Motor en randorganen

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Motor en randorganen"

Transcriptie

1 Motor en randorganen MOTORBLOK EN ONDERZIJDE CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS DRUKVULLING BRANDSTOFTOEVOER DIESELINSPUITING VOORVERWARMING ANTI-LUCHTVERONTREINIGING STARTEN - LADEN ONTSTEKING BENZINE - INSPUITSYSTEEM KOELSYSTEEM UITLAAT BRANDSTOFTANK. MOTOROPHANGING BJ0E - BJ0J - BJ0K - BJ0M - BJ0P - BJ0V Editie 2 - DECEMBER 2001 EDITION NEERLANDAISE De door de constructeur voorgeschreven reparatiemethoden, zoals in dit document beschreven, zijn gemaakt volgens de technische richtlijnen geldend op het tijdstip dat dit document werd samengesteld. Deze methoden zijn aan verandering onderhevig indien de constructeur tussentijds constructiewijzigingen op onderdelen of accessoires heeft aangebracht. Alle auteursrechten zijn voorbehouden aan Renault. Reproduceren en/of vertalen, zelfs gedeeltelijk, van dit document evenals het overnemen van de indeling van dit document en/of wijze van aanduiden van de onderdelen is verboden zonder vooraf ontvangen schriftelijke toestemming van Renault. RENAULT 2001

2 Motor en randorganen Inhoud Blz. Blz. 10A 11A MOTORBLOK EN ONDERZIJDE Identificatie 10A-1 Olieverbruik 10A-2 Oliedruk 10A-3 Motor en versnellingsbak 10A-4 Ondercarter 10A-13 Oliepomp 10A-19 Oliekoeler 10A-22 Oliepeilzender 10A-24 Oliefilter 10A-25 CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Distributieriem 11A-1 Distributieketting 11A-34 Cilinderkoppakking 11A-35 Nokkenas 11A-72 12B Motor P9X Inlaatluchtverdeler 12A-40 Inlaatspruitstukken 12A-43 Uitlaatspruitstuk 12A-47 Motor V4Y Voorste uitlaatspruitstuk 12A-48 Achterste uitlaatspruitstuk 12A-49 Motor G9T Uitlaatspruitstuk 12A-50 Motor P9X Uitlaatspruitstuk voorste cilinderrij 12A-52 Uitlaatspruitstuk achterste cilinderrij 12A-55 Tussenbuizen uitlaat 12A-57 Spruitstukken en tussenbuizen uitlaat 12A-60 EGR-klep - Warmtewisselaar 12A-61 DRUKVULLING 12A INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Gegevens 12A-1 Luchtinlaat 12A-7 Luchtfilter 12A-11 Gemotoriseerd smoorklephuis 12A-14 Verdelerhuis 12A-19 Afslagsysteem 12A-20 Motor F4R met turbocompressor Inlaatspruitstuk 12A-24 Motor V4Y Variabele inlaat 12A-27 Inlaatspruitstuk 12A-28 Inlaatluchtverdeler 12A-30 Spruitstuk en inlaatluchtverdeler 12A-32 Motor G9T Inlaatspruitstuk 12A-34 Inlaatluchtverdeler 12A-38 Inlaatluchtverdeler - Turbulentieklep 12A-39 13A Drukregelklep 12B-1 Antipompage-klep 12B-2 Drukregelklep 12B-3 Drukregeling 12B-4 Turbocompressor 12B-6 Tussenkoeler 12B-19 BRANDSTOFTOEVOER Benzinetoevoercircuit 13A-1 Dieselbrandstoftoevoercircuit 13A-3 Benzinefilter 13A-5 Brandstoffilter 13A-6 Hoofdinspuitbuis - Verstuivers 13A-8 Voedingspomp 13A-11 Controle van de voedingsdruk 13A-12 Controle van de opbrengst van de voedingspomp 13A-14 Controle brandstofdruk en -opbrengst 13A-16 Antidampbelsysteem 13A-17 Editie 2

3 Blz. Blz. B13 DIESELINSPUITING 13C VOORVERWARMING Gegevens 13B-1 Bijzonderheden 13B-7 Reinheid 13B-15 Plaats van de organen 13B-19 Hogedrukpomp 13B-30 Verstuiver 13B-49 Hoofdinspuitbuis 13B-61 Hogedrukleidingen 13B-70 Opname element druk 13B-75 Opname element druk hoofdinspuitbuis, 13B-76 Drukregelaar 13B-77 Brandstoftemperatuurzender 13B-79 Bescherming hoofdinspuitbuis 13B-80 Opname element gaspedaal 13B-87 Rekeneenheid 13B-88 Vermogensrekeneenheid 13B-90 Inspuitlampje 13B-92 Startvergrendeling 13B-94 Strategie inspuitsysteem - Airconditioning 13B-95 Stationair toerental correctie 13B-97 Koelvloeistofverwarmingselementen 13B-99 Snelheidsregelaar met afstandsregelaar 13B-103 Centrale koelvloeistoftemperatuurregeling 13B-106 Antidampbelsysteem 13B-108 Aansluitingen van de rekeneenheid 13B-109 Aansluitingen van vermogensrekeneenheid 13B A 16A 17A Rekeneenheid voorverwarming 13C-1 Voorverwarmingsstiften 13C-3 Regeling voor/naverwarming 13C-5 ANTILUCHTVERONTREINIGING Carterventilatie 14A-1 Carterventilatie 14A-5 Uitlaatgasrecirculatie 14A-10 Uitlaatgasaanzuiging 14A-12 STARTEN - LADEN Dynamo 16A-1 Startmotor 16A-10 ONTSTEKING Statische ontsteking 17A-1 Bougies 17A-3 Editie 2

4 Blz. Blz. 17B INSPUITSYSTEEM BENZINE 19A KOELSYSTEEM Plaats van de organen 17B-1 Opname element gaspedaal 17B-9 Rekeneenheid 17B-10 Bijzonderheden 17B-12 Inspuitlampje 17B-14 Startvergrendeling 17B-16 Strategie inspuitsysteem - Airconditioning 17B-17 Gemotoriseerd smoorklephuis 17B-20 Stationair toerental correctie 17B-22 Adaptieve correctie stationair toerental 17B-24 Mengselregeling 17B-25 Adaptieve mengselcorrectie 17B-29 Centrale koelvloeistoftemperatuurregeling 17B-31 Nokkenasverstellers 17B-33 Koelvloeistofverwarmingselement 17B-34 Regeling van de turbodruk 17B-36 Snelheidsregelaar Afstandsregelaar - Snelheidsbegrenzer 17B-38 Bijzonderheden "On Board Diagnostic" 17B-41 Oplichten van het lampje "On Board Diagnostic" 17B-42 Omstandigheden "On Board Diagnostic" 17B-43 Diagnose detectie ontstekingsuitval 17B-44 Diagnose van de katalysator 17B-45 Diagnose van de lambda sonde 17B-46 Bijzonderheden "On Board Diagnostic" 17B-47 Diagnose detectie ontstekingsuitval 17B-50 Diagnose van de katalysator 17B-51 Diagnose van de lambda sonde 17B-52 Diagnose brandstofaanvoer 17B-53 Aansluitingen van de rekeneenheid 17B-54 19B 19C 19D Gegevens 19A-1 Vullen - ontluchten 19A-2 Controle 19A-3 Schema 19A-4 Thermostaat 19A-9 Radiateur 19A-10 Waterpomp 19A-12 UITLAAT Algemeen 19B-1 Overzicht van de lijnen 19B-2 Katalysator 19B-4 Voorste voorkatalysator 19B-7 Achterste voorkatalysator 19B-8 Voorkatalysator 19B-9 BRANDSTOFTANK Leegpompen van de brandstoftank 19C-1 Brandstoftank 19C-3 Vulhals 19C-6 Pomp/tankelement 19C-7 Tankelement 19C-9 Benzinefilter 19C-10 MOTOROPHANGING Pendelophanging 19D-1 Editie 2

5 110A MOTORBLOK EN ONDERZIJDE Identificatie 10A Type auto Motor automatische transmissie Inhoud (cm 3 ) Boring (mm) Slag (mm) Versnellingsbak Compressieverhouding BJ0K F4R turbo PK 6 SU ,7 93 9,5/1 BJ0E- BJ0F BJ0G - BJ0H G9T PK 6 SU /1 BJ0J P9X - SU , ,5/1 BJ0V V4Y - SU ,5 81,4 10,3/1 Te raadplegen werkplaatshandboek, afhankelijk van het type motor: motor F4R MR Mot. F4 en de Service Mededeling van motor F4R, motor G9T MR Mot. G9T, motor P9X MR Mot. P9X, motor V4Y MR Mot. V4Y, 10A-1

6 MOTORBLOK EN ONDERZIJDE Olieverbruik 10A PROCEDURE VOOR HET UITVOEREN VAN EEN OLIEVERBRUIKSTEST a) Vullen tot maximumpeil Dit moet gebeuren bij warme motor (koelventilateur een keer ingeschakeld) en daarna stilstand van 15 minuten zodat zo veel mogelijk olie is teruggekeerd in het ondercarter. Controleer het oliepeil met de peilstaaf. Noteer de hoeveelheid olie die nodig is om het maximumpeil te bereiken. Verzegel de aftapplug (verfstip op de vuldop en op de aftapplug van het ondercarter) om later te kunnen controleren of deze niet zijn losgeweest. b) Testafstand Laat de klant ongeveer km rijden of tot net voordat het minimum oliepeil is bereikt op de peilstaaf. c) Vullen tot maximumpeil Dit moet gebeuren bij warme motor (koelventilateur een keer ingeschakeld) en daarna stilstand van 15 minuten. Controleer het oliepeil met de peilstaaf. Noteer de hoeveelheid olie die nodig is om het maximumpeil te bereiken. Noteer de kilometerstand en bereken de afgelegde afstand sinds het begin van de test. d) Berekening van het olieverbruik OLIEVERBRUIK = Bijgevulde hoeveelheid olie (liters) km (in duizendtallen) 10A-2

7 MOTORBLOK EN ONDERZIJDE Oliedruk 10A ONMISBAAR SPECIAAL GEREEDSCHAP Mot Mot Oliedrukcontroleset Wartel voor het meten van de druk bij motor P9X en V4Y ONMISBAAR MATERIAAL Lange dop van 22 mm CONTROLE De oliedruk moet bij warme motor (ongeveer 80 C) worden gecontroleerd. Samenstelling van de controleset Mot CONTROLE MOTOR Motor F4R Stationair 1 bar 3000 tr/min 3 bar Motor G9T Stationair 1,6 bar 3000 tr/min 4 bar Motor P9X Stationair: 1,5 bar 4700 tr/min: 2,9 bar GEBRUIK Motor F4R Motor G9T Motor P9X Motor V4Y C + F F + E + C Mot F Sluit de manometer aan op de plaats van het oliedrukcontact. 10A-3

8 Alle motortypes MOTORBLOK EN ONDERZIJDE Motor en Versnellingsbak 10A ONMISBAAR SPECIAAL GEREEDSCHAP Mot Mot Mot Mot Mot Mot Klembandtang Set voor het uitdraaien van afbreekbouten Lange klembandtang Motorsteun, meervoudig verstelbaar T. Av. 476 Kogeltrekker Gereedschap voor losmaken kachelradiateur AANTREKKOPPELS (in dan.m of/en) Remklauwbouten 10,5 Bouten schokdemperpoot 18 Moer fuseekogel 11 Bouten aandrijfasstofhoes 3 Moer spoorstangkogel 3,7 Bouten van de bovenste stang van de pendelophanging 10,5 Bouten aan carrosserie uitslagbegrenzer pendelophanging 2,1 Bout pendelkap op motor 6,2 Bouten koppel-reactiestang: aan subframe 10,5 aan motor 18 UITBOUWEN Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Hierbij moet u de auto met een spanriem aan de hefbrugarmen vastzetten om te voorkomen dat de auto van de hefbrug kantelt. Zie hoofdstuk 02A "Hefbrug" voor het vastzetten van de armen van de hefbrug. Bouw uit: de accu, de voorwielen, de beschermplaat onder de motor, de spatplaten rechts en links en de bescherming aan de zijkant. Tap af: het met behulp van het vulstation, het koelsysteem via de onderste radiateurslang, de versnellingsbak en de motor indien nodig. Bouten van de aluminium langsbalken aan onderste dwarsbalk 4,4 Bouten van de trekstangen van de aluminium langsbalken 4,4 Wielbouten 11 10A-4

9 Alle motortypes MOTORBLOK EN ONDERZIJDE Motor en Versnellingsbak 10A Bouw de benzineaanvoerslangen uit. Dieselmotor Bouw de aanvoerslang (1) en de retourslang (2) uit op het filter en de stekkerverbinding (3). de remklauwen bij (4) en bevestig deze aan de veerpoten, de stekkers van de opname elementen van het ABS (5), de twee bevestigingen van de schokdemperpoten (6), Alle motortypes Bouw uit: de moeren van de onderste fuseekogels (gebruik indien nodig een inbussleutel afgezaagd op X = 22 mm om de kogels tegen te houden), de spoorstangkogels met trekker T. Av. 476, de twee bouten van de bevestigingsflens van de aandrijfas op de steun van het lagerblok (aan de rechterkant van de auto), de bevestigingsbouten van de aandrijfasstofhoes (aan de linkerkant van de auto voor alle handgeschakelde versnellingsbakken PK6). Maak de aandrijfas vrij en bouw hem compleet met de naaf uit. Maak de stekkers los van de mistlichten. 10A-5

10 Alle motortypes MOTORBLOK EN ONDERZIJDE Motor en Versnellingsbak 10A Bouw uit: de schildbumper, de slangen van de koplampsproeiers (alleen voor de auto's met xenonlampen), het reservoir van de stuurbekrachtiging, de koelluchthappers, de inlaatgeluiddemper (alleen V4Y), Boor hiervoor de drie antidiefstalbouten in met een boor van 5 mm in het hart van de bout, en verwijder daarna de bouten met behulp van Mot de accubak bij (7). Bouw uit: het luchtfilter, de rekeneenheid, daarna zijn steun, de gevlochten massastrips op de carrosserie, 10A-6

11 Alle motortypes MOTORBLOK EN ONDERZIJDE Motor en Versnellingsbak 10A de relaisplaat (8) en wip de zekeringhouder los bij (9), de stekkers van de kabelbundel motor - interieur (10). BAK SU1 Bouw uit: de kabel van de bak (13), BAK PK6 de versterkingsstang aan de bovenkant, Bouw uit: de kabels van de bak bij (11), de hydraulische bediening van de koppeling door het klemmetje te verwijderen bij (12). 10A-7

12 Alle motortypes MOTORBLOK EN ONDERZIJDE Motor en Versnellingsbak 10A de luchtslangen op de tussenkoeler (F4R), op de smoorklep en bij (14) (G9T), de twee leidingen op de condensor bij (15) en bouw ze uit. de slangen op het inlaatspruitstuk en op de turbo (P9X), de bovenste radiateurslang, de stekker van de weerstand van de ventilateurmotor, de koelventilateur, de leidingen van de airconditioning op de compressor, N.B.: sluit de leidingen en de compressor af met doppen zodat er geen vocht in het circuit komt. Bouw uit: de stuurbekrachtigingsleiding bij (16), 10A-8

13 Alle motortypes MOTORBLOK EN ONDERZIJDE Motor en Versnellingsbak 10A de trekstangen (A), de twee aluminium langsbalken (B), de bevestigingen van de beschermplaat van de ABSeenheid, de stekkers van de rekeneenheid van de voorverwarming (motor P9X), de radar (zie hoofdstuk 83D "Snelheidsregelaar"), de onderste bevestigingen van de koeleenheid (C), de slangen van de kachelradiateur met behulp van het gereedschap Mot bij (D). Maak de slangen van het koelsysteem los. Bouw uit: de vacuümslang op de vacuümpomp, de slang van de stuurbekrachtiging op de pomp. de koeleenheid met de onderste dwarsbalk, de koppelreactiestang, de twee voorkatalysators (motor V4Y), de flens van het uitlaatspruitstuk, de flens van de uitlaatdemper (motor G9T), Motor G9T Maak de twee leidingen van de stuurbekrachtiging los op het stuurhuis en onder het oliecarter van de motor. 10A-9

14 Alle motortypes MOTORBLOK EN ONDERZIJDE Motor en Versnellingsbak 10A Plaats het gereedschap Mot onder de motor, de poten moeten beslist zo dicht mogelijk geplaatst zijn onder de grijze zones (bij A) zoals hieronder is aangegeven. Motor P9X Motor G9T Motor V4Y Motor F4R 10A-10

15 Alle motortypes MOTORBLOK EN ONDERZIJDE Motor en Versnellingsbak 10A Bouw de steun uit van de pendelophanging rechts voor, N.B.: controleer of de motor rust op de steun Mot voordat u de bouten compleet losdraait. Motor F4R, P9X en V4Y Bouw de pendelsteun van de bak uit. Verwijder de moer (D) en tik met een bronzen drevel tegen de bout. N.B.: de poten van Mot moeten de motor bijna raken, door met de drevel te tikken, zakt de motor op de steun. Verwijder het silent bloc (E). 10A-11

16 Alle motortypes MOTORBLOK EN ONDERZIJDE Motor en Versnellingsbak 10A Motor P9X Druk de motor naar voren, verwijder de hitteschilden, en verwijder daarna de katalysator. Ontlucht de koppeling (zie hoofdstuk 37A "Mechanische bedieningsorganen"). Vul remvloeistof bij. Controleer de werking van de koppeling. Ga te werk in omgekeerde volgorde van het uitbouwen. Vervang de afbreekbouten door nieuwe afbreekbouten. Vul: de versnellingsbak met olie, de motor met de voorgeschreven olie (indien nodig), en ontlucht het koelsysteem (zie hoofdstuk 19A "Vullen - ontluchten"). en ontlucht het stuurbekrachtigingssysteem, het aircocircuit met het vulstation. Smeer de remklauwbouten in met Loctite FRENBLOC en zet ze vast met het voorgeschreven koppel. Alle motortypes Zet de carrosserie omhoog en druk daarbij de motor iets naar voren om de doorgang tussen het subframe en de versnellingsbak mogelijk te maken. Maak de motor vrij met behulp van Mot INBOUWEN Plaats de motor met de versnellingsbak, in omgekeerde richting van uitbouwen, weer terug. LET OP: zet de remslang en de bedrading van het opname element ABS goed vast. Druk een paar keren op het rempedaal zodat de remzuigers aanliggen tegen de remblokken. Controleer de voortreinhoeken (zie hoofdstuk 07B "Afstelwaarden voor- en achtertreinhoeken"). Afhankelijk van de uitrusting, controleer en stel af: de snelheidsregelaar met afstandsregelaar (zie hoofdstuk 83D "Snelheidsregelaar"), de xenonkoplampen (zie hoofdstuk 83C "Telematicasysteem"). Plaats: de steun van de pendelophanging links, de steun van de pendelophanging rechts, de koppelreactiestang. Raadpleeg hoofdstuk 19D "Pendelophanging" voor de aantrekkoppels. Voeg remvloeistof bij in het reservoir voor het ontluchten van de koppeling. 10A-12

17 MOTOR F4R MOTORBLOK EN ONDERZIJDE Ondercarter 10A AANTREKKOPPELS (in dan.m) Bouten ondercarter 1,5 Bouten koppel-reactiestang: INBOUWEN Plaats RHODORSEAL 5661 bij (A) aan weerskanten van hoofdlager nº 1, en bij (B) op de raakpunten van de afsluitplaat van de krukas en het motorblok. aan subframe 10,5 aan motor 18 UITBOUWEN Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Maak de massakabel van de accu los. Verwijder de beschermplaat onder de motor. Tap de motorolie af. Bouw uit: de bouten (A) en (B) van de koppel-reactiestang, Monteer het ondercarter met een nieuwe afdichting en zet de bouten 1, 6, 10, 15, 18 vast met een eerste aantrekkoppel van 0,8 dan.m, en daarna met 1,5 dan.m in de hieronder aangegeven volgorde. het ondercarter. Reinig het pakkingvlak. 10A-13

18 MOTOR G9T MOTORBLOK EN ONDERZIJDE Ondercarter 10A UITBOUWEN AANTREKKOPPEL (in dan.m) Bouten ondercarter 0,9 Plaats: het ondercarter met een nieuwe afdichting en zet de bouten vast met een eerste aantrekkoppel van 0,5 dan.m, en daarna met 0,9 dan.m in de aangegeven volgorde, Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Maak de massakabel van de accu los. Bouw uit: de kappen van de motor, de beschermplaat onder de motor, de steun van de stuurbekrachtigingsleidingen. Tap de motorolie af. Wip de twee leidingen los van de stuurbekrachtiging en druk ze opzij. Bouw het ondercar ter uit. Reinig het pasvlak. INBOUWEN Plaats RHODORSEAL 5661 bij (1). de bevestigingen van de stuurbekrachtigingsleidingen. Vul de motorolie bij. 10A-14

19 MOTOR P9X MOTORBLOK EN ONDERZIJDE Ondercarter 10A AANTREKKOPPELS (in dan.m) Bouten ondercarter 2,5 Bevestigingsbouten van de aircocompressor diameter 10 5 diameter 8 2,5 Bouten van de oliepeilzender 1 Tap de motorolie af. de aandrijfriem van de hulporganen. Verwijder de aandrijfriem hulporganen (zie hoofdstuk 07A "Spanning aandrijfriem hulporganen"). Bouw uit: de bevestiging van de hulporganensteun op het ondercarter, de bevestigingen van de aircocompressor en druk de hulporganensteun iets weg van het ondercarter, les bevestigingen van het ondercarter, het ondercarter door middel de de hiervoor bestemde uitsparingen. UITBOUWEN Bouw uit: de luchtslang op het inlaatspruitstuk, de oliepeilstaaf en de bevestigingen van de peilstaafgeleider, de olieretourslang op het ondercarter, de stekker van de oliepeilzender, de koppel-reactiestang en zijn steun op het ondercarter, 10A-15

20 MOTOR P9X MOTORBLOK EN ONDERZIJDE Ondercarter 10A REINIGEN INBOUWEN De pakkingvlakken van de aluminium onderdelen mogen beslist niet schoon worden geschraapt. Reinig de pakkingvlakken met behulp van Décapjoint om de op het ondercarter en op het motorblok achtergebleven pakkingresten op te lossen. Breng een strook RHODORSEAL 5661 met een diameter van ongeveer 3 tot 4 mm aan op het pakkingvlak van het ondercarter. Breng het product aan op de te reinigen delen ; laat het ongeveer tien minuten inwerken en veeg het metaal met een houten spatel schoon. Het is van het grootste belang dat u zorgvuldig te werk gaat. Zet alle bouten van het ondercarter in de aangegeven volgorde vast met een aantrekkoppel van 2,5 dan.m. 10A-16

21 MOTOR P9X MOTORBLOK EN ONDERZIJDE Ondercarter 10A Ga verder te werk in omgekeerde volgorde van het uitbouwen. Monteer de aandrijfriem hulporganen (zie hoofdstuk 07A "Spanning aandrijfriem hulporganen"). Vul de motorolie bij. 10A-17

22 MOTOR V4Y MOTORBLOK EN ONDERZIJDE Ondercarter 10A AANTREKKOPPEL (in dan.m) Bouten ondercarter 1 Voor het uitbouwen van het ondercarter gelden geen speciale bijzonderheden. Reinig het pasvlak. INBOUWEN Zet de bouten vast met een aantrekkoppel van 1 dan.m in de volgende volgorde: 10A-18

23 MOTOR F4R MOTORBLOK EN ONDERZIJDE Oliepomp 10A Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Maak de massakabel van de accu los. Verwijder de beschermplaat onder de motor. Tap de motorolie af. Verwijder het ondercarter (zie hoofdstuk 10A "Ondercarter"). Voor het uitbouwen-inbouwen van de oliepomp gelden geen bijzonderheden. Ga te werk in omgekeerde volgorde van het uitbouwen. 10A-19

24 MOTOR G9T MOTORBLOK EN ONDERZIJDE Oliepomp 10A AANTREKKOPPEL (in dan.m of/en) Bouten oliepomp 2,5 Kantel het deksel van de oliepomp (zoals hieronder is aangegeven) waarbij het tandwiel (3) op zijn plaats moet blijven. UITBOUWEN Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Maak de massakabel van de accu los. Tap de motorolie af. Bouw uit: het ondercarter (zie de methode in hoofdstuk 10A "Ondercarter"), de bevestigingsbouten (1) van de oliepomp, draai bout (2) alleen los. INBOUWEN Ga bij het inbouwen te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. Raadpleeg hoofdstuk 10A "Ondercarter" voor het inbouwen van het ondercarter. 10A-20

25 MOTORS P9X en V4Y MOTORBLOK EN ONDERZIJDE Oliepomp 10A Motor P9X Raadpleeg voor het uitbouwen-inbouwen van de oliepomp MR Mot. P9X. Motor V4Y Raadpleeg voor het uitbouwen-inbouwen van de oliepomp MR Mot. V4Y. 10A-21

26 MOTOR P9X MOTORBLOK EN ONDERZIJDE Oliekoeler 10A ONMISBAAR MATERIAAL Momentsleutel Steeksleutel van 28 mm AANTREKKOPPEL (in dan.m) Olieleiding op oliekoeler 3 ± 0,5 Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Maak de massakabel van de accu los. UITBOUWEN INBOUWEN Plaats: de radiateur en de twee klemmetjes, de leiding aan de onderkant. N.B.: het olie-omloophuis heeft een thermostaatsonde die de motorolie naar de oliekoeler tegenhoudt als de temperatuur ervan lager is dan 110 C, de oliekoeler moet daarom worden gevuld voor hij wordt ingebouwd. Bouw de schildbumper uit (zie hoofdstuk 54A.a "Uitbouwen schildbumper voor"). Tap de oliekoeler af door de leiding aan de onderkant bij (1) los te maken. Bouw uit: de leiding aan de bovenkant bij (2), de twee klem bij (3), de oliekoeler. 10A-22

27 MOTOR P9X MOTORBLOK EN ONDERZIJDE Oliekoeler 10A Vullen van de oliekoeler Maak de twee leidingen los op het olie-omloophuis bij (A) om het vullen van de oliekoeler te vergemakkelijken (ontluchting). Vul de oliekoeler met behulp van een spuit bij (B) tot hij de olie overstroomt. Sluit de leiding aan de bovenkant weer aan en verwijder de doorlaat bij (C) om verder te vullen met de spuit tot de olie overstroomt. Sluit de leidingen weer aan op het olie-omloophuis. Ga verder te werk in omgekeerde volgorde van het uitbouwen. Monteer de vulopening weer. Ga door met vullen tot de olie overstroomt via de leidingen aan de bovenkant (D) van het olieomloophuis. De inhoud van de oliekoeler en van de leidingen is ongeveer 0,8 liter. 10A-23

28 MOTOR G9T MOTORBLOK EN ONDERZIJDE Oliepeilzender 10A UITBOUWEN Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Bouw uit: de kappen van de motor end e beschermplaat onder de motor, de stekker de oliepeilzender, de twee bevestigingsbouten van de oliepeilzender. N.B.: om beschadiging van de zender te voorkomen, is het zeer belangrijk hem zonder forceren uit te bouwen door hem voorzichtig linksom te draaien. INBOUWEN Ga bij het inbouwen te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. 10A-24

29 MOTOR P9X MOTORBLOK EN ONDERZIJDE Oliefilter 10A ONMISBAAR SPECIAAL GEREEDSCHAP Mot Kap voor uitbouwen van het oliefilter AANTREKKOPPEL (in dan.m) Aftapplug van oliefilter 3,9 UITBOUWEN Tap het oliefilter af door de plug aan de onderkant te verwijderen. Verwijder het deksel van het oliefilter met behulp van Mot Vervang het filter en de twee afdichtringen: de O-ring op het deksel van het oliefilter, de afdichtring op de aftapplug van het oliefilter. INBOUWEN Voor het inbouwen gelden geen bijzonderheden, ga te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. 10A-25

30 MOTOR F4R 111A CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Distributieriem 11A ONMISBAAR SPECIAAL GEREEDSCHAP Mot Mot Mot Mot BDP-stift Motorsteungereedschap Afstelgereedschap nokkenaspoelies Blokkeergereedschap nokkenassen ONMISBAAR MATERIAAL Hoekverdraaisleutel AANTREKKOPPELS (in dan.m en/of ) Bout geleiderol 4,5 Krukaspoeliebout ± 15 Spanrolmoer 2,8 Bouten van de bovenste stang van de pendelophanging 10,5 Bout pendelkap op motor 6,2 Bouten aan carrosserie uitslagbegrenzer pendelophanging 2,1 Wielbouten 11 11A-1

31 MOTOR F4R CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Distributieriem 11A Hierbij moet beslist een spie op de krukas worden geplaatst (leverbaar via het magazijn, afzonderlijk of in een distributieset). Hierbij moet u altijd vervangen: de moeren van de nokkenaspoelies, de span- en geleiderollen. Breng de bovenkant (A) van het gereedschap in contact met het ondercarter. Stel het deel (A) af op het ondercarter met behulp van de bevestigingen (B). Til de motor omhoog bij (C), en draai de moeren (D) los. UITBOUWEN Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Maak de massakabel van de accu los. Bouw uit: de beschermplaat onder de motor, het rechter voorwiel en de spatplaat, de bescherming aan de zijkant. Plaats het motorsteungereedschap Mot A-2

32 MOTOR F4R CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Distributieriem 11A Bouw uit: de bouten van de stang (2) en verwijder de combinatie pendelophanging - uitslagbegrenzer, de doppen van de nokkenassen, de aandrijfriem hulporganen (zie hoofdstuk 07A "Spannen aandrijfriem hulporganen"), de plug van het BDP-controlegat. 11A-3

33 MOTOR F4R CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Distributieriem 11A Afstellen van de distributie Draai de krukas rechtsom (distributiezijde) zodat de inkepingen van de nokkenassen bijna horizontaal aan de onderkant liggen zoals hieronder is getekend. Breng vervolgens de BDP-stift Mot op zijn plaats en zorg ervoor dat deze zich tussen de afstelgroef en het balanceergat bevindt. 11A-4

34 MOTOR F4R CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Distributieriem Draai de krukas langzaam verder in dezelfde richting tot de stift Mot in de afstelgroef valt. In de afstelpositie moeten de inkepingen van de nokkenassen horizontaal aan de onderkant liggen, zie onderstaande tekening. 11A Correcte stand Verkeerde stand (de stift zit in een balanceergat) 11A-5

35 MOTOR F4R CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Distributieriem 11A Bouw uit: de krukaspoelie waarbij u het vliegwiel met een schroevendraaier tegenhoudt, het middelste distributiedeksel (1), het bovenste distributiedeksel (2). 11A-6

36 MOTOR F4R CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Distributieriem 11A Ontspan de distributieriem door de moer (1) van de spanrol los te draaien. Voor het afnemen van de distributieriem, verwijdert u de spanner (2) en let op dat de krukaspoelie niet valt (deze heeft geen spie). Verwijder de distributiepoelie van de krukas. 11A-7

37 MOTOR F4R CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Distributieriem 11A INBOUWEN Verkeerde stand Plaats Mot. 1496, op de einden van de nokkenassen. Controleer of de krukas goed in het BDP staat en de stift niet in een balanceergat zit (spie (5) van de krukas naar boven). Krukas goed geblokkeerd 11A-8

38 MOTOR F4R CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Distributieriem 11A Methode voor het losdraaien van de poelies van de inlaat- en de uitlaatnokkenassen Verwijder de moeren (1) van de uitlaatpoelie en van de inlaatpoelie. Hierbij gebruikt u Mot Verwijder het gereedschap Mot Plaats het blokkeergereedschap Mot van de nokkenassen, en zet de moeren (8) vast met een aantrekkoppel van 8 dan.m. 8 11A-9

39 MOTOR F4R CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Distributieriem 11A Bij het vervangen van de distributieriem, moet u altijd de geleiderol en de spanrol vervangen. Let op dat de nok (1) van de spanrol goed in de groef (2) ligt. Plaats: de distributieriem, de spanrol (3) en zet de bevestigingsbout vast met 4,5 dan.m, 11A-10

40 MOTOR F4R CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Distributieriem 11A Spannen van de riem Verwijder Mot en Mot N.B.: draai de spanrol niet linksom. Breng de merktekens (6) en (7) van de spanrol in lijn met een inbussleutel van 6 mm bij (B). Zet een met een potlood een merkteken (C) tussen de nokkenaspoelies en het nokkenaslagerhuis. VERWIJDER DE BDP-STIFT Span de moer van de spanrol voor met 0,7 dan.m. Draai de krukas twee omwentelingen rechtsom. Plaats het blokkeergereedschap Mot van de nokkenaspoelies. Span de moeren van de poelies van de inlaatnokkenas en de uitlaatnokkenas voor met een aantrekkoppel van 3 dan.m. 11A-11

41 MOTOR F4R CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Distributieriem 11A Controle van de afstelling en de spanning Krukas goed geblokkeerd Controle van de spanning: Draai de krukas bijna twee omwentelingen rechtsom (distributiezijde), en vlak voor het einde van de tweede omwenteling (een halve tand voor de door u eerder aangebrachte merktekens), plaatst u de BDP-stift (zodat deze tussen het balanceergat en het afstelgat op de krukwang rust) en draait u de distributie door tot in de afstelpositie. Voor het afstelgat Verwijder de BDP-stift. Controleer of de merktekens van de spanrol in lijn liggen, herhaal anders de spanprocedure. Draai de moer van de spanrol maximaal een omwenteling los en houd de spanrol hierbij tegen met een 6 mm inbussleutel. Breng de merktekens op de spanrol in lijn, en zet de moer definitief vast met 2,8 dan.m. 11A-12

42 MOTOR F4R CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Distributieriem 11A Plaats het blokkeergereedschap Mot van de nokkenassen, en zet de moeren (8) vast met een aantrekkoppel van 8 dan.m. Verwijder de oude moeren van de poelies en vervang ze door nieuwe moeren. Zet de moeren van de poelies van de uitlaatnokkenas en de inlaatnokkenas vast met een aantrekkoppel van 3 dan.m en daarna met een hoekverdraaiing van 86 ± 16. Verwijder het blokkeergereedschap Mot van de nokkenaspoelies, en de BDP-stift Mot A-13

43 MOTOR F4R CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Distributieriem 11A Controle van de afstelling: Controleer, voordat u de afstelling van de distributie controleert, of de merktekens van de spanrol in lijn liggen. Plaats de BDP-stift (controleer of de eerder aangebrachte merktekens van nokkenaslagerhuis en poelies in lijn liggen). Plaats (zonder forceren) het nokkenasafstelgereedschap Mot de inkepingen in de nokkenassen moeten horizontaal en aan de onderkant liggen. Als het gereedschap niet goed past, moet u de distributie en de riemspanning opnieuw afstellen. 11A-14

44 MOTOR F4R CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Distributieriem 11A Plaats: het onderste distributiedeksel, het bovenste distributiedeksel, de krukaspoelie voor de aandrijfriem hulporganen. Houd het vliegwiel tegen met een grote schroevendraaier en zet de bout van de krukaspoelie van de aandrijfriem hulporganen vast over een hoek van 115 ± 15. Plaats: de aandrijfriem hulporganen (zie hoofdstuk 07A "Spannen van de distributieriem"), de plug van het BDP-controlegat en smeer een druppel RHODORSEAL 5661 op de schroefdraad, de nieuwe afsluitdoppen van de inlaatnokkenas (Mot. 1487), van de uitlaatnokkenas ( Mot. 1488), N.B.: De bout van de krukaspoelie voor de hulporganen kan opnieuw worden gebruikt als de lengte onder de kop niet groter is dan 49,1 mm (anders moet u hem vervangen), smeer de nieuwe bout niet met olie. Een gebruikte bout moet u echter wel met olie smeren. de pendelophanging rechts en zet deze vast met de voorgeschreven aantrekkoppels (zie hoofdstuk 19D "Pendelophanging"). 11A-15

45 MOTOR G9T CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Distributieriem 11A ONMISBAAR SPECIAAL GEREEDSCHAP Mot Mot Mot Mot AANTREKKOPPELS (in dan.m en/of ) Afstelgereedschap voor de inlaatnokkenas' Afstelgereedschap voor de uitlaatnokkenas BDP-stift Motorsteungereedschap Plaats het motorsteungereedschap Mot Spanrolmoer 2,5 Bout afstelgat van het BDP 2,2 Bout pendelkap op motor 6,2 Bouten aan carrosserie uitslagbegrenzer pendelophanging 10,5 Wielbouten 11 UITBOUWEN Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Maak de massakabel van de accu los. Bouw uit: de beschermplaat onder de motor, de sierkap van de motor, het rechter voorwiel en de spatplaat. Verwijder de pendelophanging rechts voor. Wip de elektroklep van de turbodrukregeling los van zijn steun. Bouw uit: het silent bloc, de akoestische massa en zijn steun op de langsbalk. 11A-16

46 MOTOR G9T CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Distributieriem 11A het hijsoog (1), het distributiedeksel (2), de pendelsteun van de cilinderkop, het opname element nokkenas (3). 11A-17

47 MOTOR G9T CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Distributieriem 11A Breng de BDP-stift Mot op zijn plaats. Draai de krukas rechtsom (distributiezijde), waarbij u tegen de BDP-stift Mot blijft drukken, tot het afstelpunt van de distributie. De inkepingen van de nokkenassen moeten verticaal staan zoals op de tekening hierna is aangegeven. Verwijder de plug van het BDP-controlegat. METHODE OM DE DISTRIBUTIE IN DE AFSTELPOSITIE TE ZETTEN Plaats het BDP merkteken (1) van de krukaspoelie voor de hulporganen bijna in het verticale vlak van de motor, zoals op de tekening hierna. 11A-18

48 MOTOR G9T CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Distributieriem 11A Het afstellen van de inlaat- en uitlaatnokkenassen gebeurt met behulp van Mot en Mot Plaats Mot en Mot in de inkepingen van de nokkenassen volgens onderstaande aanwijzingen. 11A-19

49 MOTOR G9T CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Distributieriem 11A Voor de inlaatnokkenas: Voor de uitlaatnokkenas: Plaats Mot door bout (1) met de hand vast te zetten. Draai de drie bouten (2) van de nokkenaspoelie maximaal een omwenteling los. Draai de inlaatnokkenas rechtsom met de bevestigingsbout van de naaf (3) (met behulp van een pijpsleutel van 16 mm) zodat Mot goed aanligt tegen de cilinderkop, en blokkeer vervolgens bout (1) van Mot Plaats Mot door bout (4) met de hand vast te zetten. Draai de drie bouten (5) van de nokkenaspoelie maximaal een omwenteling los. Draai de uitlaatnokkenas rechtsom met de bevestigingsbout van de naaf (6) (met behulp van een pijpsleutel van 16 mm) zodat Mot goed aanligt tegen de cilinderkop, en blokkeer vervolgens bout (4) van Mot A-20

50 MOTOR G9T CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Distributieriem 11A Ontspan de distributieriem door de bout (1) van de spanrol los te draaien. Bouw uit: de drie bouten (2) en verwijder de uitlaatnokkenaspoelie. de distributieriem. 11A-21

51 MOTOR G9T CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Distributieriem 11A INBOUWEN AFSTELMETHODE VAN DE DISTRIBUTIE Zet de krukas in het BDP (het BDP-merkteken van de krukaspoelie voor de hulporganen moet in de verticale as van de motor staan). Draai de drie bouten van de distributiepoelie van de inlaatnokkenas maximaal een omwenteling los. 11A-22

52 MOTOR G9T CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Distributieriem 11A Plaats de distributieriem, te beginnen bij het tussentandwiel (1), de geleiderol (2), de poelie van de inlaatnokkenas (probeer daarbij de bouten in het midden te houden van de sleuven in de poelie), de spanrol (3). Plaats de uitlaatnokkenaspoelie op de aandrijfriem, en daarna op de naaf van de nokkenas en probeer daarbij de bouten in het midden te houden van de sleuven in de poelie. Plaats de drie bevestigingsbouten van de poelie zonder ze vast te zetten. 11A-23

53 MOTOR G9T CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Distributieriem 11A SPANNING VAN DE DISTRIBUTIERIEM Controleer of het beweegbare deel van(1) Mot spanningsvrij omhoog en omlaag kan bewegen. De beweegbare aanwijzer (5) van de spanrol moet in lijn liggen met de rand (6). Plaats een inbussleutel van 6 mm in de uitsparing (2) van het excentriek van de spanrol. Draai het excentriek van de spanrol linksom, tot het vlak (3) van het beweegbare deel (1) gelijk ligt met het bovenvlak (4) van Mot Controleer of de bouten (8) niet tegen het einden stuiten van de sleuven in de nokkenaspoelies. Zet vast: de bout (7) van de spanrol, de bouten (8) van de nokkenaspoelies met een aantrekkoppel van 1 dan.m. 11A-24

54 MOTOR G9T CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Distributieriem 11A Verwijder de nokkenasafstelgereedschappen Mot. 1534, Mot en de BDP-stift Mot Draai de krukas bijna twee omwentelingen rechtsom (distributiezijde). Zet de krukas in het BDP (het BDP-merkteken van de krukaspoelie voor de hulporganen moet in de verticale as van de motor staan). Voor de inlaatnokkenas: Plaats Mot door bout (1) met de hand vast te zetten. Voor de uitlaatnokkenas: Plaats Mot door bout (4) met de hand vast te zetten. Draai de drie bouten (5) van de nokkenaspoelie maximaal een omwenteling los. Draai de uitlaatnokkenas rechtsom met de bevestigingsbout van de naaf (6) (met behulp van een pijpsleutel van 16 mm) zodat Mot goed aanligt tegen de cilinderkop, en blokkeer vervolgens bout (4) van Mot Draai de drie bouten (2) van de nokkenaspoelie maximaal een omwenteling los. Draai de inlaatnokkenas rechtsom met de bevestigingsbout van de naaf (3) (met behulp van een pijpsleutel van 16 mm) zodat Mot goed aanligt tegen de cilinderkop, en blokkeer vervolgens bout (1) van Mot A-25

55 MOTOR G9T CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Distributieriem 11A Controle van de afstelling en de spanning Draai de bout (7) van de spanrol los waarbij u het excentriek tegenhoudt met een 6 mm inbussleutel. Draai het excentriek van de spanrol rechtsom, tot het vlak (9) van het beweegbare deel (1) gelijk ligt met het bovenvlak (4) van Mot Zet vast: de bout (7) van de spanrol met een aantrekkoppel van 2,5 dan.m, de bouten (8) van de nokkenaspoelies met een aantrekkoppel van 1 dan.m. Verwijder de nokkenasafstelgereedschappen Mot. 1534, Mot en de BDP-stift Mot De beweegbare aanwijzer (5) van de spanrol moet zich in het midden van de groef (10) bevinden. Monteer de plug in het gat voor de BDP-stift met een beetje RHODORSEAL 5661 op de schroefdraad en zet hem vast met een aantrekkoppel van 2,2 dan.m. 11A-26

56 MOTOR G9T CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Distributieriem 11A Plaats: het distributiedeksel en zet de bouten vast met een aantrekkoppel van 1 dan.m, de pendelsteun op de cilinderkop en zet de bouten vast met 2,5 dan.m, Ga te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. 11A-27

57 MOTOR P9X 111A CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Distributieriem 11A ONMISBAAR SPECIAAL GEREEDSCHAP Mot Mot Motorblokkeergereedschap Motorsteungereedschap onderkant ONMISBAAR MATERIAAL Momentsleutel AANTREKKOPPELS (in dan.m en/of ) Bout geleiderol 5 Bout spanrol 4,3 Bouten aan carrosserie uitslagbegrenzer pendelophanging 10,5 Bevestigingsbout van de akoestische massa 2,1 de spoorstangkogel rechts voor, de onderste fuseekogel rechts voor bij (1), de twee bouten van de schokdemperpoot rechts voor bij (2), de remklauw en bevestiging hem aan de schroefveer (3), de stekker van het opname element van het ABS bij (4), Bouten koppel-reactiestang: aan subframe op de motor 10,5 18 Wielbouten 11 UITBOUWEN Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Verwijder de beschermplaten van de motor. Maak de massakabel van de accu los. Tap de motorolie af. de beugel van het steunlager van de aandrijfas, de rechter kant van de voortrein. Bouw uit: het rechter voorwiel, de spatplaat rechts voor, 11A-28

58 MOTOR P9X CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Distributieriem 11A Plaats het motorsteungereedschap Mot onder de motor. de luchtslang op de verdeler, de aandrijfriem hulporganen, de geleiderol (A). Bouw uit: de pendelophanging rechts voor en de akoestische massa, de aanvoerslang en de retourslang (5) van de brandstof op het filter, de stekker (6), het brandstoffilter. Wip de aanvoerslang en de retourslang los. Maak de stekker los van het opname element vliegwiel. Bouw uit: de bevestigingen van de stuurbekrachtigingspomp (zie hoofdstuk 36B "Stuurbekrachtigingspomp") en druk de pomp opzij zonder de leiding te vervormen, de geleider van de peilstaaf. 11A-29

59 MOTOR P9X CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Distributieriem 11A Verwijder de bout van de koppel-reactiestang bij (7). Maak de aircoleiding los bij (8). Druk het stuurbekrachtigingsreservoir opzij en verwijder zijn steun bij (9). N.B.: sluit de openingen van het brandstofsysteem af met doppen. LET OP: de uitlaatlijn kan beschadigen als de motor te ver omhoog gebracht wordt. Breng de motor omhoog met Mot om de kap van de pendelophanging vrij te kunnen maken. Bouw uit: de pendelsteun op de cilinderkop, het distributiedeksel. 11A-30

60 MOTOR P9X CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Distributieriem 11A Laat de motor voldoende zakken om de bij de bout van de krukaspoelie voor de hulporganenriem te kunnen komen. Zet de merktekens (A) en (B) in lijn door de krukas rechtsom te draaien met de bout van de krukaspoelie aan distributiezijde. Het merkteken LH van de nokkenas van de voorste rij moet in lijn liggen met het merkteken (C). Het merkteken RH van de nokkenas van de achterste rij moet in lijn liggen met het merkteken (D). Het merkteken (E) van het inspuitpomptandwiel moet in lijn liggen met het vaste merkteken (F) van het deksel van de tandwielgroep. 11A-31

61 MOTOR P9X CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Distributieriem 11A Ontspan de distributieriem door de automatische spanrol linksom te draaien met een inbussleutel van 10 mm met een koppel van maximaal 4 dan.m en zet de rol vast met een inbussleutel van 6 mm bij (G). INBOUWEN Bij het vervangen van de distributieriem, moet u altijd de geleiderol en de spanrollen vervangen. Plaats de geleiderollen en zet deze vast met een aantrekkoppel van 5 dan.m. De kleinste geleiderol komt bovenaan bij (1). Plaats de spanrol en zet de centreernok (G) correct in het gat van de rol en zet hem vast met een aantrekkoppel van 4,3 dan.m. Druk de automatische spanrol samen door hem rechtsom te draaien met een inbussleutel van 10 mm met een koppel van maximaal 4 dan.m en zet de rol vast met een inbussleutel van 6 mm bij (H). Bouw de distributieriem uit. 11A-32

62 MOTOR P9X CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Distributieriem 11A Monteer een nieuwe distributieriem en breng de merktekens op de riem in lijn met die op de tandwielen van de nokkenassen en van de inspuitpomp. Voor de nokkenas van de voorste rij moet het merkteken LH in lijn liggen met het merkteken van de distributieriem. Voor de nokkenas van de achterste rij moet het merkteken RH in lijn liggen met het merkteken van de distributieriem. Het merkteken van de inspuitpomppoelie moet in lijn liggen met het derde merkteken van de distributieriem. Monteer de pendelophanging rechts en zet deze vast met de voorgeschreven aantrekkoppels (zie hoofdstuk 19A "Pendelophanging"). Monteer de aandrijfas rechts voor (zie hoofdstuk 29A "Aandrijfas"). N.B.: vervang altijd de twee O-ringen van de geleider van de peilstaaf. Monteer de bevestigingen van de stuurbekrachtigingspomp (zie hoofdstuk 36B "Stuurbekrachtigingspomp"). Monteer de aandrijfriem hulporganen (zie hoofdstuk 07A "Spanning aandrijfriem hulporganen"). Vul de motorolie tot het juiste peil. Maak de spanrol vrij door de inbussleutel van 6 mm te verwijderen die hem op zijn plaats hield. Ga verder te werk in omgekeerde volgorde van het uitbouwen. Draai de krukas twee omwentelingen rechtsom en controleer het in lijn liggen van de merktekens, als dit niet correct is, begin dan overnieuw vanaf het plaatsen van de riem. 11A-33

63 MOTOR V4Y CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Distributieketting 11A Voor het uitbouwen-inbouwen van de distributieketting moet de aandrijfgroep worden uitgebouwd, om op de juiste manier te kunnen werken. Zie MR V4Y. 11A-34

64 MOTOR F4R CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Cilinderkoppakking 11A ONMISBAAR SPECIAAL GEREEDSCHAP Mot Mot Mot Mot BDP-stift Motorsteungereedschap Afstelgereedschap nokkenaspoelies Blokkeergereedschap nokkenassen ONMISBAAR MATERIAAL Hoekverdraaisleutel AANTREKKOPPELS (in dan.m en/of ) Bout geleiderol 4,5 Krukaspoeliebout ± 15 Spanrolmoer 2,8 Bouten van kleppendeksel 1,2 Bout van olieafscheider 1,2 Bout pendelkap op motor 6,2 Bouten aan carrosserie uitslagbegrenzer pendelophanging 2,1 Bouten van de bovenste stang van de pendelophanging 10,5 Bouten onderste inlaatluchtverdeler 2,1 Bouten van bobines 1,2 Bouten inlaatluchtverdeler 0,9 Bevestigingsbout tussenflens retour smering turbocompressor 0,8 Bevestigingsbout retour turbocompressor 1 Bevestigingsbouten katalysator 2,1 Moeren nokkenaspoelies Wielbouten 11 11A-35

65 MOTOR F4R CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Cilinderkoppakking 11A Hierbij moet u altijd vervangen: de slangen van de tussenkoeler, de spie op de krukas, de moeren van de nokkenaspoelies. Bouw uit: de luchtslang van het schild van de turbo bij (2), UITBOUWEN Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Maak de massakabel van de accu los. Bouw uit: de beschermplaat onder de motor, de katalysator (zie hoofdstuk 19B "Uitlaat"). Tap het koelsysteem af via de onderste radiateurslang. Bouw uit: de distributieriem, zie de methode in hoofdstuk 11A "Distributieriem".. Plaats het blokkeergereedschap Mot van de nokkenassen, en zet de moeren (1) vast met een aantrekkoppel van 8 dan.m. de slangen los op de ingang en de uitgang van de tussenkoeler bij (3). de poelies. 11A-36

66 MOTOR F4R CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Cilinderkoppakking 11A Maak de stekkers los: inspuitstukken bij (A), van het opname element inlaatdruk bij (B), van de bobines (C). Bouw uit: de slangen van de koeling van de turbocompressor bij (F), de olie-afscheider, Bouw uit: benzinetoevoer, de slang van de rembekrachtiging, de slangen van de carterventilatie en de benzinedampafzuiging bij (D), de stekker van de gemotoriseerde smoorklep bij (E). de bouten van het kleppendeksel en tik dit verticaal omhoog met een bronzen drevel onder de "uitsteeksels" (1) en gebruik een beklede schroevendraaier (zodat het aluminium niet beschadigt) als hefboom bij (2). 11A-37

67 MOTOR F4R CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Cilinderkoppakking 11A de nokkenassen en de klepstoters, de slangen op de uitgang van het koelsysteem op de cilinderkop en de stekker van het opname-element koelvloeistoftemperatuur, de bevestigingen van het huis van de koelvloeistofverwarmingselementen. 11A-38

68 MOTOR F4R CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Cilinderkoppakking 11A Bouw de cilinderkop uit. REINIGEN De pasvlakken van de aluminium onderdelen mogen beslist niet schoon worden geschraapt. Los de achtergebleven pakkingresten op met Décapjoint. Draag hierbij handschoenen. Breng het product aan op de te reinigen delen; laat het ongeveer tien minuten inwerken en veeg het metaal met een houten spatel schoon. CONTROLE VAN HET KOPPAKKINGVLAK Controleer of het pakkingvlak niet vervormd is. Maximale vervorming: 0,05 mm. De cilinderkop mag niet worden gevlakt. Controleer de cilinderkop op eventueel aanwezige scheurtjes. Het is van het grootste belang dat u zorgvuldig te werk gaat, zodat er geen vuil in de oliekanalen (in het motorblok en in de cilinderkop) terechtkomt. 11A-39

69 MOTOR F4R CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Cilinderkoppakking 11A Zet de zuigers halverwege hun slag staan, zodat zij de kleppen niet kunnen raken bij het monteren van de nokkenassen. Leg de koppakking op zijn plaats en daarop de cilinderkop. Controleer de kopbouten en zet ze op de juiste wijze vast (zie hoofdstuk 07A "Vastzetten cilinderkop"). Detail van het merkteken: de merktekens (B) en (C) gelden alleen voor de leverancier, het merkteken (C) dient voor de identificatie van de nokkenas: AM = Inlaat EM = Uitlaat Plaats: de klepstoters, smeer de lagerblokken van de nokkenassen met motorolie en plaats de nokkenassen LET OP: er mag geen olie terechtkomen op het pakkingvlak van het kleppendeksel. De nokkenassen herkent u aan een merkteken (A). 11A-40

70 MOTOR F4R CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Cilinderkoppakking 11A INBOUWEN Bij het demonteren-monteren van de cilinderkop, moet u op het volgende letten: vervang altijd de moeren van de nokkenassen, vervang altijd de slangen van de tussenkoeler, het is van groot belang de hydraulische drukstiften van de klepstoters voor het monteren te vullen want zij lopen na enige tijd leeg. Als u de bovenkant (A) met uw duim kunt indrukken, moet u de drukstift vlak onderdompelen in een bakje dieselolie en daarmee vullen voordat u ze monteert. 11A-41

71 MOTOR F4R CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Cilinderkoppakking 11A METHODE VOOR HET VASTZETTEN VAN DE CILINDERKOP De bouten mogen opnieuw worden gebruikt als de lengte gemeten onder de kop niet groter is dan 118,5 mm, anders moeten alle bouten worden vervangen. LET OP: zuig voor het vastzetten van de kopbouten de olie weg uit de bevestigingsgaten. Smeer de nieuwe bouten niet met olie. Gebruikte bouten moet u echter wel met olie smeren. Zet alle bouten in de hieronder aangegeven volgorde vast met een aantrekkoppel van 2 dan.m. Controleer of alle bouten vastzitten met 2 dan.m, en zet ze vervolgens (één voor één) vast over een hoek van 165 ± 6. De kopbouten worden hierna niet meer nagetrokken. 11A-42

