Scannerhandleiding. Gebruiksaanwijzing
|
|
|
- Gerrit Visser
- 10 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 Gebruiksaanwijzing Scannerhandleiding Scanbestanden per verzenden Scanbestanden verzenden via scan-to-folder Bestanden opslaan met de scanfunctie Scanbestanden bezorgen Originelen scannen met de TWAIN-compatibele netwerkscanner Verschillende scannerinstellingen Appendix Lees deze handleiding zorgvuldig door voordat u dit apparaat gebruikt en houd hem bij de hand voor toekomstig gebruik. Lees voor een veilig en correct gebruik van het apparaat eerst de Veiligheidsinformatie in Informatie over dit apparaat.
2 Inleiding Deze handleiding bevat gedetailleerde aanwijzingen en opmerkingen over de bediening en het gebruik van dit apparaat. Lees voor uw veiligheid en voordeel deze handleiding eerst zorgvuldig voordat u het apparaat gebruikt. Bewaar de handleiding op een handige plaats om informatie snel te kunnen opzoeken. Belangrijk De inhoud van deze handleiding kan zonder voorafgaande aankondiging worden gewijzigd. Het bedrijf aanvaardt op geen enkele wijze aansprakelijkheid voor rechtstreekse, indirecte, bijzondere, incidentele of gevolgschade als gevolg van het omgaan met of het bedienen van dit apparaat. Opmerkingen: Sommige illustraties in deze handleiding kunnen verschillen van de weergave op het apparaat. Bepaalde opties zijn in sommige landen mogelijk niet beschikbaar. Neem voor meer informatie contact op met uw plaatselijke dealer. Let op: Het werken met bedieningsorganen of het uitvoeren van afstellingen of procedures anders dan gespecificeerd in deze handleiding, kan blootstelling aan gevaarlijke straling tot gevolg hebben. In deze handleiding worden twee soorten maateenheden gehanteerd. Voor dit apparaat geldt de metrieke versie.
3 Handleidingen voor dit apparaat Raadpleeg de handleidingen die relevant zijn voor hetgeen u met het apparaat wilt doen. Belangrijk De media verschillen per handleiding. De gedrukte en elektronische versies van een handleiding hebben dezelfde inhoud. Alleen als Adobe Acrobat Reader/Adobe Reader is geïnstalleerd, kunnen de handleidingen als PDF-bestand worden bekeken. Afhankelijk van het land waar u woont, kunnen deze ook beschikbaar zijn als HTML-versie. U kunt dergelijke handleidingen alleen raadplegen wanneer een webbrowser is geïnstalleerd. Informatie over dit apparaat Lees eerst de Veiligheidsinformatie in deze handleiding voordat u dit apparaat gaat gebruiken. Deze handleiding biedt een inleiding tot de functies van het apparaat. U vindt er ook een toelichting bij het bedieningspaneel, voorbereidingsprocedures voor het gebruik van het apparaat, informatie over hoe tekst moet worden ingevoerd en over hoe de bijgeleverde CD-rom s moeten worden geïnstalleerd. Bedieningshandleiding Standaardinstellingen In deze handleiding worden de gebruikersinstellingen en adresboekprocedures, zoals het registreren van faxnummers, adressen en gebruikerscodes, toegelicht. Raadpleeg deze handleiding tevens voor informatie over het aansluiten van het apparaat. Troubleshooting Hier vindt u een handleiding bij het oplossen van veelvoorkomende problemen en wordt uitgelegd hoe papier, toner, nietjes en andere verbruiksproducten moeten worden vervangen. Veiligheidsinformatie Deze handleiding is bedoeld voor beheerders van dit apparaat. De handleiding beschrijft de beveiligingsfuncties die de beheerders kunnen gebruiken om te voorkomen dat er wordt geknoeid met de gegevens of om het apparaat te beschermen tegen onrechtmatig gebruik. Deze handleiding bevat ook de procedures om beheerders te registreren en verificatie van gebruikers en beheerders in te stellen. Kopieer-/Document Server-handleiding Beschrijft de kopieerfuncties en -bewerkingen en de Document Server-functies en -bewerkingen. Raadpleeg deze handleiding tevens voor informatie over het plaatsen van originelen. Faxhandleiding Beschrijft de functies en bewerkingen van de fax. Printerhandleiding Beschrijft de functies en bewerkingen van de printer. i
4 Scannerhandleiding Beschrijft de functies en bewerkingen van de scanner. Netwerkhandleiding Beschrijft hoe u het apparaat in een netwerkomgeving kunt configureren en bedienen en hoe u de bijgeleverde software kunt gebruiken. Deze handleiding is bedoeld voor alle modellen en bevat functies en instellingen die dit model mogelijk niet heeft. Afbeeldingen, tekeningen en informatie over de besturingssystemen die worden ondersteund, zijn mogelijk niet allemaal op dit apparaat van toepassing. Overige handleidingen Handleidingen voor dit apparaat Veiligheidsinformatie Verkorte Kopieerhandleiding Verkorte Faxhandleiding Verkorte Printerhandleiding Verkorte Scanhandleiding PostScript3 Supplement UNIX Supplement Handleidingen voor DeskTopBinder Lite DeskTopBinder Lite Installatiehandleiding DeskTopBinder Introductiehandleiding Handleiding Auto Document Link Opmerking De geleverde handleidingen zijn specifiek per apparaatsoort. Raadpleeg onze website of een officiële leverancier voor informatie over UNIX Supplement. PostScript3 Supplement en UNIX Supplement bevatten beschrijvingen van functies en instellingen die op dit apparaat mogelijk niet beschikbaar zijn. Naar de volgende software wordt verwezen met behulp van algemene benamingen: Productnaam DeskTopBinder Lite en DeskTopBinder Professional * ScanRouter EX Professional * en ScanRouter EX Enterprise * Algemene benaming DeskTopBinder de ScanRouter-software * Optioneel ii
5 INHOUDSOPGAVE Handleidingen voor dit apparaat...i Verklaring van symbolen in deze handleiding...1 Symbolen...1 Informatie over de scannerfuncties...2 Bedieningspaneel...3 Bevestigingsdisplays...3 Scannereigenschappen Scanbestanden per verzenden Vóór het verzenden van scanbestanden per Het verzenden van scanbestanden per Voorbereiding voor het verzenden per adressen in het adresboek registreren scherm...11 Basisbewerking voor verzenden van scanbestanden per Overschakelen naar het scherm bestemmingen opgeven...16 De bestemming in het adresboek van het apparaat selecteren...16 Een adres handmatig invoeren...19 Bestemmingen selecteren met zoeken via een LDAP-server...20 Een direct ingevoerde bestemming in het adresboek registreren...23 De afzender opgeven...24 Een afzender selecteren in de lijst...24 Een registratienummer gebruiken voor het opgeven van een afzendernaam...25 De afzender selecteren via zoeken in het adresboek van het apparaat...26 Het onderwerp opgeven...27 Het bericht opgeven...28 Een bericht selecteren in de lijst...28 Een bericht handmatig invoeren...29 Gelijktijdig opslaan en verzenden per De URL per verzenden Scanbestanden verzenden via scan-to-folder Vóór het verzenden van bestanden via scan-to-folder...33 Scanbestanden verzenden via scan-to-folder...33 Voorbereiding voor het verzenden met scan-to-folder...35 Bestemmingsmappen in het adresboek registreren...36 Scan-to-folderscherm...37 Basisbewerkingen voor gebruik van scan-to-folder...38 Overschakelen naar het scan-to-folder scherm...40 iii
6 Scan-to-folder bestemmingen opgeven...41 De bestemming in het adresboek van het apparaat selecteren...41 Bestanden naar een gedeelde netwerkmap verzenden...44 Bestanden naar een FTP-server verzenden...48 Bestanden naar een NetWare-server verzenden...50 Het pad naar de geselecteerde bestemming in het adresboek registreren...54 Gelijktijdige opslag en verzending met scan-to-folder Bestanden opslaan met de scanfunctie Vóór het opslaan van bestanden...57 Beschrijving van opslaan van bestanden via de scannerfunctie...57 Basisbewerking voor opslaan van scanbestanden...59 Bestandsinformatie opgeven voor een opgeslagen bestand...61 Een gebruikersnaam opgeven...61 Een bestandsnaam opgeven...62 Een wachtwoord opgeven...63 De lijst met opgeslagen bestanden weergeven...64 Lijst met opgeslagen bestanden...64 Zoeken in de lijst met opgeslagen bestanden...66 Opgeslagen bestanden controleren vanaf een clientcomputer...68 DeskTopBinder Lite gebruiken om opgeslagen bestanden weer te geven...68 Web Image Monitor gebruiken voor het weergeven van opgeslagen bestanden Een opgeslagen bestand verzenden...69 Opgeslagen bestanden verzenden...69 Opgeslagen bestanden beheren...71 Een opgeslagen bestand verwijderen...71 Gegevens voor een opgeslagen bestand wijzigen Scanbestanden bezorgen Vóór het bezorgen van bestanden...77 Beschrijving van bezorgen van scanbestanden...77 Bezorgen van een bestand voorbereiden...78 DeskTopBinder Lite installeren vanaf de bijgeleverde CD-rom...79 Scherm voor netwerkbezorgingsscanner...80 Basisbewerking voor bezorgen van bestanden...81 Overschakelen naar het scherm voor de netwerkbezorgingsscanner...84 Bezorgingsbestemmingen opgeven...85 Bestemmingen selecteren die in de bestemmingslijst van de bezorgingsserver zijn geregistreerd...85 De afzender opgeven...88 Een afzender selecteren in de verzenderslijst...88 Een afzender selecteren door het registratienummer in te voeren...89 De afzender selecteren die in de bestemmingslijst van de bezorgingsserver wordt opgezocht Het onderwerp van de te verzenden via de bezorgingsserver opgeven Gelijktijdige opslag en bezorging...92 iv
7 5. Originelen scannen met de TWAIN-compatibele netwerkscanner Vóór het gebruiken van de TWAIN-compatibele netwerkscanner...93 Beschrijving van de TWAIN-compatibele netwerkscanner...94 Voorbereiding van gebruik van de TWAIN-compatibele netwerkscanner...95 Het TWAIN-stuurprogramma installeren vanaf de bijgeleverde CD-rom...96 Basisbewerking voor TWAIN-compatibele netwerkscanner Verschillende scannerinstellingen Scannerinstellingen opgeven...99 Items voor het opgeven van scannerinstellingen Scantype Resolutie Belichting Scanformaat Bewerken Scanzijden van originelen instellen Enkelzijdig origineel Dubbelzijdig origineel Invoertype origineel instellen Origineelrichting Batch, SADF Gemengde formaten Verdelen Stempelen Meerdere pagina s van originelen als één bestand scannen Bestandstype en bestandsnaam instellen Bestandstype instellen Bestandsnaam instellen Programma s Regelmatig gebruikte instellingen registreren Een programma oproepen Een geregistreerd programma wijzigen Een programma wissen De geregistreerde programmanaam wijzigen Scaninstellingen bij het gebruik van de TWAIN-scanner Origineelrichting instellen op de TWAIN-scanner Scannen van originelen van gemengd formaat met gebruik van de TWAIN-scanner v
8 7. Appendix De relatie tussen de resolutie en het scanformaat Bij het gebruik van , naar map verzenden, opslaan of netwerkbezorging Bij gebruik als TWAIN-scanner Scaninstellingen en bestandstypen Software meegeleverd op CD-rom Programma Auto Run TWAIN-stuurprogramma DeskTopBinder Lite Waarden van verschillende ingestelde opties voor de functie voor verzending, opslag of bezorging Verzendfunctie Opslagfunctie Functie netwerkbezorging Specificaties INDEX vi
9 Verklaring van symbolen in deze handleiding Symbolen In deze handleiding worden de volgende symbolen gebruikt: Geeft belangrijke veiligheidsaanwijzingen aan. Als deze aanwijzingen worden genegeerd, kan dit ernstig letsel of zelfs overlijden tot gevolg hebben. Zorg dat u deze aanwijzingen leest. Deze zijn te vinden in de paragraaf Veiligheidsinformatie van het hoofdstuk Informatie over dit apparaat. Geeft belangrijke veiligheidsaanwijzingen aan. Als deze aanwijzingen worden genegeerd, kan dit licht letsel of schade aan het apparaat of eigendommen tot gevolg hebben. Zorg dat u deze aanwijzingen leest. Deze zijn te vinden in de paragraaf Veiligheidsinformatie van het hoofdstuk Informatie over dit apparaat. Geeft punten aan die bij het gebruik van dit apparaat aandacht verdienen en beschrijft mogelijke oorzaken van papierstoringen, beschadiging van originelen of verlies van gegevens. Zorg dat u deze toelichting leest. Geeft aanvullende uitleg over de functies van het apparaat en biedt instructies voor het verhelpen van fouten in het gebruik. Dit symbool staat aan het eind van paragrafen. Het geeft aan waar u nadere relevante informatie kunt vinden. [ ] Geeft de namen aan van de toetsen die op het display van het apparaat verschijnen. { } Geeft de namen aan van de toetsen op het bedieningspaneel van het apparaat. 1
10 Informatie over de scannerfuncties In deze paragraaf worden functies beschreven die u in de scannermodus kunt gebruiken. Raadpleeg de desbetreffende hoofdstukken voor meer informatie over elke functie. Gescande bestanden verzenden U kunt op verschillende manieren vastgelegde gegevens als bestanden naar computers verzenden. Scanbestanden per verzenden Zie hoofdstuk 1, Scanbestanden per verzenden, voor meer informatie. Scanbestanden naar een gedeelde map verzenden Zie hoofdstuk 2, Scanbestanden via scan-to-folder verzenden, voor meer informatie. Scanbestanden naar een FTP-server verzenden Zie hoofdstuk 2, Scanbestanden via scan-to-folder verzenden, voor meer informatie. Scanbestanden naar een NetWare-server verzenden Zie hoofdstuk 2, Scanbestanden via scan-to-folder verzenden, voor meer informatie. Scanbestanden bezorgen via de bezorgingsserver Zie hoofdstuk 4, Scanbestanden bezorgen, voor meer informatie. Originelen scannen met het TWAIN-stuurprogramma Gebruik het TWAIN-stuurprogramma om het apparaat op te geven waarop originelen vanaf een clientcomputer worden gescand. Zie hoofdstuk 5, Originelen scannen met de TWAIN-compatibele netwerkscanner, voor meer informatie. Bestanden opslaan U kunt scanbestanden opslaan op de harde schijf van het apparaat. Opgeslagen bestanden kunnen later worden verzonden. Zie hoofdstuk 3, Bestanden opslaan met de scanfunctie, voor meer informatie. Verwijzing Pag.9 Scanbestanden per verzenden Pag.33 Scanbestanden verzenden via scan-to-folder Pag.77 Scanbestanden bezorgen Pag.93 Originelen scannen met de TWAIN-compatibele netwerkscanner Pag.57 Bestanden opslaan met de scanfunctie 2
11 Bedieningspaneel In deze paragraaf worden de twee bevestigingsdisplays beschreven: Instellingen controleren en Status scanbestand. In deze handleiding vindt u uitleg over het scherm, het scan-to-folderscherm, het scherm voor de lijst met opgeslagen bestanden en het scherm voor de netwerkbezorgingsscanner. Zie scherm, Scan-to-folderscherm, Lijst met opgeslagen bestanden en Scherm voor netwerkbezorgingsscanner. Verwijzing Pag.11 scherm Pag.37 Scan-to-folderscherm Pag.64 Lijst met opgeslagen bestanden Pag.80 Scherm voor netwerkbezorgingsscanner Bevestigingsdisplays In deze paragraaf worden de twee bevestigingsdisplays beschreven: Instellingen controleren en Status scanbestand. Instellingen controleren In deze paragraaf worden weergegeven items uitgelegd. Tevens wordt uitgelegd hoe u het scherm Instellingen controleren kunt weergeven. Gebruik het scherm Instellingen controleren om de instellingen voor scannen en verzenden te controleren. Als u op {Instellingen controleren} drukt, wordt van het eerste scannerscherm overgeschakeld naar het scherm Instellingen controleren. NL ARR001S 3
12 Instellingen controleren ARQ003S 1. [Vorige] Druk hierop om terug te gaan naar het eerste scannerscherm. 2. Pictogram verzendfunctie Geeft het pictogram weer van de gebruikte verzendfunctie. 3. Verzenderslijst en Bestemmingslijst Geeft de afzender en de verzenders- of bezorgingsbestemmingslijst weer. Gebruik [UVorige] of [TVolg.] om door de lijst te bladeren. 4. Aantal bestemmingen Geeft het aantal opgegeven bestemmingen aan. Status scanbestand In deze paragraaf worden de items uitgelegd die worden weergegeven. Tevens wordt uitgelegd hoe u het scherm Status scanbestand kunt openen. Gebruik het scherm Status scanbestand om de verzending, verzenden via scan-to-folder en de bezorgingsresultaten te controleren. Als u op [Status scanbestand] drukt, wordt het scherm Status scanbestand weergegeven. Er worden maximaal 5 verzend- of bezorgingsresultaten gelijktijdig weergegeven. Druk op [UVorige] of [TVolg.] om tussen de resultaten te schakelen. 4
13 Status scanbestand ARQ004S 1. Datum / Tijd Geeft de tijd en de datum weer waarop de verzending door dit apparaat werd opgegeven of de tijd en de datum waarop Gereed, Fout of Geannul. werd bevestigd. 2. Pictogram verzendfunctie Geeft het pictogram weer van de gebruikte verzendfunctie. 3. Bestemming Hier wordt de verzendbestemming weergegeven. Als u meerdere bestemmingen heeft geselecteerd, wordt de bestemming weergegeven die het eerste werd geselecteerd. Andere bestemmingen worden weergegeven als + X. (X staat voor het aantal bestemmingen.) 4. Afzender Geeft de naam van de afzender weer. 5. Bestandsnaam Geeft de opgeslagen bestandsnaam weer van bestanden die gelijktijdig worden verzonden en opgeslagen, of van opgeslagen bestanden die worden verzonden. 6. Status Geeft een van de volgende verzendstatussen weer: Gereed, Verz..., Wachten..., Fout of Geannul.. 7. [Annuleren] Om het verzenden te annuleren, selecteert u een bestand met de status [Wachten...] en drukt u vervolgens op [Annuleren]. 8. [Afdrukken] Als u hierop drukt, worden de verzendresultaten afgedrukt. Opmerking Afhankelijk van de beveiligingsinstellingen, is het mogelijk dat bepaalde verzendresultaten niet worden weergegeven. 5
14 Scannereigenschappen In dit gedeelte worden de instellingen van de scannereigenschappen uitgelegd. Druk op de toets {Gebruikersinstellingen/Teller} om het scherm Scannereigenschappen te openen. Zie de Bedieningshandleiding Standaardinstellingen voor meer informatie. Scaninstellingen Items Standaard Scaninstellingen Wachttijd voor volg. orig.: Glasplaat Wachtijd voor volgend orig.: SADF Originele instelling Activeer Batch Prioriteit van gemengde originele formaten Prioriteit origineelrichting Startmodus wijzigen Beschrijving Geef diverse basisinstellingen op, zoals het scantype, de resolutie, de belichting en het scanformaat. Geeft aan welke bewerking het apparaat uitvoert terwijl het wacht op aanvullende originelen na het scannen via de glasplaat. Stel de bewerking van dit apparaat voor de wachtrij voor extra originelen in na het scannen van originelen via de automatische documenteninvoer (ADF). Deze functie is alleen beschikbaar als de ADF is geïnstalleerd. Geef aan of originelen standaard enkelzijdig of dubbelzijdig zijn. Selecteer [SADF] of [Batch] als scanmodus die wordt weergegeven onder [Origin. invoertype] in het eerste scherm van de scannermodus. Deze instelling bepaalt of het formaat van het origineel automatisch wordt gedetecteerd wanneer originelen met een ander formaat in de ADF worden geplaatst. Selecteer standaardorigineelrichting. Wanneer originelen altijd in dezelfde richting worden geplaatst, selecteert u die richting als standaard. Stel de instellingen in het eerste scherm in dat wordt weergegeven wanneer de bedieningsschakelaar wordt ingeschakeld of nadat u heeft gedrukt op {Instellingen verwijderen}. 6
15 Instellingen voor bestemmingslijst Items Bestemmingslijst Display Prioriteit 1 Bestemmingslijst Display Prioriteit 2 Titel selecteren Bestem.lijst van de bez.server bijwerken Beschrijving Selecteer de standaardbestemmingslijst vanuit de bestemmingslijst van het apparaat of vanuit de bestemmingslijst die door de bezorgingsserver wordt beheerd. Deze instelling is alleen beschikbaar wanneer de functie Netwerkbezorgingsscanner is ingeschakeld door de ScanRouter-bezorgingssoftware. Geef aan of de bestemmingslijst of de mapbestemmingslijst prioriteit heeft. Selecteer de titels voor - en scan-to-folderbestemmingen en groepsbestemmingen. De geselecteerde titels worden weergegeven in de - en scan-to-folderbestemmingslijst die worden gebruikt bij het zoeken naar bestemmingen. Hiermee kunt u de bestemmingslijst van de bezorgingsserver bijwerken door op [Bestem.lijst van de bez.server bijwerken] te drukken. Om deze functie te gebruiken, stelt u onder [Systeeminstellingen] de optie [Bezorgingsoptie] in op [Aan]. Deze instelling is alleen beschikbaar wanneer de functie Netwerkbezorgingsscanner is ingeschakeld door de ScanRouter-bezorgingssoftware. 7
16 Instellingen voor verzenden Items TWAIN Standby Tijd Prioriteit bestandstype Compressie (Zwart/Wit) Compressie (grijswaarden) Afdr. & verw. Scanlogboek Scanlogboek afdrukken Scanlogboek verwijderen Max. form. delen & verzenden Taal informatie Bestandsprioriteit opslaan methode opgeslagen bestand Beschrijving Selecteer het antwoord van het apparaat wanneer een clientcomputer de TWAIN-scanner probeert te gebruiken terwijl het scannen wordt uitgevoerd. Geef aan of originelen moeten worden verzonden als een bestand met een enkele pagina of als een bestand met meerdere pagina s. Voor bestanden met een enkele pagina selecteert u TIFF/JPEG of PDF. Voor bestanden met meerdere pagina s selecteert u TIFF of PDF. Geef een compressiemethode op voor bestanden die in zwart-wit zijn gescand. Geef een compressiemethode op voor bestanden die in grijswaarden zijn gescand. Geef het antwoord van het apparaat op wanneer het maximum aantal scannerjournalen wordt overschreden. Hiermee kunt u het scannerjournaal afdrukken. Het scannerjournaal wordt vervolgens verwijderd. Hiermee kunt u het scannerjournaal verwijderen zonder het af te drukken. Geef aan of de grootte van s met bijlagen moet worden beperkt. Geef aan of bestanden waarvan de in [Max. form.] opgegeven grootte wordt overschreden, al dan niet moeten worden gesplitst en vervolgens als meerdere s moeten worden verzonden. Hiermee kunt u de taal van de berichten selecteren die worden weergegeven wanneer u gescande bestanden per verzendt. Selecteer [Verzenden & Opslaan], [Alleen opslaan] of [Uit] als de standaard die wordt weergegeven wanneer de bedieningsschakelaar is ingeschakeld of wanneer u heeft gedrukt op {Instellingen verwijderen}. Instelling van de standaardwaarde die bepaalt of een bestand als bijlage wordt meegezonden of dat een URL link wordt verzonden, als opgeslagen bestanden per worden verzonden. Beheerdertoepassingen Items Menu beveiligen Beschrijving Instelling van het standaardtoegangsniveau voor functies waarvan andere gebruikers dan de beheerder de instellingen kunnen veranderen. 8
17 1. Scanbestanden per verzenden U kunt scanbestanden als bijlage bij s voegen en deze via bijvoorbeeld het LAN en het Internet verzenden. Vóór het verzenden van scanbestanden per In deze paragraaf worden de noodzakelijke voorbereidingen en de procedure voor het verzenden van scanbestanden per uitgelegd. Het verzenden van scanbestanden per In deze paragraaf wordt de functie voor het verzenden van scanbestanden per uitgelegd. ZZZ508S 1. Dit apparaat Een gescand bestand kan aan een worden toegevoegd en naar een mailserver worden verzonden. 2. SMTP-server Om scanbestanden per te kunnen verzenden, moet u toegang hebben tot een server die SMTP (Simple Mail Transfer Protocol) ondersteunt. U hoeft echter niet een server te hebben binnen het LAN waartoe dit apparaat behoort. De server verzendt een ontvangen via een LAN of via het Internet door naar een opgegeven bestemming. 3. Cliëntcomputer Gebruik software voor de client om berichten en scanbestandsbijlagen te ontvangen die door dit apparaat worden gegenereerd. 4. LDAP-server Gebruik deze server voor het beheren van accounts, het zoeken op het netwerk en het verifiëren van computers die toegang hebben tot het apparaat. Met de LDAP-server kunt u vanaf het apparaat naar bestemmingen zoeken. 9
18 Scanbestanden per verzenden Voorbereiding voor het verzenden per 1 In deze paragraaf worden de voorbereidingen en instellingen voor het verzenden van scanbestanden per uitgelegd. A Sluit het apparaat aan op het netwerk. Sluit het apparaat aan op het netwerk via een Ethernet-kabel of draadloos LAN (IEEE b). B Geef de noodzakelijke netwerkinstellingen op in [Systeeminstellingen]. Als u het apparaat via een Ethernet-kabel heeft aangesloten op het netwerk, geeft u de volgende instellingen op. Zie de Bedieningshandleiding Standaardinstellingen voor meer informatie. Geef het IP-adres en het subnetmasker van het apparaat op. Geef de instellingen op voor de DNS-server. Geef het gateway-adres op. Schakel bij [Effectief protocol] [TCP/IP] in. Geef de SMTP-server op. C Wijzig, indien nodig, instellingen in [Verzendinstellingen] onder [Scannereigenschappen]. Opmerking Wanneer u het apparaat op het netwerk wilt aansluiten via draadloos LAN (IEEE b), is een uitgebreide draadloos-lan-kaart vereist. Raadpleeg de Netwerkhandleiding voor meer informatie. De opties die in [Systeeminstellingen] moeten worden ingesteld, variëren afhankelijk van de netwerkomgeving. Zie de Bedieningshandleiding Standaardinstellingen voor meer informatie over netwerkinstellingen. Raadpleeg de Bedieningshandleiding Standaardinstellingen voor meer informatie over [Scannereigenschappen]. adressen in het adresboek registreren U kunt regelmatig gebruikte adressen registreren in het adresboek. Registreer adressen in [Adresboekmanagement] onder [Beheerdertoepas.] vanuit [Systeeminstellingen]. Adressen kunnen ook als groepen worden geregistreerd. Opmerking Zie de Bedieningshandleiding Standaardinstellingen voor meer informatie over het registreren van adressen in het adresboek. U kunt adressen ook in het adresboek invoeren met Web Image Monitor of SmartDeviceMonitor for Admin. Zie de Netwerkhandleiding voor meer informatie over het installeren van deze toepassingen. Zie de Help bij de desbetreffende toepassingen voor meer informatie over het registreren van adressen in het adresboek. Afhankelijk van het soort apparaat kunt u mogelijk het apparaat niet gebruiken wanneer het adresboek aan het bijwerken is met CSV-bestanden (opgehaald met SmartDeviceMonitor for Admin) waarin gebruikerscodes staan. 10
19 Vóór het verzenden van scanbestanden per scherm In deze paragraaf wordt de schermindeling voor het verzenden van scanbestanden per uitgelegd. De weergegeven functieonderdelen fungeren als selectietoetsen. U kunt een onderdeel selecteren of opgeven door erop te drukken. Wanneer u een onderdeel op het displaypaneel selecteert of opgeeft, wordt het als volgt gemarkeerd: [ ]. Toetsen die niet kunnen worden geselecteerd, zien NL er zo uit: [ ] Bestemmingsveld De opgegeven bestemming wordt weergegeven. Als er meerdere bestemmingen zijn opgegeven, drukt u op [UVorige] of [TVolg.] om door de bestemmingen te bladeren. 2. [ ] /scan-to-folder Druk hierop om te schakelen tussen de e- mail- en de scan-to-folderfunctie. U kunt een bestand gelijktijdig verzenden naar bestemmingen en scan-to-folderbestemmingen. 3. Pictogram ( ) Dit pictogram geeft aan dat het scherm wordt weergegeven. 4. [Registratienr.] Druk op deze toets om een bestemming te specificeren met behulp van een registratienummer van vijf cijfers. 5. [Handm. invoer] Druk op deze toets om bestemmingen op te geven die niet in het adresboek zijn geregistreerd en geef vervolgens de adressen op met behulp van het weergegeven soft-toetsenbord. 6. [Naam afzender bijv.] [Ontvangstbevestiging] [Onderwerp/Bericht] [Bestandnaam/Type] Druk hierop om de afzender, ontvangstbevestigingsinstelling, onderwerp, bericht en namen en indelingen van de te verzenden bestanden op te geven. 7. [ ] Bestem.lijst veranderen/zoeken/veranderen van titel Druk hierop om een bestemming op de bezorgingsserverlijst te veranderen in een bestemmingslijst van dit apparaat om te zoeken naar een bestemming. 8. Bestemmingslijst De lijst met bestemmingen die op dit apparaat zijn geregistreerd, wordt weergegeven. Als niet alle bestemmingen kunnen worden weergegeven, drukt u op [U] of [T] om naar een ander scherm over te schakelen. Groepsbestemmingen worden aangegeven met het symbool. 11
