De WISC-III anno 2006:
|
|
|
- Cornelia de Coninck
- 10 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 De WISC-III anno 2006: een voorstel tot eenduidige en hiërarchische analyse, interpretatie en rapportage De WISC-III is de meest gebruikte intelligentietest bij kinderen en jongeren. Na een kritische bespreking van de test en de belangrijkste ontwikkelingen van de laatste jaren volgt een stapsgewijze beschrijving van een analyse- en interpretatiemethode die verantwoord, eenduidig en statistisch onderbouwd is. Vooralsnog heeft deze methode bij het grote vakpubliek weinig voet aan de grond gekregen in rapportages en publicaties over de WISC-III. Naast een methode die houvast biedt, wordt de lezer ook voorzien van bruikbare digitale bestanden waarmee volgens deze methode gescoord en gerapporteerd kan worden. INLEIDING Binnen het kinder- en jeugdveld geniet de WISC (Wechsler Intelligence Scale for Children) al jarenlang grote populariteit onder psychologen, orthopedagogen en andere professionals die zich bezighouden met het meten van het intelligentieniveau bij kinderen en jongeren. Eens in de zoveel jaar verschijnt er een nieuwe en geactualiseerde versie van de test, voorzien van recente normgegevens. In 2002 werd in Nederland de WISC-III -officieel WISC-III NL - (Kort e.a., 2002; 2005) geïntroduceerd, de opvolger van de in 1986 uitgebrachte WISC-R (Vander Steene, 1986). De WISC-III is een intelligentietest voor 6- t/m 16-jarigen en wordt in tientallen landen gebruikt. De test bestaat uit 13 subtests, aan de hand waarvan een verbale en performale schaalscore berekend kunnen worden. Analyse volgens een driefactorenstructuur is eveneens mogelijk (Verbaal Begrip, Perceptuele Organisatie en Verwerkingssnelheid). De WISC-III raakte echter in opspraak, onder meer vanwege de betwijfelde representativiteit van de normgegevens. Door aanhoudende kritiek vanuit het veld volgden meerdere aanpassingen en herzieningen, waarvan de laatste dateert uit april Van de WISC-III zijn sinds de introductie drie verschillende versies van de normgegevens in omloop gebracht Yaron Kaldenbach (handleiding 2002, erratum oktober 2003 en de herziene handleiding 2005). Alleen gebruik van de meest recente versie is nu verantwoord. Najaar 2005 werd de WISC-III door de COTAN (Commissie Testaangelegenheden Nederland van het Nederlands Instituut van Psychologen, het NIP) positief herbeoordeeld. Nu we met een gerust hart de WISC-III kunnen gebruiken, is het tijd om iets anders aan de orde te stellen wat eigenlijk al veel langer speelt. Orthopedagogen en psychologen (gemakshalve zal aan hen gerefereerd worden als psychodiagnosten, waartoe we ook psychodiagnostisch werkenden kunnen rekenen) rapporteren uiterst verschillend over intelligentietests. Logischerwijs wat betreft vorm en stijl, maar ook op inhoudelijk vlak, zoals onder meer op het gebied van de analyse, de naamgeving en interpretatie van scores, en de conclusies en adviezen die men op deze tests baseert. Dit leidt ertoe dat de uitkomsten van een onderzoek in de huidige praktijk niet alleen afhangen van het kind, maar ook van degene die het onderzoek uitvoert. Het gebrek aan eenduidigheid verdient geen schoonheidsprijs en is bovendien kwalijk, omdat het soms leidt tot onverantwoorde individuele uitspraken. In dit artikel zal, nadat eerst een aantal algemene zaken rondom de WISC-III de revue hebben gepasseerd, een concreet voorstel worden gedaan om op een systematische en verantwoorde manier stap voor stap de testresultaten te analyseren Over de auteur Drs. Y. Kaldenbach, gz-psycholoog en kinder- en jeugdpsycholoog NIP, Coördinator Psychodiagnostiek bij afdeling Jeugd van Altrecht GGZ te Utrecht. Naast diagnostieksupervisor is hij lid van de commissie Basisaantekening Psychodiagnostiek NIP en verzorgt hij WISC-III cursussen. [email protected]. 128 kind en adolescent praktijk 3 - september 2006
2 Trefwoorden WISC-III, intelligentietest IQ analysemethode profielinterpretatie rapportage en te interpreteren. De lezer wordt van harte uitgenodigd om kritisch te reflecteren op zijn huidige manier van werken en over de beschreven getrapte methode binnen zijn instelling met collega s een discussie te initiëren. COTAN In 2003 gaf de COTAN (NIP, 2004) haar eerste oordeel over de WISC-III en dat was niet best (figuur 1): onvoldoendes voor de normen, betrouwbaarheid (de mate waarin een meting afhankelijk is van toevalsvariabelen), begripsvaliditeit (de mate waarin ook daadwerkelijk wordt gemeten wat men beoogt te meten, namelijk het theoretische begrip intelligentie ) en criteriumvaliditeit (in hoeverre de testscore een goede voorspeller is van niet-testgedrag retrospectief, gelijktijdig of predictief, zoals bijvoorbeeld een CITO-score) (Swanborn, 1993; Drenth & Sijtsma, 1990). Hoewel met voetnoten door de COTAN werd toegelicht wat de motivatie voor een onvoldoende was, hetgeen soms de beoordeling enigszins nuanceerde (normen waren niet representatief en/of de representativiteit was niet te beoordelen, test-hertest gegevens ontbraken en er was te weinig onderzoek naar validiteit gedaan), bleef de test in opspraak. Bij herhaling werd ook de media gehaald (voor een uitgebreide kritische beschrijving, zie nl, de website van Peter Tellegen, auteur van onder meer de SON-R, een non-verbale intelligentietest). Een van de voornaamste bezwaren had betrekking op de oververtegenwoordiging van de groep hoogopgeleiden in de steekproef waardoor de test te streng was. Deze kritiek werd ter harte genomen en in oktober 2003 verschenen de eerste herziene normen (NDC, 2003). Omdat de handleiding verder op een aantal punten ongemoeid was gelaten, werd met het verschijnen van deze nieuwe normen in één klap een aantal tabellen Criterium Uitgangspunten bij de testconstructie voldoende goed Kwaliteit van het testmateriaal goed goed Kwaliteit van de handleiding voldoende goed Normen onvoldoende voldoende Betrouwbaarheid onvoldoende voldoende Begripsvaliditeit onvoldoende voldoende Criteriumvaliditeit onvoldoende onvoldoende Figuur 1. COTAN-beoordelingen van de WISC-III NL uit de handleiding onbruikbaar, bijvoorbeeld tabellen over het berekenen van significante verschillen tussen IQ-scores (intelligentie quotiënt). Markant was bovendien dat er een aantal verschillende versies circuleerde van de handleiding en testboekjes. De versies verschilden wat betreft de mate waarin errata/correcties waren doorgevoerd. In de update van 2003 bleef bovendien een aantal eerder geuite bezwaren bestaan, reden om in april 2005 na de aanhoudende kritiek een nieuwe handleiding met uitgebreidere en wederom herziene (norm)gegevens uit te brengen, en deze nogmaals aan de COTAN ter beoordeling voor te leggen. Ditmaal was de COTAN een stuk positiever. Van de vier onvoldoendes bleef er slechts één overeind (NIP, 2005), en over deze valt te steggelen. Het zou correcter zijn geweest wanneer de COTAN de criteriumvaliditeit niet als onvoldoende had beoordeeld, maar vermeld zou hebben dat er te weinig onderzoek naar is gedaan om de criteriumvaliditeit goed te kunnen beoordelen. Overigens wordt op dit moment onderzoek gedaan naar de criteriumvaliditeit van de WISC-III, waarschijnlijk met het doel deze naderhand aan de COTAN voor te leggen om ook de laatste onvoldoende op te heffen. Belangrijk is verder dat de COTAN een halt toeroept aan de subtestanalyse zoals deze veelal in de diagnostische praktijk plaatsvindt. Ook de makers van de WISC-III onderschrijven dit (Kort e.a., 2005). Op basis van subtests worden regelmatig verregaande uitspraken gedaan over zwakke en sterke kanten van kinderen, soms zelfs vergezeld van uitspraken over cerebraal functioneren met een dringende suggestie voor neurologisch onderzoek. De COTAN is hierover duidelijk: analyseren op subtestniveau wordt afgeraden en kan hooguit met veel voorzichtigheid enkele hypotheses genereren. Dit onder meer vanwege de betrouwbaarheden van de afzonderlijke subtests. In dit kader wordt de subtest Doolhoven er speciaal uitgelicht. Ook de factor Verwerkingssnelheid wordt genoemd als factor om extra prudent mee om te gaan wat betreft interpretatie. Deze factor heeft een relatief lage test-hertest betrouwbaarheid (de mate waarin resultaten over twee verschillende afnamen in de tijd gelijk zijn binnen en tussen personen) en is bij jongere leeftijdsgroepen niet goed op te sporen (NIP, 2005). In aanvulling hierop kan worden gesteld dat de onderzoeker zich dient te realiseren dat deze factor slechts uit twee subtests bestaat. Hierdoor wordt de factor pas bij grotere verschillen tussen de twee subtests intern inconsistent (6 punten of meer; er is een aantal redenen om binnen de methode van dit artikel niet te kiezen voor de SU-SV significantiegrenzen uit de handleiding, maar het voert te ver deze kind en adolescent praktijk 3 - september