72 MOTOR F4R CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Cilinderkoppakking 11A Draai de inkepingen van de nokkenassen zoals op onderstaande tekening is aangegeven S N.B.: de pakkingvlakken moeten volkomen schoon, droog en vetvrij zijn (niet aanraken). Rol Loctite 518 uit op het pakkingvlak van het nokkenaslagerhuis tot dit een rode kleur heeft gekregen. 11A-43

73 MOTOR F4R CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Cilinderkoppakking 11A Monteer het kleppendeksel en zet het met het voorgeschreven aantrekkoppel vast. Methode voor het vastzetten van de kopbouten Montage Aantrekvolgorde van de bouten Loszetvolgorde van de bouten Aantrekkoppel (in dan.m) Handeling n ,8 Handeling n 2 1 t/m t/m en 24-1,2 Handeling n Handeling n ,2 11A-44

74 MOTOR F4R CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Cilinderkoppakking 11A N.B.: de pakkingvlakken moeten volkomen schoon, droog en vetvrij zijn (niet aanraken). Rol Loctite 518 uit op het pakkingvlak van het nokkenaslagerhuis tot dit een rode kleur heeft gekregen. Vervangen van de nokkenaskeerringen Plaats de keerring van de uitlaatnokkenas met behulp van Mot en de oude moer (1). Monteer de olieafscheider en zet hem volgorde vast met 1,3 dan.m. Plaats de keerring van de inlaatnokkenas met behulp van Mot en de oude bout (2). 11A-45

75 MOTOR F4R CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Cilinderkoppakking 11A Afstellen van de distributie LET OP: het is van groot belang dat u de einden van de krukas en van de nokkenassen, de boring in de poelies en de raakvlakken tussen krukas en poelie en nokkenas en poelie grondig ontvet om motorschade te voorkomen als gevolg van het slippen van de poelie op de krukas of de nokkenas. Plaats: de distributieriem (houd u aan de methode uit hoofdstuk 07A "Spannen distributieriem"), de aandrijfriem hulporganen (zie hoofdstuk 07A "Spannen aandrijfriem hulporganen"), de nieuwe afsluitdoppen van de inlaatnokkenas (Mot. 1487) van de uitlaatnokkenas (Mot. 1488) de pendelophanging rechts en zet deze vast met de voorgeschreven aantrekkoppels (zie hoofdstuk 19D "Pendelophanging"). Ga te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. Vul en ontlucht het koelsysteem (zie hoofdstuk 19A Vullen - ontluchten). 11A-46

76 MOTOR G9T CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Cilinderkoppakking 11A ONMISBAAR SPECIAAL GEREEDSCHAP Mot Mot Mot Mot Mot Mot Mot Mot Mot Klembandtang Afstelgereedschap voor de inlaatnokkenas BDP-stift Afstelgereedschap voor de uitlaatnokkenas Lange klembandtang Riemspanningsmeter Verstuivertrekker Uitbouwgereedschap voor de hogedrukleidingen ONMISBAAR MATERIAAL Torx-dop 18 Sleutel voor hogedrukleidingen FACOM nummer DM19. Hoekverdraaisleutel Gereedschap voor het afpersen van de cilinderkop AANTREKKOPPELS (in dan.m of/en ) Spanrolmoer 2,5 Bevestigingsbouten van de steun rechts voor 4,4 Bevestigingsbouten van de steun rechts voor op de langsbalk 8,5 Hogedrukleidingen 2,5 Moer verstuiverflens bij vliegwielzijde 2,3 Bevestigingsmoer hogedrukleidingen 2,5 Bevestigingsbouten hoofdinspuitbuis 2,3 Bout flens van de leiding pomp/ hoofdinspuitbuis 2,5 Bevestigingsbouten tuimelaaras 1,3 Bevestigingsbouten kleppendeksel 1,2 Bevestigingsmoer turbocompressor 2,6 Bevestigingsbout EGR-leiding 2,5 Bout afstelgat van het BDP 2,2 LET OP: voor iedere reparatie, sluit u het diagnoseapparaat aan en opent u de communicatie met de rekeneenheid van het inspuitsysteem en controleert u of er geen druk meer is in de hoofdinspuitbuis. Houd rekening met de temperatuur van de brandstof. Bestel de set met speciale afsluitdoppen voor het hogedruk inspuitsysteem. UITBOUWEN HOUD U STIPT AAN DE REINHEIDSVOORSCHRIFTEN IN HOOFDSTUK 13B "BIJZONDERHEDEN EN REINHEID" Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Maak de massakabel van de accu los. Wielbouten 11 11A-47

77 MOTOR G9T CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Cilinderkoppakking 11A Bouw uit: het rechter voorwiel, de spatplaat rechts voor en de bescherming aan de zijkant, de beschermplaat onder de motor, de sierkap van de motor, de distributieriem (zie hoofdstuk 11A "Distributieriem"), de spanrol, de inlaatluchtslang van het luchtfilterhuis, de luchtslang op de turbocompressor en op de ingang van de tussenkoeler. Bouw uit: de EGR-leiding (2), de bescherming van de kabelbundel bij (3). Maak de rubberen bescherming los en druk hem zo ver mogelijk naar achteren. Zet de klembanden (1) los. 11A-48

78 MOTOR G9T CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Cilinderkoppakking 11A de stekkers van de luchtelektrokleppen bij (4), de slangen van de luchtdruk bij (5), Maak los: de vacuümslang op de vacuümpomp, de retourslang (6). het geluiddempende materiaal. Verwijder de slangen van de kachelradiateur bij (7). 11A-49

79 MOTOR G9T CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Cilinderkoppakking 11A Bouw uit: de stekkers van de koelvloeistofverwarmingselementen bij (8), de bevestigingen van de voorste uitlaatbuis, de bevestigingen van de turbo aan het uitlaatspruitstuk bij (9). 11A-50

80 MOTOR G9T CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Cilinderkoppakking 11A Bouw uit: de slang van de carterventilatie (10), de stekkers van de verstuivers, van de voorverwarmingsstiften en van het opname element druk (11), de brandstofretourslang (12) op de verstuivers en de hoofdinspuitbuis en bouw hem uit (denk eraan hem bij het monteren te vervangen). de leiding van het inspuitsysteem (13) tussen de hogedrukpomp en de hoofdinspuitbuis zonder de strip (14) te beschadigen, de verstuiverleidingen (15). Sluit de openingen af met schone doppen. Bouw uit: de hoofdinspuitbuis, het beschermrubber en zijn metalen steun. 11A-51

81 MOTOR G9T CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Cilinderkoppakking 11A LET OP: bij het losdraaien van de wartels (1) van de verstuiverleidingen op de verstuiverhouders, moet u de bevestigingsmoeren (2) van de filterstelen met een sleutel tegenhouden. Draai de bouten van de verstuiverflenzen geheel los, en plaats de klem van Mot zoals op de tekening hierna is aangegeven. Draai de kartelring aan zodat de twee bekken aangrijpen op de vlakke zijden zonder ze met overdreven kracht vast te zetten. Draai de bouten van de hoofdinspuitbuis los. Verwijder de verstuivers met Mot Plaats de balk van Mot over de bouten van het kleppendeksel (zoals op de tekening hierna is aangegeven). Schroef de bout (3) in de klem tot de verstuiver vrijkomt. Doe hetzelfde bij de andere verstuivers. Breng kruipolie aan rondom de verstuiver. 11A-52

82 MOTOR G9T Bouw uit: het kleppendeksel, CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Cilinderkoppakking 11A de tuimelaarassen. 11A-53

83 MOTOR G9T CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Cilinderkoppakking 11A Bouw uit: de bevestigingsbouten van het koelvloeistofhuis op de cilinderkop, de cilinderkop. REINIGEN De pasvlakken van de aluminium onderdelen mogen beslist niet schoon worden geschraapt. Los de achtergebleven pakkingresten op met Décapjoint. Draag hierbij handschoenen. Breng het product aan op de te reinigen delen; laat het ongeveer tien minuten inwerken en veeg het metaal met een houten spatel schoon. CONTROLE VAN HET KOPPAKKINGVLAK Controleer of het pakkingvlak niet vervormd is. Maximale vervorming: 0,05 mm. De cilinderkop mag niet worden gevlakt. Controleer de cilinderkop op haarscheurtjes door hem af te persen met het afpersgereedschap (bak met bij de betreffende cilinderkop behorende hulpstukken (plug, afsluitplaat, dop). De bak voor het afpersen van de cilinderkop heeft goedkeuringsnummer Het is van het grootste belang dat u zorgvuldig te werk gaat, zodat er geen vuil in de oliekanalen (in het motorblok en in de cilinderkop) terechtkomt. 11A-54

84 MOTOR G9T CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Cilinderkoppakking 11A INBOUWEN Plaats de cilinderkoppakking (de merktekens van de pakking aan de bovenkant), en vervolgens de cilinderkop. Plaats de zuigers halverwege om te voorkomen dat ze in contact komen met de kleppen bij het vastzetten van de cilinderkop. Zet de cilinderkop vast met de hoekverdraaisleutel (zie hoofdstuk 07A "Vastzetten cilinderkop"). Monteer de tuimelaarassen in de volgende stand: voor de uitlaatnokkenas: het eind van de tuimelaaras met de platte kant (1) aan distributiezijde, voor de inlaatnokkenas: het eind van de tuimelaaras zonder de platte kant (2) aan distributiezijde. 11A-55

85 MOTOR G9T CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Cilinderkoppakking 11A Zet de bouten van de tuimelaarassen in de voorgeschreven volgorde vast met een aantrekkoppel van 1,3 dan.m. 11A-56

86 MOTOR G9T CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Cilinderkoppakking 11A Plaats Rhodorseal 5661 in de hoeken van de nokkenaslagerkappen en in de halve maan. Plaats alle afdichtingen op het kleppendeksel. Distributiezijde Vliegwielzijde 11A-57

87 MOTOR G9T CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Cilinderkoppakking 11A Plaats: het kleppendeksel - inlaatspruitstuk, de bevestigingsbouten van het kleppendeksel en draai ze aan, met een druppel Loctite Frenbloc op de bouten ( ). Zet de bouten vast met 1,2 dan.m in de aangegeven aantrekvolgorde. 11A-58

88 MOTOR G9T CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Cilinderkoppakking 11A METHODE VOOR HET INBOUWEN VAN DE VERSTUIVERS Verwijder pas op het laatste moment de beschermdoppen van ieder onderdeel. Reinig de boringen van de verstuivers de verstuivers zelf en hun montagebeugels met een in nieuw oplosmiddel gedrenkte pluisvrije doek (gebruik de speciaal hiervoor bestemde doeken, bestelnr ). Droog alle onderdelen met een andere nieuwe doek. Reinig een van de oude bevestigingsbouten van de verstuiver en draai hem geheel in de bevestigingsgaten om de schroefdraad te reinigen. Plaats de nieuwe tapeinden (1) en de vulringen (2) voor het vastzetten van de verstuiver nadat u de schroefdraad met olie hebt ingesmeerd en zet ze met de hand vast tot het einde van de schroefdraad (0,2 dan.m). Na elke demontage moeten de tapeinden en de moeren worden vervangen. 11A-59

89 MOTOR G9T CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Cilinderkoppakking 11A Leg een nieuwe ring onder elke verstuiver. Monteer de verstuiver met zijn beugel en een borgveer. Smeer de schroefdraad van de moeren met olie. LET OP: zet de moer (A) aan distributiezijde eerst vast en daarna de moer (B) aan vliegwielzijde. Zet moer (A) vast met 0,6 dan.m, en daarna moer (B) met 0,6 dan.m. Distributiezijde eerst, daarna vliegwielzijde. Monteer de inspuitleidingen tussen de hoofdinspuitbuis en de verstuivers en zet ze met de hand vast tot zijn aanliggen. Zet de drie bevestigingsbouten van de hoofdinspuitbuis vast met een aantrekkoppel van 2,3 dan.m. Zet de wartels van de inspuitleidingen bij de verstuivers en de hogedrukpomp vast met een aantrekkoppel van 2,5 dan.m. Zet de wartels van de inspuitleidingen bij de hoofdinspuitbuis vast met een aantrekkoppel van 2,5 dan.m. Maak het bevestigingsklemmetje van de leiding pomp / hoofdinspuitbuis vast en zet de twee bevestigingsbouten vast. Monteer het afdichtschot met twee moeren aan het kleppendeksel. Zet de zijschotten van de bescherming van de hoofdinspuitbuis correct vast. Vouw de rubber slab van de bescherming van de hoofdinspuitbuis naar voren en klem hem vast. Bij alle werkzaamheden aan de bescherming van de hoofdinspuitbuis, moet u na het monteren van de onderdelen van het systeem erop letten dat zij goed zijn geplaatst (zie het hoofdstuk 13B "Bescherming van de hoofdinspuitbuis"). Het niet naleven van deze voorschriften kan ernstige gevolgen hebben. Voer alleen bij moer (B) een hoekverdraaiing uit van 360 ± 30 (moer aan vliegwielzijde). Draai de drie bevestigingsbouten van de hoofdinspuitbuis los zodat deze vrijkomt. Ga bij het verder monteren te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. Gooi de zak met gebruikte doppen weg. Verwijder de doppen van de hoofdinspuitbuis, van de verstuiverhouders en van de inspuitleidingen. 11A-60

90 MOTOR G9T CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Cilinderkoppakking 11A Plaats: de distributieriem, zie de methode in hoofdstuk 11A "Distributieriem". de pendelophanging rechts en zet deze vast met de voorgeschreven aantrekkoppels (zie hoofdstuk 19A "Pendelophanging"). Ga te werk in omgekeerde volgorde van het uitbouwen. Voordat u de motor start, wist u met het diagnoseapparaat de eventueel in het geheugen van de rekeneenheid opgeslagen storingen. Vul het circuit met brandstof door het contact enkele keren aan te zetten, of laat de lagedrukpomp draaien met het diagnoseapparaat in het menu "Commando van de actuators". Na iedere reparatie, controleert u of er geen brandstoflekkage is. Ga als volgt te werk: laat de motor stationair draaien tot de koelventilateur inschakelt, geef en paar keer onbelast gas, maak een proefrit, zet het contact af en controleer of er nergens brandstoflekkage is, controleer of de absorberende geluiddemping niet nat is door brandstof. Vul en ontlucht het koelsysteem (zie hoofdstuk 19A Vullen - ontluchten). 11A-61

91 MOTOR P9X CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Cilinderkoppakking 11A ONMISBAAR SPECIAAL GEREEDSCHAP Mot Mot Blokkeergereedschap nokkenaspoelie Montagegereedschap nokkenaskeerringen Mot Meetgereedschap voor de zuigerhoogte ONMISBAAR MATERIAAL Momentsleutel Hoekverdraaisleutel Gereedschap voor het afpersen van de cilinderkop AANTREKKOPPELS (in dan.m) Nokkenascassettebout M6 1,2 M8 2,2 Tapeind nokkenaslagerblok 4,3 Bout nokkenaslagerblok 2,2 Bout koelvloeistofbuis op voorste cilinderkop 2,5 de hoofdinspuitbuis (zie hoofdstuk 13B "Hoofdinspuitbuis"). de verstuivers (zie hoofdstuk 13B "Verstuivers"), de hogedrukleidingen op de inspuitpomp. Methode voor de cilinderkop van de voorste rij: Bouw uit: de nokkenaspoelies met behulp van Mot. 1659, het opname element van de stand van nokkenassen, de bout bij (B), het carter bij (C). Carterbouten 2,5 Bouten van de nokkenaspoelies 12 UITBOUWEN Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Bouw de accu uit. Tap het koelsysteem af via de onderste radiateurslang. Bouw uit: de distributieriem (zie hoofdstuk 11A "Distributieriem"), de inlaatluchtverdeler (zie hoofdstuk 12A "Inlaatluchtverdeler"), de EGR-elektroklep (zie hoofdstuk 12B "EGR-elektroklep"), de hogedrukleidingen (zie hoofdstuk 13B "Hogedrukleidingen"), 11A-62

92 MOTOR P9X CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Cilinderkoppakking 11A Bouw uit: de nokkenascassette, de bevestigingen van het huisoog van de voorste rij, het hitteschild van het voorste uitlaatspruitstuk, de bevestigingen van het uitlaatspruitstuk van de voorste rij op de tussenbuis naar de turbocompressor bij (D), de bouten van de koelslang op de cilinderkop van de voorste rij bij (E), de klepstoters en noteer hun plaatsen, de bouten van de olieslang op de cilinderkop van de voorste rij, de bouten van de cilinderkop van de voorste rij, de cilinderkop van de voorste rij. 11A-63

93 MOTOR P9X CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Cilinderkoppakking 11A Methode voor de cilinderkop van de achterste rij: Bouw uit: de nokkenaspoelie met behulp van Mot. 1659, het carter bij (F). de klepstoters en noteer hun plaatsen, de bout van de dynamosteun op de cilinderkop van de achterste rij, de uitgaande buis van de turbocompressor bij (G). de nokkenascassette, Maak de koelvloeistofbuis vrij van de achterste cilinderkop. Bouw uit: de bouten van de cilinderkop van de achterste rij, de cilinderkop van de achterste rij. 11A-64

94 MOTOR P9X CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Cilinderkoppakking 11A REINIGEN De pasvlakken van de aluminium onderdelen mogen beslist niet schoon worden geschraapt. Los de achtergebleven pakkingresten op met Décapjoint. Draag hierbij handschoenen. Breng het product aan op de te reinigen delen; laat het ongeveer tien minuten inwerken en veeg het metaal met een houten spatel schoon. Het is van het grootste belang dat u zorgvuldig te werk gaat, zodat er geen vuil in de oliekanalen (in het motorblok en in de cilinderkop) terechtkomt. CONTROLE VAN HET KOPPAKKINGVLAK Controleer of het pakkingvlak niet vervormd is. Maximale vervorming: 0,07 mm. De maximale vervorming van het pakkingvlak van de inlaat- en uitlaatspruitstukken is: 0,075 mm. De cilinderkop mag niet worden gevlakt. Controleer de cilinderkop op haarscheurtjes door hem af te persen met het afpersgereedschap (bak met bij de betreffende cilinderkop behorende hulpstukken (plug, afsluitplaat, dop). De bak voor het afpersen van de cilinderkop heeft goedkeuringsnummer METEN VAN DE ZUIGERHOOGTES Verwijder koolaanslag op de bovenkanten van de zuigers. Draai de krukas een omwenteling in de normale draairichting, zodat zuiger N 1 het BDP nadert. Plaats het gereedschap Mot Plaats het gereedschap Mot met een meetklokje op de steunplaat Mot en zoek het BDP van de zuiger. N.B.: alle metingen moeten worden uitgevoerd op 15 ten opzichte van de lengteas van de motor. 11A-65

95 MOTOR P9X CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Cilinderkoppakking 11A KEUZE VAN DE CILINDERKOPPAKKING de markering "R" is voor de achterste rij bij (3). Markering Dikte Zuigerhoogte 1 gat 1,15 mm 0,40 tot 0,46 mm 2 gaten 1,2 mm 0,47 tot 0,53 mm 3 gaten 1,25 mm 0,54 tot 0,60 mm N.B.: de cilinderkoppakkingen zijn op de volgende manier te herkennen: het aantal gaten geeft de dikte van de koppakking aan bij (1) de markering "L" is voor de voorste rij bij (2), INBOUWEN (bijzonderheden) LET OP: zuig voor het vastzetten van de kopbouten de olie weg uit de bevestigingsgaten. Plaats de cilinderkoppakkingen, gecentreerd door twee doppen. Plaats de zuigers halverwege om te voorkomen dat ze in contact komen met de kleppen bij het vastzetten van de cilinderkop. Centreer de pakking met de centreerbussen. 11A-66

96 MOTOR P9X CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Cilinderkoppakking 11A Zet de cilinderkoppen vast met een momentsleutel en een hoekverdraaisleutel (zie hoofdstuk 07A "Vastzetten van de cilinderkop"). Monteer de klepstoters na deze te hebben gesmeerd. Zet de cassettes vast met het voorgeschreven koppel en in de hieronder aangegeven volgorde. Achterste rij Monteer de nokkenascassettes met nieuwe afdichtingen en gecentreerd op de doppen bij (3). Voorste rij Achterste rij Voorste rij 11A-67

97 MOTOR P9X CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Cilinderkoppakking 11A Monteer de koelvloeistofbuis met nieuwe afdichtingen en zet hem vast met een aantrekkoppel van 2,5 dan.m. op de cilinderkop van de voorste rij. Monteer de carters met een strook, van 1,2 mm in diameter, THREEBOND volgens onderstaand schema, na: reinigen en ontvetten van de pakkingvlakken, verwijderen van de afdichtingen van de nokkenassen en van de carters. Zet de bouten met diameter: M6 vast met een aantrekkoppel van 1,2 dan.m, M8 vast met een aantrekkoppel van 2,2 dan.m. Zet de lagerblokken van de nokkenassen met een aantrekkoppel van 2,5 dan.m. Zet de tapeinden vast met een aantrekkoppel van 4,3 dan.m behalve de twee tapeinden van de buitenste lagerblokken, zet deze vast met een aantrekkoppel van 2,2 dan.m. 11A-68

98 MOTOR P9X CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Cilinderkoppakking 11A N.B.: vervang altijd de O-ring bij (4). Monteer de nokkenaspoelies: van de achterste rij, met het merkteken (1) ("RH") van de poelie in lijn met het merkteken (A), Zet de carters vast met een aantrekkoppel van 2,5 dan.m. Monteer de keerringen van de nokkenassen met behulp van Mot A-69

99 MOTOR P9X CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Cilinderkoppakking 11A van de voorste rij, met het merkteken (2) ("LH") in lijn met het merkteken (B). Plaats: de verstuivers (zie hoofdstuk 13B "Verstuivers"), de hogedrukleidingen op de inspuitpomp, de hoofdinspuitbuis (zie hoofdstuk 13B "Hoofdinspuitbuis"). de hogedrukleidingen (zie hoofdstuk 13B "Hogedrukleidingen"), de EGR-elektroklep (zie hoofdstuk 12B "EGRelektroklep"), de inlaatluchtverdeler (zie hoofdstuk 12A "Inlaatluchtverdeler"), de distributieriem (zie de methode in hoofdstuk 11A "Distributieriem"). Ga verder te werk in omgekeerde volgorde van het uitbouwen. Vul en ontlucht het koelsysteem (zie hoofdstuk 19A "Vullen - ontluchten"). Zet de poelies van de nokkenassen met een aantrekkoppel van 12 dan.m. 11A-70

100 MOTOR V4Y CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Cilinderkoppakking 11A Voor het uitbouwen-inbouwen van de cilinderkoppakkingen moet de aandrijfgroep worden uitgebouwd. Voor de juiste werkmethode, raadpleegt u MR V4Y. 11A-71

101 MOTOR G9T CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Nokkenas 11A Zie het boek G9T voor de bijzonderheden over het uitbouwen inbouwen van de nokkenassen en het vervangen van de nokkenaskeerringen. 11A-72

102 MOTOR P9X CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Nokkenas 11A ONMISBAAR SPECIAAL GEREEDSCHAP Mot Gereedschap voor het uitlijnen van de vertanding van het spelingcorrectietandwiel Mot Mot Mot Montagegereedschap nokkenaskeerringen Blokkeergereedschap nokkenaspoelie Afstelgereedschap voor de klepspeling ONMISBAAR MATERIAAL Momentsleutel Hoekverdraaisleutel AANTREKKOPPELS (in dan.m) Nokkenascassettebout M6 1,2 M8 2,2 Tapeinden van de middelste lagerblokken van de nokkenassen 4,3 Tapeinden van de buitenste lagerblokken van de nokkenassen 2,2 Methode voor de nokkenassen van de voorste rij: Bouw uit: de nokkenaspoelies met behulp van Mot. 1659, het opname element van de stand van nokkenassen bij (A), de bevestiging van de geleider van de peilstaaf op het carter bij (B), de bout bij (C), het carter bij (D). Bout nokkenaslagerblok 2,2 Bouten van het afsluitcarter van de nokkenassen 2,5 Bouten van de nokkenaspoelies 12 UITBOUWEN Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Bouw de accu uit. Tap het koelsysteem af via de onderste radiateurslang. Bouw uit: de distributieriem (zie hoofdstuk 11A "Distributieriem"), de inlaatluchtverdeler (zie hoofdstuk 12A "Inlaatluchtverdeler"), de hogedrukleidingen (zie hoofdstuk 13B "Hogedrukleidingen"), de katalysator (zie hoofdstuk 19B "Katalysator"). de verstuivers (zie hoofdstuk 13B "Verstuivers"), 11A-73

103 MOTOR P9X CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Nokkenas 11A IDENTIFICATIE VAN DE NOKKENASSEN Markeer de nokkenassen voor u deze uitbouwt. de twee nokkenassen en markeer hun posities. Methode voor de nokkenassen van de achterste rij: Bouw uit: de nokkenaspoelie met behulp van Mot. 1659, het carter bij (E). 1 Uitlaatnokkenas voorste rij 2 Inlaatnokkenas voorste rij 3 Inlaatnokkenas achterste rij 4 Uitlaatnokkenas achterste rij Bouw uit: de lagerblokken van de nokkenassen en markeer hun posities, de lagerblokken van de nokkenassen en markeer hun posities, de nokkenassen en markeer hun posities. 11A-74

104 MOTOR P9X CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Nokkenas 11A REINIGEN Plaats de nokkenassen volgens de afstelling bij (G). De pasvlakken van de aluminium onderdelen mogen beslist niet schoon worden geschraapt. Los de achtergebleven pakkingresten op met Décapjoint. Het is van het grootste belang dat u zorgvuldig te werk gaat. Breng het product aan op de te reinigen delen; laat het ongeveer tien minuten inwerken en veeg het metaal met een houten spatel schoon. INBOUWEN Smeer de nokken en de lagerblokken. Plaats het spelingcorrectietandwiel op de juiste manier, met de tanden in lijn met die van de nokkenaspoelie, gebruik Mot Steek in (F) een pen van 3 mm om het spelingcorrectietandwiel op zijn plaats te houden ten opzichte van de nokkenas. Monteer de distributiecarters met een strook, van 1,2 mm in diameter, THREEBOND volgens onderstaand schema, na: reinigen en ontvetten van de pakkingvlakken, verwijderen van de afdichtingen van de nokkenassen en van de carters. 11A-75

105 MOTOR P9X CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Nokkenas 11A Zet de bouten met diameter M6 vast met een aantrekkoppel van 1,2 dan.m, M8 vast met een aantrekkoppel van 2,2 dan.m. Zet de lagerblokken van de nokkenassen met een aantrekkoppel van 2,2 dan.m. Zet de tapeinden vast met een aantrekkoppel van 4,3 dan.m behalve de twee tapeinden van de buitenste lagerblokken, zet deze vast met een aantrekkoppel van 2,2 dan.m. N.B.: vervang altijd de O-ring bij (C). Zet de carters vast met een aantrekkoppel van 2,5 dan.m. 11A-76

106 MOTOR P9X CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Nokkenas 11A Monteer de keerringen van de nokkenassen met behulp van Mot van de voorste rij, met het merkteken (2) ("LH") in lijn met het merkteken (B). Monteer de nokkenaspoelies: van de achterste rij, met het merkteken (1) ("RH") van de poelie in lijn met het merkteken (A), Zet de nokkenaspoelies vast met een aantrekkoppel van 12 dan.m, gebruik Mot om de nokkenaspoelies tegen te houden. 11A-77

107 MOTOR P9X CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Nokkenas 11A Plaats de distributieriem (zie de methode in hoofdstuk 11A "Distributieriem""). Merktekens van de cilinders: CONTROLE VAN DE KLEPSPELING N.B.: de klepspeling moet worden gemeten bij "koude motor". De afstelwaarde is 0,4 mm. Zet de krukas in het BDP; het BDP-merkteken (H) van de krukaspoelie moet in lijn staan met het vaste merkteken (I). A: distributiezijde B: vliegwielzijde Meet de klepspeling van cilinder n 1, de nokken moeten op de achterkant van de nok staan. Plaats de nokken van cilinder n 2, op de achterkant van de nokken door de motor in de normale draairichting te draaien. Meet de klepspeling. Herhaal dit voor de cilinders n 3, 4, 5 en 6, door de motor in de normale draairichting te draaien en met inachtneming van de inspuitvolgorde: " ". 11A-78

108 MOTOR P9X CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Nokkenas 11A AFSTELLEN VAN DE KLEPSPELING Plaats de nokken van de betreffende cilinder op de achterkant van de nokken en draai de motor iets in de normale draairichting om contact tussen de klep en de zuiger te voorkomen bij het aanbrengen van Mot Draai de twee hydraulische klepstoters van de betreffende cilinder met de uitsparing naar de buitenkant van de twee nokkenassen, zodat het klepstelplaatje vrij komt. Plaats: de verstuivers (zie hoofdstuk 13B "Verstuivers"), de hogedrukleidingen (zie hoofdstuk 13B "Hogedrukleidingen"), de inlaatluchtverdeler (zie hoofdstuk 12A "Inlaatluchtverdeler"), de katalysator (zie hoofdstuk 19B "Katalysator"). Ga verder te werk in omgekeerde volgorde van het uitbouwen. Druk de klepveer in met Mot Het gereedschap gemerkt "I" dient voor het vervangen van de plaatjes van de inlaatnokkenassen en het gereedschap gemerkt "E" dient voor het vervangen van de plaatjes van de uitlaatnokkenassen. Verwijder de klepstelplaatjes met een schroevendraaier en een magnetische vinger. 11A-79

109 MOTOR V4Y CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Nokkenas 11A Voor het uitbouwen-inbouwen van de nokkenassen moet de aandrijfgroep worden uitgebouwd. Voor de juiste werkmethode, raadpleegt u MR V4Y. 11A-80

110 MOTOR F4R 112A INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Gegevens 12A Type auto Type Indice Boring (mm) Slag (mm) Motor Inhoud (cm 3 ) Versnellingsbak Compressieverhouding Emissienorm BJ0K BJ0P BJ0K BJ0P PK6 F4R , ,5 / 1 SU1 F4R , ,5 / 1 IF05 EU 00 IF05 EU 00 Controlewaarden bij stationair toerental* Toerental (tr/min) Luchtverontreiniging ** CO (%) (1) CO2 (%) CH (ppm) Lambda (λ) Brandstof (octaangetal minimaal) 750 tr/min 0,5 max 14,5 max 100 max 0,97<λ<1,03 Super ongelood (octaangetal 95) (1) bij 2500 tr/min, mag het CO niet hoger zijn dan 0,3. * ** Bij een koelvloeistoftemperatuur hoger dan 80 C en controle na ongeveer 30 secondes met 2500 tr/min stabiel toerental draaien. De wettelijk toegestane maxima kunnen per land verschillen. Temperatuur in C (± 1) Opname element luchttemperatuur met negatieve temperatuurcoëfficiënt: weerstand in ohm (Ω) Opname element luchttemperatuur met negatieve temperatuurcoëfficiënt: weerstand in ohm (Ω) tot tot tot tot tot tot tot A-1

111 MOTOR F4R INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Gegevens 12A OMSCHRIJVING MERK/TYPE BIJZONDERHEDEN Rekeneenheid inspuitsysteem en ontsteking Gemotoriseerd smoorklephuis 40 mm (Ingebouwde potentiometer met dubbele baan) SAGEM S 2000 T MGI/VDO 112-polig Sequentiële multipunt inspuiting Statische ontsteking Weerstand motor = 1,6 ± 0,3 Ω Weerstand potentiometer = 1500 ± 300 Ω Opname element gaspedaal HELLA Potentiometer met twee banen Weerstand baan 1 = 1200 ± 480 Ω Weerstand baan 2 = 1700 ± 680 Ω Bobines NIPPONDENSO Vier penbobines V4 NIPPONDENSO: Weerstand primair 0,5 Ω Weerstand secondair 6,8 ± 1 KΩ Bougies CHAMPION RC 8 PYCB Aantrekkoppel: 2,5 tot 3 dan.m Opname elementen spruitstukdruk en turbodruk DELCO Uitgaande spanning met contact aan en stilstaande motor (tussen de aansluitingen A en B): -1,9 V bij een atmosferische druk van 1013 mb. Uitgaande spanning > 1,9 V bij een atmosferische druk > 1030 mbar en uitgaande spanning < 1,9 V bij een atmosferische druk < 1013 mbar Afdichting bij iedere demontage vervangen Pingeldetector SAGEM Type piëzo-elektrisch Aantrekkoppel: 2 dan.m Opname element vliegwiel (BDP en toerental) SIEMENS Type variabele reluctantie Weerstand = 200 tot 270 Ω Lambda sondes (voorste en achterste) BOSCH Weerstand verwarming = 9 Ω bij 20 C Weerstand intern = 1 kω maximum Rijk mengsel > 800 mv Arm mengsel < 50 mv Injectoren MAGNETI-MARELLI PICO Weerstand: 14,5 ± 0,7 Ω bij 20 C 12A-2

112 MOTOR F4R INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Gegevens 12A OMSCHRIJVING MERK/TYPE BIJZONDERHEDEN Opname element luchttemperatuur Opname element koelvloeistoftemperatuur JEAGER JEAGER Negatieve temperatuurcoëfficiënt (zie tabel) Weerstand: 2500 Ω bij 20 C Negatieve temperatuurcoëfficiënt (zie tabel) Weerstand: 3500 Ω bij 20 C Elektroklep dampabsorptievat SAGEM Weerstand: 26 ± 4 Ω bij 23 C Elektroklep wastegate EATON Weerstand: 30 ± 2Ω bij 23 C Voedingspomp in de tank met ingebouwde benzinefilter en drukregelaar BOSCH Druk: 3,5 bar ± 0,06 Opbrengst minimaal: 80 tot 120 l/u Spruitstukdruk stationair ± 50 mbar Waterpomp (koeling turbocompressor) BOSCH Aansl. 1: - motor Aansl. 2: + motor Koelvloeistofverwarmingselementen - Weerstand: 0,45 ± 0,05 Ω bij 20 C 12A-3

113 MOTOR V4Y INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Gegevens 12A Type auto Type Indice Boring (mm) Slag (mm) Motor Inhoud (cm 3 ) Versnellingsbak Compressieverhouding Emissienorm BJ0V SU1 V4Y ,5 81, ,3 / 1 IF2005 Controlewaarde bij stationair toerental (warme motor)* Stationair (tr/min) Luchtverontreiniging ** CO (%) (1) CO2 (%) CH (ppm) Lambda (λ) Brandstof *** (octaangetal minimaal) 650 0,5 maximaal 15 maximaal 100 maximaal 0,97 < λ < 1,03 Super ongelood (octaangetal 98) (1) bij 2500 tr/min, mag het CO niet hoger zijn dan 0,3. * ** *** Bij een koelvloeistoftemperatuur hoger dan 80 C en controle na ongeveer 30 secondes met 2500 tr/min stabiel toerental draaien. De wettelijk toegestane maxima kunnen per land verschillen. Ook geschikt voor ongelood 91 octaan. Temperatuur in C (± 1) Opname element koelvloeistoftemperatuur met negatieve temperatuurcoëfficiënt: weerstand in ohm (Ω) 7000 tot tot tot tot tot tot tot tot 153 Opname element luchttemperatuur met negatieve temperatuurcoëfficiënt: weerstand in ohm (Ω) 7940 tot tot tot tot tot tot tot A-4

114 MOTOR V4Y INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Gegevens 12A OMSCHRIJVING MERK/TYPE BIJZONDERHEDEN Rekeneenheid inspuitsysteem HITACHI / HI-EWR20 Rekeneenheid multipunt sequentieel inspuitsysteem Rekeneenheid met 121 aansluitingen (81 en 40 aansluitingen) Benzinepomp - Deze is gecombineerd met tankelement en filter Druk 3,5 ± 0,06 bar Gemotoriseerd smoorklephuis (ingebouwde dubbele baan en diameter 70 mm) HITACHI / RM Gelijkstroom elektromotor Aansluitingen Aansl. A1: Voeding + 5 V Aansl. A2: Signaal potentiometer baan n 2 Aansl. A3: Voeding motor - Aansl. A4: Signaal potentiometer baan n 1 Aansl. A5: Massa potentiometers Aansl. A6: Voeding motor + Weerstand van de motor: tussen de aansluitingen A3 en A6: 1 tot 15 Ω bij 25 C Weerstand van de potentiometers tussen de aansluitingen: A1 en A5: 875 tot 1625 Ω bij 25 C Bougies NGK / PLFR5A Bougies met een elektrode Bobines HANSIN / AIC J Enkele bobine met transistor Opname element gaspedaal HELLA / JECS AEEE002 Potentiometer met twee banen Weerstand: - baan 1: 2 (massa) en 4 (+ 5 V): 1,2 ± 0,5 kω - baan 2: 1 (massa) en 5 (+ 5 V): 1,7 ± 0,7 kω Luchtdoorstroommeter UNISIA JECS Warme film luchtdoorstroommeter met ingebouwd opname element luchttemperatuur Aansluitingen Aansl. A1: signaal luchtstroom Aansl. A2: 5 V referentiespanning Aansl. A3: massa doorstroommeter en opname element luchttemperatuur Aansl. A4: + 12 V na navoedingsrelais inspuitsysteem Aansl. A5: signaal opname element inlaatluchttemperatuur Injectoren HITACHI / JECS FBJC101 Elektromagnetische verstuiver Weerstand: 13,5 tot 17,5 Ω bij 20 C Opname elementen nokkenas - Opname elementen met Hall effect Deze zijn op de inlaatnokkenassen gemonteerd. Er is een opname element per cilinderrij. Weerstand bij 25 C: tussen de aansluitingen A1 en A2 A1 en A3 uitgezonderd 0 of oneindig A2 en A3 12A-5

115 MOTOR V4Y INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Gegevens 12A OMSCHRIJVING MERK/TYPE BIJZONDERHEDEN Pingeldetector NGK / KNE20 Opname element type piëzo-elektrisch Het is in het midden van de "V" gemonteerd Weerstand bij 20 C: tussen de aansluitingen A1 en A2: 530 tot 590 kω Opname element atmosferische druk Opname element druk stuurbekrachtiging SIEMENS / 5WK9681 TEXAS INSTRUMENTS Deze is bij de rekeneenheid gemonteerd - Opname element vliegwiel - Opname elementen met Hall effect Dit is op het versnellingsbakhuis onder de auto gemonteerd. Weerstand bij 25 C: tussen de aansluitingen A1 en A2 A1 en A3 uitgezonderd 0 of oneindig A2 en A3 Elektroklep van inlaatnokkenasversteller UNISIA JECS Op de inlaatnokkenas. Weerstand bij 20 C: 7 tot 7,5 Ω Elektroklep variabele inlaatluchtklep MITSUBISHI Weerstand: 32 Ω ± 5 % Voorste lambda sondes NGK Weerstand verwarming: tussen de aansl. A2 en A3: 3 tot 4 Ω bij 25 C Achterste lambda sondes NGK Weerstand verwarming: tussen de aansl. A2 en A3: 3 tot 4 Ω bij 25 C Elektroklep dampafzuiging UNISIA JECS Weerstand: 24 Ω ± 5 % katalysator ECIA C204 Voorkatalysator ECIA C202 en C203 Inspuitvolgorde n 1 en 2 distributiezijde (n 1 op de achterste cilinderrij) Diagnose Diagnosegereedschap (behalve XR25) 12A-6

116 MOTOR F4R INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Luchtinlaat 12A SCHEMA VAN HET INLAATLUCHTCIRCUIT 1 Tussenkoeler 2 Luchtinlaat 3 Luchtfilter 4 Turbocompressor 5 Inlaatspruitstuk 6 Gemotoriseerd smoorklephuis 12A-7

117 MOTOR G9T INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Luchtinlaat 12A SCHEMA VAN HET INLAATLUCHTCIRCUIT 1 Tussenkoeler 2 Luchtinlaat 3 Luchtfilter 4 Doorstroommeter 5 Inlaatspruitstuk 6 Turbocompressor 7 Verdelerhuis 12A-8

118 MOTOR V4Y INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Luchtinlaat 12A INLAATCIRCUIT (principeschema) De luchtinlaat heeft een geluiddemper (2) die het aanzuiggeluid vermindert en voor een betere vulling zorgt bij lage toerentallen. 1 Aanzuigslang 2 Inlaatgeluiddemper 3 Luchtfilterhuis 4 Luchtdoorstroommeter 5 Gemotoriseerd smoorklephuis 6 Inlaatspruitstuk met variabele inlaatluchtklep 7 Inlaatluchtverdeler 12A-9

119 MOTOR P9X INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Luchtinlaat 12A SCHEMA VAN HET INLAATLUCHTCIRCUIT Het luchtinlaatsysteem heeft een geluiddemper (7) die bepaalde drukgolven elimineert waardoor het inlaatgeluid minder is. 1 Luchtaanvoerslang 2 Luchtfilterhuis 3 Luchtdoorstroommeter 4 Luchtinlaatslang 5 Turbocompressor 6 Wastegate 7 Inlaatgeluiddemper 8 luchtinlaatslang op uitgang tussenkoeler 9 Tussenkoeler 10 luchtinlaatslang op uitgang tussenkoeler 11 Afslagklephuis 12 Inlaatluchtverdeler 13 Voorste inlaatspruitstuk 14 Achterste inlaatspruitstuk 15 Aansluiting voor carterventilatieslang 12A-10

120 MOTOR F4R - G9T INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Luchtfilter 12A FILTERELEMENT Motor F4R met turbocompressor Motor G9T Maak de stekker (1) los van de luchtdoorstroommeter. Maak de luchtslang (2) los. Maak de slangklem (1) los en daarna de luchtslang (2). Verwijder de vier bevestigingsbouten (3) van het luchtfilterdeksel zodat u bij het filterelement kunt komen. Verwijder de vier bevestigingsbouten (3) van het luchtfilterdeksel zodat u bij het filterelement kunt komen. 12A-11

121 MOTOR V4Y INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Luchtfilter 12A FILTERELEMENT Verwijder de kappen op de motor. Maak los: de accu, de stekker van de luchtdoorstroommeter (1), de luchtaanzuigslang (2). Maak de bevestigingen los van de relais (3) en maak deze naar de zijkant vrij. Verwijder de vier bevestigingsbouten (4) van het deksel van het luchtfilterhuis. Maak het deksel van het luchtfilterhuis met de doorstroommeter vrij en verwijder daarna het filterelement. 12A-12

122 MOTOR P9X INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Luchtfilter 12A FILTERELEMENT Verwijder de kappen op de motor. Maak los: de accu, de stekker van de luchtdoorstroommeter (1). Maak de carterventilatieslang (2) los. Maak de bevestigingen los van de relais (4) en maak deze naar de zijkant vrij. Verwijder de vier bevestigingsbouten (5) van het deksel van het luchtfilterhuis. Open het deksel van het luchtfilterhuis en verwijder het filterelement. Verwijder de luchtaanzuigslang (3) met de doorstroommeter. Verwijder hiervoor de twee bevestigingsbouten op de luchtdoorstroommeter, druk deze tegen de inlaatgeluiddemper en daarna tegen de turbocompressor. 12A-13

123 MOTOR F4R INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Gemotoriseerd smoorklephuis 12A AANTREKKOPPELS (in dan.m) de stekker van het gemotoriseerd smoorklephuis (4). Bouten smoorklephuis 1,5 UITBOUWEN Maak de massakabel van de accu los. Zet de klemband (1) los. Maak los: de stekker van het opname element turbodruk (2), de stekker van het opname element luchttemperatuur (3), Maak de luchtslang los tussen tussenkoelerluchtverdeler. Verwijder de drie bevestigingsbouten (5) van het smoorklephuis. Verwijder het smoorklephuis met de slang van het benzinedampabsorptiesysteem en van de carterventilatie (6). Wip de slang (6) los van het smoorklephuis. 12A-14

124 MOTOR F4R INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Gemotoriseerd smoorklephuis 12A INBOUWEN Ga te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. Vervang de afdichting bij iedere demontage van het smoorklephuis. Lees het smoorklephuis in met behulp van het diagnoseapparaat. Bij ieder aanzetten van het contact moet het smoorklephuis een inleescyclus uitvoeren op de minimum en maximum aanslagen. 12A-15

125 MOTOR V4Y INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Gemotoriseerd smoorklephuis 12A AANTREKKOPPELS (in dan.m) Bouten smoorklephuis 0,8 ± 0,1 Bouten luchtfilterhuis 1 UITBOUWEN Maak de massakabel van de accu los. Bouw het deksel van het luchtfilterhuis uit (zie hoofdstuk 12A: Inlaatspruitstuk - Smoorklephuis "Luchtfilter"). INBOUWEN Ga te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. Vervang de afdichting bij iedere demontage van het smoorklephuis. Gebruik indien nodig wat vet om de montage te vergemakkelijken. Bij het aanzetten van het contact moet het smoorklephuis een inleescyclus uitvoeren op de minimum en maximum aanslagen. Controleer met het diagnoseapparaat of dit inlezen is uitgevoerd. Verwijder de luchtaanzuigslang. Maak de stekker los van het gemotoriseerd smoorklephuis (1). Verwijder de vier bevestigingsbouten van het smoorklephuis (2). 12A-16

126 MOTOR F4R INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Gemotoriseerd smoorklephuis 12A BELANGRIJK: Het gemotoriseerde smoorklephuis kan niet worden gerepareerd. Het is niet toegestaan de aanslagschroef (A) te verdraaien. BESTEMMING VAN DE AANSLUITINGEN VAN DE STEKKER VAN HET SMOORKLEPHUIS Aansl Omschrijving Massa potentiometer Signaal potentiometer N 1 - motor + motor Voeding + 5 V potentiometer Signaal potentiometer n 2 Weerstand motor tussen de aansluitingen 3 en 4: 1,6 Ω ± 0,3 Ω Weerstand potentiometer tussen de aansluitingen 1 en 5: 1500 Ω ± 300 Ω 12A-17

127 MOTOR V4Y INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Gemotoriseerd smoorklephuis 12A BELANGRIJK: Het gemotoriseerde smoorklephuis kan niet worden gerepareerd BESTEMMING VAN DE AANSLUITINGEN VAN DE STEKKER VAN HET SMOORKLEPHUIS Aansl. A1 A2 A3 A4 A5 A6 Omschrijving Voeding + 5 V Signaal potentiometer baan n 2 Voeding motor Signaal potentiometer baan n 1 Massa potentiometers Voeding motor Weerstand motor tussen de aansluitingen A3 en A6: 1 tot 15 Ω bij 25 C Weerstand van de potentiometers tussen de aansluitingen A1 en A5: 875 tot 1625 Ω bij 25 C 12A-18

128 MOTOR G9T INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Verdelerhuis 12A AANTREKKOPPELS (in dan.m) Bevestigingsbout van de EGR-leiding 2,5 ± 0,5 Bevestigingsbout verdelerhuis 2,2 ± 0,4 VERDELERHUIS Dit huis bevindt zich tussen de tussenkoeler en het inlaatspruitstuk. Hierin bevinden zich de elektroklep van het EGR-systeem en het afslagsysteem. Maak de stekker (4) los van de EGR-elektroklep. Draai de slangklemmen los van de verbindingsslang (5) met het inlaatspruitstuk. Bouw uit: de versterkingsstrip (6) tussen het verdelerhuis en de stuurbekrachtigingspomp, de drie bevestigingsbouten (7) van het verdelerhuis, het verdelerhuis met de EGR-elektroklep. UITBOUWEN Maak de massakabel van de accu los. Verwijder de leiding van de EGR (1) en zijn afdichtingen. Vervang de leiding en de afdichtingen bij het monteren. Maak de luchtslang tussenkoeler - verdelerhuis (2) los door de slangklem (3) los te maken. INBOUWEN Ga te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. Houd de voorgeschreven aantrekkoppels zorgvuldig aan. 12A-19

129 MOTOR G9T INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Afslagsysteem 12A AANTREKKOPPELS (in dan.m) een elektroklep (4). Bevestigingsbouten afslagklep 1,2 DOEL Met dit systeem stop de motor snel na het afzetten van het contact. BESCHRIJVING Dit systeem bestaat uit: een balg (1) die de afslagklep bedient, een afslagklep (2), WERKING Bij het afzetten van het contact, verbindt de elektroklep het vacuümreservoir met de bedieningsbalg van de afslagklep. Hierop werkt de onderdruk; als gevolg daarvan wordt de afslagklep afgesloten. De motor krijgt geen lucht meer en stopt direct. een vacuümreservoir (3), 12A-20

130 MOTOR G9T INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Afslagsysteem 12A PRINCIPESCHEMA UITBOUWEN VAN DE AFSLAGKLEP Voor het uitbouwen van de afslagklep, moet het verdelerhuis worden uitgebouwd (zie hoofdstuk 12A Inlaatspruitstuk - Smoorklephuis "Verdelerhuis"). Verwijder de vier bouten (1) van de afslagklep en bouw het geheel smoorklep - balg uit. A Vacuümpomp B Vacuümreservoir met antiretourklep C Afslagelektroklep D Bedieningsbalg van de afslagklep INBOUWEN Ga te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. 12A-21

131 MOTOR P9X INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Afslagsysteem 12A DOEL Het systeem heeft als doel de motor geleidelijk en zonder schokken stil te zetten na het uitzetten van het contact. BESCHRIJVING Het systeem bestaat uit: een balg (1) die de smoorklep bedient, een afslagklep (2), een bedieningselektroklep (3), een vacuümreservoir (4). WERKING Bij het afzetten van het contact, verbindt de elektroklep het vacuümreservoir met de balg. Hierop werkt de onderdruk; als gevolg daarvan wordt de afslagklep afgesloten. De motor krijgt geen lucht meer en stopt direct. 12A-22

132 MOTOR P9X INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Afslagsysteem 12A AANTREKKOPPELS (in dan.m) Bevestigingen van de afslagklep 0,8 UITBOUWEN VAN DE AFSLAGKLEP Maak los: de luchtaanzuigslang (1), de vacuümslang op de balg (2). Bouw uit: de vier bevestigingsbouten (3), het geheel klep-balg. INBOUWEN VAN DE AFSLAGKLEP Vervang de O-ring. Ga te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. 12A-23

133 MOTOR F4R INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Inlaatspruitstuk 12A AANTREKKOPPELS (in dan.m) Spruitstukbouten 2,1 Bouten smoorklephuis 1 Bouten van de hoofdinspuitbuis 0,8 Schroeven van de luchtslang tussenkoeler-turbocompressor 1 Slangklem van de luchtslang tussenkoeler-turbocompressor 0,5 UITBOUWEN Maak los: de accu, de stekker van het gemotoriseerd smoorklephuis (1), de luchtslang tussenkoeler-smoorklephuis (2), de stekker van het opname element turbodruk (3), de stekker van het opname element luchttemperatuur (4). de luchtslang van het hitteschild van de turbocompressor (6), de slangklem en de bevestigingsschroef van de luchtslang van tussenkoeler-turbocompressor (7). Bouw uit: de drie bevestigingsbouten (5) van het smoorklephuis, het smoorklephuis met de slang van het benzinedampabsorptiesysteem en van de carterventilatie, 12A-24

134 MOTOR F4R INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Inlaatspruitstuk 12A Maak los: de slang van de carterventilatie van het inlaatspruitstuk (8), de vacuümslang naar de rembekrachtiger (9), de stekker van het opname element spruitstukdruk (10), de stekkers van de inspuitstukken (11). de acht bevestigingsbouten van het inlaatspruitstuk (13), het inlaatspruitstuk. Bouw uit: de twee bouten van de hoofdinspuitbuis (12), de hoofdinspuitbuis, 12A-25

135 MOTOR F4R INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Inlaatspruitstuk 12A INBOUWEN Vervang de inlaatspruitstukpakking en de afdichting van het smoorklephuis. Breng de bouten van het spruitstuk op hun plaats. Zet de bevestigingsbouten van het spruitstuk vast in de juiste volgorde ( ) en met het voorgeschreven aantrekkoppel. Ga te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. 12A-26

136 MOTOR V4Y INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Variabele inlaat 12A BIJZONDERHEDEN Het inlaatspruitstuk heeft een klep voor de variabele luchtinlaat. Na de doorstroommeter splitst het inlaatspruitstuk zich in twee delen die elk een cilinderrij voeden. Een luchtklep maakt het mogelijk de twee cilinderrijen ofwel met elkaar te verbinden, ofwel van elkaar te scheiden. Met dit systeem kan het motorkoppel verbeterd worden. De rekeneenheid van het inspuitsysteem stuurt een elektroklep (1) aan, die de onderdruk van het inlaatspruitstuk via een vacuümreservoir (2) verbindt met de bedieningsbalg (3) van de luchtklep (4). VOORWAARDEN VOOR DE WERKING In rust wordt de elektroklep niet gevoed, de luchtklep staat open. 1. Bij stationair draaien of vo belast staat de luchtklep open. 2. De elektroklep wordt aangestuurd, de luchtklep sluit als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: startmotor draait niet, smoorklepweerstand niet gas los, koelvloeistoftemperatuur -49 C, motortoerental tussen 1600 en 3600 ± 200 tr/min, inspuitduur > 0,5 milliseconde. UITBOUWEN - INBOUWEN Voor het uitbouwen-inbouwen van de luchtklep gelden geen bijzonderheden. Vervang de afdichtingen door nieuwe. Zet de bevestigingsbouten van de klep vast met een aantrekkoppel van 1,9 ± 0,2 dan.m. 12A-27

137 MOTOR V4Y INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Inlaatspruitstuk 12A AANTREKKOPPELS (in dan.m) Moeren en bouten van het spruitstuk 2,2 Koppel-reactiestang: op subframe op motor 10,5 18 UITBOUWEN Maak de massakabel van de accu los. Bouw uit: het vacuümreservoir (1), de bedieningselektroklep van de inlaatluchtklep (2), de vacuümslang (3) naar de rembekrachtiger. de stekkers van de lambda sondes (6), Maak los: de slangen op de bedieningsbalg (4), de slang (5) op het spruitstuk, Elektroklep benzinedampafzuiging Plaats afknijpklemmen op de slangen van de inlaatspruitstukverwarming. Maak de twee slangen los. 12A-28

138 MOTOR V4Y INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Inlaatspruitstuk 12A Plaats de onderste motorsteun Mot de bevestigingsbouten en -moeren van het inlaatspruitstuk (7), het spruitstuk. Bouw uit: de koppel-reactiestang, INBOUWEN de pendelsteun aan distributiezijde, Vervang de afdichting door een nieuwe. N.B.: Houd u aan de voorgeschreven aantrekvolgorde en aantrekkoppels voor de bevestigingen van het inlaatspruitstuk. Ga verder te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. Vul het koelcircuit bij. 12A-29