20 Scanbestanden per verzenden 1 Basisbewerking voor verzenden van scanbestanden per In deze paragraaf wordt de basisbewerking voor het verzenden van scanbestanden per uitgelegd. A Zorg ervoor dat alle oude instellingen verwijderd worden. Wanneer een voorgaande instelling is behouden, drukt u op de toets {Instellingen verwijderen}. B Als het scherm voor de netwerkbezorgingsscanner of scan-to-folder wordt geopend, schakelt u over naar het scherm. Zie Overschakelen naar het scherm voor meer informatie. C Plaats de originelen. D Druk indien nodig op [Scaninstellingen] om scannerinstellingen op te geven, zoals het scantype, de resolutie, de belichting of het scanformaat. Zie Verschillende scannerinstellingen voor meer informatie. E Druk indien nodig op [1-zijdig orig.] of [Dubbelz. orig.] om een of beide zijden van de originelen te scannen. Zie Scanzijden van originelen instellen voor meer informatie. F Druk indien nodig op [Origin. invoertype] om instellingen op te geven, zoals de richting van het origineel. Zie Invoertype origineel instellen voor meer informatie. G Druk indien noodzakelijk op [Bestandnaam/Type] om de instellingen op te geven, zoals de bestandsnaam en de bestandsgrootte. Zie Bestandstype en bestandsnaam instellen voor meer informatie. H Specificeer de bestemming. U kunt meerdere bestemmingen opgeven. Zie bestemmingen opgeven voor meer informatie. I Druk op [Naam afzender bijv.] om de afzender van de op te geven. Zie De afzender opgeven voor meer informatie. 12
21 Basisbewerking voor verzenden van scanbestanden per J Druk indien nodig op [Ontvangstbevestiging] om instellingen op te geven voor de functie Ontvangstbevestiging. Wanneer u [Ontvangstbevestiging] selecteert, ontvangt de geselecteerde afzender van de een melding dat de ontvanger het bericht heeft geopend. K Geef indien nodig het onderwerp op. Zie Het onderwerp opgeven voor meer informatie. L Voer indien nodig het bericht in. Zie Het bericht opgeven voor meer informatie. M Druk op de toets {Start}. Plaats de volgende originelen, als u batches scant. Opmerking Als u twee of meer bestemmingen heeft geselecteerd, kunnen de bestemmingen een voor een worden weergegeven als u op [UVorige] of [TVolg.] drukt, naast het bestemmingsveld. Wanneer u een geselecteerde bestemming wilt annuleren, drukt u op de toets [UVorige] of [TVolg.] om de bestemming weer te geven in het bestemmingsveld en drukt u vervolgens op de toets {Wis/Stop}. U kunt een in de bestemmingslijst geselecteerde bestemming annuleren door nogmaals op de geselecteerde bestemming te drukken. In [Systeeminstellingen] kunt u het adres van de beheerder opgeven als de standaardafzendernaam. U kunt dan s verzenden zonder iets voor [Naam afzender bijv.] te hoeven opgeven. Zie de Bedieningshandleiding Standaardinstellingen voor meer informatie. Afhankelijk van de beveiligingsinstelling kan de ingelogde gebruiker worden opgegeven als [Naam afzender bijv.]. Als u de functie Ontvangstbevestiging wilt gebruiken, moet u de afzender opgeven. Houd er rekening mee dat de melding [Ontvangstbevestiging] wellicht niet wordt verzonden wanneer de software van de ontvanger Message Disposition Notification niet ondersteunt. Wanneer het adres van de beheerder automatisch wordt opgegeven als afzender, wordt geen melding verzonden, zelfs niet wanneer [Ontvangstbevestiging] wordt geselecteerd. Zie de Bedieningshandleiding Standaardinstellingen voor meer informatie over [ adres beheerder] en [Naam afzender autom. specificeren]. Wanneer u drukt op de toets {Instellingen controleren} voordat u drukt op de toets {Start}, schakelt het eerste scannerscherm over naar het scherm Instellingen controleren. Via het scherm Instellingen controleren kunt u instellingen controleren zoals bestemmingen. Zie Instellingen controleren voor meer informatie. Wanneer u het scannen wilt annuleren, drukt u op de toets {Wis/Stop} of op de toets [Stop] op het display. U kunt een scanbestand ook opslaan en gelijktijdig per verzenden. Zie Gelijktijdig opslaan en verzenden per voor meer informatie. 1 13
22 Scanbestanden per verzenden 1 Verwijzing Pag.15 Overschakelen naar het scherm Pag.99 Verschillende scannerinstellingen Pag.110 Scanzijden van originelen instellen Pag.112 Invoertype origineel instellen Pag.122 Bestandstype en bestandsnaam instellen Pag.16 bestemmingen opgeven Pag.28 Het bericht opgeven Pag.27 Het onderwerp opgeven Pag.24 De afzender opgeven Pag.3 Instellingen controleren Pag.30 Gelijktijdig opslaan en verzenden per 14
23 Overschakelen naar het scherm Overschakelen naar het scherm In deze paragraaf wordt uitgelegd hoe u naar het scherm kunt overschakelen. Als het scan-to-folder scherm wordt weergegeven, drukt u op [ ] om naar het scherm over te schakelen. Als het scherm voor de netwerkbezorgingsscanner wordt weergegeven, schakelt u op de volgende manier over naar het scherm. A Druk op [ ]. B Druk op [Bestem.lijst veranderen]. 1 C Druk op [ ]. D Druk op [Afsluiten]. Het scherm of het scan-to-folderscherm wordt weergegeven. E Druk op [ ] als het scan-to-folder scherm wordt weergegeven. Het scherm wordt geopend. Opmerking U kunt niet vanuit het scherm voor de netwerkbezorgingsscanner overschakelen terwijl er bezorgingsbestemmingen worden opgegeven. Wanneer u een opgegeven bestemming wilt wissen, geeft u de bestemming weer in het bestemmingsveld van het scherm van de netwerkbezorgingsscanner en drukt u vervolgens op de toets {Wis/Stop}. 15
24 Scanbestanden per verzenden bestemmingen opgeven 1 In deze paragraaf wordt uitgelegd hoe bestemmingen kunnen worden opgegeven. U kunt op een van de volgende manieren bestemmingen opgeven: Selecteer de bestemming in het adresboek van het apparaat. Geef het adres rechtstreeks op. Zoek de LDAP-server voor de bestemming en selecteer deze. Voordat u bestemmingen gaat selecteren, moet u [Naar] hebben geselecteerd. Druk indien noodzakelijk op [Cc] of [Bcc] en selecteer vervolgens de bestemmingen. De bestemming in het adresboek van het apparaat selecteren In deze paragraaf wordt uitgelegd hoe de bestemming in het adresboek van het apparaat kan worden geselecteerd. Belangrijk Om deze functie te kunnen gebruiken, moet u de bestemmingen vooraf invoeren in [Systeeminstellingen]. Zie de Bedieningshandleiding Standaardinstellingen voor meer informatie. U kunt op de volgende manieren bestemmingen selecteren die zijn geregistreerd in het adresboek van het apparaat: Een bestemming in de lijst selecteren; Een bestemming selecteren door het registratienummer in te voeren; Een bestemming selecteren door deze in het adresboek van het apparaat op te zoeken. Opmerking Afhankelijk van de beveiligingsinstellingen worden bepaalde bestemmingen mogelijk niet weergegeven. 16
25 bestemmingen opgeven Een bestemming selecteren uit het overzicht De afzender selecteren in de bestemmingslijst. A Druk in de bestemmingslijst op de toets met de bestemmingsnaam. 1 De toets van de geselecteerde bestemming wordt gemarkeerd en de bestemming verschijnt in het bestemmingsveld bovenaan op het scherm. Als de gewenste bestemming niet wordt weergegeven, voert u één van de volgende stappen uit: Geef de bestemming weer door de eerste letter uit de titel te selecteren. Geef de bestemming weer door op [U] of [T] te drukken. Opmerking Afhankelijk van de beveiligingsinstellingen, worden sommige bestemmingen wellicht niet in de bestemmingslijst vermeld. Een bestemming selecteren door het registratienummer in te voeren Selecteer de bestemming in het adresboek van het apparaat met behulp van het registratienummer van de bestemming. A Druk op [Registratienr.]. 17
26 Scanbestanden per verzenden 1 B Met behulp van de cijfertoetsen geeft u het vijfcijferige registratienummer op dat aan de bestemming is toegewezen. Wanneer het ingevoerde nummer korter is dan 5 cijfers, drukt u na het laatste cijfer op de toets {q}. Voorbeeld: als u wilt invoeren, drukt u op {3} en vervolgens op de toets {q}. De bestemming in het adresboek van het apparaat opzoeken en vervolgens selecteren In deze paragraaf wordt uitgelegd hoe u de bestemming in het adresboek van het apparaat kunt zoeken en selecteren. A Druk op [ ]. B Als u wilt zoeken op bestemmingsnaam, drukt u op [Zoek op bestem.naam]. Als u wilt zoeken op een adres, drukt u op [ adres]. Het soft-toetsenbord wordt weergegeven. U kunt ook zoeken door [Zoek op bestem.naam] en [ adres] te combineren. C Voer het begin van de bestemmingsnaam in. Als u wilt zoeken op adres, voert u het begin van het adres in. 18
27 bestemmingen opgeven D Druk op [OK]. E Selecteer een bestemming. 1 F Selecteer [Naar], [Cc] of [Bcc]. G Druk op [Afsluiten]. Een adres handmatig invoeren In deze paragraaf wordt uitgelegd hoe een adres handmatig kan worden ingevoerd. A Druk op [Handm. invoer]. Het soft-toetsenbord wordt weergegeven. Zie Informatie over dit apparaat voor meer informatie over het invoeren van tekens. B Voer het adres in. C Druk op [OK]. Opmerking [Handm. invoer] wordt, afhankelijk van de beveiligingsinstellingen, mogelijk niet weergegeven. Zie verzenden voor meer informatie over het maximum aantal tekens dat kan worden ingevoerd. Wanneer u een ingevoerd adres wilt wijzigen, drukt u op [Wijzigen]. Het direct ingevoerde adres kan in het adresboek van het apparaat worden geregistreerd. Zie Een direct ingevoerde bestemming in het adresboek registreren voor meer informatie. 19
28 Scanbestanden per verzenden 1 Verwijzing Pag.141 verzenden Pag.23 Een direct ingevoerde bestemming in het adresboek registreren Bestemmingen selecteren met zoeken via een LDAP-server U kunt op de LDAP-server zoeken naar een adres en dat adres vervolgens opgeven als bestemming. Belangrijk Voor deze functie moet een LDAP-server worden gebruikt in het netwerk. De server moet zijn geregistreerd onder [Systeeminstellingen] en [Gebruik LDAP server] moet zijn ingesteld op [Aan]. Zie de Bedieningshandleiding Standaardinstellingen voor meer informatie. A Druk op [ ]. B Druk op [Zoek LDAP]. C Druk op [Selecteer Server]. D Selecteer de LDAP-server. Als voor toegang tot de geselecteerde server verificatie wordt vereist, verschijnt het verificatiescherm. Voer ter verificatie de gebruikersnaam en het wachtwoord in. E Druk op [OK]. 20
29 bestemmingen opgeven F Druk op [Geavanceerd zoeken]. 1 G Voer als zoekvoorwaarde een tekenreeks in die betrekking heeft op de bestemming, zoals [Naam], [ adres], [Faxnummer], [Bedrijfsnaam] of [Afdelingsnaam]. Wanneer u een zoekvoorwaarde-instelling selecteert, wordt een soft-toetsenbord weergegeven. Voer een tekenreeks in die voldoet aan de zoekcriteria. Wanneer u zoekt op [Naam], bepalen de instellingen van de LDAP-server of wordt gezocht op achternaam of op voornaam. Raadpleeg uw beheerder. Het geïllustreerde scherm is een voorbeeld. De items die in werkelijkheid worden weergegeven kunnen hiervan verschillen. H Druk op [Zoek criteria] bij elk item en selecteer vervolgens criteria in de weergegeven lijst. I Druk op [OK]. J Selecteer de bestemming. K Selecteer [Naar], [Cc] of [Bcc]. 21
30 Scanbestanden per verzenden L Druk op [Afsluiten]. 1 Opmerking De zoekvoorwaarden [Naam], [ adres], [Faxbestemming], [Bedrijfsnaam] en [Afdelingsnaam] die worden weergegeven in [Geavanceerd zoeken] zijn geregistreerd op de LDAP server. Wanneer u [Zoekopties] heeft opgegeven bij [Programmeer/Wijzig/Verwijder LDAP server] onder [Systeeminstellingen], kunt u een zoekvoorwaarde toevoegen voor een LDAP-zoekopdracht in het scherm [Geavanceerd zoeken]. Zie de Bedieningshandleiding Standaardinstellingen voor meer informatie. Als u op [Detail] drukt, kunt u details van de geselecteerde bestemmingen bekijken. Er kunnen maximaal 100 bestemmingen als zoekresultaten worden weergegeven. Als een via de LDAP-server gevonden adres te lang is, kan het niet als bestemming worden opgegeven. Zie verzenden voor meer informatie over het aantal tekens dat kan worden opgegeven. U kunt meerdere adressen registreren in afzonderlijke LDAP-serveraccounts. In de zoekresultaten wordt echter slechts één adres weergegeven. Meestal is dit het adres dat het eerst is geregistreerd op de LDAPserver. Als u op [Zoek criteria] drukt, worden de volgende criteria weergegeven: [Zoek begin woord]: De namen die beginnen met het opgegeven teken (of de opgegeven tekens) worden weergegeven. Als u bijvoorbeeld wilt zoeken naar ABC, typt u A. [Zoek eind woord]: De namen die eindigen met het opgegeven teken (of de opgegeven tekens) worden weergegeven. Als u bijvoorbeeld wilt zoeken naar ABC, typt u C. [Exacte overeenkomst]: De namen die overeenkomen met het opgegeven teken (of de opgegeven tekens) worden weergegeven. Als u bijvoorbeeld wilt zoeken naar ABC, typt u ABC. [Bevat 1 v/d woorden]: De namen die het opgegeven teken (of de opgegeven tekens) bevatten, worden weergegeven. Als u bijvoorbeeld wilt zoeken naar ABC, typt u A, B of C. [Woorden uitsluiten]: De namen die niet een opgegeven teken (of opgegeven tekens) bevatten, worden weergegeven. Als u bijvoorbeeld wilt zoeken naar ABC, typt u D. [Ongestruct. zoeken]: een vage zoekbewerking (De werking van deze vage zoekbewerking is afhankelijk van het door de LDAP-server ondersteunde systeem.) Verwijzing Pag.141 verzenden 22
31 bestemmingen opgeven Een direct ingevoerde bestemming in het adresboek registreren In deze paragraaf wordt uitgelegd hoe een direct ingevoerde bestemming in het adresboek van het apparaat kan worden geregistreerd. U kunt ook een bestemming registreren die vanaf de LDAP-server wordt geselecteerd. A Geef de bestemming die u wilt registreren weer in het bestemmingsveld. 1 B Druk op [Prog.Best.]. C Druk op [Namen] en geef vervolgens de naam en andere te registreren gegevens op. Zie de Bedieningshandleiding Standaardinstellingen voor meer informatie over het opgeven van te registreren gegevens. D Druk op [OK]. Opmerking [Prog.Best.] wordt mogelijk niet weergegeven, afhankelijk van de beveiligingsinstellingen. In een dergelijk geval kunt u de registratie niet voltooien. Om een via de LDAP-server gezochte en geselecteerde bestemming te registreren in het adresboek van het apparaat, geeft u de bestemming weer en drukt u vervolgens op [Prog.Best.]. 23
32 Scanbestanden per verzenden De afzender opgeven 1 In deze paragraaf wordt uitgelegd hoe de afzender kan worden opgegeven. Om te kunnen verzenden, moet u de naam van de afzender opgeven. U kunt op een van de volgende manieren de afzender opgeven: De afzender selecteren in de afzenderslijst Een afzender selecteren door het registratienummer in te voeren Een afzender selecteren door deze in het adresboek van het apparaat op te zoeken Opmerking Afzenders moeten vooraf worden geregistreerd onder [Systeeminstellingen]. Zie de Bedieningshandleiding Standaardinstellingen voor meer informatie. In [Systeeminstellingen] kunt u het adres van de beheerder opgeven als de standaard afzendernaam. U kunt dan berichten verzenden zonder de afzender op te geven. Zie de Bedieningshandleiding Standaardinstellingen voor meer informatie. Afhankelijk van de beveiligingsinstelling kan de ingelogde gebruiker worden opgegeven als de afzender. Als een beveiligingscode is ingesteld, verschijnt nadat de afzender is geselecteerd, het scherm voor het invoeren van de beveiligingscode. Voer de beveiligingscode in en druk vervolgens op [OK]. Als de door u ingevoerde beveiligingscode juist is, verschijnt de naam van de afzender. Een afzender selecteren in de lijst In deze paragraaf wordt uitgelegd hoe de afzender in het adresboek van het apparaat kan worden geselecteerd. A Druk op [Naam afzender bijv.]. 24
33 De afzender opgeven B Selecteer de afzender. 1 C Druk op [OK]. Een registratienummer gebruiken voor het opgeven van een afzendernaam Selecteer de afzender aan de hand van de registratienummers die zijn opgegeven door gebruikers in het adresboek van het apparaat. A Druk op [Naam afzender bijv.]. B Gebruik de cijfertoetsen om het vijfcijferige registratienummer op te geven dat aan de afzender is toegewezen. Wanneer het ingevoerde nummer korter is dan 5 cijfers, drukt u na het laatste cijfer op de toets {q}. Voorbeeld: u wilt invoeren Druk op {6} en druk vervolgens op de toets {q}. C Druk op [OK]. 25
34 Scanbestanden per verzenden De afzender selecteren via zoeken in het adresboek van het apparaat 1 In deze paragraaf wordt uitgelegd hoe de afzender in het adresboek van het apparaat kan worden gezocht. A Druk op [Naam afzender bijv.]. B Druk op [ ]. C Als u wilt zoeken op gebruikersnaam, drukt u op [Naam gebr.(bestemm)]. Als u wilt zoeken op een adres, drukt u op [ adres]. Het soft-toetsenbord wordt weergegeven. U kunt ook zoeken door [Naam gebr.(bestemm)] en [ adres] te combineren. D Voer het begin van de naam van de afzender in waarop u wilt zoeken. Als u wilt zoeken op adres, voert u het begin van het adres in. E Druk op [OK]. F Selecteer de afzender. G Druk op [Afsluiten]. H Druk op [OK]. 26
35 Het onderwerp opgeven Het onderwerp opgeven In deze paragraaf wordt uitgelegd hoe het onderwerp kan worden opgegeven. De procedure voor het opgeven van het onderwerp [Urgent] Introductie nieuw product wordt hieronder als voorbeeld besproken. A Druk op [Onderwerp/Bericht]. 1 B Druk op [Onderwerp bijvoegen]. C Selecteer het onderwerp [Urgent]. D Druk op [Handmatige invoer]. Het soft-toetsenbord wordt weergegeven. E Voer het onderwerp Introductie nieuw product in. F Druk driemaal op [OK]. Opmerking Zie Informatie over dit apparaat voor meer informatie over het invoeren van tekst. Zie verzenden voor meer informatie over het maximum aantal tekens dat kan worden ingevoerd. Verwijzing Pag.141 verzenden 27
36 Scanbestanden per verzenden Het bericht opgeven 1 In deze paragraaf wordt uitgelegd hoe het bericht kan worden opgegeven. Het bericht kan op de volgende manieren worden gemaakt: Het bericht in de lijst selecteren; Het bericht direct invoeren. Een bericht selecteren in de lijst U kunt een bericht in de lijst selecteren. Belangrijk Berichten die uit de lijst kunnen worden geselecteerd, moeten wel vooraf zijn geregistreerd in [Systeeminstellingen]. Zie de Bedieningshandleiding Standaardinstellingen voor meer informatie. A Druk op [Onderwerp/Bericht]. B Druk op [ bericht]. C Selecteer een bericht. D Druk tweemaal op [OK]. 28
37 Het bericht opgeven Een bericht handmatig invoeren U kunt een bericht handmatig invoeren. A Druk op [Onderwerp/Bericht]. 1 B Druk op [ bericht]. C Druk op [Handmatige invoer]. Het soft-toetsenbord wordt weergegeven. D Voer het bericht in. E Druk driemaal op [OK]. Opmerking Zie Informatie over dit apparaat voor meer informatie over het invoeren van tekst. Zie verzenden voor meer informatie over het maximum aantal tekens dat kan worden ingevoerd. Verwijzing Pag.141 verzenden 29
38 Scanbestanden per verzenden Gelijktijdig opslaan en verzenden per 1 In deze paragraaf wordt uitgelegd hoe een bestand kan worden opgeslagen en gelijktijdig per kan worden verzonden. A Druk op [Bestand opslaan]. B Druk op [Verzenden & Opslaan]. C Geef indien nodig gegevens op over het opgeslagen bestand, zoals [Gebruikersnaam], [Bestandsnaam] en [Wachtwoord]. Zie Bestandsinformatie opgeven voor een opgeslagen bestand voor meer informatie. D Druk op [OK]. E Geef de bestemming en andere benodigde instellingen op en verzend het bericht. Zie Basisbewerking voor verzenden van scanbestanden per voor meer informatie. Opmerking Afhankelijk van de beveiligingsinstellingen, wordt [Toegangsprivileges] mogelijk weergegeven in plaats van [Gebruikersnaam]. Neem contact op met de beheerder voor meer informatie over het opgeven van [Toegangsprivileges]. U kunt opgeslagen bestanden opnieuw verzenden per . Wanneer u opgeslagen bestanden opnieuw wilt verzenden, selecteert u de bestanden op het scherm voor het selecteren van opgeslagen bestanden en vervolgens verzendt u deze. Zie Een opgeslagen bestand verzenden voor meer informatie. Verwijzing Pag.61 Bestandsinformatie opgeven voor een opgeslagen bestand Pag.12 Basisbewerking voor verzenden van scanbestanden per Pag.69 Een opgeslagen bestand verzenden 30
39 De URL per verzenden De URL per verzenden In deze paragraaf wordt uitgelegd hoe de URL van een gescand bestand per kan worden verzonden. Gebruik deze functie wanneer u als gevolg van netwerkbeperkingen geen bijlagen kunt verzenden per . A In [Scannereigenschappen] selecteert u [URL link verzenden] onder [ methode opgeslagen bestand]. Zie de Bedieningshandleiding Standaardinstellingen voor meer informatie over het opgeven van de instelling. B Ga terug naar het eerste scannerscherm en druk vervolgens op [Bestand opslaan] om [Verzenden & Opslaan] te selecteren. Wanneer u de URL wilt verzenden per , moet u [Verzenden & Opslaan] selecteren. C Druk op [OK]. D Geef de bestemming en andere benodigde instellingen op en verzend het bericht. Zie Basisbewerking voor verzenden van scanbestanden per voor meer informatie. Een zoals hieronder weergegeven, wordt naar de bestemming verzonden: 1 E Klik in de bestemming op de URL. Web Image Monitor wordt opgestart. 31
40 Scanbestanden per verzenden F Het bestand over het netwerk bekijken, verwijderen of downloaden met behulp van Web Image Monitor. 1 Opmerking Zie de Netwerkhandleiding voor meer informatie over de functies en instellingen van Web Image Monitor. Het is aan te bevelen dat u Web Image Monitor gebruikt in dezelfde netwerkomgeving. Afhankelijk van de omgeving is het mogelijk dat de browser niet start en dat u het bestand niet kunt bekijken, zelfs als u op de URL in het per verzonden bestand klikt. Als dit probleem zich voordoet, klikt u nogmaals op dezelfde URL of geeft u de URL handmatig op in de adresbalk van de browser. Wanneer u details wilt weergeven over de functies voor het beheren van opgeslagen bestanden met behulp van Web Image Monitor, klikt u op [Help] rechtsboven in elk venster van de webbrowser. U kunt de URL per verzenden en deze gelijktijdig via scan-to-folder verzenden. In dat geval wordt het bestand, niet de URL, naar de scan-tofolderbestemming verzonden. Verwijzing Pag.12 Basisbewerking voor verzenden van scanbestanden per 32
41 2. Scanbestanden verzenden via scan-to-folder Met behulp van de scan-to-folder functie kunt u scanbestanden over het netwerk naar gedeelde mappen, mappen op FTP-servers of NetWare-mappen verzenden. Vóór het verzenden van bestanden via scan-to-folder In deze paragraaf worden de voorbereidingen en de procedure voor het verzenden van bestanden via scan-to-folder uitgelegd. Scanbestanden verzenden via scan-to-folder In deze paragraaf wordt de functie voor het verzenden van scanbestanden via scan-to-folder uitgelegd. Bestanden naar gedeelde mappen verzenden ZZZ509S 1. Dit apparaat U kunt scanbestanden naar gedeelde netwerkmappen verzenden. Als u scanbestanden naar gedeelde netwerkmappen wilt verzenden, gebruikt u het SMB-protocol. 2. Computer met een gedeelde map Voor het gebruik van deze functie moet vooraf een gedeelde map worden gemaakt. U kunt een gedeelde map opgeven voor het opslaan van scanbestanden. 3. Cliëntcomputer U kunt ook bladeren in gescande bestanden die vanaf een clientcomputer naar een gedeelde map zijn opgeslagen. 33
42 Scanbestanden verzenden via scan-to-folder Bestanden naar een FTP-server verzenden 2 ZZZ510S 1. Dit apparaat U kunt scanbestanden naar mappen op FTP-servers verzenden. Als u scanbestanden naar mappen op FTP-servers wilt verzenden, gebruikt u het FTP-protocol. 2. FTP-server De FTP-server is een server die zorgt voor de overdracht van bestanden tussen computers op hetzelfde netwerk. Op deze server worden overgedragen bestanden opgeslagen. Het is belangrijk dat de FTP-server zich bevindt op het LAN/WAN waartoe dit apparaat behoort. Via een proxyserver kunt u geen toegang krijgen tot een FTP-server. 3. Cliëntcomputer U kunt ook bladeren in gescande bestanden die vanaf een clientcomputer naar een FTP-server zijn opgeslagen. U moet op de computer een FTP-clientprogramma hebben om verbinding met een FTPserver te kunnen maken. 34
43 Vóór het verzenden van bestanden via scan-to-folder Bestanden naar een NetWare-server verzenden 2 ZZZ511S 1. Dit apparaat U kunt scanbestanden naar NetWaremappen verzenden. Als u scanbestanden naar NetWare-mappen wilt verzenden, gebruikt u het NCP-protocol. 2. NetWare-server U kunt deze server gebruiken om bestanden via NetWare op het netwerk te delen. Door het verzenden van afbeeldingsgegevens naar de server, kunnen bestanden op de server worden opgeslagen. 3. Cliëntcomputer De bestanden kunnen alleen worden gedownload door computers waarop de NetWare-client is geïnstalleerd en die op de server zijn ingelogd. Voorbereiding voor het verzenden met scan-to-folder In deze paragraaf worden de voorbereidingen en instellingen voor het verzenden van scanbestanden via scan-to-folder uitgelegd. Belangrijk Bestanden kunnen naar gedeelde mappen op clientcomputers worden verzonden. Bestanden kunnen ook naar FTP-servers worden verzonden, mits deze op het netwerk aanwezig zijn. Bestanden kunnen ook naar NetWare-servers worden verzonden, mits deze op het netwerk aanwezig zijn. A Sluit het apparaat aan op het netwerk. Sluit het apparaat aan op het netwerk via een Ethernet-kabel of draadloos LAN (IEEE b). 35