3 hier nu uitvoerig toe te lichten). Bovendien is de naam van de factor misleidend. Het betreft namelijk visuele en kortdurende snelheid van informatieverwerking onder tijdsdruk. In de praktijk laten kinderen met een gemiddelde Verwerkingssnelheid op een Bourdon-Vos (volgehouden visuele aandachtstest) regelmatig een traag en instabiel werktempo zien. Verder kwam ook uit onderzoek naar voren dat het zogenaamde Flynn-effect, de natuurlijke stijging van prestaties op intelligentietests met gemiddeld 3-5 punten per decennium (Flynn, 1994), bij de WISC-III niet werd teruggevonden zoals op basis van de literatuur was voorspeld (Kort e.a., 2005). Bij sommige groepen trad het effect niet op, bij kinderen met een lichte verstandelijke beperking was er wel sprake van het Flynn-effect maar weer minder ten aanzien van het performaal IQ. Hoewel de Wechslertests worden beschouwd als intelligentietests met een sterk actief verbaal accent, blijken zowel bij de autochtonen als bij de allochtonen geen grote verschillen tussen het verbaal (VIQ) en performaal IQ (PIQ). Op alle subtests (behalve Substitutie) worden door de allochtoon-etnische groep gemiddeld lagere scores behaald, maar hierin zijn geen grote schommelingen waarneembaar (NIP, 2005). Er wordt bij deze doelgroep geen specifieke verbale uitval gevonden, wat vaak wel wordt verwacht en reden kan zijn te kiezen voor een niet-verbale test. Ten slotte wordt geadviseerd om bij intelligentietests altijd gebruik te maken van de betrouwbaarheidsintervallen. Een enkel getal suggereert een mate van exactheid die niet waar te maken is en gaat voorbij aan omstandigheden die maken dat iemand wat hoger of lager kan scoren (de meetfout). Daarom is het ook zo onterecht dat instellingen, indicatieorganen en scholen absolute cut-off IQ s hanteren om iemand al dan niet te accepteren: een totaal IQ van 86 betekent dat een kind welkom is, als het totaal IQ 84 is, wordt het doorverwezen omdat het wegens het cognitieve niveau ineens onvoldoende in staat zou zijn te profiteren van het aanbod. Binnen de statistiek is het 95%-betrouwbaarheidsinterval het meest gangbaar (Swanborn, 1993). Daarom wordt geadviseerd bij de WISC-III het 90%-betrouwbaarheidsinterval uit de handleiding bij voorkeur niet te gebruiken. In vijf van de honderd gevallen zal er door toevalsfactoren sprake zijn van een interval dat niet overlapt met iemands echte capaciteiten, een onder- of overschatting door de test dus. Wanneer men het 90%-interval uit de handleiding hanteert, wordt het interval smaller en dus overzichtelijker, en voorziet weer meer in de behoefte van een onderzoeker om een exacte uitspraak te kunnen doen. Het oogt nauwkeuriger, maar let wel: er is een kans van 10% dat de onderzoeker ernaast zit met dat smalle interval. Ten slotte is het in algemene zin belangrijk te noemen dat de betrouwbaarheid (en validiteit) van de meting optimaal is wanneer de psychodiagnost zich houdt aan de richtlijnen van de handleiding. Het lijkt overbodig dit expliciet te benoemen, maar de praktijk leert dat veel onderzoekers naarmate ze feeling met tests ontwikkelen, zichzelf steeds meer vrijheid permitteren met betrekking tot de testinstructies, subtestvolgorde, afbreekregels en itemscoring. DE WISC-R: ENKELE REIS NAAR HET MUSEUM De oude WISC wordt nog steeds gebruikt in Nederland, meestal door individuele psychodiagnosten, incidenteel zelfs nog instellingsbreed. De COTAN noemt normen na 15 jaar verouderd en na 20 jaar onbruikbaar. De normgegevens van de WISC-R werden begin jaren tachtig verzameld en zijn nu dus onbruikbaar. Op alle overige categorieën is het oordeel van de COTAN over de WISC-III gelijk aan dat over de WISC-R, waarbij moet worden opgemerkt dat de COTAN-beoordeling van de WISC-R uit 1992 stamt en inmiddels ook aan geldigheid heeft verloren. De oude WISC overschat het niveau van cognitief functioneren. In de praktijk worden allerlei creatieve maar onverantwoorde oplossingen in verslagen teruggevonden om hiervoor te compenseren, zoals een automatische Flynn-effect correctie, toegepast door een aantal punten van de IQ s af te trekken. Eerder werd geconcludeerd dat het Flynn-effect rondom de WISC-III een stuk genuanceerder ligt en geen algemene correctie rechtvaardigt. De Sector Jeugd van het NIP gaf in januari 2005 al een flyer uit met veelgestelde vragen over intelligentietest (NIP, 2005), waarin gebruik van de WISC-R werd afgeraden. Met de herziene normen en de COTAN-herbeoordeling van 2005 is gebruik van de WISC-R niet langer verantwoord en bij een klacht bovendien moeilijk verdedigbaar. Het is goed elkaar hier als collega s op te wijzen en te discussiëren over het spanningsveld tussen de individuele beroepsverantwoordelijkheid enerzijds en de voorgeschreven tests door indicatieorganen anderzijds. Het gebruiken van recente normen verdient in principe altijd de voorkeur. Bij de WISC-R werd regelmatig gebruikgemaakt van Kaufman en Bannatyne -analyses (Kaufman, 1994, 1975; Bannatyne, 1974). Deze methoden zijn exclusief van toepassing op de WISC-R en de Kaufman-analyse (hier bedoeld als een analyse met vier factoren, waaronder de factor Vrijheid van Afleidbaarheid ) is daarnaast toepasbaar bij sommige buitenlandse versies van de WISC-III (Kort e.a., 2005; Georgas e.a., 2003). Beide methoden mogen niet in relatie tot de Nederlandse versie van de WISC-III gehanteerd worden, ondanks incidentele ondersteuning voor de vierde factor binnen kleinschalig Nederlands onderzoek (Oosterbaan e.a., 2006). Grotere inter- 130 kind en adolescent praktijk 3 - september 2006
4 Foto: Aleid Denier van der Gon nationale onderzoeken (In: Georgas e.a., 2003) laten zien dat de factor Freedom from Distractibility vaak niet uit factoranalyses naar voren komt en binnen het geheel van factoren vaak een relatief zwak onderdeel blijft. Ook wordt in het veld nog een aantal andere analysemethoden aangetroffen waarvan de herkomst, status en theoretische fundering soms onduidelijk is. In Nederlandstalige literatuur zijn voor zover de auteur van dit artikel bekend tot op heden geen beschrijvingen verschenen van analysemethoden voor de Nederlandse WISC-III. DE METHODE: HIËRARCHISCHE ANALYSE EN INTERPRETATIE In het volgende wordt een analysemethode beschreven voor de WISC-III. Elementen uit deze methode werden eerder onder meer beschreven in internationale literatuur (Kaufman & Lichtenberger, 2000) en binnen Nederland voor de WISC-R (Geelhoed, 1996). Hoewel er instellingen in Nederland zijn die (delen van) deze methode gebruiken, geniet de methode onvoldoende bekendheid. Omdat de statistische eigenschappen (gemiddelde, standaardafwijking en range) van de normscores bij de WISC-III ongewijzigd zijn ten aanzien van de WISC-R, is hiermee een verantwoorde basis gelegd om de methode, met lichte aanpassingen, ook op de WISC-III (en tevens de WAIS-III, de equivalent voor cliënten van jaar; Uterwijk, 2000) toe te passen. Op zijn bestanden te downloaden, waaronder een Scorehulp, die snel en foutloos volgens de beschreven analysemethode berekeningen uitvoert. In figuur 2 is de methode verkort en stapsgewijs weergegeven, op de website kunt u een uitgebreide beslisboom downloaden. Statistiek als basis: m = 10 en sd = 3 In de WISC-III worden ruwe scores omgerekend naar (gestandaardiseerde) normscores. Deze normscores hebben een range van 1 t/m 19, met een gemiddelde (m) van 10 en een standaardafwijking (de gemiddelde afwijking tot het gemiddelde) van 3. De hoogste en laagste score van de range worden bepaald door 10 ± driemaal de standaardafwijking (sd). In de statistiek wordt bij een normaal verdeelde variabele meestal uitgegaan van het principe dat afwijkingen van minder dan één standaarddeviatie van het gemiddelde als gemiddeld geclassificeerd worden (Nijdam & Van Buuren, 1994). Scores die meer dan twee standaardafwijkingen van het gemiddelde verschillen, worden uitzonderlijk genoemd (Groen e.a., 1991). Toegepast op de normscores betekent dit dat een score van kind en adolescent praktijk 3 - september
