Toelichting BPV beoordelingen Beste praktijkopleider, Hierbij treft u de handleiding aan voor de BPV-beoordelingen voor de onderwijsassistent. De competenties zijn afgestemd op het kwalificatiedossier 2010-2011. In de opdracht die u in de studiemodule beoordeelt wordt verwezen naar deze handleiding. Per BPV-opdracht is per competentie is een toelichting opgenomen. De beoordelingscriteria zijn er aan toegevoegd. Omschreven is wanneer u een competentie als onvoldoende / voldoende / goed kunt beoordelen. Een onvoldoende competentie dient opnieuw te worden uitgevoerd totdat deze voldoende is. De nuancering tussen voldoende en goed kunt u eenvoudig vaststellen; indien meer dan de helft van de aanwezige competenties als "goed" worden beoordeeld is de totale beoordeling "goed". U kunt dit in de studiemodule bij het laatste onderdel aangeven. Ook is hier ruimte voor andere opmerkingen die betrekking hebben op de BPV-opdracht. De opleiding beoordeelt de verslaglegging van de student. U, als praktijkopleider de uitvoering van de opdracht. Dat is een wezenlijk verschil, immers bij de uitvoering van de opdracht zijn wij niet aanwezig en kunnen het resultaat daarvan dus niet vaststellen. De verslaglegging is voor de onderwijsassistent erg belangrijk. Het maakt deel uit van het beroep en de ontwikkeling. De criteria waarop wij de verslaglegging beoordelen treft u aan op bladzijde 29. Mochten er nog vragen of opmerkingen zijn inzake het gebruik van deze handleiding vernemen wij dat graag! Ook als u moeilijkheden heeft met de studiemodule neem dan gerust contact met ons op! Info@variva.nl of telefonisch: 049 3 49 49 59
BEOORDELINGSFORMULIER BPV opdracht 1: Onderzoek het beroepsprofiel, het onderwijs en jouw taken: onderwijsassistent Deze opdracht heeft betrekking op werkproces: 3.1 en 3.4 competenties: J, K en valt niet onder examinering Je bent op de hoogte van de taken en verantwoordelijkheden van de onderwijsassistent en kunt vaststellen of je aan de opdrachten van de opleiding uitvoering kunt geven. Je hebt geleerd dat kennis over het onderwijsbestel belangrijk is en waarom deze kennis toepasbaar is in je werksituatie. Je hebt onderzocht hoe het onderwijs in Nederland tot stand is gekomen en hoe het is georganiseerd. Je hebt geleerd hoe je eigen schoolorganisatie er uit ziet (organogram). J: Formuleren en rapporteren Component: Vlot en bondig formuleren (J.3-2) Formuleert haar ervaringen en bevindingen scherp en kernachtig en schetst zodoende een beeld van haar ervaringen en bevindingen O = formuleert niet scherp en kernachtig, schetst geen beeld van ervaringen en bevindingen V = formuleert nog te uitgebreid maar geeft wel een goed beeld van ervaringen en bevindingen G = formuleert scherp en kernachtig, geeft goed beeld van ervaringen en bevindingen K: Vakdeskundigheid toepassen Componenent: Expertise delen (K.2-5) Houdt vakkennis en vaardigheden bij en draagt de eigen kennis en expertise op begrijpelijke wijze over aan collega's en andere deskundigen, zij geeft en ontvangt daarbij feedback en neemt deel aan inhoudelijke, beroepsmatige discussies, zodat zij werkt aan haar persoonlijke ontwikkeling en een bijdrage levert aan de professionalisering van het beroep O = uit vaardigheden blijkt niet dat student zich heeft verdiept in vakkennis V = uit vaardigheden blijkt dat student zich heeft verdiept in, geeft en ontvangt feedback G = student is hierin een voorbeeld voor anderen BEOORDELINGSFORMULIER BPV opdracht 2: POP, PAP en EVC's Deze opdracht heeft betrekking op werkproces: 3.1 competentie: K en valt niet onder examinering Je bent in staat leerdoelen te benoemen en deze uit te werken in een persoonlijk ontwikkelingsplan (POP) en persoonlijk activiteitenplan (PAP). Ook kun je relaties leggen naar hetgeen je in het verleden hebt gedaan en hoe dit past bij je (toekomstige) functie als onderwijsassistent. K: Vakdeskundigheid toepassen Componenent: Expertise delen (K.2-5) Houdt vakkennis en vaardigheden bij en draagt de eigen kennis en expertise op begrijpelijke wijze over aan collega's en andere deskundigen, zij geeft en ontvangt daarbij feedback en neemt deel aan inhoudelijke, beroepsmatige discussies, zodat zij werkt aan haar persoonlijke ontwikkeling en een bijdrage levert aan de professionalisering van het beroep O = uit vaardigheden blijkt niet dat student zich heeft verdiept in vakkennis V = uit vaardigheden blijkt dat student zich heeft verdiept in, geeft en ontvangt feedback G = student is hierin een voorbeeld voor andere 2
BEOORDELINGSFORMULIER BPV opdracht 3: Werken in een team en reflecteren Deze opdracht heeft betrekking op werkproces: 3.2, 3.3 en 3.4 competenties: D, E, J, Q, T, V Je hebt je verdiept in het begrip 'kwaliteit' in relatie tot de onderwijsondersteuning die je verricht. Je hebt laten zien dat je knelpunten tijdig signaleert en rapporteert. Je bent in staat om door je inbreng in de vergadering een actieve en constructieve bijdrage te leveren aan het onderwijs op je BPV-plek. Je kunt luisteren, je taken afstemmen met collega's en reflecteren op je werkzaamheden. D: Aandacht en begrip tonen Component: Luisteren (D.2-4) en Zichzelf kennen en laten zien (D.6-5) Luistert aandachtig naar wat anderen naar voren brengen en reflecteert Verwoordt wat de effecten van haar eigen gedrag kunnen zijn op het gedrag de leerlingen, zodat zij hier bewuster mee om kan (leren) gaan. O = Luistert niet aandachtig en reflecteert niet V = Luistert aandachtig, reflecteert, verwoorden effecten eigen gedrag gebeurt met regelmaat G = Idem, verwoorden effecten eigen gedrag gebeurt consequent E: Samenwerken en overleggen Component afstemmen (E.1-1) Stemt de werkzaamheden af met collega's, bespreekt met de leraren/het team welke taken zij zal uitvoeren, waarbij zij zich actief opstelt en ook zelf aangeeft welke taken zij zou kunnen vervullen, zodat voor alle betrokkenen de taakverdeling helder is. O = Stemt de werkzaamheden niet / nauwelijks af, stelt zich niet actief op V = Stemt werkzaamheden af, bespreken deze en stelt zich actief op G = Idem, neemt meer initiatief dan gevraagd (pro-actief) en een voorbeeld voor anderen J: Formuleren en rapporteren Component: Vlot en bondig formuleren (J.3-2) Formuleert haar ervaringen en bevindingen scherp en kernachtig en schetst zodoende een beeld van haar ervaringen en bevindingen O = formuleert niet scherp en kernachtig, schetst geen beeld van ervaringen en bevindingen V = formuleert nog te uitgebreid maar geeft wel een goed beeld van ervaringen en bevindingen G = formuleert scherp en kernachtig, geeft goed beeld van ervaringen en bevindingen Q: Plannen en organiseren Component: Doelen en prioriteiten stellen (Q.1-2) Houdt rekening met de haalbaarheid van haar werkzaamheden in tijd en kwaliteit, gericht op een uitvoerbaar takenpakket. O = Houdt geen/nauwelijks rekening met haalbaarheid van taken in tijd en kwaliteit V = Houdt hier wel rekening mee gericht op een uitvoerbaar takenpakket G = Idem, werkzaamheden zijn zeer inzichtelijk voor collega's T: Instructies en procedures opvolgen Component: Werkt cf. voorgeschreven procedures (T.2-7) Houdt zich aan de voorgeschreven procedures rondom kwaliteitsverbetering, zodat zij een effectieve bijdrage levert aan het bevorderen en bewaken van de kwaliteitszorg. O = Houdt zich niet / nauwelijks aan voorgeschreven procedures rondom kwaliteitsverbetering V = Houdt zich hier wel aan, levert een effectieve bijdrage levert aan het bevorderen en bewaken van de kwaliteitszorg. G = Idem, genoemde bijdragen inspireren collega's 3
V: Met druk en tegenslag omgaan Component: Grenzen stellen (V.2-2) Geeft in de communicatie met de leraar/het team aan wanneer zij ervaart dat anderen, zowel leerlingen als de leraar/het team haar grenzen overschrijden of overvragen en draagt hier oplossingen voor aan, wat bijdraagt aan het zo goed mogelijk kunnen uitvoeren van haar taken binnen de school. O = Communiceert niet of nauwelijks met zowel leerlingen als de leraar/het team V = Communiceert hier wel over en draagt regelmatig oplossingen aan, deze zijn niet altijd uitvoerbaar G = Idem, draagt consequent oplossingen aan die realistisch en uitvoerbaar zijn. BEOORDELINGSFORMULIER BPV opdracht 4: Ontwikkelingspsychologie Deze opdracht heeft betrekking op werkproces: 1.3 en 2.4 competenties: A, B, C, D, F, U Je hebt inzicht gekregen in de ontwikkelingsfasen van 0-18 jaar. Je hebt door het houden van toezicht en het begeleiden van leerlingen een bijdrage geleverd aan een goed verloop van de dagelijkse gang van zaken in en om de school. Je hebt enthousiasme en interesse getoond. Je hebt een effectieve pedagogische en praktische attitude getoond. Je hebt daarnaast inzicht gekregen in de manier waarop een leerling uit je BPV zich ontwikkelt en je hebt daarmee rekening gehouden in je begeleiding. A: Beslissen en activiteiten initiëren Component: Beslissingen nemen (A.1-2) Op eigen initiatief handelen (A.2-2) Handelt, binnen de verantwoordelijkheid van haar functie, op eigen initiatief en neemt als zodanig praktische en pedagogische beslissingen gericht op een goed verloop van de dagelijkse gang van zaken in en om de school. O = Handelt niet op eigen initiatief en neemt zodoende geen praktische en pedagogische beslissingen V = Doet dit wel gericht op een goed verloop van de dagelijkse gang van zaken G = Idem, is hierin een voorbeeld voor anderen B: Aansturen Component: Instructies en aanwijzingen geven (B.1-1) Geeft de leerlingen heldere en duidelijke instructies en aanwijzingen gericht op de uitvoering van programmaonderdelen, hanteert daarbij het juiste tempo en een logische volgorde en controleert of de uitleg begrepen is zodat de leerlingen aan het werk kunnen. O = Geeft geen heldere en duidelijke instructies en aanwijzingen. V = Doet dit wel, gericht op de uitvoering van programmaonderdelen in juist tempo, volgorde en controleert of de uitleg begrepen is. G = Doet dit zodanig dat vrijwel alle leerlingen direct aan het werk gaan. C: Begeleiden Component: Motiveren (C.2-2) Spreekt de leerlingen op positieve wijze op hun gedrag aan en laat zelf voorbeeldgedrag zien, waarmee zij de leerlingen motiveert om een bijdrage te leveren aan een goed verloop van de dagelijkse gang van zaken in en om de school O = Spreekt de leerlingen doorgaans niet op positieve wijze op hun gedrag aan. V = Doet dit wel, laat voorbeeldgedrag zien, leerlingen raken hierdoor gemotiveerd. G = Idem, doet dit consequent in inspireert hierdoor anderen. 4