44 Scanbestanden verzenden via scan-to-folder 2 B Geef de noodzakelijke netwerkinstellingen op in [Systeeminstellingen]. Als u het apparaat via een Ethernet-kabel heeft aangesloten op het netwerk, geeft u de volgende instellingen op. Zie de Bedieningshandleiding Standaardinstellingen voor meer informatie. Geef het IP-adres en het subnetmasker van het apparaat op. Geef het gateway-adres op. Schakel bij [Effectief protocol] [TCP/IP] in. Wanneer u bestanden wilt verzenden naar gedeelde mappen, schakelt u [SMB] in [Effectief protocol] in. Wanneer u bestanden wilt verzenden naar Net- Ware-mappen, schakelt u [NetWare] in [Effectief protocol] in. C Wijzig, indien nodig, instellingen in [Verzendinstellingen] onder [Scannereigenschappen]. Opmerking Wanneer u het apparaat op het netwerk wilt aansluiten via draadloos LAN (IEEE b), is een uitgebreide draadloos-lan-kaart vereist. Raadpleeg de Netwerkhandleiding voor meer informatie. De opties die in [Systeeminstellingen] moeten worden ingesteld, variëren afhankelijk van de netwerkomgeving. Zie de Bedieningshandleiding Standaardinstellingen voor meer informatie over netwerkinstellingen. Zie de Bedieningshandleiding Standaardinstellingen voor meer informatie over [Scannereigenschappen]. Het verzenden van bestanden met SMB is alleen mogelijk in een NetBiosvia-TCP/IP-omgeving. Het verzenden van bestanden met SMB is niet mogelijk in de NetBEUI-omgeving. Zelfs wanneer instellingen via het bedieningspaneel, Web Image Monitor, Telnet of andere methodes het gebruik van SMB en FTP niet toestaan, dan nog is het mogelijk om bestanden te verzenden. Bestemmingsmappen in het adresboek registreren U kunt de adressen van regelmatig gebruikte bestemmingsmappen in het adresboek registreren. Sla de mapadressen op in [Adresboekmanagement] onder [Beheerdertoepas.] in [Systeeminstellingen]. Deze adressen kunnen ook als groepen worden geregistreerd. Opmerking Zie de Bedieningshandleiding Standaardinstellingen voor meer informatie over het registreren van het adres van een bestemmingsmap in het adresboek. U kunt gegevens invoeren in het adresboek met Web Image Monitor of Smart- DeviceMonitor for Admin. Zie Netwerkhandleiding voor informatie over het installeren van SmartDeviceMonitor for Admin. Zie de Help van iedere toepassing voor informatie over het vastleggen van adressen. Afhankelijk van het soort apparaat kunt u mogelijk het apparaat niet gebruiken wanneer het adresboek aan het bijwerken is met CSV-bestanden (opgehaald met SmartDeviceMonitor for Admin) waarin gebruikerscodes staan. 36
45 Vóór het verzenden van bestanden via scan-to-folder Scan-to-folderscherm In deze paragraaf wordt de schermindeling voor het verzenden van scanbestanden via scan-to-folder uitgelegd. De weergegeven functieonderdelen fungeren als selectietoetsen. U kunt een onderdeel selecteren of opgeven door erop te drukken. Wanneer u een onderdeel op het displaypaneel selecteert of opgeeft, wordt het als volgt gemarkeerd: [ ]. Toetsen die niet kunnen worden geselecteerd, zien er zo uit: [ NL ] Bestemmingsveld De opgegeven bestemming wordt weergegeven. Als er meerdere bestemmingen zijn opgegeven, drukt u op [UVorige] of [TVolg.] om door de bestemmingen te bladeren. 2. [ ] /scan-to-folder Druk hierop om te schakelen tussen het scan-to-folder scherm en het scherm. Schakel ook naar het andere scherm over als u een bestand zowel per als via scan-to-folder verzendt. 3. Pictogram scan-to-folder ( ) Dit pictogram geeft aan dat het scan-tofolderscherm wordt weergegeven. 4. [Registratienr.] Druk hierop om een bestemming te specificeren met behulp van een registratienummer van vijf cijfers. 5. [Bestem. invoeren] Om bestemmingen op te geven die niet in het adresboek zijn geregistreerd, drukt u op deze knop. Het soft-toetsenbord wordt weergegeven waarop u het adres van de bestemmingsmap kunt invoeren. 6. [Bestandnaam/Type] Druk hierop om de namen en indelingen van de te verzenden bestanden op te geven. 7. [ ] Bestem.lijst veranderen/zoeken/ Veranderen van titel Druk hierop om een bestemming op de bezorgingsserverlijst te veranderen in een bestemmingslijst van dit apparaat om te zoeken naar een bestemming. 8. Bestemmingslijst De lijst met bestemmingen die op het apparaat zijn geregistreerd, wordt weergegeven. Als niet alle bestemmingen kunnen worden weergegeven, drukt u op [U] of [T] om naar een ander scherm over te schakelen. Groepsbestemmingen worden aangegeven met het symbool. 37
46 Scanbestanden verzenden via scan-to-folder Basisbewerkingen voor gebruik van scanto-folder 2 In deze paragraaf worden de basisbewerkingen uitgelegd bij het werken met scan-to-folder. A Zorg ervoor dat alle oude instellingen verwijderd worden. Wanneer een voorgaande instelling is behouden, drukt u op de toets {Instellingen verwijderen}. B Als het scherm voor de netwerkbezorgingsscanner of het scherm wordt geopend, schakelt u over naar het scan-to-folder scherm. Zie Overschakelen naar het scan-to-folder scherm voor meer informatie. C Plaats de originelen. D Druk indien nodig op [Scaninstellingen] om scannerinstellingen op te geven, zoals het scantype, de resolutie, de belichting of het scanformaat. Zie Verschillende scannerinstellingen voor meer informatie. E Druk indien nodig op [1-zijdig orig.] of [Dubbelz. orig.] om een of beide zijden van de originelen te scannen. Zie Scanzijden van originelen instellen voor meer informatie. F Druk indien nodig op [Origin. invoertype] om instellingen op te geven, zoals de richting van het origineel. Zie Invoertype origineel instellen voor meer informatie. G Druk indien noodzakelijk op [Bestandnaam/Type] om de instellingen op te geven, zoals de bestandsnaam en de bestandsgrootte. Zie Bestandstype en bestandsnaam instellen voor meer informatie. H Specificeer de bestemming. U kunt meerdere bestemmingen opgeven. Zie Scan-to-folder bestemmingen opgeven voor meer informatie. 38
47 Basisbewerkingen voor gebruik van scan-to-folder I Druk op de toets {Start}. Plaats de volgende originelen, als u batches scant. Opmerking Als u meerdere bestemmingen heeft geselecteerd, kunt u drukken op [UVorige] of [TVolg.] naast het bestemmingsveld om door de bestemmingen te bladeren. Wanneer u een geselecteerde bestemming wilt annuleren, drukt u op de toets [UVorige] of [TVolg.] om de bestemming weer te geven in het bestemmingsveld en drukt u vervolgens op de toets {Wis/Stop}. U kunt een in de bestemmingslijst geselecteerde bestemming annuleren door nogmaals op de geselecteerde bestemming te drukken. Wanneer u drukt op de toets {Instellingen controleren} voordat u drukt op de toets {Start}, schakelt het eerste scannerscherm over naar het scherm Instellingen controleren. Via het scherm Instellingen controleren kunt u instellingen controleren zoals bestemmingen. Zie Instellingen controleren voor meer informatie. Wanneer u het scannen wilt annuleren, drukt u op de toets {Wis/Stop} of op de toets [Stop] op het display. U kunt een bestand ook opslaan en gelijktijdig via scan-to-folder verzenden. Zie Gelijktijdig opslaan en verzenden via scan-to-folder voor meer informatie. 2 Verwijzing Pag.40 Overschakelen naar het scan-to-folder scherm Pag.99 Verschillende scannerinstellingen Pag.110 Scanzijden van originelen instellen Pag.112 Invoertype origineel instellen Pag.122 Bestandstype en bestandsnaam instellen Pag.41 Scan-to-folder bestemmingen opgeven Pag.3 Instellingen controleren Pag.55 Gelijktijdige opslag en verzending met scan-to-folder 39
48 Scanbestanden verzenden via scan-to-folder Overschakelen naar het scan-to-folder scherm 2 In deze paragraaf wordt uitgelegd hoe u naar het scan-to-folder scherm kunt overschakelen. Als het scherm wordt weergegeven, drukt u op [ ] om naar het scan-tofolderscherm over te schakelen. Als het scherm voor de netwerkbezorgingsscanner wordt weergegeven, schakelt u op de volgende manier over naar het scan-to-folderscherm. A Druk op [ ]. B Druk op [Bestem.lijst veranderen]. C Druk op [ ]. D Druk op [Afsluiten]. Het scherm of het scan-to-folderscherm wordt weergegeven. E Druk op [ ] wanneer het scherm wordt weergegeven. Het scan-to-folderscherm verschijnt. Opmerking U kunt niet vanuit het scherm voor de netwerkbezorgingsscanner overschakelen terwijl er bezorgingsbestemmingen worden opgegeven. Wanneer u een opgegeven bestemming wilt wissen, geeft u de bestemming weer in het bestemmingsveld van het scherm van de netwerkbezorgingsscanner en drukt u vervolgens op de toets {Wis/Stop}. 40
49 Scan-to-folder bestemmingen opgeven Scan-to-folder bestemmingen opgeven In deze paragraaf wordt uitgelegd hoe scan-to-folder bestemmingen kunnen worden opgegeven. U kunt op een van de volgende manieren een bestand via scan-to-folder verzenden: Een bestemming selecteren die in het adresboek van het apparaat is opgeslagen Een bestand verzenden naar een gedeelde netwerkmap Een bestand naar een FTP-server verzenden Bestanden naar een NetWare-server verzenden 2 De bestemming in het adresboek van het apparaat selecteren In deze paragraaf wordt uitgelegd hoe de bestemming in het adresboek van het apparaat kan worden geselecteerd. Belangrijk Om deze functie te kunnen gebruiken, moet u de bestemmingen vooraf invoeren in [Systeeminstellingen]. Zie de Bedieningshandleiding Standaardinstellingen voor meer informatie. U kunt op een van de volgende manieren een bestemming selecteren die in het adresboek van het apparaat is geselecteerd: De afzender selecteren in de bestemmingslijst Een bestemming selecteren door het registratienummer in te voeren Een bestemming selecteren die u in het adresboek van het apparaat heeft opgezocht Opmerking Wanneer u de beveiligingscode heeft opgegeven om toegang te krijgen tot het adresboek, wordt het scherm weergegeven waarin u de beveiligingscode kunt invoeren. Afhankelijk van de beveiligingsinstellingen worden bepaalde bestemmingen mogelijk niet weergegeven. 41
50 Scanbestanden verzenden via scan-to-folder Een bestemming selecteren in de bestemmingslijst 2 De afzender selecteren in de bestemmingslijst. A Druk in de bestemmingslijst op de toets met de bestemmingsnaam. De toets van de geselecteerde bestemming wordt gemarkeerd en de bestemming verschijnt in het bestemmingsveld bovenaan op het scherm. Als de gewenste bestemming niet wordt weergegeven, voert u één van de volgende stappen uit: Geef de bestemming weer door de eerste letter uit de titel te selecteren. Geef de bestemming weer door op [U] of [T] te drukken. Opmerking Afhankelijk van de beveiligingsinstellingen, worden sommige bestemmingen wellicht niet in de bestemmingslijst vermeld. Een bestemming selecteren door het registratienummer in te voeren Selecteer de bestemming in het adresboek van het apparaat met behulp van het registratienummer van de bestemming. A Druk op [Registratienr.]. B Gebruik de cijfertoetsen om het vijfcijferige registratienummer in te voeren dat aan elke bestemmingsmap is toegekend. Wanneer het ingevoerde nummer korter is dan 5 cijfers, drukt u na het laatste cijfer op de toets {q}. Voorbeeld: u wilt invoeren Druk op {4} en druk vervolgens op de toets {q}. 42
51 Scan-to-folder bestemmingen opgeven De bestemming in het adresboek van het apparaat opzoeken en vervolgens selecteren In deze paragraaf wordt uitgelegd hoe u de bestemming in het adresboek van het apparaat kunt zoeken en selecteren. A Druk op [ ]. 2 B Als u wilt zoeken op bestemmingsnaam, drukt u op [Zoek op bestem.naam]. Als u wilt zoeken op het pad, drukt u op [Zoeken op mapnaam]. Het soft-toetsenbord wordt weergegeven. U kunt ook zoeken door [Zoek op bestem.naam] en [Zoeken op mapnaam] te combineren. C Voer het begin van de bestemmingsnaam in. Als u wilt zoeken op pad, voert u het begin van het mappad in. Wanneer het mappad \\volume\map is, voert u \\volume\m in. D Druk op [OK]. E Selecteer de bestemmingsmap. F Druk op [Afsluiten]. 43
52 Scanbestanden verzenden via scan-to-folder Bestanden naar een gedeelde netwerkmap verzenden In deze paragraaf wordt uitgelegd hoe u de bestemming kunt opgeven bij het verzenden van bestanden naar een gedeelde netwerkmap. 2 Belangrijk U moet een gedeelde map vooraf op de clientcomputer maken. U kunt de gedeelde map maken onder Windows 98/Me/2000/XP, Windows NT 4.0, Windows Server 2003 en Mac OS X. Afhankelijk van het besturingssysteem op de clientcomputer is voor toegang tot de gedeelde map mogelijk verificatie vereist. U kunt op een van de volgende manieren een bestand over het netwerk naar een gedeelde map verzenden: Het pad naar de bestemming rechtstreeks opgeven Het pad specificeren door op het netwerk naar de bestemming te bladeren Het pad naar de bestemming handmatig invoeren U kunt het pad naar de bestemmingsmap handmatig invoeren. A Druk op [Bestem. invoeren]. B Druk op [SMB]. C Druk op [Handm. invoer] rechts van het padveld. Het soft-toetsenbord wordt weergegeven. D Voer het pad voor de map in. Als de mapnaam bijvoorbeeld gebruiker is en de computernaam desk01 : \\desk01\gebruiker. In plaats van de bestemming op te geven aan de hand van het pad, kunt u ook het desbetreffende IP-adres opgeven. Zie Naar map verzenden voor meer informatie over het maximum aantal tekens dat kan worden ingevoerd. E Druk op [OK]. 44
53 Scan-to-folder bestemmingen opgeven F Afhankelijk van de bestemmingsinstellingen, geeft u de gebruikersnaam op om u aan te melden op de clientcomputer. Druk op [Handm. invoer] rechts van het veld Gebruikersnaam om het soft-toetsenbord weer te geven. G Afhankelijk van de bestemmingsinstellingen, geeft u het wachtwoord op om u aan te melden op de clientcomputer. Druk op [Handm. invoer] bij [Wachtwoord] om het soft-toetsenbord weer te geven. H Druk op [Verbindingstest]. 2 Er wordt een verbindingstest uitgevoerd om te controleren of de opgegeven gedeelde map bestaat. I Controleer het resultaat van de verbindingstest en druk op [Afsluiten]. J Druk op [OK]. Opmerking Als voor toegang tot de map verificatie wordt vereist, verschijnt het inlogscherm. Voer de gebruikersnaam en het wachtwoord in. Als u het protocol wijzigt nadat u het pad, de gebruikersnaam of het wachtwoord heeft ingevoerd, verschijnt er een bevestigingsbericht. Namen van computers en gedeelde mappen die uit meer dan twaalf tekens bestaan, kunnen niet worden weergegeven. Als u het pad voor de map wilt wijzigen, drukt u op [Wijzigen] aan de linkerzijde van het bestemmingsveld. Voer het juiste pad voor de map in en druk vervolgens op [OK]. De verbindingstest kan enige tijd in beslag nemen. Het is tijdens een verbindingstest wellicht niet mogelijk op [Verbindingstest] te drukken direct nadat u op [Annuleren] heeft gedrukt. Zelfs als de verbindingstest is geslaagd, is het mogelijk dat het apparaat het bestand niet kan verzenden als u geen leesrechten heeft voor het bestand of als er onvoldoende ruimte beschikbaar is op de harde schijf. U kunt het pad naar de bestemming registreren in het adresboek van het apparaat. Zie Het pad naar de geselecteerde bestemming in het adresboek registreren voor meer informatie. Verwijzing Pag.142 Naar map verzenden Pag.54 Het pad naar de geselecteerde bestemming in het adresboek registreren 45
54 Scanbestanden verzenden via scan-to-folder Het pad specificeren door op het netwerk naar bestemmingen te bladeren 2 U kunt via computers op het netwerk bladeren om naar de bestemmingsmap te zoeken en vervolgens het pad opgeven. A Druk op [Bestem. invoeren]. B Druk op [SMB]. C Druk op [Blad. door netwerk]. De domeinen of werkgroepen op het netwerk worden weergegeven. D Selecteer het domein of de werkgroep waarin de bestemmingsmap zich bevindt. E Selecteer de clientcomputer waar de bestemmingsmap is. Als u de gezochte computer niet kunt vinden, drukt u op [1 Niveau omhoog] en bladert u door dat niveau. Als voor toegang tot de geselecteerde computer verificatie wordt vereist, verschijnt het verificatiescherm. Voer ter verificatie de gebruikersnaam en het wachtwoord in. 46
55 Scan-to-folder bestemmingen opgeven F Selecteer de bestemmingsmap. 2 Als de geselecteerde map submappen heeft, verschijnt het overzicht van de submappen. Druk op [1 Niveau omhoog] als u de bestemmingsmap niet kunt vinden en zoek vervolgens naar de map op dit niveau. G Druk tweemaal op [OK]. Opmerking Als voor toegang tot de map verificatie wordt vereist, verschijnt het inlogscherm. Voer de gebruikersnaam en het wachtwoord in. Als u het protocol wijzigt nadat u het pad, de gebruikersnaam of het wachtwoord heeft ingevoerd, verschijnt er een bevestigingsbericht. Namen van computers en gedeelde mappen die uit meer dan twaalf tekens bestaan, kunnen niet worden weergegeven. Er kunnen maximaal 100 computers of gedeelde mappen worden weergegeven. Het is mogelijk dat het apparaat het bestand niet kan verzenden als u geen leesrechten heeft voor de gedeelde map of als er onvoldoende ruimte beschikbaar is op de harde schijf. U kunt het pad naar de bestemming registreren in het adresboek van het apparaat. Zie Het pad naar de geselecteerde bestemming in het adresboek registreren voor meer informatie. Verwijzing Pag.54 Het pad naar de geselecteerde bestemming in het adresboek registreren 47
56 Scanbestanden verzenden via scan-to-folder Bestanden naar een FTP-server verzenden In deze paragraaf wordt uitgelegd hoe bestemmingen kunnen worden opgegeven bij het verzenden van bestanden naar een FTP-server. 2 Het pad naar een FTP-server handmatig invoeren U kunt het pad naar een FTP-server handmatig invoeren. A Druk op [Bestem. invoeren]. B Druk op [FTP]. C Druk op [Handm. invoer] rechts van het servernaamveld. Het soft-toetsenbord wordt weergegeven. D Voer een servernaam in. In plaats van de bestemming op te geven aan de hand van het pad, kunt u ook het desbetreffende IP-adres opgeven. E Druk op [OK]. F Druk op [Handm. invoer] rechts van het padveld. Het soft-toetsenbord wordt weergegeven. G Voer het pad voor de map in. Als de mapnaam bijvoorbeeld gebruiker is en de submapnaam lib : gebruiker\lib. Zie Naar map verzenden voor meer informatie over het maximum aantal tekens dat kan worden ingevoerd. H Druk op [OK]. 48
57 Scan-to-folder bestemmingen opgeven I Geef de gebruikersnaam op, in overeenstemming met de betreffende instelling op de bestemming. Druk op [Handm. invoer] rechts van het veld Gebruikersnaam om het soft-toetsenbord weer te geven. J Geef het wachtwoord op, in overeenstemming met de betreffende instelling op de bestemming. Druk op [Handm. invoer] bij [Wachtwoord] om het soft-toetsenbord weer te geven. K Als u het poortnummer wilt wijzigen dat in [Systeeminstellingen] is ingesteld, drukt u op [Wijzigen] aan de rechterkant van het poortnummerveld. Geef een poortnummer op met de cijfertoetsen en druk vervolgens op de toets {q}. L Druk op [Verbindingstest]. 2 Er wordt een verbindingstest uitgevoerd om te controleren of de opgegeven map bestaat. M Controleer het resultaat van de verbindingstest en druk op [Afsluiten]. N Druk op [OK]. Opmerking Als u het protocol wijzigt nadat u het pad, de gebruikersnaam of het wachtwoord heeft ingevoerd, verschijnt er een bevestigingsbericht. De verbindingstest kan enige tijd in beslag nemen. Het is tijdens een verbindingstest wellicht niet mogelijk op [Verbindingstest] te drukken direct nadat u op [Annuleren] heeft gedrukt. Als u het pad voor de map wilt wijzigen, drukt u op [Wijzigen] aan de linkerzijde van het bestemmingsveld. Voer het juiste pad voor de map in en druk vervolgens op [OK]. U kunt het pad naar de bestemming registreren in het adresboek van het apparaat. Zie Het pad naar de geselecteerde bestemming in het adresboek registreren voor meer informatie. Het is mogelijk dat het apparaat het bestand niet kan verzenden als u geen schrijfrechten heeft voor de map of als er onvoldoende ruimte beschikbaar is op de harde schijf. Verwijzing Pag.142 Naar map verzenden Pag.54 Het pad naar de geselecteerde bestemming in het adresboek registreren 49
58 Scanbestanden verzenden via scan-to-folder Bestanden naar een NetWare-server verzenden 2 In deze paragraaf wordt uitgelegd hoe bestemmingen kunnen worden opgegeven bij het verzenden van bestanden naar een NetWare-server. Afhankelijk van de NetWare-omgeving kan de NetWare-map van de bestemming worden opgegeven in een NDS-structuur of op een NetWare Bindery-server. Raadpleeg uw beheerder. U kunt op een van de volgende manieren een bestand naar een NetWare-server verzenden: Het bestemmingspad van de NetWare-server rechtstreeks opgeven. Het pad opgeven door te bladeren naar de bestemming op de NetWare-server. Het bestemmingspad van de NetWare-server rechtstreeks opgeven U kunt het bestemmingspad van de NetWare-server rechtstreeks opgeven. A Druk op [Bestem. invoeren]. B Druk op [NCP]. C Selecteer het verbindingstype. Druk op [NDS] om een map in de NDS-structuur op te geven. Druk op [Bindery] om de map op de NetWare Bindery-server op te geven. D Druk op [Handm. invoer] rechts van het padveld. Het soft-toetsenbord wordt weergegeven. 50
59 Scan-to-folder bestemmingen opgeven E Voer het pad voor de map in. Als u het verbindingstype instelt op [NDS], is structuur de naam van de NDS-structuur, context de naam van de context waarin het volume zich bevindt, volume de volumenaam en map de mapnaam. Het pad is derhalve \\structuur\volume.context\map. Wanneer u het verbindingstype instelt op [Bindery], is server de naam van de NetWare-server, volume de volumenaam en map de mapnaam. Het pad wordt dan \\server\volume\map. Zie Naar map verzenden voor meer informatie over het maximum aantal tekens dat kan worden ingevoerd. F Druk op [OK]. G Geef de gebruikersnaam op voor het inloggen in de NDS-structuur of op de NetWare Bindery-server. Druk op [Handm. invoer] rechts van het veld Gebruikersnaam. Het soft-toetsenbord wordt weergegeven. Wanneer u drukt op [NDS] bij [Verbindingstype], voert u de gebruikersnaam in en vervolgens de naam van de context die het gebruikersobject bevat. Wanneer de gebruikersnaam gebruiker is en de naam van de context is context, wordt de gebruikersnaam gebruiker.context. H Wanneer voor de ingelogde gebruiker een wachtwoord is vereist, moet u dat invoeren. Druk op [Handm. invoer] bij [Wachtwoord] om het soft-toetsenbord weer te geven. I Druk op [Verbindingstest]. Er wordt een verbindingstest uitgevoerd om te controleren of de opgegeven gedeelde map bestaat. J Controleer het resultaat van de verbindingstest en druk op [Afsluiten]. K Druk op [OK]. Opmerking Als u het protocol wijzigt nadat u het pad, de gebruikersnaam of het wachtwoord heeft ingevoerd, verschijnt er een bevestigingsbericht. Als u het pad voor de map wilt wijzigen, drukt u op [Wijzigen] aan de linkerzijde van het bestemmingsveld. Voer het juiste pad voor de map in en druk vervolgens op [OK]. U kunt alleen verbinding maken met mappen waarvoor u leesrechten heeft. De verbindingstest kan enige tijd in beslag nemen. Het is tijdens een verbindingstest wellicht niet mogelijk op [Verbindingstest] te drukken direct nadat u op [Annuleren] heeft gedrukt. Zelfs als de verbindingstest is geslaagd, is het mogelijk dat het apparaat het bestand niet kan verzenden als u geen leesrechten heeft voor het bestand of als er onvoldoende ruimte beschikbaar is op de harde schijf. U kunt het pad naar de bestemming registreren in het adresboek van het apparaat. Zie Het pad naar de geselecteerde bestemming in het adresboek registreren voor meer informatie. 2 51
60 Scanbestanden verzenden via scan-to-folder Verwijzing Pag.142 Naar map verzenden Pag.54 Het pad naar de geselecteerde bestemming in het adresboek registreren 2 Het pad opgeven door te bladeren naar de bestemming op de NetWare-server Geef het pad op door te bladeren naar de bestemmingsmap in een NDS-structuur of op een NetWare Bindery-server. A Druk op [Bestem. invoeren]. B Druk op [NCP]. C Selecteer het verbindingstype. Druk op [NDS] om een map in de NDS-structuur op te geven. Druk op [Bindery] om en map op de NetWare Bindery-server op te geven. D Druk op [Blad. door netwerk] rechts van het padnaamveld. Wanneer u [NDS] hebt geselecteerd onder [Verbindingstype], wordt de lijst met NDS-structuren weergegeven. Wanneer u [Bindery] hebt geselecteerd onder [Verbindingstype], wordt de lijst met NetWare Bindery-servers weergegeven. E Zoek de bestemmingsmap in de NDS-structuur of op de NetWare Binderyserver. Druk op [1 Niveau omhoog] als u de bestemmingsmap niet kunt vinden en zoek vervolgens naar de map op dit niveau. 52
61 Scan-to-folder bestemmingen opgeven F Selecteer de bestemmingsmap. G Druk tweemaal op [OK]. Opmerking Als u het protocol wijzigt nadat u het pad, de gebruikersnaam of het wachtwoord heeft ingevoerd, verschijnt er een bevestigingsbericht. Alleen de mappen waarvoor u de leesrechten heeft, worden weergegeven. Wanneer de taal die voor de NDS-structuur of de NetWare Bindery-server wordt gebruikt, afwijkt van de taal die wordt gebruikt op het apparaat, kunnen de bestandsnamen in de NDS-structuur of op de NetWare Bindery-server er verwarrend uitzien. Er kunnen maximaal 100 items worden weergegeven. Wanneer voor de geselecteerde NDS-structuur of NetWare Bindery-server verificatie is vereist, wordt een inlogscherm weergegeven. Geef de gebruikersnaam en het wachtwoord op voor het inloggen in de NDS-structuur of op de NetWare Bindery-server. Wanneer u zich aanmeldt bij de NDSstructuur, geeft u een gebruikersnaam op en vervolgens de naam van de context die het gebruikersobject bevat. Wanneer de gebruikersnaam gebruiker is en de naam van de context is context, wordt de gebruikersnaam gebruiker.context. Het is mogelijk dat het apparaat het bestand niet kan verzenden als u geen schrijfrechten heeft voor de map of als er onvoldoende ruimte beschikbaar is op de harde schijf. U kunt het pad naar de bestemming registreren in het adresboek van het apparaat. Zie Het pad naar de geselecteerde bestemming in het adresboek registreren voor meer informatie. 2 Verwijzing Pag.54 Het pad naar de geselecteerde bestemming in het adresboek registreren 53
62 Scanbestanden verzenden via scan-to-folder Het pad naar de geselecteerde bestemming in het adresboek registreren 2 In deze paragraaf wordt uitgelegd hoe mappaden kunnen worden geregistreerd die u handmatig heeft ingevoerd of die u heeft opgegeven door op het netwerk te bladeren naar het adresboek van het apparaat. A Geef de bestemming die u wilt registreren weer in het bestemmingsveld. B Druk op [Prog.Best.]. C Druk op [Namen] en geef vervolgens de naam en andere te registreren gegevens op. Zie de Bedieningshandleiding Standaardinstellingen voor meer informatie over het opgeven van te registreren gegevens. D Druk op [OK]. Opmerking [Prog.Best.] wordt mogelijk niet weergegeven, afhankelijk van de beveiligingsinstellingen. 54
63 Gelijktijdige opslag en verzending met scan-to-folder Gelijktijdige opslag en verzending met scan-to-folder In deze paragraaf wordt uitgelegd hoe een bestand kan worden opgeslagen en gelijktijdig via scan-to-folder kan worden verzonden. A Druk op [Bestand opslaan]. 2 B Druk op [Verzenden & Opslaan]. C Geef indien nodig gegevens op over het opgeslagen bestand, zoals [Gebruikersnaam], [Bestandsnaam] en [Wachtwoord]. Zie Bestandsinformatie opgeven voor een opgeslagen bestand voor meer informatie. D Druk op [OK]. E Geef de bestemming en andere benodigde instellingen op en verzend het bestand. Zie Basisbewerkingen voor gebruik van scan-to-folder voor meer informatie over het verzenden van een bestand via scan-to-folder. Opmerking Afhankelijk van de beveiligingsinstellingen, wordt [Toegangsprivileges] mogelijk weergegeven in plaats van [Gebruikersnaam]. Neem contact op met de beheerder voor meer informatie over het opgeven van [Toegangsprivileges]. U kunt opgeslagen bestanden opnieuw verzenden via scan-to-folder. Wanneer u opgeslagen bestanden opnieuw wilt verzenden, selecteert u de bestanden op het scherm voor het selecteren van opgeslagen bestanden en vervolgens verzendt u deze. Zie Een opgeslagen bestand verzenden voor meer informatie. 55