5 boven de 7 en onder de 13 binnen de range van het gemiddelde valt, in de praktijk geldt dan dat normscores tussen de 8 en 12 gemiddeld zijn (bij omrekening overeenkomstig met het interval voor gemiddelde IQ-scores ). Wanneer deze systematiek verder wordt gevolgd, kan een classificatie van subtestscores worden gehanteerd zoals weergegeven in figuur 3. In de praktijk wordt hiervan vaak afgeweken, men vindt een normscore van 8 dan bijvoorbeeld al laaggemiddeld of benedengemiddeld. Er wordt dan voorbijgegaan aan een stukje statistiek dat op deze normscores van toepassing is. Stap 1: een harmonisch profiel op schaalniveau? Nadat de WISC-III gescoord is en alle normscores en IQ-waarden berekend zijn, wordt allereerst gekeken of de verbale en performale schaal significant van elkaar verschillen. De tabel in de handleiding geeft weer hoe groot het verschil bij elke leeftijd minimaal moet zijn om te mogen spreken van een significant verschil (de Scorehulp berekent dit automatisch). Een niet-significant verschil tussen het VIQ en PIQ is toevalstreffer Ook hier wordt bij voorkeur p < 0.05 als richtlijn gehanteerd. Algemene vuistregels voor discrepanties van bijvoorbeeld 12 of 15 punten dienen niet gebruikt te worden, omdat deze aanzienlijk kunnen afwijken van de exacte grenswaarden per leeftijd zoals in de handleiding vermeld (deze variëren bij de schalen en factoren van 12 tot 18 punten). Statistisch significante verschillen komen regelmatig voor en zijn niet per definitie zorgelijk (klinisch relevant) of reden voor vervolgonderzoek. Ieder mens heeft sterke en minder sterke kanten in zijn profiel en disharmonische profielen komen Bereken alle normscores en IQ s 1. Bepaal of er een harmonisch profiel op schaalniveau is (verschillen de schalen onderling significant?) 2. Bepaal of de schalen intern consistent zijn 3. Bepaal of er op factorniveau sprake is van een harmonisch profiel (vergelijking tussen de factoren) en of de factoren intern consistent zijn (analyse binnen de factoren) 4. Analyse op subtestniveau (hypothesevormend) 5. Analyse op itemniveau (facultatief en hypothesevormend) Figuur 2. Hiërarchische analyse en interpretatie in vogelvlucht in normale populaties veel voor. Bij niet-significante verschillen wordt afgeraden uitspraken te doen over verschillen in verbale en performale capaciteiten. Het verschil is niet significant en moet veiligheidshalve als toevalstreffer worden bezien. Als er wel een significant verschil tussen het VIQ en PIQ is, > 15 zeer goed goed 8-12 gemiddeld 5-7 zwak < 5 zeer zwak Figuur 3. Classificatie van WISC-III normscores betekent dit dat de gemeenschappelijke noemer van het totale IQ (TIQ) minder betekenis heeft en niet geïnterpreteerd kan worden omdat deze de lading niet goed dekt. Het TIQ is dan een weinig zeggend getal tussen het VIQ en PIQ in geworden (overigens geen rekenkundig gemiddelde van het VIQ en PIQ) dat inhoudelijk te weinig informatief is om bijvoorbeeld schoolkeuzes op te baseren. Dit betekent echter niet dat het TIQ niet hoeft te worden vermeld. Het is beter een waarde binnen de context te plaatsen dan deze weg te laten (voor mogelijke toekomstige onderzoekers is het prettig om over alle gegevens te kunnen beschikken, wat vergelijking mogelijk maakt). Een afwijkende subtest wordt om deze reden ook niet weggelaten. Stap 2: zijn de schalen intern consistent? De term harmonisch wordt dus gebruikt voor de beschrijving van verschillen tussen de schalen (en verderop ook tussen de factoren onderling). Voor de beschrijving van verschillen binnen een schaal (of factor) wordt de term interne consistentie gehanteerd. Na stap 1 wordt vervolgens voor beide schalen het schaalgemiddelde en per subtest de afwijking hiervan berekend. Uitgaande van m = 10 en sd = 3 kan gesteld worden dat een schaal intern consistent is wanneer geen van de subtests binnen die schaal 3 punten of meer afwijkt van het schaalgemiddelde. Zodra er wel één of meer subtests zijn die 3 punten of meer afwijken van het schaalgemiddelde, spreken we van een intern inconsistente schaal. Intern consistent houdt in dat de schaal de inhoud goed dekt. Er is sprake van een gemeenschappelijke noemer die uit betrekkelijk gelijkwaardige/samenhangende onderdelen is opgebouwd. Wanneer er op schaalniveau sprake is van interne inconsistentie, is dit een reden om te analyseren op factorniveau en mag dus ook de algemene schaalomschrijving niet meer bij deze cliënt gebruikt worden. Zijn beide schalen intern consistent, dan kunnen deze geïnterpreteerd worden. Het is goed om evenwel stap 3 uit te voeren (analyse 132 kind en adolescent praktijk 3 - september 2006
6 op factorniveau). Indien namelijk ook op factorniveau een intern consistent beeld blijft, dan kan het informatief zijn aan de hand van de factorbeschrijvingen een gedifferentieerder beeld van het kind te geven dan bij de schaalbeschrijvingen (zie box 1 voor een beschrijving van de meetpretenties van de schalen, factoren en subtests). Internationaal is de trend om op factorniveau te analyseren en in de enkele jaren geleden in Amerika verschenen WISC-IV worden de verbale en performale schaal niet eens meer teruggevonden en is er naast het TIQ sprake van vier zogenaamde Index Scores (Verbaal Begrip, Perceptueel Redeneren, Werkgeheugen en Verwerkingssnelheid). Een voordeel van het gebruik van statistische onderbouwing is dat het een einde maakt aan het gevoelsmatig bepalen of een profiel wel of niet harmonisch is, waarbij iedereen zijn eigen opvattingen heeft over wat hij wel of niet een groot verschil vindt. Stap 3: analyse op factorniveau Op factorniveau worden de stappen 1 en 2 herhaald, die eerder bij de schalen werden toegepast. Er wordt bepaald of er op factorniveau sprake is van een harmonisch profiel (zijn er significante verschillen tussen factoren?) en berekend of de factoren intern consistent zijn (zijn er subtests die minimaal 3 punten afwijken van het factorgemiddelde?). Vaak, maar zeker niet altijd, wordt gevonden dat op factorniveau vervolgens drie intern consistente factoren verschijnen nadat er op schaalniveau eerder sprake was interne inconsistentie (zie box 2). De performale interne inconsistentie wordt bijvoorbeeld regelmatig verklaard door een afwijkende subtestscore op Substitutie, onderdeel van de factor Verwerkingssnelheid. Bij intern consistente schalen en factoren wordt het afgeraden om te analyseren op subtestniveau. Aangezien de subtest niet noemenswaardig afwijkt van de overige subtests binnen die schaal of factor, is er geen reden om de schaal- of factorbeschrijving te verlaten, te meer omdat op dit niveau ook wat stelliger dan op subtestniveau geïnterpreteerd mag worden. De factor Verwerkingssnelheid is hierop een uitzondering (zie eerder). Wanneer analyse op factorniveau plaatsvindt, verdient het de voorkeur om in het rapport ook de subtests onder drie kopjes van de factoren weer te geven en niet onder de twee schalen. Eventuele inconsistenties op factorniveau kunnen met een + of achter de normscore worden weergeven, respectievelijk voor een significante afwijking naar boven en naar beneden ten opzichte van het factorgemiddelde. Hetzelfde geldt voor schaalniveau, maar in de praktijk wordt dan dus vervolgd met analyse en beschrijving op factorniveau. Stap 4: analyse op subtestniveau (hypothesevormend) Eerder werd gezegd dat subtestanalyse overbodig is wanneer blijkt dat de schalen of factoren de lading goed dekken (lees: intern consistent zijn). In de klinische praktijk zien we Box 1. Meetpretenties van de schalen, factoren en subtests Schalen Verbale schaal: Taken uit deze schaal doen een beroep op de auditief-verbale informatieverwerking en vragen een verbale respons. Taalvaardigheid, verbaal begrip en verbale (opgedane) kennis spelen een belangrijke rol, evenals het auditief geheugen. Performale schaal: Taken uit deze schaal doen een beroep op visueel-ruimtelijke informatieverwerking en vragen meestal een motorische respons. Visuele analyse en synthese, visuo-motoriek, snelheid van werken, visueel (associatief) en non-verbaal redeneren met betrekking tot sociale situaties zijn hier van belang. Factoren Factor Verbaal Begrip: Deze subtests doen een beroep op inzicht in door middel van taal gepresenteerde problemen (definiëren van betekenis, verwoorden van kennis en verbaal abstract redeneren). Factor Perceptuele Organisatie: Deze subtests doen een beroep op onmiddellijke probleemoplossingsvaardigheden bij visueel-ruimtelijke problemen, visuo-motoriek en non-verbaal redeneren met betrekking tot sociale situaties. Factor Verwerkingssnelheid: Deze subtests doen een beroep op snelheid van visuele informatieverwerking, visueel associatief geheugen en visuele matching. Subtests Informatie (IN): algemene kennis Overeenkomsten (OV): verbaal abstract redeneren Rekenen (RE): rekenvaardigheid (auditief kortetermijngeheugen) Woordkennis (WO): woordkennis Begrijpen (BG): inzicht in dagelijkse (sociale) situaties Onvolledige Tekeningen (OT): visuele detailwaarneming Substitutie (SU): visueel associatief geheugen Plaatjes Ordenen (PO): non-verbaal redeneren met betrekking tot sociale situaties ( sociaal sequentiëren ) Blokpatronen (BP): visuo-motoriek, visuele analyse en synthese, patroonwaarneming Figuur Leggen (FL): visuo-motoriek, visualisatie, patroonherkenning Symbool Vergelijken (SV): snelheid van visuele informatieverwerking, visuele matching Cijferreeksen (CR): auditief sequentieel geheugen Doolhoven (DH): visuele oriëntatie, planning kind en adolescent praktijk 3 - september
