Samenvatting Frans Grammatica

Vergelijkbare documenten
Talenquest Frans 2thv: Grammatica

Samenvatting Frans Stencil Franse tijden

Taalregels. Praten, hebben, zijn, gaan, De werkwoorden

SECTION 7. LES PRONOMS PERSONNELS de persoonlijke voornaamwoorden

Aantekening Frans les pronoms personnels

VOCABULAIRE FRANCOFAN 1 MODULE 1 5. bonjour goeiedag voilà daarzo. salut hallo voici hierzo. oui ja aussi ook. non nee d accord ok.

GRAMMAIRE DE BASE FRANS VOOR DE LAGERE SCHOOL

U21 mezelf en anderen voorstellen. Ik heet Ric. / M n naam is Verdonk. Wat is je voornaam? M n voornaam is Luc. Ziehier m n vriend. Hij heet Yvon.

4,8. Le Présent (tegenwoordige tijd) Le passé composé. Opdracht door een scholier 744 woorden 7 januari keer beoordeeld

Exercice A Vocabulaire F-N I Vertaal de vetgedrukte woorden in het Nederlands. II Noteer het juiste woord en vertaal het in het Nederlands.

UNITE 26 : On a joué, on a nagé, on a chanté!

Frans grammatica hoofdstuk 1 en 2

Aantekening Frans Vervoegingen werkwoorden (avoir, etre, faire, vouloir, pouvoir, aller)

6,2. Samenvatting door Jens 368 woorden 10 februari keer beoordeeld. 1.-Woorden SO en GP Frans (15/ )

Samenvatting Frans Grammaticatijden

Samenvatting Frans Franconville tape 9

Les gebruik je voor zelfstandige naamwoorden in het meervoud. Mannelijk of vrouwelijk maakt niet uit: les frères de broers les soeurs de zussen

Vocabulaire September - december Vijfde leerjaar klas Birgit

6,6. Begrippenlijst door Jessy 1095 woorden 25 juni keer beoordeeld. Grandes Lignes Phrases Clés. Hoofdstuk 1. Ça va? = Hoe gaat het?

SECTION 3. L ADJECTIF het bijvoeglijk naamwoord

15 et qui paie le loyer?

3 L adjectif Het bijvoeglijk naamwoord

En action 6. Woordtrainer. Salut! Ga naar voor meer informatie.

naam :.. nr. : klas :.. computer :..

Aantekening Frans Werkwoorden Frans

Unité 3 Diagnose Kopieerblad 1. Bon! Je kunt in het Frans tot en met 39 tellen. 17,

Le logement. In deze les leert u

4 nummer 1 nummer 2 nummer 3

basiszinnen spreekvaardigheid

1 Spelling en uitspraak

J' à Amersfoort, Lindenlaan 23.

Vendredi le dix-huit de cembre 2015.

Herhalingen over grammatica (voor de examens)

Antwoorden Frans Étape 8 (Franconville)

pagina 1 van 5 VAN IN

Chapitre 4, Ensemble!

Opdracht A1/A2 EERSTE RONDE TOP 50 FRANCOPHONE

Samenvatting Frans Oefeningen en herhaling

5.5. Boekverslag door K. 718 woorden 3 februari keer beoordeeld. Frans toetje met vanillevla en geklopt eiwit

naam :.. nr. : klas :.. computer :..

VOCABULAIRE & GRAMMAIRE FRANCOFAN 1 MODULE 1 10

J aimerais savoir. Que je suis content! Pourrais-tu parler plus lentement? Bouger me fait mal.

BEGINNERSCURSUS DAG 2

LEXIQUE DE BASE FRANS VOOR DE LAGERE SCHOOL

Veilig werken? Da s kinderspel! Travailler en toute sécurité? Un jeu d enfant!

Samenvatting Frans Hoofdstuk 1

C'est fini les vacances!