D: Aandacht en begrip tonen Component: Interesse tonen (D.1-1 en D.1-2) Luisteren (D.2-1 en D.2-2) Inleven in andermans gevoelens (D.3-1 en D.3-2) Toont betrokkenheid bij de leervragen van leerlingen, laat zien naar hen te luisteren door te spiegelen en door te vragen, geeft aandacht aan de zorg die door de leerlingen wordt geuit en biedt de gewenste en mogelijke ondersteuning, waarmee zij een bijdrage levert aan de begeleiding van leerlingen bij de uitvoering van programmaonderdelen. Luistert naar de leerlingen, toont belangstelling voor hun ideeën en standpunten van en toont betrokkenheid bij hun problemen en vragen, zodat zij zich gehoord en betrokken voelen bij de dagelijkse gang van zaken in en om de school. O = Toon geen of onvoldoende betrokkenheid bij leervragen van de leerlingen, luistert onvoldoende naar leerlingen en toon geen belangstelling voor hun ideeën en standpunten V = Doet dit wel, kan spiegelen en doorvragen, geeft aandacht aan de zorg die door leerlingen wordt geuit en biedt de gewenste ondersteuning. Leerlingen voelen zich betrokken. G = Idem, de bijdrage die zij levert bij de uitvoering is wezenlijk en dient als voorbeeld voor anderen F: Ethisch en integer handelen Component: Ethisch handelen (F.1-3) Integer handelen (F.2-3) Verschillen tussen mensen respecteren (F.3-3) Hanteert consequent de voor de school geldende normen en waarden, respecteert vertrouwelijkheid van leerlingen en behandelt alle leerlingen rechtvaardig, gericht op het kenbaar maken van grenzen en het serieus nemen van de leerling als individu. O = Is niet in staat bovenstaande punten in de praktijk toe te passen V = Laat zien dat zij in de praktijk positief bezig is met bovenstaande punten G = Ontvangt van collega's positieve feedback naar aanleiding van bovenstaande punten, is voorbeeld voor anderen / inspireert anderen. U: Omgaan met verandering en aanpassen Component: Omgaan met onduidelijkheid en onzekerheid (U.1-2) Met diversiteit (tussen mensen) omgaan (U.2-2) Toont ook in onzekere en onduidelijke situaties zelfvertrouwen en is gericht op een goed verloop van de dagelijkse gang van zaken in en om de school. Kan goed omgaan met leerlingen die verschillen qua achtergrond en cultuur en handelt daarbij met respect voor de eigenheid van elk individu. O = Reageert niet flexibel op veranderingen, communiceert niet helder en eenduidig, richt zich niet op verschillen qua achtergrond en cultuur van de leerling. V = Doet dit wel en kan ook de andere genoemde punten in de praktijk toepassen G = Idem, ontvangt van collega's positieve feedback naar aanleiding van bovenstaande punten, is voorbeeld voor anderen / inspireert anderen. BEOORDELINGSFORMULIER BPV opdracht 5: Uitnodigend en uitdagend begeleiden Deze opdracht heeft betrekking op werkproces: 1.4 competentie: C, D F, K, U, V Je hebt de individuele leerlingen of (kleine) groepen leerlingen heel bewust op een uitnodigende en uitdagende manier begeleid bij leeractiviteiten op basis van het onderwijsprogramma. Je hebt daarbij interesse en respect voor de leerling getoond.je hebt gemotiveerd, gestimuleerd en flexibel gereageerd op veranderingen.je bent je bewust van het feit dat wat je zegt en wat je hoort belangrijk is. Je hebt oog gehad voor verschillende leerstijlen van leerlingen, normen en waarden en wat er in de groep leerlingen zich zoal kan afspelen.je hebt daarbij op tijd pedagogische beslissingen genomen. 5
C: Begeleiden Component: Coachen (C.1-1) Motiveren (C.2-1) Anderen ontwikkelen (C.3-1) Stimuleert de leerlingen om kritisch naar zichzelf te kijken, zet ze aan om zelf naar mogelijke oplos- singen te zoeken, motiveert de leerlingen om hun best te doen, helpt ze hun doelen te bereiken en uitdagingen aan te gaan en biedt als zodanig ondersteuning bij het leren en ontwikkelen. O = Stimuleert leerlingen niet / nauwelijks naar zichzelf te kijken, laat geen voorbeeld gedrag zien V = Doet dit wel, helpt ze hun doelen te bereiken en uitdagingen aan te gaan en biedt als zodanig ondersteuning bij het leren en ontwikkelen laat voorbeeldgedrag zien G = Idem, doet dit consequent in inspireert hierdoor anderen. D: Aandacht en begrip tonen Component: Interesse tonen (D.1-1) Luisteren (D.2-1) Inleven in andermans gevoelens (D.3-1) Anderen steunen (D.4-1) Toont betrokkenheid bij de leervragen van leerlingen, laat zien naar hen te luisteren door te spiegelen en door te vragen, geeft aandacht aan de zorg die door de leerlingen wordt geuit en biedt de gewenste en mogelijke ondersteuning, waarmee zij een bijdrage levert aan de begeleiding van leerlingen bij de uitvoering van programmaonderdelen. O = Toon geen of onvoldoende betrokkenheid bij leervragen van de leerlingen, luistert onvoldoende naar leerlingen en toon geen aandacht voor de zorg die door leerlingen wordt geuit. V = Doet dit wel, kan spiegelen en doorvragen, geeft aandacht aan de zorg die door leerlingen wordt geuit en biedt de gewenste ondersteuning. G = Idem, de bijdrage die zij levert bij de uitvoering is wezenlijk en dient als voorbeeld voor anderen F: Ethisch en integer handelen Component: Ethisch handelen (F.1-2) Integer handelen (F.2-2) Verschillen tussen mensen respecteren (F.3-2) Handelt consequent binnen de afgesproken lijn in de school/in de klas/m.b.t. de leerling, houdt zich aan de geldende normen en waarden en aan de gemaakte afspraken en toont zich tevens aan de leerlingen als betrouwbaar persoon, waarbij zij ook nog handelt vanuit het principe van gelijkheid in het onderwijs. O = Is niet in staat bovenstaande punten in de praktijk toe te passen V = Laat zien dat zij in de praktijk positief bezig is met bovenstaande punten G = Ontvangt van collega's positieve feedback naar aanleiding van bovenstaande punten, is voorbeeld voor anderen / inspireert anderen. K: Vakdeskundigheid toepassen Componenent: Vakspecifieke mentale vermogens aanwenden (K.1-3) Schakelt snel tussen de verschillende leerlingen en van de individuele leerling naar de groep terwijl zij in de begeleiding van elke leerling tevens zo direct mogelijk reageert op wensen, behoeften en datgene wat noodzakelijk geacht wordt in het kader van de begeleiding. O = Is niet in staat te schakelen tussen de individuele leerling en de groep V = Kan schakelen en daarnaast in de begeleiding van elke leerling direct reageren op wensen, behoeften en datgene wat noodzakelijk geacht wordt in het kader van de begeleiding. G = Geeft hieraan ook uitvoering tijdens lastige begeleidingssituaties. U: Omgaan met verandering en aanpassen Component: Omgaan met onduidelijkheid en onzekerheid (U.1-1) Met diversiteit (tussen mensen) omgaan (U.2-1) Reageert flexibel op veranderingen en communiceert ook in onduidelijke en onzekere situaties helder en eenduidig naar de leerlingen met het oog op een optimaal verloop van de leeractiviteiten. Daarnaast richt zij zich op verschillen qua leerstijl en leerbehoefte van de individuele leerling, handelt daarbij met respect voor de eigenheid van elk individu past de begeleiding aan aan de veranderende) leerbehoefte, zodat tijdens de begeleiding aansluiting bij de leerbehoefte gegarandeerd blijft. 6
O = Reageert niet flexibel op veranderingen, communiceert niet helder en eenduidig, richt zich niet op verschillen qua leerstijl en leerbehoefte van de leerling. V = Doet dit wel en kan ook de andere genoemde punten in de praktijk toepassen G = Idem, ontvangt van collega's positieve feedback naar aanleiding van bovenstaande punten, is voorbeeld voor anderen / inspireert anderen. V: Met druk en tegenslag omgaan Component: Gevoelens onder controle houden (V.1-1) Kan eigen gevoelens functioneel hanteren en geeft gecontroleerd, uiting aan gevoelens en emoties, gericht op de begeleiding van leerlingen tijdens leeractiviteiten. O = Kan de eigen gevoelens niet onder controle houden in moeilijke begeleidingssituaties V = Kan eigen gevoelens wel onder controle houden in moeilijke begeleidingssituaties G = Laat zien dat zij daarnaast kan reflecteren op eigen gevoelens met collega(s). BEOORDELINGSFORMULIER BPV opdracht 6, 7 en 8: (6) Zoek uit wat je aan pesten kunt doen, (7) Observeren 1, (8) Observeren en rapporteren Deze opdracht heeft betrekking op werkproces: 1.1 Competentie: F, J, K, T (6) Je hebt, door middel van observaties en rapportages, een bijdrage geleverd aan de beeldvorming van de individuele leerlingen.je hebt inzicht gekregen in de impact van pesten op leerlingen.je hebt inzicht gekregen in de manier waarop scholen het pestprobleem (kunnen) aanpakken.je hebt inzicht gekregen in de manier waarop je praktijkopleider het pestprobleem (kan) aanpakken. (7) Je hebt, door middel van observaties en rapportages, een bijdrage geleverd aan de beeldvorming van de individuele leerlingen en van de manier waarop de groep als zodanig functioneert. Je hebt ervaren dat er zich in een groep leerlingen allerlei verhoudingen afspelen.je hebt daarbij gebruik gemaakt van een sociogram.je hebt geleerd deze informatie zinvol te gebruiken in de dagelijkse begeleiding. (8) Je hebt geleerd inzicht te krijgen in de mate en wijze waarop bepaalde leerlingen moeizaam in de omgang zijn en/of problemen hebben met hun werkhouding.je hebt geleerd deze observatiegegevens te interpreteren. F: Ethisch en integer handelen Component: Ethisch handelen (F.1-1) Integer handelen (F.2-1) Verschillen tussen mensen respecteren (F.3-1) Handelt consequent in lijn met binnen de school geldende ethische maatstaven, respecteert vertrouwelijkheid en gaat discreet met leerling/deelnemers gegevens om. O = Handelt niet in lijn met binnen de school geldende ethische maatstaven. V = Handelt in lijn met binnen de school geldende ethische maatstaven, respecteert vertrouwelijkheid. G = Anderen typeren haar als 'integer'. J: Formuleren en rapporteren Component: Correct formuleren (J.1-1) Nauwkeurig en volledig rapporteren (J.2-1) Gebruikt de juiste taal en hanteert een correcte spelling en grammatica, zorgt voor een nauwkeurige en volledige rapportage die voldoet aan de gestelde kwaliteitscriteria. O = Gebruikt niet de juiste taal en hanteert geen correcte spelling en grammatica. V = Gebruikt de juiste taal en hanteert correcte spelling en grammatica in een volledige rapportage. G = Verwerkt daarnaast duidelijke kwaliteitscriteria in haar rapportage. 7
K: Vakdeskundigheid toepassen Componenent: Vakspecifieke mentale vermogens aanwenden (K.1-1) Neemt veel, snel en de juiste informatie op, filtert de informatie gericht op de opdracht om zodoende tot een zo objectief mogelijke observatie te komen. O = Neemt onvoldoende informatie op bij het observeren. V = Neemt voldoende informatie op en observeert onbevooroordeeld. G = De rapportage biedt meerwaarde voor het team waarin zij functioneert. T: Instructies en procedures opvolgen Component: Instructies opvolgen (T.1-1) Werkt cf. voorgeschreven procedures (T.2-1) Observeert volgens de door de leraar/leraren/het team gegeven instructies en werkt hierbij volgens de binnen de school geldende protocollen en procedures. O = Observeert niet volgens gegeven instructies. V = Observeert volgens gegeven instructies en werkt volgens protocollen en procedures. G = Kan bovenstaande uitvoeren op geheel eigen initiatief. BEOORDELINGSFORMULIER BPV opdracht 9: Toezicht houden, ingrijpen en veiligheid op school Deze opdracht heeft betrekking op werkproces: 2.4 en 2.5 Competenties: A, B, C, D, F, K, T Je hebt door het houden van toezicht en het begeleiden van leerlingen een bijdrage geleverd aan een goed verloop van de dagelijkse gang van zaken in en om de school. Je hebt enthousiasme en interesse getoond. Je hebt een effectieve pedagogische en praktische attitude getoond.je kunt een wezenlijke bijdrage leveren aan het begrip veiligheid in de school en kunt in voorkomende situaties (EHBO) hulp verlenen. A: Beslissen en activiteiten initiëren Component: Beslissingen nemen (A.1-2) Op eigen initiatief handelen (A.2-2) Handelt, binnen de verantwoordelijkheid van haar functie, op eigen initiatief en neemt als zodanig praktische en pedagogische beslissingen gericht op een goed verloop van de dagelijkse gang van zaken in en om de school. O = Handelt niet op eigen initiatief en neemt zodoende geen praktische en pedagogische beslissingen V = Doet dit wel gericht op een goed verloop van de dagelijkse gang van zaken G = Idem, is hierin een voorbeeld voor anderen C: Begeleiden Component: Motiveren (C.2-2) Anderen ontwikkelen (C.3-3) Spreekt de leerlingen op positieve wijze op hun gedrag aan en laat zelf voorbeeldgedrag zien, waarmee zij de leerlingen motiveert om een bijdrage te leveren aan een goed verloop van de dagelijkse gang van zaken in en om de school Stimuleert de leerling(en) de persoonlijke verzorging zo zelfstandig mogelijk uit te voeren, waarmee zij de leerling(en) versterkt. O = Stimuleert leerlingen niet / nauwelijks naar zichzelf te kijken, laat geen voorbeeld gedrag zien. Is niet in staat leerlingen te stimuleren de persoonlijke verzorging zelfstandig uit te voeren. V = Doet dit wel, helpt ze hun doelen te bereiken en uitdagingen aan te gaan en biedt als zodanig ondersteuning bij het leren en ontwikkelen laat voorbeeldgedrag zien G = Idem, doet dit consequent in inspireert hierdoor anderen. 8