7 Box 2. Fragment uit een psychologisch rapport volgens de hiërarchische analysemethode: Casus Milan. WISC-III NL (herziene normen 2005) Meetpretentie: intelligentie Schalen: Factoren: Verbaal IQ (VIQ): 121 ( ) Verbaal Begrip (VB): 128 ( ) Performaal IQ (PIQ): 99 (89-109) Perceptuele Organisatie (PO): 106 (95-116) Totaal IQ (TIQ): 112 ( ) Verwerkingssnelheid (VS): 83 (75-96) VB-factor PO-factor Informatie (IN): 14 Onvolledige Tekeningen (OT): 11 Overeenkomsten (OV): 17 Plaatjes Ordenen (PO): 12 Woordkennis (WO): 14 Blokpatronen (BP): 10 Begrijpen (BG): 13 Figuur Leggen (FL): 11 VS -factor Aanvullende subtests Substitutie (SU): 6 Rekenen (RE): 8 Symbolen Vergelijken (SV): 7 Cijferreeksen (CR): 11 Doolhoven (DH): 13 Milan heeft een totaal IQ van ongeveer 112 (95% betrouwbaarheidsinterval ligt tussen de ) en presteert hiermee op bovengemiddeld intelligentieniveau. Er is sprake van een disharmonisch profiel op schaal- en factorniveau. Het verbaal IQ (121, begaafd niveau) is significant hoger dan het performaal IQ (99, gemiddeld niveau). Ook de factoren verschillen onderling allemaal significant. Zowel de performale als de verbale schaal zijn intern inconsistent, reden waarom analyse op factorniveau plaatsvindt. De factor Verbaal Begrip (128, begaafd niveau) is intern consistent. Milans inzicht in door middel van taal gepresenteerde problemen (definiëren van betekenis, verwoorden van kennis en verbaal abstract redeneren) is beter ontwikkeld dan bij leeftijdgenoten. De factor Perceptuele Organisatie (106, gemiddeld niveau) is eveneens intern consistent. Milans onmiddellijke probleemoplossingsvaardigheden bij visueel-ruimtelijke problemen, de visuo-motoriek en het non-verbaal redeneren met betrekking tot sociale situaties zijn leeftijdsadequaat ontwikkeld. De factor Verwerkingssnelheid (83, benedengemiddeld niveau) is intern consistent. Milans snelheid van visuele informatieverwerking, visueel associatief geheugen en visuele matching lijken minder ontwikkeld dan bij leeftijdsgenoten. De aanvullende subtests: Milans auditief kortetermijngeheugen en rekenvaardigheid lijken van gemiddeld niveau (RE), evenals zijn auditief sequentieel geheugen (CR). Zijn visuele oriëntatie en planning lijken goed ontwikkeld (DH). echter dat de verleiding om aan allerlei subtiele verschillen betekenis te verlenen toch hardnekkig is. Maar wat nu als het profiel inderdaad heel grillig is met uitschieters naar boven en beneden, waardoor een schaal- of factor-iq weinig betekenis heeft vanwege interne inconsistentie? In dat geval mag de algemene schaal- of factorbeschrijving niet gebruikt worden om het niveau van de vaardigheden van het kind te beschrijven. Hoewel de COTAN analyse op subtestniveau afraadt (NIP, 2005), is het in zulke gevallen zinvol nader naar de subtestverschillen te kijken. Analyse op subtestniveau is echter tricky en moet op een hypothesevormende manier gebeuren, met meer dan een enkele slag om de arm. Ook in de formulering dient dit tentatieve karakter duidelijk naar voren te komen. Bij een normscore van 6 op Onvolledige Tekeningen kan bijvoorbeeld vermeld worden dat iemands visuele detailwaarneming zwak ontwikkeld lijkt. Significante verschillen (zie handleiding voor grenswaarden) tussen bijvoorbeeld Blokpatronen en Figuur Leggen kunnen hypotheses genereren over verschillen in visuoconstructieve vaardigheden met betrekking tot abstracte en betekenisloze visueel-ruimtelijke informatie (BP) in vergelijking met concrete en betekenisvolle visueel-ruimtelijke informatie (FL). In het advies kan later in het rapport zo nodig verdiepingsonderzoek geadviseerd worden, mede bepaald door de klinische relevantie van het toetsen van deze richtinggevende hypothese (bijvoorbeeld voor de schoolsituatie of om een beter behandelaanbod te kunnen doen). Stap 5: analyse op itemniveau (facultatief en hypothesevormend) Het kan zinvol zijn ook op itemniveau te kijken hoe subtestscores zijn opgebouwd. Twee kinderen kunnen exact dezelfde subtestscore halen terwijl het ene kind veel antwoorden geeft die een 0 of een 2 als score krijgen (het kind is goed in staat wat het weet onder woorden te brengen), en het andere kind meer 1-punts antwoorden geeft (het kind weet bij meer vragen wel enige informatie te geven maar doet dit op een wat vage of te concrete manier). De betekenis van dezelfde subtestscore kan dan verschillen. Veel meer dan hierover iets in de observaties vermelden en eventueel een hypothese genereren, is echter niet geoorloofd. Naamgeving van scores Door de recente ontwikkelingen van de laatste jaren in IQtest land moeten we ons gevoel voor IQ s drastisch herzien. Niet langer kan gezegd worden dat een IQ van een 134 kind en adolescent praktijk 3 - september 2006
8 Resing & Blok (2002) > 130 zeer begaafd begaafd bovengemiddeld gemiddeld benedengemiddeld laag begaafd / moeilijk lerend lichte verstandelijke beperking / licht zwakzinnig DSM-IV-TR (2001) zwakbegaafdheid tot ±70 lichte zwakzinnigheid tot matige zwakzinnigheid tot ernstige zwakzinnigheid < diepe zwakzinnigheid Figuur 4. Naamgeving van IQ-scores havoniveau weergeeft en de gemiddelde succesvolle vwo er een 120+-IQ heeft. Er moet per test gekeken worden wat een IQ betekent; een WISC-III IQ is geen SON-R IQ. In de handleiding moet worden opgezocht welke IQ s gemiddeld zijn bij de opleidingsniveaus en welke standaarddeviaties daarbij horen. Op de WISC-III haalt de gemiddelde havoleerling bijvoorbeeld slechts een TIQ van 106,9 (in de eerste normen uit 2002 was dit 103,8), een IQ waarmee hij voorheen nog naar de mavo zou zijn gestuurd (NIP, 2005/2002). Daarnaast is het erg verwarrend voor collega s, opdrachtgevers en cliënten om in rapporten te zien hoe gegoocheld wordt met getallen en hun betekenis. Wat de een gemiddeld noemt, vindt een ander alweer laaggemiddeld of benedengemiddeld. Volgens de indeling van Geelhoed (1996) zou een IQ van 89 bijvoorbeeld zwakbegaafd genoemd moeten worden, terwijl anderen hieraan meestal refereren als benedengemiddeld. Het hangt dus blijkbaar van de onderzoeker af hoe een IQ genoemd wordt. Het is belangrijk dat er één taal komt waarin over de IQ-scores gesproken wordt. Ook daarom is het zo belangrijk alle getallen in het rapport te vermelden, zodat het rapport transparant en toetsbaar is. Een indeling van IQ-scores wordt in figuur 4 weergegeven. Deze indeling is door Resing en Blok (2002), beiden lid van de COTAN, beschreven in De Psycholoog en wordt onder meer door de Sector Jeugd van het NIP gesteund. Daaronder staat de indeling volgens de DSM-IV-TR. Nadeel van deze laatste indeling is dat de range alleen de lagere IQ s van betekenis voorziet en hierbij niet altijd even flatterende termen gebruikt. Een kritische lezer zal opmerken dat de range van een gemiddeld IQ (figuur 4) van 90 tot 110 loopt, terwijl op basis van m = 100 en sd = 15 een range van statistisch correct zou zijn. De reden voor deze smallere en veelgebruikte range, heeft te maken met het risico van leerproblemen ( externe validiteit ). Een IQ van 86 zou statistisch wel gemiddeld zijn, maar in de praktijk kunnen samengaan met leerproblemen (Geelhoed & Güldner, 2002). In de naamgeving zijn landelijk de marges verengd om beter te kunnen differentiëren voor de praktijk. Statistisch zijn de IQ s 86 en 114 beide gemiddeld, maar de eerste leidt tot een vmbo-advies terwijl de tweede mogelijkheden binnen het vwo laat zien. Adviezen voor de rapportage Om te zorgen dat op een verantwoorde manier wordt gerapporteerd, is het belangrijk kennis te hebben van de inhoud van de Beroepscode (NIP, 1998) en de Algemene Standaard testgebruik (AST) (NIP, 2004). In box 2 is een deel van een rapport volgens de hier beschreven methode weergegeven. Daarnaast zijn enkele specifieke zaken van belang om de kwaliteit van een WISC-III-rapport te verbeteren: Vermeld altijd alle normscores en alle IQ s (het totaal IQ, de schaal IQ s en factor IQ s) met de gehanteerde betrouwbaarheidsintervallen (90% of 95%). Vermeld ook de gebruikte normgroep. Van veel tests zijn namelijk updates verschenen na de oorspronkelijke normen en een rapport kan beter op waarde geschat worden wanneer is aangegeven van welke normgegevens gebruik is gemaakt. Anders is bij hertesten niet na te gaan of een afwijkende uitkomst een gevolg is van prestatieveranderingen bij het kind, discontinuïteit in normgegevens (de metingen zijn dan niet meer vergelijkbaar), of verschillen in gehanteerde betrouwbaarheidsintervallen. Alleen als intervallen van gelijke significantieniveaus (bijvoorbeeld 95%) elkaar niet overlappen, kan op dat significantieniveau gesteld worden dat er sprake is van significante verschuivingen tussen de metingen. Het is goed om niet alleen in intervallen te rapporteren (wel altijd de punt-iq s vermelden), maar ook meer in intervallen te denken. Ook wij psychodiagnosten zijn dol op een getalletje dat een exactheid suggereert die niet strookt met de werkelijkheid. Het getal is slechts een schatting; het interval geeft de marge aan waarbinnen de kans groot is dat die schatting accuraat is. Een vraag naar niveaubepaling komt vaak voort uit iets dat in het dagelijks leven van het kind niet goed gaat en vragen oproept. Praktische implicaties van de bevindingen voor thuis en op school zijn daarom een belangrijk onderdeel van het advies, uiteraard afhankelijk van de specifieke vraagstelling van het onderzoek. Wat betekenen de resultaten voor de manier waarop het kind bejegend wordt? Voor ouders en school kan het heel belangrijk zijn om te weten dat iemand door taalvaardigheid heel slim imponeert, maar tegelijkertijd een laag werktempo kan hebben en veel moeite met visueelruimtelijke taken. Een disharmonisch profiel ten gunste van de verbale vaardigheden brengt het risico van overschatting kind en adolescent praktijk 3 - september