Mogelijke 'vragen' mondelinge examens zesde leerjaar (per 4 contacten):

Vak: Frans Klas: H2+V2-4 uur UNITÉ 1 Algemene informatie: Wat moet je kennen: Wat moet je kunnen: Toetsing: Lesperiode: week 36 t/m week 40

Unité 6 Diagnose Kopieerblad 1

Zinsontleden en woordbenoemen groep 7/8

Villangues Carnet de voyage, op reis naar Taalstad

naam :.. nr. : klas :.. computer :..

Bilan 4 «À la recherche»

III. L adjectif. III. L adjectif. 1. Accord de l adjectif 1.1 L adjectif prend s 1.2 L adjectif + E 1.3 L adjectif substantivé

een boek boeken het boek de boeken een boom bomen de boom de bomen een vriendin vriendinnen de vriendin de vriendinnen

Vocabulaire januari juni Vijfde leerjaar klas Birgit

Q U K G D T P E H B Z L R W C I F J M S X. Maman est allée au supermarché. Elle a acheté beaucoup et elle a tout mis. en plastique.

l'argent Donne. L'argent! pris J'ai pris mon suppositoire. Dépêche-toi! sûr - T'es sûr? Je connais quelqu'un qui peut. Merci Merci. Au revoir.

MONITEUR BELGE Ed. 3 BELGISCH STAATSBLAD

Inhoud. Taalregel Etape Bladzijde

Reizen Algemeen. Algemeen - Belangrijkste benodigdheden. Algemeen - Conversatie. Vous pouvez m'aider, s'il vous plaît?

Bonjour, Amicalement. Peter SE PRÉSENTER (2DE GRAAD BSO)

Quel travail font tes parents? Ma mère travaille à la maison et mon père travaille dans une office. Welk

Reizen Algemeen. Algemeen - Belangrijkste benodigdheden. Algemeen - Conversatie

Unité 5 Diagnose Kopieerblad 1

k ga naar school e vais à l ecole

Reizen Algemeen. Algemeen - Belangrijkste benodigdheden. Algemeen - Conversatie

Reizen Algemeen. Algemeen - Belangrijkste benodigdheden. Algemeen - Conversatie. Om hulp vragen. Vragen of iemand Engels spreekt

naam :.. nr. : klas :.. computer :..

werkwoorden in de toekomende tijd

naam :.. nr. : klas :.. computer :..

Le Français des vacances. Niveau

Beschrijving van de taalniveaus van A1 tot C1

Voorbeelden van examenopgaven moderne vreemde talen op niveau A2

MÉTRO, BOULOT, DODO. Unité 1. Vocabulaire 1 Lees de zinnen en kruis het juiste woord / de juiste uitdrukking aan.

PRONOMS PERSONNELS <lang> (3 HAVO-VWO) 1. VORMEN : vier rijtjes:

* Les illustrations peuvent s écarter de la réalité. * Afbeeldingen kunnen afwijken van de werkelijkheid.

52686 MONITEUR BELGE Ed. 2 BELGISCH STAATSBLAD

2 Правописание Spelling 11 Hoofdletters en kleine letters 11 Klinkers na de sisklanken ж, ч, ш, щ / г, к, х / ц 12 Interpunctie 12

GRAMMATICA 1 ZELFSTANDIGE NAAMWOORDEN. 1.1 Eigennamen Geografische benamingen Meervoud van zelfstandige naamwoorden

Het minimum toepasselijk op het bediendenpersoneel, wordt vanaf 1 januari 2000 bepaald :

1.1 Introduction Leçon 1: Se présenter Prononciation Culture: Un, deux, trois ou quatre bisous Grammaire...

Het enkelvoud van het bezittelijk voornaamwoord: mon/ma ton/ta son/sa

Voudriez-vous me faire savoir si vous pouvez nous recevoir dans votre hôtel le 16 août dans l après-midi?

MONITEUR BELGE BELGISCH STAATSBLAD. Numéro tél. gratuit : Gratis tel. nummer : N. 351 INHOUD SOMMAIRE. 144 bladzijden/pages

Hôtel Eurocatering. 26 oct. Sauna 24, , oct. Petit-déjeuner 14, ,50. Sous-total 3645,25 TVA 21% 765,50.