D: Aandacht en begrip tonen Component: Interesse tonen (D.1-2) Luisteren (D.2-2) Inleven in andermans gevoelens (D.3-2) Anderen steunen (D.4-3) Bezorgdheid tonen voor anderen (D.5-3) Luistert naar de leerlingen, toont belangstelling voor hun ideeën en standpunten van en toont betrokkenheid bij hun problemen en vragen, zodat de leerlingen zich gehoord en betrokken voelen bij de dagelijkse gang van zaken in en om de school. Herkent wanneer leerlingen hulp nodig hebben en biedt dan de nodige ondersteuning, let daarbij op het welzijn van de leerling en stimuleert de zelfredzaamheid, zodat leerlingen op het gebied van de zorg zich (verder) ontwikkelen, zo zelfstandig mogelijk functioneren. O = Luistert niet of nauwelijks naar leerlingen en toont geen betrokkenheid. V = Doet dit wel, toont belangstelling voor ideeën van leerlingen, herkent wanneer leerlingen hulp nodig hebben en biedt ondersteuning, stimuleert zelfredzaamheid. G = Idem, reflecteert op de problemen van de leerling, zij voelen zich zodanig betrokken dat zij op eigen initiatief tergkeren met hun problemen. F: Ethisch en integer handelen Component: Ethisch handelen (F.1-3) Integer handelen (F.1-4 en F.2-3) Verschillen tussen mensen respecteren (F.3-3 en F.3-4) Hanteert consequent de voor de school geldende normen en waarden, respecteert vertrouwelijkheid van leerlingen en behandelt alle leerlingen rechtvaardig, gericht op het kenbaar maken van grenzen en het serieus nemen van de leerling als individu. Respecteert de vertrouwelijkheid van leerlingen en gaat discreet met gevoelige zaken rondom de zorgtaken om waarbij zij de verschillen tussen individuele leerlingen respecteert. O = Is niet in staat bovenstaande punten in de praktijk toe te passen V = Laat zien dat zij in de praktijk positief bezig is met bovenstaande punten G = Ontvangt van collega's positieve feedback naar aanleiding van bovenstaande punten, is voorbeeld voor anderen / inspireert anderen. K: Vakdeskundigheid toepassen Componenent: Vakspecifieke mentale vermogens aanwenden (K.1-4) Voert de pedagogisch-verzorgende taken zorgvuldig, precies, bedreven en ergonomisch verantwoord uit zodat er geen onnodige last voor de leerling(en) optreedt. O = Voert omschreven taken niet zorgvuldig, precies, bedreven en ergonomisch verantwoord uit. V = Doet dit wel, zodat er geen onnodige last voor de leerling(en) optreedt. G = Geeft hieraan ook uitvoering tijdens lastige situaties. T: Instructies en procedures opvolgen Component: Werkt cf. veiligheidsvoorschriften (T.3-5 en T.3-6) Instructies opvolgen (T.1-6) Ziet toe op de veiligheid van leerlingen in ongestructureerde situaties, gericht op het voorkomen van onveilige situaties. Verricht de pedagogisch-verzorgende taken volgens instructies en aanwijzingen en let tijdens de uitvoering hiervan expliciet op de veiligheid van de leerling(en). O = Ziet niet / nauwelijks toe op de veiligheid van leerlingen in ongestructureerde situaties. V = Doet dit wel, en verricht de pedagogisch-verzorgende taken volgens instructies en aanwijzingen en let tijdens de uitvoering hiervan expliciet op de veiligheid van de leerling(en). G = Idem, levert een wezenlijke bijdrage in het kader van het begrip veiligheid voor de school. 9
BEOORDELINGSFORMULIER BPV opdracht 10: Analyseer en observeer het model DA Deze opdracht heeft betrekking op werkproces: 1.2 Competentie L, T Je hebt inzicht gekregen in het model Didactische Analyse, als hulpmiddel om voorbereidingen van activiteiten gestructureerd te laten verlopen.je hebt een beeld gekregen van de manier waarop de praktijkopleider, in allerlei onderwijssituaties, omgaat met het model D.A.Je hebt geleerd in de activiteiten van de praktijkleider de kernbegrippen van het model D.A. terug te zien. L: materialen en middelen inzetten Componenent: Materialen en middelen doelmatig gebruiken (L.1-1) Kiest materialen en middelen ten behoeve van de voorbereiding kostenbewust en efficiënt, zodat er geen materialen en middelen onnodig worden verbruikt. O = Let bij observatie en rapportage niet op gebruik van materialen en middelen. V = Let bij observatie en rapportage op gebruik van materialen en middelen. G = Verwerkt dit in rapportage en heeft vooraf zinvolle vragen over het gebruik hiervan. T: Instructies en procedures opvolgen Component: Instructies opvolgen (T.1-2) Werken cf. voorgeschreven procedures (T.2-2) Voert de voorbereidingen volgens de instructies van de leraar/leraren/het team uit en doet dit op basis van de gemaakte afspraken en de geldende procedures. O = Voorbereidingen worden niet of nauwelijks uitgevoerd volgens de instructies V = Voert voorbereidingen uit volgens de instructies cf. afspraken en procedures. G = Is in staat om (positief) kritisch om te gaan met bestaande instructies, afspraken en procedures. BEOORDELINGSFORMULIER BPV opdracht 11 en 12: (11) Je bereidt een activiteit voor en voert deze uit (12) Voorlezen en vertellen, bewegen en creatieve ondersteuning Deze opdracht heeft betrekking op werkproces: 1.2 en 1.3 Competenties A, B, K, L, T (11) Je hebt, op basis van instructies en procedures, een activiteit voorbereid met daarin ruimte voor samenwerken en zelfstandig werken. Je kunt een instructie verzorgen waarna leerlingen zelfstandig aan de slag gaan en/of gaan samenwerken. Je kunt bij je instructie rekening houden met de groep, maar ook de individuele leerling. (12) Je hebt geassisteerd bij de uitvoering van het programmaonderdeel voorlezen of vertellen. Hierbij heb je gezorgd dat interactie is ontstaan tussen jou en de leerlingen. De interactie sluit aan bij de onderwerpen 'bewegen', 'muziek' of 'creatieve ondersteuning'. Je hebt jezelf uitgebreid laten observeren zodat je weet waarin je sterk bent. Ook je aandachtspunten heb je onderkend zodat je goed kunt assisteren bij de onderdelen voorlezen en vertellen als didactische werkvorm. 10
A: Beslissen en activiteiten initiëren Component: Beslissingen nemen (A.1-1) Neemt, binnen de gestelde kaders, op tijd de nodige eenvoudige didactische beslissingen tijdens het assisteren bij de uitvoering van programmaonderdelen. O = Neemt geen eenvoudige didactische beslissingen. V = Neemt, binnen de gestelde kaders, op tijd de nodige eenvoudige didactische beslissingen G = Levert hierdoor een wezenlijke bijdrage aan de uitvoering van programmaonderdelen. B: Aansturen Component: Instructies en aanwijzingen geven (B.1-1) Geeft de leerlingen heldere en duidelijke instructies en aanwijzingen gericht op de uitvoering van programmaonderdelen, hanteert daarbij het juiste tempo en een logische volgorde en controleert of de uitleg begrepen is zodat de leerlingen aan het werk kunnen. O = Geeft geen heldere en duidelijke instructies en aanwijzingen. V = Doet dit wel, gericht op de uitvoering van programmaonderdelen in juist tempo, volgorde en controleert of de uitleg begrepen is. G = Doet dit zodanig dat vrijwel alle leerlingen direct aan het werk gaan. K: Vakdeskundigheid toepassen Componenent: Vakspecifieke mentale vermogens aanwenden (K.1-2) Overziet de groep/het groepje leerlingen en heeft tevens oog voor de individuele leerling, onthoudt makkelijk en associeert vlot tijdens het geven van uitleg en instructie, zodat de leerlingen goed geïnstrueerd aan het werk kunnen. O = Is niet in staat bovenstaande in de praktijk toe te passen, heeft geen overzicht. V = Laat zien dat zij overzicht heeft en een goede instructie kan verzorgen. G = Laat in alle voorkomende situaties zien dat zij een goede instructie kan verzorgen. L: materialen en middelen inzetten Componenent: Materialen en middelen doelmatig gebruiken (L.1-1 en L.1-2) Kiest materialen en middelen ten behoeve van de voorbereiding kostenbewust en efficiënt, zodat er geen materialen en middelen onnodig worden verbruikt. Gaat zorgvuldig en netjes om met de te gebruiken materialen en middelen, gericht op kostenbewust, milieubewust en efficiënt gebruik en als voorbeeld naar leerlingen. O = Voldoet niet aan bovenstaande omschrijvingen. V = Voldoet aan bovenstaande omschrijvingen. G = Idem, leerlingen nemen het voorbeeldgedrag over. T: Instructies en procedures opvolgen Component: Instructies opvolgen (T.1-2 en T.1-3) Werken cf. voorgeschreven procedures (T.2-2) Werken cf. veiligheidsvoorschriften (T.3-3) Voert de voorbereidingen en assisterende taken uit volgens de instructies van de leraar/leraren/het team uit en doet dit op basis van de gemaakte afspraken en de geldende procedures, hanteert veiligheidsregels en ziet er op toe dat ook de leerlingen/deelnemers de veiligheidsregels toepassen.. O = Voert voorbereidingen niet uit volgende de instructies van de leraar / het team. V = Voert voorbereidingen uit volgende de instructies van de leraar / het team, hanteert veiligheidsregels en ziet erop toe dat leerlingen deze ook toepassen. G = Is daarnaast in staat om (positief) kritisch om te gaan met bestaande instructies, afspraken en Procedures en kan in noodsituaties adequaat handelen / laat zien hiertoe in staat te zijn. 11