64 Scanbestanden verzenden via scan-to-folder Verwijzing Pag.61 Bestandsinformatie opgeven voor een opgeslagen bestand Pag.38 Basisbewerkingen voor gebruik van scan-to-folder Pag.69 Een opgeslagen bestand verzenden 2 56
65 3. Bestanden opslaan met de scanfunctie Met behulp van de scanfunctie kunt u scanbestanden op het apparaat opslaan en de opgeslagen bestanden vervolgens per of via scan-to-folder verzenden. Vóór het opslaan van bestanden Deze paragraaf bevat een beschrijving van de wijze waarop bestanden worden opgeslagen via de scannerfunctie en bevat de daaraan gerelateerde waarschuwingen. Beschrijving van opslaan van bestanden via de scannerfunctie In deze paragraaf wordt het opslaan van bestanden via de scannerfunctie beschreven. Belangrijk U kunt voor elk opgeslagen bestand een wachtwoord opgeven. Bestanden die niet met een wachtwoord zijn beveiligd, zijn voor andere gebruikers op hetzelfde lokale netwerk toegankelijk via DeskTopBinder. Het is aan te raden opgeslagen bestanden door middel van wachtwoorden tegen ongeautoriseerde toegang te beschermen. Het scanbestand dat op het apparaat is opgeslagen, kan verloren gaan in geval van storingen. Daarom raden we af belangrijke bestanden op de harde schijf op te slaan. De leverancier is niet verantwoordelijk voor enige schade als gevolg van het verlies van bestanden. Als u bestanden voor langere tijd wilt opslaan, raden we aan DeskTopBinder te gebruiken. Neem voor meer informatie contact op met uw plaatselijke dealer. 57
66 Bestanden opslaan met de scanfunctie 3 ZZZ512S 1. Dit apparaat U kunt scanbestanden opslaan op de harde schijf van het apparaat. De opgeslagen bestanden kunnen worden verzonden per , via scan-to-folder of via de netwerkbezorgingsscanner. 2. Clientcomputer Met behulp van DeskTopBinder kunt u op het apparaat opgeslagen bestanden over het netwerk bekijken, kopiëren of verwijderen. Met behulp van Web Image Monitor kunt u op het apparaat opgeslagen bestanden over het netwerk bekijken, downloaden of verwijderen. Voor meer informatie over DeskTopBinder Lite, zie de handleidingen bij DeskTopBinder Lite. Meer informatie over Web Image Monitor vindt u in de Help bij Web Image Monitor. Opmerking Opgeslagen bestanden worden na een ingestelde periode verwijderd. Zie de Bedieningshandleiding Standaardinstellingen voor meer informatie over het opgeven van de periode. Bestanden die onder de scannerfunctie worden opgeslagen, kunnen niet via het bedieningspaneel van het apparaat worden afgedrukt. Druk de bestanden vanaf een clientcomputer af nadat u deze op de computer heeft ontvangen. U kunt een bestand ook opslaan en dit gelijktijdig verzenden. Zie Gelijktijdig opslaan en verzenden per , Gelijktijdig opslaan en verzenden via scan-to-folder en Gelijktijdige opslag en bezorging voor meer informatie. Verwijzing Pag.30 Gelijktijdig opslaan en verzenden per Pag.55 Gelijktijdige opslag en verzending met scan-to-folder Pag.92 Gelijktijdige opslag en bezorging 58
67 Basisbewerking voor opslaan van scanbestanden Basisbewerking voor opslaan van scanbestanden In deze paragraaf wordt de basisbewerking voor het opslaan van scanbestanden beschreven. A Zorg ervoor dat alle oude instellingen verwijderd worden. Wanneer een voorgaande instelling is behouden, drukt u op de toets {Instellingen verwijderen}. B Plaats de originelen. C Druk indien nodig op [Scaninstellingen] om scannerinstellingen op te geven, zoals het scantype, de resolutie, de belichting of het scanformaat. Zie Verschillende scannerinstellingen voor meer informatie. D Druk indien nodig op [1-zijdig orig.] of [Dubbelz. orig.] om een of beide zijden van de originelen te scannen. Zie Scanzijden van originelen instellen voor meer informatie. E Druk indien nodig op [Origin. invoertype] om instellingen op te geven, zoals de richting van het origineel. Zie Invoertype origineel instellen voor meer informatie. F Druk op [Bestand opslaan]. 3 G Druk op [Alleen opslaan]. 59
68 Bestanden opslaan met de scanfunctie H Geef indien nodig gegevens op over het opgeslagen bestand, zoals [Gebruikersnaam], [Bestandsnaam] en [Wachtwoord]. Zie Bestandsinformatie opgeven voor een opgeslagen bestand voor meer informatie. I Druk op [OK]. J Druk op de toets {Start}. Plaats de volgende originelen, als u batches scant. 3 Opmerking Afhankelijk van de beveiligingsinstellingen, wordt [Toegangsprivileges] mogelijk weergegeven in plaats van [Gebruikersnaam]. Neem contact op met de beheerder voor meer informatie over het opgeven van [Toegangsprivileges]. Druk op [Verzenden & Opslaan] om scanbestanden op te slaan en gelijktijdig te verzenden. Zie Gelijktijdig opslaan en verzenden per , Gelijktijdig opslaan en verzenden via scan-to-folder en Gelijktijdige opslag en bezorging voor meer informatie. Als een bestemming of afzender is geselecteerd, kunt u niet op [Alleen opslaan] drukken. Wanneer u het scannen wilt annuleren, drukt u op de toets {Wis/Stop} of op de toets [Stop] op het display. Verwijzing Pag.99 Verschillende scannerinstellingen Pag.110 Scanzijden van originelen instellen Pag.112 Invoertype origineel instellen Pag.61 Bestandsinformatie opgeven voor een opgeslagen bestand Pag.30 Gelijktijdig opslaan en verzenden per Pag.55 Gelijktijdige opslag en verzending met scan-to-folder Pag.92 Gelijktijdige opslag en bezorging 60
69 Bestandsinformatie opgeven voor een opgeslagen bestand Bestandsinformatie opgeven voor een opgeslagen bestand U kunt gegevens voor een opgeslagen bestand opgeven, zoals de gebruikersnaam, de bestandsnaam en het wachtwoord. Door gegevens voor een opgeslagen bestand op te geven, kunt u op gebruikersnaam of bestandsnaam naar het bestand zoeken of het bestand beveiligen met een wachtwoord om te voorkomen dat anderen toegang tot het bestand krijgen. Een gebruikersnaam opgeven 3 U kunt voor het opgeslagen bestand een gebruikersnaam opgeven. A Druk op [Bestand opslaan]. Het scherm Bestand opslaan wordt geopend. B Druk op [Gebruikersnaam]. C Druk op de gebruikersnaam die u wilt specificeren. De hier getoonde gebruikersnamen zijn geregistreerd op het tabblad [Beheerdertoepas.] in [Systeeminstellingen]. Als u een naam wilt opgeven die hier niet wordt vermeld, drukt u op [Niet geprogrammeerde naam] en voert u vervolgens de gebruikersnaam in. D Druk tweemaal op [OK]. Opmerking Afhankelijk van de beveiligingsinstellingen, wordt [Toegangsprivileges] mogelijk weergegeven in plaats van [Gebruikersnaam]. Neem contact op met de beheerder voor meer informatie over het opgeven van [Toegangsprivileges]. 61
70 Bestanden opslaan met de scanfunctie Een bestandsnaam opgeven 3 In deze paragraaf wordt uitgelegd hoe de naam van een opgeslagen bestand kan worden gewijzigd. Aan een opgeslagen bestand wordt een naam toegewezen die begint met SCAN, gevolgd door een viercijferig nummer. Voorbeeld: SCAN0001 U kunt deze bestandsnaam wijzigen. A Druk op [Bestand opslaan]. Het scherm Bestand opslaan wordt geopend. B Druk op [Bestandsnaam]. Het soft-toetsenbord wordt weergegeven. C De bestandsnaam wijzigen. D Druk tweemaal op [OK]. Opmerking Zie Informatie over dit apparaat voor meer informatie over het invoeren van tekst. 62
71 Bestandsinformatie opgeven voor een opgeslagen bestand Een wachtwoord opgeven U kunt voor het opgeslagen bestand een wachtwoord opgeven. Belangrijk Vergeet het wachtwoord niet. Raadpleeg de beheerder van het apparaat indien u het vergeten bent. Door een wachtwoord op te geven, kunt u ervoor zorgen dat uitsluitend personen die het wachtwoord kennen, het bestand kunnen bekijken. A Druk op [Bestand opslaan]. 3 Het scherm Bestand opslaan wordt geopend. B Druk op [Wachtwoord]. C Voer met de cijfertoetsen een nummer bestaande uit vier tot acht cijfers in. D Druk op de toets {q}. Wanneer u het wachtwoord wilt wijzigen, drukt u op [Wijzigen], en voert u een nieuw wachtwoord in. E Voer ter bevestiging opnieuw hetzelfde wachtwoord in. F Druk op de toets {q}. Wanneer u het wachtwoord wilt wijzigen, drukt u op [Wijzigen], en voert u een nieuw wachtwoord in. G Druk tweemaal op [OK]. 63
72 Bestanden opslaan met de scanfunctie De lijst met opgeslagen bestanden weergeven In deze paragraaf wordt de lijst met opgeslagen bestanden beschreven. U kunt bestanden in de lijst met opgeslagen bestanden verwijderen of de bijbehorende bestandsgegevens wijzigen. Lijst met opgeslagen bestanden 3 In deze paragraaf wordt beschreven hoe de lijst met opgeslagen bestanden wordt weergegeven. Om de lijst met opgeslagen bestanden weer te geven, drukt u op [Select. opgesl. best.] op het eerste scannerscherm. De weergegeven functieonderdelen fungeren als selectietoetsen. U kunt een onderdeel selecteren of opgeven door erop te drukken. Wanneer u een onderdeel op het displaypaneel selecteert of opgeeft, wordt het als volgt gemarkeerd: [ ]. Toetsen NL die niet kunnen worden geselecteerd, zien er zo uit: [ ]. Gegevens weergeven over alle opgeslagen bestanden 64
73 De lijst met opgeslagen bestanden weergeven Gegevens weergeven over een geselecteerd opgeslagen bestand 1. Toetsen voor het zoeken naar bestanden Met deze toetsen schakelt u over naar de schermen voor het zoeken naar een bestand aan de hand van de gebruikersnaam of de bestandsnaam, of naar het scherm voor het weergeven van alle bestanden. 2. [Best. selec.]/[detail] Druk hierop om te schakelen tussen de lijst met opgeslagen bestanden en gedetailleerde informatie over het geselecteerde bestand. 3. Toetsen voor het sorteren van bestanden Met deze toetsen kunt u de bestanden sorteren op basis van het geselecteerde item. Selecteer hetzelfde item nogmaals, voor omgekeerd sorteren. De bestanden kunnen echter niet in omgekeerde verzendvolgorde worden gesorteerd. 4. Toetsen voor het wijzigen van bestandsgegevens Gebruik deze om het geselecteerde bestand te verwijderen of om de gebruikersnaam, de bestandsnaam of het wachtwoord te wijzigen. 5. Overzicht van opgeslagen bestanden Hiermee kunt u de lijst met opgeslagen bestanden weergeven. Wanneer het bestand niet wordt weergegeven, drukt u op [UVorige] of [TVolg.] om te bladeren door de lijst. 6. [Bestand beheren/verwijd.] Druk hierop om bewerkingen uit te voeren, zoals het verwijderen van opgeslagen bestanden of het wijzigen van bestandsgegevens. 7. [Verzenden] Druk hierop om opgeslagen bestanden te bezorgen. Zie Opgeslagen bestanden verzenden voor meer informatie. 8. Gegevens voor een geselecteerd opgeslagen bestand Druk op [Detail] om de gegevens weer te geven van een bestand nadat u dat hebt geselecteerd in de bestandslijst. Opmerking Afhankelijk van de beveiligingsinstellingen, worden sommige bestanden mogelijk niet in de lijst vermeld. De bestanden die worden opgeslagen door andere functies dan de scanner, kunnen worden weergegeven door te drukken op de toets {Document Server}. Bij bestanden die zijn beveiligd door een wachtwoord, wordt een sleutelsymbool ( ) weergegeven links van de gebruikersnaam. Verwijzing Pag.69 Opgeslagen bestanden verzenden 3 65
74 Bestanden opslaan met de scanfunctie Zoeken in de lijst met opgeslagen bestanden U kunt in de opgeslagen bestanden zoeken naar bestanden met behulp van de gebruikersnaam of de bestandsnaam. U kunt op een van de volgende manieren in de lijst met opgeslagen bestanden zoeken: Zoeken op gebruikersnaam Zoeken op bestandsnaam 3 Zoeken op gebruikersnaam U kunt naar een opgeslagen bestand zoeken via de gebruikersnaam van dat bestand. A Druk op [Select. opgesl. best.]. B Druk op [Zoeken op gebruik.naam]. C Selecteer de gebruikersnaam die u wilt gebruiken voor het zoeken. De hier getoonde gebruikersnamen zijn geregistreerd op het tabblad [Beheerdertoepas.] in [Systeeminstellingen]. Als u een gebruikersnaam wilt wijzigen die hier niet wordt vermeld, drukt u op [Niet geprogrammeerde naam] en voert u vervolgens de gebruikersnaam in. D Druk op [OK]. Als het zoeken begint, worden bestanden weergegeven die tot de desbetreffende gebruiker behoren. 66
75 De lijst met opgeslagen bestanden weergeven Zoeken op bestandsnaam U kunt naar een opgeslagen bestand zoeken via de bestandsnaam van dat bestand. A Druk op [Select. opgesl. best.]. 3 B Druk op [Zoeken op bestandsnaam]. Het soft-toetsenbord wordt weergegeven. C Voer de bestandsnaam in. U moet onderscheid maken tussen hoofdletters en kleine letters. Zie Informatie over dit apparaat voor meer informatie over het invoeren van tekens. D Druk op [OK]. De zoekbewerking wordt gestart en bestanden waarvan de naam begint met de opgegeven reeks worden weergegeven. 67
76 Bestanden opslaan met de scanfunctie Opgeslagen bestanden controleren vanaf een clientcomputer 3 In deze paragraaf wordt uitgelegd hoe een opgeslagen bestand kan worden gecontroleerd vanaf de clientcomputer. Met behulp van DeskTopBinder Lite of Web Image Monitor kunt u tevens de bestanden die zijn opgeslagen op het apparaat weergeven op een clientcomputer. U kunt ook bestanden controleren die zijn opgeslagen met de kopieerfunctie, Document Server of de printerfunctie. Belangrijk Wanneer u opgeslagen bestanden wilt bekijken vanaf een clientcomputer, moet het IP-adres van het apparaat worden opgegeven. DeskTopBinder Lite gebruiken om opgeslagen bestanden weer te geven De opgeslagen bestanden worden weergegeven en kunnen ook op een clientcomputer worden gecontroleerd met behulp van DeskTopBinder Lite. U kunt de opgeslagen bestanden ook overbrengen naar de clientcomputer. Opmerking Zie de DeskTopBinder-handleidingen voor meer informatie over DeskTopBinder. Zie DeskTopBinder Lite installeren vanaf de bijgeleverde CD-rom voor meer informatie over het installeren van DeskTopBinder Lite. Verwijzing Pag.79 DeskTopBinder Lite installeren vanaf de bijgeleverde CD-rom Web Image Monitor gebruiken voor het weergeven van opgeslagen bestanden De opgeslagen bestanden worden weergegeven en kunnen ook op een clientcomputer worden gecontroleerd met behulp van Web Image Monitor. U kunt de opgeslagen bestanden ook downloaden. Wanneer u (IP-adres apparaat)/ typt op de adresregel van de webbrowser op een clientcomputer, wordt de bovenste pagina van Web Image Monitor weergegeven. Opmerking Het is aan te bevelen Web Image Monitor uitsluitend binnen uw lokale netwerk te gebruiken. Raadpleeg de Kopieer-/Document Server-handleiding voor meer informatie over het weergeven of downloaden van opgeslagen bestanden met Web Image Monitor. Meer informatie over het opgeven van instellingen met Web Image Monitor kunt u vinden in de Netwerkhandleiding. Klik voor meer informatie over het beheren van opgeslagen bestanden met Web Image Monitor op [Help] in de rechterbovenhoek van het geopende scherm. 68
77 Een opgeslagen bestand verzenden Een opgeslagen bestand verzenden In deze paragraaf wordt uitgelegd hoe een opgeslagen bestand kan worden verzonden. Opgeslagen bestanden kunnen worden verzonden per , via scan-to-folder of via de netwerkbezorgingsscanner. Opmerking Opgeslagen bestanden kunnen op twee manieren worden verzonden. Instellingen die zijn opgegeven bij [Scannereigenschappen] bepalen welke methode wordt gebruikt. Zie de Bedieningshandleiding Standaardinstellingen voor meer informatie. De URL per verzenden: Selecteer bij [Scannereigenschappen], [ methode opgeslagen bestand] [URL link verzenden]. Deze methode is handig wanneer uw als gevolg van netwerkbeperkingen geen bijlagen kunt verzenden. Een bijlage per verzenden: Selecteer bij [Scannereigenschappen], [ methode opgeslagen bestand] [Bestand verzenden]. 3 Opgeslagen bestanden verzenden In deze paragraaf wordt met name uitgelegd hoe u te verzenden bestanden kunt selecteren. A Druk op [Select. opgesl. best.]. De lijst met opgeslagen bestanden wordt weergegeven. B Selecteer het bestand dat u wilt verzenden. U kunt meerdere bestanden selecteren. Wanneer u meerdere bestanden selecteert, worden de bestanden in de volgorde van selectie verzonden. Wanneer u drukt op [Selectie weerg.], worden de geselecteerde bestanden weergegeven in de volgorde waarop ze worden verzonden. 69
78 Bestanden opslaan met de scanfunctie 3 C Druk op [OK]. D Schakel indien nodig naar het scherm, scan-to-folderscherm of het netwerkbezorgingsscannerscherm. Zie Schakelen naar het scherm, Schakelen naar het scan-to-folderscherm, of Schakelen naar het netwerkbezorgingsscannerscherm voor meer informatie over het schakelen naar een scherm. E Geef de bestemming en andere benodigde instellingen op. Zie Basisbewerking voor verzenden van bestanden per , Basisbewerkingen voor gebruik van scan-to-folder of Basisbewerking voor bezorgen van bestanden. F Druk op de toets {Start}. Het opgeslagen bestand wordt verzonden. Opmerking Wanneer u een opgeslagen bestand met wachtwoordbeveiliging selecteert, wordt het scherm voor het invoeren van een wachtwoord weergegeven. Om het bestand te selecteren, voert u het juiste wachtwoord in en drukt u vervolgens op [OK]. Wanneer de URL is verzonden per , kan de ontvanger het opgeslagen bestand controleren door te klikken op die URL. Zie De URL per verzenden voor meer informatie. Verwijzing Pag.15 Overschakelen naar het scherm Pag.40 Overschakelen naar het scan-to-folder scherm Pag.84 Overschakelen naar het scherm voor de netwerkbezorgingsscanner Pag.12 Basisbewerking voor verzenden van scanbestanden per Pag.38 Basisbewerkingen voor gebruik van scan-to-folder Pag.81 Basisbewerking voor bezorgen van bestanden Pag.31 De URL per verzenden 70
79 Opgeslagen bestanden beheren Opgeslagen bestanden beheren In deze paragraaf wordt uitgelegd hoe opgeslagen bestanden kunnen worden verwijderd en hoe gegevens voor opgeslagen bestanden kunnen worden gewijzigd. Een opgeslagen bestand verwijderen In deze paragraaf wordt uitgelegd hoe een opgeslagen bestand kan worden verwijderd. A Druk op [Select. opgesl. best.]. 3 De lijst met opgeslagen bestanden wordt weergegeven. B Druk op [Bestand beheren/verwijd.]. C Selecteer het bestand dat u wilt verwijderen. Wanneer u een opgeslagen bestand met wachtwoordbeveiliging selecteert, wordt het scherm voor het invoeren van een wachtwoord weergegeven. Om het bestand te selecteren, voert u het juiste wachtwoord in en drukt u vervolgens op [OK]. D Druk op [Bestand verwijd.]. Er wordt een bericht weergegeven waarin wordt bevestigd dat het bestand is verwijderd. E Druk op [Verwijderen]. 71
80 Bestanden opslaan met de scanfunctie F Druk op [Afsluiten]. Opmerking U kunt geen bestanden verwijderen die wachten op verzending. U kunt op het apparaat opgeslagen bestanden ook verwijderen door vanaf een clientcomputer naar het apparaat te gaan met behulp van Web Image Monitor of DeskTopBinder. Meer informatie over Web Image Monitor vindt u in de Help bij Web Image Monitor. Zie de handleidingen bij Desk- TopBinder voor meer informatie over DeskTopBinder. 3 Gegevens voor een opgeslagen bestand wijzigen U kunt gegevens voor een opgeslagen bestand wijzigen, zoals [Gebruikersnaam], [Bestandsnaam] en [Wachtwoord]. Opmerking Gegevens voor bestanden die wachten op verzending, kunnen niet worden gewijzigd. Een gebruikersnaam wijzigen U kunt voor een opgeslagen bestand de gebruikersnaam wijzigen. A Druk op [Select. opgesl. best.]. De lijst met opgeslagen bestanden wordt weergegeven. B Druk op [Bestand beheren/verwijd.]. C Selecteer het bestand dat de bestandsinformatie bevat die u wilt wijzigen. Wanneer u een opgeslagen bestand met wachtwoordbeveiliging selecteert, wordt het scherm voor het invoeren van een wachtwoord weergegeven. Om het bestand te selecteren, voert u het juiste wachtwoord in en drukt u vervolgens op [OK]. 72
81 Opgeslagen bestanden beheren D Druk op [Gebr.naam wijzigen]. E Geef een nieuwe gebruikersnaam op. 3 De hier getoonde gebruikersnamen zijn geregistreerd op het tabblad [Beheerdertoepas.] in [Systeeminstellingen]. Als u een gebruikersnaam wilt wijzigen die hier niet wordt vermeld, drukt u op [Niet geprogrammeerde naam] en voert u vervolgens de gebruikersnaam in. F Druk op [OK]. G Controleer of de gebruikersnaam correct is gewijzigd en druk vervolgens op [Afsluiten]. Opmerking Met behulp van Web Image Monitor of DeskTopBinder kunt u ook de gebruikersnaam van een op het apparaat opgeslagen bestand wijzigen vanaf de clientcomputer. Meer informatie over Web Image Monitor vindt u in de Help bij Web Image Monitor. Zie de handleidingen bij DeskTopBinder voor meer informatie over DeskTopBinder. Afhankelijk van de beveiligingsinstellingen, wordt [Wijz. toeg.privil.] mogelijk weergegeven in plaats van [Gebr.naam wijzigen]. Neem contact op met de beheerder voor meer informatie over het opgeven van [Wijz. toeg.privil.]. 73
82 Bestanden opslaan met de scanfunctie Een bestandsnaam wijzigen U kunt de bestandsnaam van een opgeslagen bestand wijzigen. A Druk op [Select. opgesl. best.]. 3 De lijst met opgeslagen bestanden wordt weergegeven. B Druk op [Bestand beheren/verwijd.]. C Selecteer het bestand dat de bestandsinformatie bevat die u wilt wijzigen. Wanneer u een opgeslagen bestand met wachtwoordbeveiliging selecteert, wordt het scherm voor het invoeren van een wachtwoord weergegeven. Om het bestand te selecteren, voert u het juiste wachtwoord in en drukt u vervolgens op [OK]. D Druk op [Best.naam wijzigen]. E De bestandsnaam wijzigen. Zie Informatie over dit apparaat voor meer informatie over het invoeren van tekens. F Druk op [OK]. G Pas de bestandsinformatie aan en druk op [Afsluiten]. Opmerking Met behulp van Web Image Monitor of DeskTopBinder kunt u ook de naam van een op het apparaat opgeslagen bestand wijzigen vanaf de clientcomputer. Meer informatie over Web Image Monitor vindt u in de Help bij Web Image Monitor. Zie de handleidingen bij DeskTopBinder voor meer informatie over DeskTopBinder. 74
83 Opgeslagen bestanden beheren Een wachtwoord wijzigen Geef het wachtwoord op om toegang tot het opgeslagen bestand te krijgen. Belangrijk Zorg dat u het wachtwoord niet vergeet. Raadpleeg de beheerder van het apparaat indien u het vergeten bent. A Druk op [Select. opgesl. best.]. 3 De lijst met opgeslagen bestanden wordt weergegeven. B Druk op [Bestand beheren/verwijd.]. C Selecteer het bestand dat de bestandsinformatie bevat die u wilt wijzigen. Wanneer u een opgeslagen bestand met wachtwoordbeveiliging selecteert, wordt het scherm voor het invoeren van een wachtwoord weergegeven. Om het bestand te selecteren, voert u het juiste wachtwoord in en drukt u vervolgens op [OK]. D Druk op [Wachtwoord wijz.]. E Voer met de cijfertoetsen een nieuw nummer in dat uit vier tot acht cijfers bestaat. F Druk op de toets {q}. Wanneer u het wachtwoord wilt wijzigen, drukt u op [Wijzigen], en voert u een nieuw wachtwoord in. G Voer ter bevestiging opnieuw hetzelfde wachtwoord in. 75
84 Bestanden opslaan met de scanfunctie 3 H Druk op de toets {q}. Wanneer u het wachtwoord wilt wijzigen, drukt u op [Wijzigen], en voert u een nieuw wachtwoord in. I Druk op [OK]. J Druk op [Afsluiten]. Opmerking Met behulp van Web Image Monitor of DeskTopBinder kunt u ook het wachtwoord van een op het apparaat opgeslagen bestand wijzigen vanaf de clientcomputer. Meer informatie over Web Image Monitor vindt u in de Help bij Web Image Monitor. Zie de handleidingen bij DeskTopBinder voor meer informatie over DeskTopBinder. 76
85 4. Scanbestanden bezorgen Met behulp van de ScanRouter-software kunt u op verschillende manieren scanbestanden bezorgen die door het apparaat zijn gemaakt. Vóór het bezorgen van bestanden In deze paragraaf worden de noodzakelijke voorbereidingen en de procedure voor het gebruik van de netwerkbezorgingsscanner beschreven. Belangrijk Voor het gebruik van de netwerkbezorgingsscannerfunctie heeft u een bezorgingsserver nodig waarop de optionele ScanRouter-software is geïnstalleerd. U moet tevens gegevens over bestemmingen en afzenders registreren op de bezorgingsserver. Beschrijving van bezorgen van scanbestanden In deze paragraaf wordt de functie voor het bezorgen van bestanden met behulp van de netwerkbezorgingsscanner beschreven. ZZZ513S 1. Dit apparaat U kunt scanbestanden naar de bezorgingsserver verzenden. 2. Bezorgingsserver Installeer de ScanRouter-software op deze computer om deze als bezorgingsserver te gebruiken. Na ontvangst van een scanbestand bezorgt de bezorgingsserver het bestand volgens de instellingen die voor de bestemming zijn opgegeven. De bezorgingsinstellingen zijn als volgt: Het bestand opslaan in een in-lade Het bestand bezorgen per Het bestand opslaan in een geselecteerde map Voor meer informatie over de ScanRouter-software, zie de handleidingen bij de ScanRouter-software. 77
86 Scanbestanden bezorgen 3. Clientcomputer Hoe een bestand vanaf de clientcomputer moet worden gecontroleerd, hangt af van de bezorgingsmethode. U kunt een bestand bijvoorbeeld op een van de volgende manieren controleren: DeskTopBinder gebruiken om een in de in-lade bezorgd bestand te bekijken; software gebruiken om een e- mailbericht met bijgevoegd bestand te ontvangen; In een map naar een opgeslagen bestand bladeren. Bezorgen van een bestand voorbereiden In deze paragraaf worden de voorbereidingen en instellingen voor het bezorgen van scanbestanden uitgelegd. 4 Belangrijk Voor het gebruik van de netwerkbezorgingsscannerfunctie heeft u een bezorgingsserver nodig waarop de optionele ScanRouter-software is geïnstalleerd. Voor meer informatie over de ScanRouter-software, zie de handleidingen bij de ScanRouter-software. Om bestanden die in een in-lade zijn bezorgd te kunnen bekijken, moet DeskTopBinder op de clientcomputer zijn geïnstalleerd. A Sluit het apparaat aan op het netwerk. Sluit het apparaat aan op het netwerk via een Ethernet-kabel of draadloos LAN (IEEE b). B Geef de noodzakelijke netwerkinstellingen op in [Systeeminstellingen]. Als u het apparaat via een Ethernet-kabel heeft aangesloten op het netwerk, geeft u de volgende instellingen op. Zie de Bedieningshandleiding Standaardinstellingen voor meer informatie. Geef het IP-adres en het subnetmasker van het apparaat op. Schakel bij [Effectief protocol] [TCP/IP] in. Stel [Bezorgingsoptie] in op [Aan]. C Wijzig, indien nodig, instellingen in [Verzendinstellingen] onder [Scannereigenschappen]. D Registreer dit apparaat met behulp van de ScanRouter-software als een I/O apparaat. Registreer daarnaast bestemmingen en geef instellingen op, zoals het bezorgingstype en de afzender. Zie de handleiding bij de ScanRouter-software. Opmerking Wanneer u het apparaat op het netwerk wilt aansluiten via draadloos LAN (IEEE b), is een uitgebreide draadloos-lan-kaart vereist. Raadpleeg de Netwerkhandleiding voor meer informatie. De opties die in [Systeeminstellingen] moeten worden ingesteld, variëren afhankelijk van de netwerkomgeving. Zie de Bedieningshandleiding Standaardinstellingen voor meer informatie over de netwerkinstellingen. Zie DeskTopBinder Lite installeren vanaf de bijgeleverde CD-rom voor meer informatie over het installeren van DeskTopBinder Lite. 78
