekeerd kon ook. Als de zaken slecht liepen, maakte men veel meer kans om in een lagere bevolkingsgroep te komen. Par. 5 Conflicten tussen kapitaal en arbeid Werkgevers en arbeiders raken dikwijls met elkaar in conflict. De arbeiders werkten alleen voor hun loon. De fabriek was voor hen alleen maar belangrijk omdat deze werk verschafte. Door de nieuwe manier van werken (met de machines) hadden ze weinig plezier in hun werk. De meesten hadden weinig of geen opleiding gehad. Daardoor was hun kans om een hogere baan in de fabriek te krijgen heel klein. Voor hen was alleen een zo hoog mogelijk loon belangrijk. De arbeiders zagen dat een groot deel van de mensen in de stad een veel beter leven konden leiden. Het resultaat van deze situatie was dat werkgevers en arbeiders tegenover elkaar kwamen te staan. Regeringen brengen veranderingen aan, maar langzaam en weinig. Regeringen bemoeiden zich weinig met de industrialisatie en de problemen die daaruit voortkwamen. En als dat al gebeurde, dan koos de regering de kant van de fabrikanten door bijvoorbeeld een staking te verbieden. Deze houding van de regering had 2 oorzaken: De mensen die in de regering zaten, kwamen vaak uit dezelfde bovenlaag als de fabrikanten. De bovenlaag meende dat de regering de economie moest laten regelen door de fabrikanten. Armoede in de samenleving vond de bovenlaag normaal. https://www.scholieren.com/verslag/samenvatting-geschiedenis-hoofdstuk-3-82624 Pagina 4 van 8

Toch kwam er van verschillende kanten verzet tegen de nadelige kanten van de industrialisatie. Arbeiders richtten vakverenigingen en nieuwe politieke partijen op Sommige politici uit oude politieke partijen probeerden het lot van de arbeiders te verbeteren. Paus Leo XIII schreef in 1891 over de fouten van het industriële kapitalisme. Schrijvers als Charles Dickens en Emile Zola beschreven de omstandigheden in de fabrieken en de woningen van de arbeiders. Verschillende kunstenaars namen het in hun kunstwerken op voor de arbeiders. Steeds meer politici vonden hierdoor dat er iets aan het lot van de arbeiders moest worden gedaan. Maar het ging allemaal heel langzaam. In Frankrijk kregen arbeiders in 1871 kiesrecht, in andere West-Europese landen rond 1900 en in Nederland in 1917. In 1900 werden pas de sociale wetten ingevoerd, zoals werktijden voor kinderarbeid die beperkt werden. En wetten zoals gezondheidszorg, onderwijs voor de jeugd, betaalde vakantie en uitkeringen. Arbeiders gaan zich organiseren in vakverenigingen en politieke partijen. Sommige arbeiders en anderen besloten om voor de belangen van arbeiders op te komen, omdat de regels die ingevoerd waren niet goed werden uitgevoerd of er zelfs geen voor waren, zoals voor de loon. Ze richtten vakverenigingen op om het lot van de arbeiders te verbeteren. De regeringen verboden deze vakverenigingen eerst, maar aan het einde van de 19 de eeuw mochten de arbeiders zich weer organiseren en staken. Eerst weigerden de werkgevers met de vakverenigingen te onderhandelen, wat conflicten veroorzaakten. Maar hierdoor gingen de arbeiders staken waardoor de werkgevers wel moesten onderhandelen, omdat stakingen heel gevaarlijk konden zijn voor bedrijven. Zo werd het normaal, dat vakverenigingen en werkgevers met elkaar onderhandelden over lonen, werktijden en werkomstandigheden. Als je tot een overeenkomst kwam, dan werd dit een CAO (collectieve arbeidsovereenkomst) genoemd. Sommige arbeiders vonden de strijd van de vakverenigingen niet voldoende, want ze wilden ook invloed hebben op het bestuur van het land en besloten daarom om politieke partijen op te richten. Hiermee wilden ze een nieuwe samenleving waarbij het leven voor hun zelf beter zou zijn. Par. 6 Een massapers ontstaat. In de 19 e eeuw kon alleen de bovenste laag kranten kopen en lezen. De eerste kranten gaven voornamelijk economische en politieke berichten door. Hierna waren er 2 verschillende soorten kranten. De opiniepers en de populaire pers. In de opiniepers staan meningen over economie en politiek en in de populaire pers staan berichten over moorden, berovingen, schandalen en sport. Deze waren vooral voor de arbeiders die onderwijs hadden gedaan en die goedkope kranten wilden. Par. 7 Het socialisme Wat is socialisme? Sommige mensen vonden dat kapitalisme moesten worden vervangen door socialisme. Socialisme was een stroming dat vooral gelijkheid belangrijk vond. Ze wilden dat de productiemiddelen in handen kwam van alle mensen. Met productiemiddelen bedoelde men: alles wat nodig was om te kunnen produceren. https://www.scholieren.com/verslag/samenvatting-geschiedenis-hoofdstuk-3-82624 Pagina 5 van 8