139 MOTOR V4Y INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Inlaatluchtverdeler 12A AANTREKKOPPELS (in dan.m) Bouten en moeren van het inlaatspruitstuk 2,2 Bouten van de hoofdinspuitbuizen: - voorspannen - vastzetten 1 2,3 Bouten en moeren van de verdeler 1,2 UITBOUWEN Maak de massakabel van de accu los. Bouw het inlaatspruitstuk uit (zie de methode van het "Inlaatspruitstuk"). Mak de benzineaanvoerwartel (1) los op de hoofdinspuitbuis. Vang de zich hierin bevindende benzine op. Bouw uit: de bevestigingsbouten (2) van de hoofdinspuitbuis, de hoofdinspuitbuis, 12A-30

140 MOTOR V4Y INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Inlaatluchtverdeler 12A de bevestigingsbouten en -moeren van het inlaatluchtverdeler, de inlaatluchtverdeler. INBOUWEN Vervang de afdichting door een nieuwe. N.B.: Houd u aan de voorgeschreven aantrekvolgorde en aantrekkoppels voor de bevestigingen van het inlaatluchtverdeler. Ga verder te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. 12A-31

141 MOTOR V4Y INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Inlaatspruitstuk en -luchtverdeler 12A 12A-32

142 MOTOR V4Y INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Inlaatspruitstuk en -luchtverdeler 12A 1 Gemotoriseerd smoorklephuis 2 Slang van inlaatspruitstuk 3 Inlaatspruitstuk 4 Inlaatluchtverdeler 5 Variabele inlaatluchtklep 6 Elektroklep variabele inlaatluchtklep 7 Vacuümreservoir 8 Pulsdemper 9 Hoofdinspuitbuis 10 Elektroklep dampafzuiging 12A-33

143 MOTOR G9T INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Inlaatspruitstuk 12A AANTREKKOPPELS (in dan.m) Bevestigingsbouten kleppendeksel 1,2 Bevestigingsbouten hoofdinspuitbuis 2,3 Moeren van hogedrukleidingen 2,5 UITBOUWEN OPMERKING: Voor het uitbouwen van het inlaatspruitstuk moeten de verstuivers, de hogedrukleidingen en de hoofdinspuitbuis worden uitgebouwd (zie hoofdstuk 13B Dieselinspuitsysteem). Maak los: de stekkers van de voorverwarmingsstiften, de stekker van de EGR-klep (1), maak de kabelbundel (2) los van de plastic bescherming. Bouw uit de bescherming (3) van de kabelbundel. 12A-34

144 MOTOR G9T INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Inlaatspruitstuk 12A Druk de kabelbundels opzij zodat de bovenkant van het inlaatspruitstuk vrijkomt. Maak de slangklem (4) los van de verbindingsslang afslagklephuis - inlaatspruitstuk. Plaats de motorsteun Mot en bouw de pendelsteun uit. Verwijder de spruitstukbouten en bouw het spruitstuk uit. 12A-35

145 MOTOR G9T INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Inlaatspruitstuk 12A INBOUWEN Vervang de afdichtingen door nieuwe. Plaats alle afdichtingen op het kleppendeksel - inlaatspruitstuk. Plaats Rhodorseal 5661 in de hoeken van de nokkenaslagerkappen en in de halve maan. Distributiezijde Vliegwielzijde 12A-36

146 MOTOR G9T INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Inlaatspruitstuk 12A Plaats: het kleppendeksel - inlaatspruitstuk, de bevestigingsbouten van het kleppendeksel en draai ze aan, met een druppel Loctite Frenbloc op de bouten ( ). Zet de bouten vast met 1,2 dan.m in de aangegeven aantrekvolgorde. BELANGRIJK: Ga bij het inbouwen te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen en let in het bijzonder op de montagevolgorde en de voorgeschreven aantrekkoppels voor het inbouwen van de delen van het hogedruk inspuitsysteem (zie hoofdstuk 13B Dieselinspuitsysteem "Verstuiver"). 12A-37

147 MOTOR G9T INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Inlaatluchtverdeler 12A AANTREKKOPPELS (in dan.m) Bevestigingsbouten inlaatluchtverdeler 1,2 Monteer het inlaatspruitstuk - kleppendeksel met de voorgeschreven aantrekvolgorde en aantrekkoppels (zie hoofdstuk 12A Inlaatspruitstuk - Smoorklephuis "Inlaatspruitstuk"). UITBOUWEN OPMERKING: Voor het uitbouwen van de inlaatluchtverdeler moeten het inlaatspruitstuk en het afslagklephuis worden uitgebouwd (zie hoofdstuk 12A Inlaatspruitstuk - Smoorklephuis "Inlaatspruitstuk" en "Verdelerhuis"). Zet de bevestigingsbouten van de inlaatluchtverdeler vast met een aantrekkoppel van 1,2 dan.m in de voorgeschreven volgorde (1, 2, 3, 4, 5). Bouw uit: de bevestigingsbouten van de inlaatluchtverdeler, de inlaatluchtverdeler. Monteer de afslagklep (zie hoofdstuk 12A Inlaatspruitstuk - Smoorklephuis "Verdelerhuis"). INBOUWEN BELANGRIJK: Ga bij het inbouwen te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen en let in het bijzonder op de montagevolgorde en de voorgeschreven aantrekkoppels voor het inbouwen van de delen van het hogedruk inspuitsysteem (zie hoofdstuk 13B Dieselinspuitsysteem "Verstuiver"). Vervang de afdichtingen van de inlaatluchtverdeler en van het inlaatspruitstuk door nieuwe afdichtingen. Bouw de inlaatluchtverdeler in. Draai de bouten van de inlaatluchtverdeler aan zonder ze vast te zetten. 12A-38

148 MOTOR G9T INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Inlaatluchtverdeler - Turbulentieklep 12A TURBULENTIEKLEP PRINCIPESCHEMA De inlaatluchtverdeler heeft een turbulentieklep die, onder bepaalde bedrijfsomstandigheden van de motor, de stroming van de inlaatlucht verandert en daarmee de vulling van de cilinder beïnvloedt. Als de klep dicht is, heeft de luchtdoorlaat in de inlaatluchtverdeler een kleinere doorsnede. BESCHRIJVING Het systeem bestaat uit: een turbulentieklep in de inlaatluchtverdeler, een balg (1) die de turbulentieklep bedient, A Vacuümpomp B Elektroklep van de turbulentieklep C Bedieningsbalg van de turbulentieklep WERKING In rust is de elektroklep gesloten. De klep is open en heeft geen invloed op de luchtdoorlaat in de inlaatluchtverdeler. en een elektroklep (2). Als het systeem in werking is, verbindt de elektroklep, die wordt aangestuurd door de rekeneenheid van het inspuitsysteem, de vacuümpomp (A) met de bedieningsbalg (C) van de turbulentieklep. Op de balg werkt de onderdruk van de vacuümpomp; als gevolg daarvan wordt de turbulentieklep afgesloten. UITBOUWEN De turbulentieklep is ingebouwd in de inlaatluchtverdeler. Bij het vervangen moet de complete inlaatluchtverdeler worden vervangen. 12A-39

149 MOTOR P9X INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Inlaatluchtverdeler 12A AANTREKKOPPELS (in dan.m) Bevestigingen van de inlaatluchtverdeler Steun van de sierkap van de motor op de inlaatluchtverdeler Steun op de turbocompressor Bevestigingen hitteschild op de turbocompressor Strip aan zijkant van de inlaatluchtverdeler 2,1 2,5 2,5 2,1 2,1 UITBOUWEN Verwijder de kappen op de motor. Maak de massakabel van de accu los. Maak de stekkers (1) los: van het opname element luchttemperatuur, van de elektroklep turbodrukregeling, van het opname element van de stand van de wastegate, van de bedieniningselektroklep van de afslagklep. Maak de vacuümslangen (2) los op: de balg van de wastegate, de elektroklep van de turbodrukregeling, het vacuümreservoir, de bedieningsbalg van de afslagklep, de vacuümpomp. 12A-40

150 MOTOR P9X INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Inlaatluchtverdeler 12A Bouw uit: de bevestigingen (3) van het hitteschild op de turbocompressor, Verwijder de bevestigingen (6): van de strip aan zijkant van de inlaatluchtverdeler, van de inlaatluchtverdeler op de EGR-buis, van de inlaatluchtverdeler. Verwijder de inlaatluchtverdeler en daarna de afdichtingen. de bevestigingen (4) van de steun op de turbocompressor, de steun, het hitteschild op de turbocompressor, de steun van de sierkap van de motor (5) op de inlaatluchtverdeler. Maak de luchtinlaatslang los op de afslagklep. Op de werkbank, verwijder: de elektrokleppen, het vacuümreservoir, de smoorklep (zie "Afslagsysteem van de motor"). 12A-41

151 MOTOR P9X INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Inlaatluchtverdeler 12A INBOUWEN Vervang altijd alle afdichtingen. Monteer de inlaatluchtverdeler en zet de bevestigingen vast met een aantrekkoppel van 2,1 dan.m in de voorgeschreven volgorde. Ga verder te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. 12A-42

152 MOTOR P9X INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Inlaatspruitstukken 12A AANTREKKOPPELS (in dan.m) Bevestigingen inlaatspruitstuk 3,1 Bevestigingen van de uitslagbegrenzer op de carrosserie 10,5 Bevestigingen van de pendelkap op de motor 6,2 Bevestigingen van de akoestische massa op de carrosserie 2,1 Bevestiging van de dempingsstang op het voorste inlaatspruitstuk 2,5 HOUD U STIPT AAN DE VOORSCHRIFTEN INZAKE EEN SCHONE WERKOMGEVING UITBOUWEN Verwijder het geheel pendelkap-uitslagbegrenzer. Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Maak de massakabel van de accu los. Plaats het motorsteungereedschap Mot Maak de brandstofaanvoerleidingen vrij op de pendelophanging. Maak de brandstofaanvoer en -retourslangen (1) los en sluit de openingen af met doppen van de set met afsluitdoppen uit het magazijn. 12A-43

153 MOTOR P9X INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Inlaatspruitstukken 12A Bouw de inlaatluchtverdeler uit (zie de methode van de "Inlaatluchtverdeler"). Maak los: de verschillende stekkers en actuators van de kabelbundel (2) en maak deze vrij naar de zijkant, de slangen van de carterventilatie op de "T"-aansluiting (3) en daarna de slang (4). Maak deze vrij naar de zijkant. Maak de stekker (5) vrij en verwijder de dempingsstang (6) A-44

154 MOTOR P9X INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Inlaatspruitstukken 12A Draai de wartels van de hogedrukleidingen hoofdinspuitbuis-verstuivers los. Draai, indien nodig, de bevestigingsbeugels van de verschillende leidingen los. Bouw de hogedrukleidingen uit. Sluit de openingen af met schone doppen. Bouw uit: de twee bevestigingsbouten van de balg van de wastegate en maak deze naar de zijkant vrij, de hoofdinspuitbuis (zie de methode in hoofdstuk 13B Dieselinspuitsysteem "Hoofdinspuitbuis"). de retourslang (7) met het opname element brandstoftemperatuur, de bevestigingen van de carterventilatiebuis (8), de beugel en daarna de wartels op de pomp en de cilinderkop van de brandstofretour en - aanvoerslangen (9). Maak vrij: de carterventilatieslang aan de zijkant, de brandstofaanvoer- en retourbuizen. Verwijder de uitgaande hogedrukleiding van de pomp (10) en de wartel op het spruitstuk. Sluit de openingen af met schone doppen. Bouw uit: het geheel EGR-klep - warmtewisselaar (zie de paragraaf "EGR-klep - Warmtewisselaar"), 12A-45

155 MOTOR P9X INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Inlaatspruitstukken 12A Bouw uit: het spruitstuk van de voorste en/of achterste cilinderrij, de afdichtingen. INBOUWEN Vervang altijd alle afdichtingen van het luchtinlaatcircuit. Plaats het of de spruitstuk(ken) en zet de bevestiging vast met het voorgeschreven aantrekkoppel en aantrekvolgorde. Monteer de brandstofaanvoer- en retourleidingen en zet deze vast met de voorgeschreven aantrekkoppels (zie de methode in hoofdstuk 13B Dieselinspuitsysteem "Inspuitpomp"). Monteer de hoofdinspuitbuis (zie de methode in hoofdstuk 13B Dieselinspuitsysteem "Hoofdinspuitbuis"). Vervang altijd de hogedrukleidingen en zet deze vast met het voorgeschreven aantrekkoppel (zie de methode in hoofdstuk 13B Dieselinspuitsysteem "Hogedrukleidingen"). Ga verder te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. Vul het brandstofcircuit met behulp van de opvoerpomp. Controleer de afdichting van het hogedrukcircuit na de reparatie (zie hoofdstuk 13B Dieselinspuitsysteem "Bijzonderheden"). 12A-46

156 MOTOR F4R INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Uitlaatspruitstuk 12A AANTREKKOPPEL (in dan.m en/of ) Spruitstukmoeren 2 Moeren van de turbocompressor Lambda sonde 3,4 BELANGRIJK Breng op hun plaats: de turbocompressor op het uitlaatspruitstuk, de olieaanvoerleiding op de turbocompressor, de olieretourleiding naar het motorblok. UITBOUWEN Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Maak de massakabel van de accu los. Bouw uit: de katalysator (zie hoofdstuk 19B Uitlaat "Katalysator"). de turbocompressor (zie hoofdstuk 12B Drukvulling "Turbocompressor"). de moeren van het uitlaatspruitstuk. INBOUWEN Zet de slangklem van luchtslang van de tussenkoelerturbocompressor vast om de turbocompressor te plaatsen. N.B.: Controleer de afdichting van de olieaanvoer- en retourslangen van de turbocompressor (zie hoofdstuk 12B Drukvulling "Turbocompressor"). Plaats de katalysator door de steunen van de katalysator vast te zetten en daarna de flenzen van de turbocompressor en de uitlaatlijn (zie hoofdstuk 19B Uitlaat "Katalysator"). Ga te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. Zet de bouten en moeren van het spruitstuk vast met de voorgeschreven volgorde en het voorgeschreven aantrekkoppel. Vervang de afdichtingen van het spruitstuk en de moeren van het spruitstuk. 12A-47

157 MOTOR V4Y INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Voorste uitlaatspruitstuk 12A AANTREKKOPPELS (in dan.m) Bevestigingstapeinden van het spruitstuk 1,5 ± 0,2 Bevestigingsmoeren van het spruitstuk 3 ± 0,3 Bevestigingsbouten van het hitteschild 0,6 INBOUWEN Vervang de uitlaatspruitstukpakking door een nieuwe. Ga te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. Zet de bouten en moeren van het spruitstuk vast met de voorgeschreven volgorde en het voorgeschreven aantrekkoppel. Bouten van uitlaatklem 2,5 UITBOUWEN Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Maak de massakabel van de accu los. Maak de stekker los van de lambda sonde (1) en bouw deze uit. Voor het uitbouwen van het uitlaatspruitstuk moet de voorkatalysator worden uitgebouwd (zie hoofdstuk 19B, Uitlaat, Voorste voorkatalysator). Verwijder de bevestigingsbouten van het voorste uitlaatspruitstuk. 12A-48

158 MOTOR V4Y INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Achterste uitlaatspruitstuk 12A AANTREKKOPPELS (in dan.m) Bevestigingstapeinden van het spruitstuk 1,5 ± 0,2 Bevestigingsmoeren van het spruitstuk 3 ± 0,3 UITBOUWEN INBOUWEN Vervang de uitlaatspruitstukpakking door een nieuwe. Ga te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. Zet de bouten en moeren van het spruitstuk vast met de voorgeschreven volgorde en het voorgeschreven aantrekkoppel. Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Maak de massakabel van de accu los. Voor het uitbouwen van het uitlaatspruitstuk van de achterste cilinderrij moet de katalysator van de achterste cilinderrij worden uitgebouwd (zie hoofdstuk 19 Uitlaat "Voorkatalysator achterste cilinderrij"). Maak de stekker los van de lambda sonde (1) en bouw deze uit. Verwijder de bevestigingsbouten van het achterste uitlaatspruitstuk. 12A-49

159 MOTOR G9T INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Uitlaatspruitstuk 12A AANTREKKOPPELS (in dan.m) Bevestigingstapeind spruitstuk 0,8 ± 0,2 Bevestigingsmoer van spruitstuk 2,7 ± 0,4 Bevestigingsbouten hitteschild 1 ± 0,2 UITBOUWEN OPMERKING: Voor het uitbouwen van het uitlaatspruitstuk moet de turbocompressor worden uitgebouwd (zie hoofdstuk 12B Drukvulling "Turbocompressor"). Bouw uit: het hitteschild van het uitlaatspruitstuk, de bevestigingsmoeren van het uitlaatspruitstuk, het uitlaatspruitstuk. 12A-50

160 MOTOR G9T INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Uitlaatspruitstuk 12A INBOUWEN Ga te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. Zet de bouten en moeren van het spruitstuk vast met de voorgeschreven volgorde en het voorgeschreven aantrekkoppel. Vervang de afdichting van het uitlaatspruitstuk. 12A-51

161 MOTOR P9X INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Uitlaatspruitstuk voorste cilinderrij 12A AANTREKKOPPELS (in dan.m) Bevestigingen uitlaatspruitstuk op cilinderkop 5,2 Bevestigingen tussenuit spruitstuk - turbocompressor op spruitstuk 5,2 Bevestigingen hitteschilden 2,1 Steun op de turbocompressor 2,5 UITBOUWEN Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Verwijder de kappen op de motor. Maak de massakabel van de accu los. Maak de relais los en vrij naar de zijkant. Bouw uit: de bevestigingen (1) van het hitteschild op de turbocompressor, de bevestigingen (2), de steun op de turbocompressor. Maak hiervoor los: de verschillende vacuümslangen, het hitteschild, 12A-52

162 MOTOR P9X INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Uitlaatspruitstuk voorste cilinderrij 12A de bevestigingen (3) van het hitteschild op de uitlaattussenbuis spruitstuk - turbocompressor, het hitteschild, de bevestigingen (4) van het hitteschild van het uitlaatspruitstuk, het hitteschild, 12A-53

163 MOTOR P9X INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Uitlaatspruitstuk voorste cilinderrij 12A de bevestigingen van het uitlaatspruitstuk (5), het spruitstuk, de afdichting (6). INBOUWEN Vervang de uitlaatspruitstukpakking en de afdichting van de tussenbuis. Plaats het spruitstuk en zet de bevestiging vast met het voorgeschreven aantrekkoppel en aantrekvolgorde. Ga verder te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. 12A-54

164 MOTOR P9X INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Uitlaatspruitstuk achterste cilinderrij 12A AANTREKKOPPELS (in dan.m) Bevestigingen uitlaatspruitstuk op cilinderkop Bevestigingen tussenuit spruitstuk - turbocompressor op spruitstuk Bevestigingen hitteschilden Steun op de turbocompressor Voorste uitlaatbuis: op de turbocompressor op de katalysator Bevestigingen van de steun van de voorkatalysator Bevestigingen van de strip van de voorkatalysator 5,2 5,2 2,1 2,5 2,1 2,1 2,1 2,1 de bevestiging (3) van het hitteschild van de voorkatalysator, het hitteschild, UITBOUWEN Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Verwijder de kappen op de motor. Maak de massakabel van de accu los. Maak de relais los en vrij naar de zijkant. de bevestigingen (4) van de voorste uitlaatbuis. Bouw uit: de bevestigingen (1) van het hitteschild op de turbocompressor, de bevestigingen (2), de steun op de turbocompressor. Maak hiervoor los: de verschillende vacuümslangen, het hitteschild, 12A-55

165 MOTOR P9X INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Uitlaatspruitstuk achterste cilinderrij 12A Onder de auto Bouw uit: de bescherming onder de motor, de katalysator. Maak de voorkatalysator naar de zijkant vrij. Verwijder hiervoor de steun (5) en de bevestigingsstrip (6) van de voorkatalysator. Bouw uit: het hitteschild van het uitlaatspruitstuk, de bevestigingen van de tussenbuis spruitstuk - turbocompressor op het uitlaatspruitstuk, de bevestigingen van het uitlaatspruitstuk, het spruitstuk, de afdichting. INBOUWEN Vervang altijd alle afdichtingen van het spruitstuk de uitlaattussenbuis, de voorkatalysator. Plaats het spruitstuk en zet de bevestiging vast met het voorgeschreven aantrekkoppel en aantrekvolgorde. Ga verder te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. Maak de elektrische aansluitingen los van de dynamo. 12A-56

166 MOTOR P9X INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Uitlaattussenbuizen 12A AANTREKKOPPELS (in dan.m) Steun op de turbocompressor 2,5 Bevestigingen tussenuit spruitstuk - turbocompressor 5,2 Bevestigingen hitteschilden 2,1 Bevestiging van de EGR-buis 2,1 Bevestiging van de voorste uitlaatbuis op de voorkatalysator 2,1 Tussenbuis achterste spruitstuk - turbocompressor Maak de relais los en vrij naar de zijkant. Bouw uit: de bevestigingen (1) van het hitteschild op de turbocompressor, de bevestigingen (2), de steun op de turbocompressor. Maak hiervoor los: de verschillende vacuümslangen, het hitteschild. UITBOUWEN Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Verwijder de kappen op de motor. Maak de massakabel van de accu los. Tussenbuis voorste spruitstuk - turbocompressor Bouw de turbocompressor uit (zie de methode in hoofdstuk 12B Drukvulling "Turbocompressor"). Op de werkbank: verwijder de tussenbuis voorste spruitstuk - turbocompressor. 12A-57

167 MOTOR P9X INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Uitlaattussenbuizen 12A Bouw uit: de bevestiging (3) van het hitteschild van de voorkatalysator, het hitteschild, Maak de voorkatalysator naar de zijkant vrij. Verwijder hiervoor de steun (7) en de bevestigingsstrip (8) van de voorkatalysator. de bevestigingen (4) van de voorste uitlaatbuis. de EGR-buis (5), de bevestigingen (6) van de tussenbuis spruitstuk - turbocompressor op het spruitstuk van de turbocompressor. Maak de elektrische aansluitingen los van de dynamo. Bouw uit: het hitteschild van het uitlaatspruitstuk, de bevestigingen (9) van de tussenbuis spruitstuk - turbocompressor op het spruitstuk. Via de bovenkant: verwijder de tussenbuis spruitstuk-turbocompressor. Onder de auto Bouw uit: de bescherming onder de motor, de katalysator. 12A-58

168 MOTOR P9X INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Uitlaattussenbuizen 12A INBOUWEN Vervang altijd alle afdichtingen van de uitlaat. Monteer, op de werkbank, de tussenbuis voorste spruitstuk - turbocompressor, en zet de bevestigingen vast met het voorgeschreven aantrekkoppel. Ga verder te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. 12A-59

169 MOTOR P9X INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Uitlaatspruitstukken en -tussenbuizen 12A 1 Voorste uitlaatspruitstuk 2 Achterste uitlaatspruitstuk 3 Spruitstukpakking 4 Hitteschild van uitlaatspruitstuk 5 Uitlaattussenbuis spruitstuk - turbocompressor 6 Hitteschild van de voorste tussenbuis 7 Hitteschild van de voorkatalysator 8 Afdichting van de tussenbuis 9 Spruitstuk van de turbocompressor 12A-60

170 MOTOR P9X INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS EGR-klep - Warmtewisselaar 12A AANTREKKOPPELS (in dan.m) Bevestiging van de EGR-buizen 2,1 Bevestiging warmtewisselaar 2,1 Flens warmtewisselaar 2,1 Bevestigingen van de EGR-klep 2,1 Klemband EGR-klep - Warmtewisselaar 0,6 HOUD U STIPT AAN DE VOORSCHRIFTEN INZAKE EEN SCHONE WERKOMGEVING UITBOUWEN Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Maak de massakabel van de accu los. Maak de brandstofaanvoerleidingen vrij op de pendelophanging. Verwijder het geheel pendelkap-uitslagbegrenzer. Plaats het motorsteungereedschap Mot Maak de brandstofaanvoer en -retourslangen (1) los en sluit de openingen af met doppen van de set met afsluitdoppen uit het magazijn. 12A-61

171 MOTOR P9X INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS EGR-klep - Warmtewisselaar 12A Bouw de inlaatluchtverdeler uit (zie de methode van de "Inlaatluchtverdeler"). Maak los: de verschillende stekkers en actuators van de kabelbundel (1) en maak deze vrij naar de zijkant, de slangen van de carterventilatie op de "T"-aansluiting (2) en daarna de slang (3). Maak deze vrij naar de zijkant. Maak de stekker (4) vrij en verwijder de dempingsstang (5). 12A-62

172 MOTOR P9X INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS EGR-klep - Warmtewisselaar de EGR-buizen (6). 12A Draai de wartels van de hogedrukleidingen hoofdinspuitbuis-verstuivers los. Draai, indien nodig, de klembeugels los van de verschillende leidingen. Bouw de hogedrukleidingen uit. Sluit de openingen af met schone doppen. Bouw uit: de twee bevestigingsbouten van de balg van de wastegate en maak deze naar de zijkant vrij, de hoofdinspuitbuis (zie de methode in hoofdstuk 13B Dieselinspuitsysteem "Hoofdinspuitbuis"). Maak de koelslang (7) los op de EGR-klep. Bouw uit: de bevestigingen (8) van de flenzen van de warmtewisselaar, de bevestigingen (9) van het geheel EGR-klep - warmtewisselaar. 12A-63

173 MOTOR P9X INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS EGR-klep - Warmtewisselaar Maak het geheel EGR-klep - warmtewisselaar vrij en maak de twee koelslangen (10) los. Plaats afknijpklemmen op de koelslangen. Bouw het geheel EGR-klep - warmtewisselaar uit. Op de werkbank: Maak de koelslang (11) los. Draai de klemband (12) los. Maak de EGR-klep (13) los van de warmtewisselaar (14). 12A INBOUWEN Vervang altijd: de afdichtingen van de EGR-buizen, de klemband van het geheel EGR-klep - warmtewisselaar. Monteer de hogedrukleidingen en zet deze vast met het voorgeschreven aantrekkoppel (zie de methode in hoofdstuk 13B Dieselinspuitsysteem "Vervangen hogedrukleidingen"). Vul en ontlucht het koelsysteem (zie hoofdstuk 19A Koelsysteem "Vullen - ontluchten"). Ga verder te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. 12A-64

174 MOTOR F4R 112B DRUKVULLING Drukregelcapsule 12B De balg (A) van de drukregelcapsule wordt aangestuurd via een door de rekeneenheid van het inspuitsysteem geregelde elektroklep (B). De elektroklep die in rust open staat, krijgt voeding zodra de motor is gestart. Gedurende een vertraging, die afhankelijk is van de temperatuur van de koelvloeistof, wordt de turbodruk begrensd en kan het toerental van de motor niet boven 2500 tr/min komen. Hierdoor krijgt de olie de tijd om de lagers van de turbocompressor te bereiken. In de ruststand staat de drukregelklep (wastegate) dicht. In de ruststand staat de elektroklep (B) open. Als de elektroklep (B) open staat, verbindt hij de turbocompressor (de turbodruk) met de balg (A). Hierdoor werkt de turbodruk direct op de balg, en opent de drukregelklep (wastegate). Als de elektroklep (B) wordt aangestuurd, wordt de informatie van de turbodruk (bij de uitgang van de turbocompressor) omgeleid naar de ingang van de turbocompressor. Hierdoor werkt de turbodruk niet langer op de balg, en sluit de drukregelklep (wastegate). X Tijd in secondes Y Temperatuur in C 12B-1

175 MOTOR F4R DRUKVULLING Antipompageklep 12B De turbocompressor heft een antipompage-klep (A). Deze klep bestaat uit een veer en een membraan dat een klep aanstuurt die de ingang en de uitgang van de turbocompressor via een intern kanaal met elkaar verbindt. Op het membraan van de antipompage-klep (A) werkt de druk die heerst in het spruitstuk tussen het smoorklephuis en de inlaatkleppen (spruitstukdruk). Als tijdens het afremmen op de motor het verschil tussen turbodruk en de spruitstukdruk hoger is dan 400 mbar, dan opent de klep. Door het openen van de klep daalt snel de druk die heerst tussen het smoorklephuis en de schoepen van de compressor. Hier door wordt voorkomen dat de turbocompressor bij het loslaten van het gaspedaal wordt beschadigd door het pompeffect. 12B-2

176 MOTOR G9T DRUKVULLING Drukregelcapsule 12B De balg (A) van de drukregelcapsule wordt aangestuurd via een door de rekeneenheid van het inspuitsysteem geregelde elektroklep (B). De rekeneenheid kan de onderdruk, waarmee de balg de turbodruk regelt, naar de behoefte van de motor variëren. In de ruststand staat de drukregelklep (wastegate) open. De motor werkt dan in de atmosferische fase. De elektroklep, die in ruststand dicht staat, krijgt na het starten van de motor voeding, na een vertraging die afhankelijk is van de koelvloeistoftemperatuur. X Y Tijd in secondes Temperatuur in C 12B-3

177 MOTOR F4R DRUKVULLING Drukregeling 12B TURBODRUKBEGRENZINGSKLEP (WASTEGATE) Controle van de afsteldruk Het controleren en het afstellen van de afsteldruk kan niet met ingebouwde turbocompressor gebeuren. Voor beide werkzaamheden moet de turbocompressor worden uitgebouwd (zie hoofdstuk 12B Drukvulling "Turbocompressor"). Werkwijze Bij het controleren van de afsteldruk kan het nodig zijn dat u de lengte van de steel (A) van de drukregelcapsule moet afstellen. Draai de contramoer (1) los. Verwijder de borgpen (2). Plaats een meetklokje met een magnetisch voetstuk op het eind van de steel van de wastegate (zo veel mogelijk in de as van de wastegate). Zet geleidelijk meer druk op de wastegate met een manometer Mot Controlewaarden Druk (mbar) Slag van de steel (mm) 290 tot tot Afstellen gebeurt door het afsteleinde (3) halve slagen in- of uit te draaien tot de juiste afsteldruk is verkregen. Indraaien van de dop verhoogt de afsteldruk. Uitdraaien van de dop verlaagt de afsteldruk. N.B.: Controleer de afsteldruk na het vastzetten van de contramoer (1). Valideer de reparatie met een proefrit en controleer daarbij de parameters "Cyclisch stuursignaal van de turbodrukbegrenzingsklep" en "Turbodruk" op de diagnoseapparaten. 12B-4

178 MOTOR G9T DRUKVULLING Drukregeling 12B TURBODRUKBEGRENZINGSKLEP (WASTEGATE) Controle van de afsteldruk Het controleren en het afstellen van de afsteldruk kan niet met ingebouwde turbocompressor gebeuren. Voor beide werkzaamheden moet de turbocompressor worden uitgebouwd (zie hoofdstuk 12B Drukvulling "Turbocompressor"). Werkwijze Bij het controleren van de afsteldruk kan het nodig zijn dat u de lengte van de steel (A) van de drukregelcapsule moet afstellen. Draai de contramoer (1) los. Afstellen gebeurt door het afsteldop (2) halve slagen in- of uit te draaien tot de juiste afsteldruk is verkregen. Plaats een meetklokje met een magnetisch voetstuk op het eind van de steel van de wastegate (zo veel mogelijk in de as van de wastegate). Zet geleidelijk meer onderdruk op de wastegate met een manometer Mot Controlewaarden Waarde van de onderdruk (mbar) Slag van de steel (mm) 200 tussen 1 en 3 Indraaien van de kartelring verhoogt de afsteldruk. Uitdraaien van de kartelring verlaagt de afsteldruk. N.B.: Controleer de afsteldruk na het vastzetten van de contramoer (1). Valideer de reparatie met een proefrit en controleer daarbij de parameters "Cyclisch stuursignaal van de turbodrukbegrenzingsklep" en "Turbodruk" op de diagnoseapparaten. 500 tussen 10 en 12 >550 Steel tegen aanslag 12B-5

179 MOTOR F4R DRUKVULLING Turbocompressor 12B LET OP: zoals bij alle turbomotoren moet u zich bij het uitbouwen-inbouwen van de turbocompressor zorgvuldig houden aan de reparatiemethodes om een perfecte afdichting van het systeem te kunnen garanderen. HET NIET NALEVEN VAN DEZE VOORSCHRIFTEN KAN ERNSTIGE GEVOLGEN HEBBEN VOOR DE VEILIGHEID AANTREKKOPPELS (in dan.m) Bevestigingsmoer turbocompressor Wartel olieaanvoerleiding 2,5 Wartel olieaanvoer op turbocompressor 3,2 Bout van de olieaanvoerleiding 4 Wartel olieretourleiding 0,8 Bout van koelleiding 1,2 + 2,7 Slangklem tussenkoelerturbocompressor 0,55 UITBOUWEN Plaats afknijpklemmen en verwijder de koelslangen van de turbocompressor (5). OPMERKING: De moeren waarmee de turbocompressor vastzit aan het uitlaatspruitstuk, kunt u gemakkelijk losdraaien als u, vlak voor het demonteren, deze nog warme moeren inspuit met kruipolie. Bouw de katalysator uit (zie hoofdstuk 19B Uitlaat "Katalysator"). Maak de massakabel van de accu los. Maak los: de slang van de elektroklep voor de bediening van de wastegate (1), de slang van de elektroklep - turbocompressor (2), de slang van de rembekrachtiger (3). Verwijder de slang van het luchtfilter - turbocompressor (4). 12B-6

180 MOTOR F4R DRUKVULLING Turbocompressor 12B Bouw uit: de bouten van het huis van de koelvloeistofverwarmingselementen, de bout van het hitteschild (6), de twee bouten van de koelleiding, de olieaanvoerleiding op de turbocompressor (7), de steun van de sierkap van de motor en de steun van de turbocompressor (8), de luchtslang tussenkoeler-turbocompressor, Bouw uit: de drie bevestigingsbouten (9) van de olieretourleiding van de turbocompressor, de olieretourleiding op de turbocompressor (11), de olieaanvoerleiding (10) op de turbocompressor. de vier bevestigingsmoeren (12) van de turbocompressor op het spruitstuk. het hitteschild van de startmotor, de turbocompressor via de bovenkant. 12B-7

181 MOTOR F4R DRUKVULLING Turbocompressor 12B INBOUWEN Vervang altijd de bevestigingstapeinden en - moeren van de turbocompressor en de afdichtingen. Monteer op de werkbank en zet vast met het voorgeschreven aantrekkoppel: de twee bouten (13) van de olieretourleiding naar het motorblok met 1,2 dan.m, de bout (14) van de olieretourleiding, de twee bouten (15) van de koelleiding op de turbocompressor met 1,2 dan.m, daarna met 2,7 dan.m. Zet de slangklem (16) van de luchtslang van de tussenkoeler - turbocompressor vast om de turbocompressor en de steun van de turbocompressor (17) te kunnen plaatsen. Breng de bevestigingen op hun plaats van de volgende onderdelen: de turbocompressor op het uitlaatspruitstuk, de olieaanvoerleiding op de turbocompressor, de retourleiding naar het motorblok, de luchtslang van de tussenkoeler-turbocompressor, de steun van de turbocompressor. 12B-8

182 MOTOR F4R DRUKVULLING Turbocompressor 12B Zet de vier moeren van de turbocompressor vast met een aantrekkoppel van 1 dan.m, gevolgd door een hoekverdraaiing van 90. Zet de olieaanvoer en -retourleiding vast met de voorgeschreven aantrekkoppels. Ga verder te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. N.B.: Let op bij het inbouwen dat de luchtslang van het hitteschild en de luchtslang van de tussenkoeler - turbocompressor de bobines niet raken. LET OP: vervang altijd alle uitgebouwde afdichtingen, ook die van de koelleiding. Vul en ontlucht het koelsysteem (zie hoofdstuk 19A Koelsysteem "Vullen - ontluchten"). BELANGRIJK: Voordat de motor wordt gestart, sluit u het diagnoseapparaat aan en vergrendelt u het inspuitsysteem. Laat vervolgens de startmotor draaien tot het waarschuwingslampje van de oliedruk dooft (dit kan enkele secondes duren) en ontgrendel daarna het inspuitsysteem. Start de motor en geef een paar keer onbelast gas. Zet het contact uit en controleer of er nergens olielekkage is. Laat de motor stationair draaien tot de koelventilateur inschakelt. Geef een paar keer onbelast gas en maak daarna een proefrit. Zet het contact uit en controleer of er nergens olielekkage is. Bijzondere voorzorgen Controleer goed of er tijdens de montage geen vuil bij het turbinewiel of bij het compressorwiel binnendringt. Als de turbo defect is (olieverbruik), controleer dan altijd of de tussenkoeler zich niet met olie heeft gevuld. Bouw de tussenkoeler indien nodig uit, reinig hem met een schoonmaakmiddel en laat hem goed uitdruppelen. Controleer ook of de olieretourleiding niet door aanslag verstopt zijn. Controleer ook of er absoluut geen lekkage is, vervang hem anders. 12B-9

183 MOTOR G9T DRUKVULLING Turbocompressor 12B AANTREKKOPPELS (in dan.m) Bevestigingsmoeren turbocompressor 2,6 Bout van de olieaanvoerleiding op de turbocompressor 1,5 Verwijder de olieretourleiding (4) op de turbocompressor. Draai de wartel los van de olieaanvoerleiding (5) van de turbocompressor op de motor. Wartel van de olieaanvoerleiding 2,2 Wartel van de olieaanvoer op het motorblok 4,2 Bout van de olieretourleiding 0,9 UITBOUWEN OPMERKING: Voor het uitbouwen van de turbocompressor moeten de katalysator, de hoofdinspuitbuis en de bescherming van de hoofdinspuitbuis worden uitgebouwd (zie hoofdstuk 19B Uitlaat "Katalysator", hoofdstuk 13B Dieselinspuitsysteem "Hoofdinspuitbuis" en "Bescherming hoofdinspuitbuis"). N.B.: Gebruik een nieuwe specifieke olieaanvoerleiding uit het magazijn. Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Maak de massakabel van de accu los. Via de bovenkant Verwijder de twee bevestigingsmoeren (6) van de turbocompressor op het uitlaatspruitstuk. Draai de moer (7) los zonder hem te verwijderen. Bouw uit: het rechter voorwiel, de beschermplaat onder de motor, de luchtaanvoer- (1) en afvoerkanalen (2) op de turbocompressor. de metalen buis (3) op de uitgang van de turbocompressor. 12B-10

184 MOTOR G9T DRUKVULLING Turbocompressor 12B Via de onderkant BELANGRIJK: De olieaanvoerleiding kan niet worden uitgebouwd met de turbocompressor op zijn plaats. Bij het uitbouwen van de turbocompressor moet daarom kracht worden gezet op de olieaanvoerleiding. Gebruik een nieuwe specifieke leiding uit het magazijn. Verwijder de moer (7). Maak de turbocompressor vrij van zijn tapeinden. Maak een draaiende beweging en zet kracht op de slang zodat het geheel vrijkomt. Draai de wartel los van de leiding op de turbocompressor. Verwijder de leiding en maak de turbocompressor vrij. INBOUWEN LET OP: Vervang altijd de koperen afdichtring bij de aansluiting van de olieaanvoerleiding op de turbocompressor en de afdichting van de olieretourleiding. Zet de wartel van de nieuwe olieaanvoerleiding met zijn koperen afdichtring op het motorblok vast met een aantrekkoppel van 4,2 dan.m. Monteer de turbocompressor en let daarbij op dat hij goed aanligt tegen het spruitstuk en plaats de olieaanvoerleiding in het motorblok. Plaats via de onderkant van de auto de bevestigingsmoer (7) van de turbocompressor op het spruitstuk en via de bovenkant de twee andere moeren (6). Zet de wartel van de olieaanvoerleiding met zijn afdichtring op het motorblok vast met een aantrekkoppel van 2,2 dan.m. Gebruik voor het inbouwen van de bescherming van de hoofdinspuitbuis en van de hoofdinspuitbuis tapeinden met diameter 8, lengte 100 mm om het geheel te centreren. Bijzonderheid Monteer de olieaanvoerleiding op de turbocompressor voordat u de turbocompressor inbouwt in de auto. Plaats de olieaanvoerleiding loodrecht op de turbineas van de turbocompressor (zie tekening) en zet de bout vast met een aantrekkoppel van 1,5 dan.m. 12B-11

185 MOTOR G9T DRUKVULLING Turbocompressor 12B Bijzondere voorzorgen Controleer voor de montage of de lagerblokken van de turbocompressor correct smering krijgen. Maak hiertoe de stekker van de hogedrukregelaar los (houd er een opvangbak onder) en laat de startmotor draaien. De olie moet overvloedig uit de olieaanvoerleiding stromen. Controleer goed of er tijdens de montage geen vuil bij het turbinewiel of bij het compressorwiel binnendringt. Als de turbo defect is (olieverbruik), controleer dan altijd of de tussenkoeler zich niet met olie heeft gevuld. Bouw de tussenkoeler indien nodig uit, reinig hem met een schoonmaakmiddel en laat hem goed uitdruppelen. Controleer ook of de olieretourleiding niet door aanslag verstopt zijn. Controleer ook of er absoluut geen lekkage is. Zo ja, vervang hem dan. Ga bij het verder inbouwen te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen en let in het bijzonder op de montagevolgorde en de voorgeschreven aantrekkoppels voor het inbouwen van de delen van het hogedruk inspuitsysteem (zie hoofdstuk 13B Dieselinspuitsysteem "Bescherming hoofdinspuitbuis" en "Hoofdinspuitbuis") BELANGRIJK: Voordat u de motor start maakt u de stekker los van de drukregelaar op de hogedrukpomp. Laat de startmotor vervolgens enkele secondes draaien tot het waarschuwingslampje van de oliedruk uitgaat. Sluit de drukregelaar weer aan, verwarm voor en start de motor na de voorverwarming. Laat de motor stationair draaien en controleer alle wartels en aansluitingen op lekkage. Wis het storingsgeheugen van de rekeneenheid van het inspuitsysteem met behulp van het diagnoseapparaat. 12B-12

186 MOTOR P9X DRUKVULLING Turbocompressor 12B AANTREKKOPPELS (in dan.m) Bevestigingen hitteschilden Bevestigingen tussenuit spruitstuk - turbocompressor Bevestiging spruitstuk van turbocompressor op motorblok Bevestiging voorste uitlaatbuis: op de turbocompressor op de voorkatalysator Wartels koelleiding van het lager van de turbocompressor op de turbocompressor Koelleiding van het lager van de turbocompressor op het motorblok Olieaanvoerleiding van het lager van de turbocompressor op het motorblok Olieretourleiding van het lager van de turbocompressor op het motorblok Olieaanvoerleiding van het lager van de turbocompressor op de turbocompressor Olieretourleiding van het lager van de turbocompressor op de turbocompressor Bevestiging van de turbocompressor op het spruitstuk van de turbocompressor 2,1 5,2 9,6 2,1 2,1 3,4 1 2,4 2,1 0,9 1,2 2,1 UITBOUWEN Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Bouw uit: de kappen van de motor, de bescherming onder de motor. Maak los: de accu, de stekker van de luchtdoorstroommeter (1). Maak de carterventilatieslang (2) los. Verwijder de luchtaanzuigslang (3) met de doorstroommeter. Verwijder hiervoor: de twee bevestigingsbouten op de luchtdoorstroommeter, de klemband op de inlaatgeluiddemper en daarna op de turbocompressor. Maak de relais los en vrij naar de zijkant. 12B-13

187 MOTOR P9X DRUKVULLING Turbocompressor 12B Verwijder de rekeneenheid van het inspuitsysteem (4) (zie de methode in hoofdstuk 13B Dieselinspuitsysteem "Rekeneenheid"). Maak de kabelbundels (5) vrij op de plastic steunen van de rekeneenheid. Verwijder de steun (6) van de rekeneenheid. Bouw uit: de bevestigingen (7) van het hitteschild op de turbocompressor, de bevestigingen (8), de steun op de turbocompressor. Maak hiervoor los: de verschillende vacuümslangen, het hitteschild, Maak het opname element van de stand van de wastegate los. de bevestiging (9) van het hitteschild van de voorkatalysator, het hitteschild, 12B-14

188 MOTOR P9X DRUKVULLING Turbocompressor 12B Bouw de EGR-buis (10) uit. Maak de turboluchtslang (11) los op de uitgang van de turbocompressor. Verwijder de bevestigingen: (13) van de uitlaattussenbuis voorste spruitstukturbocompressor op het spruitstuk. Bouw uit: de bevestigingen (12) van de voorste uitlaatbuis op de voorkatalysator en daarna op de turbocompressor, (14) van de uitlaattussenbuis achterste spruitstukturbocompressor op de turbocompressor. het hitteschild op de uitlaattussenbuis spruitstuk-turbocompressor van de voorste cilinderrij. 12B-15

189 MOTOR P9X DRUKVULLING Turbocompressor 12B Maak de koelleiding van het lager van de turbocompressor (15) vrij aan de zijkant. de bevestigingsbouten (21) van het spruitstuk van de turbocompressor op het motorblok. Ga als volgt te werk: plaats eerst een afknijpklem, verwijder de wartel (16). Bouw uit: de koelleiding (17) van het lager van de turbocompressor. Verwijder hiervoor de wartel (18) en de bevestigingsbout (19), Maak de turbocompressor vrij en daarna de voorste uitlaatbuis. Op de werkbank: de bevestigingsbouten (20) van de olieaanvoer en - retourleiding van de turbocompressor, Bouw uit: de uitlaattussenbuis voorste spruitstuk - turbocompressor, de olieaanvoer en -retourleiding van de turbocompressor, de beugel van de koelleidingen, de turbocompressor van het uitlaatspruitstuk van de turbocompressor. 12B-16

190 MOTOR P9X DRUKVULLING Turbocompressor 12B INBOUWEN BELANGRIJK: VOOR HET INBOUWEN VAN DE TURBOCOMPRESSOR MOET HET LAGER VAN DE TURBOCOMPRESSOR WORDEN GESMEERD MET MOTOROLIE Bijzondere voorzorgen Controleer goed of er tijdens de montage geen vuil bij het turbinewiel of bij het compressorwiel binnendringt. Controleer ook of de olieretourleiding niet door aanslag verstopt zijn. Controleer ook of er absoluut geen lekkage is, vervang hem anders. N.B.: Vervang altijd alle afdichtingen: van de uitlaattussenbuizen, van de turbocompressor, van de olieleidingen van de turbocompressor, van de koelleidingen van het lager van de turbocompressor, van de beugel van de koelleidingen. Monteer de tussenbuis spruitstuk - turbocompressor op de turbocompressor, en zet de bevestigingen vast met het voorgeschreven aantrekkoppel. Ga verder te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. Zet alle bevestigingen vast met de voorgeschreven aantrekkoppels. Vul en ontlucht het koelsysteem (zie hoofdstuk 19A Koelsysteem "Vullen - ontluchten"). BELANGRIJK: Voordat u de motor start, sluit u het diagnoseapparaat aan en blokkeert u het inspuitsysteem met behulp van het commando AC614 "Blokkeren inspuitsysteem" in "commando's/actuators". Laat de startmotor vervolgens enkele secondes draaien tot het waarschuwingslampje van de oliedruk uitgaat. Zet het contact ongeveer 15 secondes uit en start daarna de motor opnieuw. Laat de motor stationair draaien en controleer alle wartels en aansluitingen op lekkage. 12B-17

191 MOTOR P9X DRUKVULLING Turbocompressor 12B AANTREKKOPPELS (in dan.m) A 3,4 B 0,9 C 1,0 D 2,1 E 1,2 F 2,4 12B-18

192 ALLE MOTORTYPES DRUKVULLING Tussenkoeler 12B UITBOUWEN OPMERKING: Voor het uitbouwen van de tussenkoeler moeten de schildbumper en de koplampen worden uitgebouwd (zie hoofdstuk 55A Bescherming buitenkant "Schildbumper voor" en hoofdstuk 80B Verlichting voorzijde "Uitbouwen - Inbouwen". Maak de condensor via de bovenkant los van de tussenkoeler. Leg de condensor op de grond. N.B.: Pas op dat de ribben niet beschadigen. Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Maak los: de accu, de stekker (1). Maak de ontgrendelkabel van de motorkap (2) los. Bouw uit: de luchtgeleiders (3), de negen bevestigingsbouten (4) van de bovenste dwarsbalk. Plaats de bovenste dwarsbalk op de motor zonder de lak te beschadigen. Motor P9X Bouw uit: de twee bevestigingsbouten (8) van de steunstang van de oliekoeler. de klemband (9) van de stuurbekrachtigingsleiding, de twee bevestigingsklemmetjes (10) van de condensor. Maak de metalen leidingen van de condensor vrij van hun klemmetjes. Maak de stekker (5) los van het opname element aircodruk. Motors F4R en G9T Bouw uit: de bevestigingsbouten (6) van de stuurbekrachtigingsleiding, de twee bevestigingsklemmetjes (7) van de condensor. 12B-19

193 ALLE MOTORTYPES DRUKVULLING Tussenkoeler Maak de condensor via de bovenkant los van de tussenkoeler. Laat de condensor op de voorste dwarsbalk rusten. N.B.: Pas op dat de ribben niet beschadigen. 12B Alle motortypes Maak de slangen los op de ingang en de uitgang van de tussenkoeler. Bouw uit: de twee bevestigingsklemmetjes (11) van de tussenkoeler, de tussenkoeler via de bovenkant. 12B-20

194 ALLE MOTORTYPES DRUKVULLING Tussenkoeler 12B INBOUWEN Let op bij motor G9T, dat de rubber manchet en de klemband van de slang goed worden gemonteerd. Plaats de aangegoten versterking aan de bovenkant zodat de plastic richtnokjes van de slang de klemband vasthouden. BELANGRIJK: Na het monteren van de koplampen, moet u deze afstellen: zet de auto op een horizontale ondergrond, zet de stelknop op 0, voer de afstelling uit. Heeft de auto xenonkoplampen, dan moet u het systeem initialiseren en de koplampen afstellen (raadpleeg hoofdstuk "Xenonkoplampen, initialiseren van het systeem"). LET OP: Bij Xenonkoplampen, is het verboden de lamp in te schakelen als deze niet in de koplamp is gemonteerd (gevaar voor de ogen). Ga bij het inbouwen verder te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. 12B-21

195 MOTOR F4R 113A BRANDSTOFAANVOER Benzineaanvoercircuit 13A OMSCHRIJVING Het benzineaanvoercircuit van de motor heeft geen retour. De benzinedruk varieert niet afhankelijk van de motorbelasting. het circuit bestaat uit: een hoofdinspuitbuis (1) zonder retourleiding en zonder drukregelaar, een enkele leiding (2) afkomstig van de tank, een gecombineerde voedingspomp/tankelement/benzinefilter met drukregelaar (3), de pomp (4) en het benzinefilter (5) (alle in de tank gemonteerd), een benzinedampabsorptievat (6). ELEKTRISCH SCHEMA 13A-1

196 MOTOR V4Y BRANDSTOFAANVOER Benzineaanvoercircuit 13A OMSCHRIJVING Het benzineaanvoercircuit van de motor heeft geen retour. De benzinedruk varieert niet afhankelijk van de motorbelasting. het circuit bestaat uit: een hoofdinspuitbuis (1) zonder retourleiding en zonder drukregelaar maar met een pulsdemper (2), een enkele leiding (3) afkomstig van de tank, een gecombineerde voedingspomp/tankelement/benzinefilter met drukregelaar (4), de pomp (5) en het benzinefilter (6) (alle in de tank gemonteerd), een benzinedampabsorptievat (7). ELEKTRISCH SCHEMA 13A-2

197 MOTOR G9T BRANDSTOFAANVOER Dieselaanvoercircuit 13A OMSCHRIJVING Het circuit bestaat uit: een gecombineerde voedingspomp/tankelement (1) (in de brandstoftank), een brandstoffilter (2), een hogedrukregelaar (3) op de pomp, een hogedrukpomp (4), een hoofdinspuitbuis (5) met een opname element en een begrenzer (6) voor de brandstofdruk, vier elektromagnetische verstuivers, verschillende opname elementen, een rekeneenheid van het inspuitsysteem. Het is niet toegestaan het inwendige van de hogedrukpomp en van de verstuivers te demonteren. ELEKTRISCH SCHEMA 13A-3

198 MOTOR P9X BRANDSTOFAANVOER Dieselaanvoercircuit 13A Het "Common Rail" brandstofsysteem met directe hogedruk inspuiting levert de motor op ieder moment de luiste hoeveelheid brandstof. OMSCHRIJVING Het circuit bestaat uit: een peervormige opvoerpomp (1), een brandstoffilter (2) met een verwarmingselement, een hogedrukpomp met twee pompplunjers (3), twee drukregelaars (4), een hoofdinspuitbuis (5) met een opname element druk (6), een drukbegrenzer (7), zes elektromagnetische verstuivers (8), een opname element brandstoftemperatuur (9). N.B.: Demonteer nooit: het inwendige van de pomp, de verstuivers, de drukregelaars van de pomp. ELEKTRISCH SCHEMA 13A-4

199 MOTOR F4R - V4Y BRANDSTOFAANVOER Benzinefilter 13A ALGEMEEN Het benzinefilter is in de tank gemonteerd. Hij is onderdeel van het geheel pomp-tankelement en is niet demonteerbaar. Bij het vervangen moet het geheel pomp/tankelement worden vervangen. De filtercapaciteit heeft een lange levensduur. Toch kan door een controle van de voedingsdruk en de pompopbrengst een diagnose worden gesteld over pomp en tankelement. 13A-5

200 MOTOR G9T BRANDSTOFAANVOER Brandstoffilter 13A Het brandstoffilter bevindt zich in een demonteerbaar patroon. Dit patroon bevat een brandstofverwarmingselement Om het brandstoffilter te vervangen, moet u het geheel uitbouwen. UITBOUWEN HOUD U STIPT AAN DE VOORSCHRIFTEN INZAKE EEN SCHONE WERKOMGEVING Verwijder de bout (4) van het filterdeksel en bouw het filterelement uit. LET OP: Denk aan de in de leidingen aanwezige brandstof en restdruk. Maak de massakabel van de accu los. Maak op het filter los: de stekker van de brandstofverwarming (1), de aanvoerslang naar de motor (2), de slang (3) vanaf de tank, Bouw het filter uit door het los te maken van zijn steun. INBOUWEN Let op dat het merkteken op het deksel in lijn staat met het merkteken van de bak. Let op de juiste aansluiting van de leidingen op het filter. Let op dat u de leidingen niet beschadigt of dichtknijpt. BELANGRIJK: Vul het circuit met brandstof door het contact enkele keren aan te zetten, of laat de lagedrukpomp draaien met het diagnoseapparaat in het menu "Commando's van de actuators". Het water dat zich in het filter verzamelt, moet regelmatig worden afgetapt via de aftapplug (5). 13A-6