87 Vóór het bezorgen van bestanden Verwijzing Pag.79 DeskTopBinder Lite installeren vanaf de bijgeleverde CD-rom DeskTopBinder Lite installeren vanaf de bijgeleverde CD-rom In deze paragraaf wordt uitgelegd hoe DeskTopBinder Lite op een clientcomputer kan worden geïnstalleerd vanaf de bijgeleverde CD-rom Scanner Driver and Utilities of Scanner Driver/Font Manager and Utilities. Om bestanden te kunnen bekijken of ontvangen die in de in-laden worden bezorgd, moet u DeskTopBinder Lite op de clientcomputer installeren. A Zorg dat Windows op de clientcomputer draait en plaats vervolgens de CDrom Scanner Driver and Utilities of Scanner Driver/Font Manager and Utilities in het CD-romstation. De installatie wordt automatisch gestart. B Klik op [DeskTopBinder Lite]. Het dialoogvenster [DeskTopBinder Lite Installatie] wordt geopend. Raadpleeg de Installatiehandleiding die vanuit het dialoogvenster [DeskTop- Binder Lite Installatie] wordt weergegeven voor meer informatie over de daaropvolgende installatieprocedure. 4 Opmerking Controleer de systeemvereisten voor de DeskTopBinder Lite voordat u met installeren gaat beginnen. Zie Software meegeleverd op CD-rom voor meer informatie. U kunt de software installeren met behulp van het programma Auto Run. Zie Het programma Auto Run voor meer informatie over het programma Auto Run. Zie Het programma Auto Run wanneer de installatie niet automatisch start. Verwijzing Pag.138 Software meegeleverd op CD-rom Pag.138 Programma Auto Run 79
88 Scanbestanden bezorgen Scherm voor netwerkbezorgingsscanner In deze paragraaf wordt de schermindeling beschreven bij het gebruik van de netwerkbezorgingsscanner. De weergegeven functieonderdelen fungeren als selectietoetsen. U kunt een onderdeel selecteren of opgeven door erop te drukken. Wanneer u een onderdeel op het displaypaneel selecteert of opgeeft, wordt het als volgt gemarkeerd: [ ]. NL Toetsen die niet kunnen worden geselecteerd, zien er zo uit: [ ] Pictogram netwerkbezorgingsscanner ( ) Dit pictogram geeft aan dat het scherm van de netwerkbezorgingsscanner is geopend. 2. Bestemmingsveld Hier wordt de geselecteerde bestemming weergegeven. Wanneer meerdere bestemmingen zijn geselecteerd, worden deze weergegeven in de volgorde waarop ze zijn geselecteerd door te drukken op [UVorige] of [TVolg.]. 3. [Registratienr.] Selecteer een bestemming door de korte ID in te voeren (geregistreerd met behulp van de ScanRouter-software). 4. [Handm. invoer] Als u via de bezorgingsserver een bestand per wilt verzenden naar een bestemming die niet in de bestemmingslijst van de bezorgingsserver is opgeslagen, drukt u op deze toets om het soft-toetsenbord weer te geven. Gebruik vervolgens dit toetsenbord om het e- mailadres op te geven. Meer informatie over het verzenden van een bestand per via de bezorgingsserver vindt u in de handleidingen bij de ScanRouter-software. 5. [Naam afzender bijv.] [Ontvangstbevestiging] [Onderwerp bijvoegen] Geef de afzender en het onderwerp op wanneer u een bestand verzendt per via de bezorgingsserver. U kunt ook aangeven of moet worden gecontroleerd of het bestand is geopend op de bestemming. 6. [ ] Bestem.lijst veranderen/zoeken Druk hierop om een bestemmingslijst van dit apparaat te veranderen in de bezorgingsserverlijst om te zoeken naar een bestemming. 7. Bestemmingenoverzicht De lijst met bestemmingen die op de bezorgingsserver zijn geregistreerd, wordt weergegeven. Als niet alle bestemmingen kunnen worden weergegeven, drukt u op [U] of [T] om naar een ander scherm over te schakelen. Groepsbestemmingen worden aangegeven met het symbool. 80
89 Basisbewerking voor bezorgen van bestanden Basisbewerking voor bezorgen van bestanden In deze paragraaf wordt de basisbewerking voor het bezorgen van scanbestanden met behulp van de netwerkbezorgingsscanner beschreven. Belangrijk U moet bestemmingen en afzenders vooraf registreren met behulp van de Scan- Router-software die op de bezorgingsserver is geïnstalleerd. A Zorg ervoor dat alle oude instellingen verwijderd worden. Wanneer een voorgaande instelling is behouden, drukt u op de toets {Instellingen verwijderen}. B Als het scherm of scan-to-folderscherm wordt geopend, schakelt u over naar het scherm voor de netwerkbezorgingsscanner. Zie Overschakelen naar het scherm voor de netwerkbezorgingsscanner voor meer informatie. C Plaats de originelen. D Druk indien nodig op [Scaninstellingen] om scannerinstellingen op te geven, zoals het scantype, de resolutie, de belichting of het scanformaat. Zie Verschillende scannerinstellingen voor meer informatie. 4 E Druk indien nodig op [1-zijdig orig.] of [Dubbelz. orig.] om een of beide zijden van de originelen te scannen. Zie Scanzijden van originelen instellen voor meer informatie. F Druk indien nodig op [Origin. invoertype] om instellingen op te geven, zoals de richting van het origineel. Zie Invoertype origineel instellen voor meer informatie. G Specificeer de bestemming. U kunt meerdere bestemmingen opgeven. Zie Bezorgingsbestemmingen opgeven voor meer informatie. H Druk indien noodzakelijk op [Naam afzender bijv.] om de afzender op te geven. Zie De afzender opgeven voor meer informatie. 81
90 Scanbestanden bezorgen I Geef indien nodig het onderwerp op. Zie Het onderwerp van de te verzenden via de bezorgingsserver opgeven voor meer informatie. J Druk op de toets {Start}. Plaats de volgende originelen, als u batches scant. 4 Opmerking Als u op [Handm. invoer] drukt op het scherm van de netwerkbezorgingsserver, kunt u een bestand per naar het netwerk van de bezorgingsserver verzenden. Zie Een adres handmatig invoeren voor meer informatie over het rechtstreeks invoeren van het adres. Als u meerdere bestemmingen heeft geselecteerd, kunt u drukken op [UVorige] of [TVolg.] naast het bestemmingsveld om door de bestemmingen te bladeren. Wanneer u een geselecteerde bestemming wilt annuleren, geeft u de bestemming weer in het bestemmingsveld en drukt u vervolgens op de toets {Wis/Stop}. U kunt een in de bestemmingslijst geselecteerde bestemming annuleren door nogmaals op de geselecteerde bestemming te drukken. U kunt de functie Ontvangstbevestiging gebruiken bij het verzenden van berichten via de bezorgingsserver. Er wordt een bericht verzonden naar de afzender die is geselecteerd in stap H, waarbij hij of zij de melding krijgt dat de ontvanger het bericht heeft gelezen. Om deze instelling op te geven, drukt u op [Ontvangstbevestiging]. Wanneer u de functie Ontvangstbevestiging wilt inschakelen, moet u de instellingen in de ScanRouter-software voor het verzenden van berichten via SMTP opgeven. Meer informatie over het opgeven van deze instelling vindt u in de handleiding van de ScanRouter-software. Wanneer de software die op de bestemming wordt gebruikt Message Disposition Notification (MDN) niet ondersteunt, wordt de ontvangstbevestiging van het bericht mogelijk niet verzonden. Registreer vooraf het adres van de afzender met behulp van de Scan- Router-software. Wanneer u drukt op de toets {Instellingen controleren} voordat u drukt op de toets {Start}, schakelt het eerste scannerscherm over naar het scherm Instellingen controleren. Via het scherm Instellingen controleren kunt u instellingen controleren zoals bestemmingen. Zie Instellingen controleren voor meer informatie. Wanneer u het scannen wilt annuleren, drukt u op de toets {Wis/Stop} of op de toets [Stop] op het display. U kunt een scanbestand ook opslaan en dit gelijktijdig bezorgen. Zie Gelijktijdige opslag en bezorging voor meer informatie. 82
91 Basisbewerking voor bezorgen van bestanden Verwijzing Pag.84 Overschakelen naar het scherm voor de netwerkbezorgingsscanner Pag.99 Verschillende scannerinstellingen Pag.110 Scanzijden van originelen instellen Pag.112 Invoertype origineel instellen Pag.85 Bezorgingsbestemmingen opgeven Pag.88 De afzender opgeven Pag.91 Het onderwerp van de te verzenden via de bezorgingsserver opgeven Pag.19 Een adres handmatig invoeren Pag.3 Instellingen controleren Pag.92 Gelijktijdige opslag en bezorging 4 83
92 Scanbestanden bezorgen Overschakelen naar het scherm voor de netwerkbezorgingsscanner In deze paragraaf wordt uitgelegd hoe u naar het scherm voor de netwerkbezorgingsscanner kunt overschakelen. Als het scherm of scan-to-folderscherm wordt weergegeven, schakelt u over naar het scherm voor de netwerkbezorgingsscanner. A Druk op [ ]. B Druk op [Bestem.lijst veranderen]. 4 C Druk op [Bezorgingsserver]. D Druk op [Afsluiten]. Het scherm Netwerkbezorgingsscanner wordt geopend. Opmerking U kunt niet van het scherm of scan-to-folder scherm overschakelen terwijl bestemmingen of afzenders worden opgegeven. Wanneer u een opgegeven bestemming wilt wissen, geeft u de bestemming weer in het bestemmingsveld van het scherm of het scan-to-folderscherm en drukt u vervolgens op de toets {Wis/Stop}. 84
93 Bezorgingsbestemmingen opgeven Bezorgingsbestemmingen opgeven In deze paragraaf wordt uitgelegd hoe bezorgingsbestemmingen kunnen worden opgegeven. Bestemmingen selecteren die in de bestemmingslijst van de bezorgingsserver zijn geregistreerd In deze paragraaf wordt uitgelegd hoe bestemmingen kunnen worden geselecteerd die zijn geregistreerd in de bestemmingslijst van de bezorgingsserver. U kunt op een van de volgende manieren een bezorgingsbestemming selecteren die in de bestemmingslijst van de bezorgingsserver is geregistreerd: De afzender selecteren in de lijst met bezorgingsbestemmingen Een bestemming selecteren door het registratienummer in te voeren De bestemming selecteren die in de bezorgingsserver wordt opgezocht Opmerking Afhankelijk van de beveiligingsinstellingen worden bepaalde bestemmingen mogelijk niet weergegeven. 4 Een bestemming selecteren in de bestemmingslijst Selecteer een bestemming in de bestemmingslijst. A Druk in de bestemmingslijst op de toets met de bestemmingsnaam. De geselecteerde bestemming wordt gemarkeerd en verschijnt in het bestemmingsveld boven aan het scherm. Bestemmingen worden in de bezorgingsserver onder bijschriften geregistreerd. De bestemmingslijst wordt automatisch bijgewerkt. Als de gewenste bestemming niet wordt weergegeven, voert u één van de volgende stappen uit: Geef de bestemming weer door de eerste letter uit de titel te selecteren. Geef de bestemming weer door op [U] of [T] te drukken. Opmerking Afhankelijk van de beveiligingsinstellingen, worden sommige bestemmingen wellicht niet in de bestemmingslijst vermeld. 85
94 Scanbestanden bezorgen Een bestemming selecteren door het registratienummer in te voeren 4 Selecteer een bestemming door de korte ID in te voeren (geregistreerd met behulp van de ScanRouter-software). Zie de handleiding bij de ScanRouter-software voor meer informatie over het instellen van korte ID s. A Druk op [Registratienr.]. B Geef via de cijfertoetsen het driecijferige registratienummer op en druk vervolgens op de toets {q}. U kunt ook een registratienummer opgeven dat minder dan drie cijfers heeft. Voorbeeld: u wilt 009 invoeren. Druk op {9} en druk vervolgens op de toets {q}. Bestemmingen selecteren die in de bestemmingslijst van de bezorgingsserver worden opgezocht In de bestemmingslijst van de bezorgingsserver kunt u bestemmingen zoeken en deze selecteren. A Druk op [ ]. B Druk op [Zoek adresboek]. 86
95 Bezorgingsbestemmingen opgeven C Als u wilt zoeken op bestemmingsnaam, drukt u op [Zoek op bestem.naam]. Als u wilt zoeken op een opmerking, drukt u op [Zoeken op notitie]. Het soft-toetsenbord wordt weergegeven. U kunt ook zoeken door [Zoek op bestem.naam] en [Zoeken op notitie] te combineren. D Voer het begin van de bestemmingsnaam in. Als u wilt zoeken op opmerking, voert u het begin van de opmerking in. E Druk op [OK]. F Selecteer de bestemming. G Druk op [Afsluiten]. 4 87
96 Scanbestanden bezorgen De afzender opgeven 4 In deze paragraaf wordt uitgelegd hoe de afzender kan worden opgegeven bij het verzenden van een bestand per via de bezorgingsserver. De opgegeven afzender wordt weergegeven in de onderwerpregel van het bericht. U kunt op een van de volgende manieren de afzender opgeven: De afzender selecteren in de afzenderslijst Een afzender selecteren door het registratienummer in te voeren De afzender selecteren die in de bestemmingslijst van de bezorgingsserver wordt opgezocht Een afzender selecteren in de verzenderslijst In deze paragraaf wordt uitgelegd hoe een afzender in de verzenderslijst kan worden geselecteerd. Bestemmingen die zijn geregistreerd op de bezorgingsserver, worden weergegeven in de verzenderslijst. A Druk op [Naam afzender bijv.]. B Selecteer de afzender. De geselecteerde afzender en het bijbehorende registratienummer worden weergegeven. C Druk op [OK]. 88
97 De afzender opgeven Een afzender selecteren door het registratienummer in te voeren Selecteer een afzender door de korte ID in te voeren (geregistreerd met behulp van de ScanRouter-software). Raadpleeg de handleidingen bij de ScanRoutersoftware voor meer informatie over het instellen van korte ID s. A Druk op [Naam afzender bijv.]. 4 B Gebruik de cijfertoetsen om het driecijferige registratienummer op te geven dat is toegewezen aan de afzender. Wanneer het ingevoerde nummer korter is dan 3 cijfers, drukt u na het laatste cijfer op de toets {q}. Voorbeeld: u wilt 006 invoeren. Druk op {6} en druk vervolgens op de toets {q}. C Druk op [OK]. 89
98 Scanbestanden bezorgen De afzender selecteren die in de bestemmingslijst van de bezorgingsserver wordt opgezocht. In deze paragraaf wordt uitgelegd hoe een afzender kan worden geselecteerd door deze op te zoeken in de bestemmingslijst van de bezorgingsserver. A Druk op [Naam afzender bijv.]. 4 B Druk op [ ]. C Als u wilt zoeken op bestemmingsnaam, drukt u op [Naam gebr.(bestemm)]. Als u wilt zoeken op een opmerking, drukt u op [Zoeken op notitie]. Het soft-toetsenbord wordt weergegeven. U kunt ook zoeken door [Naam gebr.(bestemm)] en [Zoeken op notitie] te combineren. D Voer het begin van de afzendernaam in. Als u wilt zoeken op opmerking, voert u het begin van de opmerking in. E Druk op [OK]. F Selecteer de afzender. G Druk op [Afsluiten]. H Druk op [OK]. Opmerking Bij het zoeken op opmerking wordt gezocht naar bestemmingen op opmerkinggegevens, hetgeen als registratie bij de ScanRouter-software is vereist. 90
99 Het onderwerp van de te verzenden via de bezorgingsserver opgeven Het onderwerp van de te verzenden via de bezorgingsserver opgeven In deze paragraaf wordt uitgelegd hoe het onderwerp kan worden opgegeven bij het verzenden van een bestand per via de bezorgingsserver. Wanneer u een onderwerp wilt opgeven, selecteert u het uit de lijst, voert u het rechtstreeks in of combineert u selectie en invoer. De procedure voor het opgeven van de onderwerpnaam [Urgent] Introductie nieuw product wordt hieronder als voorbeeld besproken. Belangrijk De onderwerpen die in de lijst kunnen worden geselecteerd, moeten vooraf zijn geregistreerd in [Systeeminstellingen]. Raadpleeg de Bedieningshandleiding Standaardinstellingen. A Druk op [Onderwerp bijvoegen]. 4 B Druk op het onderwerp [Urgent]. C Druk op [Handmatige invoer]. Het soft-toetsenbord wordt weergegeven. D Voer het onderwerp Introductie nieuw product in. E Druk tweemaal op [OK]. 91
100 Scanbestanden bezorgen Gelijktijdige opslag en bezorging In deze paragraaf wordt uitgelegd hoe een bestand kan worden opgeslagen en gelijktijdig kan worden bezorgd. A Druk op [Bestand opslaan]. 4 B Zorg ervoor dat [Verzenden & Opslaan] is geselecteerd. C Geef indien nodig gegevens op over het opgeslagen bestand, zoals [Gebruikersnaam], [Bestandsnaam] en [Wachtwoord]. Zie Bestandsinformatie opgeven voor een opgeslagen bestand voor meer informatie. D Druk op [OK]. E Geef de bestemming en andere benodigde instellingen op en verzend het bestand. Zie Basisbewerking voor bezorgen van bestanden voor meer informatie over het bezorgen van een bestand. Opmerking Afhankelijk van de beveiligingsinstellingen, wordt [Toegangsprivileges] mogelijk weergegeven in plaats van [Gebruikersnaam]. Neem contact op met de beheerder voor meer informatie over het opgeven van [Toegangsprivileges]. U kunt opgeslagen bestanden opnieuw verzenden. Wanneer u opgeslagen bestanden opnieuw wilt verzenden, selecteert u de bestanden op het scherm voor het selecteren van opgeslagen bestanden en vervolgens verzendt u deze. Zie Een opgeslagen bestand verzenden voor meer informatie. Verwijzing Pag.61 Bestandsinformatie opgeven voor een opgeslagen bestand Pag.81 Basisbewerking voor bezorgen van bestanden Pag.69 Een opgeslagen bestand verzenden 92
101 5. Originelen scannen met de TWAIN-compatibele netwerkscanner Met het TWAIN-stuurprogramma kunt u originelen scannen naar een clientcomputer via een netwerk. Vóór het gebruiken van de TWAIN-compatibele netwerkscanner In deze paragraaf worden de voorbereidingen en de procedure voor het gebruik van de TWAIN-compatibele netwerkscanner beschreven. Belangrijk Om de TWAIN-compatibele netwerkscanner te kunnen gebruiken, moet u het TWAIN-stuurprogramma installeren dat zich op de bijgeleverde CD-rom bevindt. Zie Het TWAIN-stuurprogramma installeren vanaf de bijgeleverde CD-rom voor meer informatie over het installeren van het TWAIN-stuurprogramma. Als u de TWAIN-netwerkscanner wilt gebruiken, moet er een met TWAIN compatibele toepassing, zoals DeskTopBinder, op de clientcomputer zijn geïnstalleerd. DeskTopBinder Lite bevindt zich op de meegeleverde CD-rom. Zie DeskTopBinder Lite installeren vanaf de bijgeleverde CD-rom voor meer informatie over het installeren van DeskTopBinder Lite. Verwijzing Pag.96 Het TWAIN-stuurprogramma installeren vanaf de bijgeleverde CDrom Pag.79 DeskTopBinder Lite installeren vanaf de bijgeleverde CD-rom 93
102 Originelen scannen met de TWAIN-compatibele netwerkscanner Beschrijving van de TWAIN-compatibele netwerkscanner In deze paragraaf wordt de functie van TWAIN-compatibele netwerkscanner beschreven. In de TWAIN-scannermodus kunt u dit apparaat op meerdere computers delen. U hoeft daarom niet een speciale computer voor het scannen te reserveren of de scanner en elke computer steeds opnieuw aan te sluiten wanneer u deze nodig heeft. 5 ZZZ514S 1. Dit apparaat Scant een origineel na ontvangst van een scaninstructie van een clientcomputer en verzendt het scanbestand vervolgens over het netwerk naar de clientcomputer. 2. Clientcomputer Specificeert de scannerinstellingen en bedient de scanner met behulp van een toepassing, zoals DeskTopBinder Lite, dat de TWAINcompatibele netwerkscanner ondersteunt. Ontvangt de bestanden die door het apparaat zijn gescand en geeft deze weer met behulp van een toepassing die de TWAIN-compatibele netwerkscanner ondersteunt. Opmerking Wanneer u het apparaat gebruikt als TWAIN-compatibele netwerkscanner, is het niet noodzakelijk te drukken op de toets {Scanner} op het bedieningspaneel van het apparaat. Het scherm schakelt automatisch over als u een origineel vanaf een clientcomputer scant met behulp van het TWAIN-stuurprogramma. Druk op [Afsluiten] om andere functies te gebruiken dan de TWAIN-compatibele netwerkscanner. 94
103 Vóór het gebruiken van de TWAIN-compatibele netwerkscanner Voorbereiding van gebruik van de TWAIN-compatibele netwerkscanner In deze paragraaf worden de voorbereidingen en instellingen voor het gebruik van de TWAIN-compatibele netwerkscanner beschreven. Belangrijk Om de TWAIN-compatibele netwerkscanner te kunnen gebruiken, moet een met TWAIN compatibele toepassing, zoals DeskTopBinder Lite, op de clientcomputer zijn geïnstalleerd. DeskTopBinder Lite bevindt zich op de bijgeleverde CD-rom. Zie DeskTopBinder Lite installeren vanaf de bijgeleverde CD-rom voor meer informatie over het installeren van DeskTopBinder Lite. A Sluit het apparaat aan op het netwerk. Sluit het apparaat aan op het netwerk via een Ethernet-kabel of draadloos LAN (IEEE b). B Geef de noodzakelijke netwerkinstellingen op in [Systeeminstellingen]. Als u het apparaat via een Ethernet-kabel heeft aangesloten op het netwerk, geeft u de volgende instellingen op. Zie de Bedieningshandleiding Standaardinstellingen voor meer informatie. Geef het IP-adres en het subnetmasker van het apparaat op. Schakel bij [Effectief protocol] [TCP/IP] in. C Installeer het TWAIN-stuurprogramma op een clientcomputer. Zie Het TWAIN-stuurprogramma installeren vanaf de bijgeleverde CD-rom voor meer informatie over het installeren van het TWAIN-stuurprogramma. 5 Opmerking Wanneer u het apparaat op het netwerk wilt aansluiten via draadloos LAN (IEEE b), is een uitgebreide draadloos-lan-kaart vereist. Raadpleeg de Netwerkhandleiding voor meer informatie. Zie de Bedieningshandleiding Standaardinstellingen voor meer informatie over [Systeeminstellingen]. De opties die in [Systeeminstellingen] moeten worden ingesteld, variëren afhankelijk van de netwerkomgeving. Zie de Bedieningshandleiding Standaardinstellingen voor meer informatie over de netwerkinstellingen. Verwijzing Pag.96 Het TWAIN-stuurprogramma installeren vanaf de bijgeleverde CD-rom Pag.79 DeskTopBinder Lite installeren vanaf de bijgeleverde CD-rom 95
104 Originelen scannen met de TWAIN-compatibele netwerkscanner Het TWAIN-stuurprogramma installeren vanaf de bijgeleverde CD-rom 5 In deze paragraaf wordt uitgelegd hoe het TWAIN-stuurprogramma kan worden geïnstalleerd op een client computer vanaf de bijgeleverde Scanner Driver and Utilities of Scanner Driver/Font Manager and Utilities CD-rom. Om de TWAIN-compatibele netwerkscanner te kunnen gebruiken, moet het TWAIN-stuurprogramma op een clientcomputer zijn geïnstalleerd. A Start Windows en plaats vervolgens de CD-rom Scanner Driver and Utilities of Scanner Driver/Font Manager and Utilities in het CD-rom station van de client computer. De installatie wordt automatisch gestart. B Klik op [TWAIN-stuurprogramma]. C Het installatieprogramma van het TWAIN-stuurprogramma wordt gestart. Volg de aanwijzingen op. Opmerking Controleer de systeemvereisten voor het TWAIN-stuurprogramma voordat u met installeren gaat beginnen. Zie Software meegeleverd op CDrom voor meer informatie over de systeemvereisten. U kunt de software installeren met behulp van het programma Auto Run. Zie Het programma Auto Run voor meer informatie over het programma Auto Run. Zie Het programma Auto Run wanneer de installatie niet automatisch start. Wanneer de installatie is voltooid, kan er een bericht worden weergegeven waarin u wordt gevraagd de client computer opnieuw op te starten. Start in dat geval de cliëntcomputer opnieuw op. Nadat de installatie is voltooid, is een map met de naam van het apparaat dat in gebruik is, toegevoegd aan aan [Programma s] of [Alle programma s] in het menu [Start]. Vanuit deze map kan Help worden weergegeven. In Readme.txt vindt u aantekeningen over het gebruik van de TWAIN-compatibele netwerkscanner. Zorg ervoor dat u ze voor gebruik gelezen hebt. Verwijzing Pag.138 Software meegeleverd op CD-rom Pag.138 Programma Auto Run 96
105 Basisbewerking voor TWAIN-compatibele netwerkscanner Basisbewerking voor TWAIN-compatibele netwerkscanner In deze paragraaf worden de basisbewerkingen voor het scannen met de TWAIN-compatibele netwerkscanner beschreven. Belangrijk Als u de TWAIN-netwerkscanner wilt gebruiken, moeten een met TWAIN compatibele toepassing, zoals DeskTopBinder en het TWAIN-stuurprogramma, op de clientcomputer worden geïnstalleerd. Bij de volgende procedure worden als voorbeeld Windows XP en DeskTopBinder Lite gebruikt. A Wijs in het menu [Start] de optie [Alle programma s] aan, wijs [DeskTopBinder] aan en klik vervolgens op [DeskTopBinder]. B In het menu [Extra], klikt u op [Scannerinstellingen...]. C Klik op [Scannerstuurprogramma selecteren...]. D Selecteer in de lijst de naam van het apparaat dat u wilt gebruiken en klik vervolgens op [Selecteren]. E Klik op [OK]. F Plaats de originelen. G Wijs in het menu [Bestand] naar [Document toevoegen] en klik vervolgens op [Scannen...] om het dialoogvenster Scanner Control te openen. Een dialoogvenster dat wordt gebruikt om een scanner te bedienen met behulp van het TWAIN-stuurprogramma wordt als het dialoogvenster Scanner Control aangeduid. H Geef de instellingen op aan de hand van criteria zoals het soort origineel, de soort scan en de afdrukstand van het origineel. Raadpleeg voor meer informatie de Help van het TWAIN-stuurprogramma. I Klik in het dialoogvenster Scanner Control op [Scannen]. Als u op [Scannen] drukt, wordt er, afhankelijk van de beveiligingsinstellingen, een dialoogvenster weergegeven waarin u de gebruikersnaam en het wachtwoord kunt opgeven. Als er nog meer originelen moeten worden gescand, plaatst u het volgende origineel en klikt u vervolgens op [Doorgaan]. Als er geen originelen meer hoeven te worden gescand, klikt u op [Voltooid]. 5 97
106 Originelen scannen met de TWAIN-compatibele netwerkscanner J In het menu [Bestand], klikt u op [Afsluiten]. K Voer de documentnaam in en klik op [OK]. De DeskTopBinder-viewer wordt gesloten en de afbeelding wordt opgeslagen in DeskTopBinder Lite. 5 Opmerking Als u al een scanner heeft geselecteerd, hoeft u de scanner niet te selecteren, tenzij u deze wilt wijzigen. Met behulp van DeskTopBinder kunt u scanbestanden bewerken en afdrukken. Raadpleeg de handleidingen bij DeskTopBinder voor meer informatie over DeskTopBinder. De modelnaam van de aangesloten scanner wordt weergegeven op de titelbalk van het dialoogvenster Scanner Control. Als er meerdere scanners van hetzelfde model op het netwerk zijn, zorg dan dat u de juiste scanner heeft geselecteerd. Als u niet de juiste scanner heeft geselecteerd, klikt u op [Scannerstuurprogramma selecteren...] en selecteert u de scanner opnieuw. Wanneer de juiste scanner niet in de lijst wordt weergegeven, controleert u of de scanner correct op het netwerk is aangesloten en of het IP-adres van de scanner is opgegeven. Raadpleeg de netwerkbeheerder als de juiste scanner nog steeds niet wordt weergegeven. 98
107 6. Verschillende scannerinstellingen In deze paragraaf worden verschillende scannerinstellingen beschreven. Scannerinstellingen opgeven In deze paragraaf wordt uitgelegd hoe scannerinstellingen moeten worden opgegeven. A Druk op [Scaninstellingen]. B Geef het scantype, de resolutie, het scanformaat en de andere benodigde instellingen op. C Druk op [OK]. 99
108 Verschillende scannerinstellingen Items voor het opgeven van scannerinstellingen In deze paragraaf worden de items voor scannerinstellingen beschreven. Scantype Selecteer een scantype dat voor uw origineel geschikt is. [Tekst (afdrukken)] Standaardoriginelen die hoofdzakelijk tekens bevatten. Maakt gescande afbeeldingen die geschikt zijn voor afdrukken. [Text (OCR)] Standaardoriginelen die hoofdzakelijk tekens bevatten. Geschikt voor verbetering van de OCR-leesbaarheid met behulp van een OCR-compatibele toepassing. 6 [Tekst/Foto] Originelen met een combinatie van foto s, afbeeldingen en tekens (twee waarden). Maakt gescande afbeeldingen die geschikt zijn voor afdrukken. [Foto] Originelen met foto s en andere afbeeldingen (twee waarden). Maakt gescande afbeeldingen die geschikt zijn voor afdrukken. [Grijswaarden] Originelen met foto s en andere afbeeldingen (multi-waarde). Maakt gescande afbeeldingen die geschikt zijn voor weergave op een computerscherm. Resolutie Resolutie selecteren voor het scannen van originelen. Selecteer [100 dpi], [200 dpi], [300 dpi], [400 dpi] of [600 dpi] als scanresolutie. Belichting Selecteer de belichting in zeven stappen van ilichter (1) tot en met Donkerderj (7) of gebruik Automatische Belichting. Als u [Automatische Belichting] selecteert, wordt de scanbelichting gecorrigeerd om de resolutie van papiertypen te verbeteren, zoals papier dat niet wit is (bijvoorbeeld originelen op krantenpapier of transparante originelen). 100