9 LITERATUUR en overvraging met zich mee. Onkunde op performaal vlak kan door grote verbale capaciteiten gemaskeerd worden en ten onrechte gelabeld worden als onwil. Andersom kan bij een zwak verbaal IQ met een veel sterker ontwikkelde performale kant gedacht worden aan het bieden van visuele ondersteuning, bij lagere niveaus zelfs met pictogrammen ( eerst het plaatje, dan het praatje ). Ook kan een kind geleerd worden om visuele en verbale informatie aan elkaar te koppelen, waarmee iemands visuele capaciteiten als kapstok kunnen dienen voor verdere ontwikkeling op verbaal terrein. Praktische adviezen (op welke manier kan men het kind stimuleren in zijn tekorten en zijn sterke kanten hierbij inzetten?) zorgen ervoor dat het onderzoek een gunstige invloed op de ontwikkeling van het kind heeft. Echter, een testsituatie kent ook beperkingen zoals het gegeven dat een kind slechts enkele uren gezien is. Informatie van ouders en school is daarom minstens zo belangrijk. Bij de kinderen bij wie een gericht onderwijsadvies gevraagd wordt, is het goed de implicaties voor het onderwijsniveau en -type te geven van de bevindingen. Bekijk in dit geval niet alleen het losse getal of interval, maar neem hierin de factoren mee die invloed hebben gehad op de prestatie van de dag en andere factoren bekend uit de schoolinformatie en anamnese die invloed hebben op iemands kans van slagen op een bepaalde school. Uiteindelijk is het de deskundigheid van de psychodiagnost om op basis van alle gegevens tot een weloverwogen en expliciet gemotiveerd advies te komen passend binnen het totale diagnostisch beeld, ook al ligt het TIQ dan misschien wel enkele punten aan de verkeerde kant van de grens die door organisaties voor indicatiestelling wordt gehanteerd. Slotbeschouwing Al met al kunnen we de WISC-III beschouwen als een instrument dat zich aan de hand van de beschreven analysemethode goed leent voor een niveaubepaling bij kinderen, met daarin een globale sterkte-zwakteanalyse, hypotheses voor mogelijk vervolgonderzoek en praktische individuele adviezen voor kind, ouders en school. De WISC-III kan via de Swets Test Manager (Harcourt) digitaal gescoord worden. De STM is duur en meer gericht op de volwassen doelgroep. Alternatief hiervoor is het handmatig scoren, waarbij de eerder genoemde Scorehulp veel werk uit handen kan nemen. De onderzoeker moet nog wel zelf de IQ-getallen opzoeken behorend bij de berekende scores. Voordeel van de Scorehulp is dat deze past binnen de beschreven analysemethode en automatisch informatie geeft over harmonie en interne consistentie. Bannatyne, A. (1974). A note on the reorganization on the WISC scale scores. Journal of Learning Disabilities, 1, Drenth, P.J.D. & Sijtsma, K. (1990). Testtheorie. Inleiding in de theorie van psychologische tests en zijn toepassingen. Houten/Diegem: Bohn Stafleu Van Loghum. Flynn, J.R. (1994). IQ gains over time. In: R.J. Sternberg (Ed.), Encyclopedia of Human Intelligence (pp ). New York: Macmillan. Geelhoed, J.W. (1996). Intelligentie-onderzoek binnen de klinische cyclus. In: Pijnenburg, Van Rijswijk, Ruijsenaars & Veerman (red.), Pedologisch Jaarboek Delft: Eburon. Geelhoed, J.W. & Güldner, M. (2002). De classificatie van intelligentiescores: een reactie. De Psycholoog, 37 (10), Georgas, J., Weiss, L.G., Vijver, F.J.R. van de & Saklofske, D.H. (2003). Culture and children s intelligence: Cross-cultural analysis of the WISC- III. New York: Academic Press. Groen, W.E., Hakkert, A.J., Muthert, J.P., Stobbelaar, A.K., Vaessens, J.H.G. & Zwaneveld, G. (1991). Moderne wiskunde bovenbouw 6V-A. Groningen: Wolters Noordhof. Kaufman, A.S. (1975). Factor analysis on the WISC-R at 11 age levels between 6 and 16 years. Journal of Consulting and Clinical Psychology, 43, Kaufman, A.S. (1994). Intelligent testing with the WISC-III. New York: Wiley. Kaufman, A.S. & Lichtenberger, E.O. (2000). Essentials of WISC-III and WPPSI-R assessment. New York: Wiley. Kort, W., Compaan, L., Bleichrodt, N., Resing, W.C.M., Schittekatte, M., Bosmans, M., Vermeir, G. & Verhaeghe, P. (2002). WISC-III NL Wechsler Intelligence Scale for Children. Derde Editie NL. Handleiding. David Wechsler. Amsterdam: NIP Dienstencentrum. Kort, W., Schittekatte, M., Dekker, P.H., Verhaeghe, P., Compaan, E.L., Bosmans, M. & Vermeir, G. (2005). WISC-III NL Wechsler Intelligence Scale for Children. David Wechsler. Derde Editie NL. Handleiding en Verantwoording. Amsterdam: Harcourt Test Publishers. Amsterdam: NIP Dienstencentrum. NDC (2003). Errata en Normtabellen WISC-III NL oktober Amsterdam: NIP Dienstencentrum. Nederlands Instituut van Psychologen, Sector Jeugd (2005). Veelgestelde vragen over intelligentietests. Amsterdam: NIP. Te downloaden via Nederlands Instituut van Psychologen (1998). Beroepsethiek voor Psychologen: Nieuwe Beroepscode Amsterdam: NIP. Te downloaden via Nederlands Instituut van Psychologen (NIP) (2004). Algemene Standaard Testgebruik. Amsterdam: NIP. Te downloaden via www. psynip.nl. Nederlands Instituut van Psychologen (NIP) (2005). Documentatie van Tests en Testresearch in Nederland, aanvulling 2005/03, pp Amsterdam: Boom test uitgevers. Nederlands Instituut van Psychologen (NIP) (2004). Documentatie van Tests en Testresearch in Nederland, aanvulling 2004/01, pp Amsterdam: Boom test uitgevers. Nijdam, A.D. & Buuren, J.A. van (1994). Statistiek voor de sociale wetenschappen (zesde druk). Alphen a/d Rijn/Zaventem: Samsom Bedrijfsinformatie. Oosterbaan, H., Kroes, G., Gent, B. van & Bruyn, E.E.J. de (2006). De WISC-III bij kinderen met ernstige gedragsproblemen, ontwikkelingsproblemen en/of psychiatrische problemen. Kind en Adolescent, 27, Pesch, W. & Ponsioen, A. (2004). Flinterdunne en flagrante Flynneffecten bij licht verstandelijk gehandicapte kinderen. Aanbevelingen voor het gebruik van de WISC-III. De Psycholoog, 39 (2), Resing, W. & Blok, J. (2002). De classificatie van intelligentiescores: voorstel voor een eenduidig systeem. De Psycholoog, 37 (5), Te downloaden via Swanborn, P.G. (1993). Methoden van sociaal-wetenschappelijk onderzoek (nieuwe editie). Meppel/Amsterdam: Boom. Uterwijk, J. (red.) (2000). WAIS-III Nederlandstalige bewerking. Technische Handleiding. David Wechsler. Lisse: Swets Test Publishers. Vander Steene, G., Haassen, P.P. van, Bruyn, E.E.J. de, Coetsier, P., Pijl, Y.J., Poortinga, Y.M., Spelberg, H.C. & Stinissen, J. (1986). WISC-R, Wechsler Intelligence Scale for Children-Revised. Nederlandstalige uitgave. Lisse: Swets & Zeitlinger. 136 kind en adolescent praktijk 3 - september 2006
WPPSI-III-nl analyse Versie: 1.0.0
Persoonsgegevens Naam Geslacht Man Nationaliteit Nederlandse Voorkeurshand Rechtshandig School/Instituut Basisonderwijs Groep/Leerjaar 2 Onderzoeker Paul Vraagstelling (1) ADHD jjjj mm dd Onderzoeks datum
In het geval van Carl ziet u op pagina 4 bij de factoranalyses direct: *Laag bij P-IQ Motivatie niveau *Hoog bij P-IQ Non-verbaal redeneren
Voorbeeld WAIS-III Analyse-rapport Fijn dat u de tijd neemt om echt inhoudelijk kennis te maken met het resultaat van een analyse uit ons kennissysteem. Een kennissysteem dat ik in de afgelopen 25 jaar
Hiërarchische analyse van de
uitgebreide downloadversie Hiërarchische analyse van de WISC-III nader toegelicht: vragen en antwoorden Yaron Kaldenbach In dit artikel wordt ingegaan op vragen, discussiepunten en overwegingen ten aanzien
Dag van intelligentie. Selma Ruiter De Waarde van het IQ
Dag van intelligentie 2018 Selma Ruiter De Waarde van het IQ De waarde van het IQ Is het IQ een goede maat voor leervermogen? De waarde van het IQ Inhoud Praktische waarde, wat kunnen we met de uitslag
WISC : Analyse & interpretatie. Prof.dr. S. Celestin-Westreich / GPDK / AJ0506 / p.1
WISC : Analyse & interpretatie Prof.dr. S. Celestin-Westreich / GPDK / AJ0506 / p.1 Wat meet de WISC? 1) Algemene Intelligentie! Prof.dr. S. Celestin-Westreich / GPDK / AJ0506 / p.2 2) Verbaal en performaal
Serv Amesz. Voorbeeld Analyse-rapport
Voorbeeld Analyse-rapport Fijn dat u de tijd neemt om echt inhoudelijk kennis te maken met het resultaat van een analyse uit ons kennissysteem. Een kennissysteem dat ik in de afgelopen 25 jaar heb opgebouwd
Dit geeft aan dat Kevin duidelijk meer problemen heeft met het verwerken en onthouden van auditieve informatie.
Voorbeeld Analyse-rapport Hartelijk dank voor het downloaden van ons voorbeeld Analyse-rapport. Fijn dat u de tijd neemt om echt inhoudelijk kennis te maken met het resultaat van een analyse uit ons kennissysteem.
Dit geeft aan dat Kevin duidelijk meer problemen heeft met het verwerken en onthouden van auditieve informatie.
Voorbeeld Analyse-rapport Hartelijk dank voor het downloaden van ons voorbeeld Analyse-rapport. Fijn dat u de tijd neemt om echt inhoudelijk kennis te maken met het resultaat van een analyse uit ons kennissysteem.