Toetsen juni Wat moet ik leren voor. Frans. Toetsenplanning juni de leerjaar De eik Wellen

Ben Dijkzeul. Kortom. Franse grammatica. Walvaboek

Reizen Accommodatie. Accommodatie - Vinden. Accommodatie - Boeking. Où puis-je trouver? Om de weg naar je accommodatie vragen

Zich voorstellen. Hoofdstuk 1 Chapitre 1. Se présenter OBJECTIFS

17609_Manual_zet in en win.indd :03

Transcriptie:

Samenvatting Frans Grammatica Samenvatting door een scholier 3050 woorden 11 oktober 2008 6,2 213 keer beoordeeld Vak Methode Frans D'accord! Grammatica Frans eerste jaar 1. Het lidwoord: L article défini (bepaald lidwoord) en lárticle indéfini (onbepaald lidwoord) Mannelijk Vrouwelijk un une In het Frans kunnen zelfstandige naamwoorden mannelijk of vrouwelijk zijn. Bij elk zelfstandig naamwoord moet je er un of une bij leren om dit te weten. mannelijk vrouwelijk klinker of stomme h onbepaald een un cartable une terasse un ami une ami enkelvoud de/het le poster ( le woorden) la table (la woorden) l armoire de ma tante ( l woorden) meervoud de les posters les tables les armoires de ma tante geen lidwoord des cartables des cartables des amis/des amies 2. Werkwoorden zijn en hebben être= zijn avoir = hebben je suis ik ben j ai Ik heb tu es jij bent tu as jij hebt il est hij is il a hij heeft elle est zij is elle a Zij heeft nous sommes wij zijn nous avons wij hebben vous êtes jullie zijn vous avez jullie zijn ils sont zij zijn (m) ils ont zij zijn (m) elles sont zij zijn (v) elles ont zij zijn (v) De e van je verdwijnt als hij wordt gevolgd door een klinker. Ervoor in de plaats komt apostrof ( komma in de lucht) Meervoudsvromen zijn in het Nederlands gelijk aan het hele werkwoord. In het Frans zijn ze verschillend. 3. Telwoorden (les nombres) Tellen van 1 tot en met 1000 https://www.scholieren.com/verslag/samenvatting-frans-grammatica-31855 Pagina 1 van 13

4. Rangtelwoorden In het Frans vorm je een rangtelwoord door ième achter het hoofdtelwoord te zetten. Behalve eerste dat wordt premier. Let goed op bij de schrijfwijze van: vierde quatrième, vijfde cinquième, negende neuvième 5. Voorzetsels (la préposition) op sur in dans onder sous voor devant achter derrière 6. Bijvoeglijk naamwoord ( l adjectif) mannelijk enkelvoud Le lit est petit ( Het bed is klein) vrouwelijk enkelvoud La table est petite ( de tafel is klein) Bij vrouwelijke bijvoegelijke naamwoorden komt er een e achter de mannelijke vorm. Het onderwerp vervangen: Mannelijke enkelvoud: il Voilà le lit. Il est rouge ( Daar is het bed. Het is rood) Vrouwelijk enkelvoud: elle Voici la table. Elle est jaune. ( Hier is de tafel. Die is geel.) Personen of voorwerpen vervangen door il en elle, ils en elles (persoonlijk voornaamwoord= le pronom personnel) 7. Regelmatige werkwoorden die eindigen op er ( les verbes) Aimer en jouer hebben dezelfde uitgang. Ze eindigen op er. Ze zijn regelmatig. Dit betekent dat ze op dezelfde wijze worden vervoegd als de meeste andere werkwoorden die eindigen op er. Andere regelmatige werkwoorden: désirer = wensen donner = geven chanter = zingen parler = praten aimer = houden van j aim e ik houd van tu aim es jij houdt van il aim e hij houdt van elle aim e zij houdt van on aim e men houdt van, we houden van nous aim ons wij houden van vous aim ez jullie houden van, u houdt van ils aim ent zij houden van elles aim ent zijn houden van ( meervoud, vrouwelijk) De vetgedukte lettergrepen hoor je niet bij de uitspraak https://www.scholieren.com/verslag/samenvatting-frans-grammatica-31855 Pagina 2 van 13