BEOORDELINGSFORMULIER BPV opdracht 13: Actief luisteren en vragen stellen, ga in gesprek (ook bij conflicten). Deze opdracht heeft betrekking op werkproces: 3.1 en 3.3 Competenties E, K, Q, V Je hebt inzicht gekregen in het verloop van verschillende gespreksvormen in verschillende (mogelijk conflict-) situaties voortvloeiend uit je werk als onderwijsassistent. E: Samenwerken en overleggen Component afstemmen (E.1-1) Stemt de werkzaamheden af met collega's, bespreekt met de leraren/het team welke taken zij zal uitvoeren, waarbij zij zich actief opstelt en ook zelf aangeeft welke taken zij zou kunnen vervullen, zodat voor alle betrokkenen de taakverdeling helder is. O = Stemt de werkzaamheden niet / nauwelijks af, stelt zich niet actief op V = Stemt werkzaamheden af, bespreken deze en stelt zich actief op G = Idem, neemt meer initiatief dan gevraagd (pro-actief) en een voorbeeld voor anderen K: Vakdeskundigheid toepassen Componenent: Expertise delen (K.2-5) Houdt vakkennis en vaardigheden bij en draagt de eigen kennis en expertise op begrijpelijke wijze over aan collega's en andere deskundigen, zij geeft en ontvangt daarbij feedback en neemt deel aan inhoudelijke, beroepsmatige discussies, zodat zij werkt aan haar persoonlijke ontwikkeling en een bijdrage levert aan de professionalisering van het beroep O = uit vaardigheden blijkt niet dat student zich heeft verdiept in vakkennis V = uit vaardigheden blijkt dat student zich heeft verdiept in, geeft en ontvangt feedback G = student is hierin een voorbeeld voor anderen Q: Plannen en organiseren Component: Doelen en prioriteiten stellen (Q.1-2) Houdt rekening met de haalbaarheid van haar werkzaamheden in tijd en kwaliteit, gericht op een uitvoerbaar takenpakket. O = Houdt geen/nauwelijks rekening met haalbaarheid van taken in tijd en kwaliteit V = Houdt hier wel rekening mee gericht op een uitvoerbaar takenpakket G = Idem, werkzaamheden zijn zeer inzichtelijk voor collega's V: Met druk en tegenslag omgaan Component: Grenzen stellen (V.2-2) Geeft in de communicatie met de leraar/het team aan wanneer zij ervaart dat anderen, zowel leerlingen als de leraar/het team haar grenzen overschrijden of overvragen en draagt hier oplossingen voor aan, wat bijdraagt aan het zo goed mogelijk kunnen uitvoeren van haar taken binnen de school. O = Communiceert niet of nauwelijks met zowel leerlingen als de leraar/het team V = Communiceert hier wel over en draagt regelmatig oplossingen aan, deze zijn niet altijd uitvoerbaar G = Idem, draagt consequent oplossingen aan die realistisch en uitvoerbaar zijn. 12
BEOORDELINGSFORMULIER BPV opdracht 14: Leermomenten, verwerken resultaten POP en PAP Deze opdracht heeft betrekking op werkproces: 3.1, 3.3 en 3.4 Competenties: D, J, K Je hebt in een open communicatie met de leerkracht/leraren/het team gerapporteerd en gereflecteerd op je eigen handelen. Je kunt je ervaringen evalueren, opgedaan bij de verschillende werkprocessen. Je hebt meer inzicht gekregen in de manier waarop je samenwerkt en omgaat met anderen en hoe anderen dat doen. Je kunt je kernkwaliteit(en) noemen, leermomenten en leerdoelen.je bent in staat een persoonlijk ontwikkelplan te maken. Je bent in staat te beschrijven hoe je dat plan gaat uitvoeren en hoe je in de toekomst jezelf wilt (blijven) ontwikkelen. Je kunt tijdig je grenzen aangeven als deze worden overschreden of als je wordt overvraagd. Je hebt geleerd welke stappen je kunt ondernemen om je vakkennis en vaardigheden goed bij te houden en verder te ontwikkelen.je hebt geleerd jezelf concrete doelen te stellen hierbij. D: Aandacht en begrip tonen Component: Luisteren (D.2-4) en Zichzelf kennen en laten zien (D.6-5) Luistert aandachtig naar wat anderen naar voren brengen en reflecteert Verwoordt wat de effecten van haar eigen gedrag kunnen zijn op het gedrag de leerlingen, zodat zij hier bewuster mee om kan (leren) gaan. O = Luistert niet aandachtig en reflecteert niet V = Luistert aandachtig, reflecteert, verwoorden effecten eigen gedrag gebeurt met regelmaat G = Idem, verwoorden effecten eigen gedrag gebeurt consequent J: Formuleren en rapporteren Component: Vlot en bondig formuleren (J.3-2) Formuleert haar ervaringen en bevindingen scherp en kernachtig en schetst zodoende een beeld van haar ervaringen en bevindingen O = formuleert niet scherp en kernachtig, schetst geen beeld van ervaringen en bevindingen V = formuleert nog te uitgebreid maar geeft wel een goed beeld van ervaringen en bevindingen G = formuleert scherp en kernachtig, geeft goed beeld van ervaringen en bevindingen K: Vakdeskundigheid toepassen Componenent: Expertise delen (K.2-5) Houdt vakkennis en vaardigheden bij en draagt de eigen kennis en expertise op begrijpelijke wijze over aan collega's en andere deskundigen, zij geeft en ontvangt daarbij feedback en neemt deel aan inhoudelijke, beroepsmatige discussies, zodat zij werkt aan haar persoonlijke ontwikkeling en een bijdrage levert aan de professionalisering van het beroep O = uit vaardigheden blijkt niet dat student zich heeft verdiept in vakkennis V = uit vaardigheden blijkt dat student zich heeft verdiept in, geeft en ontvangt feedback G = student is hierin een voorbeeld voor anderen BEOORDELINGSFORMULIER BPV opdracht 15: Gedragsproblematiek en ombuigen gedrag Deze opdracht heeft betrekking op werkproces: 2.4 en 2.5 Competenties, A, C, D, F, K, T, U Je hebt geleerd te werken met een aantal interventies die je kunt toepassen bij lastig gedrag.je hebt geleerd lastig gedrag van een leerling om te buigen volgens een plan van aanpak. Je hebt daardoor een bijdrage geleverd aan een goed verloop van de dagelijkse gang van zaken in en om de school. Je hebt hierbij een effectieve pedagogische en praktische attitude getoond.je hebt je vakdeskundigheid toegepast op het gebied van zorg verlenen door je op de hoogte te stellen van de geldende regels en te beseffen dat je hierin ook een rolmodel bent voor leerlingen. 13
A: Beslissen en activiteiten initiëren Component: Beslissingen nemen (A.1-2) Op eigen initiatief handelen (A.2-2) Handelt, binnen de verantwoordelijkheid van haar functie, op eigen initiatief en neemt als zodanig praktische en pedagogische beslissingen gericht op een goed verloop van de dagelijkse gang van zaken in en om de school. O = Handelt niet op eigen initiatief en neemt zodoende geen praktische en pedagogische beslissingen V = Doet dit wel gericht op een goed verloop van de dagelijkse gang van zaken G = Idem, is hierin een voorbeeld voor anderen C: Begeleiden Component: Motiveren (C.2-2) Anderen ontwikkelen (C.3-3) Spreekt de leerlingen op positieve wijze op hun gedrag aan en laat zelf voorbeeldgedrag zien, waarmee zij de leerlingen motiveert om een bijdrage te leveren aan een goed verloop van de dagelijkse gang van zaken in en om de school Stimuleert de leerling(en) de persoonlijke verzorging zo zelfstandig mogelijk uit te voeren, waarmee zij de leerling(en) versterkt. O = Stimuleert leerlingen niet / nauwelijks naar zichzelf te kijken, laat geen voorbeeld gedrag zien. Is niet in staat leerlingen te stimuleren de persoonlijke verzorging zelfstandig uit te voeren. V = Doet dit wel, helpt ze hun doelen te bereiken en uitdagingen aan te gaan en biedt als zodanig ondersteuning bij het leren en ontwikkelen laat voorbeeldgedrag zien G = Idem, doet dit consequent in inspireert hierdoor anderen. D: Aandacht en begrip tonen Component: Interesse tonen (D.1-2) Luisteren (D.2-2) Inleven in andermans gevoelens (D.3-2) Anderen steunen (D.4-3) Bezorgdheid tonen voor anderen (D.5-3) Luistert naar de leerlingen, toont belangstelling voor hun ideeën en standpunten van en toont betrokkenheid bij hun problemen en vragen, zodat de leerlingen zich gehoord en betrokken voelen bij de dagelijkse gang van zaken in en om de school. Herkent wanneer leerlingen hulp nodig hebben en biedt dan de nodige ondersteuning, let daarbij op het welzijn van de leerling en stimuleert de zelfredzaamheid, zodat leerlingen op het gebied van de zorg zich (verder) ontwikkelen, zo zelfstandig mogelijk functioneren. O = Luistert niet of nauwelijks naar leerlingen en toont geen betrokkenheid. V = Doet dit wel, toont belangstelling voor ideeën van leerlingen, herkent wanneer leerlingen hulp nodig hebben en biedt ondersteuning, stimuleert zelfredzaamheid. G = Idem, reflecteert op de problemen van de leerling, zij voelen zich zodanig betrokken dat zij op eigen initiatief tergkeren met hun problemen. F: Ethisch en integer handelen Component: Ethisch handelen (F.1-3) Integer handelen (F.1-4 en F.2-3) Verschillen tussen mensen respecteren (F.3-3 en F.3-4) Hanteert consequent de voor de school geldende normen en waarden, respecteert vertrouwelijkheid van leerlingen en behandelt alle leerlingen rechtvaardig, gericht op het kenbaar maken van grenzen en het serieus nemen van de leerling als individu. Respecteert de vertrouwelijkheid van leerlingen en gaat discreet met gevoelige zaken rondom de zorgtaken om waarbij zij de verschillen tussen individuele leerlingen respecteert. O = Is niet in staat bovenstaande punten in de praktijk toe te passen V = Laat zien dat zij in de praktijk positief bezig is met bovenstaande punten G = Ontvangt van collega's positieve feedback naar aanleiding van bovenstaande punten, is voorbeeld voor anderen / inspireert anderen. 14
K: Vakdeskundigheid toepassen Componenent: Vakspecifieke mentale vermogens aanwenden (K.1-4) Voert de pedagogisch-verzorgende taken zorgvuldig, precies, bedreven en ergonomisch verantwoord uit zodat er geen onnodige last voor de leerling(en) optreedt. O = Voert omschreven taken niet zorgvuldig, precies, bedreven en ergonomisch verantwoord uit. V = Doet dit wel, zodat er geen onnodige last voor de leerling(en) optreedt. G = Geeft hieraan ook uitvoering tijdens lastige situaties. T: Instructies en procedures opvolgen Component: Werkt cf. veiligheidsvoorschriften (T.3-5 en T.3-6) Instructies opvolgen (T.1-6) Ziet toe op de veiligheid van leerlingen in ongestructureerde situaties, gericht op het voorkomen van onveilige situaties. Verricht de pedagogisch-verzorgende taken volgens instructies en aanwijzingen en let tijdens de uitvoering hiervan expliciet op de veiligheid van de leerling(en). O = Ziet niet / nauwelijks toe op de veiligheid van leerlingen in ongestructureerde situaties. V = Doet dit wel, en verricht de pedagogisch-verzorgende taken volgens instructies en aanwijzingen en let tijdens de uitvoering hiervan expliciet op de veiligheid van de leerling(en). G = Idem, levert een wezenlijke bijdrage in het kader van het begrip veiligheid voor de school. U: Omgaan met verandering en aanpassen Component: Omgaan met onduidelijkheid en onzekerheid (U.1-1 en U.1-2) Met diversiteit (tussen mensen) omgaan (U.2-1 en U.2-2) Reageert flexibel op veranderingen en communiceert ook in onduidelijke en onzekere situaties helder en eenduidig naar de leerlingen met het oog op een optimaal verloop van de leeractiviteiten. Daarnaast richt zij zich op verschillen qua leerstijl en leerbehoefte van de individuele leerling, handelt daarbij met respect voor de eigenheid van elk individu past de begeleiding aan aan de veranderende) leerbehoefte, zodat tijdens de begeleiding aansluiting bij de leerbehoefte gegarandeerd blijft. Toont ook in onzekere en onduidelijke situaties zelfvertrouwen en is gericht op een goed verloop van de dagelijkse gang van zaken in en om de school. Kan goed omgaan met leerlingen die verschillen qua achtergrond en cultuur en handelt daarbij met respect voor de eigenheid van elk individu. O = Reageert niet flexibel op veranderingen, communiceert niet helder en eenduidig, richt zich niet op verschillen qua leerstijl en leerbehoefte van de leerling. V = Doet dit wel en kan ook de andere genoemde punten in de praktijk toepassen G = Idem, ontvangt van collega's positieve feedback naar aanleiding van bovenstaande punten, is voorbeeld voor anderen / inspireert anderen. BEOORDELINGSFORMULIER BPV opdracht 16: Klassenmanagement en inrichting lokaal Deze opdracht heeft betrekking op werkproces: 2.1, 2.2 en 2.3 Competenties: L, N, Q, S, T, W Je hebt voorbereidende en afrondende werkzaamheden op systematische wijze uitgevoerd, zodat de processen in het primaire proces voortgang kunnen vinden en je dus zo een bijdrage hebt geleverd aan goed klassenmanagement. L: materialen en middelen inzetten Componenent: Goed zorgdragen voor materialen en middelen (L.2-3) Gebruikt en checkt materialen en middelen en gaat er zorgvuldig en netjes mee om, zodat er geen sprake is van verspilling en de materialen en middelen die door de onderwijsassistent worden gebruikt goed verzorgd zijn. 15