HBO Toegepaste psychologie Contactdag GGZ Kinderen en Jeugd. Drs. Yèrma van Egeraat Registerpsycholoog NIP
HBO Toegepaste psychologie Contactdag GGZ Kinderen en Jeugd Drs. Yèrma van Egeraat Registerpsycholoog NIP Programma Kennismaking Competenties Gespreksvaardigheden Anamnesegesprek: o Uitvoeren o Observeren
VERSLAG CHC- INTELLIGENTIEONDERZOEK 6 16 jaar
VCLB De Wissel - Antwerpen Vrij Centrum voor Leerlingenbegeleiding Naam: School: Klas: Geboortedatum: Onderzoeksdatum: Kalenderleeftijd: VERSLAG CHC- INTELLIGENTIEONDERZOEK 6 16 jaar 1. Probleemstelling
Dag van intelligentie. Lindsay Vanhecke Intelligentiemeting met WISC-V-NL en RAKIT-2
Dag van intelligentie 2018 Lindsay Vanhecke Intelligentiemeting met WISC-V-NL en RAKIT-2 Voorstelling WISC-V-NL en RAKIT-2 Wechsler Intelligence Scale V-NL (2017) Meest gebruikte intelligentietest bij
10 VeROudeRINg VAN de TeSTNORMeN 10.1 AANWIJzINgeN VOOR een MINdeR STeRk flynn-effect
10 VEROUDERING VAN DE TESTNORMEN Een belangrijk, en voor de diagnostiek uitermate lastig probleem, is de veroudering van testnormen. De prestatie op intelligentietests van personen van dezelfde leeftijd
Intelligentie-onderzoek volgens het CHC-model. IB/directiedagen SWV Rijnstreek 21 en 23 november 2017 Judith de Vries
Intelligentie-onderzoek volgens het CHC-model IB/directiedagen SWV Rijnstreek 21 en 23 november 2017 Judith de Vries [email protected] Waarom is OA het CHC-model gaan gebruiken? Huidige IQ testen
Technisch Rapport. www.pearson-nl.com. 2012, Pearson Assessment & information BV
Technisch Rapport WAIS-IV-NL Technisch Rapport www.pearson-nl.com 2012, Pearson Assessment & information BV WAIS-IV-NL Technisch rapport Drs. A.P. Kooij Uitgever, Pearson Assessment and Information B.V.
M. Tierens. W. Magez. K. Van Parijs. Normen: Jongens versus Meisjes?
M. Tierens W. Magez K. Van Parijs Normen: Jongens versus Meisjes? 2 CoVaT-CHC BASISVERSIE: NORMEN: JONGENS VERSUS MEISJES? M. Tierens, W. Magez & K. Van Parijs (2016) 1. Inleiding Bij psychologische tests
Van de Schoot, et al. (2013) A black bear story. European Journal of Developmental Psychology
Van de Schoot, et al. (2013) A black bear story. European Journal of Developmental Psychology Weet u het nog? Stel, Julia behaalt een (T)IQ-score van 97 met betrouwbaarheidsinterval 90-104. Hoe zou u dit
De nieuwe wereld, de nieuwe WISC
De nieuwe wereld, de nieuwe WISC De WISC-V is compleet herzien, vernieuwd en aangepast aan de wereld waarin wij nu leven. De WISC-V is de allernieuwste versie van s werelds meest gebruikte intelligentietest
TOELICHTING OUDERS BIJ DE DYSLEXIERAPPORTAGE
TOELICHTING OUDERS BIJ DE DYSLEXIERAPPORTAGE In het dyslexierapport worden een aantal afkortingen en begrippen gebruikt die nadere uitleg behoeven. In de lijst die volgt worden deze in het kort uitgelegd.
WISC-V-NL Wechsler Intelligence Scale for Children - Fifth Edition - Nederlandstalige bewerking Score Rapport
WISC-V-NL Wechsler Intelligence Scale for Children - Fifth Edition - Nederlandstalige bewerking Rapport Cliëntnaam kato x Datum van het Rapport 15-09-2018 Cliënt ID Geboortedatum 01-02-2010 Moedertaal
INhOud Voorwoord Inleiding Vooronderzoek en constructieonderzoek Beschrijving van de SON-R 6-40 Normering van de testscores
Inhoud Voorwoord 9 1 Inleiding 13 1.1 Kenmerken van de SON-R 6-40 13 1.2 Geschiedenis van de SON-tests 14 1.3 Aanleiding voor de revisie van de SON-R 5V-17 17 1.4 De onderzoeksfasen 18 1.5 Indeling van
Slim omgaan met intelligentie. Beatrijs Brand orthopedagoog
Slim omgaan met intelligentie Beatrijs Brand orthopedagoog Wat verstaat u onder intelligentie? Intelligentie Wat je al kunt Hoe snel je kunt leren Hoe snel je kunt analyseren en oplossen Hoe goed je doelgericht
Capaciteiten scan. Mw A. Demo. Naam. Datum assessment
Capaciteiten scan Naam Datum assessment Mw A. Demo 4-4 - 2014 Gegevens kandidaat Naam E-mail Mw A. Demo [email protected] Geboortedatum 23-2 - 1986 Organisatie ABC BV Datum assessment 4-4 - 2014 Doel en reikwijdte
De verstandelijke beperking (verstandelijke-ontwikkelingsstoornis)
whitepaper De verstandelijke beperking (verstandelijke-ontwikkelingsstoornis) in de DSM-5 Yaron Kaldenbach De classificatie van een verstandelijke beperking is in de vijfde editie van het Handboek voor
IDS-2. Intelligentie- en ontwikkelingsschalen voor kinderen en jongeren. HTS Report. Jeroen De Vries ID Datum
IDS-2 Intelligentie- en ontwikkelingsschalen voor kinderen en jongeren HTS Report ID 256-867 Datum 27.09.2018 IQ screening Testleider: - INLEIDING IDS-2 - scorehulp 2/5 Inleiding De intelligentie- en ontwikkelingsschalen
Verantwoord testgebruik
Verantwoord testgebruik Fairness in het Cotan beoordelingssysteem Dr. Remko van den Berg(NOA) [email protected] Dr. Bas Hemker (Cito) [email protected] Dr. Jorg Huijding (EUR) [email protected] www.noa-vu.nl
Dag van intelligentie
Dag van intelligentie De klinische interpretatie van intelligentietests; Hoe statistiek leuk kan worden 2018 Marc Hendriks Rens van de Schoot Kimberley Lek 1 www.rensvandeschoot.com/p-values/ 2 5 Ga naar
VERSLAG CHC- INTELLIGENTIEONDERZOEK 4 8 jaar
VCLB De Wissel - Antwerpen Vrij Centrum voor Leerlingenbegeleiding Naam: School: Klas: Geboortedatum: Onderzoeksdatum: Kalenderleeftijd: VERSLAG CHC- INTELLIGENTIEONDERZOEK 4 8 jaar 1. Probleemstelling
ACT Algemene Intelligentie
Rapport Datum ACT Algemene Intelligentie Voor u ligt het rapport van de ACT Algemene Intelligentie. Door middel van subtests zijn uw cognitieve capaciteiten gemeten. Allereerst wordt uw totaalscore weergegeven.
Intelligentie; aanpassing door interactie. toepassing van de WAIS-III
Pearson Wechsler Themadag, 16 november 2010, Science Centre NEMO Intelligentie; aanpassing door interactie toepassing van de WAIS-III dr. Marc Hendriks, Klinisch Neuropsycholoog Universitair Docent Neuro-
De WISC-RN als presenteerblaadje?
De WISC-RN als presenteerblaadje? Een onderzoek naar het vaststellen van schoolproblemen bij kinderen op basis van het verschil tussen hun verbaal en performaal IQ Doctoraalscriptie Opleiding Pedagogische
HTS Report IST-A. Intelligentie Structuur Test Assessmentversie. John Doe ID Datum Standaard. Hogrefe Uitgevers BV, Amsterdam
IST-A Intelligentie Structuur Test Assessmentversie HTS Report ID 256-1 Datum 25.02.2015 Standaard IST-A Inleiding 2 / 12 INLEIDING De IST-A is de verkorte versie van de Intelligentie Structuur Test (IST);
Ontwikkel-Assessment / Capaciteitenonderzoek MCT-H / Eindrapport / dhr. A.B. Achternaam. Vertrouwelijk
Naam kandidaat : dhr. Achternaam, A.B. (Voornaam) Personeelsnummer : ORGABV-ABA19540507 Geboortedatum : 07 mei 1954 Functie / nr. : Promotiekandidaat (m/v) Onderzoeksdatum : 09 juni 2016 Afschrift(en)
Datum: 5 september 2014
Naam: Ruben Smit NewHR.nl heeft de ambitie je te faciliteren zodat je je optimaal kan ontwikkelen en duurzaam inzetbaar blijft, welke functie je dan ook hebt. Dit rapport is de eerste stap naar persoonlijke
Een onderzoek naar visuele en verbale denkvoorkeuren en vaardigheden bij leerlingen van groep 6 en 7
Beelddenken: Een onderzoek naar visuele en verbale denkvoorkeuren en vaardigheden bij leerlingen van groep 6 en 7 Een samenvatting van het wetenschappelijk onderzoek naar beelddenken Inhoudsopgave Inleiding
IDS-2. Intelligentie- en ontwikkelingsschalen voor kinderen en jongeren. HTS Report. Jeroen De Vries ID Datum
IDS-2 Intelligentie- en ontwikkelingsschalen voor kinderen en jongeren HTS Report ID 255-858 Datum 19.10.2018 Intelligentie Testleider: Piet van der Jagt INLEIDING IDS-2 - scorehulp 2/7 Inleiding De intelligentie-
Capaciteitentest HBO. Denkvermogen en denkstijl
Denkvermogen en denkstijl Naam: Ruben Smit Inhoudsopgave 1. Inleiding... 3 2. De uitslag... 4 3. Bijlage: Het lezen van de uitslag... 5 Pagina 2 van 7 1. Inleiding Op 5 april 2016 heeft Ruben Smit een
De beoordeling van tests en toetsen door de COTAN: Meetinstrumenten de maat genomen Arne Evers
RCEC Conferentie 19 november 2008 De beoordeling van tests en toetsen door de COTAN: Meetinstrumenten de maat genomen Arne Evers Coördinator Testbeoordelingen van de Commissie Test- Aangelegenheden Nederland
CHC Werkdocument Benadering het zeer lage IQ. Talige personen met vermoedelijke ML tussen 2 en 7 jaar
CHC Werkdocument Benadering het zeer lage IQ Talige personen met vermoedelijke ML tussen 2 en 7 jaar Naam: Onderzoeksdatum: School: Geboortedatum: Klas: CL: CL in maanden: CL*: START met plaatjes concepten
IST Standaard. Intelligentie Structuur Test. meneer 1
IST Standaard Intelligentie Structuur Test ID 4589-1031 Datum 25.03.2015 IST Inleiding 2 / 12 INLEIDING De Intelligentie Structuur Test (IST) is een veelzijdig inzetbare intelligentietest voor jongeren
NIO & 10 jaar aanvullend intelligentieonderzoek. Dr. H. van Dijk
NIO & 10 jaar aanvullend intelligentieonderzoek Dr. H. van Dijk Voorwoord Het verschijnen van de gehernormeerde NIO in 2018 is een goede gelegenheid om aanvullend onderzoek over de NIO dat in de laatste
Kaufman Intelligentietest voor adolescenten en Volwassenen (KAIT)
Kaufman Intelligentietest voor adolescenten en Volwassenen (KAIT) J.L. Mulder, 1 R. Dekker 2, P.H. Dekker 3 1 afd. Neuropsychologie, HagaZiekenhuis, Den Haag. Amsterdam. 2 PITS Testuitgeverij Leiden. 3
Capaciteitentest MBO. 1. Inleiding
Naam: Ruben Smit NewHR.nl heeft de ambitie je te faciliteren zodat je je optimaal kan ontwikkelen en duurzaam inzetbaar blijft, welke functie je dan ook hebt. Dit rapport is de eerste stap naar persoonlijke
HTS Report DESIGMA - A. Design a Matrix. Tom Billiet ID Datum Advanced 1. Editie. Hogrefe Uitgevers BV, Amsterdam
HTS Report DESIGMA - A Design a Matrix ID 5107-4177 Datum 31.01.2017 Advanced 1. Editie DESIGMA - A Inleiding 2 / 10 INLEIDING Structuur van dit rapport Interpretatie Profielformulier Schaalscores Schaalinformatie
Algemene informatie over het IQ Binet
Praktische-opdracht door een scholier 1597 woorden 23 juni 2004 5,4 32 keer beoordeeld Vak Wiskunde A Algemene informatie over het IQ Binet De Fransman Alfred Binet ontwikkelde aan het begin van deze eeuw
Vertrouwelijk Individueel Rapport
Vertrouwelijk Individueel Rapport Casus Anoniem Casus Anoniem Datum: 19-08-2014 1 Afname gegevens Naam: Casus Anoniem Geslacht: meisje Naam School: OBS De Vlinder Groep/Klas: 6 Testleider: Testdatum: 19-08-2014
NEDERLANDS INSTITUUT VAN PSYCHOLOGEN Commissie Testaangelegenheden Nederland. Beoordeling van de SON-R 6-40, 2011.