Aimer + bepaald lidwoord+ zelfstandig naamwoord. j aime le foot j aime la musique j aime l internet j aime les films Aimer + infinitief j aime jouer au football ( ik houd van voetballen) j aime bavarder ( ik houd van kletsen) 8. De ontkenning ( la négation) Ik speel je joue Ik speel niet je ne joue pas Als je een zin ontkennend maakt dan zet je ne / n voor de persoonsvorm en pas achter de persoonsvorm. Let op: Als de persoonsvorm met een klinker of stomme h begint zeg / schrijf je n. 9. Zelfstandige naamwoorden schema voor de meeste zelfstandige naamwoorden mannelijk vrouwelijk enkelvoud - e meervoud s es (ami- amie amis- amies) 10. De vorm van het bijvoeglijk naamwoord (l adjectif) mannelijk enkelvoud vrouwelijk enkelvoud regelmatig + e content contante bijvoegelijk naamwoord op eux x wordt -se heureux heureuse bijv. nw op e b-e blijft e Aziz est triste Valerié est triste De vorm van het bijvoeglijk naamwoord past zich aan aan het zelfstandig naamwoord waar het bij hoort. 11. Het bezittelijk voornaamwoord (le pronom possessif) mannelijk enkelvoud vrouwelijk enkelvoud meervoud mijn mon frère ma soeur mes parents jouw ton frère ta soeur tes parents zijn / haar son frère sa soeur ses parents 1 vorm voor mannelijk en vrouwelijk onze/ons notre notre votre votre leur leur nos jullie/uw vos https://www.scholieren.com/verslag/samenvatting-frans-grammatica-31855 Pagina 3 van 13

hun leurs Toi et ta soeur = jij en je (jouw) zus Let op!als het vrouwelijke enkelvoud begint met een klinker of een stomme h dan is het niet ma,ta, sa, maar mon, ton, son. Let op bij: son sa ses Caro et son frère= Caro en haar broer-( broer is mannelijk) Aziz et sa mère = Aziz en zijn moeder ( moeder is vrouwlijk) In het Nederlands ben je gewend om het bezittelijk voornaamwoord aan te passen aan de bezitter In het Frans moet je kijken naar het bezit, of anders gezegd: het zelfstandig naamwoord dat direct volgt op het bezittelijk voornaamwoord. Bezittelijk voornaamwoord past zich aan aan het zelfstandig naamwoord waar het bij hoort. 12. Vraag en antwoord Als je een vraag beantwoord moet je het onderwerp van de zin op een goede manier aanpassen Vraag Antwoord voorbeeld Je Je ( vraag aan jezelf gesteld) Tu ( vraag aan ander gesteld) J aim mon classeur? = Qui, j ai mon classeur ( multomap) Aziz, j ai mon classeur = Qui tu as ton classeur Tu Je Tu as ton classeur? = Qui, j ai mon classeur Il ll Il a son classeur? = Qui, il a son classeur Elle Elle Elle a son classeur? = Qui elle a son classeur Nous Nous ( vraag aan jullie zelf) Vous ( vraag aan anderen) Nous avons des classeurs? = Qui, nous avons des classeurs Nous avons des classeurs? = Qui, voes avez des classeurs Vous Nous Je Vous avez des classeurs?= Qui, nous avons des classeurs Vous avez des classeurs? = Qui, j ai des classeurs Vous is één persoon tegen wie je beleefd bent Ils Ils Ils ont des classeurs? = Qui, ils ont des classeurs Elles Elles Elles ont des classeurs? = Qui, elles ont des classeurs 13. Onregelmatig werkwoord Aller = gaan je vais nous allons tu vas vous allez il, elle, est va ils,elles vont 14. Onregelmatig werkwoord prendre = nemen je prends nous prenons tu prends vous prenez il, elle, est prend ils,elles prennent 15. Het delend lidwoord ( l article partitif) het delend lidwoord gebruik je als er in het Nederlands geen lidwoord staat Voorbeeld un coca een cola le coca de cola https://www.scholieren.com/verslag/samenvatting-frans-grammatica-31855 Pagina 4 van 13