O = Voldoet niet aan bovenstaande omschrijvingen. V = Voldoet aan bovenstaande omschrijvingen. G = Idem, leerlingen nemen het voorbeeldgedrag over. N: Onderzoeken Componenent: Informatie achterhalen (N.1-1) Verzamelt met behulp van diverse bronnen, relevante informatie over de doelgroep, beschikbare middelen en mogelijke activiteiten, zodat de activiteit aansluit bij de doelgroep, de beschikbare middelen en mogelijkheden. O =Verzameld geen relevante informatie over de doelgroep, mist aansluiting activiteit hierdoor. V = Voldoet aan bovenstaande punten. G = Idem, verzamelt daarnaast waardevolle informatie die ook voor collega's interessant is. Q: Plannen en organiseren Component: Activiteiten plannen (Q.1-1) Tijd indelen (Q.2-1) Plant en regelt de organiserende en administratieve werkzaamheden in een logische volgorde waarbij de tijd effectief en efficiënt ingedeeld wordt en houdt daarbij rekening met de mogelijkheden, omstandigheden, beschikbare tijd en afspraken zodat de activiteiten effectief en efficiënt worden georganiseerd. O = Houdt geen/nauwelijks rekening met bovenstaande punten V = Houdt hier wel rekening mee gericht op effectieve en efficiënte uitvoering van administratieve zaken en organisatie van activiteiten G = Idem, werkzaamheden zijn zeer inzichtelijk voor collega's en organisatie kan eenduidig worden S: Kwaliteit leveren Component: systematisch werken (S.1-1) Pakt de voorbereidende en afrondende werkzaamheden ordelijk en efficiënt aan gericht op een optimale voorbereiding of afronding. O = Werkt niet systematisch gericht op een optimale voorbereiding of afronding. V = Werkt systematisch, ordelijk en efficiënt aan gericht op een optimale voorbereiding of afronding. G = Idem, doet dit structureel cf. verwachting van het team. T: Instructies en procedures opvolgen Component: Instructies opvolgen (T.1-4) Werken cf. voorgeschreven procedures (T.2-4) Volgt instructies en aanwijzingen m.b.t. de administratieve werkzaamheden op en houdt zich aan de voorgeschreven (werk)procedures zodat gegevens nauwkeurig, inzichtelijk en vertrouwelijk zijn verwerkt. z.o.z. O = Handelt niet volgens instructies en voorgeschreven (werk)procedures. V = Handelt cf. instructies / afspraken, heeft kennis van procedures, handelt hiernaar, gegevens zijn nauwkeurig, inzichtelijk en vertrouwelijk verwerkt. G = Is daarnaast in staat om (positief) kritisch om te gaan met bestaande instructies, afspraken en procedures. W: Gedrevenheid en ambitie tonen Component: Zichzelf actief beschikbaar stellen (W.1-1) Laat actief weten beschikbaar te zijn en vraagt uit zichzelf of er nog iets gedaan kan worden hetgeen bijdraagt aan een optimale inzet bij en bijdrage aan administratieve werkzaamheden. O = Handelt niet pro-actief V = Vraagt uit zich zelf of er iets gedaan kan worden, draagt bij aan een optimale inzet bij en bijdrage aan administratieve werkzaamheden. G = Weet daarnaast waar verbeteringen in administratieve werkzaamheden mogelijk zijn, draagt deze aan. 16
BEOORDELINGSFORMULIER BPV opdracht 17: Begeleid leerlingen met een leerprobleem Deze opdracht heeft betrekking op werkproces: 1.4 en 2.5 Competenties: C, D, F, K, T, U, V Je hebt de individuele leerlingen of (kleine) groepen leerlingen begeleid bij leeractiviteiten op basis van het onderwijsprogramma. Je hebt je verdiept in een aantal problemen op het gebied van leren. Je hebt aangegeven hoe je leerlingen met een bepaald leerprobleem het beste kunt begeleiden en je hebt die ondersteuning ook daadwerkelijk gegeven. Je hebt daarbij interesse en respect voor de leerling getoond. Je hebt gemotiveerd, gestimuleerd en flexibel gereageerd op veranderingen. Je hebt oog gehad voor verschillende leerstijlen van leerlingen, normen en waarden en wat er in de groep leerlingen zoal kan afspelen.je hebt daarbij op tijd pedagogische beslissingen genomen. C: Begeleiden Component: Coachen (C.1-1) Motiveren (C.2-1) Anderen ontwikkelen (C.3-1 en C.3-3) Stimuleert de leerlingen om kritisch naar zichzelf te kijken, zet ze aan om zelf naar mogelijke oplossingen te zoeken, motiveert de leerlingen om hun best te doen, helpt ze hun doelen te bereiken en uitdagingen aan te gaan en biedt als zodanig ondersteuning bij het leren en ontwikkelen. Stimuleert de leerling(en) de persoonlijke verzorging zo zelfstandig mogelijk uit te voeren, waarmee zij de leerling(en) versterkt. O = Stimuleert leerlingen niet / nauwelijks naar zichzelf te kijken, zet ze niet aan om zelf naar moeilijk oplossingen te zoeken en stimuleert niet de zelfredzaamheid. V = Doet dit wel, helpt ze hun doelen te bereiken en uitdagingen aan te gaan en biedt als zodanig ondersteuning bij het leren en ontwikkelen stimuleert zelfredzaamheid. G = Idem, doet dit consequent in inspireert hierdoor anderen. D: Aandacht en begrip tonen Component: Interesse tonen (D.1-1) Luisteren (D.2-1) Inleven in andermans gevoelens (D.3-1) Anderen steunen (D.4-1 en D.4-3) Bezorgdheid tonen voor anderen (D.5-3) Toont betrokkenheid bij de leervragen van leerlingen, laat zien naar hen te luisteren door te spiegelen en door te vragen, geeft aandacht aan de zorg die door de leerlingen wordt geuit en biedt de gewenste en mogelijke ondersteuning, waarmee zij een bijdrage levert aan de begeleiding van leerlingen bij de uitvoering van programmaonderdelen. Herkent wanneer leerlingen hulp nodig hebben en biedt dan de nodige ondersteuning, let daarbij op het welzijn van de leerling en stimuleert de zelfredzaamheid, zodat leerlingen op het gebied van de zorg zich (verder) ontwikkelen, zo zelfstandig mogelijk functioneren. Toont geen of onvoldoende betrokkenheid bij leervragen van de leerlingen, herkent niet of nauwelijks wanneer leerlingen hulp nodig hebben. V = Doet dit wel, kan spiegelen en doorvragen, geeft aandacht aan de zorg die door leerlingen wordt geuit en biedt de gewenste ondersteuning. Stimuleert de zelfredzaamheid. G = Idem, de bijdrage die zij levert bij de uitvoering is wezenlijk en dient als voorbeeld voor anderen z.o.z. O = F: Ethisch en integer handelen Component: Ethisch handelen (F.1-2) Integer handelen (F.2-2 en F.1-4) Verschillen tussen mensen respecteren (F.3-2 en F.3-4) Handelt consequent binnen de afgesproken lijn in de school/in de klas/m.b.t. de leerling, houdt zich aan de geldende normen en waarden en aan de gemaakte afspraken en toont zich tevens aan de leerlingen als betrouwbaar persoon, waarbij zij ook nog handelt vanuit het principe van gelijkheid in het onderwijs. Respecteert de vertrouwelijkheid van leerlingen en gaat discreet met gevoelige zaken rondom de zorgtaken om waarbij zij de verschillen tussen individuele leerlingen respecteert. 17
O = Is niet in staat bovenstaande punten in de praktijk toe te passen V = Laat zien dat zij in de praktijk positief bezig is met bovenstaande punten G = Ontvangt van collega's positieve feedback naar aanleiding van bovenstaande punten, is voorbeeld voor anderen / inspireert anderen. K: Vakdeskundigheid toepassen Componenent: Vakspecifieke mentale vermogens aanwenden (K.1-3 en K.1-4) Schakelt snel tussen de verschillende leerlingen en van de individuele leerling naar de groep terwijl zij in de begeleiding van elke leerling tevens zo direct mogelijk reageert op wensen, behoeften en datgene wat noodzakelijk geacht wordt in het kader van de begeleiding. Voert de pedagogisch-verzorgende taken zorgvuldig, precies, bedreven en ergonomisch verantwoord uit zodat er geen onnodige last voor de leerling(en) optreedt. O = Is niet in staat te schakelen tussen de individuele leerling en de groep. Voert de pedagogischverzorgende taken niet zorgvuldig, precies, bedreven en ergonomisch verantwoord uit V = Kan bovenstaande toepassen, ook zodat er geen onnodige last voor de leerling(en) optreedt. G = Geeft hieraan ook uitvoering tijdens lastige begeleidingssituaties. T: Instructies en procedures opvolgen Component: Werkt cf. veiligheidsvoorschriften (T.3-6) Instructies opvolgen (T.1-6) Ziet toe op de veiligheid van leerlingen in ongestructureerde situaties, gericht op het voorkomen van onveilige situaties. Verricht de pedagogisch-verzorgende taken volgens instructies en aanwijzingen en let tijdens de uitvoering hiervan expliciet op de veiligheid van de leerling(en). O = Ziet niet / nauwelijks toe op de veiligheid van leerlingen in ongestructureerde situaties. V = Doet dit wel, en verricht de pedagogisch-verzorgende taken volgens instructies en aanwijzingen en let tijdens de uitvoering hiervan expliciet op de veiligheid van de leerling(en). G = Idem, levert een wezenlijke bijdrage in het kader van het begrip veiligheid voor de school. U: Omgaan met verandering en aanpassen Component: Omgaan met onduidelijkheid en onzekerheid (U.1-1) Met diversiteit (tussen mensen) omgaan (U.2-1) Reageert flexibel op veranderingen en communiceert ook in onduidelijke en onzekere situaties helder en eenduidig naar de leerlingen met het oog op een optimaal verloop van de leeractiviteiten. Daarnaast richt zij zich op verschillen qua leerstijl en leerbehoefte van de individuele leerling, handelt daarbij met respect voor de eigenheid van elk individu past de begeleiding aan aan de veranderende) leerbehoefte, zodat tijdens de begeleiding aansluiting bij de leerbehoefte gegarandeerd blijft. O = Reageert niet flexibel op veranderingen, communiceert niet helder en eenduidig, richt zich niet op verschillen qua leerstijl en leerbehoefte van de leerling. V = Doet dit wel en kan ook de andere genoemde punten in de praktijk toepassen G = Idem, ontvangt van collega's positieve feedback naar aanleiding van bovenstaande punten, is voorbeeld voor anderen / inspireert anderen. V: Met druk en tegenslag omgaan Component: Gevoelens onder controle houden (V.1-1) Kan eigen gevoelens functioneel hanteren en geeft gecontroleerd, uiting aan gevoelens en emoties, gericht op de begeleiding van leerlingen tijdens leeractiviteiten. O = Kan de eigen gevoelens niet onder controle houden in moeilijke begeleidingssituaties V = Kan eigen gevoelens wel onder controle houden in moeilijke begeleidingssituaties G = Laat zien dat zij daarnaast kan reflecteren op eigen gevoelens met collega(s). 18