201 MOTOR P9X BRANDSTOFAANVOER Brandstoffilter 13A Het brandstoffilter is in de motorruimte geplaatst. Het filter bevindt zich in een patroon dat gedemonteerd kan worden. Dit patroon heeft een verwarmingselement voor de brandstof gevormd door een weerstand en een thermocontact. Om het brandstoffilter te vervangen, moet u het geheel uitbouwen. UITBOUWEN HOUD U STIPT AAN DE VOORSCHRIFTEN INZAKE EEN SCHONE WERKOMGEVING Noteer de stand van het patroon ten opzichte van het huis. Verwijder de bout (4) en het filterelement. LET OP: Denk aan de in de leidingen aanwezige brandstof en restdruk. Maak op het filter los: de stekker van de brandstofverwarming (1), de aanvoerslang naar de motor (2), de slang (3) vanaf de tank. Bouw het filter uit door het los te maken van zijn steun. INBOUWEN Let op dat het merkteken op het deksel in lijn staat met het merkteken van de bak. Let op de juiste aansluiting van de leidingen op het filter. Let op dat u de leidingen niet beschadigt of dichtknijpt. BELANGRIJK: Vul het circuit met behulp van de opvoerpomp (peer). Het water dat zich in het filter verzamelt, moet regelmatig worden afgetapt via de aftapplug (5). 13A-7

202 MOTOR F4R BRANDSTOFAANVOER Hoofdinspuitbuis - inspuitstukken 13A AANTREKKOPPELS (in dan.m) Bouten hoofdinspuitbuis 0,9 De inspuitstukken van motor F4R zijn van het type MAGNETI MARELLI PICO. Zij zijn met klemmetjes vastgemaakt op de hoofdinspuitbuis. De brandstof circuleert permanent langs de wand van het inspuitstuk. Door deze brandstofverversing wordt dampbelvorming voorkomen en is de warme start beter. Maak los: de brandstofaanvoerwartel (2) van de hoofdinspuitbuis, de aansluiting van de carterventilatie (3), de stekkers van de inspuitstukken (4). Bouw uit: de bouten van de hoofdinspuitbuis (5), de hoofdinspuitbuis, de klemmetjes van de inspuitstukken, de inspuitstukken. UITBOUWEN LET OP: Houd bij het uitbouwen van de inspuitstukken of van de hoofdinspuitbuis, rekening met de brandstof die zich in de hoofdinspuitbuis en de aansluiting bevindt. Bescherm de dynamo. Maak de massakabel van de accu los. Verwijder de luchtslang voor de koeling van de turbocompressor (1). 13A-8

203 MOTOR F4R BRANDSTOFAANVOER Hoofdinspuitbuis - inspuitstukken 13A INBOUWEN Vervang altijd de O-ringen en de klemmetjes van de inspuitstukken. Plaats het nieuwe klemmetje op het inspuitstuk, en druk tegen het inspuitstuk tot het klemmetje vasthaakt aan de hoofdinspuitbuis. Monteer de hoofdinspuitbuis en zet de bevestigingsbouten ervan vast met het voorgeschreven aantrekkoppel. 13A-9

204 MOTOR V4Y BRANDSTOFAANVOER Hoofdinspuitbuis - inspuitstukken 13A UITBOUWEN AANTREKKOPPELS (in dan.m) Bouten van hoofdinspuitbuis: voorspannen vastzetten 1 2,3 ± 0,3 Bouw uit: de klemmetjes van de inspuitstukken, de inspuitstukken. INBOUWEN Vervang altijd de O-ringen en de klemmetjes van de inspuitstukken. Maak de massakabel van de accu los. Bouw het inlaatspruitstuk uit (zie hoofdstuk 12A Inlaatspruitstuk - smoorklephuis "Inlaatspruitstuk"). LET OP: Houd bij het uitbouwen van de inspuitstukken of van de hoofdinspuitbuis, rekening met de brandstof die zich in de hoofdinspuitbuis en de aansluiting bevindt. Maak los: de brandstofaanvoerwartel (1) van de hoofdinspuitbuis, de stekkers van de inspuitstukken (2). Verwijder de vier bevestigingsbouten (3) van de hoofdinspuitbuis. Verwijder de hoofdinspuitbuis (let op de vier vulringen onder de hoofdinspuitbuis). Houd u aan het aantrekkoppel van de bouten van de hoofdinspuitbuis. Vervang ook de spruitstukpakkingen. Ga te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. 13A-10

205 MOTOR F4R - V4Y - G9T BRANDSTOFAANVOER Benzinepomp 13A De motors F4R, V4Y en G9T hebben een brandstofvoedingspomp. Deze pomp bevindt zich in de tank, en is een onlosmakelijk deel van de brandstofaanvoereenheid. Voor het vervangen moet het geheel pomptankelement worden vervangen bij een G9T-motor en het geheel pomp-tankelement-filter bij de motors F4R en V4Y. Door een controle van de voedingsdruk en de pompopbrengst kan een diagnose worden gesteld over de brandstofaanvoereenheid. Voor de methode voor het uitbouwen-inbouwen van de voedingspomp, raadpleegt u hoofdstuk 19C Tank "Pomp - tankelement". BESTEMMING VAN DE AANSLUITINGEN VAN DE VOEDINGSEENHEID Aansl. A1 A2 B1 B2 C1 C2 Omschrijving Signaal + tankelement Niet in gebruik Signaal - tankelement Niet in gebruik + pomp - pomp 13A-11

206 MOTOR F4R BRANDSTOFAANVOER Controle van de benzinedruk 13A ONMISBAAR SPECIAAL GEREEDSCHAP Mot Mot Controleset voor de benzinedruk met manometer en wartel Wartel voor het meten van de brandstofdruk Maak de brandstofaanvoerwartel (1) los en plaats een T-stuk (Mot ) met daarop aangesloten de controlemanometer. LET OP: Vang de benzine uit de hoofdinspuitbuis en de wartel op. Bescherm de gevoelige delen. Start de motor zodat de brandstofpomp gaat draaien. Meet de druk die constant moet zijn. Druk: 3,5 bar ± 0,06. N.B.: Het kan enkele secondes duren voordat u de correcte druk in de hoofdinspuitbuis meet. Na het stilzetten van de motor mag de benzinedruk niet direct zakken (lekke drukregelaar of pomp). 13A-12

207 MOTOR V4Y BRANDSTOFAANVOER Controle van de benzinedruk 13A ONMISBAAR SPECIAAL GEREEDSCHAP Mot Mot Controleset voor de benzinedruk met manometer en wartel Wartel voor het meten van de brandstofdruk BELANGRIJK: Bij alle werkzaamheden aan tank en brandstofleidingen is het zeer belangrijk: verboden te roken of met gloeiende voorwerpen (lasspatten) in de nabijheid te komen, bescherm u tegen wegspuitende benzine als gevolg van de restdruk in het systeem, bescherm de plaatsen die gevoelig zijn voor de uitstromende brandstof. Maak de snelkoppeling (1) los op de brandstofaanvoerslang. Sluit op wartel (1) het "T"-stuk Mot aan met de manometer uit de controleset Mot bij (A). Start de motor zodat de brandstofpomp gaat draaien. Meet de druk die constant moet zijn. Druk: 3,5 bar ± 0,06. 13A-13

208 MOTOR F4R BRANDSTOFAANVOER Controle van de opbrengst van de voedingspomp 13A ONMISBAAR SPECIAAL GEREEDSCHAP Mot Mot Controleset voor de benzinedruk met manometer en wartel Wartel voor het meten van de brandstofdruk ONMISBAAR MATERIAAL Maatbeker 2000 ml LET OP: Vang de benzine uit de hoofdinspuitbuis en de wartel op. Bescherm de gevoelige delen. Laat de benzinepomp draaien door de aansluitingen 3 en 5 van het benzinepomprelais (A) met elkaar te verbinden. Maak de brandstofaanvoerwartel (1) los en plaats een T-stuk (Mot ). Sluit op de uitgang van het "T"-stuk (Mot ) een slang aan die lang genoeg is om de opbrengst van de pomp op te vangen in een maatbeker. Meet de pompopbrengst. Gemeten opbrengst: 80 tot 120 l/u. 13A-14

209 MOTOR V4Y BRANDSTOFAANVOER Controle van de opbrengst van de voedingspomp 13A ONMISBAAR SPECIAAL GEREEDSCHAP Mot Mot Controleset voor de benzinedruk met manometer en wartel Wartel voor het meten van de brandstofdruk ONMISBAAR MATERIAAL 1 maatbeker 2000 ml BELANGRIJK: Bij alle werkzaamheden aan tank en brandstofleidingen is het zeer belangrijk: verboden te roken of met gloeiende voorwerpen (lasspatten) in de nabijheid te komen, bescherm u tegen wegspuitende benzine als gevolg van de restdruk in het systeem, bescherm de plaatsen die gevoelig zijn voor de uitstromende brandstof. Laat de benzinepomp draaien door de aansluitingen 3 en 5 van het benzinepomprelais (A) met elkaar te verbinden. Bij een spanning van 12 V moet de opbrengst tenminste 1,3 liter per minuut zijn. Gemeten opbrengst: 80 tot 100 l/u. Maak de snelkoppeling (1) los van de brandstofaanvoerslang. Sluit op de snelkoppeling (1) het "T"-stuk Mot aan en sluit hierop een slang (2) aan die lang genoeg is om de opbrengst van de pomp op te vangen in een maatbeker. 13A-15

210 MOTOR G9T BRANDSTOFAANVOER Controle van de brandstofopbrengst en -druk 13A De brandstofdruk in het lagedrukcircuit kan worden gecontroleerd. De lagedruk van de opvoerpomp (elektrische pomp in de tank) is bestemd om de hogedrukpomp te voeden tijdens het starten). ONMISBAAR SPECIAAL GEREEDSCHAP Mot of Manometer Mot Mot "T" voor het meten van de druk ONMISBAAR MATERIAAL Maatbeker 2000 ml CONTROLE VAN DE LAGE DRUK (OPVOERPOMP) Plaats een "T"-stuk Mot , zodat de manometer Mot kan worden aangesloten op de uitgang (2) van het brandstoffilter. Laat de pomp draaien met behulp van het diagnoseapparaat of door de aansluitingen 3 en 5 van het relais van de opvoerpomp (A) met elkaar te verbinden. CONTROLE VAN DE POMPOPBRENGST (OPVOERPOMP) Laat de slang van de pomp uitmonden in de maatbeker 2000 ml. Laat de pomp draaien door de aansluitingen 3 en 5 van het relais van de opvoerpomp met elkaar te verbinden. Lees de druk af, deze moet tussen 2,5 en 4 bar zijn. De gemeten opbrengst moet minstens 80 tot 100 l/u (1,5 l/min) zijn. LET OP: Het is niet toegestaan de druk en de opbrengst van de hogedrukpomp te meten. 13A-16

211 MOTOR F4R BRANDSTOFAANVOER Antidampbelsysteem 13A WERKINGSPRINCIPE Het antidampbelsysteem wordt direct aangestuurd door de rekeneenheid van het inspuitsysteem. De informatie van de koelvloeistoftemperatuur is afkomstig van het opname element koelvloeistoftemperatuur van het inspuitsysteem (zie hoofdstuk 17B "Centrale koelvloeistoftemperatuurregeling"). Na het afzetten van het contact, staat het systeem standby. Als de temperatuur van de koelvloeistof warmer wordt dan 107 C gedurende de 49 secondes na het stilzetten van de motor, wordt de lage snelheid van de koelventilateur aangestuurd. Als de temperatuur weer lager is dan 85 C, wordt het relais van de koelventilateur uitgeschakeld (de ventilateur draait nooit langer dan 10 minuten). 13A-17

212 MOTOR V4Y BRANDSTOFAANVOER Antidampbelsysteem 13A WERKINGSPRINCIPE Het antidampbelsysteem wordt direct aangestuurd door de rekeneenheid van het inspuitsysteem. De informatie van de koelvloeistoftemperatuur is afkomstig van het opname element koelvloeistoftemperatuur van het inspuitsysteem (zie hoofdstuk 17B "Centrale koelvloeistoftemperatuurregeling"). Na het afzetten van het contact, schakelt de inspuitrekeneenheid standby. Als de temperatuur van de koelvloeistof in de motor hoger wordt dan 102 C gedurende de 2 minuten die volgen op het stilzetten van de motor, wordt het relais van de lage ventilateursnelheid aangestuurd. Als de temperatuur weer lager is dan 95 C, wordt het relais van de ventilateurmotor uitgeschakeld (de ventilateur draait nooit langer dan 10 minuten). 13A-18

213 MOTOR G9T 213B DIESELINSPUITSYSTEEM Gegevens 13B Type auto Type Indice Boring (mm) Slag (mm) Motor Inhoud (cm 3 ) Versnellingsbak Compressieverhouding Emissienorm BJ0E, BJ0F, BJ0G, BJ0M PK6 G9T / 1 EU00 TOERENTAL (tr/min) ROOKGASWAARDEN Stationair Max. onbelast Max. belast Homologatiewaarde Max. wettelijk 850 ± ± ± 100 1,9 m -1 (54 %) 3 m -1 (70%) OMSCHRIJVING MERK/TYPE BIJZONDERHEDEN Hogedrukpomp BOSCH CP3 Druk van 300 tot 1350 bar Opvoerpomp (lagedruk) BOSCH EKP 13.5 Druk van 2,5 tot 4 bar Opname element brandstofdruk BOSCH Geschroefd op de hoofdinspuitbuis Aantrekkoppel: 3,5 ± 0,5 dan.m Verstuivers BOSCH Elektromagnetische verstuiver Weerstand: < 2 Ω Maximum werkdruk: 1350 bar Maximale druk 1525 bar Drukregelaar BOSCH Geschroefd op de hogedrukpomp Weerstand: 5 Ω bij 20 C Aantrekkoppel: 0,6 dan.m Rekeneenheid inspuitsysteem BOSCH EDC 15 Rekeneenheid 128-polig Rekeneenheid van de voornaverwarming (achter de spatplaat van het linker voorwiel) NAGARES BED/7-12 Met naverwarmingsfunctie via de rekeneenheid Voorverwarmingsstiften BERU Weerstand: 0,6 Ω stekker losgenomen Koelvloeistofverwarmingselementen - Weerstand: 0,45 ± 0,05 Ω bij 20 C 13B-1

214 MOTOR G9T DIESELINSPUITSYSTEEM Gegevens 13B OMSCHRIJVING MERK/TYPE BIJZONDERHEDEN Opname element gaspedaal HELLA Potentiometer met twee banen Weerstand baan 1 = 1200 ± 480 Ω Weerstand baan 2 = 1700 ± 680 Ω Opname element inlaatluchttemperatuur SIEMENS Ingebouwd in doorstroommeter Weerstand tussen 100 Ω en 40 kω Opname element brandstoftemperatuur Opname element koelvloeistoftemperatuur ELTH Weerstand: 2050 Ω bij 25 C ELTH Weerstand: 2252 ± 112Ω bij 25 C Opname element vliegwiel MGI Weerstand: 200 tot 270 Ω bij 23 C Opname element nokkenas ELECTRFIL Opname element met Hall effect Luchtdoorstroommeter SIEMENS Luchtdoorstroommeter met ingebouwd opname element luchttemperatuur aansl. 1: luchttemperatuur aansl. 2: massa aansl. 3: 5 V referentiespanning aansl. 4: + 12 V na relais inspuitsysteem aansl. 5: signaal luchtdoorstroommeter aansl. 6: massa Opname element turbodruk DELCO Uitgangsspanning, contact aan, stilstaande motor (tussen aansl. A en B): 1,9 V bij een atmosferische druk van 1013 mb Uitgangsspanning > 1,9 V bij een atmosferische druk < 1013 mbar Afdichting bij iedere demontage vervangen Opname element atmosferische druk Ingebouwd in rekeneenheid EGR-elektroklep PIERBURG Weerstand baan: 8 ± 0,5 Ω bij 20 C (aansl. 1 en 5) Weerstand opname element: 4 Ω bij 20 C (aansl. 2 en 4) 13B-2

215 MOTOR G9T DIESELINSPUITSYSTEEM Gegevens 13B OMSCHRIJVING MERK/TYPE BIJZONDERHEDEN Elektroklep turbulentieklep (swirlelektroklep) Elektroklep smoorklep (elektroklep afslagsysteem) BITRON Weerstand: 46 ± 3 Ω bij 25 C BITRON Weerstand: 46 ± 3 Ω bij 25 C Elektroklep turbodrukregeling PIERBURG Weerstand: 15,4 ± 0,7 Ω bij 20 C Turbocompressor GARETT Afstelling wastegate: 200 mbar onderdruk bij een slag van de steel tussen 1 mm en 3 mm. 500 mbar onderdruk bij een slag van de steel tussen 10 mm en 12 mm. steel op aanslag bij een onderdruk hoger dan 550 mbar. Diagnose Diagnosegereedschap (behalve XR25) 13B-3

216 MOTOR P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Gegevens 13B Type auto Type Indice Boring (mm) Slag (mm) Motor Inhoud (cm 3 ) Versnellingsbak Compressieverhouding Emissienorm BJ0J SU1 P9X , ,5/1 EU00 TOERENTAL (tr/min) ROOKGASWAARDEN Stationair Max. onbelast Max. belast Homologatiewaarde Max. wettelijk 700 ± ± ± m -1 (33,5 %) 3 m -1 (70%) OMSCHRIJVING MERK/TYPE BIJZONDERHEDEN Hogedrukpomp DENSO-HP2270L Druk van 250 tot 1450 bar continu Opname element druk hoofdinspuitbuis Verstuivers DENSO DENSO- DLLA155P750 Geschroefd op de hoofdinspuitbuis Voedingsspanning: 5 ± 0,25 V Lineair uitgangssignaal (tussen aansl. 1 en 2): 1600 bar = 4,2 V 400 bar = 2 V Brandstofdrukregelaars DENSO Op de hogedrukpomp Niet demonteerbaar Weerstand: 1,6 ± 0,3 Ω Rekeneenheid inspuitsysteem DENSO Elektromagnetische verstuiver met ijkweerstand Weerstand: aansl. 3 en 4: 2,7 ± 0,1 Ω Calibratieweerstand: aansl. 1 en 2: 30,9 tot 9530 Ω Rekeneenheid met 121 aansluitingen (81 en 40 aansluitingen) Vermogensrekeneenheid DENSO Rekeneenheid met 16 aansluitingen (8 en 8 aansluitingen) Rekeneenheid voorverwarming NAGARES BEDDR14-12 Met naverwarmingsfunctie via de rekeneenheid Voorverwarmingsstiften NGK Weerstand: 0,6 ± 0,05 Ω stekker losgenomen Koelvloeistofverwarmingselementen - Weerstand: 0,45 ± 0,05 Ω bij 20 C stekker losgenomen Opname element gaspedaal HELLA Potentiometer dubbele baan, weerstand: baan 1: 2 (massa) en 4 (+ 5 V): 1,2 ± 0,5 kω baan 2: 1 (massa) en 5 (+ 5 V): 1,7 ± 0,7 kω Luchtdoorstroommeter BOSCH Luchtdoorstroommeter met warme film Aansluitingen Aansl. 1: Niet in gebruik Aansl. 2: + 12 V na relais navoeding inspuitsysteem Aansl. 3: Massa Aansl. 4: Signaal luchtdoorstroming Aansl. 5: + 5 V referentiespanning 13B-4

217 MOTOR P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Gegevens 13B OMSCHRIJVING MERK/TYPE BIJZONDERHEDEN Opname element turbodruk HITACHI Voedingsspanning (tussen aansl. 2 en 3): 5 ± 0,25 V Uitgangsspanning contact aan stilstaande motor (tussen aansl. 1 en 2): Lineair uitgangssignaal: = 1,9 V voor een atmosferische druk van 1013 mbar 4,5 V voor een absolute druk van 1900 mbar 0,6 V voor een absolute druk van 100 mbar Afdichting bij iedere demontage vervangen Opname element temperatuur: inlaatlucht brandstof koelvloeistof Opname element stand EGR-klep DELPHI DENSO Temperatuurgevoelige weerstand met negatieve temperatuurcoëfficiënt Weerstand: ± 10 Ω bij - 20 C ± 9 Ω bij - 10 C 9516 ± 8,5 Ω bij 0 C 5728 ± 8 Ω bij 10 C 3555 ± 7,5 Ω bij 20 C 2268 ± 7 Ω bij 30 C 1483 ± 6 Ω bij 40 C 992 ± 5,5 Ω bij 50 C 680 ± 5,2 Ω bij 60 C 475 ± 5 Ω bij 70 C 338 ± 4 Ω bij 80 C 245 ± 3,5 Ω bij 90 C 180 ± 3,5 Ω bij 100 C 134,7 ± 3 Ω bij 110 C 117 ± 2,8 Ω bij 115 C Weerstand: aansl. 1 en 3: 5 ± 1 kω Voedingsspanning: 5 ± 0,25 V Elektroklep EGR-klep DENSO Weerstand: 6,8 ± 0,5 Ω bij 20 C Opname element stand van de wastegate HONEYWELL Weerstand: aansl. 1 en 3: 5 ± 1 kω Voedingsspanning: 5 ± 0,25 V Lineair signaal: aanslag in rust: 4,70 V 10 mm slag: 0,45 V Elektroklep turbodrukregeling DENSO Weerstand: 12 ± 1 Ω bij 20 C 13B-5

218 MOTOR P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Gegevens 13B OMSCHRIJVING MERK/TYPE BIJZONDERHEDEN Opname element atmosferische druk - Ingebouwd in rekeneenheid Bedieningselektroklep van de afslagklep DENSO Weerstand: 40 ± 3 Ω bij 20 C Opname element referentie cilinder DENSO Inductief opname element Weerstand: 2150 ± 300 Ω bij 20 C Opname element vliegwiel DENSO Inductief opname element De tandschijf is met een spie gemonteerd op de krukas Weerstand: 2150 ± 300 Ω bij 20 C Turbocompressor GARETT - VNT Turbocompressor met variabele geometrie multilamellen Brandstofverwarming - Dit maakt deel uit van het brandstoffilter en gevormd door een weerstand en een thermocontact. Voorkatalysator EBERSPACHER C129 of C206 katalysator EBERSPACHER C113 Inspuitvolgorde n 1 en 2 distributiezijde (n 1 op de achterste cilinderrij) Diagnose Diagnosegereedschap (behalve XR25) 13B-6

219 MOTOR G9T DIESELINSPUITSYSTEEM Bijzonderheden 13B VERSTUIVERS Op de verstuivers van de motor G9T, staat een code van 6 tekens, de zogenaamde IMA-code (verstuiveropbrengstcorrectie). Deze specifieke code van elke verstuiver, houdt rekening met de afwijkingen bij de fabricage en kenmerkt de ingespoten opbrengst van elk van de verstuivers. In geval van het vervangen van een of meer verstuivers, is het noodzakelijk om de code van de nieuwe verstuiver(s) in de rekeneenheid in te lezen. In geval van het herprogrammeren van de rekeneenheid, is het noodzakelijk om de code van de vier verstuivers in de rekeneenheid in te lezen. Er zijn twee mogelijkheden: Als communicatie met de rekeneenheid mogelijk is: sla de gegevens van de rekeneenheid op in het diagnoseapparaat, vervang de rekeneenheid, breng de gegevens vanuit het diagnoseapparaat over naar de nieuwe rekeneenheid, controleer, met het diagnoseapparaat, of de rekeneenheid geen storing heeft gedetecteerd die verband houdt met de verstuivercodes en of het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel uit is. Als communicatie met de rekeneenheid niet mogelijk is: vervang de rekeneenheid, lees de gegevens af op de verstuivers, voer ze in met behulp van het diagnoseapparaat, in het geheugen van de rekeneenheid, configureer de verschillende elementen, zoals de airconditioning, de koelvloeistofverwarmingselementen enz., controleer, met het diagnoseapparaat, of de rekeneenheid geen storing heeft gedetecteerd die verband houdt met de verstuivercodes en of het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel uit is. 13B-7

220 MOTOR G9T DIESELINSPUITSYSTEEM Bijzonderheden 13B Het "Common Rail" brandstofsysteem met directe hogedruk inspuiting levert de motor op ieder moment de juiste hoeveelheid brandstof. OMSCHRIJVING Het systeem bestaat uit: een gecombineerde voedingspomp/tankelement (in de brandstoftank), een brandstoffilter, een drukregelaar op de pomp, een hogedrukpomp, een hoofdinspuitbuis met een opname element en een drukbegrenzer voor de brandstofdruk, vier elektromagnetische verstuivers, verschillende opname elementen, een rekeneenheid van het inspuitsysteem. WERKING Het "Common Rail" brandstofsysteem met directe hogedruk inspuiting is een inspuitsysteem met sequentiële inspuiting van dieselbrandstof (afgeleid van de sequentiële multipunt inspuiting van benzinemotoren). Dankzij dit systeem, dat gebruik maakt van een voorinspuiting, maakt de motor minder lawaai, stoot hij minder roet en schadelijke uitlaatgassen uit en levert hij reeds bij lage toerentallen een aanzienlijk koppel. De lagedrukpomp (ook wel opvoerpomp genoemd) voedt de hogedrukpomp via het filter van de drukregelaar en het brandstoffilter alleen tijdens de startfase, bij een druk tussen 2 en 4 bar. De hogedrukpomp levert brandstof met een hoge druk voor de hoofdinspuitbuis. De drukregelaar op de pomp regelt de aanvoer naar de hogedrukpomp. De hoofdinspuitbuis voedt iedere verstuiver via een stalen leiding. De rekeneenheid: bepaalt bij welke druk de motor het beste functioneert en stuurt de drukregelaar. Via de informatie die de rekeneenheid ontvangt van het opname element brandstofdruk controleert de rekeneenheid de druk, bepaalt de inspuitduur die nodig is om de juiste hoeveelheid brandstof in te spuiten e het moment waarop met de inspuiting moet worden begonnen, stuurt iedere verstuiver apart elektrisch aan na het bepalen van deze twee waarden. De hoeveelheid ingespoten brandstof is afhankelijk van: de duur van de bekrachtiging van de verstuiver, de snelheid waarmee de verstuiver opent en sluit, de slag van de verstuivernaald (afhankelijk van het type verstuiver), de nominale hydraulische doorlaat van de verstuiver (afhankelijk van het type verstuiver), de druk in de hoofdinspuitbuis (door de rekeneenheid geregeld). BIJ ALLE WERKZAAMHEDEN AAN HET HOGEDRUK INSPUITSYSTEEM MOET U DE VOORSCHRIFTEN INZAKE REINHEID EN VEILIGHEID STIPT OPVOLGEN DIE IN DIT DOCUMENT STAAN. 13B-8

221 MOTOR G9T DIESELINSPUITSYSTEEM Bijzonderheden 13B CONTROLE VAN DE AFDICHTING NA REPARATIE Vul en ontlucht het circuit. Zet hiervoor het contact enkele keren aan, of laat de lagedrukpomp draaien met het diagnoseapparaat in het menu "Commando van de actuators". Controleer na iedere reparatie of er geen brandstoflekkage is. Laat de motor draaien tot de koelventilateur inschakelt, en geef een paar keer onbelast gas. BELANGRIJK: Brandstof die meer dan 10 % diester bevat is niet geschikt voor deze motor. De maximale brandstofdruk in het systeem is 1350 bar. Controleer voor iedere reparatie of de hoofdinspuitbuis niet meer onder druk staat. Zet alle wartels, bouten en moeren altijd vast met het voorgeschreven aantrekkoppel: van de hogedrukleidingen, van de verstuiver op de cilinderkop, van het opname element druk en van de drukregelaar. Bij reparatie of uitbouwen van de hogedrukpomp, de verstuivers, de aanvoer- retour- en hogedrukwartels, moeten de openingen altijd direct met schone doppen worden afgesloten zodat er geen vuil kan binnendringen. LET OP: IEDERE UITGEBOUWDE LEIDING MOET WORDEN VERVANGEN. Bij het vervangen van de hogedrukleiding, gaat u op de volgende wijze te werk: bouw de hogedrukleiding uit, waarbij u met een contrasleutel de filtersteel op de verstuiver tegenhoudt, plaats de schone afsluitdoppen, draai de hoofdinspuitbuis los, plaats de nieuwe hogedrukleiding, zet de wartels met de hand vast tot zij aanliggen, zet de bevestigingen van de hoofdinspuitbuis met het voorgeschreven koppel vast, zet de wartel op de verstuiver met het voorgeschreven koppel vast, zet de wartel aan de hoofdinspuitbuis met het voorgeschreven koppel vast. Het is niet toegestaan het inwendige van de hogedrukpomp te demonteren. Vervang na uitbouwen altijd de retourleiding van de verstuivers. Het opname element brandstoftemperatuur kan niet worden gedemonteerd. Het maakt deel uit van de brandstofretourbuis. Maak hogedrukleidingen nooit los bij draaiende motor. 13B-9

222 MOTOR P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Bijzonderheden 13B Het -ECD-2UP DENSO brandstofsysteem met directe hogedruk inspuiting levert de motor op ieder moment de juiste hoeveelheid brandstof. OMSCHRIJVING Rekeneenheid met 121 aansluitingen van het merk DENSO flash EEPROM voor de aansturing van het inspuitsysteem. Het systeem bestaat uit: een peervormige opvoerpomp in het lagedrukcircuit, een brandstoffilter met een verwarmingselement, een hogedrukpomp met ingebouwde opvoerpomp (perspomp), twee drukregelaars op de pomp, een hoofdinspuitbuis, een opname element druk van de hoofdinspuitbuis, een drukbegrenzer van de hoofdinspuitbuis, zes elektromagnetische verstuivers, een vermogensrekeneenheid van de verstuivers, een opname element brandstoftemperatuur, een opname element koelvloeistoftemperatuur, een opname element luchttemperatuur, een luchtdoorstroommeter, een opname element referentie cilinder, een opname element toerental, een opname element turbodruk, een opname element stand van de wastegate, een de elektroklep voor de turbodrukregeling, een EGR-elektroklep, een opname element stand EGR-klep, een bedieningselektroklep van de afslagklep, een afslagklephuis, een opname element gaspedaal, een opname element atmosferische druk, en een rekeneenheid. Het "Common Rail" brandstofsysteem met directe hogedruk inspuiting is een inspuitsysteem met sequentiële inspuiting van dieselbrandstof (afgeleid van de sequentiële multipunt inspuiting van benzinemotoren). Dankzij dit systeem, dat gebruik maakt van een voorinspuiting, maakt de motor minder lawaai, stoot hij minder roet en schadelijke uitlaatgassen uit en levert hij reeds bij lage toerentallen een aanzienlijk koppel. 13B-10

223 MOTOR P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Bijzonderheden 13B De hogedrukpomp levert brandstof met een hoge druk voor de hoofdinspuitbuis. De twee drukregelaars op de pomp regelen de hoge druk afhankelijk van de door de rekeneenheid berekende vraag. De hoofdinspuitbuis voedt iedere verstuiver via een stalen leiding. De rekeneenheid van het inspuitsysteem ontvangt informatie van de verschillende opname element. Hij berekent de gegevens voor de inspuiting (vervroeging, voorinspuiting, inspuitduur) en zendt een stuursignaal naar de vermogensrekeneenheid, die het openen van de verstuivers aanstuurt. Een afslagklep sluit bij het uitzetten van het contact. Hij sluit de luchtaanvoer af waardoor de motor geleidelijk en zonder schokken stopt. Om de klep te sluiten stuurt de rekeneenheid een elektroklep aan de onderdruk van de vacuümpomp doorlaat naar de bedieningsbalg. Om de luchtverontreiniging te verminderen, gebruikt motor P9X een warmtewisselaar voor het afkoelen van de teruggevoerde uitlaatgassen. De via de EGR-klep in de cilinder toegelaten gassen stromen door een warmtewisselaar die wordt gekoeld door de koelvloeistof. Als gevolg hiervan is de verbrandingstemperatuur lager. Hierdoor is de NOx-uitstoot minder. De motor P9X gebruikt een potentiometer voor het meten van de verplaatsing van de as van de wastegate van de turbocompressor. De rekeneenheid van het inspuitsysteem gebruikt deze informatie voor het verfijnen van de turbodrukregeling. De fabricagetoleranties veroorzaken verschillen in de opbrengst van de verschillende verstuivers. Deze verschillen veroorzaken lawaai en meer luchtvervuiling tijdens de werking van de motor. Om deze verschillen te compenseren wordt tijdens de fabricage een kalibratieweerstand ingebouwd in de stekker van iedere verstuiver. De rekeneenheid van het inspuitsysteem leest de waarde van deze weerstand af, die overeenkomt met de tolerantie van de verstuiver. Hij pas vervolgens de inspuitduur aan om bij iedere verstuiver een gelijke opbrengst te hebben. De rekeneenheid: bepaalt bij welke druk de motor het beste functioneert en stuurt de drukregelaars aan. Via de informatie die de rekeneenheid ontvangt van het opname element brandstofdruk controleert de rekeneenheid de druk, bepaalt de inspuitduur die nodig is om de juiste hoeveelheid brandstof in te spuiten e het moment waarop met de inspuiting moet worden begonnen, stuurt iedere verstuiver apart elektrisch aan, via de vermogensrekeneenheid, na het bepalen van deze twee waarden. 13B-11

224 MOTOR P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Bijzonderheden 13B De hogedrukpomp wordt met een lage druk gevoed door een ingebouwde opvoerpomp (perspomp) die bestaat uit twee pompplunjers. Voor het regelen van de druk heeft de pomp twee drukregelaars. Ieder van de drukregelaars regelt de hoeveelheid brandstof die wordt toegelaten in een pompelement. De rekeneenheid regelt: de stationair toerentalregeling, de hoeveel uitlaatgassen die wordt teruggevoerd naar de inlaat, de controle van de brandstofaanvoer (vervroeging, opbrengst en druk van de hoofdinspuitbuis), het stuursignaal naar de ventilateurmotor (centrale temperatuurregeling), de temperatuurregeling van het koelsysteem (koelvloeistofverwarmingselementen), het vrijgeven van het aansturen van de compressorkoppeling van de airconditioning, de functie snelheidsregelaar met afstandsregelaar het aansturen van de voor/naverwarming. Aansturing van de ventilateurmotor en van het waarschuwingslampje van de koelvloeistoftemperatuur op het instrumentenpaneel door de rekeneenheid van het inspuitsysteem (GCTE-functie: Centrale temperatuurregeling). Multiplexverbinding tussen de verschillende rekeneenheden van de auto. Het laten branden van de waarschuwingslampjes op het instrumentenpaneel verloopt via het multiplexnetwerk. Bij een botsing, wordt de informatie voor het onderbreken van de brandstoftoevoer gegeven door de airbagrekeneenheid. Deze geeft via het multiplexnetwerk opdracht aan de rekeneenheid van het inspuitsysteem om de aansturing van het navoedingsrelais van het inspuitsysteem te vergrendelen. De ontgrendeling wordt pas weer actief als het contact langer dan 10 secondes onderbroken is geweest. Hierdoor gaat het waarschuwingslampje langer dan normaal branden bij het aanzetten van het contact. Het waarschuwingslampje krijgt zijn normale werking pas terug na het wissen van de storing met behulp van het diagnoseapparaat. De functie snelheidsregelaar met afstandsregelaar wordt gestuurd door de rekeneenheid van het inspuitsysteem. 13B-12

225 MOTOR P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Bijzonderheden 13B BELANGRIJK De motor mag niet werken met: een dieselbrandstof die meer dan 10% diester bevat, benzine, zelfs in een hele kleine hoeveelheid. De maximale brandstofdruk in het systeem is 1450 bar. Controleer voor iedere reparatie of de hoofdinspuitbuis niet meer onder druk staat en of de brandstoftemperatuur niet te hoog is. Bij alle werkzaamheden aan het hogedruk inspuitsysteem moet u de voorschriften inzake reinheid en veiligheid stipt opvolgen die in dit document staan. Het is niet toegestaan het inwendige van de pomp en van de verstuivers te demonteren. Demonteer nooit: de drukregelaars op de pomp, het opname element stand van de wastegate. Om veiligheidsredenen is het streng verboden om een wartel van een hogedrukleiding los te draaien als de motor draait. Alle uitgebouwde hogedrukleidingen moeten altijd worden vervangen. De bedrading van het opname element cilinderherkenning en van het opname element vliegwiel mag niet worden gerepareerd. Vervang de kabelbundel bij een defect. Geen enkel onderdeel van het systeem mag rechtstreeks met 12 V worden gevoed. Ontkolen en ultrasoon reinigen zijn verboden. Start nooit de motor als de accu niet correct is aangesloten. Maak de stekker los van de rekeneenheid van het inspuitsysteem bij laswerkzaamheden aan de auto. Op de verstuivers staat een weerstand. Deze weerstand is specifiek voor elke verstuiver en houdt rekening met de afwijkingen bij de fabricage en kenmerkt de ingespoten opbrengst van elk van de verstuivers. 13B-13

226 MOTOR P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Bijzonderheden 13B CONTROLE VAN DE AFDICHTING NA REPARATIE Controleer na iedere reparatie of er geen brandstoflekkage is. Versie Vdiag 4 van het inspuitsysteem ECD-2UP DENSO Vul het brandstofcircuit met behulp van het handpompje. Start de motor en laat hem stationair draaien tot hij zijn bedrijfstemperatuur heeft bereikt. Controleer visueel of er geen brandstoflekkage is. Breng een verklikkerproduct aan op de wartels van de vervangen leiding(en). Maak een proefrit en rijd daarbij met alle motortoerentallen (houd u aan de maximum snelheid ter plaatse). Controleer na de proefrit visueel of het hogedrukcircuit niet lekt. Verwijder het verklikkerproduct. Versie Vdiag 8 van het inspuitsysteem ECD-2UP DENSO N.B.: De versie Vdiag 8 van het inspuitsysteem ECD-2UP DENSO heeft een commando dat kan worden gegeven vanaf het diagnoseapparaat. Hiermee kan het hogedrukcircuit van de draaiende motor worden getest op lekkage terwijl de auto stilstaat. Vul het brandstofcircuit met behulp van het handpompje. Dit commando is alleen mogelijk als de temperatuur van de motor hoger is dan 80 C. Breng lekverklikker aan op de hogedrukwartels. Geef het commando SC001 "Test afdichting hogedrukcircuit". Het toerental van de motor wordt automatisch 2000 tr/min gedurende 2 minuten, en wordt daarna weer het stationair toerental. Controleer visueel het ontbreken van hogedruk lekkage. Verwijder het verklikkerproduct. TEST VAN DE VERSTUIVERS N.B.: De versie Vdiag 8 van het inspuitsysteem ECD-2UP DENSO heeft een commando dat kan worden gegeven vanaf het diagnoseapparaat om de verstuivers een voor een uit te schakelen. Dit commando is alleen mogelijk als de temperatuur van de motor hoger is dan 80 C. Sluit het diagnoseapparaat aan en schakel de verstuivers een voor een uit met de commando's in "Commando/actuators". AC632 TEST VERSTUIVER N 1 AC633 TEST VERSTUIVER N 2 AC634 TEST VERSTUIVER N 3 AC635 TEST VERSTUIVER N 4 AC636 TEST VERSTUIVER N 5 AC637 TEST VERSTUIVER N 6 13B-14

227 MOTOR G9T - P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Reinheid 13B STRIKT OP TE VOLGEN VOORSCHRIFTEN VOOR EEN SCHONE WERKOMGEVING BIJ WERKZAAMHEDEN AAN HET HOGEDRUK INSPUITSYSTEEM De gevaren van een vuile omgeving Het hogedruk inspuitsysteem is bijzonder gevoelig voor vuildeeltjes. Door vuil bestaat gevaar voor: onherstelbare beschadigingen aan het hogedruk inspuitsysteem, klemmen of niet goed afdichten van een onderdeel. Bij alle werkzaamheden is een schone werkomgeving van het grootste belang. Door het opvolgen van de voorschriften zal er tijdens demontage geen vuil (deeltjes ter grote van enkele microns zijn al funest) in het systeem of in de leidingen binnendringen. De voorschriften gelden vanaf het filter tot en met de verstuivers. WAARUIT BESTAAN DE SCHADELIJKE VUILDEELTJES? Schadelijke vuildeeltjes zijn: metaaldeeltjes of plastic deeltjes, lak, vezels, van karton, van kwasten, van papier, van kleding, van doeken. kleine objecten als haren, (vervuilde) omgevingslucht, enz. LET OP: De motor mag niet met een hogedrukspuit worden schoongespoten omdat dit de stekkerverbindingen beschadigt. Bovendien kan het vocht in het stekkerblok achterblijven en storingen veroorzaken. VOORBEREIDINGEN VOORDAT MET DE WERKZAAMHEDEN AAN HET INSPUITSYSTEEM WORDT BEGONNEN Controleer vooraf of het magazijn de doppen op voorraad heeft voor het afsluiten van de te openen aansluitingen. Deze doppen zijn slechts geschikt voor eenmalig gebruik. Na gebruik moet u ze weggooien (goed schoonmaken is niet voldoende). Doppen die u overhoudt, moet u ook weggooien. Controleer of u in het bezit bent van plastic zakken voor het bewaren van onderdelen, die meer malen hermetisch kunnen worden afgesloten. Door onderdelen hierin te bewaren bestaat er minder kans dat zij vuil worden. Deze zakken mogen vervolgens niet meer worden gebruikt en moeten na gebruik worden weggegooid. Controleer of u in het bezit bent van niet pluizende schoonmaakdoekjes (onderdeelnummer ). Het is niet toegestaan papier of doeken te gebruiken voor het schoonmaken. Deze gaan pluizen en kunnen het brandstofcircuit vervuilen. De schoonmaakdoekjes zijn slechts geschikt voor eenmalig gebruik. 13B-15

228 MOTOR G9T - P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Reinheid 13B VOORBEREIDENDE WERKZAAMHEDEN VOOR HET OPENEN VAN HET BRANDSTOFCIRCUIT Gebruik bij elke ingreep nieuw oplosmiddel (reeds gebruikt oplosmiddel bevat vuildeeltjes). Giet dit in een schone bak. Gebruik bij elke ingreep een nieuw en in goede staat verkerend penseel/borsteltje (dit mag geen haren verliezen). Maak de te openen aansluitingen met een kwastje met oplosmiddel schoon. Blaas gereedschap, werkblad en onderdelen, wartels en omgeving van het inspuitsysteem droog met perslucht. Let op dat er geen haartjes van de kwast achterblijven. Was uw handen voor en indien nodig tijdens de werkzaamheden. Trek rubber handschoenen aan over leren werkhandschoenen. VOORSCHRIFTEN TIJDENS DE WERKZAAMHEDEN Na het openen van het circuit moeten de openingen, waardoor vuil kan binnendringen, meteen met doppen worden afgesloten. De doppen zijn verkrijgbaar in het magazijn. Zij mogen beslist niet opnieuw worden gebruikt. Sluit de te gebruiken plastic opbergzakken altijd hermetisch af, zelfs indien u hem even later weer moet openmaken. Ook de omgevingslucht kan verontreinigen. Uitgebouwde onderdelen moeten, na met doppen te zijn afgesloten, in de hiervoor bestemde hermetisch afsluitbare plastic zakken worden opgeborgen. Na het openen van het circuit is het streng verboden penseel/borstel, oplosmiddel, perslucht of doeken te gebruiken. Hierdoor kunnen vuildeeltjes in het circuit komen. Indien een nieuw onderdeel wordt gemonteerd, haal dit dan pas op het allerlaatste moment uit de verpakking. 13B-16

229 MOTOR G9T DIESELINSPUITSYSTEEM Reinheid 13B 13B-17

230 MOTOR P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Reinheid 13B MONTAGEVOORSCHRIFT VAN DE SET AFSLUITDOPPEN Bij de in het magazijn leverbare set met afsluitdoppen voor de leidingen is een montagevoorschrift gevoegd. 13B-18

231 MOTOR G9T DIESELINSPUITSYSTEEM Plaats van de onderdelen 13B 1 Brandstoffilter met verwarming 2 Opname element nokkenas 3 Elektroklep turbodrukregeling 4 Opname element turbodruk 5 Verstuiver 6 Voorverwarmingsstift 7 Huis met koelvloeistofverwarmingselementen 8 Luchtdoorstroommeter met opname element luchttemperatuur 9 Rekeneenheid inspuitsysteem 10 Elektroklep turbulentieklep (swirl-elektroklep) 11 Elektroklep smoorklep (elektroklep afslagsysteem) 12 Smoorklep met elektroklep van het EGR-systeem 13 Drukregelaar 14 Hogedrukpomp 15 Opname element brandstoftemperatuur 13B-19

232 MOTOR G9T DIESELINSPUITSYSTEEM Plaats van de onderdelen 13B 1 Verstuiver 2 Brandstofretourleiding van de verstuivers 3 Opname element druk 4 Hoofdinspuitbuis 5 Aanvoerleiding hogedrukpomp-hoofdinspuitbuis 6 Hogedrukpomp 7 Drukregelaar 13B-20

233 MOTOR G9T DIESELINSPUITSYSTEEM Plaats van de onderdelen 13B 11 Smoorklephuis 12 EGR-klep 13 Luchtdoorstroommeter met opname element luchttemperatuur 8 Opname element cilinderherkenning 9 Turbocompressor 10 Voorkatalysator 14 Elektroklep turbulentieklep (swirl-elektroklep) 15 Elektroklep smoorklep (elektroklep afslagsysteem) 13B-21

234 MOTOR G9T DIESELINSPUITSYSTEEM Plaats van de onderdelen 13B 16 Bedieningsbalg van de turbulentieklep 17 Bedieningsbalg van de smoorklep (afslagsysteem), 18 Opname element turbodruk 20 Voorverwarmingsrekeneenheid 21 Brandstoffilter 19 Huis met koelvloeistofverwarmingselementen 13B-22

235 MOTOR P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Plaats van de onderdelen 13B 1 Handpompje 2 Opname element nokkenas 3 EGR-klep 4 Opname element turbodruk 5 Hoofdinspuitbuis 6 Huis met koelvloeistofverwarmingselementen 7 Opname element luchttemperatuur 8 Opname element brandstoftemperatuur 9 Opname element stand turbodrukregeling 10 Zekeringen-/relaisplaat 11 Luchtdoorstroommeter 12 Vermogensrekeneenheid 13 Rekeneenheid inspuitsysteem 14 Rekeneenheid van de automatische transmissie 15 Opname element koelvloeistoftemperatuur 16 Elektroklep turbodrukregeling 17 Vacuümreservoir 18 Elektromagnetische verstuiver 19 Bedieningselektroklep van de afslagklep 20 Smoorklephuis 21 Brandstoffilter 13B-23

236 MOTOR P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Plaats van de onderdelen 13B 1 Handpompje 2 Brandstoffilter 3 Brandstofverwarming 7 Opname element brandstoftemperatuur 4 Hoofdinspuitbuis 5 Drukbegrenzer 6 Opname element brandstofdruk 8 Hogedruk inspuitpomp 9 Drukregelaars 13B-24

237 MOTOR P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Plaats van de onderdelen 13B 10 Opname element luchttemperatuur 11 Bedieningselektroklep van de afslagklep 12 Opname element stand van de wastegate 13 Elektroklep turbodrukregeling 14 Vacuümreservoir 15 Smoorklephuis 16 Opname element koelvloeistoftemperatuur 13B-25

238 MOTOR P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Plaats van de onderdelen 13B 17 EGR-klep 18 Opname element nokkenas 19 Opname element turbodruk 20 Opname element vliegwiel 13B-26

239 MOTOR P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Plaats van de onderdelen 13B 21 Rekeneenheid voorverwarming 23 Vermogensrekeneenheid 22 Rekeneenheid inspuitsysteem 24 Hoofdrelais van het inspuitsysteem 13B-27

240 MOTOR P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Plaats van de onderdelen 13B 25 Verstuivers (voorste rij) 26 Huis met koelvloeistofverwarmingselementen 13B-28

241 MOTOR P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Plaats van de onderdelen 13B 27 Luchtdoorstroommeter 13B-29

242 MOTOR G9T DIESELINSPUITSYSTEEM Hogedrukpomp 13B HET IS NIET TOEGESTAAN HET INWENDIGE VAN DE POMP TE DEMONTEREN ONMISBAAR SPECIAAL GEREEDSCHAP Mot Mot Mot Mot BDP-stift Uitbouwgereedschap voor de hogedrukleidingen Trekker voor hogedrukpomp motor G9T Montagegereedschap voor doppen ONMISBAAR MATERIAAL Sleutel voor de hogedrukleidingen, bijvoorbeeld sleutel DM 19 van Facom Opzetsleutel "Crowfoot 18-17" van Facom, bijvoorbeeld, voor het vastzetten van de hogedrukleiding van de hoofdinspuitbuis "Lichte" momentsleutel AANTREKKOPPELS (in dan.m) Hogedrukleiding op de verstuivers: op de pomp: op de hoofdinspuitbuis: 2,5 2,7 2,7 Bevestiging hogedrukpomp 3 Moer van het tandwiel van de hogedrukpomp 9 Bouten van de EGR-leiding 2,5 Bouten van de achterste steun van de hogedrukpomp 3 LET OP: Voor iedere reparatie, sluit u het diagnoseapparaat aan en opent u de communicatie met de rekeneenheid van het inspuitsysteem en controleert u of er geen druk meer is in de hoofdinspuitbuis. Houd rekening met de temperatuur van de brandstof. 13B-30

243 MOTOR G9T DIESELINSPUITSYSTEEM Hogedrukpomp 13B HOUD U ALTIJD STIPT AAN DE VOORSCHRIFTEN INZAKE EEN SCHONE WERKOMGEVING DIE IN DIT HOOFDSTUK STAAN UITBOUWEN Maak de massakabel van de accu los. Bouw uit: de luchtslang tussenkoeler - smoorklephuis (1) door het losmaken van het opname element turbodruk (2), de versterkingsstrip (4) tussen het smoorklephuis en de stuurbekrachtigingspomp. Maak de stekker van de EGR-elektroklep los. de leiding van de EGR (3) en zijn afdichtingen. Vervang de leiding en de afdichtingen bij het monteren. 13B-31

244 MOTOR G9T DIESELINSPUITSYSTEEM Hogedrukpomp 13B Bouw uit: de bevestigingsbouten (5) van het smoorklephuis, de verbindingsslang (6) naar het inlaatspruitstuk. Zet de motor in het BDP met behulp van de stift Mot Maak los: de hogedrukregelaar (7), het opname element brandstoftemperatuur, de retourslang (8) en de aanvoerslang (9) op de pomp en sluit de openingen af met doppen. Verwijder het verdelerhuis door de slangen los te maken van het vacuümreservoir. Maak de bescherming los van de hoofdinspuitbuis en druk deze zo ver mogelijk opzij. Bouw de achterste steun van de hogedrukpomp (A) uit. Verwijder de hogedrukleiding op de pompuitgang / ingang hoofdinspuitbuis en sluit de openingen af met doppen. Wip het reservoir van de stuurbekrachtiging los en druk het opzij, verwijder het brandstoffilter en verwijder de steun van deze elementen. 13B-32

245 MOTOR G9T DIESELINSPUITSYSTEEM Hogedrukpomp 13B Bouw uit: het opname element vliegwiel (10), waarbij u moet opletten dat de O-ring niet in het tandwielhuis valt, de naafdop van de pomp (11). Verwijder de centrale moer waarmee de pompnaaf vastzit, blokkeer hierbij het vliegwiel met een dikke schroevendraaier. Draai de drie bevestigingsbouten (12) van de pomp op de hulporganensteun enkele omwentelingen los. Plaats het gereedschap Mot. 1548, met de centrale dop, en verwijder de centrale dop als het gereedschap op zijn plaats zit. Druk de pomp los door de dop van het gereedschap Mot vast te draaien. Verwijder de BDP-stift Mot Verwijder de drie bevestigingsbouten van de pomp los en bouw de hogedrukpomp daarna uit. 13B-33

246 MOTOR G9T DIESELINSPUITSYSTEEM Hogedrukpomp 13B INBOUWEN Ga te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen en gebruik de centrale moer voor het op zijn plaats brengen van de nieuwe pomp. Let op de correcte stand van de achterste bevestigingsgaten van de pomp. Plaats een nieuwe naafdop op de pomp met het gereedschap Mot dat u als volgt heeft gewijzigd. Wijziging van het gereedschap Mot. 1503: Maak een platte kant van X = 17 mm en Y = 40 mm. N.B.: Let op dat u de hogedrukleidingen spanningsvrij monteert. Ga als volgt te werk: draai de hoofdinspuitbuis los, zet de moeren van de hogedrukleidingen eerst met de hand vast op de pomp en de hoofdinspuitbuis voordat u ze met het voorgeschreven koppel vastzet, zet de hoofdinspuitbuis vast met het voorgeschreven aantrekkoppel, aan de kant van de pomp vastzetten met het koppel, aan de kant van de hoofdinspuitbuis met het koppel. De brandstofretourleiding moet na iedere demontage worden vervangen. 13B-34

247 MOTOR G9T DIESELINSPUITSYSTEEM Hogedrukpomp 13B Voor het starten van de motor, moet het brandstofcircuit worden gevuld. Vul het circuit met brandstof door het contact enkele keren aan te zetten, of laat de lagedrukpomp draaien met het diagnoseapparaat in het menu "Commando's van de actuators". Start de motor. Na iedere reparatie, controleert u of er geen brandstoflekkage is. Ga als volgt te werk: laat de motor stationair draaien tot de koelventilateur inschakelt, geef en paar keer onbelast gas, maak een proefrit, zet het contact af en controleer of er nergens brandstoflekkage is, controleer of de absorberende geluiddemping niet nat is door brandstof. Controleer met het diagnoseapparaat of er geen storingen in geheugen zijn opgeslagen. Wis ze indien nodig. 13B-35

248 MOTOR P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Hogedrukpomp 13B HET IS NIET TOEGESTAAN HET INWENDIGE VAN DE POMP TE DEMONTEREN ONMISBAAR SPECIAAL GEREEDSCHAP Mot Mot Mot Mot Onderste motorsteun Vliegwielblokkeerstift Montagegereedschap krukaskeerring aan distributiezijde Montagegereedschap keerring hogedrukpomp ONMISBAAR MATERIAAL Schuifhecht en dop van 24 serie "camion" AANTREKKOPPELS (in dan.m) Bouten van hogedrukpomp 2,1 Bouten van distributietussentandwielen 3,5 Bevestigingen deksel van tandwielgroep 2,5 Bout van krukaspoelie aandrijfriem hulporganen 23,5 Bout hogedrukwartel op inlaatspruitstuk 2,1 Bevestiging tandwiel van hogedrukpomp 16 Carterventilatiebuis: Bout M6 Bout M8 1 2,5 LET OP: Voor iedere reparatie, sluit u het diagnoseapparaat aan en opent u de communicatie met de rekeneenheid van het inspuitsysteem en controleert u of er geen druk meer is in de hoofdinspuitbuis. Wacht tot de brandstof is afgekoeld. Bestel de set met speciale afsluitdoppen voor het hogedruk inspuitsysteem. 13B-36