du coca cola des cocas cola s les cocas de cola s mannelijk enkelvoud du saucisson vrouwelijk enkelvoud de la confiture enkelvoud voor klinker of stomme h de l eau de l huile meervoud des asperges 16. A+ le/la/ l Let op!! à + le au au marche à + la à la à la boulangerie à + l à l je vas à l hypermarché (voor stomme klinker/ stomme h) je vas à l ecole à+ les aux (meervoud) On va aux magasins 17. Hoeveelheidswoorden Na een hoeveelheidswoord volgt de of d Behalve! na een telwoord deux bouteilles hoeveelheidswoorden( denk aan de of d ): un kilo d asperges un pot de confiture une bouteille d eau cent grammes de roquefort beaucoup de carambars un paquet de chips Vous voulez combien de saucisson? 18. Werkwoord komen (onregelmatig werkwoord je viens tu viens il/elle/on vient nous venons vous venez ils/elles viennent 19. De kloktijden: kwartieren en minuten Quelle heure est-il? Il est quatre heures cinq. Het is vijf over vier. Il est quatre heures dix. Het is tien over vier. Il est quatre heures et quart. Het is kwart over vier. II est quatre heures vingt. Het is twintig over vier. Il est quatre heures vingt-cinq. Het is vijf voor half vijf Let op: bij het eerste halfuur tel je de minuten op bij het dichtstbijzijnde uur dat voorafgaat. In de voorbeeldzinnen is dat vier uur. Il est cinq heures moins cinq. Het is vijf voor vijf Il est cinq heures moins dix. Het is tien voor vijf. https://www.scholieren.com/verslag/samenvatting-frans-grammatica-31855 Pagina 5 van 13

Il es' cinq heures moins le quart. Het is kwart voor vijf II est cinq heures moins vingt. Het is tien over half vijf II est cinq heures moins vingt-cinq. Het is vijf over half vijf. Let op: bij het tweede halfuur trek je de minuten of van het dichtstbijzijnde uur dat volgt. In de voorbeeldzinnen is dat vijf uur. moins betekent hier 'min'. 20. Le Passé composé (voltooid tegenwoordige tijd) Met de passé composé kun je vertellen wat al gebeurd is. (Ik heb gezongen) In het Nederlands is dat de voltooid tegenwoordige tijd en die maak je zo: avoir of être (tegenwoordige tijd) + voltooid deelwoord Meestal gebruik je avoir als hulpwerkwoord Manger J'ai mangé Ik heb gegeten. Tu as mangé Jij hebt gegeten Il a mangé Hij heeft gegeten Nous avons mangé We hebben gegeten/ men heeft gegeten Vous avez mangé Jullie hebben gegeten/ u heeft gegeten Ils ont mangé Zij (m/v) hebben gegeten Chanter J'ai chanté Tu as chanté Il a chanté Nous avons chanté Vous avez chanté Ils ont chanté Finir J'ai fini Tu as fini Il a fini Nous avons fini Vous avez fini Ils ont fini Aller Je suis allé(e) Tu es allé(e) Il (elle) est allé(e) Nous sommes allé(e)s Vous êtes allé(e)s Ils (elles) sont allé(e)s Het voltooid deelwoord van regelmatige werkwoorden wordt gevormd door de uitgang er te vervangen door é Bij vervoeging verandert alleen het hulpwerkwoord. Het voltooid deelwoord verandert niet van vorm. Bij onregelmatige werkwoorden moet je het voltooid deelwoord uit je hoofd leren Voorbeelden: gagner winnen gagné gewonnen jouer spelen joué gespeeld https://www.scholieren.com/verslag/samenvatting-frans-grammatica-31855 Pagina 6 van 13