BEOORDELINGSFORMULIER BPV opdracht 18: Opdracht 18 Begeleid leerlingen met verschillende leerstijlen Deze opdracht heeft betrekking op werkproces: 1.1 en 1.4 Competenties: C, D, F, J, K, T, U Je hebt de individuele leerlingen of (kleine) groepen leerlingen begeleid bij leeractiviteiten op basis van het onderwijsprogramma. Je hebt inzicht gekregen in de leerstijlen van je leerlingen hebben en hoe zij daarmee om gaan. Je hebt inzicht gekregen in de manier hoe je daarmee om kunt gaan in je dagelijkse begeleiding van leerlingen. Je hebt daarbij interesse en respect voor de leerling getoond. Je hebt gemotiveerd, gestimuleerd en flexibel gereageerd op veranderingen. Je hebt oog gehad voor verschillende leerstijlen van leerlingen, normen en waarden en wat er in de groep leerlingen zoal kan afspelen.je hebt daarbij op tijd pedagogische beslissingen genomen. C: Begeleiden Component: Coachen (C.1-1) Motiveren (C.2-1) Anderen ontwikkelen (C.3-1) Stimuleert de leerlingen om kritisch naar zichzelf te kijken, zet ze aan om zelf naar mogelijke oplos- singen te zoeken, motiveert de leerlingen om hun best te doen, helpt ze hun doelen te bereiken en uitdagingen aan te gaan en biedt als zodanig ondersteuning bij het leren en ontwikkelen. O = Stimuleert leerlingen niet / nauwelijks naar zichzelf te kijken, zet ze niet aan om zelf naar moeilijk oplossingen te zoeken. V = Doet dit wel, helpt ze hun doelen te bereiken en uitdagingen aan te gaan en biedt als zodanig ondersteuning bij het leren. G = Idem, doet dit consequent in inspireert hierdoor anderen. D: Aandacht en begrip tonen Component: Interesse tonen (D.1-1) Luisteren (D.2-1) Inleven in andermans gevoelens (D.3-1) Anderen steunen (D.4-1) Toont betrokkenheid bij de leervragen van leerlingen, laat zien naar hen te luisteren door te spiegelen en door te vragen, geeft aandacht aan de zorg die door de leerlingen wordt geuit en biedt de gewenste en mogelijke ondersteuning, waarmee zij een bijdrage levert aan de begeleiding van leerlingen bij de uitvoering van programmaonderdelen. O = Toont geen of onvoldoende betrokkenheid bij leervragen van de leerlingen. V = Doet dit wel, kan spiegelen en doorvragen, geeft aandacht aan de zorg die door leerlingen wordt geuit en biedt de gewenste ondersteuning. G = Idem, de bijdrage die zij levert bij de uitvoering is wezenlijk en dient als voorbeeld voor anderen F: Ethisch en integer handelen Component: Ethisch handelen (F.1-1 en F.1-2) Integer handelen (F.2-1 en F.2-2) Verschillen tussen mensen respecteren (F.3-1 en F.3-2) Handelt consequent in lijn met binnen de school geldende ethische maatstaven, respecteert vertrouwelijkheid en gaat discreet met leerling-gegevens om. Handelt consequent binnen de afgesproken lijn in de school/in de klas/m.b.t. de leerling, houdt zich aan de geldende normen en waarden en aan de gemaakte afspraken en toont zich tevens aan de leerlingen als betrouwbaar persoon, waarbij zij ook nog handelt vanuit het principe van gelijkheid in het onderwijs. O = Is niet in staat bovenstaande punten in de praktijk toe te passen V = Laat zien dat zij in de praktijk positief bezig is met bovenstaande punten G = Ontvangt van collega's positieve feedback naar aanleiding van bovenstaande punten, is voorbeeld voor anderen / inspireert anderen. J: Formuleren en rapporteren Component: Correct formuleren (J.1-1) Nauwkeurig en volledig rapporteren (J.2-1) Gebruikt de juiste taal en hanteert een correcte spelling en grammatica, zorgt voor een nauwkeurige en volledige rapportage die voldoet aan de gestelde kwaliteitscriteria. 19
O = Gebruikt niet de juiste taal en hanteert geen correcte spelling en grammatica. V = Gebruikt de juiste taal en hanteert correcte spelling en grammatica in een volledige rapportage. G = Verwerkt daarnaast duidelijke kwaliteitscriteria in haar rapportage. K: Vakdeskundigheid toepassen Componenent: Vakspecifieke mentale vermogens aanwenden (K.1-1 en K.1-3) Neemt veel, snel en de juiste informatie op, filtert de informatie gericht op de opdracht om zodoende tot een zo objectief mogelijke observatie te komen. Schakelt snel tussen de verschillende leerlingen en van de individuele leerling naar de groep terwijl zij in de begeleiding van elke leerling tevens zo direct mogelijk reageert op wensen, behoeften en datgene wat noodzakelijk geacht wordt in het kader van de begeleiding. O = Neemt onvoldoende informatie op bij het observeren, is niet in staat te schakelen tussen de individuele leerling en de groep V = Neemt voldoende informatie op en observeert onbevooroordeeld. Kan schakelen en daarnaast in de begeleiding van elke leerling direct reageren op wensen, behoeften en datgene wat noodzakelijk geacht wordt in het kader van de begeleiding. G = De rapportage biedt meerwaarde voor het team waarin zij functioneert Kan ook 'schakelen' tijdens lastige begeleidingssituaties T: Instructies en procedures opvolgen Component: Instructies opvolgen (T.1-1) Werkt cf. voorgeschreven procedures (T.2-1) Observeert volgens de door de leraar/leraren/het team gegeven instructies en werkt hierbij volgens de binnen de school geldende protocollen en procedures. O = Observeert niet volgens gegeven instructies. V = Observeert volgens gegeven instructies en werkt volgens protocollen en procedures. G = Kan bovenstaande uitvoeren op geheel eigen initiatief. U: Omgaan met verandering en aanpassen Component: Omgaan met onduidelijkheid en onzekerheid (U.1-1) Met diversiteit (tussen mensen) omgaan (U.2-1) Reageert flexibel op veranderingen en communiceert ook in onduidelijke en onzekere situaties helder en eenduidig naar de leerlingen met het oog op een optimaal verloop van de leeractiviteiten. Daarnaast richt zij zich op verschillen qua leerstijl en leerbehoefte van de individuele leerling, handelt daarbij met respect voor de eigenheid van elk individu past de begeleiding aan aan de veranderende) leerbehoefte, zodat tijdens de begeleiding aansluiting bij de leerbehoefte gegarandeerd blijft. O = Reageert niet flexibel op veranderingen, communiceert niet helder en eenduidig, richt zich niet op verschillen qua leerstijl en leerbehoefte van de leerling. V = Doet dit wel en kan ook de andere genoemde punten in de praktijk toepassen G = Idem, ontvangt van collega's positieve feedback naar aanleiding van bovenstaande punten, is voorbeeld voor anderen / inspireert anderen. BEOORDELINGSFORMULIER BPV opdracht 19: Opdracht 19 Beurten geven in een leergesprek Deze opdracht heeft betrekking op werkproces: 1.3 en 1.4 Competenties: A, B, C, D, F, K, L, T, U, V Je hebt groepen leerlingen begeleid bij leeractiviteiten op basis van het onderwijsprogramma. Je hebt daarbij interesse en respect voor de leerling getoond. Je hebt gemotiveerd, gestimuleerd en flexibel gereageerd op veranderingen. Je hebt oog gehad voor verschillende leerstijlen van leerlingen, normen en waarden en wat er in de groep leerlingen zoal kan afspelen. Je hebt daarbij op tijd pedagogische beslissingen genomen. 20
A: Beslissen en activiteiten initiëren Component: Beslissingen nemen (A.1-1) Neemt, binnen de gestelde kaders, op tijd de nodige eenvoudige didactische beslissingen tijdens het assisteren bij de uitvoering van programmaonderdelen. O = Neemt geen eenvoudige didactische beslissingen. V = Neemt, binnen de gestelde kaders, op tijd de nodige eenvoudige didactische beslissingen G = Levert hierdoor een wezenlijke bijdrage aan de uitvoering van programmaonderdelen. B: Aansturen Component: Instructies en aanwijzingen geven (B.1-1) Geeft de leerlingen heldere en duidelijke instructies en aanwijzingen gericht op de uitvoering van programmaonderdelen, hanteert daarbij het juiste tempo en een logische volgorde en controleert of de uitleg begrepen is zodat de leerlingen aan het werk kunnen. O = Geeft geen heldere en duidelijke instructies en aanwijzingen. V = Doet dit wel, gericht op de uitvoering van programmaonderdelen in juist tempo, volgorde en controleert of de uitleg begrepen is. G = Doet dit zodanig dat vrijwel alle leerlingen direct aan het werk gaan. C: Begeleiden Component: Coachen (C.1-1) Motiveren (C.2-1) Anderen ontwikkelen (C.3-1) Stimuleert de leerlingen om kritisch naar zichzelf te kijken, zet ze aan om zelf naar mogelijke oplossingen te zoeken, motiveert de leerlingen om hun best te doen, helpt ze hun doelen te bereiken en uitdagingen aan te gaan en biedt als zodanig ondersteuning bij het leren en ontwikkelen. O = Stimuleert leerlingen niet / nauwelijks naar zichzelf te kijken, laat geen voorbeeld gedrag zien V = Doet dit wel, helpt ze hun doelen te bereiken en uitdagingen aan te gaan en biedt als zodanig ondersteuning bij het leren en ontwikkelen laat voorbeeldgedrag zien G = Idem, doet dit consequent in inspireert hierdoor anderen. D: Aandacht en begrip tonen Component: Interesse tonen (D.1-1) Luisteren (D.2-1) Inleven in andermans gevoelens (D.3-1) Anderen steunen (D.4-1) Toont betrokkenheid bij de leervragen van leerlingen, laat zien naar hen te luisteren door te spiegelen en door te vragen, geeft aandacht aan de zorg die door de leerlingen wordt geuit en biedt de gewenste en mogelijke ondersteuning, waarmee zij een bijdrage levert aan de begeleiding van leerlingen bij de uitvoering van programmaonderdelen. O = Toon geen of onvoldoende betrokkenheid bij leervragen van de leerlingen, luistert onvoldoende naar leerlingen en toon geen aandacht voor de zorg die door leerlingen wordt geuit. V = Doet dit wel, kan spiegelen en doorvragen, geeft aandacht aan de zorg die door leerlingen wordt geuit en biedt de gewenste ondersteuning. G = Idem, de bijdrage die zij levert bij de uitvoering is wezenlijk en dient als voorbeeld voor anderen F: Ethisch en integer handelen Component: Ethisch handelen (F.1-2) Integer handelen (F.2-2) Verschillen tussen mensen respecteren (F.3-2) Handelt consequent binnen de afgesproken lijn in de school/in de klas/m.b.t. de leerling, houdt zich aan de geldende normen en waarden en aan de gemaakte afspraken en toont zich tevens aan de leerlingen als betrouwbaar persoon, waarbij zij ook nog handelt vanuit het principe van gelijkheid in het onderwijs. O = Is niet in staat bovenstaande punten in de praktijk toe te passen V = Laat zien dat zij in de praktijk positief bezig is met bovenstaande punten G = Ontvangt van collega's positieve feedback naar aanleiding van bovenstaande punten, is voorbeeld voor anderen / inspireert anderen. 21