249 MOTOR P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Hogedrukpomp 13B UITBOUWEN HOUD U STIPT AAN DE VOORSCHRIFTEN INZAKE EEN SCHONE WERKOMGEVING Bouw uit: de aandrijfriem hulporganen (zie hoofdstuk 07A Afstelwaarden aandrijfgroep "Spanning aandrijfriem hulporganen"), de geleiderollen (1) van de aandrijfriem hulporganen, de spanner (2) van de aandrijfriem hulporganen. N.B.: alle uitgebouwde hogedrukleidingen moeten altijd worden vervangen. Bouw de inlaatspruitstukken uit (zie hoofdstuk 12A Inlaatspruitstuk - smoorklephuis "Inlaatspruitstuk"). Via de zijkant Maak de aandrijfas rechts voor los, ga als volgt te werk: verwijder de aandrijfasmoer, Verwijder de flens van het steunlager van de aandrijfas, maak de spoorstangkogel los, maak de remslang vrij, verwijder de bouten van de schokdemperpoot. Via de onderkant Verwijder de bevestigingsbout van de koppelreactiestang op de motor. 13B-37

250 MOTOR P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Hogedrukpomp 13B Verwijder de katalysator. Breng de motor omhoog met behulp van het hijsgereedschap. Via de bovenkant Laat de motor zakken met het hijsgereedschap, om de poelie van de hulporganen te kunnen draaien. Controleer of de vaste en draaibare merktekens van de hulporganenpoelie van de krukas in lijn liggen. Bouw uit: de distributieriem (zie hoofdstuk 11A Cilinderkop en distributie "Distributieriem"), de geleiderollen (3), de spanrol (4). Draai de krukas een stukje linksom om de motor in de blokkeerstand te zetten (toegangsgat bij de omvormerbouten). Blokkeer, geholpen door een tweede monteur, de motor met behulp van het gereedschap Mot B-38

251 MOTOR P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Hogedrukpomp 13B Draai los: een klein stukje de bevestigingsbout van de hulporganenpoelie van de krukas, de bevestigingsmoer (5) van het tandwiel van de hogedrukpomp. Bouw uit: het tandwiel van de hogedrukpomp, het blokkeergereedschap van de motor Mot Draai de bevestigingsbout van de hulporganenpoelie van de krukas geheel los. Verwijder de poelie (6). Maak los: de slang van de carterventilatie (7) op het deksel van de tandwielgroep, de stekker van het opname element vliegwiel (8). Verwijder het opname element vliegwiel. Sluit de carterventilatieslang af. Draai de motor opnieuw in het BDP. Controleer of de vaste en draaibare merktekens van de hulporganenpoelie van de krukas in lijn liggen. 13B-39

252 MOTOR P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Hogedrukpomp 13B Draai los en verwijder de bevestigingen van het deksel van de tandwielgroep. Bouw uit: de dop bij (B), het deksel van tandwielgroep. Vang de veer op van het spelingscorrectiemechanisme. Draai twee bouten M6 x 100 met een lengte van 50 mm in het tandwiel van de hogedrukpomp om dit los te maken van de pompas. Verwijder de bevestigingen van de hogedrukpomp. N.B.: Noteer de plaats van de bevestigingsbouten van de pomp. Draai twee bouten M6 x 100 met een lengte van 50 mm in het tandwiel van de hogedrukpomp om het spelingscorrectiemechanisme vrij te maken. 13B-40

253 MOTOR P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Hogedrukpomp 13B Maak de pomp vrij van de motor. Maak de twee drukregelaars vrij. Maak de kabelbundel vrij. Verwijder de afdichting op de hogedrukpomp. REINIGEN De pasvlakken van de aluminium onderdelen mogen beslist niet schoon worden geschraapt. Gebruik Décapjoint voor het oplossen van de achtergebleven afdichting op het deksel van de tandwielgroep. Breng het product aan op de te reinigen delen; laat het ongeveer tien minuten inwerken en veeg het metaal met een houten spatel schoon. 13B-41

254 MOTOR P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Hogedrukpomp 13B INBOUWEN Plaats de pomp met een nieuwe afdichting. Breng op hun plaats: de centreerbouten (1) van de pomp, de andere bevestigingsbouten. Zet de bouten gelijkmatig vast met 2,1 dan.m. draai twee bouten M6 x 100 met een lengte van 50 mm op het spelingscorrectietandwiel, plaats het spelingscorrectietandwiel op het pomptandwiel, draai het spelingscorrectiemechanisme met een schroevendraaier zodat de tanden van de twee tandwielen in lijn liggen, zet het geheel vast met een bout M6 x 100 met een lengte van 15 mm met een zaagsnede in de kop. Verwijder de twee bouten van 50 mm op het spelingscorrectietandwiel. In de bankschroef: Pomptandwiel monteren met het spelingscorrectietandwiel. Ga als volgt te werk: plaats de veer op het pomptandwiel, 13B-42

255 MOTOR P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Hogedrukpomp 13B Verwijder de tussentandwielen (1) en (2) van de tandwielgroep. Plaats: het tussentandwiel (1) en zet de merktekens in lijn ten opzichte van de krukaspoelie, het tussentandwiel (2) en zet de merktekens in lijn ten opzichte van het tussentandwiel (1), het pomptandwiel en zet de merktekens in lijn ten opzichte van het tussentandwiel (2). Plaats de bevestigingsbouten van de tussentandwielen en zet deze vast met een aantrekkoppel van 3,5 dan.m. N.B.: Controleer na het vastzetten of de merktekens van de tandwielgroep in lijn liggen. 13B-43

256 MOTOR P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Hogedrukpomp 13B Reinig en ontvet de pakkingvlakken. Verwijder de keerringen van de hulporganenpoelie van de krukas en van het tandwiel van de hogedrukpomp. Breng een strook THREEBOND pakkingpasta met een diameter van 3 mm aan op het deksel van de tandwielgroep. Plaats het deksel van de tandwielgroep aan op de centreerpennen en plaats alle bevestigingen. 13B-44

257 MOTOR P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Hogedrukpomp 13B Zet de bevestigingen in de voorgeschreven volgorde vast met een aantrekkoppel van 2,5 dan.m. van het hogedrukpomptandwiel met behulp van Mot Verwijder de blokkering van het spelingscorrectiemechanisme met een schroevendraaier bij (A), Plaats de dop. Plaats een nieuwe keerring: van de krukaspoelie voor de hulporganenriem met behulp van Mot. 1651, Plaats: de krukaspoelie voor de aandrijfriem hulporganen, het tandwiel van de hogedrukpomp. Breng de bevestigingsbout en -moer op hun plaats. Controleer of de vaste en draaibare merktekens van de hulporganenpoelie van de krukas en van het pomptandwiel in lijn liggen. Draai de krukas een stukje linksom om de motor in de blokkeerstand te zetten. 13B-45

258 MOTOR P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Hogedrukpomp 13B Blokkeer, geholpen door een tweede monteur, de motor met behulp van het gereedschap Mot Zet vast: de bout van de krukaspoelie voor de hulporganen met een aantrekkoppel van 23,5 dan.m, de moer van het tandwiel van de pomp met een aantrekkoppel van 16 dan.m. Verwijder het blokkeergereedschap van de motor Mot Draai de motor opnieuw in het BDP. Controleer of de vaste en draaiende merktekens: van de krukaspoelie van de aandrijfriem hulporganen (A), en het pomptandwiel (B) in lijn liggen. 13B-46

259 MOTOR P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Hogedrukpomp 13B Plaats: de geleiderollen, de spanrol, plaats de distributieriem (zie hoofdstuk 11A Cilinderkop en distributie "Distributieriem"). de spanner van de aandrijfriem hulporganen, de geleiderollen van de aandrijfriem hulporganen, de aandrijfriem hulporganen (zie hoofdstuk 07A Afstelwaarden aandrijfgroep "Spanning aandrijfriem hulporganen"). Plaats de aandrijfas rechts voor (zie hoofdstuk 29A "Aandrijfas"). N.B.: Verwijder de afsluitdoppen pas op het laatste moment. Plaats en zet met de hand vast: de nieuwe hogedrukleiding op de uitgang van de pomp, de brandstofaanvoer- en retourbuizen met nieuwe afdichtingen, de carterventilatieslang met een nieuwe afdichting, de flens en daarna de moeren van de brandstofretour- en aanvoerslangen op de pomp, de retourleiding met het opname element brandstoftemperatuur. Zet de verschillende wartels van de brandstofleidingen vast met de voorgeschreven aantrekkoppels (zie figuur). Monteer de hoofdinspuitbuis (zie hoofdstuk 13B "Hoofdinspuitbuis"). Ga verder te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. Vul het aanvoercircuit brandstof met behulp van de opvoerpomp (peer). Vul en ontlucht het koelsysteem (zie hoofdstuk 19A Koelsysteem "Vullen - ontluchten"). Controleer de afdichting van het hogedrukcircuit na de reparatie (zie hoofdstuk 13B "Bijzonderheden"). 13B-47

260 MOTOR P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Hogedrukpomp 13B AANTREKKOPPEL VAN DE LEIDINGEN OP DE HOGEDRUKPOMP (in dan.m) 13B-48

261 MOTOR G9T DIESELINSPUITSYSTEEM Verstuiver 13B ONMISBAAR SPECIAAL GEREEDSCHAP Mot Mot Verstuivertrekker Uitbouwgereedschap voor de hogedrukleidingen ONMISBAAR MATERIAAL "Lichte" momentsleutel Sleutel voor de hogedrukleidingen, bijvoorbeeld sleutel "DM 19" van Facom. AANTREKKOPPELS (in dan.m) Voorspannen moer verstuiverflens 0,6 ± 0,1 Moeren verstuiverflens bij vliegwiel 360 ± 30 Tapeind verstuiverflens 0,2 ± 0,05 Maak de zijschotten los van de rubber slab. Maak het kleppendeksel los en druk de slab zo veel mogelijk naar achteren. Verwijder de absorberende geluidskappen. Moer van hogedrukleidingen op de verstuivers: op de pomp: op de hoofdinspuitbuis: 2,5 2,7 2,7 Bevestigingsbouten hoofdinspuitbuis 2,5 Bout flens van leiding pomp/ hoofdinspuitbuis 0,3 LET OP: Voor iedere reparatie, sluit u het diagnoseapparaat aan en opent u de communicatie met de rekeneenheid van het inspuitsysteem en controleert u of er geen druk meer is in de hoofdinspuitbuis. Houd rekening met de temperatuur van de brandstof. Bestel de set met speciale afsluitdoppen voor het hogedruk inspuitsysteem. UITBOUWEN HOUD U STIPT AAN DE VOORSCHRIFTEN INZAKE EEN SCHONE WERKOMGEVING Maak de massakabel van de accu los. 13B-49

262 MOTOR G9T DIESELINSPUITSYSTEEM Verstuiver 13B Maak de elektrische aansluitingen los van het opname element druk (1) en van de verstuivers. Draai de bouten (5) van de hoofdinspuitbuis los zonder hem te verwijderen. Bouw uit: de brandstofretourleiding (2) van de verstuivers (vervang hierna de leiding), de hogedrukleiding (3) tussen de hogedrukpomp en de hoofdinspuitbuis, LET OP: het klemmetje (6) op de cilinderkop is bijzonder kwetsbaar, de hogedrukleidingen (4). Sluit de openingen af met schone doppen. LET OP: Bij het losdraaien van de wartels (7) van de hogedrukleidingen op de verstuiverhouders, moet u de bevestigingsmoeren (8) van de filterstelen met een contrasleutel tegenhouden. 13B-50

263 MOTOR G9T DIESELINSPUITSYSTEEM Verstuiver 13B UITBOUWEN VAN DE VERSTUIVERHOUDERS (leidingen uitgebouwd) Draai de bevestigingsbouten los van iedere verstuiverhouder. Plats de trekker op een verstuiverhouder. Draai de kartelring aan zodat de twee bekken aangrijpen op de vlakke zijden zonder ze met overdreven kracht vast te zetten. De verstuivers moeten met een speciale trekker worden uitgebouwd. Probeer nooit een in zijn boring de cilinderkop vastzittende verstuiverhouder anders dan met het hieronder beschreven gereedschap los te maken. Beschrijving van het gereedschap Mot. 1549: 1 Steunchassis van de trekker; dit wordt geplaatst op de bevestigingsbouten van het kleppendeksel. Controleer voor het gebruik de juiste plaatsing. 2 Trekker 3 Trekkerbout Plaats het chassis van het gereedschap Mot op de bevestigingsbouten van het kleppendeksel. Zet de trekkerbout vast tot de verstuiver vrijkomt van de cilinderkop. Breng kruipolie aan rondom de verstuiver. Verwijder de ring onder in de boring van iedere verstuiver. 13B-51

264 MOTOR G9T DIESELINSPUITSYSTEEM Verstuiver 13B INBOUWEN Verwijder pas op het laatste moment de beschermdoppen van ieder onderdeel. Reinig de schachten van de verstuivers de verstuivers zelf en hun montagebeugels met een in nieuw oplosmiddel gedrenkte pluisvrije doek (gebruik de speciaal hiervoor bestemde doeken, bestelnr ). LET OP: Zet de moer (A) aan distributiezijde eerst vast en daarna de moer (B) aan vliegwielzijde. Zet moer (A) vast met 0,6 dan.m, en daarna moer (B) met 0,6 dan.m. Distributiezijde eerst, daarna vliegwielzijde. Droog alle onderdelen met een andere nieuwe doek. Reinig een van de oude bevestigingsbouten van de verstuiver en draai hem geheel in de bevestigingsgaten om de schroefdraad te reinigen. LET OP: Controleer, voor het plaatsen van het tapeind op de cilinderkop, of de moer (3) kan worden vastgedraaid op het zware punt van het tapeind (1), als dit niet zo is, vervang dan het geheel. Plaats de nieuwe tapeinden (1) en de vulringen (2) voor het vastzetten van de verstuiver nadat u de schroefdraad met olie hebt ingesmeerd en zet ze met de hand vast tot het einde van de schroefdraad (0,2 dan.m). Na elke demontage moeten de tapeinden en de moeren worden vervangen. Voer alleen bij moer (B) een hoekverdraaiing uit van 360 ± 30 (moer aan vliegwielzijde). Draai de drie bevestigingsbouten van de hoofdinspuitbuis los zodat deze vrijkomt. Verwijder de doppen van de hoofdinspuitbuis, van de verstuiverhouders en van de hogedrukleidingen. Monteer de hogedrukleidingen tussen de hoofdinspuitbuis en de verstuivers en zet ze met de hand vast tot zijn aanliggen. Zet de drie bevestigingsbouten van de hoofdinspuitbuis vast met een aantrekkoppel van 2,5 dan.m. Zet de wartels van de hogedrukleidingen bij de verstuivers en de hogedrukpomp vast met een aantrekkoppel van 2,5 dan.m. Leg een nieuwe ring onder elke verstuiver. Monteer de verstuiver met zijn flens en een borgveer. Smeer de schroefdraad van de moeren met olie. Zet de wartels van de hogedrukleidingen bij de hogedrukpomp vast met een aantrekkoppel van 2,7 dan.m. Zet de wartels van de hogedrukleidingen bij de hoofdinspuitbuis vast met een aantrekkoppel van 2,7 dan.m. 13B-52

265 MOTOR G9T DIESELINSPUITSYSTEEM Verstuiver 13B Maak het bevestigingsklemmetje van de leiding pomp / hoofdinspuitbuis vast en zet de twee bevestigingsbouten vast. Zet de zijschotten van de bescherming van de hoofdinspuitbuis correct vast. Vouw de rubber slab van de bescherming van de hoofdinspuitbuis naar voren en klem hem vast. Bij alle werkzaamheden aan de bescherming van de hoofdinspuitbuis, moet u na het monteren van de onderdelen van het systeem erop letten dat zij goed zijn geplaatst (zie het hoofdstuk "Bescherming van de hoofdinspuitbuis"). Het niet naleven van deze voorschriften kan ernstige gevolgen hebben. Ga verder te werk in omgekeerde volgorde van het uitbouwen. Gooi de zak met gebruikte doppen weg na de reparatie. Voordat u de motor start, wist u met het diagnoseapparaat de eventueel in het geheugen van de rekeneenheid opgeslagen storingen. Vul het circuit met brandstof door het contact enkele keren aan te zetten, of laat de lagedrukpomp draaien met het diagnoseapparaat in het menu "Commando's van de actuators". Na iedere reparatie, controleert u of er geen brandstoflekkage is. Ga als volgt te werk: laat de motor stationair draaien tot de koelventilateur inschakelt, geef en paar keer onbelast gas, maak een proefrit, zet het contact af en controleer of er nergens brandstoflekkage is, controleer of de absorberende geluiddemping niet nat is door brandstof. 13B-53

266 MOTOR P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Verstuiver 13B HET DEMONTEREN VAN HET INWENDIGE VAN EEN VERSTUIVER OF HET SCHEIDEN VAN DE VERSTUIVERHOUDER VAN DE BUIS IS NIET TOEGESTAAN ONMISBAAR SPECIAAL GEREEDSCHAP Mot Uitbouwgereedschap voor de hogedrukleidingen ONMISBAAR MATERIAAL "Lichte" momentsleutel Opzetsleutel voor het vastzetten van de hogedrukleiding (bijvoorbeeld sleutel "Crowfoot 19-17" van Facom). Opzetsleutel voor het vastzetten van de hogedrukleiding (bijvoorbeeld sleutel "Crowfoot 18-17" van Facom). AANTREKKOPPELS (in dan.m) Wartels van hogedrukleidingen 3,5 Bout van flens van hogedrukleidingen 0,9 Wartels van hogedrukleidingen 3,5 Bout bevestigingsbeugel van hogedrukleidingen op het voorste spruitstuk 2,1 Bevestigingsbout vulhals 2,5 Moeren verstuiverflens alleen 0,5 Moeren flens van twee verstuivers 2,9 Wartels brandstofretourleidingen: op de verstuivers op de cilinderkop 1,3 2 Bevestigingen kleppendeksel 0,9 LET OP: Voor iedere reparatie, sluit u het diagnoseapparaat aan en opent u de communicatie met de rekeneenheid van het inspuitsysteem en controleert u of er geen druk meer is in de hoofdinspuitbuis. Wacht tot de brandstof is afgekoeld. Bestel de set met speciale afsluitdoppen voor het hogedruk inspuitsysteem. 13B-54

267 MOTOR P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Verstuiver 13B UITBOUWEN HOUD U STIPT AAN DE VOORSCHRIFTEN INZAKE EEN SCHONE WERKOMGEVING N.B.: de verstuivers kunnen afzonderlijk worden vervangen. alle uitgebouwde hogedrukleidingen moeten altijd worden vervangen. Verwijder de inlaatluchtverdeler (zie hoofdstuk 12A Spruitstuk - smoorklephuis "Inlaatluchtverdeler"). Tap het koelsysteem af via de onderste radiateurslang. Het gevaar bestaat namelijk dat koelvloeistof de cilinders instroomt als de doppen voor de koeling van de verstuivers tegelijk met de verstuivers worden losgemaakt. Verwijder de hogedrukleidingen hoofdinspuitbuis-verstuivers en de leiding tussenwartel - hoofdinspuitbuis (zie hoofdstuk 13B "Hogedrukleidingen"). Maak de slangen van de carterventilatie los op het "T"-stuk (1), de slang (2) en daarna de koelslang (3) op de EGR-klep. Maak deze vrij naar de zijkant. Verstuivers op de voorste cilinderrij Verwijder de bevestigingsbouten: (4) van de vulhals, (5) van de beugel van de kabelbundel. 13B-55

268 MOTOR P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Verstuiver 13B Verstuivers op de achterste cilinderrij Maak het huis van de koelvloeistofverwarmingselementen vrij naar de zijkant. Uitbouwen hiervoor de bevestigingsbout van de beugel van het huis van de koelvloeistofverwarmingselementen op de cilinderkop. Verstuivers op de voorste of achterste cilinderrij Verwijder de bevestigingsbouten van het kleppendeksel. Voor de bout bij de hijsbeugel op de achterste cilinderrij gebruikt u een sleutel met bolle kop (bijvoorbeeld FACOM 83SH.JP9). Verwijder het kleppendeksel. Verwijder de brandstofretourleiding. 13B-56

269 MOTOR P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Verstuiver 13B Bouw uit: de bevestigingsmoeren van de verstuiverflenzen, de flenzen, LET OP: Tijdens het uitbouwen van de verstuivers kunnen de doppen van de koeling van de verstuivers in de cilinderkop tegelijk loskomen. Vervang in dit geval de O-ringen en monteer nieuwe doppen in de cilinderkop met behulp van het aangepaste gereedschap EMB REINIGEN Maak de verstuiver NOOIT schoon met behulp van: een metalen borstel, schuurpapier, een ultrasoon trilapparaat. Reinig de verstuiver door hem in een ontvetter schoon te weken en daarna met een niet-pluizende doek af te vegen. de verstuivers. 13B-57

270 MOTOR P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Verstuiver 13B INBOUWEN N.B.: Verwijder de afsluitdoppen pas op het laatste moment. vervang op de verstuivers: de hittewerende ring (1), de O-ring (2). Zet vast met het voorgeschreven aantrekkoppel: de moeren (3) van de flens van de enkele verstuiver met 0,5 dan.m, de moer (4) van de flens van de twee verstuivers met 2,9 dan.m. Vervang de afdichtingen van de brandstofretourleiding. Plaats: de verstuivers, de verstuiverflenzen. Monteer de brandstofretourleiding. Zet de wartels van de brandstofretourleiding vast: op de verstuivers met een aantrekkoppel van 1,3 dan.m, op de cilinderkop met een aantrekkoppel van 2 dan.m. Reinig het pasvlak van het kleppendeksel en van de nokkenascassette. Vervang op het kleppendeksel de afdichtingen: van de verstuivers en van de hogedrukwartels van de verstuivers met behulp van het gereedschap Mot. 1649, van het kleppendeksel. 13B-58

271 MOTOR P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Verstuiver 13B Breng een strook THREEBOND met een diameter van 2 tot 4 mm aan op de nokkenascassettes bij (A). Voorste rij Achterste rij Monteer het kleppendeksel. Zet het kleppendeksel in de aangegeven volgorde vast met een aantrekkoppel van 0,9 dan.m. 13B-59

272 MOTOR P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Verstuiver 13B alle uitgebouwde hogedrukleidingen moeten altijd worden vervangen. Plaats de hogedrukleidingen tussenwartel - hoofdinspuitbuis en hoofdinspuitbuis - verstuivers vast met de voorgeschreven aantrekkoppels (zie hoofdstuk 13B "Hogedrukleidingen"). Vervang de O-ring van de olievulhals. Ga verder te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. Vul het aanvoercircuit brandstof met behulp van de opvoerpomp (peer). Vul en ontlucht het koelsysteem (zie hoofdstuk 19A Koelsysteem "Vullen - ontluchten"). Controleer de afdichting van het hogedrukcircuit na de reparatie (zie hoofdstuk 13B "Bijzonderheden"). 13B-60

273 MOTOR G9T DIESELINSPUITSYSTEEM Hoofdinspuitbuis 13B ONMISBAAR SPECIAAL GEREEDSCHAP Mot Uitbouwgereedschap voor de hogedrukleidingen ONMISBAAR MATERIAAL "Lichte" momentsleutel Sleutel voor de hogedrukleidingen, bijvoorbeeld sleutel "DM 19" van Facom MONTAGE MET EERSTE MODEL BESCHERMING VAN DE HOOFDINSPUITBUIS AANTREKKOPPELS (in dan.m) Moer van hogedrukleidingen op de verstuivers op de pomp op de hoofdinspuitbuis 2,5 2,7 2,7 Maak de zijschotten los van de rubber slab. Maak het kleppendeksel los en druk de slab zo veel mogelijk naar achteren. Verwijder de absorberende geluidkappen. Bevestigingsbouten hoofdinspuitbuis 2,5 LET OP: Voor iedere reparatie, sluit u het diagnoseapparaat aan en opent u de communicatie met de rekeneenheid van het inspuitsysteem en controleert u of er geen druk meer is in de hoofdinspuitbuis. Houd rekening met de temperatuur van de brandstof. Bestel de set met speciale afsluitdoppen voor het hogedruk inspuitsysteem. UITBOUWEN HOUD U STIPT AAN DE VOORSCHRIFTEN INZAKE EEN SCHONE WERKOMGEVING Maak de massakabel van de accu los. 13B-61

274 MOTOR G9T DIESELINSPUITSYSTEEM Hoofdinspuitbuis 13B Maak de elektrische aansluitingen los van het opname element druk (1) en van de verstuivers. Draai de bouten (5) van de hoofdinspuitbuis los zonder hem te verwijderen. Bouw uit: de brandstofretourleiding (2) van de verstuivers (vervang hierna de leiding), de hogedrukleiding (3) tussen de hogedrukpomp en de hoofdinspuitbuis, LET OP: het klemmetje (6) op de cilinderkop is bijzonder kwetsbaar, de hogedrukleidingen (4). Sluit de openingen af met schone doppen. LET OP: Bij het losdraaien van de wartels (7) van de hogedrukleidingen op de verstuiverhouders, moet u de bevestigingsmoeren (8) van de filterstelen met een contrasleutel tegenhouden. 13B-62

275 MOTOR G9T DIESELINSPUITSYSTEEM Hoofdinspuitbuis 13B INBOUWEN Verwijder pas op het laatste moment de beschermdoppen van ieder onderdeel. Plaats: de hoofdinspuitbuis zonder de bouten van de hoofdinspuitbuis vast te zetten, de bout van de bevestigingsflens van de hoofdinspuitbuis op de metalen beschermplaat aan de onderkant. Verwijder de doppen van de hoofdinspuitbuis, van de verstuiverhouders en van de hogedrukleidingen. Monteer de hogedrukleidingen tussen de hoofdinspuitbuis en de verstuivers, en tussen de hoofdinspuitbuis en de pomp en zet ze met de hand vast tot zijn aanliggen. Zet de drie bevestigingsbouten van de hoofdinspuitbuis vast met een aantrekkoppel van 2,5 dan.m. Zet de wartels van de hogedrukleidingen bij de verstuivers vast met een aantrekkoppel van 2,5 dan.m en bij de hogedrukpomp met 2,7 dan.m. Zet de wartels van de hogedrukleidingen bij de hoofdinspuitbuis vast met een aantrekkoppel van 2,7 dan.m. Raadpleeg voor het inbouwen van de bescherming van de hoofdinspuitbuis de methode voor het uit- en inbouwen van de bescherming van de hoofdinspuitbuis (zie hoofdstuk 13B Dieselinspuitsysteem "Bescherming hoofdinspuitbuis"). Bij alle werkzaamheden aan de bescherming van de hoofdinspuitbuis, moet u na het monteren van de onderdelen van het systeem erop letten dat zij goed zijn geplaatst (zie het hoofdstuk "Bescherming van de hoofdinspuitbuis"). Het niet naleven van deze voorschriften kan ernstige gevolgen hebben. Ga verder te werk in omgekeerde volgorde van het uitbouwen. Gooi de zak met gebruikte doppen weg. Vul het circuit met brandstof door het contact enkele keren aan te zetten, of laat de lagedrukpomp draaien met het diagnoseapparaat in het menu "Commando's van de actuators". Voordat u de motor start, wist u met het diagnoseapparaat de eventueel in het geheugen van de rekeneenheid opgeslagen storingen. Na iedere reparatie, controleert u of er geen brandstoflekkage is. Ga als volgt te werk: laat de motor stationair draaien tot de koelventilateur inschakelt, geef en paar keer onbelast gas, maak een proefrit, zet het contact af en controleer of er nergens brandstoflekkage is, controleer of de absorberende geluiddemping niet nat is door brandstof. 13B-63

276 MOTOR P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Hoofdinspuitbuis 13B ALLE UITGEBOUWDE HOGEDRUKLEIDINGEN MOETEN ALTIJD WORDEN VERVANGEN. ONMISBAAR SPECIAAL GEREEDSCHAP Mot Uitbouwgereedschap voor de hogedrukleidingen ONMISBAAR MATERIAAL "Lichte" momentsleutel Opzetsleutel voor het vastzetten van de hogedrukleiding (bijvoorbeeld sleutel "Crowfoot 19-17" van Facom). Opzetsleutel voor het vastzetten van de hogedrukleiding (bijvoorbeeld sleutel "Crowfoot 18-17" van Facom). AANTREKKOPPELS (in dan.m) Wartels van hogedrukleidingen 3,5 Bout van flens van hogedrukleidingen 0,9 Bevestigingsbouten hoofdinspuitbuis 2,1 Wartel drukbegrenzer 2 Bevestigingen flenzen hogedrukleidingen 0,9 Bevestiging van uitgaande hogedrukleiding op het voorste spruitstuk 2,1 LET OP: Voor iedere reparatie, sluit u het diagnoseapparaat aan en opent u de communicatie met de rekeneenheid van het inspuitsysteem en controleert u of er geen druk meer is in de hoofdinspuitbuis. Wacht tot de brandstof is afgekoeld. Bestel de set met speciale afsluitdoppen voor het hogedruk inspuitsysteem. 13B-64

277 MOTOR P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Hoofdinspuitbuis 13B UITBOUWEN HOUD U STIPT AAN DE VOORSCHRIFTEN INZAKE EEN SCHONE WERKOMGEVING N.B.: alle uitgebouwde hogedrukleidingen moeten altijd worden vervangen. Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Maak de massakabel van de accu los. Maak de brandstofaanvoerleidingen vrij op de pendelophanging. Verwijder het geheel pendelkap-uitslagbegrenzer. Plaats het motorsteungereedschap Mot Maak de brandstofaanvoer- en retourleidingen (1) los bij de flens en sluit de openingen af met de doppen uit het magazijn. Bouw de inlaatluchtverdeler uit (zie hoofdstuk 12B Inlaatspruitstuk - smoorklephuis "Inlaatluchtverdeler"). 13B-65

278 MOTOR P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Hoofdinspuitbuis 13B Maak los: de verschillende stekkers en actuators van de kabelbundel (2) en maak deze vrij naar de zijkant, de carterventilatieslangen op het "T"-stuk (3). Maak de stekker (4) vrij en verwijder de dempingsstang (5). Draai de wartels van de hogedrukleidingen hoofdinspuitbuis-verstuivers los. Draai, indien nodig, de bevestigingsbeugels van de verschillende leidingen los. Bouw uit: de hogedrukleidingen, de twee bevestigingsbouten van balg van de turbodrukregeling en maak deze vrij naar de zijkant. 13B-66

279 MOTOR P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Hoofdinspuitbuis 13B Draai los: de wartels van de brandstofretourleiding (6) op de drukbegrenzer en de cilinderkop, de wartels van de leiding op de uitgang van de hogedrukpomp (7) tussen tussenwartel en de hoofdinspuitbuis. Bouw de hogedrukslang (7) uit. Draai de bevestigingsbouten los van de hoofdinspuitbuis (8). Maak de hoofdinspuitbuis vrij naar de zijkant. Verwijder het hitteschild op het opname element druk hoofdinspuitbuis. Maak de stekker van het opname element druk los. Verwijder de hoofdinspuitbuis. INBOUWEN N.B.: Verwijder de afsluitdoppen pas op het laatste moment. Vervang alle afdichtingen. Sluit de stekker aan van het opname element druk op de hoofdinspuitbuis. Monteer het hitteschild op het opname element druk. Plaats de hoofdinspuitbuis. Zet de bevestigingsbouten (1) van de hoofdinspuitbuis met de hand vast. Zet leiding van de hogedrukpomp (2) tussen tussenwartel en de hoofdinspuitbuis met de hand vast. Zet vast: de bevestigingen van de hoofdinspuitbuis met een aantrekkoppel van 2,1 dan.m, de wartels van de hogedrukleiding met een aantrekkoppel van 3,5 dan.m te beginnen aan de kant van de hoofdinspuitbuis, de wartel van de drukbegrenzer (3) met een aantrekkoppel van 2 dan.m, de wartel (4) van de retourleiding op de cilinderkop met een aantrekkoppel van 1,6 dan.m. 13B-67

280 MOTOR P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Hoofdinspuitbuis 13B Draai de hoofdinspuitbuis weer een paar slagen los. Zet alle hogedrukleidingen hoofdinspuitbuisverstuivers met de hand vast. Plaats de bevestigingsbeugels van de hogedrukleidingen hoofdinspuitbuis-verstuivers en zet deze vast met een aantrekkoppel van 0,9 dan.m. Zet de bevestigingen van de hoofdinspuitbuis vast met een aantrekkoppel van 2,1 dan.m. N.B.: Zet de hogedrukleidingen een voor een vast. Zet in de voorgeschreven volgorde vast met een aantrekkoppel van 3,5 dan.m: de wartel van de hogedrukleiding op de achterste cilinderrij te beginnen aan de kant van de verstuiver, of de wartel van de hogedrukleiding op de voorste cilinderrij te beginnen aan de kant van de verstuiver, en de wartels van de hogedrukleidingen op de hoofdinspuitbuis. 13B-68

281 MOTOR P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Hoofdinspuitbuis 13B Ga verder te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. Vul het aanvoercircuit brandstof met behulp van de opvoerpomp (peer). Controleer de afdichting van het hogedrukcircuit na de reparatie (zie hoofdstuk 13B "Bijzonderheden"). 13B-69

282 MOTOR P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Hogedrukleidingen 13B ALLE UITGEBOUWDE HOGEDRUKLEIDINGEN MOETEN ALTIJD WORDEN VERVANGEN. DE HOGEDRUKLEIDINGEN KUNNEN AFZONDERLIJK WORDEN VERVANGEN ONMISBAAR SPECIAAL GEREEDSCHAP Mot Uitbouwgereedschap voor de hogedrukleidingen ONMISBAAR MATERIAAL "Lichte" momentsleutel Opzetsleutel voor het vastzetten van de hogedrukleiding (bijvoorbeeld sleutel "Crowfoot 19-17" van Facom). Opzetsleutel voor het vastzetten van de hogedrukleiding (bijvoorbeeld sleutel "Crowfoot 18-17" van Facom). AANTREKKOPPELS (in dan.m) Wartels van hogedrukleidingen 3,5 Bout van flens van hogedrukleidingen 0,9 Bevestiging hogedrukleiding op spruitstuk 2,1 Bevestigingsbouten hoofdinspuitbuis 2,1 LET OP: Voor iedere reparatie, sluit u het diagnoseapparaat aan en opent u de communicatie met de rekeneenheid van het inspuitsysteem en controleert u of er geen druk meer is in de hoofdinspuitbuis. Wacht tot de brandstof is afgekoeld. Bestel de set met speciale afsluitdoppen voor het hogedruk inspuitsysteem. 13B-70

283 MOTOR P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Hogedrukleidingen 13B UITBOUWEN HOUD U STIPT AAN DE VOORSCHRIFTEN INZAKE EEN SCHONE WERKOMGEVING N.B.: de uitgebouwde hogedrukleiding kunnen afzonderlijk worden vervangen alle uitgebouwde hogedrukleidingen moeten altijd worden vervangen. Bouw de inlaatluchtverdeler uit (zie hoofdstuk 12B Spruitstuk - smoorklephuis "Inlaatluchtverdeler"). Maak los: de verschillende stekkers en actuators van de kabelbundel (1) en maak deze vrij naar de zijkant, de carterventilatieslang los op het "T"-stuk, de slang (2) en daarna de koelslang (3). Maak deze vrij naar de zijkant. 13B-71

284 MOTOR P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Hogedrukleidingen 13B Leidingen hoofdinspuitbuis/verstuivers Draai de wartels van de hogedrukleidingen los. Draai, indien nodig, de bevestigingsbeugels van de verschillende leidingen los. Zet de wartels van de leiding (1) tussen de pomp en de tussenwartel op het inlaatspruitstuk vast met een aantrekkoppel van 3,5 dan.m, te beginnen met de tussenwartel en daarna bij de pomp. Bouw de hogedrukleidingen uit. Sluit de openingen af met schone doppen. Leidingen pomp-hoofdinspuitbuis Bouw uit: de hoofdinspuitbuis (zie hoofdstuk 13B "hoofdinspuitbuis"), het geheel EGR-klep - warmtewisselaar (zie hoofdstuk 12A Inlaatspruitstuk - smoorklephuis "EGR-klep - Warmtewisselaar"), Verwijder de hogedrukleiding (1) tussen de inspuitpomp en de tussenwartel op het inlaatspruitstuk. INBOUWEN N.B.: Verwijder de afsluitdoppen pas op het laatste moment. Leidingen pomp-hoofdinspuitbuis Zet de hogedrukleiding tussen de inspuitpomp en de tussenwartel op het inlaatspruitstuk met de hand vast. Monteer het geheel EGR-klep - warmtewisselaar (zie hoofdstuk 12A Inlaatspruitstuk - smoorklephuis "EGR-klep - Warmtewisselaar"). Plaats de hoofdinspuitbuis. Ga als volgt te werk: sluit de stekker aan van het opname element druk, plaats het hitteschild, zet de bevestigingsbouten met de hand vast. Zet de leiding van de hogedrukpomp tussen tussenwartel en hoofdinspuitbuis met de hand vast. 13B-72

285 MOTOR P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Hogedrukleidingen 13B Zet vast: de bevestigingen (2) van de hoofdinspuitbuis met een aantrekkoppel van 2,1 dan.m, de wartels van de hogedrukleiding (3) met een aantrekkoppel van 3,5 dan.m te beginnen aan de kant van de hoofdinspuitbuis, de wartel van de drukbegrenzer (4) met een aantrekkoppel van 2 dan.m. N.B.: Zet de hogedrukleidingen een voor een vast. Leidingen hoofdinspuitbuis/verstuiver Zet in de voorgeschreven volgorde vast met een aantrekkoppel van 3,5 dan.m: de wartel van de hogedrukleiding op de achterste cilinderrij te beginnen aan de kant van de verstuiver, of de wartel van de hogedrukleiding op de voorste cilinderrij te beginnen aan de kant van de verstuiver, Draai de hoofdinspuitbuis een paar slagen los. Zet alle hogedrukleidingen hoofdinspuitbuisverstuivers met de hand vast. Plaats de bevestigingsbeugels (5) van de hogedrukleidingen hoofdinspuitbuis-verstuivers en zet deze vast met een aantrekkoppel van 0,9 dan.m. Zet de bevestiging van de hoofdinspuitbuis vast met een aantrekkoppel van 2,1 dan.m. 13B-73

286 MOTOR P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Hogedrukleidingen 13B en de wartels van de hogedrukleidingen op de hoofdinspuitbuis. Ga verder te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. Vul het aanvoercircuit brandstof met behulp van de opvoerpomp (peer). Controleer de afdichting van het hogedrukcircuit na de reparatie (zie hoofdstuk 13B "Bijzonderheden"). 13B-74

287 MOTOR G9T DIESELINSPUITSYSTEEM Opname element druk 13B ONMISBAAR SPECIAAL GEREEDSCHAP Mot Uitbouwgereedschap van de lambda sondes AANTREKKOPPELS (in dan.m) Opname element druk 3,5±0,5 LET OP: voor iedere reparatie, sluit u het diagnoseapparaat aan en opent u de communicatie met de rekeneenheid van het inspuitsysteem en controleert u of er geen druk meer is in de hoofdinspuitbuis. Houd rekening met de temperatuur van de brandstof. Bestel de set met speciale afsluitdoppen voor het hogedruk inspuitsysteem. HOUD U STIPT AAN DE VOORSCHRIFTEN INZAKE EEN SCHONE WERKOMGEVING UITBOUWEN Maak de massakabel van de accu los. Maak de zijschotten los van de rubber slab. INBOUWEN Vervang de afdichting. Verwijder de afsluitdoppen. Zet het opname element met het voorgeschreven aantrekkoppel vast. Sluit de stekker aan van het opname element. Raadpleeg voor het inbouwen van de bescherming van de hoofdinspuitbuis de methode voor het uit- en inbouwen van de bescherming van de hoofdinspuitbuis (zie hoofdstuk 13B Dieselinspuitsysteem "Bescherming hoofdinspuitbuis"). Na iedere reparatie, controleert u of er geen brandstoflekkage is. Ga als volgt te werk: laat de motor stationair draaien tot de koelventilateur inschakelt, geef en paar keer onbelast gas, maak een proefrit, zet het contact af en controleer of er nergens brandstoflekkage is, controleer of de absorberende geluiddemping niet nat is door brandstof. Maak het kleppendeksel los en druk de slab zo veel mogelijk naar achteren. Maak de stekker van het opname element druk los. Draai het opname element druk los met behulp van Mot Verwijder het opname element druk. Sluit de openingen af met schone doppen. 13B-75

288 MOTOR P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Opname element brandstofdruk 13B Het opname element druk (1) kan worden gescheiden van de hoofdinspuitbuis. Als het opname element brandstofdruk defect is, moet de hoofdinspuitbuis worden uitgebouwd (zie hoofdstuk 13B "Hoofdinspuitbuis"). 13B-76

289 MOTOR G9T DIESELINSPUITSYSTEEM Drukregelaar 13B AANTREKKOPPELS (in dan.m) Drukregelaar 0,6 LET OP: Voor iedere reparatie, sluit u het diagnoseapparaat aan en opent u de communicatie met de rekeneenheid van het inspuitsysteem en controleert u of er geen druk meer is in de hoofdinspuitbuis. Maak de brandstofaanvoerleiding(5) los van de hogedrukpomp. Sluit de openingen af met schone doppen. Verwijder de bevestigingsbeugel (6) van de brandstofaanvoerleiding. Houd rekening met de temperatuur van de brandstof. Bestel de set met speciale afsluitdoppen voor het hogedruk inspuitsysteem. HOUD U STIPT AAN DE VOORSCHRIFTEN INZAKE EEN SCHONE WERKOMGEVING UITBOUWEN Maak los: de stekker (1) van de brandstofverwarming, het opname element van de stand (2), het opname element brandstoftemperatuur (3), de stekker van de drukregelaar (4). Druk de bedrading opzij. 13B-77

290 MOTOR G9T DIESELINSPUITSYSTEEM Drukregelaar 13B UITBOUWEN INBOUWEN Blaas de zone schoon rondom de brandstofdrukregelaar. Reinig de zone met remmenreiniger. Bouw uit: de drie bevestigingsbouten (7) van de brandstofdrukregelaar, de brandstofdrukregelaar met de hand (gebruik geen gereedschap als hefboom). Voorbereiden van de nieuwe regelaar: verwijder de beschermdop en controleer de stand van de afdichtingen, smeer de O-ringen met schone brandstof. N.B.: De smering is van groot belang om lekkage te voorkomen. druk de regelaar voorzichtig met een licht draaiende beweging op zijn plaats, span de drie nieuwe bouten voor met 0,3 dan.m en zet ze daarna vast met 0,6 dan.m met behulp van een momentsleutel, reinig de zone met een schoonmaakdoek. Ga bij het inbouwen verder te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. Voordat u de motor start, wist u met het diagnoseapparaat de eventueel in het geheugen van de rekeneenheid opgeslagen storingen. Reinig het raakvlak van de brandstofdrukregelaar op de hogedrukpomp en maak het droog zonder dat er vuil binnendringt Spoel de boring door van de brandstofdrukregelaar door het contact enkele keren aan te zetten, of laat de lagedrukpomp draaien met het diagnoseapparaat in het menu "Commando van de actuators", vang de uitstromende brandstof op. Na iedere reparatie, controleert u of er geen brandstoflekkage is. Ga als volgt te werk: laat de motor stationair draaien tot de koelventilateur inschakelt, geef en paar keer onbelast gas, maak een proefrit, zet het contact af en controleer of er nergens brandstoflekkage is, controleer of de absorberende geluiddemping niet nat is door brandstof. 13B-78

291 MOTOR P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Opname element brandstoftemperatuur 13B ONMISBAAR MATERIAAL "Lichte" momentsleutel AANTREKKOPPELS (in dan.m) Opname element brandstoftemperatuur 2,3 LET OP: Voor iedere reparatie, sluit u het diagnoseapparaat aan en opent u de communicatie met de rekeneenheid van het inspuitsysteem en controleert u of er geen druk meer is in de hoofdinspuitbuis. Wacht tot de brandstof is afgekoeld. 13B-79

292 MOTOR G9T DIESELINSPUITSYSTEEM Bescherming hoofdinspuitbuis 13B ALGEMEEN De negendelige bescherming van de hoofdinspuitbuis vormt de afscheiding tussen het hogedruk inspuitsysteem en de motorruimte. DEZE BESCHERMING VAN DE HOOFDINSPUITBUIS HEEFT EEN BIJZONDERE VEILIGHEIDSFUNCTIE EN VRAAGT EEN SPECIALE AANDACHT BIJ DE MONTAGE. Om zijn veiligheidsfunctie goed te kunnen vervullen, moet de bescherming van de hoofdinspuitbuis bestaan uit: twee absorberende geluidskappen (1), die moeten worden vervangen als zij beschadigd of met dieselolie doordrenkt zijn, een beschermplaat (2) aan de onderkant, vastgezet tussen de hoofdinspuitbuis en de cilinderkop, een afvoerslang voor de brandstof (3), die moeten worden vervangen als hij beschadigd of met dieselolie doordrenkt is, een rubber slab (4), vastgezet aan de beschermplaat en aan het kleppendeksel, twee zijschotten (5), twee bevestigingsklemmetjes van de zijschotten op de rubber slab. Bij alle werkzaamheden aan de bescherming van de hoofdinspuitbuis, moet u na het monteren van de onderdelen van het systeem bijzonder goed erop letten dat zij correct zijn geplaatst. HET NEGEREN VAN DEZE VOORSCHRIFTEN KAN ERNSTIGE GEVOLGEN HEBBEN VOOR DE VEILIGHEID. 13B-80

293 MOTOR G9T DIESELINSPUITSYSTEEM Bescherming hoofdinspuitbuis 13B ONMISBAAR SPECIAAL GEREEDSCHAP Mot Uitbouwgereedschap voor de hogedrukleidingen ONMISBAAR MATERIAAL "Lichte" momentsleutel AANTREKKOPPELS (in dan.m) Moer van hogedrukleidingen 2,5 ± 0,2 Bevestigingsbouten hoofdinspuitbuis 2,3 ± 0,3 Bout flens van leiding pomp/ hoofdinspuitbuis 2,5 ± 0,2 Maak de zijschotten los van de rubber slab. Maak het kleppendeksel los en druk de rubber bescherming aan de bovenkant zo veel mogelijk naar achteren. Verwijder de absorberende geluidkappen. LET OP: Voor iedere reparatie, sluit u het diagnoseapparaat aan en opent u de communicatie met de rekeneenheid van het inspuitsysteem en controleert u of er geen druk meer is in de hoofdinspuitbuis. Houd rekening met de temperatuur van de brandstof. Bestel de set met speciale afsluitdoppen voor het hogedruk inspuitsysteem. HOUD U STIPT AAN DE VOORSCHRIFTEN INZAKE EEN SCHONE WERKOMGEVING UITBOUWEN Maak de massakabel van de accu los. 13B-81

294 MOTOR G9T DIESELINSPUITSYSTEEM Bescherming hoofdinspuitbuis 13B Maak de elektrische aansluitingen los van het opname element druk (1) en van de verstuivers. Draai de bouten (5) van de hoofdinspuitbuis los zonder ze te verwijderen. Bouw uit: de brandstofretourleiding (2) van de verstuivers (vervang hierna de leiding), de hogedrukleiding (3) tussen de hogedrukpomp en de hoofdinspuitbuis, LET OP: het klemmetje (6) op de cilinderkop is bijzonder kwetsbaar, de hogedrukleidingen (4). Sluit de openingen af met schone doppen. LET OP: Bij het losdraaien van de wartels (7) van de hogedrukleidingen op de verstuiverhouders, moet u de bevestigingsmoeren (8) van de filterstelen met een contrasleutel tegenhouden. 13B-82

295 MOTOR G9T DIESELINSPUITSYSTEEM Bescherming hoofdinspuitbuis 13B UITBOUWEN INBOUWEN Maak de brandstofafvoerslang (1) los. Bouw uit: de bevestigingsbout van het zijschot (2), de bevestigingsbout van de beschermplaat aan de onderkant (3), Plaats de rubber slab op de beschermplaat aan de onderkant door aan de vijf rubber einden (4) te trekken. Controleer de juiste plaatsing van de rubber einden. Breng een strook Rhodorseal 5661 aan op de cilinderkop op de plaats die op de tekening is aangegeven met een zwarte streep. de bescherming van de hoofdinspuitbuis met het zijschot, en verwijder daarna het schot van het middelste deel. Maak de rubber slab los van de beschermplaat aan de onderkant. Monteer de complete rubber slab / beschermplaat aan de onderkant op de motor en plaats de bevestigingsbouten (3) van de beschermplaat aan de onderkant. 13B-83

296 MOTOR G9T DIESELINSPUITSYSTEEM Bescherming hoofdinspuitbuis 13B Monteer de hoofdinspuitbuis met zijn schot zonder de bouten van de hoofdinspuitbuis vast te zetten. Verwijder de doppen van de hoofdinspuitbuis, van de verstuiverhouders, van de pomp en van de hogedrukleidingen. Monteer de hogedrukleidingen tussen de hoofdinspuitbuis en de verstuivers, en tussen de pomp en de hoofdinspuitbuis en zet ze met de hand vast tot zijn aanliggen. Monteer het zijschot op de beschermplaat aan de onderkant uitsluitend op de volgende manier: monteer het onderste verbindingsstuk (5), schuif de rubber afronding (6) van het schot op de beschermplaat aan de onderkant, schuif daarna het bovenste deel van het schot over de beschermplaat, Zet vast met een aantrekkoppel van: 2,3 dan.m de drie bevestigingsbouten van de hoofdinspuitbuis, 2,5 dan.m de wartels van de inspuitleidingen bij de verstuivers en de hogedrukpomp, 2,5 dan.m de wartels van de inspuitleidingen bij de hoofdinspuitbuis. Breng Rhodorseal 5661 aan op de cilinderkop op de plaats die op de tekening is aangegeven met een zwart kruis. monteer het bovenste verbindingsstuk (7), monteer de bevestigingsbout (8) van het schot, sluit de brandstofafvoerslang (9) aan en controleer of hij niet verstopt is. als deze in contact is gekomen met brandstof moet hij altijd worden vervangen. 13B-84

297 MOTOR G9T DIESELINSPUITSYSTEEM Bescherming hoofdinspuitbuis 13B Plaats: de absorberende geluidskappen, die moeten worden vervangen als zij beschadigd of met dieselolie doordrenkt zijn. Sluit de verstuivers en het opname element druk van de hoofdinspuitbuis weer aan. Monteer een nieuwe brandstofretourleiding en controleer of de bevestigingsklemmetjes goed geplaatst zijn bij de verstuivers en op het einde van de hoofdinspuitbuis bij de overdrukklep. Vouw de rubber slab naar voren en klem er de zijschotten op vast. Controleer of de knoppen goed vastklemmen bij de schotten en controleer de juiste stand van de randen van de rubber slab. BELANGRIJK: Controleer of de afvoerslang van de brandstof goed is aangesloten, vervang deze als hij in contact is gekomen met brandstof. Controleer de juiste plaats van het merkteken (10) van het schot van de hoofdinspuitbuis (in het hart van de hogedrukuitgangen van de hoofdinspuitbuis). 13B-85

298 MOTOR G9T DIESELINSPUITSYSTEEM Bescherming hoofdinspuitbuis 13B Vul het circuit met brandstof door het contact enkele keren aan te zetten, of laat de lagedrukpomp draaien met het diagnoseapparaat in het menu "Commando's van de actuators". Voordat u de motor start, wist u met het diagnoseapparaat de eventueel in het geheugen van de rekeneenheid opgeslagen storingen. Na iedere reparatie, controleert u of er geen brandstoflekkage is. Klem de rubber slab vast aan het kleppendeksel en aan de motorsteun. Ga als volgt te werk: laat de motor stationair draaien tot de koelventilateur inschakelt, geef en paar keer onbelast gas, maak een proefrit, zet het contact af en controleer of er nergens brandstoflekkage is, controleer of de absorberende geluiddemping niet nat is door brandstof. Controleer of de rubber slab goed is geplaatst op de stiften van het kleppendeksel en op de motorsteun. 13B-86

299 MOTOR G9T - P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Opname element gaspedaal 13B ALGEMEEN Het opname element gaspedaal vormt een geheel met het pedaal. Bij vervanging ervan moet ook het gaspedaal worden vervangen. Er zij twee types pedaal: met of zonder "zwaar punt". Auto's met een snelheidsregelaar / snelheidsbegrenzer, hebben een gaspedaal met een zwaar punt aan het einde van de slag (Kick-down). Met dit punt kan de begrenzerfunctie worden uitgeschakeld als de bestuurder sneller moet rijden. LET OP: Een pedaal met een zwaar punt kan gemonteerd worden in plaats van een pedaal zonder een zwaar punt. Het ie echter niet toegestaan een pedaal zonder een zwaar punt te monteren in plaats van een pedaal met een zwaar punt. UITBOUWEN Aansluitingen Maak de massakabel van de accu los. Bouw uit: maak de stekker (1) los van het gaspedaal, verwijder de drie bevestigingsbouten (2) van het pedaal, verwijder het pedaal. Aansl Massa baan 2 Massa baan 1 Signaal baan 1 Voeding baan 1 Voeding baan 2 Signaal baan 2 Omschrijving INBOUWEN Ga te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. N.B.: Een storing in het opname element gaspedaal veroorzaakt een verandering in het stationair toerental of in de werking van de motor (zie hoofdstuk 13B "Stationair toerentalcorrectie"). 13B-87

300 MOTOR G9T - P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Rekeneenheid 13B ONMISBAAR SPECIAAL GEREEDSCHAP Mot Trekker voor afbreekbouten ALGEMEEN De rekeneenheid van het inspuitsysteem is onder de accubak gemonteerd.' Voor het uitbouwen, moet u de accubak verwijderen die met drie afbreekbouten is vastgezet. Alle types Maak de relais los en vrij naar de zijkant. Bouw de accu uit. UITBOUWEN Verwijder de kappen op de motor. Maak de massakabel van de accu los. MOTOR P9X Maak de stekker los van de luchtdoorstroommeter (1). Maak de carterventilatieslang (2) los. Verwijder de luchtaanzuigslang (3) met de doorstroommeter. Verwijder hiervoor: de twee bevestigingsbouten op de luchtdoorstroommeter, de klemband op de inlaatgeluiddemper en daarna op de turbocompressor. 13B-88