NEDERLANDS INSTITUUT VAN PSYCHOLOGEN Commissie Testaangelegenheden Nederland Beoordeling van de SON-R 6-40, 2011 Beoordeling 2012 1. Uitgangspunten bij de testconstructie: Goed 2. Kwaliteit van het testmateriaal:
3,3. Praktische-opdracht door een scholier 2249 woorden 27 maart keer beoordeeld. Wiskunde A. Intelligentiequotiënt (IQ)
Praktische-opdracht door een scholier 2249 woorden 27 maart 2012 3,3 2 keer beoordeeld Vak Wiskunde A Intelligentiequotiënt (IQ) Voorwoord Ik heb in deze praktische opdracht voor het onderwerp intelligentie
CHC - Werkdocument benadering het zeer lage IQ. Talige personen met vermoedelijke ML boven 7 jaar
CHC - Werkdocument benadering het zeer lage IQ Talige personen met vermoedelijke ML boven 7 jaar Naam: School: Klas: CL in maanden: Onderzoeksdatum: Geboortedatum: CL: CL*: Gf: Vloeiende intelligentie
44 de psycholoog / april 2011
44 de psycholoog / april 2011 In de Nederlandse geestelijke gezondheidszorg komen mensen op basis van het gemeten iq in verschillende (psychiatrische) zorgcircuits terecht. Door de actuele bezuinigingswoede
Wijzigingen opbrengstbeoordeling in het primair onderwijs Februari 2011
Wijzigingen opbrengstbeoordeling in het primair onderwijs Februari 2011 De Inspectie van het Onderwijs voert vier wijzigingen door ten aanzien van de opbrengstbeoordeling in het primair onderwijs. De wijzigingen
Rapportage Capaciteiten. Bea Voorbeeld. Naam: Datum:
Rapportage Capaciteiten Naam: Bea Voorbeeld Datum: 07.07.2016 Email: [email protected] Bea Voorbeeld / 07.07.2016 / Capaciteiten (QCM) 2 Inleiding Wat is jouw werk- en denkniveau? Hoe goed kun je
NAAR EEN TAAL- EN CULTUURFAIRE BENADERING VAN HET IQ OP DE WPPSI-III (WPPSI-R) Walter Magez Riete Debbaut Annemie Bos
NAAR EEN TAAL- EN CULTUURFAIRE BENADERING VAN HET IQ OP DE WPPSI-III (WPPSI-R) Walter Magez Riete Debbaut Annemie Bos CULTUURVRIJ OF NIET INTERACTIE TAALBEHEERSING CULTURELE GELADENHEID Taalbeheersing
De waan van "het" IQ
De waan van "het" IQ Peter Tellegen Persoonlijkheids- en Differentiële Psychologie, RuG 2 juni 2004 "Onze zoon heeft de SON-R 2.5-7 gedaan en kwam uit op een IQ van 69, hij heeft hierbij ook PDD-NOS. Nu
Figuur 1: Voorbeelden van 95%-betrouwbaarheidsmarges van gemeten percentages.
MARGES EN SIGNIFICANTIE BIJ STEEKPROEFRESULTATEN. De marges van percentages Metingen via een steekproef leveren een schatting van de werkelijkheid. Het toevalskarakter van de steekproef heeft als consequentie,
ANALYSE PATIËNTERVARINGEN ELZ HAAKSBERGEN
ANALYSE PATIËNTERVARINGEN ELZ HAAKSBERGEN Dr. C.P. van Linschoten Drs. P. Moorer Definitieve versie 27 oktober 2014 ARGO BV Inhoudsopgave 1. INLEIDING EN VRAAGSTELLING... 3 1.1 Inleiding... 3 1.2 Vraagstelling...
Depressie bij jeugd: Ook een dip in het IQ?
Depressie bij jeugd: Ook een dip in het IQ? Samenvatting t.b.v. Karakter Nijmegen Dorith Merkx [email protected] Probleem Depressie bij kinderen gaat vaak samen met leerproblemen waarbij de depressie
Rapportage Capaciteiten. Bea het Voorbeeld. [email protected]. Naam: Datum: 09.03.2015. Email:
Rapportage Capaciteiten Naam: Bea het Voorbeeld Datum: 09.03.2015 Email: [email protected] Bea het Voorbeeld / 09.03.2015 / Capaciteiten (QCB) 2 Inleiding Wat is jouw werk- en denkniveau? Hoe goed kun
Toelichting Ankeronderzoek met Referentiesets. Ankeronderzoek. Beschrijving ankeronderzoek. Saskia Wools & Anton Béguin, Cito 2014
Toelichting Saskia Wools & Anton Béguin, Cito 2014 Ankeronderzoek Deze handleiding bevat een korte beschrijving van ankeronderzoeken. In het algemeen geldt dat meer informatie te vinden is in het boek
De volgende tests zijn afgenomen: Persoonsgegevens Aanvullende persoonsgegevens Capaciteitentest (MCT-M) Demo Kandidaat
Rapportage De volgende tests zijn afgenomen: Test Persoonsgegevens Aanvullende persoonsgegevens Capaciteitentest (MCT-M) Status Vertrouwelijk Naam Datum onderzoek Emailadres Demo Kandidaat 14 januari 2014
Stappenplan interpretatie COTAPP Basisrapportage
1 6 Algemeen Houd Tabel 4.1 van de COTAPP Handleiding bij de hand (pagina 20-25). Hierin worden de definities en operationalisaties van de uitkomstmaten beschreven. De definitie van de uitkomstmaat kan
Flinterdunne en flagrante Flynn-effecten bij licht verstandelijk gehandicapte kinderen Aanbevelingen voor het gebruik van de WISC-III
Wetenschap Flinterdunne en flagrante Flynn-effecten bij licht verstandelijk gehandicapte kinderen Aanbevelingen voor het gebruik van de WISC-III De discussie rond de recent uitgebrachte nieuwe WISC-intelligentietest
Formulier voor het beoordelen van de kwaliteit van een systematische review. Behorend bij: Evidence-based logopedie, hoofdstuk 2
Formulier voor het beoordelen van de kwaliteit van een systematische review Behorend bij: Evidence-based logopedie, hoofdstuk 2 Toelichting bij de criteria voor het beoordelen van de kwaliteit van een
HET ASSESSMENT INFORMATIE
HET ASSESSMENT INFORMATIE HET ASSESSMENT U bent uitgenodigd voor een assessment. In de praktijk blijkt dat bij veel kandidaten vragen leven met betrekking tot dit soort onderzoek. In het hiernavolgende
De Nederlandse doelgroep van mensen met een LVB 14-12-2011. Van Basisvragenlijst LVB naar LVB-screeningsinstrument (screener LVB)
Zwakzinnigheid (DSM-IV-TR) Code Omschrijving IQ-range Van Basisvragenlijst LVB naar LVB-screeningsinstrument (screener LVB) Xavier Moonen Orthopedagoog/GZ-Psycholoog Onderzoeker Universiteit van Amsterdam
Het LOVS rekenen-wiskunde van het Cito
Het LOVS rekenen-wiskunde van het Cito - de invloed van contexten in groep 3, 4 en 5 - Marian Hickendorff & Jan Janssen Universiteit Leiden / Cito Arnhem 1 inleiding en methode De LOVS-toetsen rekenen-wiskunde
TECHNISCHE HANDLEIDING IQ TEST
TECHNISCHE HANDLEIDING IQ TEST 12 December 2011 INHOUDSOPGAVE TESTOVERZICHT Meetpretentie Theoretische achtergrond Kenmerken Samenstelling Toepassingsgebied Voorbeelditems TESTKENMERKEN Vraag die voor
De plaats van neuropsychologisch onderzoek binnen het diagnostisch proces
De plaats van neuropsychologisch onderzoek binnen het diagnostisch proces Werkgroep: Audrey Mol, Ilse Noens, Annelies Spek, Cathelijne Tesink, Jan-Pieter Teunisse Inhoud NPO en differentiaal diagnostiek
De classificatie van intelligentiesco r es: een r eactie
Fo r u m De classificatie van intelligentiesco r es: een r eactie Het gebruik van beschrijvende termen voor het aangeven van de cognitieve mogelijkheden van kinderen en volwassenen is in de klinische praktijk
Omdat uit eerdere studies is gebleken dat de prevalentie, ontwikkeling en manifestatie van gedragsproblemen samenhangt met persoonskenmerken zoals
Gedragsproblemen komen veel voor onder kinderen en adolescenten. Als deze problemen ernstig zijn en zich herhaaldelijk voordoen, kunnen ze een negatieve invloed hebben op het dagelijks functioneren van
Rapportage Intelligentieonderzoek WISC III
Rapportage Intelligentieonderzoek WISC III Cruciaal Tauro Trade Center Europalaan 16 2408 BG Alphen aan den Rijn 0172-479796 www.cruciaaljunior.nl Naam : Adrie Noniem Geboortedatum : 22 mei 1999 Datum