K: Vakdeskundigheid toepassen Componenent: Vakspecifieke mentale vermogens aanwenden (K.1-2 en K.1-3) Overziet de groep/het groepje leerlingen en heeft tevens oog voor de individuele leerling, onthoudt makkelijk en associeert vlot tijdens het geven van uitleg en instructie, zodat de leerlingen goed geïnstrueerd aan het werk kunnen. Schakelt snel tussen de verschillende leerlingen en van de individuele leerling naar de groep terwijl zij in de begeleiding van elke leerling tevens zo direct mogelijk reageert op wensen, behoeften en datgene wat noodzakelijk geacht wordt in het kader van de begeleiding. O = Is niet in staat bovenstaande in de praktijk toe te passen, heeft geen overzicht, is niet in staat te schakelen tussen de individuele leerling en de groep V = Laat zien dat zij overzicht heeft en een goede instructie kan verzorgen.kan schakelen en daarnaast in de begeleiding van elke leerling direct reageren op wensen, behoeften en datgene wat noodzakelijk geacht wordt in het kader van de begeleiding. G = Laat in alle voorkomende situaties zien dat zij een goede instructie kan verzorgen. Geeft hieraan ook uitvoering tijdens lastige begeleidingssituaties. L: materialen en middelen inzetten Componenent: Materialen en middelen doelmatig gebruiken (L.1-2) Gaat zorgvuldig en netjes om met de te gebruiken materialen en middelen, gericht op kostenbewust, milieubewust en efficiënt gebruik en als voorbeeld naar leerlingen. O = Voldoet niet aan bovenstaande omschrijvingen. V = Voldoet aan bovenstaande omschrijvingen. G = Idem, leerlingen nemen het voorbeeldgedrag over. T: Instructies en procedures opvolgen Component: Instructies opvolgen (T.1-2 en T.1-3) Werken cf. veiligheidsvoorschriften (T.3-3) Voert de assisterende taken uit volgens de instructies van de leraar/leraren/het team uit en doet dit op basis van de gemaakte afspraken en de geldende procedures, hanteert veiligheidsregels en ziet er op toe dat ook de leerlingen/deelnemers de veiligheidsregels toepassen.. O = Voert assistentie niet uit volgende de instructies van de leraar / het team. V = Voert assistentie uit volgende de instructies van de leraar / het team, hanteert veiligheidsregels en ziet erop toe dat leerlingen deze ook toepassen. G = Is daarnaast in staat om (positief) kritisch om te gaan met bestaande instructies, afspraken en Procedures en kan in noodsituaties adequaat handelen / laat zien hiertoe in staat te zijn. U: Omgaan met verandering en aanpassen Component: Omgaan met onduidelijkheid en onzekerheid (U.1-1) Met diversiteit (tussen mensen) omgaan (U.2-1) Reageert flexibel op veranderingen en communiceert ook in onduidelijke en onzekere situaties helder en eenduidig naar de leerlingen met het oog op een optimaal verloop van de leeractiviteiten. Daarnaast richt zij zich op verschillen qua leerstijl en leerbehoefte van de individuele leerling, handelt daarbij met respect voor de eigenheid van elk individu past de begeleiding aan aan de veranderende) leerbehoefte, zodat tijdens de begeleiding aansluiting bij de leerbehoefte gegarandeerd blijft. O = Reageert niet flexibel op veranderingen, communiceert niet helder en eenduidig, richt zich niet op verschillen qua leerstijl en leerbehoefte van de leerling. V = Doet dit wel en kan ook de andere genoemde punten in de praktijk toepassen G = Idem, ontvangt van collega's positieve feedback naar aanleiding van bovenstaande punten, is voorbeeld voor anderen / inspireert anderen. 22
V: Met druk en tegenslag omgaan Component: Gevoelens onder controle houden (V.1-1) Kan eigen gevoelens functioneel hanteren en geeft gecontroleerd, uiting aan gevoelens en emoties, gericht op de begeleiding van leerlingen tijdens leeractiviteiten. O = Kan de eigen gevoelens niet onder controle houden in moeilijke begeleidingssituaties V = Kan eigen gevoelens wel onder controle houden in moeilijke begeleidingssituaties G = Laat zien dat zij daarnaast kan reflecteren op eigen gevoelens met collega(s). BEOORDELINGSFORMULIER BPV opdracht 20: Vastlegging uitvoering werk door middel van invulformulieren en vrije verslaglegging Deze opdracht heeft betrekking op werkproces: 2.3 en 3.2 Competenties: T, W Je hebt geleerd resultaten van leerlingen zichtbaar te maken. Je hebt geleerd deze resultaten te bespreken en vast te leggen. Je hebt in een open communicatie met de leerkracht gerapporteerd en gereflecteerd op je eigen handelen.je hebt de leraar/leraren/het team accuraat en professioneel ondersteund bij de uitvoering van administratieve werkzaamheden en ook je eigen administratie nauwkeurig uitgevoerd. Je hebt onderzocht hoe het vastleggen van gegevens actief bijdraagt aan het bevorderen van kwaliteit van het onderwijs. T: Instructies en procedures opvolgen Component: Instructies opvolgen (T.1-4) Werken cf. voorgeschreven procedures (T.2-4 en T.2-7) Volgt instructies en aanwijzingen m.b.t. de administratieve werkzaamheden op en houdt zich aan de voorgeschreven (werk)procedures zodat gegevens nauwkeurig, inzichtelijk en vertrouwelijk zijn verwerkt. Houdt zich aan de voorgeschreven procedures rondom kwaliteitsverbetering, zodat zij een effectieve bijdrage levert aan het bevorderen en bewaken van de kwaliteitszorg. O = Handelt niet volgens instructies en voorgeschreven (werk)procedures. V = Handelt cf. instructies / afspraken, heeft kennis van procedures, handelt hiernaar, gegevens zijn nauwkeurig, inzichtelijk en vertrouwelijk verwerkt. Levert een effectieve bijdrage levert aan het bevorderen en bewaken van de kwaliteitszorg. G = Is daarnaast in staat om (positief) kritisch om te gaan met bestaande instructies, afspraken en procedures. Heeft ideeën die bijdragen aan het bevorderen en bewaken van de kwaliteitszorg. W: Gedrevenheid en ambitie tonen Component: Zichzelf actief beschikbaar stellen (W.1-1) Laat actief weten beschikbaar te zijn en vraagt uit zichzelf of er nog iets gedaan kan worden hetgeen bijdraagt aan een optimale inzet bij en bijdrage aan administratieve werkzaamheden. O = Handelt niet pro-actief V = Vraagt uit zich zelf of er iets gedaan kan worden, draagt bij aan een optimale inzet bij en bijdrage aan administratieve werkzaamheden. G = Weet daarnaast waar verbeteringen in administratieve werkzaamheden mogelijk zijn, draagt deze aan. 23
BEOORDELINGSFORMULIER BPV opdracht 21: Assisteer bij het inzetten van de computer als leermiddel en werk zelf met ICT. Deze opdracht heeft betrekking op werkproces: 1.3, 2.1 en 2.3 Competenties: A, B, K, L, T, W Je hebt geassisteerd bij de inzet van de computer als leermiddel. Je kent een aantal toepassingsmogelijkheden. Je hebt inzicht gekregen en bent vaardig in de mogelijkheden van de computer bij het verwerken van administratief werk of andere taken op je school. A: Beslissen en activiteiten initiëren Component: Beslissingen nemen (A.1-1) Neemt, binnen de gestelde kaders, op tijd de nodige eenvoudige didactische beslissingen tijdens het assisteren bij de uitvoering van programmaonderdelen. O = Neemt geen eenvoudige didactische beslissingen. V = Neemt, binnen de gestelde kaders, op tijd de nodige eenvoudige didactische beslissingen G = Levert hierdoor een wezenlijke bijdrage aan de uitvoering van programmaonderdelen. B: Aansturen Component: Instructies en aanwijzingen geven (B.1-1) Geeft de leerlingen heldere en duidelijke instructies en aanwijzingen gericht op de uitvoering van programmaonderdelen, hanteert daarbij het juiste tempo en een logische volgorde en controleert of de uitleg begrepen is zodat de leerlingen aan het werk kunnen. O = Geeft geen heldere en duidelijke instructies en aanwijzingen. V = Doet dit wel, gericht op de uitvoering van programmaonderdelen in juist tempo, volgorde en controleert of de uitleg begrepen is. G = Doet dit zodanig dat vrijwel alle leerlingen direct aan het werk gaan. K: Vakdeskundigheid toepassen Componenent: Vakspecifieke mentale vermogens aanwenden (K.1-2) Overziet de groep/het groepje leerlingen en heeft tevens oog voor de individuele leerling, onthoudt makkelijk en associeert vlot tijdens het geven van uitleg en instructie, zodat de leerlingen goed geïnstrueerd aan het werk kunnen. O = Is niet in staat bovenstaande in de praktijk toe te passen, heeft geen overzicht. V = Laat zien dat zij overzicht heeft en een goede instructie kan verzorgen. G = Laat in alle voorkomende situaties zien dat zij een goede instructie kan verzorgen. L: materialen en middelen inzetten Componenent: Materialen en middelen doelmatig gebruiken (L.1-2) Gaat zorgvuldig en netjes om met de te gebruiken materialen en middelen, gericht op kostenbewust, milieubewust en efficiënt gebruik en als voorbeeld naar leerlingen. O = Voldoet niet aan bovenstaande omschrijvingen. V = Voldoet aan bovenstaande omschrijvingen. G = Idem, leerlingen nemen het voorbeeldgedrag over. 24
T: Instructies en procedures opvolgen Component: Instructies opvolgen (T.1-4 en T.1-3) Werken cf. voorgeschreven procedures (T.2-4) Werken cf. veiligheidsvoorschriften (T.3-3) Voert de voorbereidingen en assisterende taken uit volgens de instructies van de leraar/leraren/het team uit en doet dit op basis van de gemaakte afspraken en de geldende procedures, hanteert veiligheidsregels en ziet er op toe dat ook de leerlingen de veiligheidsregels toepassen. Volgt instructies en aanwijzingen m.b.t. de administratieve werkzaamheden op en houdt zich aan de voorgeschreven (werk)procedures zodat gegevens nauwkeurig, inzichtelijk en vertrouwelijk zijn verwerkt.. O = Voert voorbereidingen en assistentie niet uit volgende de instructies van de leraar / het team. V = Voert voorbereidingen en assistentie uit volgende de instructies van de leraar / het team, hanteert veiligheidsregels en ziet erop toe dat leerlingen deze ook toepassen. G = Is daarnaast in staat om (positief) kritisch om te gaan met bestaande instructies, afspraken en Procedures en kan in noodsituaties adequaat handelen / laat zien hiertoe in staat te zijn. W: Gedrevenheid en ambitie tonen Component: Zichzelf actief beschikbaar stellen (W.1-1) Laat actief weten beschikbaar te zijn en vraagt uit zichzelf of er nog iets gedaan kan worden hetgeen bijdraagt aan een optimale inzet bij en bijdrage aan administratieve werkzaamheden. O = Handelt niet pro-actief V = Vraagt uit zich zelf of er iets gedaan kan worden, draagt bij aan een optimale inzet bij en bijdrage aan administratieve werkzaamheden. G = Weet daarnaast waar verbeteringen in administratieve werkzaamheden mogelijk zijn, draagt deze aan. BEOORDELINGSFORMULIER BPV opdracht 22: Reflecteren en evalueren Deze opdracht heeft betrekking op werkproces: 3.1 en 3.4 Competenties: D, J, K Je hebt in een open communicatie met de leerkracht/leraren/het team gerapporteerd en gereflecteerd op je eigen handelen. Je kunt je ervaringen evalueren, opgedaan bij de verschillende werkprocessen. Je hebt meer inzicht gekregen in de manier waarop je samenwerkt en omgaat met anderen en hoe anderen dat doen. Je kunt je kernkwaliteit(en) noemen, leermomenten en leerdoelen.je bent in staat een persoonlijk ontwikkelplan te maken. Je bent in staat te beschrijven hoe je dat plan gaat uitvoeren en hoe je in de toekomst jezelf wilt (blijven) ontwikkelen. Je hebt geleerd welke stappen je kunt ondernemen om je vakkennis en vaardigheden goed bij te houden en verder te ontwikkelen.je hebt geleerd jezelf concrete doelen te stellen hierbij. Je hebt inzicht in je eigen leerproces en ziet de relaties met de diverse competenties. D: Aandacht en begrip tonen Component: Luisteren (D.2-4) en Zichzelf kennen en laten zien (D.6-5) Luistert aandachtig naar wat anderen naar voren brengen en reflecteert Verwoordt wat de effecten van haar eigen gedrag kunnen zijn op het gedrag de leerlingen, zodat zij hier bewuster mee om kan (leren) gaan. O = Luistert niet aandachtig en reflecteert niet V = Luistert aandachtig, reflecteert, verwoorden effecten eigen gedrag gebeurt met regelmaat G = Idem, verwoorden effecten eigen gedrag gebeurt consequent 25