301 MOTOR G9T - P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Rekeneenheid 13B Maak de stekkers los en verwijder de rekeneenheid van de automatische transmissie (indien aanwezig). Verwijder de stekkerhouder op de accubak. de accubak, de bevestigingsbeugel (4) van de kabelbundel, de bevestigingsmoeren (5) van de rekeneenheid, de rekeneenheid door de stekker los te maken. Boor de drie antidiefstalbouten in met behulp van een boortje met een diameter van 5 mm in het hart van de bout. INBOUWEN Bouw uit: de drie bevestigingsbouten van de accubak met behulp van Mot. 1372, Ga te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. Vervang de afbreekbouten door nieuwe afbreekbouten. Voer het inlezen van de startvergrendelingscode uit zoals beschreven is in hoofdstuk 82A "Startvergrendeling". Herstel indien nodig de gesignaleerde storingen en wis deze daarna. Controleer de werking van de auto. 13B-89

302 MOTOR P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Vermogensrekeneenheid 13B UITBOUWEN Verwijder de kappen op de motor. Maak de relais los en vrij naar de zijkant. Bouw de accu uit. Maak los: de accu, de stekker van de luchtdoorstroommeter (1), de carterventilatieslang (2). Verwijder de luchtaanzuigslang (3) met de doorstroommeter. Verwijder hiervoor: de twee bevestigingsbouten op de luchtdoorstroommeter, de klemband op de inlaatgeluiddemper en daarna op de turbocompressor. Maak de stekkerhouder (4) vrij naar de zijkant. Bouw uit: het luchtfilterhuis (5), 13B-90

303 MOTOR P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Vermogensrekeneenheid 13B de vermogensrekeneenheid (6) door de stekker los te maken. INBOUWEN Ga te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. Zet het contact aan en lees de storingscodes af met behulp van het diagnoseapparaat. Herstel indien nodig de gesignaleerde storingen en wis deze daarna. Controleer de werking van de auto. 13B-91

304 MOTOR G9T DIESELINSPUITSYSTEEM Waarschuwingslampje inspuitsysteem 13B Auto's met common rail hogedruk inspuiting hebben een controlelampje voor de voorverwarming, twee waarschuwingslampjes voor het inspuitsysteem en een waarschuwingslampje voor de koelvloeistoftemperatuur op het instrumentenpaneel. Het controlelampje voorverwarming, gesymboliseerd door een oranje spoel, wordt vergezeld door de boodschap "voorverwarming diesel". Het waarschuwingslampje inspuiting prioriteit 1, gesymboliseerd door een oranje sinusoïde, wordt vergezeld door de boodschap "storing inspuiting". Het waarschuwingslampje inspuiting prioriteit 2, gesymboliseerd door een rode motor met de vermelding "stop", wordt vergezeld door de boodschap "contact uitzetten". Het waarschuwingslampje koelvloeistoftemperatuur, gesymboliseerd door een rode thermometer, wordt vergezeld door de boodschap "koelvloeistoftemperatuur". WERKINGSPRINCIPE VAN DE LAMPJES Bij het aanzetten van het contact, brandt het voorverwarmingslampje tijdens de voorverwarmingsfase en gaat daarna uit (zie hoofdstuk 13C "Regeling voor- en naverwarming"). Bij een storing van het inspuitsysteem (prioriteit 1), gaat het waarschuwingslampje "storing inspuitsysteem" branden en moet de gebruiker een Renault-dealer raadplegen. Deze storingen zijn: interne storing in de rekeneenheid, storing startvergrendeling, storing synchronisatie toerental, storing opname element gaspedaal, storing luchtdoorstroommeter, storing opname element snelheid (zie ABS), storing EGR-klep, storing elektroklep turbodrukregeling, storing hoofdrelais, storing sleutel na contact, storing verstuiver, storing verstuivercorrectie (IMA), storing voeding opname elementen, storing inlaatklep, storing turbulentieklep. Bij een storing van de inspuiting (prioriteit (2), gaat het waarschuwingslampje "contact uitzetten" branden, in dit geval moet de motor direct worden stilgezet. Deze storingen zijn: interne storing in de rekeneenheid, storing verstuiver, storing opname element brandstofdruk, storing brandstofdrukregelaar, storing synchronisatie toerental. Als de motor te heet is geworden gaat het waarschuwingslampje koelvloeistoftemperatuur branden. 13B-92

305 MOTOR P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Waarschuwingslampje inspuitsysteem 13B Auto's met common rail hogedruk inspuiting hebben symbolen voor storingen en geschreven berichten op een display in het instrumentenpaneel. WERKINGSPRINCIPE VAN DE LAMPJES Bij het aanzetten van het contact, verschijnt het voorverwarmingslampje tijdens de voorverwarmingsfase en verdwijnt daarna (zie hoofdstuk 13 "Regeling voor- en naverwarming"). Bij een storing van het inspuitsysteem (prioriteit 1), verschijnt het oranje symbool (in de vorm van een sinusoïdale kromme) met de woorden "INSPUITING DEFECT" gevolgd door het woord "SERVICE". De spraakmaker, indien aanwezig, geeft de melding "Storing inspuitsysteem prioriteit 1". Deze storingen zijn: storing luchtdoorstroommeter, storing opname element stand van de wastegate, storing opname element koelvloeistoftemperatuur, storing opname element brandstofdruk, storing opname element atmosferische druk, storing opname element turbodruk, storing opname element gaspedaal, storing opname element vliegwiel, storing opname element cilinderherkenning, storing EGR-klep, storing voedingsspanning navoedingsrelais inspuitsysteem, storing elektroklep turbodrukregeling, storing brandstofdrukregelaars, storing verstuivers, storing vermogensrekeneenheid, storing rekeneenheid inspuitsysteem. Bij een storing van het inspuitsysteem (prioriteit 2), verschijnt het rode symbool (in de vorm van een motor en het woord "STOP") met de woorden "CONTACT UITZETTEN" gevolgd door het woord "STOP". De spraakmaker, indien aanwezig, geeft de melding "Storing inspuitsysteem prioriteit 2". In dit geval moet de motor direct stilgezet worden. Deze storingen zijn: storing samenhang signaal opname element vliegwiel en opname element cilinderherkenning, storing voedingsspanning navoedingsrelais inspuitsysteem, storing voeding van de rekeneenheid, storing brandstofdrukregelaars, storing verstuivers, storing vermogensrekeneenheid, storing rekeneenheid inspuitsysteem. Als de motor te heet is geworden, verschijnt het symbool van de storing motortemperatuur op het display met het woord "KOELVLOEISTOFTEMPERATUUR" gevolgd door het woord "STOP". In dit geval moet de motor direct stilgezet worden. N.B.: Het oranje lampje OBD (On Board Diagnostic) (gesymboliseerd door een motor), brandt even bij het aanzetten van het contact, brandt nooit bij draaiende motor. 13B-93

306 MOTOR G9T - P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Startvergrendeling 13B Deze auto heeft een startvergrendeling van de 3 e generatie, dat wordt aangestuurd door een herkenningssysteem van de RENAULT-kaart met continu variabele code, waardoor er een speciale methode gevolgd moet worden voor het vervangen van de rekeneenheid. VERVANGEN VAN DE REKENEENHEID INSPUITSYSTEEM Zie hoofdstuk 13B Inspuitsysteem "Rekeneenheid" voor de methode voor het uitbouwen-inbouwen van de rekeneenheid. Zie hoofdstuk 82A "Startvergrendeling" voor de functies van de startvergrendeling. De rekeneenheden worden ongecodeerd geleverd, maar in alle rekeneenheden kan een code worden ingelezen. Na het vervangen van een rekeneenheid moet u de code van de auto inlezen in de nieuwe rekeneenheid en vervolgens controleren of de startvergrendeling correct werkt. Hiertoe zet u het contact enkele secondes aan en haalt u vervolgens de sleutel uit het contactslot. De startvergrendeling schakelt na ongeveer 10 secondes in (het rode startvergrendelingslampje knippert). LET OP: Bij dit type startvergrendeling blijft de rekeneenheid levenslang gecodeerd. Ook heeft dit systeem geen noodcode. Het is daarom verboden tests uit te voeren met een uit een andere auto of uit het magazijn geleende rekeneenheid. Deze kunnen niet meer worden gedecodeerd. 13B-94

307 MOTOR G9T DIESELINSPUITSYSTEEM Strategie inspuitsysteem - Airconditioning 13B DE AIRCOCOMPRESSOR HEEFT EEN VARIABELE CILINDERINHOUD VERBINDING AIRCONDITIONING / REKENEENHEID INSPUITSYSTEEM De rekeneenheid van de inspuiting stuurt rechtstreeks de compressorkoppeling en houdt daarbij rekening met het door de compressor opgenomen vermogen en de druk van het koelmiddel in het circuit. De informatie die nodig is voor de werking van de airconditioning wordt uitgewisseld via het multiplexnetwerk: aansluiting A A4 multiplexverbinding CAN L (Interieur), aansluiting A B4 multiplexverbinding CAN H (Interieur). Bij het indrukken van de schakelaar van de airconditioning, vraagt de bedieningseenheid van de airconditioning om inschakeling van de aircokoppeling. De rekeneenheid van het inspuitsysteem geeft wel of geen toestemming voor de werking van de aircokoppeling, stuurt de rekeneenheid van het inspuitsysteem de koelventilateur aan. Als de werking van de airconditioning is geselecteerd, wordt het stationair toerental niet veranderd. STRATEGIE VOOR HET INSCHAKELEN VAN DE COMPRESSOR Onder bepaalde werkomstandigheden, kan de rekeneenheid van het inspuitsysteem middels de rekeneenheid van de airconditioning, het inschakelen van de aircocompressor tegengaan. Strategie bij het starten van de motor De compressor werkt niet na het starten van de motor gedurende een vertraging tussen 2 secondes en 8 secondes. Behoud van vermogen Als het gaspedaal diep wordt ingedrukt, terwijl het toerental van de motor minder is dan 3000 tr/min, en als de rijsnelheid lager is dan 110 km/u, wordt de compressor uitgeschakeld. Bij wegrijden met veel gas Als de stand van de potentiometer hoger is dan 46 %, als het motortoerental minder is dan 2250 tr/min, en als de rijsnelheid lager is dan 20 km/u, (in de 1 e versnelling), wordt de compressor onderbroken. Beveiliging tegen afslaan Bij gas los, met een motortoerental van minder dan 675 tr/min, wordt de compressor ontkoppeld. Hij wordt weer ingekoppeld als het toerental hoger wordt. Strategie tegen oververhitting De compressor wordt niet ingeschakeld als de koelvloeistoftemperatuur hoger is dan 110 C. 13B-95

308 MOTOR P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Strategie inspuitsysteem - Airconditioning 13B VERBINDING REKENEENHEID INSPUITSYSTEEM - REKENEENHEID AIRCONDITIONING De aircocompressor heeft een variabele cilinderinhoud. Afhankelijk van de informatie die afkomstig is van de rekeneenheid van de airconditioning en de bedrijfsomstandigheden van de motor, geeft de rekeneenheid van het inspuitsysteem wel of geen toestemming voor de werking van de aircokoppeling. De informatie die nodig is voor de werking wordt uitgewisseld via het multiplexnetwerk: aansluiting A 67 multiplexverbinding CAN H, aansluiting A 48 multiplexverbinding CAN L. Bij het indrukken van de schakelaar van de airconditioning, vraagt het bedieningspaneel van de airconditioning om inschakeling van de aircokoppeling. De rekeneenheid van het inspuitsysteem geeft wel of geen toestemming voor de werking van de aircokoppeling, stuurt de rekeneenheid van het inspuitsysteem aan en zorgt voor een verhoogd stationair toerental. Dit toerental is 750 tr/min. STRATEGIE VOOR HET INSCHAKELEN VAN DE COMPRESSOR Onder bepaalde werkomstandigheden, kan de rekeneenheid van het inspuitsysteem middels de rekeneenheid van de airconditioning, het inschakelen van de aircocompressor tegengaan. Strategie bij het starten van de motor De aircocompressor wordt 1 seconde na het starten van de motor niet ingeschakeld. Behoud van vermogen Bij het diep indrukken van het gaspedaal en als het toerental van de motor lager is dan 4000 tr/min, dan wordt de werking van de compressor onderbroken gedurende 4,5 secondes. Strategie tegen oververhitting De compressor wordt niet ingeschakeld als de koelvloeistoftemperatuur hoger is dan 113 C. 13B-96

309 MOTOR G9T DIESELINSPUITSYSTEEM Correctie stationair toerental 13B STATIONAIR TOERENTALCORRECTIE AFHANKELIJK VAN DE KOELVLOEISTOFTEMPERATUUR In alle gevallen, schakelt deze correctie van het stationair toerental 3 minuten na het starten van de motor uit. X: Motortoerental in tr/min Y: Koelvloeistoftemperatuur in C CORRECTIE VAN HET STATIONAIR TOERENTAL BIJ EEN STORING AAN HET OPNAME ELEMENT GASPEDAAL Als de twee banen van het opname element gaspedaal defect zijn, wordt het stationair toerental vastgehouden op 1200 tr/min. Als de informatie van het opname element gaspedaalstand niet samenhangt met de informatie van het rempedaalcontact, wordt het toerental gebracht op 1250 tr/min. CORRECTIE VAN HET GAS LOS TOERENTAL BIJ RIJDENDE AUTO Het toerental bij gas los is 850 tr/min, als de snelheid hoger is dan 2,5 km/u. 13B-97

310 MOTOR P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Correctie stationair toerental 13B STATIONAIR TOERENTALCORRECTIE AFHANKELIJK VAN DE KOELVLOEISTOFTEMPERATUUR VERHOOGD STATIONAIR TOERENTAL BIJ LAGE ACCUSPANNING Met deze correctie wordt een eventuele spanningsval gecompenseerd, ontstaan door het inschakelen van de achterruitverwarming. X: Motortoerental in tr/min Y: Koelvloeistoftemperatuur in C A : zonder airconditioning B : met airconditioning X: Motortoerental in tr/min Y : Accuspanning in volt STATIONAIR TOERENTALCORRECTIE BIJ EEN STORING IN HET OPNAME ELEMENT PEDAAL Als het opname element gaspedaal defect is, wordt het stationair toerental vastgehouden op 1000 tr/min. Als de informatie van het opname element gaspedaalstand niet samenhangt met de informatie van het rempedaalcontact, wordt het toerental gebracht op 1000 tr/min. STATIONAIR TOERENTALCORRECTIE AFHANKELIJK VAN EEN STORING VAN EEN COMPONENT Bij een storing, kortsluiting of onsamenhangend signaal, van een component van de motorregeling, wordt het stationair toerental gebracht op 1000 tr/min (zie werkplaatshandboek deel Diagnose "Betekenis van de storingen"). 13B-98

311 MOTOR G9T DIESELINSPUITSYSTEEM Koelvloeistofverwarmingselementen 13B De vier koelvloeistofverwarmingselementen bevinden zich in een koelvloeistofhuis op de hijsbeugel van de motor naast de vacuümpomp. Dit systeem wordt gebruikt voor het op temperatuur brengen van de koelvloeistof. De koelvloeistofverwarmingselementen worden via drie relais met 12 V bekrachtigd. Een relais stuurt twee koelvloeistofverwarmingselementen, de twee andere relais sturen elk een koelvloeistofverwarmingselement aan. Op deze manier is het mogelijk een, twee, drie of vier koelvloeistofverwarmingselementen aan te sturen. Werking Als de verwarmingselementen zijn ingeschakeld, wordt het stationair toerental gebracht op 900 tr/min. De verwarmingselementen zijn uitgeschakeld bij: voorverwarming, een motortoerental van minder dan 700 tr/min. Als aan deze voorwaarden is voldaan bepalen de luchttemperatuur en de koelvloeistoftemperatuur het programma voor het bekrachtigen van de verwarmingselementen. De weerstand van de koelvloeistofverwarmingselementen is: 0,45 ± 0,05 Ω bij 20 C. Niet grijze zone: verwarmingselement uit Grijze zone: verwarmingselement bekrachtigd 13B-99

312 MOTOR P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Koelvloeistofverwarmingselementen 13B De vier koelvloeistofverwarmingselementen bevinden zich in een koelvloeistofhuis op de achterste cilinderkop. Dit systeem wordt gebruikt voor het op temperatuur brengen van de koelvloeistof. De koelvloeistofverwarmingselementen worden via drie relais met 12 V bekrachtigd. Een relais stuurt twee koelvloeistofverwarmingselementen, de twee andere relais sturen elk een koelvloeistofverwarmingselement aan. Op deze manier is het mogelijk een, twee, drie of vier koelvloeistofverwarmingselementen aan te sturen. De weerstand van de koelvloeistofverwarmingselementen is: 0,45 ± 0,05 Ω bij 20 C. Werking Als de verwarmingselementen zijn ingeschakeld, wordt het stationair toerental gebracht op 900 tr/min. De verwarmingselementen zijn uitgeschakeld: gedurende 20 secondes na het starten, tijdens de voorverwarming, een motortoerental van minder dan 600 tr/min. Als aan deze voorwaarden is voldaan bepalen de luchttemperatuur en de koelvloeistoftemperatuur het programma voor het bekrachtigen van de verwarmingselementen. Niet grijze zone: verwarmingselement uit Grijze zone: verwarmingselement bekrachtigd 13B-100

313 MOTOR G9T DIESELINSPUITSYSTEEM Koelvloeistofverwarmingselementen 13B STRATEGIE VOOR HET AANSTUREN VAN DE KOELVLOEISTOFVERWARMINGSELEMENTEN Als de accuspanning is > 13,5 V Als dit niet zo is dan Geen voeding koelvloeistofverwarmingselementen Voeding van een verwarmingselement Als na 20 secondes de accuspanning is > 13,5 V Als dit niet zo is dan Geen voeding koelvloeistofverwarmingselementen Voeding van twee koelvloeistofverwarmingselementen Als na 20 secondes de accuspanning is > 13,5 V Als dit niet zo is dan Geen voeding koelvloeistofverwarmingselementen Voeding van drie koelvloeistofverwarmingselementen Als na 20 secondes de accuspanning is > 13,5 V Als dit niet zo is dan Geen voeding koelvloeistofverwarmingselementen Voeding van vier verwarmingselementen zolang de accuspanning > 13,5 V en zolang aan de eerder genoemde omstandigheden wordt voldaan 13B-101

314 MOTOR P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Koelvloeistofverwarmingselementen 13B STRATEGIE VOOR HET AANSTUREN VAN DE KOELVLOEISTOFVERWARMINGSELEMENTEN Als de accuspanning is > 13 V Als dit niet zo is dan Geen voeding van het verwarmingselement Voeding van een verwarmingselement Als na 10 secondes de accuspanning is > 13 V Als dit niet zo is dan Geen voeding van een verwarmingselement Voeding van twee koelvloeistofverwarmingselementen Als na 10 secondes de accuspanning is > 13 V Als dit niet zo is dan Geen voeding van een of twee verwarmingselementen Voeding van twee koelvloeistofverwarmingselementen Als na 10 secondes de accuspanning is > 13 V Als dit niet zo is dan Geen voeding van twee of vier verwarmingselementen Voeding van vier verwarmingselementen zolang de accuspanning > 13 V en zolang aan de eerder genoemde omstandigheden wordt voldaan 13B-102

315 MOTOR G9T DIESELINSPUITSYSTEEM Snelheidsregeling met afstandsregeling 13B ALGEMEEN Met de snelheidsregeling met afstandsregeling: kan de door de bestuurder ingestelde snelheid worden aangehouden, en in het geval van de afstandsregelaar, worden aangepast aan de snelheid van de voorligger. Deze functie kan op ieder moment worden uitgeschakeld door een druk op het rempedaal, koppelingspedaal of door een van de toetsen van het systeem. De snelheidsbegrenzer: geeft de bestuurder de mogelijkheid een maximum snelheid in te stellen. Voorbij deze snelheid is het gaspedaal niet actief. De ingestelde maximum snelheid kan altijd worden overschreden als het gaspedaal wordt ingedrukt voorbij een zwaar punt. Een controlelampje op het instrumentenpaneel informeert de bestuurder over de staat van de spanningsregelaarsnelheidsbegrenzer met afstandsregelaar : Groen lampje: Regelaar ingeschakeld. Oranje lampje: Begrenzer ingeschakeld. knipperend lampje: de ingestelde snelheid kan niet worden vastgehouden (bijvoorbeeld tijdens een afdaling) Voor het besturen van deze functies, ontvangt de rekeneenheid van het inspuitsysteem op aansluiting: A F2: Aan - Uit Snelheidsbegrenzer A D2: Aan - Uit Snelheidsregelaar of afstandsregelaar A B2: Voeding stuurwieltoets A A2: Signaal stuurwieltoets A F3: Ingang remlichtschakelaar openen A E2: Ingang koppelingscontact (afhankelijk van de uitvoering) A E1: Voeding potentiometer 1 van pedaal A H2: Voeding potentiometer 2 van pedaal A B3: Massa potentiometer 1 van pedaal A A3: Massa potentiometer 2 van pedaal A C1: Signaal potentiometer 1 van pedaal A F1: Signaal potentiometer 2 van pedaal A A4: Multiplexverbinding CAN L (interieur) A B4: Multiplexverbinding CAN H (interieur) B A1: Multiplexverbinding CAN H (motor) B B1: Multiplexverbinding CAN L (motor) De informatie die de rekeneenheid van het inspuitsysteem ontvangt op het multiplexnetwerk zijn: De rijsnelheid (ABS). Signaal remlichtschakelaar sluiten (ABS). De ingeschakelde versnelling (automatische transmissie), De rekeneenheid van het inspuitsysteem stuurt naar het multiplexnetwerk: De ingestelde snelheid (regeling of begrenzing) op het instrumentenpaneel. Het branden van het lampje (oranje, groen of knipperend). de informaties voor het overschakelen van de versnellingsbak (afhankelijk van de uitvoering). De rekeneenheid van het inspuitsysteem ontvangt: de informaties van het gaspedaal de informatie van het rempedaalcontact de informatie van het koppelingspedaalcontact de informatie van de aan/uit schakelaar, de informatie van de stuurwieltoetsen de informatie van de rekeneenheid van het ABS de informaties van de rekeneenheid van de automatische transmissie. Met de informaties, stuurt de rekeneenheid van het inspuitsysteem de elektromagnetische verstuivers aan om de ingestelde snelheid vast te houden in het geval van de snelheidsregelaar, aan te passen aan de snelheid van de voorligger in het geval van de afstandsregelaar, en de ingestelde snelheid niet te overschrijden in het geval van de snelheid begrenzer. 13B-103

316 MOTOR P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Snelheidsregeling met afstandsregeling 13B ALGEMEEN Met de snelheidsregeling met afstandsregeling: kan de door de bestuurder ingestelde snelheid worden aangehouden, en in het geval van de afstandsregelaar, worden aangepast aan de snelheid van de voorligger. Deze functie kan op ieder moment worden uitgeschakeld door een druk op het rempedaal, of door een van de toetsen van het systeem. De snelheidsbegrenzer: geeft de bestuurder de mogelijkheid een maximum snelheid in te stellen. Voorbij deze snelheid is het gaspedaal niet actief. De ingestelde maximum snelheid kan altijd worden overschreden als het gaspedaal wordt ingedrukt voorbij een zwaar punt. Een controlelampje op het instrumentenpaneel informeert de bestuurder over de staat van de spanningsregelaarsnelheidsbegrenzer met afstandsregelaar : Groen lampje: Regelaar ingeschakeld. Oranje lampje: Begrenzer ingeschakeld. knipperend lampje: de ingestelde snelheid kan niet worden vastgehouden (bijvoorbeeld tijdens een afdaling) Voor het besturen van deze functies, ontvangt de rekeneenheid van het inspuitsysteem op aansluiting: A 23: Aan - Uit snelheidsbegrenzer A 81: Aan - Uit Snelheidsregelaar of afstandsregelaar A 11: Massa stuurwieltoets A 10: Signaal stuurwieltoets A 21: Ingang remlichtschakelaar openen A 7: Voeding opname element gaspedaal 1 A 26: Voeding opname element gaspedaal 2 A 31: Massa opname element gaspedaal 1 A 11: Massa opname element gaspedaal 2 A 27: Signaal opname element gaspedaal 1 A 8: Signaal opname element gaspedaal 2 A 48: Multiplexverbinding CAN L A 67: Multiplexverbinding CAN H De rekeneenheid van het inspuitsysteem stuurt naar het multiplexnetwerk: De ingestelde snelheid (regeling of begrenzing) op het instrumentenpaneel. Het branden van het lampje (oranje, groen of knipperend). de informaties voor het overschakelen van de versnellingsbak (afhankelijk van de uitvoering). De rekeneenheid van het inspuitsysteem ontvangt: de informaties van het gaspedaal de informatie van het rempedaalcontact de informaties van de aan / uit schakelaar de informatie van de stuurwieltoetsen de informatie van de rekeneenheid van het ABS de informaties van de rekeneenheid van de automatische transmissie. De informatie die de rekeneenheid van het inspuitsysteem ontvangt op het multiplexnetwerk zijn: De rijsnelheid (ABS). Signaal remlichtschakelaar sluiten (ABS). De ingeschakelde versnelling (automatische transmissie), Met de informaties, stuurt de rekeneenheid van het inspuitsysteem de elektromagnetische verstuivers aan om de ingestelde snelheid vast te houden in het geval van de snelheidsregelaar, aan te passen aan de snelheid van de voorligger in het geval van de afstandsregelaar, en de ingestelde snelheid niet te overschrijden in het geval van de snelheid begrenzer. 13B-104

317 MOTOR G9T - P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Snelheidsregeling met afstandsregeling 13B WERKING VAN DE SNELHEIDSREGELAAR Beginvoorwaarden schakelaar op "snelheidsregelaar" versnellingsbak in > 2 e versnelling rijsnelheid 30 km/u minimum, 200 km/u maximum (ter informatie) lampje regelaar brandt (groen) druk op "+", "-" of "resumé" (hervat) Eindvoorwaarden druk op gaspedaal (tijdelijk uit) druk op rempedaal of koppelingspedaal druk op "0" schakelaar op "uit" ingreep door het elektronisch stabiliteits programma (ESP) WERKING VAN DE SNELHEIDSBEGRENZER Beginvoorwaarden schakelaar op "snelheidsbegrenzer" versnellingsbak in > 2 e versnelling rijsnelheid 30 km/u minimum, 200 km/u maximum (ter informatie) lampje begrenzer brandt (oranje) druk op "+", "-" of "resumé" (hervat) Eindvoorwaarden druk op gaspedaal (voorbij zwaar punt) lange druk op rempedaal druk op "0" schakelaar op "uit" ingreep door het elektronisch stabiliteits programma (ESP) WERKING VAN DE AFSTANDSREGELAAR Beginvoorwaarden schakelaar op "afstandsregelaar" rijsnelheid 50 km/u minimum, 180 km/u maximum (ter informatie) lampje regelaar brandt (groen) druk op "+", "-" of "resumé" (hervat) Eindvoorwaarden druk op gaspedaal (tijdelijk uit) druk op rempedaal druk op "0" schakelaar op "uit" ingreep door het elektronisch stabiliteits programma (ESP) rijsnelheid lager dan 30 km/u N.B.: Als het lampje knippert kan de ingestelde snelheid niet worden vastgehouden. Noodprogramma Bij een defect of storing in: Het ESP, het inspuitsysteem, het ABS. De systemen van de snelheidsbegrenzer, de snelheidsregelaar en de afstandsregelaar zijn niet langer actief. 13B-105

318 MOTOR G9T DIESELINSPUITSYSTEEM Centrale koelvloeistoftemperatuurregeling 13B WERKING De rekeneenheid stuurt afhankelijk van de temperatuur van de koelvloeistof: het inspuitsysteem, het relais van de koelventilateur: de koelventilateur wordt met de lage snelheid aangestuurd als de koelvloeistof warmer is dan 99 C en wordt weer uitgeschakeld zodra de temperatuur lager is dan 95 C, de koelventilateur wordt met de hoge snelheid aangestuurd als de koelvloeistof warmer is dan 102 C en wordt weer uitgeschakeld zodra de temperatuur lager is dan 99 C, de koelventilateur kan worden aangestuurd (met lage snelheid) voor de airconditioning. Het opname element koelvloeistoftemperatuur (1) (inspuitsysteem en koelvloeistoftemperatuur op instrumentenpaneel) is een sensor met drie aansluitingen. Twee aansluitingen voor de informatie van de koelvloeistoftemperatuur naar de rekeneenheid (aansluitingen B E1 en B K3) en een aansluiting voor de meter op het instrumentenpaneel. Bij dit systeem wordt de werking van de koelventilateur geregeld door de rekeneenheid van het inspuitsysteem. Het systeem is voorzien van een enkele koelvloeistoftemperatuurzender voor het inspuitsysteem, de koelventilateur en het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel. WAARSCHUWINGSLAMPJE KOELVLOEISTOFTEMPERATUUR Het lampje wordt aangestuurd door de rekeneenheid van het inspuitsysteem via het multiplexnetwerk. Het wordt aangestuurd als de koelvloeistoftemperatuur hoger is dan 120 C en dooft als de temperatuur lager is dan 115 C. 13B-106

319 MOTOR P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Centrale koelvloeistoftemperatuurregeling 13B WERKING De rekeneenheid stuurt afhankelijk van de temperatuur van de koelvloeistof: het inspuitsysteem, de relais van de ventilateurmotor: de koelventilateur wordt met de lage snelheid aangestuurd als de koelvloeistof warmer is dan 99 C en wordt weer uitgeschakeld zodra de temperatuur lager is dan 96 C, de koelventilateur wordt met de hoge snelheid aangestuurd als de koelvloeistof warmer is dan 102 C en wordt weer uitgeschakeld zodra de temperatuur lager is dan 99 C, de ventilateurmotor kan worden aangestuurd voor de airconditioning. De koelvloeistoftemperatuurzender (244) voor instrumentenpaneel en inspuitsysteem Bij dit systeem wordt de werking van de koelventilateur geregeld door de rekeneenheid van het inspuitsysteem. Het systeem is voorzien van een enkele koelvloeistoftemperatuurzender voor het inspuitsysteem, de koelventilateur en het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel. WAARSCHUWINGSLAMPJE KOELVLOEISTOFTEMPERATUUR (gemeenschappelijk met het waarschuwingslampje inspuitsysteem) Het lampje wordt aangestuurd door de rekeneenheid van het inspuitsysteem via het multiplexnetwerk. Het wordt aangestuurd als de koelvloeistoftemperatuur hoger is dan 120 C en dooft als de temperatuur lager is dan 117 C. De informatie van de koelvloeistoftemperatuur wordt door de rekeneenheid van het inspuitsysteem via het multiplexnetwerk overgebracht naar het instrumentenpaneel. 13B-107

320 MOTOR P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Antidampbelsysteem 13B WERKINGSPRINCIPE Het antidampbelsysteem wordt direct aangestuurd door de rekeneenheid van het inspuitsysteem. De informatie van de koelvloeistoftemperatuur is afkomstig van het opname element koelvloeistoftemperatuur van het inspuitsysteem (zie hoofdstuk 13B "Centrale koelvloeistoftemperatuurregeling"). Na het uitzetten van het contact, schakelt de inspuitrekeneenheid standby gedurende 2 minuten. Als de temperatuur van de koelvloeistof in de motor hoger wordt dan 112 C, wordt het relais van de lage ventilateursnelheid aangestuurd. Als de temperatuur weer lager is dan 105 C, wordt het relais van de ventilateurmotor uitgeschakeld (de ventilateur draait nooit langer dan 10 minuten). 13B-108

321 MOTOR G9T DIESELINSPUITSYSTEEM Aansluitingen rekeneenheid INGANGEN EN UITGANGEN VAN DE INSPUITREKENEENHEID STEKKER A (grijs) 13B A2 A3 A4 B2 B3 B4 C1 C3 D2 E1 E2 F1 F2 F3 H Signaal schakelaars snelheidsregelaar/begrenzer Massa opname element gaspedaal (baan 2) MULTIPLEXVERBINDING CAN L huis met hulporganen interieur Voeding schakelaars snelheidsregelaar/begrenzer Massa opname element gaspedaal (baan 1) MULTIPLEXVERBINDING CAN H huis met hulporganen interieur Signaal opname element gaspedaal (baan 1) Diagnose Aan/Uit snelheidsregelaar of afstandsregelaar Voeding opname element gaspedaal (baan 1) Informatie koppelingspedaal Signaal opname element gaspedaal (baan 2) Aan / uit snelheidsbegrenzer Informatie rem (remlichtschakelaar openen) Voeding opname element gaspedaal (baan 2) STEKKER B (bruin) A1 B1 B2 B3 C1 C2 C3 D1 D3 D4 E1 E3 F2 F3 G1 G2 G3 H2 H3 H4 J2 J3 K3 L1 L2 L3 L4 M1 M2 M3 M MULTIPLEXVERBINDING CAN H Motor (alleen automatische transmissie) MULTIPLEXVERBINDING CAN L Motor (alleen automatische transmissie) Massa opname element stand EGR-klep Ingang diagnosesignaal voorverwarmingsstiften Signaal opname element turbodruk Signaal opname element stand EGR-klep Commando relais voorverwarming Signaal opname element brandstofdruk Signaal opname element luchttemperatuur Stuursignaal navoedingsrelais (power latch) Massa opname element koelvloeistoftemperatuur + na contact Voeding opname element stand EGR-klep Commando relais 2 koelvloeistofverwarmingselement (twee koelvloeistofverwarmingselementen) Massa opname element brandstoftemperatuur Voeding luchtdoorstroommeter Signaal opname element vliegwiel Voeding opname element brandstofdruk Signaal opname element vliegwiel Signaal luchtdoorstroommeter Voeding opname element turbodruk Signaal opname element brandstoftemperatuur Signaal opname element koelvloeistoftemperatuur Commando brandstofdrukregelaar Commando elektroklep turbodrukregeling Massa vermogen Massa vermogen Uitgang commando EGR-elektroklep + na relais + na relais Massa vermogen 13B-109

322 MOTOR G9T DIESELINSPUITSYSTEEM Aansluitingen rekeneenheid INGANGEN EN UITGANGEN VAN DE INSPUITREKENEENHEID 13B STEKKER C (zwart) A1 A2 A3 A4 B3 B4 C1 E4 F4 H4 J4 K4 L1 L2 L3 L4 M1 M2 M3 M Commando opvoerpomp Commande relais ventilateurmotor lage snelheid Massa luchtdoorstroommeter Massa opname element turbodruk Massa opname element brandstofdruk Stuursignaal relais ventilateurmotor hoge snelheid Massa opname element nokkenas Commando relais 3 koelvloeistofverwarmingselement (1 koelvloeistofverwarmingselement) Commando elektroklep afslagsysteem Commando elektroklep turbulentieklep (swirl-elektroklep) Commando relais 1 koelvloeistofverwarmingselement (1 koelvloeistofverwarmingselement) Signaal opname element nokkenas Commando verstuiver 4 Voeding verstuiver 3 Voeding verstuiver 2 Commando verstuiver 2 Commando verstuiver 1 Commando verstuiver 3 Voeding verstuiver 1 Voeding verstuiver 4 13B-110

323 MOTOR P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Aansluitingen rekeneenheid 13B AANSLUITINGEN REKENEENHEID STEKKER A A1 A2 A3 A4 A5 A6 A7 A8 A10 A11 A17 A18 A19 A21 A23 A24 A26 A27 A29 A30 A31 A36 A38 A39 A42 A44 A45 A46 A48 A49 A50 A56 A63 A64 A65 A66 A67 A68 A76 A Voeding + na navoedingsrelais inspuitsysteem Voeding + na navoedingsrelais inspuitsysteem Massa Massa Massa Diagnoseaansluiting Voeding + 5 V opname element gaspedaal baan 1 Signaal opname element gaspedaal baan 2 Schakelaars snelheidsregelaar/begrenzer op stuurwiel Massa opname element inlaatluchttemperatuur, luchtdoorstroommeter, opname element gaspedaal baan 2 en schakelaar spanningsregelaar-snelheidsbegrenzer Commando relais koelvloeistofverwarmingselementen n 3. Commando relais ventilateurmotor lage snelheid Commando rekeneenheid voorverwarming Signaal remlichtschakelaar Schakelaar aan / uit snelheidsbegrenzer + 12 V Voeding + 5 V opname element gaspedaal baan 2 en luchtdoorstroommeter Signaal opname element gaspedaal baan 1 Signaal opname element inlaatluchttemperatuur Signaal luchtdoorstroommeter Massa opname element gaspedaal baan 1 Commando relais koelvloeistofverwarmingselementen 1 Commando relais ventilateurmotor hoge snelheid Diagnose aansluiting Commando + startmotor (huis met hulporganen interieur) Commando verstuiver 5 (vermogensrekeneenheid) Commando verstuiver 3 (vermogensrekeneenheid) Commando verstuiver 1 (vermogensrekeneenheid) Multiplexverbinding CAN LOW Diagnosesignaal rekeneenheid voorverwarming (voorverwarmingsstiften 1, 3 en 5) Diagnoselijn K Commando relais koelvloeistofverwarmingselementen 2. Commando verstuiver 6 (vermogensrekeneenheid) Commando verstuiver 4 (vermogensrekeneenheid) Commando verstuiver 2 (vermogensrekeneenheid) Retour diagnose vermogensrekeneenheid Multiplexverbinding CAN HIGH Diagnosesignaal rekeneenheid voorverwarming (voorverwarmingsstiften 2, 4 en 6) Commando navoedingsrelais inspuitsysteem Schakelaar aan / uit snelheidsregelaar 13B-111

324 MOTOR P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Aansluitingen rekeneenheid 13B STEKKER B B82 B83 B84 B87 B90 B91 B92 B93 B94 B95 B97 B Signaal weerstand verstuiver 2 Signaal weerstand verstuiver 4 Signaal weerstand verstuiver 6 Massa opname element stand wastegate, opname element turbodruk, opname element stand EGR-klep en opname element druk hoofdinspuitbuis Signaal weerstand verstuiver 1 Signaal weerstand verstuiver 3 Signaal weerstand verstuiver 5 Signaal opname element turbodruk Signaal opname element stand EGR-klep Massa opname element koelvloeistoftemperatuur, opname element brandstoftemperatuur en weerstanden van de verstuivers Commando elektroklep turbodrukregeling Voeding + 5 V opname element druk hoofdinspuitbuis, opname element stand EGR-klep, opname element turbodruk en opname element stand wastegate B99 B100 B101 B102 B103 B106 B107 B110 B111 B114 B115 B116 B120 B Signaal opname element koelvloeistoftemperatuur Signaal opname element brandstoftemperatuur Signaal opname element stand wastegate + opname element cilinderherkenning - opname element cilinderherkenning + opname element druk hoofdinspuitbuis - opname element druk hoofdinspuitbuis Massa opname element vliegwiel Signaal opname element vliegwiel Afscherming signaal opname element vliegwiel en opname element cilinderherkenning Commando EGR-elektroklep Voeding drukregelaar Commando drukregelaar 1 Commando drukregelaar 2 13B-112

325 MOTOR P9X DIESELINSPUITSYSTEEM Bestemming van de aansluitingen van de vermogensrekeneenheid 13B STEKKER A A1 A2 A3 A4 A5 A6 A7 A V na navoedingsrelais inspuitsysteem Verbinding diagnose vermogensrekeneenheid Commando verstuiver 1 Commando verstuiver 2 Commando verstuiver 3 Commando verstuiver 4 Commando verstuiver 5 Commando verstuiver 6 STEKKER B B1 B2 B3 B4 B5 B6 B7 B Gemeenschappelijke voeding verstuiver Commando verstuiver 6 Commando verstuiver 5 Commando verstuiver 4 Commando verstuiver 3 Commando verstuiver 2 Commando verstuiver 1 Massa bedieningseenheid verstuivers 13B-113

326 MOTOR G9T 113C VOORVERWARMING Rekeneenheid voorverwarming 13C ALGEMEEN De rekeneenheid voor/naverwarming is een elektronisch relais met een vermogenscircuit voor iedere voorverwarmingsstift. Hij wordt aangestuurd door aansluiting B C3 van de rekeneenheid van het inspuitsysteem. Hij bevindt zich achter de spatplaat van het linker voorwiel. UITBOUWEN Maak de massakabel van de accu los. Bouw uit: het linker voorwiel, de spatplaat van het linker voorwiel. Maak de stekker (1) los van de rekeneenheid van de voor-naverwarming. Verwijder de rekeneenheid van de voornaverwarming. INBOUWEN Ga te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. BESTEMMING VAN DE AANSLUITINGEN VAN DE REKENEENHEID VOORVERWARMING Aansl Omschrijving Voeding voorverwarmingsstift 3 Voeding voorverwarmingsstift 4 + Voor contact Voeding voorverwarmingsstift 1 Voeding voorverwarmingsstift 2 Commando Diagnose 13C-1

327 MOTOR P9X VOORVERWARMING Rekeneenheid voorverwarming 13C ALGEMEEN De rekeneenheid voorverwarming omvat twee elektronische relais met elk een vermogenscircuit voor iedere voorverwarmingsstift. Hij wordt aangestuurd door aansluiting A19 van de rekeneenheid van het inspuitsysteem. Ieder relais stuurt een cilinderrij aan. Hij bevindt zich achter de spatplaat van het linker voorwiel. UITBOUWEN Maak de massakabel van de accu los. Bouw uit: het linker voorwiel, de spatplaat in de wielkuip. Maak de twee stekkers (1) los van de rekeneenheid van de voor-naverwarming. INBOUWEN Ga te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. BESTEMMING VAN DE AANSLUITINGEN VAN DE REKENEENHEID VOOR-NAVERWARMING Stekker links Verwijder de rekeneenheid van de voornaverwarming. Aansl Omschrijving Voeding voorverwarmingsstift 1 Voeding voorverwarmingsstift 3 + voor contact 1 Voeding voorverwarmingsstift 5 Commando Diagnose 1 Stekker rechts Aansl Omschrijving Voeding voorverwarmingsstift 2 Voeding voorverwarmingsstift 4 + voor contact 2 Voeding voorverwarmingsstift 6 Commando Diagnose 2 13C-2

328 MOTOR G9T VOORVERWARMING Voorverwarmingsstiften 13C De weerstand van een voorverwarmingsstift is 0,6 Ω (stekker losgenomen). AANTREKKOPPELS (in dan.m) Voorverwarmingsstiften 1,5 Voor het uitbouwen van een voorverwarmingsstift hoeft het hogedrukcircuit niet te worden geopend. UITBOUWEN Maak de stekker los van de voorverwarmingsstift. Maak de omgeving van de stift schoon zodat er geen vuil in de cilinder terecht kan komen. Draai de voorverwarmingsstiften los en bouw ze uit met behulp van een lange radiodop van 10 mm of bijvoorbeeld het FACOM-gereedschap nummer B10R10A. INBOUWEN Ga te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. Let op dat hierbij absoluut geen vuil in de cilinder terechtkomt. 13C-3

329 MOTOR P9X VOORVERWARMING Voorverwarmingsstiften 13C De weerstand van een voorverwarmingsstift is 0,6 ± 0,05 Ω. AANTREKKOPPELS (in dan.m) Voorverwarmingsstiften 1,8 UITBOUWEN Maak de massakabel van de accu los. Bouw uit: de kappen van de motor, de bevestigingsbouten van de bedieningselektroklep van de smoorklep. Maak de elektroklep vrij naar de zijkant. Draai de moeren los op de voorverwarmingsstiften zonder de te verwijderen. Maak de voedingsdraden vrij. Maak de omgeving van de stiften schoon zodat er geen vuil in de cilinder terecht kan komen. Verwijder de voorverwarmingsstiften. Gebruik hiervoor bijvoorbeeld de sleutel voor voorverwarmingsstiften Facom B10R12B. INBOUWEN Ga te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. Zet de bevestigingsmoeren van de voedingsdraden vast met behulp van een flexibel verlengstuk, bijvoorbeeld Facom R216 van 150 mm. N.B.: Voor het uitbouwen van de voorverwarmingsstift op de voorste cilinderrij aan distributiezijde, moet de beugel van de hogedrukleidingen worden losgezet en verplaatst. 13C-4

330 MOTOR G9T VOORVERWARMING Regeling voor/naverwarming 13C De voor-/naverwarmingsfunctie wordt aangestuurd via de rekeneenheid van het inspuitsysteem. WERKINGSPRINCIPE VOOR/NAVERWARMING 1) Contact aanzetten - voorverwarming a) Variabele voorverwarming De tijdsduur is afhankelijk van de temperatuur van de koelvloeistof (brandend controlelampje). 2) Starten Tijdens het starten blijven de voorverwarmingsstiften bekrachtigd. 3) Draaiende motor - naverwarming Afhankelijk van de koelvloeistoftemperatuur worden de voorverwarmingsstiften continu bekrachtigd na het starten. Voor een stationair toerental bij gas los. X: Tijd in secondes Y: Koelvloeistoftemperatuur in C Het voorverwarmingslampje brandt nooit langer dan 12 secondes. b) Vaste voorverwarming X: Tijd in secondes Y: Koelvloeistoftemperatuur in C Na het uitgaan van het lampje voor de voorverwarming blijven de voorverwarmingsstiften gedurende 10 secondes bekrachtigd. 13C-5

331 MOTOR P9X VOORVERWARMING Regeling voor/naverwarming 13C De voor-/naverwarmingsfunctie wordt aangestuurd via de rekeneenheid van het inspuitsysteem. WERKINGSPRINCIPE VOOR/NAVERWARMING 1) Contact aanzetten - voorverwarming a) Variabele voorverwarming De duur van de voeding van de voorverwarmingsstiften en het bijbehorende controlelampje is afhankelijk van de koelvloeistoftemperatuur en de atmosferische druk. 2) Starten Tijdens het starten blijven de voorverwarmingsstiften bekrachtigd. 3) Draaiende motor - naverwarming Afhankelijk van de koelvloeistoftemperatuur worden de voorverwarmingsstiften continu bekrachtigd na het starten. X: Tijd in secondes Y: Koelvloeistoftemperatuur in C Het voorverwarmingslampje brandt nooit langer dan 10 secondes. X: Tijd in secondes Y: Koelvloeistoftemperatuur in C Voor een stationair toerental bij gas los. b) Vaste voorverwarming Na het doven van het lampje, houden de voorverwarmingsstiften nog 10 secondes langer voeding, tenzij op de knop "START" wordt gedrukt. Als op de knop "START" wordt gedrukt na het verstrjken van deze tijd, begint het huis met hulporganen interieur met een nieuwe cyclus van 1 seconde + 10 secondes. 13C-6

332 MOTORS F4R EN V4Y 114A ANTI-LUCHTVERONTREINIGING Benzinedampabsorptiesysteem 14A SCHEMATISCH OVERZICHT 1 Inlaatspruitstuk 2 Elektroklep dampafzuiging 3 Dampabsorptievat 4 Tank M Buitenlucht 1 Dampafzuiging uit de tank 2 Dampafzuiging naar de motor 3 Ventilatie van de tank LET OP: de ventilatie-opening naar de buitenlucht mag niet verstopt zijn. Bijzonderheden van het circuit op motor F4R Het circuit bestaat uit een circuit A (voor de turbocompressor) en een circuit B (achter het smoorklephuis) om de dampen af te kunnen voeren bij iedere belasting van de motor. 14A-1

333 MOTORS F4R EN V4Y ANTI-LUCHTVERONTREINIGING Benzinedampabsorptiesysteem 14A WERKINGSPRINCIPE De ventilatie van de tank verloopt via het dampabsorptievat. De benzinedamp wordt vastgehouden door de actieve koolstof in het dampabsorptievat. De benzine in het dampabsorptievat wordt verbrand in de motor. CONTROLE VAN DE WERKING VAN DE BENZINEDAMPAFZUIGING Als het systeem niet goed werkt kan het stationaire toerental onstabiel worden of de motor afslaan. Controleer of het circuit goed is (zie de schema's ). Controleer de staat van de slangen naar de tank. Hiervoor,wordt, via een slang en een elektroklep, het dampabsorptievat verbonden met het inlaatspruitstuk. Deze elektroklep bevindt zich tussen de schokdempertoren rechts voor en het stuurbekrachtigingsreservoir voor motor F4R Turbo en op het inlaatspruitstuk bij het remvloeistofreservoir voor motor V4Y. Door de elektroklep aan te sturen met een cyclisch stuursignaal (RCO) kan de rekeneenheid van het inspuitsysteem de doorlaat van de elektroklep variëren. De variabele doorlaat van de benzinedamp in de elektroklep is het gevolg van het evenwicht tussen het magnetische veld dat wordt opgewekt door de voeding van de spoel en de kracht van de terugtrekveer die de elektroklep dichttrekt. 1 Inlaatspruitstuk 2 Elektroklep dampafzuiging 3 Absorptievat 4 Reservoir M Buitenlucht 14A-2

334 MOTORS F4R EN V4Y ANTI-LUCHTVERONTREINIGING Benzinedampabsorptiesysteem 14A OMSTANDIGHEDEN VAN DE DAMPAFZUIGING Op motor F4R wordt de elektroklep van de dampafzuiging aangestuurd via aansluiting C-E1 van de rekeneenheid als: de motor niet stationair draait, de mengselregeling actief is, de koelvloeistoftemperatuur hoger is dan 55 ºC, de luchttemperatuur hoger is dan 10 ºC. Op motor V4Y wordt de elektroklep van de dampafzuiging aangestuurd via aansluiting B 89 van de rekeneenheid als: de motor niet stationair draait, de mengselregeling actief is, de temperatuur van de koelvloeistof hoger is dan 40 ºC, UITBOUWEN VAN HET DAMPABSORPTIEVAT Het dampabsorptievat (1) bevindt zich aan de linker kant op de tank. Maak los: de aanvoerslang (2) met damp vanaf de tank, de afvoerslang (3) naar de elektroklep, de slang (4) naar de buitenlucht. Bouw uit: de bevestigingsbout (5) van het dampabsorptievat, het dampabsorptievat. Bij een EOBD-diagnose (On Board Diagnostic), is dampafzuiging niet toegestaan. Het cyclisch stuursignaal van de elektroklep van de dampafzuiging is zichtbaar te maken met het diagnoseapparaat met de parameter "RCO elektroklep dampafzuiging". De elektroklep is gesloten als de waarde lager is dan 1,5% (motor F4R) en als de waarde gelijk is aan 0% (Motor V4Y). INBOUWEN Ga bij het inbouwen te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. 14A-3

335 MOTORS F4R EN V4Y ANTI-LUCHTVERONTREINIGING Benzinedampabsorptiesysteem 14A Controleer: bij stationair toerental, door op het absorptievat het circuit vanaf de tank af te sluiten, en een manometer (Mot ) aan te sluiten dat er geen onderdruk is op de uitgang naar de buitenlucht van het absorptievat (M), (hierbij moet de waarde van het commando op het diagnoseapparaat met parameter: "RCO elektroklep dampafzuiging" minimaal blijven X (1,5%) (motor F4R), X = 0% (motor V4Y). Meet u onderdruk? JA: contact uit, zet met een vacuümpomp een onderdruk van 500 mbar op de uitgang van de elektroklep. De onderdruk mag in 30 secondes niet meer variëren dan 10 mbar. Varieert de druk? JA: de elektroklep defect, vervang de elektroklep. NEE: er is een elektrisch probleem, controleer het circuit. NEE: bij de omstandigheden voor het afzuigen (zie de voorwaarden), moet u constateren dat er een toename van de onderdruk is (tegelijk constateert u een toename van de parameter op het diagnoseapparaat). CONTROLE VAN DE VERBINDING TANK ABSORPTIEVAT Deze verbinding is et controleren door een vacuümpomp aan te sluiten op de slang naar het absorptievat. 14A-4

336 MOTOR F4R ANTI-LUCHTVERONTREINIGING Carterventilatie 14A OVERZICHT VAN DE ONDERDELEN VAN HET CIRCUIT A Circuit voor de turbocompressor, dit circuit wordt gebruikt voor middelzware en zware belastingen. De damp wordt aangezogen door de onderdruk in het inlaatspruitstuk. Openingen voor het afvoeren van de oliedamp: A B Opening voor het afvoeren van de oliedamp van het voorste circuit. Opening voor het afvoeren van de oliedamp van het achterste circuit. Opvangplaat van de oliedamp op het kleppendeksel. B Circuit achter het smoorklephuis, dit circuit wordt gebruikt voor lichte belastingen. De damp wordt aangezogen door de onderdruk tussen de smoorklep en de motor. Voor de demontage, raadpleegt u hoofdstuk 11A "Cilinderkop en distributie". 14A-5

337 MOTOR G9T ANTI-LUCHTVERONTREINIGING Carterventilatie 14A DE ONDERDELEN VAN HET SYSTEEM A Afzuigslang van oliedampen naar de luchtinlaat 1 Motor 2 Cilinderkop 3 Kleppendeksel - Inlaatluchtverdeler 4 Olieafscheider (ingebouwd in kleppendeksel) 5 Turbocompressor 6 Luchtfilter 7 Luchtdoorstroommeter B Olieafscheider ingebouwd in kleppendeksel - inlaatspruitstuk. CONTROLE De carterventilatie moet in goede staat verkeren en schoon zijn. 14A-6

338 MOTOR V4Y ANTI-LUCHTVERONTREINIGING Carterventilatie 14A DE ONDERDELEN VAN HET SYSTEEM A Bij lichte belastingen, neemt de verse lucht voor het smoorklephuis de oliedampen mee die afkomstig zijn uit het motorcarter. De oliedampen worden in geringe hoeveelheden aangezogen door de onderdruk achter het smoorklephuis, via een klep met een variabele doorlaat (C), en vervolgens aangezogen door de cilinders. B Bij middelzware en zware belastingen, worden de oliedampen afgezogen naar de cilinders. De klep met variabele doorlaat (C) laat een grote hoeveelheid oliedampen door. Oliedamp Inlaatlucht Oliedamp Inlaatlucht 1 Inlaatspruitstuk 2 Kleppendeksel 3 Cilinderkop 4 Motorblok 5 Motorcarter 6 Smoorklep CONTROLE De carterventilatie moet in goede staat verkeren en schoon zijn. N.B.: de klep net variabele doorlaat bevindt zich op het kleppendeksel van de achterste cilinderrij. In rust moet hij gesloten zijn. 14A-7