habiter wonen habité gewoond manger eten mangé gegeten 21. Ontkenning en passé composeé Je maakt de passé composé ontkennend door ne/n voor de persoonsvorm ( het hulpwerkwoord te zetten en pas erachter. J' n ai pas gangé Ik heb niet gewonnen. Tu n as pas gangé Il n a pas gangé Nous n avons pas gangé Vous n avez pas gangé Ils n ont pas gangé 22. Le Futur Proche ( tegenwoordige tijd bij gebeurtenis in nabije toekomst) Aller + het hele werkwoord. Je vais travailler ik ga werken Tu vas travailler Il/Elle/On va travailler Nous allons travailler Vous allez travailler Ils/Elles vont travailler In het Nederlands gebruik je vaak de tegenwoordige tijd om een gebeurtenis in de nabije toekomst aan te geven. In het Frans moet je dan de futur proche gebruiken. Demain je vais jouer au foot morgen ga ik voetballen. Dus: Om aan te geven wat je in de nabije toekomst gaat doen moet je in het Frans een vorm van aller + het hele werkwoord gebruiken 23. De tijden van het werkwoord Passé composé : hier j ai travaillé voltooide tijd: gisteren ik heb gewerkt Presént : aujourd hui je travaille tegenwoordige tijd: vandaag ik werk Futur proche : demain ( aller + infinitif) je vais travailler toekomende tijd: morgen gaan + heel ww. ik ga werken 24. Vraagwoorden Comment t appelles? Hoe heet jij? Tu habites où? Waar woon jij? Quand arrives-tu? Wanneer kom jij? https://www.scholieren.com/verslag/samenvatting-frans-grammatica-31855 Pagina 7 van 13

Quel âge as-tu? Hoe oud ben jij? Qui est-ce? Wie is het? Quést-ce que c est? Wat is het? Ã quelle heure tu arrives? Hoe laat kom jij? 25. De maanden van het jaar. Janvier januari Février februari Mars maart Avril april Mai mei Juin juni Juillet juli Août augustus Septembre september Octobre oktober Novembre november Décembre december 26. Schanierwoorden d abord eerst puis/aprés/ensuite vervolgens/daarna finalement ten slotte Grammatica Frans tweede jaar. 1. In/naar+ aardrijkskundige naam. bij landen-/streken : Mannelijk : au (à + le) Le Maroc au Maroc Le Portugal au Portugal Vrouwelijk ( de meeste landen) en ( zonder lidwoord) la France en France la Hollande en Hollande la Gironde en Gironde l Espagne en Espagne Meervoud : aux (à + les) les Pays-Bas aux Pays Bas les États-Unis aux Etats-Unis Bij plaatsnamen :à Bordeaux à Bordeaux Amsterdam à Amsterdam La Rochelle :à La Rochelle 2. Le Passé composé (voltooid tegenwoordige tijd) Met de passé composé kun je vertellen wat al gebeurd is. (Ik heb gezongen) In het Nederlands is dat de voltooid tegenwoordige tijd en die maak je zo: https://www.scholieren.com/verslag/samenvatting-frans-grammatica-31855 Pagina 8 van 13