Marxisme en de geschiedenis Van de verschillende soorten socialisme werd het marxisme het belangrijkst. Het marxisme is bedacht door de Duitser Karl Marx (1818-1883). Hij bestudeerde de geschiedenis van de volken en landen, en vond dat er overal het zelfde aan de hand was. Een bepaalde groep had de productiemiddelen in handen. Die groep had dan ook de macht in de samenleving en bepaalde die groep de hele cultuur van de samenleving. Marx zijn eerste uitgangspunt was: de economische verhoudingen (alles wat te maken heeft met het bezit van productiemiddelen) maken uit wie in een samenleving de macht heeft en wat de cultuur van die samenleving is. Marx noemde de bevolkingsgroep die de productiemiddelen bezat, de heersende klasse. Deze klasse liet de rest van de bevolking voor zich werken. Deze bevolkingsgroep noemde hij de onderdrukte klasse. Vaak was er in de loop van de geschiedenis een strijd tussen de twee klassen: de klassenstrijd. Deze klassenstrijd werd uiteindelijk gewonnen door de burgers. Daardoor ontstond er een nieuwe samenleving. Hieruit leidde Marx zijn tweede uitgangspunt af: als de economische verhoudingen veranderen, ontstaat er een klassenstrijd en komt er een nieuwe samenleving. Het Communistisch Manifest Marx noemde zijn leer zelf niet het Marxisme, maar het Communisme. De communistische revolutie (een klasseloze samenleving) zou over de hele wereld tegelijk kunnen gebeuren. Maar dan moesten de arbeiders zich wel internationaal organiseren. De marxisten vallen uiteen in socialisten en communisten In de tweede helft van de 19 e eeuw werden in veel Europese landen marxistische partijen opgericht. Tegen het einde van de 19 e eeuw kwamen de meeste leiders van de marxistische partijen tot de conclusie dat het zinloos was om te blijven wachten op de ineenstorting van het kapitalisme. Er moest iets worden gedaan. De marxisten zagen twee mogelijkheden: De eerste mogelijkheid was om gebruik te maken van de democratie en zorgen dat er een marxistische regering kwam die het kapitalisme zou afschaffen en het socialisme zou invoeren. De tweede mogelijkheid was een nieuwe revolutie organiseren. De invloed van het marxisme. De voorspellingen van Marx zijn niet uitgekomen. Toch heeft zijn leer grote invloed gehad: Na de tweede wereldoorlog bracht de communistische Sovjet-Unie (Rusland) in Oost-Europa communistische regeringen aan de macht. Ook in China, Noord Korea, Cambodja, Vietnam, op Cuba en in enkele Afrikaanse landen namen communisten de macht in handen. In veel Europese landen kregen socialistische vakbonden grote invloed. Door hun acties veranderden zij ook het denken bij nietsocialisten. Steeds meer mensen vonden dat iedereen gelijke kansen moest krijgen. Er werden dan ook veel hervormingen ingevoerd om de samenleving te verbeteren. Begrippenlijst: Par. 1 Industriële samenleving: Een samenleving waarin de meeste goederen in fabrieken worden gemaakt en waarin de meeste mensen in steden wonen. Industriële Revolutie: Een revolutie waarbij landbouw als belangrijkste middel van bestaan wordt verdrongen door de industrie. https://www.scholieren.com/verslag/samenvatting-geschiedenis-hoofdstuk-3-82624 Pagina 6 van 8

Industrialisatie: De overgang van een agrarische samenleving naar een industriële samenleving. Par. 2 Massaproductie: een productiesysteem waarmee grote aantallen van precies hetzelfde product worden gemaakt. Arbeidsverdeling: het maken van producten in verschillende stappen. Iedere arbeider verrichte een handeling. Lopende band: een product in wording van arbeider naar arbeider brengen. Par. 3 Kapitalisme: een economie waarbij ondernemers een zo n groot mogelijke winst willen maken. Scheiding tussen kapitaal en arbeid: Het niet aanwezig zijn van de werkgever bij het werk van de arbeider. Handelskapitalisme: kapitalisme waarbij de winst door middel van handel gemaakt wordt. Industrieel kapitalisme: kapitalisme waarbij de winst door middel van industrie gemaakt wordt. Naamloze Vennootschap (NV): in een NV bezitten mensen gezamenlijk een bedrijf door een of meer aandelen te kopen. Par. 4 Dienstensector: mensen in de dienstensector maken niets, maar verrichten iets. Par. 5 Sociale wetten: wetten voor de leefomstandigheden van mensen, zoals gezondheidszorg, ziektegeld, uitkering. Vakverenigingen: verenigingen van arbeiders om het lot van hun te verbeteren. CAO: een collectieve arbeidsovereenkomst. Par. 6 Opiniepers: een krant die meningen gaf over economie en politiek. Populaire pers: een krant met berichten over moorden, berovingen, schandalen en sport. Par. 7 Socialisme: een stroming die vooral gelijkheid belangrijk vond. Productiemiddelen: alles wat nodig was om te kunnen produceren. Marxisme: een soort socialisme die is bedacht door de Duitser Karl Marx. Heersende klasse: Een klasse die de rest van de bevolking voor zich liet werken. Onderdrukte klasse: de bevolkingsgroep die werkte voor de heersende klasse. Klassenstrijd: de strijd tussen de heersende klasse en de onderdrukte klasse. Proletariaat: de onderdrukte klasse. https://www.scholieren.com/verslag/samenvatting-geschiedenis-hoofdstuk-3-82624 Pagina 7 van 8

Het Communistisch Manifest : een pamflet geschreven door Marx en zijn vriend Friedrich Engels. Revisionisme: herziening. Sociaal-democratisch: het socialisme op een democratische manier. Marxisme-lenisme: de leer van de Russische partij van Lenin Par. 8 Congres van Wenen: Nadat Napoleon was verslagen, kwamen de vorsten van de overwinnende landen in Wenen bijeen om over de toekomst van Europa te beslissen. Deze bijeenkomst heette het congres van Wenen. Conservatisme: het proberen om veranderingen langzaam en voorzichtig door te voeren. Conservatieven: de aanhangers van de ideeën van het Conservatisme Par. 9 Liberalisme: het streven naar vrijheid voor het individu op alle gebieden. https://www.scholieren.com/verslag/samenvatting-geschiedenis-hoofdstuk-3-82624 Pagina 8 van 8