109 Items voor het opgeven van scannerinstellingen Scanformaat Selecteer het formaat van het te scannen origineel. U kunt de volgende opties en formaten selecteren: [Autodetectie] Scant formaten van originelen met behulp van automatische formaatdetectie. Sjabloonformaat A3L, A4K, A4L, A5K, A5L, 11 17L, 8 1 / 2 14L, 8 1 / 2 13L, 8 1 / 2 11K, 8 1 / 2 11L, 5 1 / / 2 K, 5 1 / / 2 L, B4 JISL, B5 JISK, B5 JISL [Aangepast formaat] Scant in een opgegeven formaat. U kunt de afmetingen (breedte en hoogte) van het scangebied in mm opgeven. Opmerking U kunt de formaten van originelen van 140 mm (X1 en Y1) of groter opgeven in [Aangepast formaat]. Relatie tussen origineel van gemengd formaat en scanformaat 6 In deze paragraaf worden de verschillen uitgelegd waarvan u op de hoogte moet zijn bij het scannen van originelen met dezelfde breedte maar met verschillende lengte (zoals A3&A4 of B4&B5) met behulp van de positie-instelling en het formaat van het origineel. Wanneer u [Gemengde formaten] selecteert bij [Origin. invoertype], detecteert het apparaat de lengte van originelen met dezelfde breedte en scant deze. Zie Gemengde formaten voor meer informatie. Als een sjabloonformaat is geselecteerd, scant het apparaat originelen volgens het geselecteerde formaat, ongeacht het werkelijke formaat van de originelen. Als een origineel kleiner is dan het geselecteerde formaat, past het apparaat marges toe op het scangebied. Als [Autodetectie] is geselecteerd voor het scannen van originelen vanaf de glasplaat, detecteert het apparaat het formaat van de afzonderlijke originelen en scant deze dienovereenkomstig. Als alleen [Autodetectie] is geselecteerd voor het scannen van originelen vanuit de ADF, detecteert het apparaat het formaat van het grootste origineel en scant alle overige originelen op basis van dat formaat. Verwijzing Pag.116 Gemengde formaten 101
110 Verschillende scannerinstellingen Instellingsprocedure van aangepaste formaat bij scannen van een compleet origineel In deze paragraaf wordt uitgelegd hoe een aangepast formaat kan worden ingesteld voor het scannen van een compleet origineel. Wanneer u het complete gebied van een origineel wilt scannen, meet u het oppervlak van het origineel en voert u de afmetingen in bij Formaat origineel (X1 en Y1) en Scangebied (X3 en Y3). In het onderstaande voorbeeld wordt het scannen besproken van een origineel met het volgende formaat. 6 ARE001S U hoeft geen startpositie op te geven (X2 en Y2). Geef deze op als 0 mm. Voor Scanformaat geeft u dezelfde waarde op als voor Formaat origineel. A Druk op [Scaninstellingen]. B Druk op [Scanformaat]. C Druk op [Aangepast formaat]. 102
111 Items voor het opgeven van scannerinstellingen D Geef met behulp van de cijfertoetsen het formaat van het origineel op (X1 en Y1) en druk vervolgens op de toets {q}. Stel X1 bijvoorbeeld in op 300 mm en Y1 op 200 mm. E Stel de startpositie (X2 en Y2) in op 0 mm en druk vervolgens op de toets {q}. Stel bijvoorbeeld X2 en Y2 in op 0 mm en druk op de toets {q}. F Geef het scangebied (X3 en Y3) op met behulp van de cijfertoetsen en druk vervolgens op de toets {q}. Stel X3 bijvoorbeeld in op 300 mm en Y3 op 200 mm. G Druk op [OK]. H Controleer of het scangebied (X3 en Y3) wordt weergegeven in het veld [Aangepast formaat] en druk vervolgens op [OK]. 6 Opmerking U kunt de formaten van originelen (X1 en Y1) van 140 mm of groter opgeven. 103
112 Verschillende scannerinstellingen Wanneer u een origineel wilt scannen dat kleiner is dan 140 mm, moet u de instellingen opgeven alsof u een deel van een origineel scant dat groter is dan 140 mm. Wanneer u bijvoorbeeld een cd-label wilt scannen op de glasplaat, geeft u een formaat op volgens het onderstaande diagram. Zie Instellingsprocedure van aangepast formaat bij scannen van een deel van een origineel voor meer informatie over scanprocedures. ARD015S 6 Verwijzing Pag.105 Instellingsprocedure van aangepast formaat bij scannen van een deel van een origineel 104
113 Items voor het opgeven van scannerinstellingen Instellingsprocedure van aangepast formaat bij scannen van een deel van een origineel In deze paragraaf wordt uitgelegd hoe een aangepast formaat kan worden ingesteld voor het scannen van een gebied binnen een origineel. Wanneer u een deel van een origineel wilt scannen, meet u het oppervlak van het origineel en voert u de afmetingen in bij Formaat origineel (X1 en Y1), Startpositie (X2 en Y2) en Scangebied (X3 en Y3). De meetmethoden verschillen, afhankelijk van de richting van het origineel en de positie waarin het zich bevindt. Voorbeeld 1 en 3 hieronder tonen hoe u het formaat moet meten om het gedeelte gemarkeerd R te scannen. Zie de volgende voorbeelden om elk formaat correct te meten. Voorbeeld 1 Origineel is in de richting geplaatst op de glasplaat of in de ADF 6 ARE002S Voorbeeld 2 Origineel is geplaatst in de richting op de glasplaat ARE003S 105
114 Verschillende scannerinstellingen Voorbeeld 3 Origineel is geplaatst in de richting in de ADF ARE004S 6 Met voorbeeld 1 en 2 (hierboven) wordt de procedure verduidelijkt voor het scannen van het gebied R van het origineel. A Druk op [Scaninstellingen]. B Druk op [Scanformaat]. C Druk op [Aangepast formaat]. D Geef met behulp van de cijfertoetsen het formaat van het origineel op (X1 en Y1) en druk vervolgens op de toets {q}. Stel X1 bijvoorbeeld in op 300 mm en Y1 op 200 mm. 106
115 Items voor het opgeven van scannerinstellingen E Geef de startpositie (X2 en Y2) op met behulp van de cijfertoetsen en druk vervolgens op de toets {q}. Stel X2 bijvoorbeeld in op 30 mm en Y2 op 20 mm. F Geef het scangebied (X3 en Y3) op met behulp van de cijfertoetsen en druk vervolgens op de toets {q}. Stel X3 en Y3 bijvoorbeeld in op 80 mm. G Druk op [OK]. H Controleer of het scangebied (X3 en Y3) wordt weergegeven in het veld [Aangepast formaat] en druk vervolgens op [OK]. Opmerking Wanneer u een origineel wilt scannen dat kleiner is dan 140 mm, moet u de instellingen opgeven alsof u een deel van een origineel scant dat groter is dan 140 mm
116 Verschillende scannerinstellingen Wijze waarop originelen moeten worden ingesteld om deze op aangepast formaat te scannen In deze paragraaf wordt uitgelegd hoe originelen moeten worden geplaatst die u volgens een aangepast formaat wilt scannen. Origineelrichting instellen Selecteer onder [Orig. richting] [ ] of [ ] in overeenstemming met de richting van uw origineel. Voor weergave van [Orig. richting] drukt u op het eerste scannerscherm op [Origin. invoertype]. Zie Invoertype origineel instellen voor meer informatie. Een origineel plaatsen Plaats de originelen met de te scannen zijde naar boven in de ADF; met de te scannen zijde naar beneden op de glasplaat. De richting van het origineel is [ ] Een origineel in de ADF plaatsen 6 ALQ017S Een origineel op de glasplaat plaatsen Lijn het origineel uit, draai het naar rechts of naar links en plaats het vervolgens met de te scannen zijde naar beneden op de glasplaat. ALQ018S De richting van het origineel is [ ] Een origineel in de ADF plaatsen ALQ019S Een origineel op de glasplaat plaatsen Draai het origineel om, plaats het met de te scannen zijde naar beneden op de glasplaat en lijn het vervolgens uit met de linkerbovenhoek van de glasplaat. ALQ020S Verwijzing Pag.112 Invoertype origineel instellen 108
117 Items voor het opgeven van scannerinstellingen Bewerken Instellingen voor bewerken maken. [Rand wissen] Wist de randen van het gescande origineel volgens de opgegeven breedte. Kies [Dezelfde breedte] om een standaardbreedte op te geven in millimeters voor het wissen van alle randen rondom het origineel (boven, onder, links en rechts). Kies [Verschil. breedte] om een verschillende breedte op te geven in millimeters voor het wissen van elke rand
118 Verschillende scannerinstellingen Scanzijden van originelen instellen In deze paragraaf worden de instellingen beschreven voor het scannen van enkelzijdige of dubbelzijdige originelen. Enkelzijdig origineel In deze paragraaf worden uitsluitend de instellingen voor het scannen van één zijde van originelen uitgelegd. A Druk op [1-zijdig orig.]. 6 Dubbelzijdig origineel In deze paragraaf worden de instellingen voor het scannen van beide zijden van originelen uitgelegd. A Druk op [Dubbelz. orig.]. 110
119 Scanzijden van originelen instellen B Selecteer [2-zijd.orig.:bov/bov] of [2-zijd.orig.:bov/ond] volgens de bindrichting van de originelen. Boven/boven origineel Boven/onder origineel C Als de laatste pagina van het laatste origineel blanco is, selecteert u in [Laatste pagina] de optie [1-zijdig] of [2-zijdig]. Om de laatste pagina over te slaan, selecteert u [1-zijdig]. Om de laatste pagina als blanco pagina te scannen, selecteert u [2-zijdig]. D Druk op [OK]. Opmerking Als u [Delen] selecteert, wordt de instelling die u hier opgeeft toegepast op de laatste pagina van elke batch van de verdeelde originelen
120 Verschillende scannerinstellingen Invoertype origineel instellen In deze paragraaf worden de instellingen beschreven voor origineelrichting, Batch/SADF, gemengde formaten, verdelen en stempelen door te drukken op [Origin. invoertype]. Origineelrichting In deze paragraaf wordt uitgelegd hoe de richting van gescande originelen moet worden weergegeven op het scherm van een clientcomputer. A Druk op [Origin. invoertype]. 6 B Druk op [ ] of [ ] om dezelfde richting als die van het origineel te selecteren. C Druk op [OK]. 112
121 Invoertype origineel instellen Originelen plaatsen Voor het correct weergeven van de boven/onder-richting van het gescande origineel op een cliëntcomputer moeten de plaatsing van het origineel en de instellingen op het bedieningspaneel overeenkomen. Plaats originelen in de juiste positie aan de hand van de volgende tabel: Glasplaat Origineelrichting Bedieningspaneeltoets bovenrand raakt linkerbovenhoek van de glasplaat bovenrand raakt achterzijde van de glasplaat ADF 6 Origineelrichting Bedieningspaneeltoets bovenrand wordt eerst geplaatst bovenrand raakt achterzijde ADF Opmerking Originelen zijn normaal gesproken rechthoekig ( ) of in horizontale lengte ( ). In de bovenstaande tabel worden echter vierkanten gebruikt, zodat de origineelrichting gemakkelijker te begrijpen is. Zelfs wanneer de werkelijke vorm van het origineel afwijkt, zal de combinatie van origineelrichting en de richting die in het scannerstuurprogramma is opgegeven, niet wijzigen. 113
122 Verschillende scannerinstellingen Raadpleeg de onderstaande tabel voor het plaatsen van originelen als u Grijstint opgeeft terwijl TIFF-/JPEG-bestand van één pagina of TIFF-bestand van meerdere pagina s als bestandstype is geselecteerd. Van originelen die in een richting zijn geplaatst die niet in de tabel wordt aanbevolen, wordt mogelijk de boven/onder-richting niet juist weergegeven in de displays van clientcomputers. Een origineel op de glasplaat plaatsen Een origineel in de ADF plaatsen Batch, SADF 6 In deze paragraaf worden de instellingen beschreven voor het scannen van meerdere originelen in diverse batches. Wanneer u de originelen wilt scannen als één bestand, selecteert u [Batch]. Wanneer u de originelen afzonderlijk wilt scannen via de ADF, selecteert u [SADF]. Belangrijk Wanneer de modus [SADF] of [Batch] die u wilt selecteren niet wordt weergegeven, wijzigt u de modus met [Activeer Batch] bij [Scannereigenschappen]. Zie de Bedieningshandleiding Standaardinstellingen voor meer informatie over [Activeer Batch]. Wanneer u [Batch] selecteert, begint het scannen zodra u de extra originelen plaatst en op de toets {Start} drukt. Wanneer alle originelen zijn gescand, drukt u op de toets {q}. Als u [Batch] selecteert, wacht het apparaat tot de extra originelen worden geplaatst, ongeacht de standaardinstellingen. Als [SADF] is geselecteerd, begint het scannen zodra u de extra originelen in de ADF plaatst. Geef aan welke bewerking het apparaat uitvoert tijdens het wachten op extra originelen in [Wachtijd voor volgend orig.: SADF] onder [Scannereigenschappen]. Zie de Bedieningshandleiding Standaardinstellingen voor meer informatie over [Wachtijd voor volgend orig.: SADF]. A Druk op [Origin. invoertype]. 114
123 Invoertype origineel instellen B Selecteer [Batch] of [SADF]. C Druk op [OK]. Opmerking Zie Meerdere pagina s van originelen als één bestand scannen voor meer informatie over procedures. Als [SADF] is geselecteerd, begint het scannen zodra u de extra originelen in de ADF plaatst. In de volgende gevallen moet u echter op de toets {Start} drukken om het scannen van extra originelen te starten. Na het scannen van extra originelen via de glasplaat; Na het wijzigen van instellingen tijdens het wachten op extra originelen; Na openen of sluiten van de ADF. Verwijzing Pag.120 Meerdere pagina s van originelen als één bestand scannen 6 115
124 Verschillende scannerinstellingen Gemengde formaten In deze paragraaf wordt uitgelegd hoe het apparaat moet worden ingesteld om de lengte van afzonderlijke originelen te detecteren wanneer een batch originelen wordt gescand met dezelfde breedte maar met verschillende lengte. A Druk op [Origin. invoertype]. B Druk op [Gemengde formaten]. 6 C Druk op [OK]. Opmerking U kunt combinaties van originelen met de volgende formaten plaatsen: A3L&A4K, B4L&B5K, A4L&A5K. Wanneer u originelen plaatst met dezelfde breedte maar verschillende lengte, moet u deze plaatsen volgens het onderstaande diagram. ALQ021S 116
125 Invoertype origineel instellen Verdelen In deze paragraaf worden de instellingen uitgelegd voor het verdelen van meerdere originelen over een opgegeven aantal pagina s die vervolgens worden verzonden. A Druk op [Origin. invoertype]. B Druk op [Delen/Stempelen] en vervolgens op [Delen]. 6 C Druk op [Wijzigen] en gebruik vervolgens de cijfertoetsen om het aantal pagina s op te geven waarover u de taak wilt verdelen. D Druk op de toets {q}. E Druk indien noodzakelijk op [Deling controleren]. Wanneer u [Deling controleren] selecteert, wordt aan het einde van het scannen een scherm weergegeven voor het stoppen of voortzetten van het scannen wanneer de originelen niet zijn gescand als gevolg van een papierstoring of invoer van meerdere vellen tegelijk. 117
126 Verschillende scannerinstellingen F Druk tweemaal op [OK]. De huidige instellingen worden getoond. Opmerking Als de laatste pagina van een batch gesplitste originelen leeg is, kunt u die pagina overslaan bij het scannen. Om het scannen over te slaan, selecteert u in [Laatste pagina] onder [2-zijdig origineel] de optie [1-zijdig]. Om de laatste pagina als blanco pagina te scannen, selecteert u [2-zijdig]. Zie Dubbelzijdig origineel voor meer informatie. Verwijzing Pag.110 Dubbelzijdig origineel Stempelen 6 In deze paragraaf wordt de procedure uitgelegd voor het stempelen van originelen die zijn gescand via de ADF. Wanneer u [Stempelen] selecteert, wordt een cirkel gestempeld op originelen die zijn gescand via de ADF. Bij dubbelzijdige originelen wordt de cirkel aan beide zijden gestempeld. Deze functie is handig voor het herkennen van gescande originelen. ARO006S Deze afbeelding is een voorbeeld van het scannen van een dubbelzijdig origineel. Belangrijk Wanneer u stempelen wilt inschakelen, moet u de stempelcartridge installeren. A Druk op [Origin. invoertype]. 118
127 Invoertype origineel instellen B Druk op [Delen/Stempelen] en vervolgens op [Stempelen]. C Druk op [OK]. Opmerking Laatste pagina s worden altijd gestempeld, zelfs als u ervoor hebt gekozen de laatste pagina niet te scannen. Het stempelen kan doorgaan wanneer het scannen is onderbroken, afhankelijk van de oorzaak van de onderbreking. Vervang de stempelcartridge wanneer de stempel vaag wordt. Zie Troubleshooting voor meer informatie
128 Verschillende scannerinstellingen Meerdere pagina s van originelen als één bestand scannen In deze paragraaf wordt de procedure uitgelegd voor het verzenden van meerdere originelen als een bestand met meerdere pagina s of het opslaan daarvan als één opgeslagen bestand. Belangrijk Om meerdere originelen als een bestand met meerdere pagina s te verzenden, selecteert u in [Bestandnaam/Type] een bestand met meerdere pagina s als type. Zie Bestandstype en bestandsnaam instellen voor meer informatie. A Druk op [Origin. invoertype]. 6 B Selecteer [Batch] of [SADF]. Om originelen via de glasplaat te scannen, selecteert u [Batch]. Om originelen via de ADF te scannen, selecteert u [SADF]. Zie Batch, SADF voor meer informatie over [Batch] en [SADF]. [SADF] of [Batch] wordt weergegeven. Wanneer de modus die u wilt selecteren niet wordt weergegeven, wijzigt u de modus met [Activeer Batch] bij [Scannereigenschappen]. Zie de Bedieningshandleiding Standaardinstellingen voor meer informatie over [Activeer Batch]. C Druk op [OK]. D Plaats de originelen. E Geef instellingen op voor het verzenden per of via scan-to-folder, bezorgen of opslaan. 120
129 Meerdere pagina s van originelen als één bestand scannen F Druk op de toets {Start} om originelen te scannen. Wanneer [Batch] is geselecteerd, plaats u de extra originelen en drukt u vervolgens op de toets {Start}. Als [SADF] is geselecteerd, wordt het scannen automatisch gestart als u extra originelen plaatst. Herhaal deze stap totdat alle originelen zijn gescand. G Nadat alle originelen zijn gescand, drukt u op de toets {q}. Opslaan of verzenden begint. Opmerking Als [Batch] is geselecteerd, kunnen originelen via de ADF worden gescand. Bij het scannen van originelen via de glasplaat kan het apparaat, afhankelijk van de instellingen voor [Wachttijd voor volg. orig.: Glasplaat] onder [Scannereigenschappen], wachten op extra originelen, zelfs als [Batch] niet is geselecteerd in [Origin. invoertype]. Zie de Bedieningshandleiding Standaardinstellingen voor meer informatie over [Wachttijd voor volg. orig.: Glasplaat]. Als onder [Scannereigenschappen] de optie [Stel wachttijd in] is ingesteld voor [Wachttijd voor volg. orig.: Glasplaat] of [Wachtijd voor volgend orig.: SADF], plaatst u de extra originelen binnen de opgegeven tijd. Als het aftellen eindigt, wordt het verzenden of opslaan automatisch gestart. Wanneer u het verzenden of opslaan wilt starten voordat het aftellen is geëindigd, drukt u op de toets {q}. Het aftellen wordt geannuleerd wanneer Scaninstellingen of andere instellingen in de tussentijd worden gewijzigd. Plaats de extra originelen en druk vervolgens op de toets {Start}. Het apparaat scant de originelen en het aftellen wordt hervat. Zie de Bedieningshandleiding Standaardinstellingen voor meer informatie over [Wachttijd voor volg. orig.: Glasplaat] en [Wachtijd voor volgend orig.: SADF]. Als [SADF] wordt geselecteerd, wordt het scannen vanaf de glasplaat ingeschakeld na het scannen vanuit de ADF. In dat geval moet u op de toets {Start} drukken om het scannen te starten. 6 Verwijzing Pag.122 Bestandstype en bestandsnaam instellen Pag.114 Batch, SADF 121
130 Verschillende scannerinstellingen Bestandstype en bestandsnaam instellen In deze paragraaf wordt de procedure uitgelegd voor het instellen van het bestandstype, de bestandsnaam en de beveiliging voor PDF-bestanden. Bestandstype instellen In deze paragraaf wordt de procedure uitgelegd voor het instellen van het bestandstype van het te verzenden bestand. Bestandstypen kunnen worden opgegeven bij het verzenden van bestanden per of via scan-to-folder en het verzenden van opgeslagen bestanden per en via scan-to-folder. 6 Belangrijk Om bestanden te bezorgen, stelt u het bestandstype in met behulp van de bezorgingsserver. Zie de handleiding bij de ScanRouter-software. Bestanden worden opgeslagen in de TIFF- of JPEG-indeling. Als [Alleen opslaan] is geselecteerd voor [Bestand opslaan], kan het bestandstype niet worden opgegeven. Als [Verzenden & Opslaan] is geselecteerd voor [Bestand opslaan], kunnen bestanden worden verzonden per of via scan-to-folder in een opgegeven indeling. Bestanden worden echter niet in het opgegeven bestandstype opgeslagen. Geef het bestandstype op voor opgeslagen bestanden als u deze verzendt. Welke bestandstypen kunnen worden geselecteerd, hangt af van de scaninstellingen en andere instellingen. Zie Scaninstellingen en bestandstypen voor meer informatie. U kunt een van de volgende bestandstypen selecteren: Voor één pagina [TIFF/ JPEG] of [PDF] Voor meerdere pagina s [TIFF] of [PDF] A Druk op [Bestandnaam/Type]. B Druk op [Bestandstype]. 122
131 Bestandstype en bestandsnaam instellen C Selecteer een bestandstype. D Druk tweemaal op [OK]. Verwijzing Pag.137 Scaninstellingen en bestandstypen Bestandsnaam instellen In deze paragraaf wordt de procedure voor het instellen van de bestandsnaam uitgelegd. Het gescande bestand krijgt een naam die bestaat uit de tijd en datum van het scannen, een viercijferig paginanummer etc. Aan bestanden van één pagina en gesplitste bestanden van meerdere pagina s worden bestandsnamen toegewezen die bestaan uit de tijd en datum van het scannen en een viercijferig paginanummer. Tussen de datum en tijd en het viercijferige paginanummer wordt een underscore geplaatst (bij een bestand van één pagina (TIFF) dat in 10 ms, 15 sec. wordt gescand om 15:30 uur op 31 december 2020, wordt de bestandsnaam _0001.tif). Bestanden van meerdere pagina s krijgen bestandsnamen die de tijd en datum van het scannen bevatten. (bij een bestand van meerdere pagina s dat in 10 ms, 15 sec. wordt gescand om 15:30 uur op 31 december 2020, is de bestandsnaam tif). Indien noodzakelijk, kunt u de bestandsnaam wijzigen. A Druk op [Bestandnaam/Type]
132 Verschillende scannerinstellingen B Druk op [Bestandsnaam]. Het soft-toetsenbord wordt weergegeven. C Voer een bestandsnaam in. D Druk tweemaal op [OK]
133 Programma s Programma s U kunt regelmatig gebruikte instellingen registreren in het geheugen van het apparaat en deze later weer oproepen. Opmerking U kunt maximaal 10 programma s registreren voor de scannermodus. Programma s worden niet verwijderd door het uitschakelen van de stroomtoevoer of door op {Instellingen verwijderen} te drukken, tenzij de inhoud is verwijderd of opnieuw is geregistreerd. De volgende instellingen kunnen voor programma s worden geregistreerd: scaninstellingen, 1-zijdig origineel/2-zijdig origineel, Boven/boven, Boven/onder, Laatste pagina, Verdelen, Origineel invoertype, Bestandstype, Batch/SADF en Stempelen. Regelmatig gebruikte instellingen registreren U kunt regelmatig gebruikte instellingen voor een programma als volgt registreren: A Geef op het eerste scannerscherm de instellingen op die u voor een programma wilt registreren. B Druk op de toets {Programmeren}. 6 ARR002S C Druk op [m Registreren]. D Selecteer het nummer van het programma waarin u de instellingen wilt registreren. Programmanummers met m hebben al instellingen. Het soft-toetsenbord wordt weergegeven. E Voer de programmanaam in. U kunt maximaal 40 tekens invoeren. 125
134 Verschillende scannerinstellingen F Druk op [OK]. Het scherm Programma wordt opnieuw geopend. Als de instellingen zijn geregistreerd, verschijnt m aan de linkerzijde van het geregistreerde programmanummer en de programmanaam aan de rechterzijde. Na enkele ogenblikken wordt het eerste scherm opnieuw geopend. Een programma oproepen Op de volgende wijze kunt u instellingen die in een programma zijn geregistreerd oproepen en voor scannen gebruiken: A Druk op de toets {Programmeren}. ARR002S B Druk op [BOproepen]. 6 C Druk op het nummer van het programma dat u wilt oproepen. De in het programma geregistreerde instellingen worden opgeroepen en het eerste scannerscherm wordt opnieuw geopend. Instellingen worden niet geregistreerd in nummers die verschijnen zonder m. D Plaats de originelen en druk vervolgens op de toets {Start}. 126
135 Programma s Een geregistreerd programma wijzigen U kunt de instellingen die voor een programma zijn geregistreerd als volgt wijzigen: A Druk op de toets {Programmeren}. ARR002S B Druk op [BOproepen]. C Druk op het nummer van het programma dat u wilt wijzigen. D Wijzig de instellingen van het programma. E Druk op de toets {Programmeren}. F Druk op [m Registreren]. G Druk op het nummer van het programma waarvan u de instellingen heeft gewijzigd of het nummer van een ander programma waarin u de gewijzigde instellingen wilt registreren. H Er wordt een bevestigingsbericht weergegeven als u een programma selecteert dat al is geregistreerd. Druk op [Registreren] als u het programma wilt overschrijven. Als u een nieuw programmanummer selecteert, kunt u deze stap overslaan. Ga door naar de volgende stap. I Voer een programmanaam in. J Druk op [OK]. Bij overschrijving wordt het geregistreerde programma verwijderd. De nieuwe programmanaam wordt kort weergegeven, waarna het eerste scherm opnieuw wordt geopend
136 Verschillende scannerinstellingen Een programma wissen U kunt een geregistreerd programma als volgt verwijderen: A Druk op de toets {Programmeren}. ARR002S B Druk op [Verwijderen]. 6 C Druk op het nummer van het programma dat u wilt wissen. D Druk op [Ja]. Het programma wordt verwijderd en het eerste scherm wordt na enkele ogenblikken opnieuw geopend. 128
137 Programma s De geregistreerde programmanaam wijzigen U kunt de naam van een geregistreerd programma als volgt wijzigen: A Druk op de toets {Programmeren}. ARR002S B Druk op [Naam wijzigen]. C Druk op het nummer van het programma waarvan u de naam wilt wijzigen. D Voer een nieuwe programmanaam in. U kunt een programmanaam invoeren van maximaal 40 tekens invoeren. E Druk op [OK]. De nieuwe programmanaam wordt kort weergegeven, waarna het eerste scherm opnieuw wordt geopend
138 Verschillende scannerinstellingen Scaninstellingen bij het gebruik van de TWAIN-scanner In deze paragraaf wordt uitgelegd hoe de origineelrichting en scaninstellingen kunnen worden opgegeven voor een batch originelen van gemengd formaat bij het gebruik van de TWAIN-scanner. Origineelrichting instellen op de TWAIN-scanner 6 Voor het correct weergeven van de boven/onder-richting van het gescande origineel op een cliëntcomputer moeten de plaatsing van het origineel en de instellingen in het dialoogvenster Scanner Control overeenkomen. A Open het dialoogvenster Scanner Control. Zie Basisbewerking voor TWAIN-compatibele netwerkscanner voor meer informatie over het openen van het dialoogvenster Scanner Control. B Selecteer de plaats van het origineel in de lijst [Scanmethode orig.:]. C Selecteer in de lijst [Oorspr.afd.richt:] de optie [ ] of [ ]. D Selecteer in de lijst [Afdrukstand:] de optie [ / ], [ / ], [ / ] of [ / ]. E Als een origineel in de ADF wordt geplaatst, selecteert u in de vervolgkeuzelijst van [Scaninstellingen] de optie [1-zijd.], [(Boven/boven)] of [(Boven/onder)]. Verwijzing Pag.97 Basisbewerking voor TWAIN-compatibele netwerkscanner 130