avoir of être (tegenwoordige tijd) + voltooid deelwoord Meestal gebruik je avoir (hebben)als hulpwerkwoord Manger J'ai mangé Ik heb gegeten. Tu as mangé Jij hebt gegeten Il a mangé Hij heeft gegeten Nous avons mangé We hebben gegeten/ men heeft gegeten Vous avez mangé Jullie hebben gegeten/ u heeft gegeten Ils ont mangé Zij (m/v) hebben gegeten Chanter J'ai chanté Tu as chanté Il a chanté Nous avons chanté Vous avez chanté Ils ont chanté Finir J'ai fini Tu as fini Il a fini Nous avons fini Vous avez fini Ils ont fini Aller Je suis allé(e) Tu es allé(e) Il (elle) est allé(e) Nous sommes allé(e)s Vous êtes allé(e)s Ils (elles) sont allé(e)s Het voltooid deelwoord van regelmatige werkwoorden wordt gevormd door de uitgang er te vervangen door é Bij vervoeging verandert alleen het hulpwerkwoord. Het voltooid deelwoord verandert niet van vorm. Bij onregelmatige werkwoorden moet je het voltooid deelwoord uit je hoofd leren De passé composé van être Ook bij de passé composé van être gebruik je gebruik je het hulpwerkwoord avoir. 27. De vorm van het bijvoeglijk naamwoord (l adjectif) De vorm van het bijvoeglijk naamwoord past zich aan aan het zelfstandig naamwoord waar het bij hoort. Mannelijk Vrouwelijk enkelvoud geen uitgang un petit problème +e une petite problème meervoud + s les petits ordinateurs + es les petites tables https://www.scholieren.com/verslag/samenvatting-frans-grammatica-31855 Pagina 9 van 13

Bijvoeglijke nw. die eindigen op s ( gris) krijgen in het mv. geen s erbij. bijvoegelijke nmw. die eindigen op e krijgen in de vr. vorm geen e erbij: p.e. autre 28. De plaats van het bijvoeglijk naamwoord. Deze staat in het Frans meestal achter het zelfstandig naamwoord. des ordinateurs modernes Een paar veel voorkomende bijv. nw. staan voor het zelfstandig naamwoord. Deze bijv. nw. kun je het beste uit je hoofd leren. beau haut jeune gros nouveau autre bon long vieux mauvais joli petit grand méchant large 29. Speciale vorm van het bijvoeglijk naamwoord Sommige bijv. nw hebben een speciale vrouwelijke vorm of een bijzonder vorm voor het meervoud Mannelijk enkelvoud Vrouwelijk enkelvoud beau belle nouveau nouvelle bon nonne long longue vieux vieille gros grosse blanc blanche cher chère premier première 30. Expressions ( je geeft aan waar iets staat) op sur onder sous achter derrière voor devant in dans tussen entre In het Frans zijn er ook voorzetsels die uit meer woorden bestaan à côte de naast à droite de rechts van à gauche de links van près de vlakbij In deze voorzetsels zit de Denk aan de regels voor de + bepaald lidwoord. de + le = du de + la = de la https://www.scholieren.com/verslag/samenvatting-frans-grammatica-31855 Pagina 10 van 13

de + l = de l de + les = des 31. Grammatica il y a/être In beschrijvingen gebruik je vaak een vorm van zijn: als het onderwerp voor het werkwoord staat: een vorm van être. Volgorde is dan onderwerp-vorm van zijn-bepaling. als er iets anders dan het onderwerp voor de vorm van zijn staat gebruik je il y a volgorde is dan bepaling-vorm van zijn- onderwerp ( je kunt er vaak er bij denken bijv. Voor het raam is (er) het bureau.) Bij beschrijving kun je etre en il y a ook gebruiken voor de vertaling van staan, liggen hangen etc 32. Voorzetsels die een plaats aanduiden naast à côte de boven au-dessus de onder au dessous de links van à gauche de rechts van à droite de tegenover en face de op de hoek van au coin de vlakbij près de 33. Onregelmatige werkwoorden pouvoir / vouloir je (j') tu il/ elle/on nous vous ils/elles Voltooid deelwrd Ned. Betekenis passé composé vouloir veux veux veut voulons voulez voulent voulu ( heb gewild) willen pouvoir peux peux peut pouvons pouvez peuvent pu (heb gekund) kunnen 34. Delend lidwoord: de / d na hoeveelheid en ontkenning Na een hoeveelheidswoord volgt de of d Behalve! na een telwoord deux bouteilles hoeveelheidswoorden( denk aan de of d ): un kilo d asperges un pot de confiture une bouteille d eau cent grammes de roquefort beaucoup de carambars un paquet de chips Vous voulez combien de saucisson? Ook na een ontkenning komt vaak de/d bijv. Tu prends un croissant? Non, jen ne prends pas de croissant. Na een ontkenning veranderen de volgende lidwoordenin de/d onbepaalde lidwoorden in un/ une alle delende lidwoorden du / de la /de l / des Nota bene :le/ la/ l / les veranderen niet na een ontkenning. 35. Een vraagzin maken. In deel 1 heb je geleerd dat dit gemakkelijk kan door een vraagteken achter de zin te zetten https://www.scholieren.com/verslag/samenvatting-frans-grammatica-31855 Pagina 11 van 13