339 MOTOR P9X ANTI-LUCHTVERONTREINIGING Carterventilatie 14A INLEIDING De carterdampen gaan via een membraanklep terug naar de luchtinlaat. A B Bij geringe belasting, is de onderdruk in de luchtinlaat minder dan de afstelling van de veer. De oliedampen worden in grote hoeveelheden aangezogen door de onderdruk in de inlaat. Bij middelzware en zware belastingen, trekt de onderdruk in de luchtinlaat het membraan van de klep aan, de afzuigslang is afgesloten. Er vindt geen oliedampafzuiging plaats. 14A-8

340 MOTOR P9X ANTI-LUCHTVERONTREINIGING Carterventilatie 14A CONTROLE De carterventilatie moet in goede staat verkeren en schoon zijn. 1 Afzuigslang van de oliedampen uit het carter 2 Afzuigslangen van de oliedampen van de kleppendeksels 3 Afzuigslangen van oliedampen naar de luchtinlaat 4 Membraanklep 14A-9

341 MOTOR G9T ANTI-LUCHTVERONTREINIGING Uitlaatgasrecirculatie E.G.R. 14A DE ONDERDELEN VAN HET SYSTEEM 1 Cilinderkop 2 Uitlaatspruitstuk 3 EGR-leiding 4 EGR-elektroklep 5 Smoorklephuis 6 Inlaatspruitstuk - /kleppendeksel UITBOUWEN Voor het uitbouwen van de EGR-klep moet de inlaatluchtverdeler worden uitgebouwd, zie hoofdstuk 12A Menselsamenstelling "Verdelerhuis". 14A-10

342 MOTOR G9T ANTI-LUCHTVERONTREINIGING Uitlaatgasrecirculatie E.G.R. 14A WERKINGSPRINCIPE De klep wordt aangestuurd door een cyclisch stuursignaal (RCO) dat afkomstig is van de rekeneenheid van het inspuitsysteem. Het cyclisch stuursignaal maakt het mogelijk de doorlaat van de klep te variëren en daarmee de hoeveelheid uitlaatgassen die naar het inlaatspruitstuk wordt herleid te regelen. De rekeneenheid controleert permanent de stand van de EGR-klep. VOORWAARDEN VOOR DE WERKING De factoren die bepalend zijn voor het aansturen van de EGR-elektroklep zijn: de koelvloeistoftemperatuur, de luchttemperatuur, de atmosferische druk, de stand van het gaspedaal, het toerental, de luchthoeveelheid, de inspuithoeveelheid, de turbodruk. De EGR is uitgeschakeld bij een storing: van de koelvloeistoftemperatuurzender, van het opname element luchttemperatuur, van het opname element atmosferische druk. De EGR is uitgeschakeld als: de accuspanning lager is dan 8,9 Volt, het motortoerental hoger is dan 900 tr/min met gas los (lage pedaalwaarde), het kenveld (motortoerental - belasting) boven een bepaalde drempel ligt, de rijsnelheid lager is dan 5 km/u, en het motortoerental lager is dan 900 tr/min gedurende 40 secondes. De EGR-klep krijgt na het starten pas voeding bij een bepaalde temperatuur van de koelvloeistof. X Y Tijd Koelvloeistoftemperatuur ( C) 1 Voeding spoel 2 Voeding opname element 4 Massa opname element 5 Massa spoel 6 Uitgang opname element 14A-11

343 MOTOR P9X ANTI-LUCHTVERONTREINIGING Uitlaatgasrecirculatie E.G.R. 14A DE ONDERDELEN VAN HET SYSTEEM 1 Motor 2 Rekeneenheid inspuitsysteem 3 Opname element koelvloeistoftemperatuur 4 Uitlaatspruitstukken 5 Turbocompressor 6 Spruitstuk van de turbocompressor 7 EGR-wisselaar 8 EGR-klep 9 Inlaatluchtverdeler A Luchtinlaat B Uitlaat UITBOUWEN EGR-KLEP-WISSELAAR Zie hoofdstuk 12A "EGR-klep-wisselaar". DOEL VAN HET EGR-SYSTEEM Door de uitlaatgassen terug te voeren naar de luchtinlaat vermindert de hoeveelheid stikstofoxydes (NOx) in de uitlaatgassen. De rekeneenheid van het inspuitsysteem geeft de terugvoer vrij via het aansturen van een elektroklep. 14A-12

344 MOTOR P9X ANTI-LUCHTVERONTREINIGING Uitlaatgasrecirculatie E.G.R. 14A WERKINGSPRINCIPE De klep wordt aangestuurd door een cyclisch stuursignaal (RCO) dat afkomstig is van de rekeneenheid van het inspuitsysteem. Het cyclisch stuursignaal maakt het mogelijk de doorlaat van de klep te variëren en daarmee de hoeveelheid uitlaatgassen die naar het inlaatspruitstuk wordt herleid te regelen. De rekeneenheid controleert permanent de stand van de EGR-klep. Om de luchtverontreiniging te verminderen, gebruikt motor P9X een warmtewisselaar voor het afkoelen van de teruggevoerde uitlaatgassen. De gassen worden teruggevoerd naar de cilinder door de EGRklep via een warmtewisselaar die gekoeld wordt door de koelvloeistof. Als gevolg hiervan is de verbrandingstemperatuur lager. Hierdoor is de NOxuitstoot minder. AANSLUITINGEN Opname element van de stand (1) 1 Signaal opname element 2 Massa opname element 3 Voeding opname element + 5 volt EGR-elektroklep (2) 1 Commando EGR-elektroklep 2 Voeding + 12 volt EGR-elektroklep A EGR-klep B Koeler 14A-13

345 MOTOR P9X ANTI-LUCHTVERONTREINIGING Uitlaatgasrecirculatie E.G.R. 14A VOORWAARDEN VOOR DE WERKING De factoren die bepalend zijn voor het aansturen van de EGR-elektroklep zijn: de koelvloeistoftemperatuur, de atmosferische druk, de stand van het gaspedaal, het toerental. DE EGR IS UITGESCHAKELD: tijdens de startfase, tijdens de voor/naverwarming, als het motortoerental lager is dan 450 tr/min. als de temperatuur van de koelvloeistof hoger is dan 120 ºC, als de temperatuur van de koelvloeistof lager is dan 0 ºC, de atmosferische druk lager is dan 884 mbar, tijdens een acceleratie: verschil pedaaldruk hoger dan 5,5 % en hoeveelheid ingespoten brandstof hoger dan 10 mm 3 /slag, na uitzetten van het contact (periode van de navoeding van de rekeneenheid). BIJ EEN STORING: van de luchtdoorstroommeter, van het opname element turbodruk, van het opname element atmosferische druk, van het opname element brandstoftemperatuur of luchttemperatuur, van de EGR-klep, van het opname element van de stand van de EGRklep, van het opname element van de stand van de wastegate, van de elektroklep turbodrukregeling, De EGR-klep werkt in een noodprogramma of krijgt geen voeding meer. 14A-14

346 116A STARTEN - LADEN Dynamo 16A WERKING-STORING ZOEKEN De dynamo's op dit model auto hebben een ingebouwde spanningsregelaar en een waarschuwingslampje voor de laadstroom op het instrumentenpaneel: bij het aanzetten van het contact gaat het lampje branden, zodra de motor draait gaat het lampje uit, als het lampje tijdens het draaien oplicht is er een storing in het laadcircuit. STORING ZOEKEN Het lampje gaat niet branden als het contact wordt aangezet Controleer: de elektrische aansluitingen, of het lampje is doorgebrand door het kabelschoentje van de draad naar het lampje los te maken en aan massa te leggen: het lampje moet gaan branden. Het lampje gaat branden als de motor draait Dit wijst op een storing in het laadcircuit die kan worden veroorzaakt door: een gebroken aandrijfriem of een breuk in de bedrading, een inwendig defect in de dynamo (rotor, stator, diodes of koolborstels), een defecte spanningsregelaar, een te hoge spanning. De klant klaagt over onvoldoende laadstroom en het lampje werkt normaal. Als de afgeregelde spanning lager is 13,5 volt, controleer dan de dynamo. De storing kan veroorzaakt worden door: een defecte diode, een defecte fase, koolafzetting op of slijtage van de contactbanen. Controle van de spanning Lees met een voltmeter de spanning tussen de accupolen af. Start de motor en laat het toerental oplopen tot de voltmeter zich stabiliseert op de afgeregelde spanning. Deze spanning moet liggen tussen 13,5 en 14,8 Volt. Schakel zoveel mogelijk stroomverbruikers in, de spanning moet blijven tussen 13,5 V en 14,8 V LET OP: voordat er elektrisch aan de auto gelast wordt, moet de bedrading van de accu en de spanningsregelaar worden losgenomen. 16A-1

347 STARTEN - LADEN Dynamo 16A IDENTIFICATIE Motor DYNAMO STROOMSTERKTE F4R Turbo G9T Valéo SG 12 B017 Valéo SG 12 B0030 Valéo SG 12 B068 Valéo SG 12 B0030 Valéo SG 12 B A 125 A P9X Denso 150 A V4Y Hitachi LR A CONTROLE Na 15 minuten warmdraaien bij een spanning van 13,5 V. Motortoerental (tr/min.) 125 ampère 150 ampère A A 102 A A 145 A A 151 A 16A-2

348 STARTEN - LADEN Dynamo 16A STORING ZOEKEN Met de diagnoseapparaten, kunnen de door de dynamo afgegeven spanning en stroomsterkte belast en onbelast worden gecontroleerd. N.B.: Het diagnosestation heeft een inductieve ampèremeterklem (meetbereik: 0 tot A). Deze klem kan worden geplaatst zonder losmaken van de accukabels zodat de geheugens en adaptieve correcties van de rekeneenheden niet verloren gaan. Zet de ampèremeterklem direct op de dynamo-uitgang met de pijl op de klem naar de dynamo wijzend (het station detecteert een verkeerde stand). De metingen worden in drie etappes uitgevoerd: meting van de accuspanning met contact uit, meting van de afgeregelde spanning en stroomsterkte zonder ingeschakelde verbruikers, meting van de afgeregelde spanning en stroomsterkte met zoveel mogelijk ingeschakelde verbruikers. Afhankelijk van het resultaat van de metingen geeft het station een diagnose: accuspanning onbelast < 12,3 V = accu ontladen. Zonder stroomverbruikers: afgeregelde spanning > 14,8 V spanningsregelaar defect, afgeregelde spanning onbelast < 13,2 V) of (laadstroom < 2 A) laadstoring. Met stroomverbruikers: afgeregelde spanning > 14,8 V spanningsregelaar defect, afgeregelde spanning < 12,7 V controleer de dynamo op de volgende waarden: Stroomsterkte (ampères) Motor Minimale stroomsterkte die de dynamo moet leveren met alle verbruikers ingeschakeld (3000 tr/ min) F4R turbo G9T P9X V4Y 80 A 80 A 80 A 80 A 16A-3

349 STARTEN - LADEN Dynamo 16A Storing zoeken (vervolg) Als de gemeten stroomsterkte te laag is, controleer: de slijtage van de dynamo (koolborstels...), de aansluitingen van de accu, de gevlochten massastrip van de motor, het juiste type van de dynamo, de spanning van de dynamoriem. Als de stroomsterkte goed is en de afgeregelde spanning te laag dan is de dynamo niet de oorzaak. De oorzaak kan zijn: de auto heeft te veel elektrische stroomverbruikers, de accu is ontladen. 16A-4

350 MOTOR F4R TURBO STARTEN - LADEN Dynamo 16A UITBOUWEN Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Maak de massakabel van de accu los en de elektrische aansluitingen op de dynamo. Bouw uit: de plastic kappen van de motor, de beschermplaat onder de motor, het reservoir en de steun van de stuurbekrachtiging, de aandrijfriem van de hulporganen (zie hoofdstuk 07A "Spanning aandrijfriem hulporganen"). de geleiderol, de bevestigingsbouten van de dynamo en bouw hem uit met behulp van een schroevendraaier. 16A-5

351 MOTOR F4R TURBO STARTEN - LADEN Dynamo 16A INBOUWEN De dynamo kan gemakkelijker worden ingebouwd, als u de ringen (A) met een tang of in de bankschroef samendrukt. Raadpleeg hoofdstuk 07A "Spanning aandrijfriem hulporganen" voor het spannen van de riem. 16A-6

352 MOTOR G9T STARTEN - LADEN Dynamo 16A UITBOUWEN Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Maak de massakabel van de accu los. Bouw uit: de kappen van de motor, de beschermplaat onder de motor, het rechter voorwiel en de spatplaat, de aandrijfriem van de hulporganen. Voor de methode voor het uitbouwen van de aandrijfriem van de hulporganen, raadpleegt u hoofdstuk 07A "Spanning aandrijfriem hulporganen". Bouw uit: de geleiderol, de elektrische aansluitingen van de dynamo, de aluminium versterkingsstang van de langsbalken, de stekkers van de aircocompressor (1), de bevestigingen van de aircocompressor (2), N.B.: bevestig de aircocompressor aan de langsbalken om te voorkomen dat de leidingen verbuigen. Wip het brandstoffilter en het reservoir van de stuurbekrachtiging los zodat u de steun kunt wegdrukken. Verwijder de bevestigingen van de dynamo en bouw hem uit. INBOUWEN Ga bij het inbouwen te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. De dynamo kan gemakkelijker worden ingebouwd, als u de ringen (A) met een tang of in de bankschroef samendrukt. Raadpleeg hoofdstuk 07A "Spanning aandrijfriem hulporganen" voor het spannen van de riem. 16A-7

353 MOTOR P9X STARTEN - LADEN Dynamo 16A UITBOUWEN Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Maak de massakabel van de accu los. Bouw uit: de koppelreactiestang, de elektrische aansluitingen van de dynamo bij (A), de bevestigingen van de dynamo bij (B),. de dynamo. Bouw uit: de beschermplaat onder de motor, het rechter voorwiel, de spatplaat, de aandrijfriem van de hulporganen. Voor de methode voor het uitbouwen van de aandrijfriem van de hulporganen, raadpleegt u hoofdstuk 07A "Spanning aandrijfriem hulporganen". Verwijder het hitteschild. INBOUWEN Ga bij het inbouwen verder te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. Het is niet nodig de bouten van het hitteschild geheel los te draaien want de gaten lopen door. Raadpleeg hoofdstuk 19A "Pendelophanging" voor het aantrekkoppel van de koppel-reactiestang. Raadpleeg hoofdstuk 07A "Spanning aandrijfriem hulporganen" voor het spannen van de riem. 16A-8

354 MOTOR V4Y STARTEN - LADEN Dynamo 16A UITBOUWEN Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. de bevestigingen en de aansluitingen van de dynamo. Verwijder de kappen op de motor. Maak de massakabel van de accu los. Bouw uit: de beschermplaat onder de motor, het rechter voorwiel, de spatplaat rechts voor en de bescherming aan de zijkant, de inlaatgeluiddemper, de stekkers van de ventilateurgroep, de koelventilateur, de aandrijfriem hulporganen, door de moer van de poelie (A) en de spanner (B) los te draaien, INBOUWEN Ga te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. Raadpleeg hoofdstuk 07A "Spanning aandrijfriem hulporganen" voor het spannen van de riem. de poelie, 16A-9

355 STARTEN - LADEN Startmotor 16A IDENTIFICATIE MOTOR STARTMOTOR F4Rt Bosch G9T Valéo D7R53 P9X Hitachi S14-41 V4Y Hitachi S144877A 16A-10

356 MOTOR F4R TURBO STARTEN - LADEN Startmotor 16A UITBOUWEN Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Maak de massakabel van de accu los. Bouw uit: de sierkap van de motor, de beschermplaat onder de motor, de achterste steun van de katalysator, de lambda sonde, de bevestiging van het hitteschild bij (A). Maak de voeding los van de startmotor. Verwijder de startmotor. 16A-11

357 MOTOR F4R TURBO STARTEN - LADEN Startmotor 16A INBOUWEN Ga te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. Controleer of de centreerbus (A) op zijn plaats is. 16A-12

358 MOTOR G9T STARTEN - LADEN Startmotor 16A UITBOUWEN Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. de elektrische aansluitingen op de startmotor, de gevlochten massastrip, de startmotor. Maak de massakabel van de accu los. Bouw uit: de kappen van de motor, de inlaatslang (1), de slang van de smoorklep (2), INBOUWEN Het inbouwen gebeurt in omgekeerde volgorde van uitbouwen. de steun van de kabelbundels, Controleer voor het inbouwen of de centreerbussen op hun plaats zitten. 16A-13

359 MOTOR P9X STARTEN - LADEN Startmotor 16A UITBOUWEN Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Maak de massakabel van de accu los. Bouw uit: de beschermplaat onder de motor, de elektrische aansluitingen op de startmotor. Maak de kabelbundel vrij om de bouten van de startmotor toegankelijk te maken. Bouw uit: de gevlochten massastrip, de drie bevestigingen van de startmotor, de startmotor. INBOUWEN Zet de bouten van de startmotor vast met een aantrekkoppel van 5 dan.m. Ga te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. 16A-14

360 MOTOR V4Y STARTEN - LADEN Startmotor 16A Voor het uitbouwen-inbouwen van de startmotor gelden geen bijzonderheden, verwijder de twee bevestigingen bij (A). Controleer bij het uitbouwen of de centreerbussen op hun plaats zitten. 16A-15

361 MOTOR F4R 117A ONTSTEKING Statische ontsteking 17A AANTREKKOPPELS (in dan.m) Bouten van de bobine 1,5 Bougies 2,5 tot 3 BESCHRIJVING De statische ontsteking is een systeem waarmee de hoeveelheid energie voor de bougies hoger is doordat er zich niets bevindt tussen de bougie en de bobine. UITBOUWEN VAN EEN BOBINE Maak de massakabel van de accu los. Maak de stekkers los van de bobine. LET OP: Beschadig niet de stekkers (1); anders moet u ze vervangen. Verwijder de bouten (2) waarmee de bobines vastzitten. Dit systeem heeft ook geen bewegende delen. De vermogenstrap is ingebouwd in de rekeneenheid van het inspuitsysteem. De ontsteking gebruikt dus de zelfde opname elementen als het inspuitsysteem. Er zijn vier bobines, deze zijn direct boven de bougie vastgezet met bouten op het kleppendeksel. De bobines worden twee bij twee in serie gevoed (statische tweeling ontsteking) via de aansluitingen C H2 en C H3 van de rekeneenheid van het inspuitsysteem: aansl. C H2 voor de cilinders (1) en (4), aansl. C H3 voor de cilinders (2) en (3). INBOUWEN Ga te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. Vervang indien nodig de O-ringen van de bobines. 17A-1 Editie 2

362 MOTOR V4Y ONTSTEKING Statische ontsteking 17A AANTREKKOPPELS (in dan.m) Bouten van de bobine 0,7 Bougies 2,5 tot 3 BESCHRIJVING De statische ontsteking is een systeem waarmee de hoeveelheid energie voor de bougies hoger is doordat er zich niets bevindt tussen de bougie en de bobine. UITBOUWEN VAN EEN BOBINE Maak de massakabel van de accu los. Voor het uitbouwen van de bobines van de achterste cilinders moet u het inlaatspruitstuk uitbouwen (zie hoofdstuk 12A inlaatspruitstuk-smoorklephuis "Inlaatspruitstuk"). Maak de stekkers los van de bobines, verwijder de bouten (1) waarmee de bobines vastzitten. Dit systeem heeft ook geen bewegende delen. De vermogenstrap is ingebouwd in de rekeneenheid van het inspuitsysteem. De ontsteking gebruikt dus de zelfde opname elementen als het inspuitsysteem. INBOUWEN Ga te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. Vervang indien nodig de O-ringen van de bobines. Er zijn zes bobines, deze zijn direct boven de bougie vastgezet met bouten op het kleppendeksel. De ontstekingsvolgorde is: De bobines worden een voor een in serie gevoed via de aansluitingen B84, B85, B92, B93, B94 en B95 van de rekeneenheid van het inspuitsysteem: aansl. B84 voor cilinder (5), aansl. B85 voor cilinder (6), aansl. B92 voor cilinder (1), aansl. B93 voor cilinder (2), aansl. B94 voor cilinder (3), aansl. B95 voor cilinder (4). 17A-2 Editie 2

363 MOTORS F4R en V4Y ONTSTEKING Bougies 17A Voor het uitbouwen van de bougies, moeten de bobine worden verwijderd (zie hoofdstuk 17A Ontsteking "Statische ontsteking"). Voor het uitbouwen van de bougies gebruikt u de bougiegereedschapset Elé Motor Merk Type F4R CHAMPION RC 8 PYCB Platte zetel met ring Elektrodenafstand: 0,75 mm Aantrekkoppel: 2,5 tot 3 dan.m Motor Merk Type V4Y NGK PLFR5A Platte zetel met ring Elektrodenafstand: 1,1 mm Aantrekkoppel: 2,5 tot 3 dan.m 17A-3 Editie 2

364 MOTOR F4R 217B BENZINE - INSPUITSYSTEEM Plaats van de onderdelen 17B 1 Elektroklep dampafzuiging 2 Voorste lambda sonde 3 Bobines 4 Turbocompressor 5 Elektroklep turbodrukregeling 6 Huis met koelvloeistofverwarmingselementen 7 Opname element koelvloeistoftemperatuur 8 Opname element druk turbodruk 9 Opname element vliegwiel 10 Rekeneenheid inspuitsysteem 11 Opname element luchttemperatuur 12 Gemotoriseerd smoorklephuis 13 Pingeldetector 14 Opname element spruitstukdruk 15 Hoofdinspuitbuis 17B-1 Editie 2

365 MOTOR F4R BENZINE - INSPUITSYSTEEM Plaats van de onderdelen 17B 1 Elektroklep dampafzuiging 3 Bobine 14 Opname element spruitstukdruk 2 Voorste lambda sonde 16 Achterste lambda sonde 5 Elektroklep turbodrukregeling 17 Bedieningsbalg van de turbodrukregelklep 18 Antipompageklep 17B-2 Editie 2

366 MOTOR F4R BENZINE - INSPUITSYSTEEM Plaats van de onderdelen 17B 6 Huis met koelvloeistofverwarmingselementen 9 Opname element vliegwiel 13 Pingeldetector 19 Oliedrukzender 7 Opname element koelvloeistoftemperatuur 8 Opname element turbodruk 11 Opname element luchttemperatuur 17B-3 Editie 2

367 MOTOR F4R BENZINE - INSPUITSYSTEEM Plaats van de onderdelen 17B 20 Benzinedampabsorptievat 22 Inspuitrelais 21 Opname element gaspedaal 17B-4 Editie 2

368 MOTOR V4Y BENZINE - INSPUITSYSTEEM Plaats van de onderdelen 17B 1 Inlaatnokkenasversteller 2 Bobines 3 Opname element nokkenas 4 Koelvloeistoftemperatuurzender 5 Rekeneenheid inspuitsysteem 6 Opname element atmosferische druk 7 Relaisplaat 8 Luchtdoorstroommeter met opname element luchttemperatuur 9 Gemotoriseerd smoorklephuis 10 Elektroklep dampafzuiging 11 Verstuiver 12 Vacuümreservoir 13 Bedieningselektroklep van de inlaatluchtklep 14 Bedieningsbalg van de inlaatluchtklep 17B-5 Editie 2

369 MOTOR V4Y BENZINE - INSPUITSYSTEEM Plaats van de onderdelen 17B 1 Bedieningsbalg van de variabele inlaatluchtklep 2 Vacuümreservoir 3 Bedieningselektroklep van de variabele inlaatluchtklep 4 Elektroklep dampafzuiging 7 Koelvloeistoftemperatuurzender 8 Opname element nokkenas 9 Pulsdemper 5 Nokkenasversteller (voorste cilinders) 6 Bobines 10 Rekeneenheid inspuitsysteem 11 Opname element atmosferische druk 17B-6 Editie 2

370 MOTOR V4Y BENZINE - INSPUITSYSTEEM Plaats van de onderdelen 17B 12 Luchtdoorstroommeter met opname element luchttemperatuur 13 Relais navoeding inspuitsysteem 14 Benzinepomprelais 16 Voorste lambda sonde (voorste cilinders) 17 Achterste lambda sonde (voorste cilinders) 15 Voorste lambda sonde (achterste cilinders) 17B-7 Editie 2

371 MOTOR V4Y 18 Benzinedampabsorptievat BENZINE - INSPUITSYSTEEM Plaats van de onderdelen 21 Hoofdinspuitbuis 17B 19 Pingeldetector 22 Opname element vliegwiel 20 Opname element druk stuurbekrachtiging 17B-8 Editie 2

372 MOTORS F4R en V4Y BENZINE - INSPUITSYSTEEM Opname element gaspedaal 17B ALGEMEEN Het opname element gaspedaal vormt een geheel met het pedaal. Bij vervanging ervan moet ook het gaspedaal worden vervangen. Er zij twee types pedaal: met of zonder zwaar punt. Auto's met een snelheidsregelaar / snelheidsbegrenzer, hebben een gaspedaal met een zwaar punt aan het einde van de slag (Kick-down). Met dit punt kan de begrenzerfunctie worden uitgeschakeld als de bestuurder sneller moet rijden. LET OP: Een pedaal met een zwaar punt kan gemonteerd worden in plaats van een pedaal zonder een zwaar punt. Het ie echter niet toegestaan een pedaal zonder een zwaar punt te monteren in plaats van een pedaal met een zwaar punt. UITBOUWEN Maak los: de accu, de stekker (1) van het gaspedaal. Bouw uit: de drie bevestigingsbouten (2) van het pedaal, het pedaal. Aansl Massa baan 2 Massa baan 1 Signaal baan 1 Voeding baan 1 Voeding baan 2 Signaal baan 2 Omschrijving INBOUWEN Ga te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. N.B.: Een storing in het opname element gaspedaal veroorzaakt een verandering in het stationair toerental of in de werking van de motor (zie hoofdstuk 17B "Stationair toerentalcorrectie"). 17B-9 Editie 2

373 MOTORS F4R en V4Y BENZINE - INSPUITSYSTEEM Rekeneenheid 17B ONMISBAAR SPECIAAL GEREEDSCHAP Mot Trekker voor afbreekbouten ALGEMEEN De rekeneenheid van het inspuitsysteem is onder de accubak gemonteerd. Voor het uitbouwen moet u de accubak verwijderen die met drie afbreekbouten is vastgezet. UITBOUWEN Verwijder de kappen op de motor. Maak de massakabel van de accu los. Bouw de accu uit. Maak de relaiskast (1) los van de accubak en druk hem opzij. Bouw uit: de drie bevestigingsbouten (4) van de accubak met behulp van Mot. 1372, Maak de stekkers los van de rekeneenheid van de automatische transmissie (2) en bouw hem uit (indien aanwezig). Wip de stekkerhouder (3) los van de accubak. Boor de drie antidiefstalbouten in met behulp van een boortje met een diameter van 5 mm in het hart van de bout. de accubak. 17B-10 Editie 2

374 MOTORS F4R en V4Y BENZINE - INSPUITSYSTEEM Rekeneenheid 17B Bouw uit: de bevestigingsbeugel (5) van de kabelbundel, de bevestigingsmoeren (6) van de rekeneenheid, de rekeneenheid door de stekker los te maken. INBOUWEN Ga te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. Vervang de afbreekbouten door nieuwe afbreekbouten. Voer het inlezen van de startvergrendelingscode uit zoals beschreven is in hoofdstuk 82A "Startvergrendeling". 17B-11 Editie 2

375 MOTOR F4R BENZINE - INSPUITSYSTEEM Bijzonderheden 17B BIJZONDERHEDEN MULTIPUNT INSPUITSYSTEEM SAGEM "S 2000 T" Rekeneenheid met 112 aansluitingen merk SAGEM type "S 2000 T" voor het aansturen van de inspuiting en de ontsteking. Sequentieel werkende multipunt inspuiting zonder opname element nokkenas voor het herkennen van cilinder n 1. De inspuiting wordt softwarematig gesynchroniseerd aan de hand van de informatie van het opname element vliegwiel. Waarschuwingslampje voor het inspuitsysteem op het instrumentenpaneel is functioneel. Toepassing van een speciaal lampje van het inspuitsysteem (OBD-lampje "On Board Diagnostic"). Dit lampje houdt verband met de aanwezigheid van het OBD ("On Board Diagnostic") diagnosesysteem. Bijzonder voorzorgen vanwege de startvergrendeling: De startvergrendeling is van de 3 e generatie waardoor er een speciale methode vereist is voor het vervangen van de rekeneenheid. Benzinecircuit zonder retour naar de tank (de drukregelaar bevindt zich in de tank bij tankelement/pomp). Stationair toerental: nominaal stationair toerental 750 tr/min werktoerental automatische transmissie 750 tr/min Stationair toerental correctie afhankelijk van: de airconditioning, het drukcontact stuurbekrachtiging, de accuspanning, de elektrische voorruitverwarming, de koelvloeistofverwarmingselementen. Maximum toerental: Als de koelvloeistoftemperatuur lager is dan 75 C, of gedurende maximaal 15 minuten, is het onderbrekingstoerental 5900 tr/min ter bescherming van een "koude" motor. Zodra de motor warm is, krijgt de onderbreking zijn normale waarde: 6200 tr/min Elektroklep dampafzuiging aangestuurd via een Cyclisch Stuur Signaal (RCO) afhankelijk van het toerental van de motor en de spruitstukdruk. Aansturing van de koelventilateur en van het waarschuwingslampje van de koelvloeistoftemperatuur op het instrumentenpaneel via de rekeneenheid van de inspuiting. Automatische configuratie voor de werking van de snelheidsregelaar/begrenzer en van de airconditioning. Toepassing van twee lambda sondes, één voor en één na de katalysator. Gemotoriseerd smoorklephuis voor de regeling van de luchtdoorlaat en het stationair toerental. 17B-12 Editie 2

376 MOTOR V4Y BENZINE - INSPUITSYSTEEM Bijzonderheden 17B BIJZONDERHEDEN MULTIPUNT INSPUITSYSTEEM HITACHI Rekeneenheid met 121 aansluitingen merk HITACHI. Multipunt sequentieel inspuitsysteem stuur een voor een de inspuitstukken aan in de ontstekingsvolgorde (n 1 en 2 aan distributiezijde, n 1 op de achterste cilinderrij). Statische ontsteking met zes penbobines. Waarschuwingslampje voor het inspuitsysteem op het instrumentenpaneel is functioneel. Plaats van een speciaal waarschuwingslampje van het inspuitsysteem (OBD-lampje "On Board Diagnostic") dat bij het aanzetten van het contact gedurende 3 secondes oplicht. Dit lampje houdt verband met de aanwezigheid van het OBD ("On Board Diagnostic") diagnosesysteem. Bijzonder voorzorgen vanwege de startvergrendeling: De startvergrendeling is van de 3 e generatie waardoor er een speciale methode vereist is voor het vervangen van de rekeneenheid. Benzinecircuit zonder retour naar de tank (de drukregelaar bevindt zich in de tank bij tankelement/pomp). Stationair toerental: nominaal stationair toerental 650 tr/min Stationair toerental correctie afhankelijk van: de airconditioning 700 tr/min het drukcontact stuurbekrachtiging variabel de accuspanning variabel Maximum toerental: 6600 tr/min Elektroklep dampafzuiging aangestuurd via een Cyclisch Stuur Signaal (RCO) afhankelijk van de werking van de motor. Aansturing van de koelventilateur en van het waarschuwingslampje van de koelvloeistoftemperatuur op het instrumentenpaneel door de rekeneenheid van het inspuitsysteem (GCTE-functie: Centrale temperatuurregeling). Automatische configuratie voor de werking van de snelheidsregelaar, afstandsregelaar en snelheidsbegrenzer en voor de werking van de airconditioning. De rekeneenheid van het inspuitsysteem staat het aansturen van de aircocompressor wel of niet toe, afhankelijk van de verzoeken van de aircorekeneenheid en van de bedrijfsomstandigheden van de motor. Toepassing van vier lambda sondes, één voor en één na de voorkatalysators. Continu variabele inlaatnokkenasverstellers aangestuurd door twee elektrokleppen die worden geregeld door de rekeneenheid afhankelijk van de bedrijfsomstandigheden van de motor (toerental/belasting). Gemotoriseerd smoorklephuis voor de regeling van de luchtdoorlaat en het stationair toerental. Verbeterde vulling van de cilinder door een variabel luchtinlaatsysteem. 17B-13 Editie 2

377 MOTOR F4R BENZINE - INSPUITSYSTEEM Waarschuwingslampje inspuitsysteem 17B De auto's hebben een waarschuwingslampje voor het inspuitsysteem, een waarschuwingslampje voor de koelvloeistoftemperatuur op het instrumentenpaneel. Een "OBD"-lampje "On Board Diagnostic" gesymboliseerd door een oranje motor op het scherm in de snelheidsmeter. Het waarschuwingslampje van het inspuitsysteem wordt gesymboliseerd door een oranje sinusoïde en is vergezeld van het bericht "inspuitsysteem defect". Het waarschuwingslampje van de koelvloeistoftemperatuur wordt gesymboliseerd een rode thermometer en is vergezeld van het bericht "koelvloeistoftemperatuur". N.B.: Bij het aanzetten van het contact licht het "OBD"-lampje "On Board Diagnostic") gedurende ongeveer 3 secondes op. WERKINGSPRINCIPE VAN DE LAMPJES Bij een storing van het inspuitsysteem, licht het waarschuwingslampje "inspuitsysteem defect" op en moet de gebruiker een Renault-dealer raadplegen. Deze storingen zijn: storing opname element turbodruk, storing opname element spruitstukdruk, storing opname element luchttemperatuur, opname element gaspedaal, interne storing in de rekeneenheid, storing gemotoriseerd smoorklephuis, storing elektroklep turbodrukregeling, storing voeding rekeneenheid, storing turbodrukcircuit. Als de motor te heet is, licht het waarschuwingslampje van de koelvloeistoftemperatuur op. Als een storing is geconstateerd waardoor de uitlaatemissie te hoog is, licht het "OBD"-lampje (On Board Diagnostic) op: knipperend bij een storing waardoor schade kan ontstaan aan de katalysator (schadelijke ontstekingsuitval), vast als de emissienormen worden overschreden (vervuilende ontstekingsuitval, storing katalysator, storing van de lambda sondes). 17B-14 Editie 2

378 MOTOR V4Y BENZINE - INSPUITSYSTEEM Waarschuwingslampje inspuitsysteem 17B Bij auto's met het benzine-inspuitsysteem van "HITACHI" verschijnen de storingssymbolen en waarschuwingen in woorden op een display op het instrumentenpaneel. WERKINGSPRINCIPE VAN DE LAMPJES Bij een storing van het inspuitsysteem (prioriteit 1), verschijnt het oranje symbool (in de vorm van een sinusoïdale kromme) met de woorden "INSPUITING DEFECT" gevolgd door het woord "SERVICE". De spraakmaker, indien aanwezig, geeft de melding "Storing inspuitsysteem prioriteit 1". Deze storingen zijn: storing opname element atmosferische druk, storing opname element nokkenas, storing opname element vliegwiel, storing opname element koelvloeistoftemperatuur, storing luchtdoorstroommeter, storing opname element gaspedaal, storing gemotoriseerd smoorklephuis, storing verstuivers, Storing elektroklep van inlaatnokkenasversteller, storing rempedaalcontact, storing bedieningselektroklep van de variabele inlaatluchtklep, storing bobines, storing voeding opname elementen, storing rekeneenheid, storing communicatie rekeneenheid inspuitsysteem/rekeneenheid automatische transmissie. Bij een storing van het inspuitsysteem (prioriteit 2), verschijnt het rode symbool (in de vorm van een motor en het woord "STOP") met de woorden "CONTACT UITZETTEN" gevolgd door het woord "STOP". De spraakmaker, indien aanwezig, geeft de melding "Storing inspuitsysteem prioriteit 2". In dit geval moet de motor direct stilgezet worden. Deze storing is: storing motor te heet. Als de motor te heet is geworden, verschijnt het symbool van de storing motortemperatuur op het display met het woord "KOELVLOEISTOFTEMPERATUUR" gevolgd door het woord "STOP". In dit geval moet de motor direct stilgezet worden. Bij het aanzetten van het contact, licht het oranje waarschuwingslampje "On Board Diagnostic" (gesymboliseerd door een motor) 3 secondes op en gaat daarna uit. Als een storing is geconstateerd waardoor de uitlaatemissie te hoog is, licht het oranje OBD-lampje (On Board Diagnostic), gesymboliseerd door een motor, op: knipperend bij een storing waardoor schade kan ontstaan aan de katalysator (schadelijke ontstekingsuitval), vast als er te veel schadelijke uitlaatgassen zijn (vervuilende ontstekingsuitval, storing van de katalysator, storing van de lambda sondes, storing van het benzineaanvoercircuit, geen samenhang tussen de lambda sondes en storing van het dampabsorptievat). 17B-15 Editie 2

379 MOTORS F4R en V4Y BENZINE - INSPUITSYSTEEM Startvergrendeling 17B Deze auto heeft een startvergrendeling van de 3 e generatie, dat wordt aangestuurd door een herkenningssysteem van de RENAULT-kaart met continu variabele code, waardoor er een speciale methode gevolgd moet worden voor het vervangen van de rekeneenheid. VERVANGEN VAN DE REKENEENHEID INSPUITING Zie hoofdstuk 17B Inspuitsysteem "Rekeneenheid" voor de methode voor het uitbouwen-inbouwen van de rekeneenheid. Zie hoofdstuk 82A "Startvergrendeling" voor de functies van de startvergrendeling. De rekeneenheden worden ongecodeerd geleverd, maar in alle rekeneenheden kan een code worden ingelezen. Na het vervangen van een rekeneenheid moet u de code van de auto inlezen in de nieuwe rekeneenheid en vervolgens controleren of de startvergrendeling correct werkt. Hiertoe zet u het contact enkele secondes aan en haalt u vervolgens de sleutel uit het contactslot. De startvergrendeling schakelt na ongeveer 10 secondes in (het rode startvergrendelingslampje knippert). LET OP: Bij dit type startvergrendeling blijft de rekeneenheid levenslang gecodeerd. Ook heeft dit systeem geen noodcode. Het is daarom verboden tests uit te voeren met een uit een andere auto of uit het magazijn geleende rekeneenheid. Deze kunnen niet meer worden gedecodeerd. 17B-16 Editie 2

380 MOTOR F4R BENZINE - INSPUITSYSTEEM Strategie inspuitsysteem - Airconditioning 17B DE AIRCOCOMPRESSOR HEEFT EEN VARIABELE CILINDERINHOUD VERBINDING AIRCONDITIONING / REKENEENHEID INSPUITSYSTEEM De rekeneenheid van de inspuiting stuurt rechtstreeks de compressorkoppeling en houdt daarbij rekening met het door de compressor opgenomen vermogen en de druk van het koelmiddel in het circuit. De informatie die nodig is voor de werking van de airconditioning wordt uitgewisseld via het multiplexnetwerk: Aansl. A A3 multiplexverbinding CAN L (Interieur). Aansl. A A4 multiplexverbinding CAN H (Interieur). Bij het indrukken van de schakelaar van de airconditioning, vraagt het bedieningspaneel van de airconditioning om inschakeling van de airco-koppeling. De rekeneenheid van het inspuitsysteem geeft wel of geen toestemming voor de werking van de airco-koppeling, stuurt de rekeneenheid van het inspuitsysteem aan en zorgt voor een verhoogd stationair toerental. Dit toerental is 900 tr/min. LET OP: De druk van het koudemiddel en het opgenomen vermogen zijn nooit 0, ongeacht of de compressor draait of niet. STRATEGIE VOOR HET STUREN VAN DE COMPRESSOR Onder bepaalde werkomstandigheden, kan de rekeneenheid van het inspuitsysteem middels de rekeneenheid van de airconditioning, het inschakelen van de aircocompressor tegengaan. Strategie bij het starten van de motor De aircocompressor wordt de eerste 10 secondes na het starten van de motor niet ingeschakeld. Strategie voor het behoud van het acceleratievermogen bij het wegrijden op een helling. Om het wegrijden op een helling te verbeteren, wordt de aircocompressor uitgeschakeld gedurende 10 secondes. Beginvoorwaarden Motortoerental hoger dan 1600 tr/min EN rijsnelheid lager dan 10 km/u. EN smoorklepstand hoger dan 30 % EN laagste versnelling 1 e ingeschakeld Eindvoorwaarden Tijdschakeling van 10 secondes verstreken OF rijsnelheid hoger dan 18 km/u EN ingeschakelde versnelling hoger dan de 1 e versnelling Strategie tegen overtoeren De compressor wordt niet gekoppeld (of ontkoppeld) bij toerentallen boven 6304 tr/min. Strategie tegen oververhitting De compressor wordt niet ingeschakeld als de koelvloeistoftemperatuur hoger is dan 115 C bij hoog toerental en zware belasting. 17B-17 Editie 2

381 MOTOR V4Y BENZINE - INSPUITSYSTEEM Strategie inspuitsysteem - Airconditioning 17B DE AIRCOCOMPRESSOR HEEFT EEN VARIABELE CILINDERINHOUD VERBINDING REKENEENHEID AIRCONDITIONING - REKENEENHEID INSPUITSYSTEEM De rekeneenheid van het inspuitsysteem staat het aansturen van de aircocompressor wel of niet toe, afhankelijk van de verzoeken van aircorekeneenheid en van de bedrijfsomstandigheden van de motor. De informatie die nodig is voor de werking wordt uitgewisseld via het multiplexnetwerk: Aansl. A 12 multiplexverbinding CAN H (Interieur). Aansl. A 13 multiplexverbinding CAN L (Interieur). Bij het indrukken van de schakelaar van de airconditioning, vraagt het bedieningspaneel van de airconditioning om inschakeling van de airco-koppeling. De rekeneenheid van het inspuitsysteem geeft wel of geen toestemming voor de werking van de airco-koppeling, stuurt de rekeneenheid van het inspuitsysteem aan en zorgt voor een verhoogd stationair toerental. Dit toerental is 700 tr/min. LET OP: De druk van het koudemiddel en het opgenomen vermogen zijn nooit 0, ongeacht of de compressor draait of niet. STRATEGIE VOOR HET STUREN VAN DE COMPRESSOR Onder bepaalde werkomstandigheden, kan de rekeneenheid van het inspuitsysteem middels de rekeneenheid van de airconditioning, het inschakelen van de aircocompressor tegengaan. Strategie bij het starten van de motor De aircocompressor wordt de eerste 10 secondes na het starten van de motor niet ingeschakeld. Strategie tegen oververhitting De compressor wordt niet ingeschakeld als de koelvloeistoftemperatuur hoger is dan 115 C. Hij wordt weer ingeschakeld als de koelvloeistoftemperatuur lager is dan 110 C. Behoud van vermogen De compressor wordt gedurende 5 secondes ontkoppeld als: Beginvoorwaarde het gaspedaal diep wordt ingedrukt, meer dan 67. Eindvoorwaarden tijdschakeling van 5 secondes verstreken, het gaspedaal wordt ingedrukt, minder dan B-18 Editie 2

382 MOTOR V4Y BENZINE - INSPUITSYSTEEM Strategie inspuitsysteem - Airconditioning 17B Strategie tegen overtoeren De compressor wordt ontkoppeld als het motortoerental hoger is dan 5400 tr/min in weer ingekoppeld als het motortoerental lager is dan 4900 tr/min. Strategie tegen afslaan door stuurbekrachtiging Koelvloeistoftemperatuur hoger dan 60 C. Als de stuurbekrachtiging daarbij in werking komt als de rijsnelheid lager is dan 30 km/u of als het gaspedaal in de stand "gas los" staat, dan wordt de compressor gedurende 5 secondes ontkoppeld. 17B-19 Editie 2

383 MOTOR F4R BENZINE - INSPUITSYSTEEM Gemotoriseerd smoorklephuis 17B GEMOTORISEERD SMOORKLEPHUIS Het gemotoriseerd smoorklephuis verzorgt de regeling van het stationair toerental en van de luchttoevoer naar de motor. Het bestaat uit een elektromotor en twee potentiometers voor het meten van de smoorklepstand. Als de motor stationair draait, staat de smoorklep in een vaste stand die afhankelijk is van het berekende toerental. Voor de berekening wordt rekening gehouden met belangrijke verbruikers (airconditioning) en de werkomstandigheden (lucht- en koelvloeistoftemperatuur). Als de bestuurder het gaspedaal indrukt, wordt dit verzoek vertaald door de smoorklep te openen ter verbetering van het rijcomfort, is de opening van de smoorklep niet recht evenredig met het verzoek van de bestuurder. Ter voorkoming van schokken, om het overschakelen te vergemakkelijken en voor de veiligheidssystemen, kan het smoorklephuis het koppel van de motor variëren. NOODPROGRAMMA VAN HET GEMOTORISEERD SMOORKLEPHUIS Er zijn drie types noodprogramma's van het gemotoriseerd smoorklephuis. Beperkt vermogen programma: dit is het programma voor elektrische storingen waarbij een veilige oplossing is voor het inspuitsysteem (signaal ontbreekt van een van de twee banen van het opname element gaspedaal of van de smoorklepweerstand). Dit programma beperkt het accelereren en begrenst de maximale opening van de smoorklep. Programma geen informatie bestuurder: ook wel "elektrisch noodprogramma" genoemd. Dit programma komt in werking als er totaal geen informatie van het gaspedaal is, maar de rekeneenheid van het inspuitsysteem nog wel de luchttoevoer naar de motor regelt (de bekrachtiging van de smoorklep werkt nog wel). In dit programma, zorgt de rekeneenheid van het inspuitsysteem voor een gegeven motortoerental in elke versnelling en zorgt voor een stationair toerental bij een druk op het rempedaal. Mechanisch noodprogramma: dit is het programma voor de storingen die ertoe leiden dat de smoorklep niet meer bekrachtigd kan worden. In dit geval staat de smoorklep in de mechanische ruststand, en beperkt de rekeneenheid van het inspuitsysteem het toerental door het onderbreken van de inspuiting. N.B.: Bij al deze programma's brandt het waarschuwingslampje inspuitsysteem op het instrumentenpaneel. 17B-20 Editie 2

384 MOTOR V4Y BENZINE - INSPUITSYSTEEM Gemotoriseerd smoorklephuis 17B GEMOTORISEERD SMOORKLEPHUIS Het gemotoriseerd smoorklephuis verzorgt de regeling van het stationair toerental en van de luchttoevoer naar de motor. Het bestaat uit een elektromotor en twee potentiometers voor het meten van de smoorklepstand. Als de motor stationair draait, staat de smoorklep in een vaste stand die afhankelijk is van het berekende toerental. Voor de berekening wordt rekening gehouden met belangrijke verbruikers (airconditioning) en de werkomstandigheden (lucht- en koelvloeistoftemperatuur). Als de bestuurder het gaspedaal indrukt, wordt zijn verzoek vertaald in een vraag naar koppel die leidt tot het openen van de smoorklep en een ontstekingsvervroeging. Ter voorkoming van schokken, om het overschakelen te vergemakkelijken en voor de veiligheidssystemen, kan het smoorklephuis het koppel van de motor variëren. NOODPROGRAMMA VAN HET GEMOTORISEERD SMOORKLEPHUIS Er zijn drie types noodprogramma's van het gemotoriseerd smoorklephuis. Beperkt vermogen programma: dit is het programma voor elektrische storingen waarbij een veilige oplossing is voor het inspuitsysteem (signaal ontbreekt van een van de twee banen van het opname element gaspedaal of van de smoorklepweerstand). Dit programma beperkt het accelereren en begrenst de maximale opening van de smoorklep. Mechanisch noodprogramma: dit is het programma voor de storingen die ertoe leiden dat de smoorklep niet meer bekrachtigd kan worden of waardoor er geen informatie van het pedaal is. In deze gevallen staat de smoorklep in de mechanische ruststand, en beperkt de rekeneenheid van het inspuitsysteem het toerental door het onderbreken van de inspuiting. N.B.: Bij al deze programma's brandt het waarschuwingslampje inspuitsysteem op het instrumentenpaneel. 17B-21 Editie 2

385 MOTOR F4R BENZINE - INSPUITSYSTEEM Correctie stationair toerental 17B STATIONAIR TOERENTALCORRECTIE AFHANKELIJK VAN DE KOELVLOEISTOFTEMPERATUUR Koelvloeistoftemperat uur in C ± 1 Motortoerental in tr/min CORRECTIE AFHANKELIJK VAN STROOMVERBRUIK EN ACCUSPANNING Met behulp hiervan wordt een eventuele spanningsval gecompenseerd, ontstaan door het inschakelen van stroomverbruikers bij een niet goed geladen accu. Deze correctie begint als de spanning lager wordt dan 12,7 V en kan een maximum toerental bereiken van 910 tr/min. VERBINDING DRUKCONTACT STUURBEKRACHTIGING - REKENEENHEID INSPUITING De rekeneenheid van het inspuitsysteem krijgt informatie van het drukcontact van de stuurbekrachtiging en om deze energieabsorptie te compenseren, kan het stationair toerental worden verhoogd. Het stationair toerental wordt verhoogd naar 784 tr/min. STATIONAIR TOERENTALCORRECTIE AFHANKELIJK VAN DE ELEKTRISCHE VOORRUITVERWARMING Als de voorruit is ingeschakeld en als de koelvloeistoftemperatuur lager is dan 60 C, wordt het stationair toerental vast 990 tr/min. STATIONAIR TOERENTALCORRECTIE AFHANKELIJK VAN DE KOELVLOEISTOFVERWARMING Als de koelvloeistofverwarmingselementen zijn ingeschakeld (koelvloeistoftemperatuur lager dan 75 C) wordt het stationair toerental vast tussen 900 en 1000 tr/min. STATIONAIR TOERENTALCORRECTIE BIJ EEN STORING IN HET OPNAME ELEMENT GASPEDAAL Bij een storing in de twee potentiometers van het gaspedaal, wordt het motortoerental gebracht op ongeveer 1500 tr/min. Als het rempedaal wordt ingedrukt, gaat dit toerental weer naar 750 tr/min. STATIONAIR TOERENTALCORRECTIE BIJ EEN STORING IN HET GEMOTORISEERD SMOORKLEPHUIS Bij een storing in de twee potentiometers van de smoorklep, gaat het smoorklephuis in de stand "mechanisch noodprogramma" (mechanische aanslag) Het toerental van de motor is begrensd op 2500 tr/min. N.B.: Na een koude start en langdurig stationair draaien, kan het toerental onverwacht dalen met 220 tr/min. Dit wordt veroorzaakt door een ingebouwde tijdschakeling. 17B-22 Editie 2

386 MOTOR V4Y BENZINE - INSPUITSYSTEEM Correctie stationair toerental 17B STATIONAIR TOERENTALCORRECTIE AFHANKELIJK VAN DE KOELVLOEISTOFTEMPERATUUR Koelvloeistofte mperatuur in C ± 1 Motortoerental in tr/min CORRECTIE AFHANKELIJK VAN STROOMVERBRUIK EN ACCUSPANNING Met behulp hiervan wordt een eventuele spanningsval gecompenseerd, ontstaan door het inschakelen van stroomverbruikers bij een niet goed geladen accu. Deze correctie begint als de spanning lager is dan 12,8 V gedurende 10 secondes en kan een maximum toerental bereiken van 850 tr/min. VERBINDING DRUKCONTACT STUURBEKRACHTIGING - REKENEENHEID INSPUITING Om de energieopname van de stuurbekrachtiging te compenseren, krijgt de rekeneenheid van het inspuitsysteem informatie over de druk in het stuurbekrachtigingscircuit (aansl. A18). Hij kan het stationair toerental met enkele toeren per minuut verhogen. STATIONAIR TOERENTALCORRECTIE BIJ EEN STORING IN HET OPNAME ELEMENT GASPEDAAL Bij een storing in de twee banen van de potentiometer van het gaspedaal, wordt het motortoerental gebracht op 2000 tr/min. STATIONAIR TOERENTALCORRECTIE BIJ EEN STORING IN HET GEMOTORISEERD SMOORKLEPHUIS Bij een storing in de twee banen van de potentiometer van de smoorklep, gaat het smoorklephuis in de "mechanische noodstand" (mechanische aanslag van het smoorklephuis). Het motortoerental is begrensd op ongeveer 1800 tr/min. 17B-23 Editie 2

387 MOTOR F4R BENZINE - INSPUITSYSTEEM Adaptieve correctie stationair toerental 17B ADAPTIEVE CORRECTIE VAN HET STATIONAIR TOERENTAL PRINCIPE Bij de normaal gebruikstemperatuur van de motor, varieert de waarde van het stuursignaal (RCO) bij het stationaire toerental vanuit een middenwaarde tussen een hoge en een lage waarde om het nominale stationair toerental te krijgen. Door veranderingen tijden het gebruik (inrijden, vervuiling in de motor...) kan de waarde van het cyclisch stuursignaal (RCO.) dicht bij de hoogste of laagste waarde komen. De adaptieve correctie van het RCO-signaal corrigeert de langzame variaties van de luchtbehoefte van de motor, om het RCO-signaal op een gemiddelde waarde te houden. Deze correctie is alleen effectief als de koelvloeistof warmer is dan 75 C en 32 secondes na het starten van de motor en in de regelfase van het stationaire toerental. STUURSIGNAAL STATIONAIR TOERENTAL EN ZIJN ADAPTIEVE CORRECTIE Nominaal toerental Spruitstukdruk stationair Stuursignaal Stationair Toerental (RCO) Adaptieve correctie Stationair Toerental (RCO) X = 750 tr/min X = 320 mbar 3 % X 30 % Laagste waarde: - 7,8 % Hoogste waarde: + 7,8 % BETEKENIS VAN DE PARAMETERS Bij een te grote luchtaanvoer (valse lucht, smoorklepaanslag ontregeld...) stijgt het stationair toerental, en wordt de waarde van RCO-stuursignaal kleiner om het stationaire toerental op de voorgeschreven waarde te houden; de waarde van de adaptieve correctie neemt af om het stuursignaal opnieuw te centreren. Bij een te geringe luchtaanvoer (vervuiling enz.) is de werking tegenovergesteld: de waarde van het RCOstuursignaal wordt groter en de adaptieve correctie wordt ook groter, om het stuursignaal opnieuw te centreren rond de gemiddelde waarde. BELANGRIJK: Na het wissen van de geheugens van de rekeneenheid, moet u de motor starten, stilzetten, en daarna de motor stationair laten draaien zodat de adaptieve correctie zich correct kan instellen. 17B-24 Editie 2