139 Scaninstellingen bij het gebruik van de TWAIN-scanner Originelen plaatsen De volgende tabel bevat de relatie tussen de origineelrichting en de instellingen in het dialoogvenster Scannereigenschappen: Glasplaat Origineelrichting bovenrand raakt linkerbovenhoek van de glasplaat Deze richting is de standaardinstelling in het TWAIN-stuurprogramma. Plaats originelen doorgaans in deze richting. Toets dialoogvenster TWAIN Scanner Control bovenrand raakt achterzijde van de glasplaat ADF 6 Origineelrichting bovenrand van het origineel wordt eerst geplaatst Toets dialoogvenster TWAIN Scanner Control bovenrand raakt achterzijde ADF Opmerking Originelen zijn normaal gesproken rechthoekig ( ) of in horizontale lengte ( ). In de bovenstaande tabel worden echter vierkanten gebruikt, zodat de origineelrichting gemakkelijker te begrijpen is. Zelfs wanneer de werkelijke vorm van het origineel afwijkt, zal de combinatie van origineelrichting en de richting die in het scannerstuurprogramma is opgegeven, niet wijzigen. Zie de Help bij de TWAIN-compatibele netwerkscanner voor meer informatie over het dialoogvenster Scanner Control. Afhankelijk van de instellingen, worden originelen van verschillend formaat op verschillende manieren gescand. 131
140 Verschillende scannerinstellingen Scannen van originelen van gemengd formaat met gebruik van de TWAIN-scanner In deze paragraaf worden de verschillen uitgelegd tussen het scannen van originelen van gemengd formaat met gebruik van de TWAIN-scanner en het normaal scannen. Als [Auto det.(versch.form.)] is geselecteerd in de [Oorspronk. form.:]-lijst, detecteert het apparaat de lengte van elk origineel met dezelfde breedte en scant het. Als [Auto det.(uniformaat)] wordt geselecteerd in de lijst [Oorspronk. form.:] detecteert het apparaat het formaat van het eerste origineel van de batch en scant alle daaropvolgende originelen op basis van dat formaat
141 7. Appendix In de bijlage bij deze handleiding vindt u specificaties van de scannerfunctie en worden aanvullende instellingen uitgelegd. De relatie tussen de resolutie en het scanformaat In deze paragraaf wordt de relatie tussen de resolutie en het scanformaat uitgelegd. De resolutie en het scanformaat zijn omgekeerd evenredig aan elkaar. Hoe hoger de resolutie (dpi), hoe kleiner het gebied dat kan worden gescand. Hoe groter het scangebied, des te lager de resolutie die kan worden ingesteld. De relatie tussen de scanresolutie en het scanformaat ziet u hieronder. Wanneer de combinatie onleesbaar is, wordt Maximale gegevens capaciteit overschreden. Controleer de scan resolutie, druk dan opnieuw op Start. weergegeven op het display van het bedieningspaneel van het apparaat. Wijzig de omstandigheden tot het scannen weer wordt geactiveerd. Opmerking Het beeldcompressieniveau kan de maximum afbeeldingsgrootte beperken. 133
142 Appendix Bij het gebruik van , naar map verzenden, opslaan of netwerkbezorging In deze paragraaf wordt de relatie uitgelegd tussen resolutie en scanformaat bij het gebruik van de functie voor en, scan-to-folder, opslaan of netwerkbezorging. Als [Tekst (afdrukken)], [Text (OCR)], [Tekst/Foto] of [Foto] is geselecteerd voor Scantype Alle combinaties tot A3/ mm (11 17 inch) en 600 dpi kunnen worden gescand. Als [Grijswaarden] is geselecteerd voor Scantype De originelen kunnen worden gescand met combinaties die in de tabel gemarkeerd zijn met. A3 B4 A4 B5 A5 100 dpi 200 dpi 300 dpi 400 dpi 600 dpi 7 B6 A6 A Legal (8 1 / 2 14) 8 1 / 2 13 Letter (8 1 / 2 11) 5 1 / / 2 Opmerking Geef de formaten B6, A6 en A7 rechtstreeks op. B6 (128 mm 182 mm) A6 (105 mm 148 mm) A7 (74 mm 105 mm) 134
143 De relatie tussen de resolutie en het scanformaat Bij gebruik als TWAIN-scanner In deze paragraaf wordt de relatie uitgelegd tussen de resolutie en het scanformaat als het apparaat als TWAIN-scanner wordt gebruikt. Raadpleeg de Help van het TWAIN-stuurprogramma om het scangebied of de resolutie op te geven op het apparaat dat u als TWAIN-compatibele netwerkscanner gebruikt. Als [Binair(Tekst)] of [Binair(Foto)] is geselecteerd in [Kleur/verloop:] De originelen kunnen worden gescand met combinaties die gemarkeerd zijn met in de tabel, als de origineelrichting L is. 100 dpi 200 dpi 300 dpi 400 dpi 500 dpi 600 dpi 700 dpi 800 dpi 900 dpi 1000 dpi 1100 dpi 1200 dpi A3 B4 A4 B5 A5 B6 A6 A Legal (8 1 / 2 14) 8 1 / 2 13 Letter (8 1 / 2 11) 5 1 / / 2 Opmerking Voer het formaat A7 (74 mm 105 mm) rechtstreeks in. 135
144 Appendix Als [Grijstint] is geselecteerd in [Kleur/verloop:] De originelen kunnen worden gescand met combinaties die gemarkeerd zijn met in de tabel, als de origineelrichting L is. 100 dpi 200 dpi 300 dpi 400 dpi 500 dpi 600 dpi 700 dpi 800 dpi 900 dpi 1000 dpi 1100 dpi 1200 dpi A3 B4 A4 B5 A5 B6 A6 A Legal (8 1 / 2 14) 8 1 / Letter (8 1 / 2 11) 5 1 / / 2 Opmerking Voer het formaat A7 (74 mm 105 mm) rechtstreeks in. 136
145 Scaninstellingen en bestandstypen Scaninstellingen en bestandstypen In deze paragraaf wordt de relatie uitgelegd tussen het bestandstype dat is opgegeven voor het scannen van originelen en het bestandstype waarnaar bestanden worden geconverteerd bij het verzenden per of via scan-to-folder. Bestandstype één pagina Scantype TIFF/JPEG opgegeven PDF Tekst (afdrukken), Text (OCR), Tekst/Foto, Foto Grijswaarden TIFF TIFF (niet-gecomprimeerd) / JPEG (gecomprimeerd) PDF PDF Bestandstype meerdere pagina s Scantype TIFF opgegeven PDF Tekst (afdrukken), Text (OCR), Tekst/Foto, Foto TIFF PDF Grijswaarden TIFF (niet-gecomprimeerd) PDF Opmerking Wanneer u een gescand origineel naar een TIFF-/JPEG-bestand van één pagina wilt converteren en [Grijswaarden] is geselecteerd in [Scantype] bij [Scaninstellingen], wordt het bestandstype als volgt gewijzigd, afhankelijk van de instelling [Compressie (grijswaarden)] bij [Scannereigenschappen]: [Aan]...JPEG [Uit]...TIFF Wanneer u [Compressie (grijswaarden)] instelt op [Aan] onder [Scannereigenschappen], kunt u TIFF-bestand met meerdere pagina s niet als bestandstype selecteren wanneer u [Grijswaarden] opgeeft in [Scantype] onder [Scaninstellingen]. Bestanden worden opgeslagen in de indeling voor één pagina. Wanneer u bestanden per of via scan-to-folder verzendt, kunt u kiezen voor de indeling Eén pagina of Meerdere pagina s. JPEG-bestanden kunnen niet als TIFF-bestand van meerdere pagina s worden verzonden, zelfs niet als u aangeeft dat het als TIFF-bestand van meerdere pagina s moet worden verzonden. Het bestand wordt in een andere standaardindeling verzonden dan TIFF met meerdere pagina s
146 Appendix Software meegeleverd op CD-rom In deze paragraaf worden de toepassingen op de bijgeleverde CD-rom Scanner Driver and Utilities of Scanner Driver/Font Manager and Utilities uitgelegd. Programma Auto Run In deze paragraaf wordt het programma Auto Run uitgelegd. Wanneer de CD-rom wordt geplaatst in een cliëntcomputer onder Windows 95/98/Me/2000/XP, Windows Server 2003 of Windows NT 4.0, begint het installatieprogramma automatisch (Auto Run) met het installeren van de diverse software. 7 Opmerking Meld u aan als een lid van de groep Beheerders bij een installatie onder Windows 2000/XP, Windows Server 2003 of Windows NT 4.0. Bij bepaalde instellingen van het besturingssysteem werkt het programma Auto Run mogelijk niet. Als dat gebeurt, start u Setup.exe in de root directory van de CD-rom. Om Auto Run uit te schakelen, plaatst u de CD-rom terwijl u de Shift-toets ingedrukt houdt. Houd de Shift-toets ingedrukt tot de computer de CD-rom niet meer leest. Wanneer tijdens de installatie wordt gedrukt op [Annuleren], wordt de daaropvolgende installatie van alle software gestopt. Bij annulering kunt u de overige software opnieuw installeren nadat de clientcomputer opnieuw is opgestart. TWAIN-stuurprogramma In deze paragraaf worden het bestandspad naar het TWAIN-stuurprogramma en de systeemvereisten voor het TWAIN-stuurprogramma vermeld. U moet dit stuurprogramma installeren als u originelen wilt scannen of het apparaat wilt gebruiken als een TWAIN-compatibele netwerkscanner. Bestandspad Het TWAIN-stuurprogramma is opgeslagen in de volgende map op de CDrom: \DRIVERS\TWAIN Systeemvereisten Computerhardware PC/AT-compatibele apparaten die het besturingssysteem goed ondersteunen Dit stuurprogramma kan niet worden gebruikt onder Windows NT met RISC-processoren (MIPS R-serie, Alpha AXP of PowerPC). 138
147 Software meegeleverd op CD-rom Besturingssysteem Microsoft Windows 95/98/Me Microsoft Windows 2000/XP Microsoft Windows NT 4.0 Microsoft Windows Server 2003 Beeldschermresolutie pixels, 256 kleuren of meer DeskTopBinder Lite In deze paragraaf worden het bestandspad naar DeskTopBinder Lite, de systeemvereisten voor DeskTopBinder Lite en de toepassingen die met DeskTop- Binder Lite worden geïnstalleerd, vermeld. DeskTopBinder wordt geïnstalleerd op de clientcomputers ten behoeve van de integratie en het beheer van diverse soorten bestanden, zoals scanbestanden, met toepassingen gemaakte bestanden en bestaande scanbestanden. Met deze software kunt u verscheidene functies gebruiken voor opgeslagen scanbestanden zoals het bekijken van opgeslagen bestanden. U kunt ook, met de ScanRoutersoftware, de bestanden die zijn opgeslagen in de in-laden van de bezorgingsserver bekijken of andere functies voor opgeslagen bestanden gebruiken. Meer informatie over DeskTopBinder Lite vindt u in de handleidingen bij DeskTopBinder Lite of de Help van DeskTopBinder Lite. Bestandspad DeskTopBinder Lite wordt opgeslagen in de onderstaande map op de bij dit apparaat geleverde CD-rom: \UTILITY\DESKV2 Systeemvereisten Computerhardware PC/AT-compatibele apparaten die het volgende besturingssysteem goed ondersteunen Besturingssysteem Bij het installeren van alle functies van DeskTopBinder: Microsoft Windows 98SE/Me/2000 Professional SP1 of recentere versies; 2000 Server SP1 of recentere versies; 2000 Advanced Server SP1 of recentere versies; XP Professional; XP Home Edition Microsoft Windows Server 2003 Standard Edition/Enterprise Edition 7 Wanneer u alleen SmartDeviceMonitor for Client installeert Microsoft Windows 95 SP1/98/98SE/Me/2000 Professional SP1 of recentere versies; 2000 Server SP1 of recentere versies; XP Professional/XP Home Edition Microsoft Windows Server 2003 Standard Edition/Enterprise Edition Microsoft Windows NT 4.0 SP5 of recentere versies Beeldschermresolutie pixels, 64 K kleuren of hoger 139
148 Appendix Software geïnstalleerd met DeskTopBinder Lite Auto Document Link Auto Document Link op de clientcomputer controleert periodiek de in-laden van de bezorgingsserver, haalt bestanden op die in de in-laden zijn bezorgd en meldt bezorgingen aan de gebruiker. Function Palette Met behulp van Function Palette kunt u DeskTopBinder-functies uitvoeren zoals scannen met behulp van de TWAIN-compatibele scanner of afdrukken zonder DeskTopBinder te hoeven starten. Als u deze functies vanuit Function Palette wilt gebruiken, moet u deze eerst configureren met behulp van de Uitgebreide functies van DeskTopBinder. Meer informatie over Function Palette vindt u in de handleidingen bij DeskTopBinder. SmartDeviceMonitor for Client SmartDeviceMonitor for Client biedt functies waarmee de status van het apparaat voortdurend op het netwerk via TCP/IP of IPX/SPX kan worden gecontroleerd
149 Waarden van verschillende ingestelde opties voor de functie voor verzending, opslag of bezorging Waarden van verschillende ingestelde opties voor de functie voor verzending, opslag of bezorging In deze paragraaf worden de waarden van verschillende instellingen van de functie voor verzending, opslag of bezorging uitgelegd. Opmerking Afhankelijk van het soort instellingen van het bestand of origineel, kunt u mogelijk de bestemming niet opgeven of het maximum aantal tekens niet invoeren dat hieronder wordt aangegeven. Verzendfunctie In deze paragraaf worden de waarden uitgelegd van de instellingen van de verzendfunctie. verzenden De volgende tabel geeft de maximum waarden voor de instellingen voor verzenden per . Optie Maximum waarde Opmerkingen Aantal tekens onderwerpregel 128 alfanumerieke tekens - Aantal tekens bericht 80 alfanumerieke tekens Dit is het totaal aantal tekens dat in de lijst wordt geselecteerd en het aantal tekens dat rechtstreeks vanuit tekst wordt ingevoerd. Aantal tekens adres 128 alfanumerieke tekens adressen die via een zoekopdracht op de LDAP-server worden gevonden, kunnen niet worden geselecteerd als deze uit meer dan 128 tekens bestaan. Aantal adressen dat u gelijktijdig kunt opgeven 500 adressen U kunt 100 bestemmingen opgeven via rechtstreekse invoer, inclusief LDAP-zoekopdrachten. Selecteer de overige 400 bestemmingen via geregistreerde adressen. Verzendbare bestandsgrootte 725,3 MB per bestand - Verzendbaar aantal pagina s 1000 pagina s per bestand
150 Appendix Naar map verzenden De volgende tabel bevat de maximum waarden voor de instellingen voor verzenden via scan-to-folder. Optie Maximum waarde Opmerkingen Aantal tekens padnaam bij SMB 128 alfanumerieke tekens - 7 Aantal tekens gebruikersnaam bij SMB Aantal tekens wachtwoord bij SMB 64 alfanumerieke tekens - 64 alfanumerieke tekens - Aantal tekens servernaam bij FTP 64 alfanumerieke tekens - Aantal tekens padnaam bij FTP 128 alfanumerieke tekens - Aantal tekens gebruikersnaam bij FTP 64 alfanumerieke tekens - Aantal tekens wachtwoord bij FTP 64 alfanumerieke tekens - Aantal tekens pad bij NCP 128 alfanumerieke tekens - Aantal tekens gebruikersnaam bij NCP 64 alfanumerieke tekens - Aantal tekens wachtwoord bij NCP 64 alfanumerieke tekens - Aantal adressen dat u gelijktijdig kunt opgeven 50 adressen U kunt maximaal 50 rechtstreeks ingevoerde bestemmingen opgeven. Verzendbare bestandsgrootte 2000 MB per bestand - Gelijktijdige verzending De volgende tabel bevat de maximum waarden voor instellingen voor het gelijktijdig gebruik van - en scan-to-folderfuncties. Optie Maximum waarde Opmerkingen Aantal bestemmingen dat u voor en scan-to-folder kunt selecteren Aantal bestemmingen dat u voor verzenden per kunt selecteren Aantal bestemmingen dat u voor verzenden via scan-to-folder kunt instellen 550 adressen adressen U kunt maximaal 100 rechtstreeks ingevoerde bestemmingen opgeven, waaronder bestemmingen die via LDAPzoekopdrachten zijn opgehaald. 50 adressen - 142
151 Waarden van verschillende ingestelde opties voor de functie voor verzending, opslag of bezorging Opslagfunctie De volgende tabel bevat de maximum waarden voor de instellingen voor de opslagfunctie. Optie Maximum waarde Opmerkingen Aantal tekens bestandsnaam 64 alfanumerieke tekens De eerste zestien tekens worden in het bedieningspaneel weergegeven. Wanneer u de opgeslagen bestanden bekijkt van een client computer met Desk- TopBinder, dan kunt u alle ingevoerde teken zien. Aantal tekens gebruikersnaam 20 alfanumerieke tekens De eerste zestien tekens worden in het bedieningspaneel weergegeven. Wanneer u de opgeslagen bestanden bekijkt van een client computer met Desk- TopBinder, dan kunt u alle ingevoerde teken zien. Aantal tekens wachtwoord vier- tot achtcijferig nummer - Aantal opgeslagen bestanden dat u gelijktijdig kunt selecteren Aantal bestanden dat u kunt opslaan Aantal pagina s dat u kunt opslaan Aantal pagina s per bestand dat u kunt opslaan 30 bestanden bestanden Dit is het totaal aantal bestanden dat kan worden opgeslagen onder de scan-, kopieer-, document server- en printerfunctie pagina s Dit is het totaal aantal bestanden dat kan worden opgeslagen onder de scan-, kopieer-, document server- en printerfunctie pagina s - Formaat dat u kunt opslaan 2000 MB per bestand
152 Appendix Functie netwerkbezorging De volgende tabel bevat de waarden voor het instellen van opties voor de netwerkbezorgingsscanner-functie. Optie Maximum waarde Opmerkingen Aantal tekens onderwerpregel 128 alfanumerieke tekens Dit is het totaal aantal tekens dat in de lijst wordt geselecteerd en het aantal tekens dat rechtstreeks vanuit tekst wordt ingevoerd. Aantal tekens adres 128 alfanumerieke tekens - 7 Aantal adressen dat u gelijktijdig kunt opgeven 500 adressen U kunt 65 bestemmingen opgeven via rechtstreekse invoer, inclusief LDAP-zoekopdrachten. Selecteer de resterende 435 bestemmingen in de opgeslagen adressen. Het maximumaantal bestemmingen dat u kunt opgeven, hangt af van de ScanRouter-bezorgingstoepassing die u gebruikt. Zie de handleiding bij de ScanRouter-software. Verzendbare bestandsgrootte 2000 MB per bestand - 144
153 Specificaties Specificaties De volgende tabel bevat de specificaties van de scanner. Scanmethode Scansnelheid Type beeldsensor Scantype Interface Maximum scanformaat Scanformaten automatisch detecteerbaar vanaf de glasplaat Scanformaten automatisch detecteerbaar vanuit de ADF Basisresolutie voor scannen Selecteerbare scanresoluties bij het gebruik van de functies voor , scan-to-folder, netwerkbezorgingsscanner Selecteerbare scanresolutie bij het gebruik van TWAIN-scanner Verzendbare bestandsindelingen Beeldcompressietype voor zwart-wit (twee waarden) Beeldcompressietype voor grijstint Netwerkprotocol Protocol voor het verzenden van Protocol voor scan-to-folder Flatbed scannen Bij het gebruik van de functies voor , scan-to-folder, netwerkbezorgingsscanner: 52 pagina s per minuut (Origineelformaat: A4K, Scantype: Tekst (afdrukken), Resolutie: 200 dpi, Compressie (Zwart/Wit): Aan, ITU-T Nr. 1 diagram, enkelzijdig scannen) Scansnelheid varieert, afhankelijk van de volgende factoren: besturingsomgeving van het apparaat en de computer, scaninstellingen en de inhoud van de originelen (dichter bedrukte originelen vragen om meer tijd). CCD-beeldsensor Vel, boek Ethernet-interface (10BASE-T of 100BASE-TX), IEEE b (draadloos LAN) (optioneel) A3/DLT ( mm) A3L, B4L, A4K, A4L, B5K, B5L A3L, B4L, A4K, A4L, B5K, B5L, A5K, A5L, B6K, B6L, 11" 17"L, 8 1 / 2 " 13"L, 8 1 / 2 " 11"L, 8 1 / 2 " 11"K 600 dpi (8-bit grijstint) 100 dpi, 200 dpi, 300 dpi, 400 dpi, 600 dpi 100 dpi tot 1200 dpi TIFF, JPEG, PDF TIFF (MH, MR, MMR) JPEG TCP/IP, IPX SMTP, POP3 SMB, FTP, NCP 7 145
154 INDEX D 1-zijdig orig., zijdig orig., 110 A Aangepast formaat, 101, 102, 105, 108 ADF, 108, 113, 131 Adresboek, 10, 36, 43 Afzender, 24, 25, 26, 88 Alleen opslaan, 59 Autodetectie, 101 Automatische belichting, 100 B Batch, 114 Bedieningspaneel, 3 Beheerdertoepassingen, 6 Belichting, 100 Bericht, 28 Bestanden bezorgen, 81 Bestanden verzenden FTP, 48 gedeelde netwerkmap, 44 NetWare-server, 50 Bestandsgegevens, 61, 62, 63 Bestandsnaam, 61, 62, 74, 122 Bestandsnaam instellen, 123 Bestandstype, 122 Bestandstype instellen, 122 Bestemming bezorging, 85 , 16 scan-to-folder, 41 Bestemmingenoverzicht, 17, 42 Bestemmingen selecteren, 16, 41, 85 Bevestigingsdisplays, 3 instellingen controleren, 3 status scanbestand, 4 Bewerken, 109 Bezorgingsbestemming, 85 Bezorgingsserver, 77, 85 Bindery, 50, 52 C CD-rom, 138 CSV-bestand, 10, 36 De afzender opgeven, 24, 88 DeskTopBinder Lite, 68, 77, 79, 139 De URL per verzenden, 31 Display bevestigingsdisplays, 3 Draadloos LAN, 10, 35, 78, 95 Dubbelzijdig origineel, 110 E F Een bestandsnaam wijzigen, 74 Een bestemming registreren, 23 Een adres invoeren, 19 Een gebruikersnaam wijzigen, 72 Een opgeslagen bestand verwijderen, 71 Een origineel plaatsen, 108 Eén pagina, 137 Een wachtwoord wijzigen, 75 , 9, 134 adres, 10 bericht, 28 bestemming, 16 adresboek apparaat, 16 bestemmingslijst, 17 registratienummers, 17 Enkelzijdig origineel, 110 Ethernet, 10, 35, 78, 95 Foto, 100 FTP, 34 FTP-server, 48 Functies, 2 G Geavanceerd zoeken, 20 Gebruikersinstellingen/Teller, 6 Gebruikersnaam, 61, 72 Gegevens van een opgeslagen bestand wijzigen, 72 Gegevens van opgeslagen bestand, 72 Gemengde formaten, 101, 132 Glasplaat, 108, 113, 131 Grijstint,
155 H I J Handmatige invoer, 19, 44 Het bericht opgeven, 28 Het onderwerp opgeven, 91 Het pad invoeren, 44 Het pad opgeven, 46 Het pad registreren, 54 Installeren, 79, 96 Instellingen voor bestemmingslijst, 6 Instellingen voor verzenden, 6 Invoertype origineel, 112 I/O apparaat, 78 L JPEG, 137 LDAP, 9 LDAP-server, 20 M Meerdere pagina s, 137 Meerdere pagina s scannen, 120 N Naam afzender, 24, 25, 26, 88, 89, 90 Naar map verzenden, 134 NCP, 50, 52 NDS, 50, 52 NetWare, 35, 50, 52 Netwerkbezorging, 134 O Onderwerp, 27, 91 Onderwerp/Bericht, 27, 28, 29 Onderwerp toevoegen, 27, 91 Ontvangstbevestiging, 12, 81 Opgeslagen bestanden beheren, 71 Opgeslagen bestanden controleren vanaf een clientcomputer, 68 Opgeslagen bestanden verzenden, 69 Opslaan, 57, 134 Opslag, 30, 55, 92 Overschakelen naar scherm scherm, 15 scan-to-folder, 40 scherm netwerkbezorgingsscanner, 84 Overzicht van opgeslagen bestanden, 64 P PDF, 122, 137 Programma Auto Run, 138 Programma s, 125 de naam wijzigen, 129 geregistreerd programma wijzigen, 127 oproepen, 126 registreren, 125 verwijderen, 128 R Rand wissen, 109 Registratienummers, 17, 25, 42, 86, 89 Registratienummers opgeven, 86 Registreren in het adresboek, 23 Resolutie, 100 Resolutie en scanformaat, 133, 135 Resultaat van verzending, 4 S SADF, 114 Scanbestanden opslaan, 30, 55, 59, 92 Scanbestanden per verzenden, 9, 12 Scanformaat, 101 Scaninstellingen, 6, 99 Scannereigenschappen, 6 ScanRouter-bezorgingssoftware, 77 Scan-to-folder, 33, 38 Scan-to-folderbestemming, 41 Scantype, 100, 134 Scherm , 11 netwerkbezorgingsscanner, 80 opgeslagen bestanden, 64 scan-to-folder, 37 Sjabloonformaat, 101 SmartDeviceMonitor for Admin, 10, 36 SMB, 33, 46 SMTP, 9 Specificaties, 145 Status scanbestand, 4 Stempelen, 118 Symbolen, 1 147
156 T Tekst (afdrukken), 100 Tekst/Foto, 100 Tekst (OCR), 100 TIFF, 137 TIFF/JPEG, 122 TWAIN-scanner, 93, 94, 97, 130, 132, 135 origineelrichting instellen, 130 TWAIN-stuurprogramma, 96, 97, 138 U V URL, 31 Verdelen, 117 Verzenden & Opslaan, 30, 55, 92 Verzenden via scan-to-folder, 33 Verzendfunctie gelijktijdig verzenden, 142 Naar map verzenden, 142 verzenden per , 141 Voorbereiding bezorgen, 78 de TWAIN-netwerkscanner gebruiken, 95 scan-to-folder, 35 Voorbereidingen verzenden per , 10 W Waarden van verschillende ingestelde opties, 141 netwerkbezorgingsfunctie, 144 opslagfuncties, 143 verzendfunctie, 141 Wachtwoord, 61, 63, 75 Web Image Monitor, 10, 36, 57, 68 Z Zoeken in de bestemmingslijst van de bezorgingsserver, 86 Zoeken in de lijst met opgeslagen bestanden, 66 Zoeken in het adresboek van het apparaat, 18 Zoeken op bestandsnaam, 67 Zoeken op gebruikersnaam, 66, 90 Zoeken op opmerking, DU NL D
157 Verklaring van conformiteit Dit product voldoet aan de eisen van de EMC-richtlijn 89/336/EEG en de bepalingen tot wijziging hiervan en de Laagspanningsrichtlijn 73/23/EEG en de bepalingen tot wijziging hiervan. Handelsmerken Adobe, PostScript en Acrobat zijn handelsmerken van Adobe Systems Incorporated. Pentium is een gedeponeerd handelsmerk van Intel Corporation. NetWare is een gedeponeerd handelsmerk van Novell, Inc. Microsoft, Windows en Windows NT zijn gedeponeerde handelsmerken van Microsoft Corporation. Andere productnamen die in deze documentatie worden gebruikt, dienen uitsluitend ter identificatie en zijn mogelijk handelsmerken van hun respectievelijke eigenaren. We maken geen aanspraak op enig recht op deze merken. De productnaam van Windows 95 is Microsoft Windows 95. De productnaam van Windows 98 is Microsoft Windows 98. De productnaam van Windows Me is Microsoft Windows Millennium Edition (Windows Me). De productnamen van Windows 2000 zijn als volgt: Microsoft Windows 2000 Professional Microsoft Windows 2000 Server Microsoft Windows 2000 Advanced Server De productnamen van Windows XP zijn als volgt: Microsoft Windows XP Home Edition Microsoft Windows XP Professional De productnamen van Windows Server TM 2003 zijn als volgt: Microsoft Windows Server TM 2003 Standard Edition Microsoft Windows Server TM 2003 Enterprise Edition Microsoft Windows Server TM 2003 Web Edition De productnamen van Windows NT 4.0 zijn als volgt: Microsoft Windows NT Workstation 4.0 Microsoft Windows NT Server 4.0 Copyright 2006
158 DU NL D Gebruiksaanwijzing Scannerhandleiding
Scannerhandleiding. Gebruiksaanwijzing
Gebruiksaanwijzing Scannerhandleiding 1 2 3 4 5 6 7 Het versturen van een scanbestand per e-mail Scanbestanden naar mappen verzenden Bestanden opslaan met de scanfunctie Scanbestanden bezorgen Originelen
Scannerhandleiding. Gebruiksaanwijzing
Gebruiksaanwijzing Scannerhandleiding 1 2 3 4 5 6 Het versturen van een scanbestand per e-mail Scanbestanden versturen met scan-to-folder Scanbestanden bezorgen Het apparaat gebruiken als een TWAIN-compatibele
Scannerhandleiding. Gebruiksaanwijzing
Gebruiksaanwijzing Scannerhandleiding 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 Beginnen Het versturen van een scanbestand per e-mail Scanbestanden versturen met scan-to-folder Opslaan van bestanden Scanbestanden bezorgen
Printer/Scanner Unit Type 3045. Scannerhandleiding. Gebruiksaanwijzing
Printer/Scanner Unit Type 3045 Gebruiksaanwijzing Scannerhandleiding 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 Beginnen Het versturen van een scanbestand per e-mail Scanbestanden versturen met scan-to-folder Opslaan van bestanden
2 mei 2014. Remote Scan
2 mei 2014 Remote Scan 2014 Electronics For Imaging. De informatie in deze publicatie wordt beschermd volgens de Kennisgevingen voor dit product. Inhoudsopgave 3 Inhoudsopgave...5 openen...5 Postvakken...5
Fiery Remote Scan. Fiery Remote Scan openen. Postvakken
Fiery Remote Scan Met Fiery Remote Scan kunt u scantaken op de Fiery-server en de printer beheren vanaf een externe computer. Met Fiery Remote Scan kunt u het volgende doen: Scans starten vanaf de glasplaat
Fax Connection Unit Type C Gebruiksaanwijzing
Fax Connection Unit Type C Gebruiksaanwijzing Voor een veilig en correct gebruikt, dient u de Veiligheidsinformatie in "Lees dit eerst" te lezen voordat u het apparaat gebruikt. INHOUDSOPGAVE Hoe werkt
Fiery Remote Scan. Verbinden met Fiery servers. Verbinding maken met een Fiery server bij het eerste gebruik
Fiery Remote Scan Met Fiery Remote Scan kunt u scantaken beheren op de Fiery server en de printer vanaf een externe computer. Met Fiery Remote Scan kunt u het volgende doen: Scans starten vanaf de glasplaat
Kopiëren via de glasplaat. 1 Plaats het originele document met de bedrukte zijde naar beneden in de linkerbovenhoek van de glasplaat.