J: Formuleren en rapporteren Component: Vlot en bondig formuleren (J.3-2) Formuleert haar ervaringen en bevindingen scherp en kernachtig en schetst zodoende een beeld van haar ervaringen en bevindingen O = formuleert niet scherp en kernachtig, schetst geen beeld van ervaringen en bevindingen V = formuleert nog te uitgebreid maar geeft wel een goed beeld van ervaringen en bevindingen G = formuleert scherp en kernachtig, geeft goed beeld van ervaringen en bevindingen K: Vakdeskundigheid toepassen Componenent: Expertise delen (K.2-5) Houdt vakkennis en vaardigheden bij en draagt de eigen kennis en expertise op begrijpelijke wijze over aan collega's en andere deskundigen, zij geeft en ontvangt daarbij feedback en neemt deel aan inhoudelijke, beroepsmatige discussies, zodat zij werkt aan haar persoonlijke ontwikkeling en een bijdrage levert aan de professionalisering van het beroep O = uit vaardigheden blijkt niet dat student zich heeft verdiept in vakkennis V = uit vaardigheden blijkt dat student zich heeft verdiept in, geeft en ontvangt feedback G = student is hierin een voorbeeld voor anderen BEOORDELINGSFORMULIER BPV opdracht 23: Bevorderen en bewaken kwaliteitszorg door intervisie Deze opdracht heeft betrekking op werkproces: 2.1 en 3.2 Competentie: T Je kunt deelnemen aan intervisie.je leert je daar voortdurend in te oefenen. Je ziet in dat intervisie een belangrijk deel uitmaakt van je professionele ontwikkeling en bijdraagt aan het bevorderen en bewaken van de kwaliteitszorg en de kwaliteit van de leeromgeving. T: Instructies en procedures opvolgen Component: Werkt cf. voorgeschreven procedures (T.2-7) Houdt zich aan de voorgeschreven procedures rondom kwaliteitsverbetering, zodat zij een effectieve bijdrage levert aan het bevorderen en bewaken van de kwaliteitszorg. O = Houdt zich niet / nauwelijks aan voorgeschreven procedures rondom kwaliteitsverbetering V = Houdt zich hier wel aan, levert een effectieve bijdrage levert aan het bevorderen en bewaken van de kwaliteitszorg. G = Idem, genoemde bijdragen inspireren collega's BEOORDELINGSFORMULIER BPV opdracht 24: Verdieping in de (multi culturele) samenleving Deze opdracht heeft betrekking op werkproces: 3.1 Competentie: K en valt niet onder examinering Je hebt interesse getoond in nieuwe of actuele ontwikkelingen in je eigen vakgebied. Je hebt de opgedane expertise over zo'n ontwikkeling gedeeld met collega's. Je hebt ervaren dat het interesse hebben in ontwikkelingen in je vakgebied bijdraagt aan je deskundigheid en professionalisering van het beroep. 26
K: Vakdeskundigheid toepassen Componenent: Expertise delen (K.2-5) Houdt vakkennis en vaardigheden bij en draagt de eigen kennis en expertise op begrijpelijke wijze over aan collega's en andere deskundigen, zij geeft en ontvangt daarbij feedback en neemt deel aan inhoudelijke, beroepsmatige discussies, zodat zij werkt aan haar persoonlijke ontwikkeling en een bijdrage levert aan de professionalisering van het beroep O = uit vaardigheden blijkt niet dat student zich heeft verdiept in vakkennis V = uit vaardigheden blijkt dat student zich heeft verdiept in, geeft en ontvangt feedback G = student is hierin een voorbeeld voor anderen BEOORDELINGSFORMULIER BPV opdracht 25: Leren, Loopbaan en Burgerschap (LLB) Deze opdracht heeft betrekking op werkproces: 3.1 Competentie: K en valt niet onder examinering K: Vakdeskundigheid toepassen Componenent: Expertise delen (K.2-5) Houdt vakkennis en vaardigheden bij en draagt de eigen kennis en expertise op begrijpelijke wijze over aan collega's en andere deskundigen, zij geeft en ontvangt daarbij feedback en neemt deel aan inhoudelijke, beroepsmatige discussies, zodat zij werkt aan haar persoonlijke ontwikkeling en een bijdrage levert aan de professionalisering van het beroep O = uit vaardigheden blijkt niet dat student zich heeft verdiept in vakkennis V = uit vaardigheden blijkt dat student zich heeft verdiept in, geeft en ontvangt feedback G = student is hierin een voorbeeld voor anderen BEOORDELINGSFORMULIER BPV opdracht 26: Je organiseert een excursie en assisteert bij de uitvoering daarvan Deze opdracht heeft betrekking op werkproces: 1.2 en 2.2 Competenties: L, N, Q, T L: materialen en middelen inzetten Componenent: Materialen en middelen doelmatig gebruiken (L.1-1) Kiest materialen en middelen ten behoeve van de voorbereiding kostenbewust en efficiënt, zodat er geen materialen en middelen onnodig worden verbruikt. O = Let bij observatie en rapportage niet op gebruik van materialen en middelen. V = Let bij observatie en rapportage op gebruik van materialen en middelen. G = Verwerkt dit in rapportage en heeft vooraf zinvolle vragen over het gebruik hiervan. Q: Plannen en organiseren Component: Activiteiten plannen (Q.1-1) Tijd indelen (Q.2-1) Plant en regelt de organiserende en administratieve werkzaamheden in een logische volgorde waarbij de tijd effectief en efficiënt ingedeeld wordt en houdt daarbij rekening met de mogelijkheden, omstandigheden, beschikbare tijd en afspraken zodat de activiteiten effectief en efficiënt worden georganiseerd. O = Houdt geen/nauwelijks rekening met bovenstaande punten V = Houdt hier wel rekening mee gericht op effectieve en efficiënte uitvoering van administratieve zaken en organisatie van activiteiten G = Idem, werkzaamheden zijn zeer inzichtelijk voor collega's en organisatie kan eenduidig worden overgenomen 27
N: Onderzoeken Componenent: Informatie achterhalen (N.1-1) Verzamelt met behulp van diverse bronnen, relevante informatie over de doelgroep, beschikbare middelen en mogelijke activiteiten, zodat de activiteit aansluit bij de doelgroep, de beschikbare middelen en mogelijkheden. O =Verzameld geen relevante informatie over de doelgroep, mist aansluiting activiteit hierdoor. V = Voldoet aan bovenstaande punten. G = Idem, verzamelt daarnaast waardevolle informatie die ook voor collega's interessant is. T: Instructies en procedures opvolgen Component: Instructies opvolgen (T.1-2) Werken cf. voorgeschreven procedures (T.2-2) Voert de voorbereidingen volgens de instructies van de leraar/leraren/het team uit en doet dit op basis van de gemaakte afspraken en de geldende procedures. O = Voorbereidingen worden niet of nauwelijks uitgevoerd volgens de instructies V = Voert voorbereidingen uit volgens de instructies cf. afspraken en procedures. G = Is in staat om (positief) kritisch om te gaan met bestaande instructies, afspraken en procedures. 28
Beoordeling BPV-opdrachten en portfolio-opdrachten door de opleiding. Opdrachten worden, alvorens de opleiding deze beoordeelt, eerst beoordeeld door de BPVbeoordelaar door middel van het beoordelingsprotocol van de betreffende opdracht. 1. De beoordeling van de rapportage. De beoordeling wordt door twee items bepaald: door de kwantiteit (de volledigheid) en door de kwaliteit (het niveau). 1.1. De kwantiteit. De student krijgt de beoordeling 'goed' als 100% van de deelopdrachten is uitgevoerd en beschreven. De student krijgt de beoordeling 'voldoende' als 80% van de deelopdrachten is uitgevoerd en beschreven. De student krijgt de beoordeling 'onvoldoende' als minder dan 80% van de deelopdrachten is uitgevoerd en beschreven. 1.2. De kwaliteit. De student krijgt de beoordeling 'goed' als hij aantoont dat hij inzicht heeft verworven. Inzicht wordt hier gekoppeld aan: de belangrijkste bouwstenen van inzicht, te weten 'oorzaak en gevolg', 'doel en middel', 'voor- en nadelen', 'hoofd- en bijzaken' en 'als..dan redeneringen', met andere woorden de student kan relaties leggen tussen de verschillende onderdelen van de opdracht. Dit betreft het verband tussen de theorie, de praktijk en de eigen ontwikkeling of het functioneren. De student maakt zelf duidelijk dat hij inzicht heeft verkregen en benoemt dit. De uitwerking past bij het niveau startbekwaam beroepsbeoefenaar, de competenties van de opdracht (incl. prestatie-indicatoren) Door bovenstaande is sprake van niveauverhoging van de opdracht door de student De student krijgt de beoordeling 'voldoende' als aan bovenstaande wordt voldaan maar: De student maakt niet zelf duidelijk dat hij inzicht heeft verkregen en benoemt dit niet maar uit de rapportage kan de beoordelend docent dit wel concluderen. De student krijgt de beoordeling 'onvoldoende' als uit de opdracht blijkt dat hij geen of onvoldoende inzicht heeft verworven (het begrip inzicht is gelijk als onder 1.2 beschreven). De student maakt zelf niet duidelijk dat hij inzicht heeft verkregen en benoemt dit niet de docent kan uit de opdracht niet lezen dat de student dit heeft De uitwerking past niet bij het niveau startbekwaam beroepsbeoefenaar, de competenties van de opdracht (incl. prestatie-indicatoren). 2. De beoordeling van de reflectie. De beoordeling wordt bepaald door de items die in het onderstaande zijn omschreven. De student krijgt de beoordeling 'goed' als hij regelmatig uitleg (toelichtingen en verantwoordingen) geeft bij: de eigen meningen. andere eigen belevingen zoals emoties en wensen. een genuanceerd beeld van het eigen functioneren waarin in ieder geval sprake is van zelfwaardering en zelfkritiek. een heldere conclusie die algemeen van aard is en de leerwinst verwoordt. een of meer concrete voornemens die kunnen leiden tot een verbetering van het eigen functioneren in een parallelsituatie en/of tot het ontwikkelen of aanscherpen van eigen leerdoelen. Uit het geheel blijkt dat de student in staat is om te reflecteren op zijn functioneren in het verleden, het huidige functioneren en de functioneren in de nabije toekomst. De student krijgt de beoordeling 'voldoende' als af en toe een beschrijving van alle bovenstaande aandachtspunten geeft. De conclusie en voornemens zijn in ieder geval beschreven. De student krijgt 'onvoldoende' als hij geen beschrijvingen over de bovengenoemde aandachtspunten geeft. 29
3. De structuur. De structuur wordt bepaald door de lay-out, het overzichtelijke van het werk en door het consequent gebruik van het lettertype, inclusief leestekens. 3.1. De lay-out. De student krijgt de beoordeling 'goed' als er sprake is van een heldere lay-out die gebaseerd is op het consequent gebruik van titels, paragrafen, alinea's en spaties en die de leesbaarheid aantoonbaar bevorderen. De student krijgt 'voldoende' als er sprake is van een duidelijke lay-out die gebaseerd is op het gebruik van titels en paragrafen. De student krijgt 'onvoldoende' als de leesbaarheid wordt bemoeilijkt door een rommelig en onzorgvuldig gebruik van titels, paragrafen, alinea's en spaties. 3.2. De letters en leestekens. De student krijgt 'goed' als er sprake is van een consequent gebruik van lettertypes en kleuren. De student krijgt 'voldoende' als er sprake is van een duidelijk maar niet steeds consequent gebruik van lettertypes en leestekens. De student krijgt 'onvoldoende' als er sprake is van een inconsequent gebruik van lettertypes en leestekens die hinderlijk zijn voor de leesbaarheid. 4. Het taalgebruik. De student krijgt 'goed' als er sprake is van nagenoeg foutloos Nederlands. De student krijgt 'voldoende' als vijf of minder fouten zijn gemaakt. De student krijgt 'onvoldoende' als meer dan vijf taal- en/of spellingsfouten zijn gemaakt. Opmerkingen: Bij een 'onvoldoende' (voor een van de onderdelen 1 t/m 4) moet het deel van het werk, dat als zodanig is beoordeeld, worden verbeterd. Termijn van beoordeling: Beoordeling vindt plaats binnen 10 dagen na inlevering van de opdracht. Opdrachten met en "onvoldoende" beoordeling worden van feedback voorzien en zo nodig mondeling toegelicht. Terugkoppeling met student: Alle ingeleverde en beoordeelde opdrachten zijn in te zien via de studiemodule. In de opdracht wordt gemotiveerd waarom de opdracht "goed" is of "voldoende" "goed" 3 van de 4 onderdelen scoren "goed", maximaal 1 "voldoende" "voldoende" alle 4 onderdelen scoren tenminste "voldoende" 30