Het LOVS rekenen-wiskunde van het Cito
cursusboek2009.book Page 131 Thursday, March 30, 2017 3:23 PM Het LOVS rekenen-wiskunde van het Cito - de invloed van contexten in groep 3, 4 en 5 - Universiteit Leiden / Cito Arnhem 1 inleiding en methode
Bayley III-NL Motoriekschaal
White paper Bayley III-NL Motoriekschaal Algemene introductie op de Bayley-III-NL Motoriekschaal, vergelijking met de vorige versie, de BSID-II-NL Motorische Schaal White paper 1 www.pearsonclinical.nl
Nieuwe intelligentietest: WISC-V-NL
Nieuwe intelligentietest: WISC-V-NL Vorig jaar is de nieuwe intelligentietest WISC-V-NL uitgekomen. In het maartnummer van Beter Begeleiden Magazine gaven Selma Ruiter en Francien Geerds een samenvatting
het belang van de cliënt staat voorop de meting is zo nauwkeurig mogelijk de uitkomst wordt gerelativeerd
11 DE BETEKENIS VAN HET ONDERZOEK VOOR DE PRAKTIJK In de voorafgaande hoofdstukken is een gedetailleerd overzicht gegeven van de resultaten van het onderzoek dat met de SON-R 6-40 is verricht. In dit hoofdstuk
Een andere manier van kijken, het Cattell-Horn-Carroll model
Een andere manier van kijken, het Cattell-Horn-Carroll model Voor veel PDW ers zijn de termen WAIS of WISC afkortingen die we dagelijks in de mond nemen. Dit in tegenstelling tot de man op de straat die
Taal en Connector Ability
Taal en Connector Ability Nico Smid Taal en Intelligentie Het begrip intelligentie gedefinieerd als G ( de zogenaamde general factor) verwijst naar het algemene vermogen om nieuwe problemen in nieuwe situaties
Verstandelijk beperkte pa0ënten
Verstandelijk beperkte pa0ënten Michiel Vermaak Arts voor Verstandelijk Gehandicapten Cephir Seminar Erasmus MC Maandag 25 januari 2016 Disclosure belangen spreker Michiel (potentiële) belangenverstrengeling
HOOFDSTUK 6: INTRODUCTIE IN STATISTISCHE GEVOLGTREKKINGEN
HOOFDSTUK 6: INTRODUCTIE IN STATISTISCHE GEVOLGTREKKINGEN Inleiding Statistische gevolgtrekkingen (statistical inference) gaan over het trekken van conclusies over een populatie op basis van steekproefdata.
HTS Report. d2-r. Aandachts- en concentratietest. David-Jan Punt ID 255-4 Datum 10.11.2015. Standaard. Hogrefe Uitgevers BV, Amsterdam
d2-r Aandachts- en concentratietest HTS Report ID 255-4 Datum 10.11.2015 Standaard d2-r Inleiding 2 / 14 INLEIDING De d2-r is een instrument voor het meten van de visuele selectieve aandacht, snelheid
Rapportage. Vertrouwelijk. De volgende tests zijn afgenomen: Persoonsgegevens Aanvullende persoonsgegevens Capaciteitentest (MCT-H) Dhr. Demo.
Rapportage De volgende tests zijn afgenomen: Test Persoonsgegevens Aanvullende persoonsgegevens Capaciteitentest (MCT-H) Status Vertrouwelijk Naam Datum onderzoek Emailadres Dhr. Demo 4 april 2014 [email protected]
Doelgroep Het instrument analyseert de zorg op het niveau van: met name geschikt voor Individuele basisschool Ja O O Speciale basisschool 0 Ja O
Volledige naam van het instrument De Zorgmeter Afkorting Doelgroep Het instrument analyseert de zorg op het niveau van: met name geschikt voor ook geschikt voor Individuele basisschool Ja O O Speciale
Inhoud. Introductie... 2. Bridge Abstract... 3. Bridge Abstract Scores...4
John Sample Inhoud Introductie... 2 Bridge Abstract... 3 Bridge Abstract Scores...4 Introductie De resultaten uit dit rapport zijn vertrouwelijk en alleen bedoeld voor de persoon die de test heeft ingevuld.
Antwoorden bij Testtheorie. Inleiding in de theorie van de psychologische test en zijn toepassingen, door P. J. D. Drenth en K.
Antwoorden bij Testtheorie. Inleiding in de theorie van de psychologische test en zijn toepassingen, door P. J. D. Drenth en K. Sijtsma Opmerking vooraf: Enkele docenten hebben ons laten weten dat zij
Dag van intelligentie
Dag van intelligentie 2018 Intelligetiemeting in het onderwijs Jeannette Rosbach Casus Thomas (9 jaar) Groep 5 regulier onderwijs Vanaf start basisschool zorgen. Komt moeilijk mee in de klas. Wisselende
HTS Report IST. Intelligentie Structuur Test. Jeroen de Vries ID Datum Standaard. Hogrefe Uitgevers BV, Amsterdam
IST Intelligentie Structuur Test HTS Report ID 5105-7035 Datum 20.07.2017 Standaard INLEIDING IST 2/20 Inleiding De Intelligentie Structuur Test (IST) is een veelzijdig inzetbare intelligentietest voor
Niet geplaatst. 3. General Apitude test Battery ( GATB) veelheid aan functies om success te voorspellen. 4. Raven Progressive Matrices Niet-verbaal
Niet geplaatst 1. Binet-Simon Eerste versie in 1908 Herwerkt t.e.m. Standfor-Binet 1986 2. French Kit Factoranalyse - Vloeiende intelligentie - Gekristalliseerde intelligentie - Visuele intelligentie -
Tips bij het in gesprek gaan met een burger met een licht verstandelijke beperking
Tips bij het in gesprek gaan met een burger met een licht verstandelijke beperking S.N. Kuik (2014, ongepubliceerd) Inleiding Het in Gesprek gaan met iemand met een LVB vergt nogal wat van Gespreksvoerders.
Van Gisteren naar Nu. Walter Magez. CAP vzw VVSP Studiedag 21/11/2013
1 Van Gisteren naar Nu Walter Magez 2 In de ontwikkeling van de moderne intelligentietest kunnen we vanaf het ontstaan (1904) tot nu (2013) vier Golven * onderscheiden die een samenhangend patroon vertonen.
Hoofdstuk 2: Kritisch reflecteren 2.1. Kritisch reflecteren: definitie Definitie: Kritisch reflecteren verwijst naar een geheel van activiteiten die
Hoofdstuk 2: Kritisch reflecteren 2.1. Kritisch reflecteren: definitie Definitie: Kritisch reflecteren verwijst naar een geheel van activiteiten die worden uitgevoerd om uit het gevonden bronnenmateriaal
mensen met een Licht Verstandelijke Beperking
Herkennen van mensen met een Licht Verstandelijke Beperking 23 juni 2015 GGD jeugdartsen Limburg Marijke van Duijnhoven en Hanneke van Gaal I have no actual or potential conflict of interest in relation
Klantonderzoek: statistiek!
Klantonderzoek: statistiek! Statistiek bij klantonderzoek Om de resultaten van klantonderzoek juist te interpreteren is het belangrijk de juiste analyses uit te voeren. Vaak worden de mogelijkheden van
IDS-2. Intelligentie- en ontwikkelingsschalen voor kinderen en jongeren. HTS Report. Jeroen De Vries ID Datum Executieve functies
IDS-2 Intelligentie- en ontwikkelingsschalen voor kinderen en jongeren HTS Report ID 256-867 Datum 27.09.2018 Executieve functies Testleider: - INLEIDING IDS-2 - scorehulp 2/6 Inleiding De intelligentie-
HANDREIKING EVIDENT EN KENNELIJK STABIELE KINDKEMERKEN Algemene uitgangspunten
HANDREIKING EVIDENT EN KENNELIJK STABIELE KINDKEMERKEN Algemene uitgangspunten Het vaststellen van een stoornis bii (her-)indicatie. De toegang tot het speciaal onderwijs of leerlinggebonden financiering
PASSEND ONDERWIJS: AFSTEMMEN OP HET COGNITIEF PROFIEL VAN DE LEERLINGEN
PASSEND ONDERWIJS: AFSTEMMEN OP HET COGNITIEF PROFIEL VAN DE LEERLINGEN Annemie Bos & Katrijn Van Parijs [email protected] - [email protected] Marlies Tierens - Liesbet De Kerf -