Naslagkaart Wordt gekopieerd Kopieën maken Snel kopiëren 3 Druk op het bedieningspaneel van de printer op. 4 Als u het document op de glasplaat hebt gelegd, raakt u Finish the Job (Taak voltooien) aan
Xerox WorkCentre 6655 multifunctionele kleurenprinter Bedieningspaneel
Bedieningspaneel Beschikbare services kunnen variëren afhankelijk van uw printerinstellingen. Zie de Handleiding voor de gebruiker voor meer informatie over functies en instellingen. 3 4 5 Aanraakscherm
Gids Instelling Verzenden
Gids Instelling Verzenden In deze handleiding wordt uitgelegd hoe u de Instel-tool Zendfunctie kunt gebruiken om de machine in te stellen voor het scannen van documenten als e-mails (Verzenden naar e-mail)
Installatiehandleiding MF-stuurprogramma
Nederlands Installatiehandleiding MF-stuurprogramma Cd met gebruikerssoftware.............................................................. 1 Informatie over de stuurprogramma s en de software.............................................
Gebruikershandleiding MFP kleur systemen. Aanteken vel. infotec kenniscentrum. Infotec gebruikershandleiding
Gebruikershandleiding MFP kleur systemen Aanteken vel Het Bedieningspaneel Functie paneel Functietoetsen Geeft de keuze om te wisselen tussen de functies: Kopiëren - Doc. Server Faxen - Printen - Scannen
Kopiëren...5. Kopieën maken...5. Taakonderbreking...6 Een kopieertaak annuleren en...7. Voorbereiden op het per verzenden...
Naslagkaart Inhoudsopgave Kopiëren...5 Kopieën maken...5 Snel kopiëren...5 Kopiëren via de ADF...5 Kopiëren via de glasplaat...5 Taakonderbreking...6 Een kopieertaak annuleren...6 Een kopieertaak annuleren
Xerox ColorQube 8700 / 8900 Bedieningspaneel
Bedieningspaneel Beschikbare services kunnen variëren afhankelijk van uw printerinstellingen. Zie de Handleiding voor de gebruiker voor meer informatie over functies en instellingen. 3 5 Ontgrendeling
Gids Instelling Verzenden
Gids Instelling Verzenden In deze gids wordt uitgelegd hoe u de functies Verzenden naar e-mail en Opslaan in gedeelde map kunt instellen met behulp van de Instel-tool Zendfunctie en hoe u kunt controleren
Handleiding Wi-Fi Direct
Handleiding Wi-Fi Direct Eenvoudige installatie via Wi-Fi Direct Problemen oplossen Appendix Inhoud Hoe werken deze handleidingen?... 2 Symbolen in de handleidingen... 2 Disclaimer... 2 1. Eenvoudige
Xerox ColorQube 9301 / 9302 / 9303 Bedieningspaneel
Xerox ColorQube 90 / 90 / 90 Bedieningspaneel Beschikbare services kunnen variëren afhankelijk van uw printerinstellingen. Zie de Handleiding voor de gebruiker voor meer informatie over functies en instellingen.?
BEKNOPTE HANDLEIDING INHOUD. voor Windows Vista
BEKNOPTE HANDLEIDING voor Windows Vista INHOUD Hoofdstuk 1: SYSTEEMVEREISTEN...1 Hoofdstuk 2: PRINTERSOFTWARE INSTALLEREN ONDER WINDOWS...2 Software installeren om af te drukken op een lokale printer...
FAX Option Type 3030. Faxhandleiding <Basis functies> Gebruiksaanwijzing
FAX Option Type 3030 Gebruiksaanwijzing Faxhandleiding 1 2 3 4 5 Aan de slag Faxen Internetfaxfuncties gebruiken Programmeren Probleemoplossing Lees deze handleiding aandachtig door voordat
Introductiehandleiding Webmail Dussense Boys
Introductiehandleiding Webmail Dussense Boys Versie: 1.0 Naam: E-mail: H.A.P.P. Ribbers [email protected] Inhoudsopgave Inleiding... 3 Account... 3 Inloggen met uw gebruikersaccount... 4 Introductie
Handleiding mobiel printen/scannen voor Brother iprint&scan (Android )
Handleiding mobiel printen/scannen voor Brother iprint&scan (Android ) Voordat u uw Brother-machine gebruikt Definities van opmerkingen In deze gebruikershandleiding worden de volgende symbolen en conventies
FAX Option Type 3045. Faxhandleiding <Basisfuncties> Gebruiksaanwijzing
FAX Option Type 3045 Gebruiksaanwijzing Faxhandleiding 1 2 3 4 5 Aan de slag Faxen Internetfax-functies gebruiken Programmeren Probleemoplossing Lees deze handleiding aandachtig door voordat
Instellingen voor Scannen naar e-mail
Handleiding Snelle configuratie scanfuncties XE3024NL0-2 In deze handleiding vindt u instructies voor het volgende: Instellingen voor Scannen naar e-mail op pagina 1 Instellingen voor Scannen naar mailbox
Xerox WorkCentre 7800-serie Bedieningspaneel
Bedieningspaneel Beschikbare services kunnen variëren afhankelijk van uw printerinstellingen. Zie de Handleiding voor de gebruiker voor meer informatie over functies en instellingen. ABC DEF Menu's GHI
Hulp krijgen. Systeemberichten. Aanmelden/Afmelden. Pictogrammen op het bedieningspaneel
Hulp krijgen Voor informatie/assistentie, raadpleegt u het volgende: Handleiding voor de gebruiker voor informatie over het gebruik van de Xerox 4595. Ga voor online hulp naar: www.xerox.com Klik op de
AirPrint handleiding DCP-J562DW MFC-J480DW MFC-J680DW MFC-J880DW
AirPrint handleiding DCP-J562DW MFC-J480DW MFC-J680DW MFC-J880DW Voordat u uw Brother-machine gebruikt Definities van opmerkingen Handelsmerken Belangrijke opmerking Definities van opmerkingen In deze
Google cloud print handleiding
Google cloud print handleiding Versie 0 DUT Definitie van opmerkingen In deze gebruikershandleiding wordt de volgende aanduiding gebruikt: Opmerkingen leggen uit wat u in een bepaalde situatie moet doen
Google cloud print handleiding
Google cloud print handleiding Versie 0 DUT Definities van opmerkingen In deze gebruikershandleiding wordt de volgende aanduiding gebruikt: en leggen uit wat u in een bepaalde situatie moet doen of hoe
Sharpdesk Mobile V1.1 Gebruikershandleiding
Sharpdesk Mobile V1.1 Gebruikershandleiding Voor de iphone SHARP CORPORATION April 27, 2012 1 Inhoudsopgave 1 Overzicht... 3 2 Ondersteunde besturingssystemen... Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. 3 Installatie
Gebruiksaanwijzing Firmware-updatehandleiding
Gebruiksaanwijzing Firmware-updatehandleiding Voor een veilig en correct gebruik, dient u de Veiligheidsinformatie in "Lees dit eerst" te lezen voordat u het apparaat gebruikt. INHOUDSOPGAVE 1. Firmware-updatehandleiding
Gebruik van het Brother SmartUI Control Center op basis van Windows voor PaperPort 8.0 en Windows XP
Gebruik van het Brother SmartUI Control Center op basis van Windows voor PaperPort 8.0 en Windows XP Brother SmartUI Control Center Het Control Center van Brother is een hulpprogramma waarmee u gemakkelijk
Inhoudsopgave. 2014 web2work Pagina 1 van 16
Inhoudsopgave Aanmelden bij Office 365... 2 Office 365 voor het eerste gebruiken... 2 Persoonlijke instellingen Office 365... 3 Wijzigen wachtwoord... 4 Instellen voorkeurstaal... 4 Office Professional
Google cloud print handleiding
Google cloud print handleiding Versie B DUT Definitie van opmerkingen In deze gebruikershandleiding wordt de volgende stijl voor opmerkingen gebruikt: Opmerkingen leggen uit wat u in een bepaalde situatie
Scannen. WorkCentre C2424-kopieerapparaat-printer
Scannen Dit hoofdstuk omvat: Eenvoudige scantaken op pagina 4-2 Het scannerstuurprogramma installeren op pagina 4-4 Scanopties aanpassen op pagina 4-5 Afbeeldingen ophalen op pagina 4-11 Bestanden en scanopties
Inhoudsopgave. Opmerking: het is aanbevolen de verschillende onderdelen te installeren in de volgorde waarin ze op het scherm verschijnen.
Deze Beknopte Gebruiksaanwijzing helpt u bij de installatie en het gebruik van IRIScan Express 3. De meegeleverde software is Readiris Pro 12. Voor gedetailleerde informatie over alle mogelijkheden van
Verkorte Handleiding DX-C200. Namen en locaties. De kopieerfunctie gebruiken. De scannerfunctie gebruiken. De faxfunctie gebruiken. Problemen oplossen
DX-C200 Verkorte Handleiding Namen en locaties De kopieerfunctie gebruiken De scannerfunctie gebruiken De faxfunctie gebruiken Problemen oplossen Papierstoringen oplossen Inktcartridges Lees deze handleiding
Verkorte handleiding. 1. Installeren van Readiris TM. 2. Opstarten van Readiris TM
Verkorte handleiding Deze Verkorte handleiding helpt u bij de installatie en het gebruik van Readiris TM 15. Voor gedetailleerde informatie over alle mogelijkheden van Readiris TM, raadpleeg het hulpbestand
Software-installatiehandleiding
Software-installatiehandleiding In deze handleiding wordt uitgelegd hoe u de software via een USB- of netwerkverbinding installeert. Netwerkverbinding is niet beschikbaar voor de modellen SP 200/200S/203S/203SF/204SF.
AirPrint handleiding
AirPrint handleiding Deze gebruikershandleiding is van toepassing op de volgende modellen: HL-L340DW/L360DN/L360DW/L36DN/L365DW/ L366DW/L380DW DCP-L50DW/L540DN/L540DW/L54DW/L560DW MFC-L700DW/L70DW/L703DW/L70DW/L740DW
Handleiding. Outlook Web App 2010 - CLOUD. Versie: 22 oktober 2012. Toegang tot uw e-mailberichten via internet
Handleiding Outlook Web App 2010 - CLOUD Versie: 22 oktober 2012 Toegang tot uw e-mailberichten via internet Handleiding Multrix Outlook Web App 2010 - CLOUD Voorblad Inhoudsopgave 1 Inleiding...3 2 Inloggen...4
Gebruiksaanwijzing Website met toepassingen
Lees deze handleiding zorgvuldig voordat u dit apparaat gebruikt en bewaar deze voor toekomstige raadpleging. Gebruiksaanwijzing Website met toepassingen INHOUDSOPGAVE Hoe werkt deze handleiding?... 2
Sharpdesk Mobile V1.1 Gebruikershandleiding
Sharpdesk Mobile V1.1 Gebruikershandleiding Voor de ipad SHARP CORPORATION 27 April, 2012 1 Inhoudsopgave 1 Overzicht... 3 2 Ondersteunde besturingssystemen... 4 3 Installatie en starten van de applicatie...
Templates aanmaken voor scannaar-bestand
MULTIFUNCTIONELE DIGITALE SYSTEMEN Templates aanmaken voor scannaar-bestand Versie: 1.0 Scan-to-File voorbereiden Alvorens er templates kunnen worden aangemaakt, dient de scan-to-file functie te zijn voorbereid,
Voor gebruikers van de Ricoh Smart Device Connector: Het apparaat configureren
Voor gebruikers van de Ricoh Smart Device Connector: Het apparaat configureren INHOUDSOPGAVE 1. Voor alle gebruikers Inleiding...3 Hoe werkt deze handleiding?...3 Handelsmerken...4 Wat is Ricoh Smart
Installatiehandleiding software
Installatiehandleiding software In deze handleiding wordt uitgelegd hoe u de software via een USB- of netwerkverbinding installeert. Netwerkverbinding is niet beschikbaar voor de modellen SP 200/200S/203S/203SF/204SF.
Handleiding mobiel printen/scannen voor Brother iprint&scan (Android )
Handleiding mobiel printen/scannen voor Brother iprint&scan (Android ) Inhoudsopgave Voordat u uw Brother-machine gebruikt... Definities van opmerkingen... Handelsmerken... Inleiding... Brother iprint&scan
Handleiding Wi-Fi Direct
Handleiding Wi-Fi Direct Eenvoudige installatie via Wi-Fi Direct Problemen oplossen Inhoudsopgave Hoe werken deze handleidingen?... 2 Symbolen in de handleidingen... 2 Disclaimer... 2 1. Eenvoudige installatie
NETWERKHANDLEIDING. Afdruklogboek op netwerk opslaan. Versie 0 DUT
NETWERKHANDLEIDING Afdruklogboek op netwerk opslaan Versie 0 DUT Definities van opmerkingen Overal in deze handleiding gebruiken we de volgende aanduiding: Opmerkingen vertellen u hoe u op een bepaalde
Gebruiksaanwijzing. Website met toepassingen
Gebruiksaanwijzing Website met toepassingen INHOUDSOPGAVE Hoe werkt deze handleiding?... 2 Symbolen in de handleidingen... 2 Disclaimer...3 Opmerkingen...3 Taken die u kunt uitvoeren op de Website met
Outlook Web App 2010 XS2office
Handleiding Outlook Web App 2010 XS2office Toegang tot uw contacten, adressen en e-mail berichten via internet XS2office Versie: 22 juli 2014 Helpdesk: 079-363 47 47 Handleiding OWA Helpdesk: 079-363 47
Capture Pro Software. Handleiding. A-61640_nl
Capture Pro Software Handleiding A-61640_nl Aan de slag met Kodak Capture Pro Software Deze gids bevat simpele procedures waarmee u snel aan de slag kunt, onder meer voor het installeren en starten van
Handleiding AirPrint. Informatie over AirPrint. Instelprocedure. Afdrukken. Appendix
Handleiding AirPrint Informatie over AirPrint Instelprocedure Afdrukken Appendix Inhoud Hoe werken deze handleidingen?... 2 Symbolen in de handleidingen... 2 Disclaimer... 2 1. Informatie over AirPrint
Toegang tot uw e-mailberichten via internet
Basishandleiding Multrix Outlook Web App 2010 Versie: 24 februari 2011 Toegang tot uw e-mailberichten via internet Handleiding Multrix Outlook Web Access 2010 Voorblad Inhoudsopgave 1 Inloggen...3 2 Veelgebruikte
Snel aan de slag met Cisco Unity Connection Postvak IN Web (versie 9.x)
Snel aan de slag Snel aan de slag met Cisco Unity Connection Postvak IN Web (versie 9.x) Cisco Unity Connection Postvak IN Web (versie 9.x) 2 Cisco Unity Connection Postvak IN Web 2 Opties in Postvak IN
Van Dale Elektronisch groot woordenboek versie 4.5 activeren en licenties beheren
De nieuwste editie van dit document is altijd online beschikbaar: Activeren en beheren licenties Inhoudsopgave Van Dale Elektronisch groot woordenboek versie 4.5 activeren Automatisch activeren via internet
cbox UW BESTANDEN GAAN MOBIEL! VOOR ANDROID-SMARTPHONES EN -TABLETS GEBRUIKERSHANDLEIDING
cbox UW BESTANDEN GAAN MOBIEL! VOOR ANDROID-SMARTPHONES EN -TABLETS GEBRUIKERSHANDLEIDING Inleiding cbox is een applicatie die u eenvoudig op uw computer kunt installeren. Na de installatie wordt in de
Handleiding instellingen vrijgave van afdrukken
Handleiding instellingen vrijgave van afdrukken INHOUDSOPGAVE OVER DEZE HANDLEIDING............................................................................. 2 FUNCTIE AFDRUKVRIJGAVE...........................................................................
Handleiding Faxdiensten
Handleiding Faxdiensten Auteur: Marketing Datum: 01-10-2014 Versie: 2.0 Aantal bladen: 12 Nummer: 1018 2 P a g i n a Inhoud 1. Inleiding... 3 2. Beheer E-Fax IN- en E-Fax OUT-diensten... 4 3. E-Fax-overzicht...
Bedieningshandleiding Standaardinstellingen
Gebruiksaanwijzing Bedieningshandleiding Standaardinstellingen 1 2 3 4 5 6 7 8 9 Het apparaat aansluiten Systeeminstellingen Eigenschappen Kopieerapparaat/Document Server Faxeigenschappen Printereigenschappen
Kopiëren via de glasplaat. 1 Plaats het originele document met de bedrukte zijde naar beneden in de linkerbovenhoek van de glasplaat.
Laser-MFP Naslagkaart Kopiëren Snel kopiëren documentinvoer (ADF) of met de bedrukte zijde naar beneden (zoals knipsels uit tijdschriften) in de ADF. Gebruik in plaats plaatst, moet u de papiergeleiders
Basisinterface van GroupWise WebAccess
Basisinterface van GroupWise WebAccess 21 november 2011 Novell Snel aan de slag Als uw systeembeheerder GroupWise 2012 WebAccess heeft geïnstalleerd, kunt u de basisinterface daarvan gebruiken om uw GroupWise-postbus
Handleiding FOCWA Kennisbank. Kennisbank V 1.0 Remco Jansen
Handleiding FOCWA Kennisbank Kennisbank V 1.0 Remco Jansen 1 Inhoud : Login Loginnaam laten bewaren Zoeken naar FOCWA Kennisbank documenten Taal, Categorie en Subcategorieën Trefwoord Verfijnen van uw
Handleiding Google Cloud Print
Handleiding Google Cloud Print Informatie over Google Cloud Print Afdrukken met Google Cloud Print Appendix Inhoud Hoe werken deze handleidingen?... 2 Symbolen in de handleidingen... 2 Disclaimer... 2
Google cloud print handleiding
Google cloud print handleiding Versie A DUT Definitie van opmerkingen In deze gebruikershandleiding wordt de volgende stijl voor opmerkingen gebruikt: Opmerkingen leggen uit wat u in een bepaalde situatie
Mobiel Internet Veiligheidspakket
Mobiel Internet Veiligheidspakket Gebruikershandleiding Mobiel Internet Veiligheidspakket voor Windows Mobile smartphones Mobiel IVP Windows Mobile Versie 1.0, d.d. 20-07-2011 Inleiding... 3 1 Installatie...
Windows Live Mail Windows 8
Windows Live Mail Windows 8 Dit programma kan alleen onder MS Windows worden geïnstalleerd en is één van de betere programma's om mee te E-mailen op een Windows computer Windows Live Mail is een prima
4.1 4.2 5.1 5.2 6.1 6.2 6.3 6.4
Handleiding CMS Inhoud 1 Inloggen 2 Algemeen 3 Hoofdmenu 4 Pagina s 4.1 Pagina s algemeen 4.2 Pagina aanpassen 5 Items 5.1 Items algemeen 5.2 Item aanpassen 6 Editor 6.1 Editor algemeen 6.2 Afbeeldingen
AirPrint handleiding. Deze documentatie is voor inkjetmodellen. Versie B DUT
AirPrint handleiding Deze documentatie is voor inkjetmodellen. Versie B DUT Modellen Deze gebruikershandleiding is van toepassing op de volgende modellen. DCP-J40DW, MFC-J430DW/J440DW/J450DW/J460DW/J470DW
Installatie How-to Kodak Scanstation 100 t.b.v. Factuurscanning TBlox
Installatie How-to Kodak Scanstation 100 t.b.v. Factuurscanning TBlox Introductie Het Kodak Scan Station 100 welke gebruikt wordt t.b.v. TBlox factuurscanning is een zelfstandige oplossing, waarvoor geen
ZorgMail Secure e-mail
ZorgMail Secure e-mail 2014 ENOVATION B.V. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden openbaar gemaakt of verveelvoudigd, opgeslagen in een data verwerkend systeem of uitgezonden in enige
Bedieningspaneel. Xerox WorkCentre 6655 multifunctionele kleurenprinter Xerox ConnectKey 2.0-technologie
Xerox ConnectKey.0-technologie Bedieningspaneel Beschikbare functies kunnen variëren afhankelijk van uw printerinstellingen. Zie de Handleiding voor de gebruiker voor meer informatie over functies en instellingen.
Webservices gebruiken om op het netwerk te scannen (Windows Vista SP2 of recenter, Windows 7 en Windows 8)
Webservices gebruiken om op het netwerk te scannen (Windows Vista SP2 of recenter, Windows 7 en Windows 8) Met het Webservices-protocol kunnen gebruikers van Windows Vista (SP2 of recenter), Windows 7
Google cloud print handleiding
Google cloud print handleiding Versie 0 DUT Definities van opmerkingen In deze gebruikershandleiding wordt de volgende stijl voor opmerkingen gebruikt: Opmerkingen leggen uit wat u in een bepaalde situatie
Versie 1.0 09/10. Xerox ColorQube 9301/9302/9303 Internet Services
Versie 1.0 09/10 Xerox 2010 Xerox Corporation. Alle rechten voorbehouden. Ongepubliceerde rechten voorbehouden onder de copyrightwetten van de Verenigde Staten. De inhoud van deze publicatie mag in geen
Aan de slag met het e-mailadres van uw nieuwe Website
Aan de slag met het e-mailadres van uw nieuwe Website Handleiding Inhoud 03 Basisinformatie e-mail 04 E-mailprogramma's 07 SMTP controleren als u geen e-mails kunt versturen 10 Veranderen van SMTP-poort
Dick Grooters Raadhuisstraat 296 5683 GM Best tel: 0499-392579 e-mail: [email protected]. Printen en Scannen
Dick Grooters Raadhuisstraat 296 5683 GM Best tel: 0499-392579 e-mail: [email protected] Printen en Scannen Als een nieuwe printer wordt gekocht en onder Windows XP aangesloten zal Windows deze nieuwe
Uw gebruiksaanwijzing. SHARP AL-1633/1644 http://nl.yourpdfguides.com/dref/1289396
U kunt de aanbevelingen in de handleiding, de technische gids of de installatie gids voor. U vindt de antwoorden op al uw vragen over de in de gebruikershandleiding (informatie, specificaties, veiligheidsaanbevelingen,
1. Laad de software voor de camera van op het menu
1. Laad de software voor de camera van www.overmax.eu. op het menu producten, selecteer RTV, dan IP camera s en uw camera model. Dan subpagina Product selecteer de [HELP] - klik op de grijze pijl symbool
ZN GERRIT@Mail - Handleiding Instellen Microsoft Outlook 2010
ZN GERRIT@Mail - Handleiding Instellen Microsoft Outlook 2010 Informatiedomein: ZN GERRIT@Mail - Handleiding Instellen Microsoft Outlook 2010 Status: Productie Versie: v02.00 Publicatie datum: 9-12-2015
Handleiding instellingen vrijgave van afdrukken
Handleiding instellingen vrijgave van afdrukken INHOUDSOPGAVE OVER DEZE HANDLEIDING............................................................................. 2 FUNCTIE AFDRUKVRIJGAVE...........................................................................
Handleiding met informatie
Handleiding met informatie Pagina 1 van 1 Handleiding met informatie Er is een groot aantal handleidingen beschikbaar om u te helpen de MFP en de functies ervan te begrijpen. Met behulp van deze pagina
Opmerkingen voor gebruikers van wireless LAN
Opmerkingen voor gebruikers van wireless LAN Lees deze handleiding zorgvuldig voordat u dit apparaat gebruikt en bewaar deze voor toekomstige raadpleging. Opmerkingen voor gebruikers van wireless LAN In
Basisinterface van GroupWise WebAccess
Snel aan de slag met de basisinterface van GroupWise WebAccess 8 Novell Basisinterface van GroupWise WebAccess Snelstart www.novell.com De basisinterface van GroupWise WebAccess gebruiken Als uw systeembeheerder
Voor alle printers moeten de volgende voorbereidende stappen worden genomen: Stappen voor snelle installatie vanaf cd-rom
Windows NT 4.x In dit onderwerp wordt het volgende besproken: "Voorbereidende stappen" op pagina 3-24 "Stappen voor snelle installatie vanaf cd-rom" op pagina 3-24 "Andere installatiemethoden" op pagina
Handleiding Web Connect
Handleiding Web Connect Versie 0 DUT Relevante modellen Deze gebruikershandleiding is van toepassing op de volgende modellen: ADS-2500W en ADS-2600W Definities van opmerkingen In deze gebruikershandleiding