2 andere manieren zijn: est-ce-que voor de zin zetten ( Est-ce que Caro ne vient pas? Est ce qu Azis va venit?) onderwerp en persoonsvorm omdraaien Veux-tu venire? kun je komen? 36. Het aanwijzend voornaamwoord Het aanwijzend voornaamwoord past zich aan aan het zelfstandig naamwoord waar het bij hoort ce verandert in cet voor een klinker /stomme h cet homme deze / die man mnl. enkv. ce gâteau deze/ die taart vr. enkv. cette fête dit/ dat feest mnl. mv. ces gâteaux deze / die taarten vr. mv ces fêtes deze / die feesten 37. Een datum aangeven Voor een datum zet je altijd le en een hoofdtelwoord.: le trente et un décembre Voor de eerste van de maand gebruik je het rangtelwoord premier le premier janvier De maanden Janvier januari Février februari Mars maart Avril april Mai mei Juin juni Juillet juli Août augustus Septembre september Octobre oktober Novembre november Décembre december 38. Avoir mal à + bepaald lidwoord Avoir mal à pijn hebben aan mnl. enkv. à + le au J ai mal au bras. vrl. enkv. à + la à la J ai mal à la jambe. mnl. +vrl. meerv. à + les aux J ai mal aux pieds. 39. Regelmatige werkwoorden op ir: Présent Passé composé Je finis j ai fini Tu finis tu as fini Il /elle /on finit il /elle /on fini Nous finissons nous avons fini Vous finissez vous avez fini Ils /elles finissent ils /elles ont fini 40. Het wederkerend werkwoord Présent Passé composé Je me lave Je m ai lavé https://www.scholieren.com/verslag/samenvatting-frans-grammatica-31855 Pagina 12 van 13

Tu te laves Tu t as lavé Il se lave Il s a lavé Nous nous lavons Nous nous avons lavé Vous vous lavez Vous vous avez lavé Ils /elles lavent Ils /elles ont lavé 41. Het persoonlijk voornaamwoord met nadruk Als je het onderwerp van de zin wilt benadrukken gebruik je het persoonlijk voornaamwoord. Moi, je prends une glacé. Ik neem een ijsje. Toi, tu prends une tarte? Neem jij een taartje. Lui, il prend un café. Hij neemt een kopje koffie. Elle elle prend un thé. Zij neemt een kopje thee. Nous, nous prenons un steak. Wij nemen een steak. Vous, vous prenez une entrée? Nemen jullie /neemt u een voorgerecht? Eux, ils prennent un dessert. Zij nemen een toetje. Elles, Elles prennent du vin. Zij nemen wijn. Je gebruikt ze: Na een voorzetsel; Pour moi, un café, s il vous plait.,voor mij een kopje koffie, alstublieft. Los; Qui va prendre un dessert? Moi!,Wie neemt er een toetje? Ik! 42. Ontkenningen Er zijn verschillende ontkenningen. De ontkenning met ne pas (niet) ken je al. Andere zijn: Ne rien niets je ne mange rien. Ne plus niet /geen meer je n ai plus de couscous. Ne jamais nooit je ne prends jamais d escalope de veau. Ne personne niemand Dans ce restaurant, il n y a personne. Ook bij deze ontkenningen geldt: Ne /n pers. Vorm tweede deel van de ontkenning. https://www.scholieren.com/verslag/samenvatting-frans-grammatica-31855 Pagina 13 van 13