388 MOTOR F4R BENZINE - INSPUITSYSTEEM Mengselregeling 17B MENGSELREGELING De motor met rekeneenheid "SAGEM S 2000 T" heeft twee lambda sondes: een voor en een achter de katalysator. VERWARMING VAN DE SONDES De verwarming van de lambda sondes wordt gestuurd door de rekeneenheid: de druk in het inlaatspruitstuk is lager dan een waarde die bepaald wordt door een kenveld van de motorwerking, de snelheid is lager dan 135 km/u, na een bepaalde tijd, afhankelijk van het toerental van de motor (buiten gas los) en de koelvloeistoftemperatuur. De verwarming van de lambda sondes stopt: als de snelheid hoger is dan 140 km/h (waarde wordt ter informatie gegeven), bij zware belasting van de motor. SPANNING VAN DE VOORSTE SONDE De waarde die het diagnoseapparaat geeft bij de parameter "spanning voorste lambda sonde" is de spanning die de voor de katalysator geplaatste lambda sonde afgeeft aan de rekeneenheid. Deze waarde wordt uitgedrukt in millivolts. In de mengselregelfase, moet de spanning snel schommelen tussen twee waarden: 100 mv ± 100 voor een arm mengsel, 800 mv ± 100 voor een rijk mengsel. Hoe kleiner het verschil tussen deze waarden, hoe onbetrouwbaarder de informatie (het verschil is meestal ten minste 500 mv). N.B.: Als het verschil klein is, controleer dan de verwarming van de lambda sonde. SPANNING VAN DE ACHTERSTE LAMBDA SONDE De waarde die het diagnoseapparaat geeft bij de parameter "spanning achterste lambda sonde" is de spanning die de achter de katalysator geplaatste lambda sonde afgeeft aan de rekeneenheid. Deze waarde wordt uitgedrukt in millivolts. Met deze sonde wordt de werking gecontroleerd van de katalysator en een tweede, nauwkeurige controle uitgevoerd van het mengsel (langzame regelcyclus). Deze functie treedt pas in werking als de motor reeds enige tijd draait. In de regelfase, en bij stabiel toerental, moet de spanning variëren binnen een gebied van 600 mv ± 100. Bij afremmen op de motor, moet de spanning lager zijn dan 200 mv. Let niet op de waarde van de spanning op het diagnoseapparaat bij stationair draaien. 17B-25 Editie 2

389 MOTOR F4R BENZINE - INSPUITSYSTEEM Mengselregeling 17B MENGSELCORRECTIE De waarde die het diagnoseapparaat aangeeft bij de parameter "mengselcorrectie" is een weergave van de gemiddelde mengselcorrectie die door de rekeneenheid wordt uitgevoerd aan de hand van de informatie over de menselsamenstelling welke afkomstig is van de voorste lambda sonde. De lambda sonde analyseert in feite de hoeveelheid zuurstof in de uitlaatgassen, wat een maat is voor de samenstelling van het benzine/luchtmengsel. De correctie heeft als middenwaarde 128 en als uitersten 0 en 255: waarde lager dan 128: het mengsel moet armer worden, waarde hoger dan 128: het mengsel moet rijker worden. ACTIVEREN VAN DE MENGSELREGELING Regelfase Het activeren van de regeling gebeurt na een startvertraging van maximaal 15 minuten en als de koelvloeistoftemperatuur hoger is dan 0 C. Regelfase uitgeschakeld Tijdens de regelfase, houdt de rekeneenheid onder bepaalde omstandigheden geen rekening met de door de sonde afgegeven spanning, deze omstandigheden zijn: bij vol gas, bij sterk accelereren, bij afremmen op de motor bij gas los signaal, bij een defecte lambda sonde. NOODPROGRAMMA BIJ EEN DEFECTE LAMBDA SONDE Als de spanning van de lambda sonde niet goed is (varieert nauwelijks of helemaal niet) in de regelfase, schakelt de rekeneenheid pas over op het noodprogramma als de storing gedurende 3 minuten aanwezig is geweest.. De storing wordt ook slechts in dat geval in het geheugen geregistreerd. In dit geval is de parameter "mengselcorrectie" 116 of 152. Wanneer een defect in de sonde wordt geconstateerd terwijl dit defect reeds in het geheugen is geregistreerd schakelt de rekeneenheid de regeling direct uit. 17B-26 Editie 2

390 MOTOR V4Y BENZINE - INSPUITSYSTEEM Mengselregeling 17B De motor met rekeneenheid "HITACHI" heeft twee lambda sondes voor en achter de katalysator. VERWARMING VAN DE SONDES De verwarming van de voorste lambda sondes wordt aangestuurd door de rekeneenheid als aan alle volgende voorwaarden is voldaan: het motortoerental is lager dan 2800 tr/min, de accuspanning is lager dan 15 V, na een vertraging, na het starten, van 4 secondes, als er geen storing is van de lambda sondes. De verwarming van de achterste lambda sondes wordt aangestuurd door de rekeneenheid als aan alle volgende voorwaarden is voldaan: het motortoerental is lager dan 3200 tr/min, de accuspanning is lager dan 15 V, na een vertraging, na het starten, van 2 minuten, als er geen storing is van de lambda sondes. SPANNING VAN DE VOORSTE SONDE De waarde die het diagnoseapparaat geeft bij de parameter "spanning voorste lambda sonde" is de spanning die de voor de katalysator geplaatste lambda sonde afgeeft aan de rekeneenheid. Deze waarde wordt uitgedrukt in millivolts. Als de rekeneenheid het mengsel corrigeert afhankelijk van de twee sondes, is de regelkring "gesloten". In de mengselregelfase, moet de spanning snel schommelen tussen twee waarden: 100 en 600 mv voor een arm mengsel, 350 en 800 mv voor een rijk mengsel. Hoe kleiner het verschil tussen deze waarden, hoe onbetrouwbaarder de informatie van de sonde. N.B.: Als het verschil klein is, controleer dan de verwarming van de lambda sonde. SPANNING VAN DE ACHTERSTE LAMBDA SONDE De waarde die het diagnoseapparaat geeft bij de parameter: "Spanning achterste lambda sonde" is de spanning die de achter de katalysator geplaatste lambda sonde afgeeft aan de rekeneenheid. Deze waarde wordt uitgedrukt in millivolts. Met deze sonde wordt de werking gecontroleerd van de katalysator en een tweede, nauwkeurige controle uitgevoerd van het mengsel (langzame regelcyclus). Deze functie treedt pas in werking als de motor reeds enige tijd draait. In de regelfase, en bij stabiel toerental, moet de spanning variëren tussen 430 en 480 mv. Bij afremmen op de motor, moet de spanning variëren rond 0 mv. Let niet op de waarde van de spanning op het diagnoseapparaat bij stationair draaien. 17B-27 Editie 2

391 MOTOR V4Y BENZINE - INSPUITSYSTEEM Mengselregeling 17B MENGSELCORRECTIE De waarde die het diagnoseapparaat aangeeft bij de parameter: PR173 en PR174, "Mengselregeling rij 1 of 2", is een weergave van de gemiddelde mengselcorrectie die door de rekeneenheid wordt uitgevoerd aan de hand van de informatie over de menselsamenstelling welke afkomstig is van de voorste lambda sonde (de lambda sonde analyseert in feite het zuurstofgehalte in de uitlaatgassen). De correctiewaarde heeft als middelpunt 100 %: waarde lager dan 100 %: verzoek om verarming, waarde hoger dan 100 %: verzoek om verrijking. ACTIVEREN VAN DE MENGSELREGELING Het activeren van de regeling gebeurt na een startvertraging (afhankelijk van de koelvloeistoftemperatuur), die varieert van 6 secondes bij een temperatuur hoger dan 80 C tot 30 secondes bij een temperatuur lager dan - 10 C. Regelfase uitgeschakeld Tijdens de regelfase, houdt de rekeneenheid onder bepaalde omstandigheden geen rekening met de door de sonde afgegeven spanning, deze omstandigheden zijn: bij vol gas, bij sterk accelereren, bij afremmen op de motor met onderbreking van de inspuiting, bij een defecte lambda sonde. NOODPROGRAMMA BIJ EEN DEFECTE LAMBDA SONDE Als de spanning van de lambda sonde niet goed is (varieert nauwelijks of helemaal niet) in de regelfase, schakelt de rekeneenheid pas over op het noodprogramma als de storing gedurende 3 minuten aanwezig is geweest. In dit geval, zijn de parameters "Mengselregeling rij 1 of 2" 100 %". Wanneer een defect in de sonde wordt geconstateerd terwijl dit defect reeds in het geheugen is geregistreerd schakelt de rekeneenheid de regeling direct uit. 17B-28 Editie 2

392 MOTOR F4R BENZINE - INSPUITSYSTEEM Adaptieve mengselcorrectie 17B PRINCIPE Tijdens de regelfase, corrigeert de mengselregeling de inspuitduur zodat de dosering zo dicht mogelijk bij de mengselverhouding lambda = 1 is. De correctiewaarde ligt dicht bij 128, met als uitersten 0 en 255. De adaptieve mengselcorrectie verschuift het inspuitgebied zodat de mengselregeling weer wordt gecentreerd rondom 128. Als het geheugen van de rekeneenheid schoon is, zijn de adaptieve correctiewaarden gemiddeld 128 met als uiterste waarden: Mengselcorrectie 60 X 190 Adaptieve mengselcorrectie belast 82 X 224 Adaptieve mengselcorrectie stationair 32 X 224 Omstandigheden: warme motor: koelvloeistoftemperatuur hoger dan 70 C, motortoerental niet boven 4000 tr/min, losgenomen dampabsorptievat bij de elektroklep of afgesloten afzuigslang op de motor. Te doorlopen drukgebieden tijdens de proefrit Er zijn vijf drukgebieden die tijdens de rit moeten worden doorlopen, deze zones zijn als volgt vastgelegd: Drukgebied n 1 (mbar) Drukgebied n 2 (mbar) Drukgebied n 3 (mbar) Drukgebied n 4 (mbar) Drukgebied n 5 (mbar) MOTOR F4R Gemiddeld 325 Gemiddeld 458 Gemiddeld 576 Gemiddeld 694 Gemiddeld 1025 Uitschakeling van de adaptieve waarden bij langdurige stationair toerentalregeling bij warme motor Als de koelvloeistoftemperatuur hoger is dan 80 C tijdens langer dan 10 secondes stationair draaien, dan worden de adaptieve waarden vastgezet tot aan het einde van het stationair draaien. Na deze rit zijn de correcties operationeel. U moet nu nog 5 tot 10 kilometer soepel en met wisselende snelheden doorrijden. Noteer na deze proefrit de waarden van de adaptieve correcties. Zij mogen nu niet meer 128 (de beginwaarde) zijn. Zoniet, maak dan opnieuw een proefrit en let daarbij beter op de voorgeschreven omstandigheden. BETEKENIS VAN DE WAARDEN VAN DE PROEFRIT Bij onvoldoende brandstoftoevoer (inspuitstukken vervuild, benzinedruk te laag...), neemt de waarde van de mengselregeling toe om lambda = 1 te houden en neemt de adaptieve mengselcorrectie toe om de middenwaarde van de mengselcorrectie op 128 te houden. Bij een te grote brandstoftoevoer, gebeurt het omgekeerde. 17B-29 Editie 2

393 MOTOR V4Y BENZINE - INSPUITSYSTEEM Adaptieve mengselcorrectie 17B PRINCIPE Tijdens de regelfase, corrigeert de mengselregeling (PR173 en 174) de inspuitduur zodanig dat de mengselverhouding zo dicht mogelijk bij lambda = 1 ligt. De correctie is dicht bij 100 % en als uitersten 75 % en 125 % De adaptieve mengselcorrectie (PR177 en 178) verschuift het inspuitgebied zodat de mengselregeling weer wordt gecentreerd rondom 100 %. De adaptieve correctie is 100 % na het initialiseren (wissen van het geheugen) en heeft als uiterste waarden 74 % en 139 %. Mengselregeling rij 1 of 2 75 % PR173 en % Adaptieve mengselregeling rij 1 of 2 74 % PR 77 en % Omstandigheden voor het inlezen van de adaptieve mengselcorrectie: warme motor, koelvloeistoftemperatuur hoger dan 70 C, mengselregeling actief, losgenomen dampabsorptievat bij de elektroklep of afgesloten afzuigslang op de motor. Na deze rit zijn de correcties operationeel. U moet nu nog 5 tot 10 kilometer soepel en met wisselende snelheden doorrijden. Noteer na deze proefrit de waarden van de adaptieve correcties. Zij mogen nu niet langer 100 % (de beginwaarde) zijn. Zoniet, maak dan opnieuw een proefrit en let daarbij beter op de voorgeschreven omstandigheden. BETEKENIS VAN DE WAARDEN VAN DE PROEFRIT Bij onvoldoende brandstofaanvoer, neemt de waarde van de mengselregeling (PR173 en 174) toe om lambda zo dicht mogelijk bij 1 te houden en worden de adaptieve correcties groter om de mengselcorrectie weer rond 100 % te laten schommelen. Bij een te grote brandstoftoevoer, gebeurt het omgekeerde. 17B-30 Editie 2

394 MOTOR F4R BENZINE - INSPUITSYSTEEM Centrale koelvloeistoftemperatuurregeling 17B De koelventilateur wordt aangestuurd door de rekeneenheid van de inspuiting. ANTIDAMPBELFUNCTIE Het antidampbelsysteem wordt aangestuurd door de rekeneenheid van het inspuitsysteem. De informatie van de koelvloeistoftemperatuur is afkomstig van het inspuitsysteem. Na het afzetten van het contact, staat het systeem standby. Als de koelvloeistof warmer wordt dan 107 ºC gedurende de 49 secondes volgend op het stilzetten van de motor, wordt de lage snelheid van de ventilateurmotor aangestuurd. Als de temperatuur van de koelvloeistof weer lager is dan 85 ºC, wordt de voeding van het relais van de ventilateurmotor uitgeschakeld (de ventilateurmotor draait niet langer dan 10 minuten). WERKING VAN DE KOELVENTILATEURS De koelventilateur wordt met de lage snelheid aangestuurd als de koelvloeistof warmer is dan 98 ºC en wordt weer uitgeschakeld zodra de temperatuur onder 95 ºC zakt, De koelventilateur wordt met de hoge snelheid aangestuurd als de koelvloeistof warmer is dan 102 ºC en wordt weer uitgeschakeld zodra de temperatuur onder 99 ºC zakt. WERKING VAN HET WAARSCHUWINGSLAMPJE KOELVLOEISTOFTEMPERATUUR Het lampje van de temperatuur brandt vast als de koelvloeistoftemperatuur hoger is dan 118 C. Het gaat uit als de temperatuur lager wordt dan 115 C. WERKING VAN ELEKTRISCHE WATERPOMP (KOELING VAN DE TURBOCOMPRESSOR) Bij dit systeem wordt de koeling van de turbocompressor geregeld door de rekeneenheid van het inspuitsysteem. De informatie van de koelvloeistoftemperatuur is afkomstig van het inspuitsysteem. Na het afzetten van het contact, staat het systeem standby. Als de temperatuur van de koelvloeistof warmer wordt dan 107 C gedurende de 3 minuten volgend op het stilzetten van de motor, wordt de lage snelheid van de koelventilateur aangestuurd. Als de temperatuur van de koelvloeistof weer lager is dan 80 C, wordt de voeding van het relais van de koelventilateur uitgeschakeld (de koelventilateur draait niet langer dan 10 minuten). 17B-31 Editie 2

395 MOTOR V4Y BENZINE - INSPUITSYSTEEM Centrale koelvloeistoftemperatuurregeling 17B De koelventilateur wordt aangestuurd door de rekeneenheid van de inspuiting. ANTIDAMPBELFUNCTIE Het antidampbelsysteem wordt aangestuurd door de rekeneenheid van het inspuitsysteem. De informatie van de koelvloeistoftemperatuur is afkomstig van het inspuitsysteem. Na het afzetten van het contact, staat het systeem standby. Als de temperatuur van de koelvloeistof hoger wordt dan 102 C gedurende de 2 minuten die volgen op het stilzetten van de motor, wordt het relais van de lage ventilateursnelheid gevoed. Als de koelvloeistoftemperatuur weer lager is dan 95 C, wordt het relais van de koelventilateur uitgeschakeld. De koelventilateur krijgt maximaal 10 minuten voeding. WERKING VAN DE KOELVENTILATEURS De koelventilateur wordt met de lage snelheid aangestuurd als de koelvloeistof warmer is dan 99 ºC en wordt weer uitgeschakeld zodra de temperatuur lager is dan 95 ºC. De koelventilateur wordt met de hoge snelheid aangestuurd als de koelvloeistof warmer is dan 102 ºC en wordt weer uitgeschakeld zodra de temperatuur onder 99 ºC zakt. WERKING VAN HET WAARSCHUWINGSLAMPJE KOELVLOEISTOFTEMPERATUUR Het waarschuwingslampje licht op als de koelvloeistoftemperatuur hoger wordt dan 118 ºC en dooft weer als de temperatuur is gedaald tot 114 ºC. TOERENBEGRENZING BIJ TE HETE MOTOR Als de motor te heet is, wordt het motortoerental begrensd op ongeveer 6375 tr/min. 17B-32 Editie 2

396 MOTOR V4Y BENZINE - INSPUITSYSTEEM Inlaatnokkenasverstellers 17B De nokkenasverstellers zijn op de inlaatnokkenassen gemonteerd. Hun taak is de afstelling van de distributie te variëren. Zij worden continu aangestuurd door de rekeneenheid van het inspuitsysteem via twee elektrokleppen. De elektrokleppen worden aangestuurd door een "RCO"-signaal (Cyclisch Stuur Signaal). Deze regelen de oliedoorlaat naar de nokkenasverstellers, afhankelijk van de werkomstandigheden van de motor. VOORWAARDEN VOOR DE WERKING De elektrokleppen voor het bedienen van de nokkenasverstellers worden aangestuurd als aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan: geen storing opname element vliegwiel, geen storingen in het inspuitsysteem, geen storingen van de opname elementen stand nokkenas, na het starten van de motor, niet stationair toerental, accuspanning tussen 10 en 16 V, motortoerental > 1200 tr/min, koelvloeistoftemperatuur tussen 60 en 120 C. 17B-33 Editie 2

397 MOTOR F4R BENZINE - INSPUITSYSTEEM Koelvloeistofverwarmingselement 17B De drie verwarmingselementen bevinden zich op een koelvloeistofhuis op de cilinderkop, ter hoogte van de verbinding tussen motor en versnellingsbak. Dit systeem wordt gebruikt voor het op temperatuur brengen van de koelvloeistof. De verwarmingselementen worden via twee relais met 12 V bekrachtigd. Het ene relais bedient twee verwarmingselementen, het andere relais slechts één. Op deze manier is het mogelijk een, twee of drie verwarmingselementen aan te sturen, al naar gelang de omstandigheden. De weerstand van de verwarmingselementen is: 0,45 ± 0,05 Ω bij 20 C. Werking Als de verwarmingselementen zijn ingeschakeld, wordt het stationair toerental gebracht op 1000 tr/min. De verwarmingselementen zijn uitgeschakeld bij: ingeschakelde voorruitverwarming, als de koelvloeistoftemperatuur hoger is dan 75 ºC, als de accuspanning lager is dan 13 V. Als aan deze voorwaarden is voldaan bepalen de luchttemperatuur en de koelvloeistoftemperatuur het programma voor het bekrachtigen van de verwarmingselementen. X Y Koelvloeistoftemperatuur in C Luchttemperatuur in C Niet gearceerde zone: verwarmingselement uit Gearceerde zone: verwarmingselement aan 17B-34 Editie 2

398 MOTOR F4R BENZINE - INSPUITSYSTEEM Koelvloeistofverwarmingselement 17B Als de accuspanning > 13 V Als dit niet zo is dan Geen voeding verwarmingselementen Voeding van een verwarmingselement Als na 20 secondes de accuspanning > 13 V Als dit niet zo is dan Geen voeding verwarmingselementen Voeding van twee verwarmingselementen Als na 20 secondes de accuspanning > 13 V Als dit niet zo is dan Geen voeding verwarmingselementen Voeding van drie verwarmingselementen zolang de accuspanning > 13 V en zolang nog niet aan de eerder genoemde omstandigheden wordt voldaan. 17B-35 Editie 2

399 MOTOR F4R BENZINE - INSPUITSYSTEEM Regeling van de turbodruk 17B REGELING VAN DE TURBODRUK De turbodruk wordt geregeld door de stand van de drukregelklep (wastegate). PRINCIPE Deze drukregelklep, die via een steel is verbonden met de balg van de wastegate, wordt aangestuurd door de rekeneenheid van het inspuitsysteem via een elektroklep. Deze elektroklep, geopend in de ruststand, is geplaatst op de inlaatslang tussen het luchtfilter en de ingang van de turbocompressor. In de ruststand (geopend), verbindt deze elektroklep de uitgang van de turbocompressor (de turbodruk) en de bedieningsbalg van de drukregelklep. Hierdoor werkt de turbodruk rechtstreeks op de balg, de drukregelklep (wastegate) opent zich en de maximaal mogelijke druk is ongeveer 1350 mbar mbar, ongeacht het toerental van de motor (dit is de minimale drukvulling van de motor). Als de elektroklep wordt aangestuurd, wordt de informatie van de turbodruk (bij de uitgang van de turbocompressor) omgeleid naar de ingang van de turbocompressor. Hierdoor werkt de turbodruk niet op de balg, de drukregelklep (wastegate) sluit zich tot een stand die wordt bepaald door het regelsysteem. Behalve de regeling van de turbodruk, stuurt de rekeneenheid de motor aan voor een gelijkblijvend koppel bij volle belasting. Dat wil zeggen dat, ongeacht de omstandigheden van de motor (luchttemperatuur, atmosferische druk...) het maximale koppel altijd 250 N.m is en het vermogen 120 kw. Hierdoor is bij een luchttemperatuur van 20 C, de turbodruk bij volle belasting lager dan bij 50 C. Ondanks de koppelregeling, kan de turbodruk nooit hoger worden dan 1800 mbar. REGELING VAN DE TURBODRUK De turbodruk is dus afhankelijk van de stand van de elektroklep van de turbodruk, die wordt aangestuurd door een RCO-signaal (cyclisch stuursignaal). De turbodruk wordt geregeld als: de koelvloeistoftemperatuur hoger is dan 30 C, de turbodruk hoger is dan 1100 mbar. LET OP: De waarde van de gesloten elektroklep is nooit 0. De minimale waarde is ongeveer 1,13 % de maximale waarde is ook geen 100 %, maar is 98,8 %. 17B-36 Editie 2

400 MOTOR F4R BENZINE - INSPUITSYSTEEM Regeling van de turbodruk 17B ADAPTIEVE CORRECTIE VAN DE TURBODRUK Onder normale bedrijfsomstandigheden, varieert de waarde van het RCO-signaal naar de elektroklep voor de regeling van de turbodruk tussen een hoge en een lage waarde om de gewenste turbodruk te krijgen. Door veranderingen tijden het gebruik (inrijden, vervuiling in de motor...) kan de waarde van het Cyclisch Stuursignaal dicht bij de hoogste of laagste waarde komen. De adaptieve correctie van het RCO-signaal corrigeert de langzame variaties van de regeling van de turbodruk, om het RCO-signaal op een gemiddelde waarde te houden. Deze correctie is alleen effectief als: het motortoerental hoger is dan 2000 tr/min, de spruitstukdruk stabiel is, met een afwijking van minder dan 22 mbar, de turbodruk hoger is dan 1350 mbar. WAARDE VAN HET CYCLISCH STUURSIGNAAL (RCO) VAN DE ELEKTROKLEP VAN DE TURBODRUKREGELING EN ZIJN ADAPTIEVE CORRECTIE Cyclisch Stuursignaal elektroklep turbodrukregeling Adaptief Cyclisch Stuursignaal elektroklep turbodrukregeling 1,13 % X 98,83 % Laagste waarde: - 30 % Hoogste waarde: + 30 % 17B-37 Editie 2

401 MOTOR F4R BENZINE - INSPUITSYSTEEM Snelheidsregelaar - Afstandsregelaar - Snelheidsbegrenzer 17B ALGEMEEN Met de snelheidsregeling met afstandsregeling: kan de door de bestuurder ingestelde snelheid worden aangehouden, en in het geval van de afstandsregelaar, worden aangepast aan de snelheid van de voorligger. Deze functie kan op ieder moment worden uitgeschakeld door een druk op het rempedaal, koppelingspedaal of door een van de toetsen van het systeem. De snelheidsbegrenzer: geeft de bestuurder de mogelijkheid een maximum snelheid in te stellen. Voorbij deze snelheid is het gaspedaal niet actief. De ingestelde maximum snelheid kan altijd worden overschreden als het gaspedaal wordt ingedrukt voorbij een zwaar punt. Een controlelampje op het instrumentenpaneel informeert de bestuurder over de staat van de spanningsregelaarsnelheidsbegrenzer met afstandsregelaar: Groen lampje: Regelaar ingeschakeld. Oranje lampje: Begrenzer ingeschakeld. Knipperend lampje: de ingestelde snelheid kan niet worden vastgehouden (bijvoorbeeld tijdens een afdaling). Voor het besturen van deze functies, ontvangt de rekeneenheid van het inspuitsysteem op aansluiting: A C3: Aan / Uit snelheidsbegrenzer A A2: Aan / Uit snelheidsregelaar of afstandsregelaar A D2: Voeding stuurwieltoets A D3: Signaal stuurwieltoets A E4: Ingang remlichtschakelaar openen A C4: Ingang koppelingscontact (afhankelijk van de uitvoering) A G2: Voeding potentiometer 1 van pedaal A F2: Voeding potentiometer 2 van pedaal A H3: Massa potentiometer 1 van pedaal A F4: Massa potentiometer 2 van pedaal A H2: Signaal potentiometer 1 van pedaal A F3: Signaal potentiometer 2 van pedaal A A3: Multiplexverbinding CAN L (interieur) A A4: Multiplexverbinding CAN H (interieur) B K4: Multiplexverbinding CAN H (motor) B K3: Multiplexverbinding CAN L (motor) De informatie die de rekeneenheid van het inspuitsysteem ontvangt op het multiplexnetwerk zijn: De rijsnelheid (ABS). Signaal remlichtschakelaar sluiten (ABS). De ingeschakelde versnelling (automatische transmissie). De rekeneenheid van het inspuitsysteem stuurt naar het multiplexnetwerk: De ingestelde snelheid (regeling of begrenzing) op het instrumentenpaneel. Het branden van het lampje (oranje, groen of knipperend). De informatie voor het overschakelen van de versnellingsbak (afhankelijk van de uitvoering). De rekeneenheid van het inspuitsysteem ontvangt: de informaties van het gaspedaal de informatie van het rempedaalcontact de informatie van het koppelingspedaalcontact de informatie van de aan/uit schakelaar de informaties van de stuurwieltoetsen de informatie van de rekeneenheid van het ABS de informaties van de rekeneenheid van de automatische transmissie. Met de informatie, stuurt de rekeneenheid van het inspuitsysteem het gemotoriseerd smoorklephuis aan om de ingestelde snelheid vast te houden in het geval van de snelheidsregelaar, aan te passen aan de snelheid van de voorligger in het geval van de afstandsregelaar, en de ingestelde snelheid niet te overschrijden in het geval van de snelheid begrenzer. 17B-38 Editie 2

402 MOTOR V4Y BENZINE - INSPUITSYSTEEM Snelheidsregelaar - Afstandsregelaar - Snelheidsbegrenzer 17B ALGEMEEN Met de snelheidsregeling met afstandsregeling: kan de door de bestuurder ingestelde snelheid worden aangehouden, en in het geval van de afstandsregelaar, worden aangepast aan de snelheid van de voorligger. Deze functie kan op ieder moment worden uitgeschakeld door een druk op het rempedaal, of door een van de toetsen van het systeem. De snelheidsbegrenzer: geeft de bestuurder de mogelijkheid een maximum snelheid in te stellen. Voorbij deze snelheid is het gaspedaal niet actief. De ingestelde maximum snelheid kan altijd worden overschreden als het gaspedaal wordt ingedrukt voorbij een zwaar punt. Een controlelampje op het instrumentenpaneel informeert de bestuurder over de staat van de spanningsregelaarsnelheidsbegrenzer met afstandsregelaar : Groen lampje: Regelaar ingeschakeld. Oranje lampje: Begrenzer ingeschakeld. Knipperend lampje: de ingestelde snelheid kan niet worden vastgehouden (bijvoorbeeld tijdens een afdaling) Voor het besturen van deze functies, ontvangt de rekeneenheid van het inspuitsysteem op aansluiting: A 29: Aan / Uit snelheidsbegrenzer A 30: Aan / Uit snelheidsregelaar of afstandsregelaar A 54: Massa stuurwieltoets A 55: Signaal stuurwieltoets A 11: Ingang remlichtschakelaar openen A 43: Voeding potentiometer 1 van pedaal A 24: Voeding potentiometer 2 van pedaal A 37: Massa potentiometer 1 van pedaal A 40: Massa potentiometer 2 van pedaal A 38: Signaal potentiometer 1 van pedaal A 39: Signaal potentiometer 2 van pedaal A 13: Multiplexverbinding CAN L (interieur) A 12: Multiplexverbinding CAN H (interieur) A 32: Multiplexverbinding CAN L (interieur) A 31: Multiplexverbinding CAN H (interieur) De informatie die de rekeneenheid van het inspuitsysteem ontvangt op het multiplexnetwerk zijn: De rijsnelheid (ABS). Signaal remlichtschakelaar sluiten (ABS). De ingeschakelde versnelling (automatische transmissie). De rekeneenheid van het inspuitsysteem stuurt naar het multiplexnetwerk: de ingestelde snelheid (regeling of begrenzing) voor het instrumentenpaneel, het branden van het lampje (oranje, groen of knipperend), de informatie voor het overschakelen van de versnellingsbak (afhankelijk van de uitvoering). De rekeneenheid van het inspuitsysteem ontvangt: de informaties van het gaspedaal de informatie van het rempedaalcontact de informatie van de aan/uit schakelaar de informaties van de stuurwieltoetsen de informatie van de rekeneenheid van het ABS de informaties van de rekeneenheid van de automatische transmissie. Met de informatie, stuurt de rekeneenheid van het inspuitsysteem het gemotoriseerd smoorklephuis aan om de ingestelde snelheid vast te houden in het geval van de snelheidsregelaar, aan te passen aan de snelheid van de voorligger in het geval van de afstandsregelaar, en de ingestelde snelheid niet te overschrijden in het geval van de snelheid begrenzer. 17B-39 Editie 2

403 MOTORS F4R en V4Y BENZINE - INSPUITSYSTEEM Snelheidsregelaar - Afstandsregelaar - Snelheidsbegrenzer 17B WERKING VAN DE SNELHEIDSREGELAAR Beginvoorwaarden schakelaar op "snelheidsregelaar" versnelling hoger dan de 2 e versnelling rijsnelheid 30 km/u minimum, 200 km/u maximum (ter informatie) lampje regelaar brandt (groen) druk op "+", "-" of "resume" (hervat) Eindvoorwaarden druk op gaspedaal (tijdelijk uit) druk op rempedaal of koppelingspedaal druk op "0" schakelaar op "uit" ingreep door het elektronisch stabiliteits programma (ESP) WERKING VAN DE AFSTANDSREGELAAR Beginvoorwaarden schakelaar op "afstandsregelaar" rijsnelheid 50 km/u minimum, 180 km/u maximum (ter informatie) lampje regelaar brandt (groen) druk op "+", "-" of "resume" (hervat) Eindvoorwaarden druk op gaspedaal (tijdelijk uit) druk op rempedaal druk op "0", schakelaar op "uit" ingreep door het elektronisch stabiliteits programma (ESP) rijsnelheid lager dan 30 km/u WERKING VAN DE SNELHEIDSBEGRENZER Beginvoorwaarden schakelaar op "snelheidsbegrenzer" versnelling hoger dan de 2 e versnelling rijsnelheid 30 km/u minimum, 200 km/u maximum (ter informatie) lampje begrenzer brandt (oranje) druk op "+", "-" of "resume" (hervat) Eindvoorwaarden druk op gaspedaal (voorbij zwaar punt) lange druk op rempedaal druk op "0", schakelaar op "uit" ingreep door het elektronisch stabiliteits programma (ESP) N.B.: Als het lampje knippert kan de ingestelde snelheid niet worden vastgehouden. Noodprogramma Bij een defect of storing in: Het ESP, het inspuitsysteem, het ABS. De systemen van de snelheidsbegrenzer, de snelheidsregelaar en de afstandsregelaar zijn niet langer actief. 17B-40 Editie 2

404 MOTOR F4R BENZINE - INSPUITSYSTEEM Bijzonderheden "On Board Diagnostic" systeem 17B De auto heeft een OBD "On Board Diagnostic" ingebouwd diagnosesysteem met de volgende eigenschappen: Als een storing waardoor de luchtverontreiniging toeneemt wordt waargenomen, licht er een lampje op het instrumentenpaneel (het OBD-lampje). Dit lampje geeft aan dat de bestuurder de auto moet laten repareren, Dit nieuwe diagnoseprogramma van de rekeneenheid werkt als volgt: Alleen de diagnose van de ontstekingsuitval wordt continu uitgevoerd. De andere organen die de luchtverontreiniging beïnvloeden worden een keer tijdens de rit gecontroleerd (deze diagnose is niet permanent). Dit testprogramma wordt echter niet altijd uitgevoerd. Voor het uitvoeren van het testprogramma moet aan een aantal condities zijn voldaan: temperatuurvoorwaarde, snelheidsvoorwaarde (drempel, stabiliteit enz.), startvertraging, motorvoorwaarden (spruitstukdruk, toerental, smoorklephoek enz.). Het OBD-programma is een aanvulling op het traditionele diagnoseprogramma voor het controleren van elektrische storingen. Om aan deze norm te voldoen, moeten: het OBD-lampje branden (of knipperen voor bepaalde storingen), de OBD-storingen in het geheugen opslaan. GEVOLGEN VOOR HET STORING ZOEKEN EN REPAREREN Om te voorkomen dat het OBD-lampje oplicht als de auto aan de klant is teruggegeven, is bij het uitvoeren van werkzaamheden speciale aandacht vereist. Sommige storingen kunnen alleen optreden tijdens het rijden, als de adaptieve correcties zijn ingelezen: het bevestigen van de reparatie is dus van groot belang. Anderzijds,is het vanwege de complexiteit van het systeem nodig dat de klant u vertelt onder welke omstandigheden het lampje is gaan branden. Met deze informatie kan de storing sneller worden verholpen. De omstandigheden waarbij de storing optreedt is vastgelegd in het geheugen van de rekeneenheid. N.B.: alle elektrische storingen waardoor de luchtverontreiniging toeneemt, zorgen voor het oplichten van het OBDlampje. De diagnoses die het OBD-systeem uitvoert zijn: de diagnose van de voor de katalysator schadelijke ontstekingsuitval, de diagnose van de vervuilende ontstekingsuitval, de diagnose van de voorste en achterste lambda sondes, de diagnose van de katalysator. N.B.: De diagnoses van de ontstekingsuitval hebben voorrang op de andere diagnoses. Zodra aan de noodzakelijke voorwaarden is voldaan, worden zij praktisch continu uitgevoerd. LET OP: Aan het einde van iedere test, mag u het contact beslist niet afzetten voordat u het resultaat heeft gelezen op het diagnoseapparaat. Door het afzetten van het contact verliezen de resultaten hun betrouwbaarheid en gaat de informatie "diagnose uitgevoerd" verloren. 17B-41 Editie 2

405 MOTOR F4R BENZINE - INSPUITSYSTEEM Oplichten van het "On Board Diagnostic" lampje 17B OPLICHTEN VAN HET "ON BOARD DIAGNOSTIC" LAMPJE ELEKTRISCHE STORING Continu branden van het lampje na een aantal opeenvolgende waarnemingen van de storing (afhankelijk van het orgaan). VOOR DE KATALYSATOR SCHADELIJKE ONTSTEKINGSUITVAL Het lampje gaat direct knipperen. STORING KATALYSATOR, LAMBDA SONDE, ONTSTEKINGSUITVAL Het lampje gaat vast branden na drie opeenvolgende waarnemingen van de storing. LET OP: De diagnoses van de katalysator en van de lambda sonde vinden achter elkaar plaats: een keer per rit (gedurende enkele secondes per test), onder bepaalde voorwaarden. Tijdens het rijden (bijvoorbeeld in een file) is het mogelijk dat bepaalde functies niet gecontroleerd worden. Oplichten van het lampje Bij detectie van de zelfde OBD "On Board Diagnostic" storing tijdens drie opeenvolgende ritten of elektrische storing. Knipperen van het lampje Bij detectie van voor de katalysator schadelijke ontstekingsuitval. Uitgaan van het lampje Als de "On Board Diagnostic" storing niet terugkeert gedurende drie opeenvolgende ritten, gaat het lampje uit (maar de storing blijft geregistreerd in het geheugen van de inspuitrekeneenheid). Als de storing gedurende 40 opeenvolgende tests niet is waargenomen, verdwijnt hij (zonder diagnoseapparaat) uit het geheugen van de rekeneenheid. OPMERKING: De storing kan niet zijn waargenomen door: het tijdelijke karakter van de storing, de aard van de rit, als de klant weinig rijdt bij de omstandigheden waaronder de test plaatsvindt. 17B-42 Editie 2

406 MOTOR F4R BENZINE - INSPUITSYSTEEM Omstandigheden diagnoseprogramma "On Board Diagnostic" 17B OMSTANDIGHEDEN VAN DE DIAGNOSES Als bij het aanzetten van het contact en tijdens het rijden, de luchttemperatuur, gemeten door het opname element luchttemperatuur niet ligt tussen -7,5 C en 119 C, of als de koelvloeistoftemperatuur gemeten door het opname element koelvloeistoftemperatuur niet ligt tussen 7,5 C en 119 C, of als het verschil tussen 1046 mbar en de spruitstukdruk groter is dan 273 mbar (hoogte van ongeveer 2500 m), dan worden de OBD-diagnoses niet uitgevoerd tot het volgende aanzetten van het contact. Voor een correcte werking van het OBD -diagnosesysteem "On Board Diagnostic", mag er geen enkele elektrische storing aanwezig zijn in het inspuitsysteem, zelfs als het lampje OBD "On Board Diagnostic" niet brandt Tijdens de diagnoses van de katalysator en lambda sonde, vindt geen afzuiging plaats van het dampabsorptievat en de adaptieve correcties zijn geblokkeerd op hun laatste waarde. TESTVOLGORDE herstel alle elektrische storingen, wis alle storingen uit het geheugen, voer alle inlezingen uit voor het inspuitsysteem, controleer het "On Board Diagnostic" diagnosesysteem. COMPLETE INITIALISATIE VAN DE OBD wis het storingsgeheugen, wis de "On Board Diagnostic" storingen, Wis de adaptieve correcties. INLEZINGEN NODIG VOOR DE OBD DIAGNOSE Inlezen vliegwielsignaal Deze inlezing voert u uit door middel van: Een afremmen op de motor met onderbreking van de inspuiting in de 3 e versnelling tussen 3500 tr/min en 3000 tr/min gedurende ten minste 2 secondes. Een tweede afremmen op de motor met onderbreking van de inspuiting in de 3 e versnelling tussen 1800 tr/min en 1400 tr/min gedurende ten minste 3 secondes. Dit inlezen is mogelijk door afremmen op de motor van 3500 tr/min naar 1400 tr/min. Inlezen adaptieve mengselcorrecties Voor het inlezen van deze waarden, moet u een rit maken onder de omstandigheden die aangegeven staan in hoofdstuk "Inspuitsysteem: Adaptieve mengselcorrectie". Inlezen koppel/gas (Staat: "Herkenning cilinder 1") Voor deze inlezing, moet een rit worden gemaakt van 25 minuten. De bevestiging van dit inlezen is zichtbaar met het het diagnoseapparaat: "Inlezen tandschijf...actief". 17B-43 Editie 2

407 MOTOR F4R BENZINE - INSPUITSYSTEEM Diagnose detectie van vervuilende ontstekingsuitval 17B Bij het detecteren van ontstekingsuitval wordt gezocht naar storingen waardoor de drempelwaarde wordt overschreden van het OBD "On Board Diagnostic" diagnosesysteem voor verontreiniging met CH die schadelijk is voor de katalysator. De diagnose kan detecteren: een vervuilde of verzopen bougie, een vervuiling of afwijkende opbrengst van de inspuitstukken, een storing in de brandstoftoevoer (drukregelaar, benzinepomp enz.), een slechte stekkerverbinding in de benzine- en inspuitcircuits (secondaire bobine enz.). De diagnose wordt uitgevoerd door het meten van de kortstondige toerentalvariaties van de motor. Een vermindering van het motorkoppel is een aanwijzing voor een slechte verbranding. Deze diagnose wordt bijna continu tijdens de gehele rit uitgevoerd. Als hij wordt uitgevoerd of als de storing wordt geconstateerd worden de andere "OBD"-diagnoses (katalysator en voorste lambda sonde) geblokkeerd. Met deze diagnose kunnen twee types storingen worden onderscheiden: voor de katalysator schadelijke ontstekingsuitval. Hierbij gaat het OBD-lampje direct knipperen, vervuilende ontstekingsuitval waardoor de luchtverontreinigingsdrempel van het "OBD"-systeem wordt overschreden. Als deze tijdens drie achtereenvolgende ritten optreedt gaat het OBD-lampje branden. VOORWAARDEN VOOR DE DETECTIE Voordat u begint, moet u controleren of alle inlezingen wel zijn uitgevoerd. Ook moeten de noodzakelijke voorwaarden bij het aanzetten van het contact en op het moment zelf aanwezig zijn. De detectie van schadelijke ontstekingsuitval wordt uitgevoerd zodra de koelvloeistoftemperatuur hoger is dan -7,5 C, over drie gebruiksgebieden tussen stationair en 4500 tr/min. Ook kan de test van de vervuilende ontstekingsuitval worden uitgevoerd door de motor stationair te laten draaien met alle verbruikers ingeschakeld gedurende 10 minuten en 40 secondes. LET OP: Aan het einde van iedere test, mag u het contact beslist niet afzetten voordat u het resultaat heeft gelezen op het diagnoseapparaat. Door het afzetten van het contact worden de resultaten onbetrouwbaar. BEVESTIGING VAN DE REPARATIE Diagnose ontstekingsuitval bezig Vervuilende ontstekingsuitval Schadelijke ontstekingsuitval ACTIEF Geen storing gedetecteerd Geen storing gedetecteerd Als na de test, het diagnoseapparaat ontstekingsuitval aangeeft, raadpleegt u de bij het betreffende verschijnsel behorende methode voor het storing zoeken. 17B-44 Editie 2

408 MOTOR F4R BENZINE - INSPUITSYSTEEM Diagnose van de katalysator 17B Bij het controleren van de katalysator wordt gezocht naar storingen waardoor de drempelwaarde wordt overschreden van het OBD "On Board Diagnostic" diagnosesysteem voor verontreiniging met CH. De zuurstofopslagcapaciteit van de katalysator is een indicatie voor de staat van de katalysator. Met het ouder worden van de katalysator neemt de zuurstofopslagcapaciteit af, tegelijk met zijn vermogen om schadelijke uitlaatgassen te verwerken. BEGINVOORWAARDEN VAN DE DIAGNOSE De diagnose van de voorste lambda sonde kan pas worden uitgevoerd als de motor 16 minuten en 30 secondes heeft gedraaid, als de noodzakelijke voorwaarden bij het aanzetten van het contact aanwezig en behouden zijn: geen elektrische storingen, geen ontstekingsuitval gedetecteerd, geen katalysatordiagnose uitgevoerd sinds het aanzetten van het contact, de inlezingen zijn uitgevoerd, de hoofdregelcyclus en de dubbele regelcyclus actief zijn, koelvloeistoftemperatuur hoger dan 75 C, snelheid tussen 63 en 130 km/u, druk tussen 440 en 670 mbar, motortoerental op het diagnoseapparaat tussen 1472 en 3840 tr/min. STORINGSDETECTIE De diagnose wordt uitgevoerd bij constante snelheid in de 5 e versnelling bij 70 km/u. Als de beginvoorwaarden voor het uitvoeren van de diagnose aanwezig zijn, treden onderbrekingen in de mengselregeling op, die als gevolg hebben dat er zuurstofstootjes in de katalysator worden gestuurd. Als de katalysator in orde is, absorbeert hij de zuurstof en blijft de spanning van de achterste lambda sonde op een gemiddelde waarde. Als de katalysator versleten is, blaast hij de zuurstof weer uit en verandert de spanning van de lambda sonde. De spanning van de lambda sonde gaat op en neer. (Het "On Board Diagnostic"-lampje licht op na drie ritten). De test kan niet langer duren dan 52 secondes zonder de cyclus te verlaten. LET OP: Aan het einde van iedere test, mag u het contact beslist niet afzetten voordat u het resultaat heeft gelezen op het diagnoseapparaat. Door het afzetten van het contact worden de resultaten onbetrouwbaar. BEVESTIGING VAN DE REPARATIE Boodschap "Diagnose On Board Diagnostic katalysator bezig" "Diagnose On Board Diagnostic katalysator: klaar" "Storing werking katalysator" "Bevestiging van de reparatie van de katalysator" ACTIEF ACTIEF INACTIEF GOED Als het diagnoseapparaat aangeeft "Diagnose OBD "On Board Diagnostic" katalysator: klaar... ACTIEF" of "Bevestiging van de reparatie van de katalysator... 1.DEF", is de controlecyclus niet correct uitgevoerd. In dit geval, begint u de cyclus opnieuw waarbij u goed op de detectievoorwaarden moet letten. Als na de test, het diagnoseapparaat aangeeft: "Storing werking katalysator... ACTIEF" of "Bevestiging van de reparatie van de katalysator...2.def", raadpleegt u de bij het betreffende verschijnsel behorende methode voor het storing zoeken. 17B-45 Editie 2

409 MOTOR F4R BENZINE - INSPUITSYSTEEM Diagnose van de lambda sonde 17B Bij het controleren van de voorste lambda sonde wordt gezocht naar storingen waardoor de drempelwaarde wordt overschreden van het OBD "On Board Diagnostic" diagnosesysteem voor verontreiniging met CH, CO of NOx. De diagnose wordt uitgevoerd door de periodes van de frequenties van de voorste lambda sondes te vergelijken. De voorste lambda sonde kan op twee manieren achteruit gaan: mechanisch: draadbreuk die vertaald wordt als een elektrische storing, chemisch: hierdoor neemt de reactiesnelheid van de sonde af, wat te zien is aan een langere periode van het signaal. Als aan de voorwaarden voor de controle wordt voldaan, berekent het systeem het gemiddelde van de periodes van de gemeten sonde, gecorrigeerd voor storende effecten, en vergelijkt dit met een gemiddelde drempelperiode van het "OBD"-systeem. TESTOMSTANDIGHEDEN De diagnose van de voorste lambda sonde kan pas worden uitgevoerd als de motor 13 minuten en 40 secondes heeft gedraaid, als de noodzakelijke voorwaarden bij het aanzetten van het contact aanwezig en behouden zijn: geen elektrische storingen, de inlezingen zijn uitgevoerd, geen lambda sonde diagnose uitgevoerd sinds het aanzetten van het contact, geen ontstekingsuitval gedetecteerd, koelvloeistoftemperatuur hoger dan 75 C, gemiddeld motortoerental tussen 1440 en 3840 tr/min, druk tussen 292 e 850 mbar, snelheid tussen 63 en 130 km/u. STORINGSDETECTIE De diagnose wordt uitgevoerd onder de eerder beschreven omstandigheden zoals de klant de auto gebruikt. De rekeneenheid geeft de boodschap "Diagnose lambda sonde: bezig". LET OP: Aan het einde van iedere test, mag u het contact beslist niet afzetten voordat u het resultaat heeft gelezen op het diagnoseapparaat. Door het afzetten van het contact worden de resultaten onbetrouwbaar. BEVESTIGING VAN DE REPARATIE Boodschap: "Diagnose On Board Diagnostic lambda sonde: bezig" "Diagnose On Board Diagnostic lambda sonde: klaar" "Storing werking lambda sonde" "Bevestiging van de reparatie van de lambda sonde" ACTIEF ACTIEF INACTIEF GOED Als het diagnoseapparaat aangeeft "Diagnose OBD "On Board Diagnostic" lambda sonde: niet klaar... ACTIEF" of "Bevestiging van de reparatie van de lambda sonde...1.def", is de controlecyclus niet correct uitgevoerd. In dit geval, begint u de cyclus opnieuw waarbij u goed op de detectievoorwaarden moet letten. Als na de test, het diagnoseapparaat aangeeft: "Storing werking lambda sonde... ACTIEF" of "Bevestiging van de reparatie...2.def", raadpleegt u de bij het betreffende verschijnsel behorende methode voor het storing zoeken. 17B-46 Editie 2

410 MOTOR V4Y BENZINE - INSPUITSYSTEEM Bijzonderheden "On Board Diagnostic" systeem 17B Deze auto heeft het OBD ("On Board Diagnostic") diagnosesysteem met de volgende eigenschappen: Als een storing waardoor de luchtverontreiniging toeneemt wordt waargenomen, licht er een lampje op het instrumentenpaneel (het OBD-lampje). Dit lampje geeft aan dat de bestuurder de auto moet laten repareren, Dit nieuwe diagnoseprogramma van de rekeneenheid werkt als volgt: Alleen de diagnoses van de ontstekingsuitval en van het brandstofaanvoercircuit worden continu uitgevoerd. De andere organen die de luchtverontreiniging beïnvloeden worden een keer tijdens de rit gecontroleerd (deze diagnose is niet permanent). Dit testprogramma wordt echter niet altijd uitgevoerd. Voor het uitvoeren van het testprogramma moet aan een aantal condities zijn voldaan: temperatuurvoorwaarde, snelheidsvoorwaarde (drempel, stabiliteit enz.), startvertraging, motorvoorwaarden (spruitstukdruk, toerental, smoorklephoek enz.). Het OBD-systeem ("On Board Diagnostic") is een aanvulling op het traditionele controlesysteem voor elektrische storingen. Om aan deze norm te voldoen, moeten: het OBD-lampje ("On Board Diagnostic") branden (vast of knipperend, afhankelijk van de aard van de storing), de OBD-storingen ("On Board Diagnostic") in het geheugen zijn. GEVOLGEN VOOR HET STORING ZOEKEN EN REPAREREN Om te voorkomen dat het OBD-lampje ("On Board Diagnostic") oplicht als de auto aan de klant is teruggegeven, is bij het uitvoeren van werkzaamheden speciale aandacht vereist. Sommige storingen kunnen alleen optreden tijdens het rijden, als de adaptieve correcties zijn ingelezen: het bevestigen van de reparatie is dus van groot belang. Anderzijds,is het vanwege de complexiteit van het systeem nodig dat de klant u vertelt onder welke omstandigheden het lampje is gaan branden. Met deze informatie kan de storing sneller worden verholpen. De omstandigheden waarbij de storing optreedt is vastgelegd in het geheugen van de rekeneenheid. N.B.: Bij alle elektrische storingen waardoor de uitlaatemissie te hoog wordt, gaat het OBD-lampje ("On Board Diagnostic") branden. De diagnoses die van belang zijn voor het OBD-systeem ("On Board Diagnostic") zijn: de diagnose van de voor de katalysator schadelijke ontstekingsuitval, de diagnose van de vervuilende ontstekingsuitval, de diagnose van de voorste en achterste lambda sondes, de diagnose van de katalysator, de diagnose van het brandstofaanvoercircuit. N.B.: De diagnoses van de ontstekingsuitval hebben voorrang op de andere diagnoses. Zodra aan de noodzakelijke voorwaarden is voldaan, worden zij praktisch continu uitgevoerd. LET OP: Aan het einde van iedere test, mag u het contact beslist niet afzetten voordat u het resultaat heeft gelezen op het diagnoseapparaat. Door het afzetten van het contact verliezen de resultaten hun betrouwbaarheid en gaat de informatie "diagnose uitgevoerd" verloren. 17B-47 Editie 2

411 MOTOR V4Y BENZINE - INSPUITSYSTEEM Bijzonderheden "On Board Diagnostic" systeem 17B OPLICHTEN VAN HET "ON BOARD DIAGNOSTIC" LAMPJE ELEKTRISCHE STORING Continu branden van het lampje na een aantal opeenvolgende waarnemingen van de storing (1 of 2 afhankelijk van het orgaan) VOOR DE KATALYSATOR SCHADELIJKE ONTSTEKINGSUITVAL Het lampje gaat direct knipperen. STORING KATALYSATOR, LAMBDA SONDE, VERVUILENDE ONSTEKINGSUITVAL, BRANDSTOFAANVOERCIRCUIT Het lampje gaat branden na twee opeenvolgende waarnemingen van de storing. LET OP: De diagnoses van de katalysator en van de lambda sonde kunnen achter elkaar plaatsvinden: een keer per rit (gedurende enkele secondes per test), onder bepaalde voorwaarden. Tijdens het rijden (bijvoorbeeld in een file) is het mogelijk dat bepaalde functies niet gecontroleerd worden. Oplichten van het lampje Bij detectie van de zelfde OBD "On Board Diagnostic" storing tijdens twee opeenvolgende ritten of elektrische storing. Knipperen van het lampje Bij detectie van voor de katalysator schadelijke ontstekingsuitval. Uitgaan van het lampje Als de OBD -storing "On Board Diagnostic" niet terugkeert gedurende twee opeenvolgende ritten, gaat het lampje uit (maar de storing blijft geregistreerd in het geheugen van de inspuitrekeneenheid). Als de storing gedurende 40 opeenvolgende tests niet is waargenomen, verdwijnt hij (zonder diagnoseapparaat) uit het geheugen van de rekeneenheid. OPMERKING: De storing kan niet zijn waargenomen door: het tijdelijke karakter van de storing, de aard van de rit, als de klant weinig rijdt bij de omstandigheden waaronder de test plaatsvindt. 17B-48 Editie 2

412 MOTOR V4Y BENZINE - INSPUITSYSTEEM Bijzonderheden "On Board Diagnostic" systeem 17B OMSTANDIGHEDEN VAN DE DIAGNOSES Voor een correcte werking van het OBD -diagnosesysteem "On Board Diagnostic", mag er geen enkele elektrische storing aanwezig zijn in het inspuitsysteem, zelfs als het OBD-lampje "On Board Diagnostic" niet brandt. Tijdens de diagnoses van de katalysator en lambda sonde, vindt geen afzuiging plaats van het dampabsorptievat en de adaptieve mengselcorrecties zijn geblokkeerd op hun laatste waarde. TESTVOLGORDE herstel alle elektrische storingen, wis alle storingen uit het geheugen, voer alle inlezingen uit voor het inspuitsysteem, controleer het OBD-diagnosesysteem. COMPLETE INITIALISATIE VAN DE OBD wis het storingsgeheugen, wis het OBD-storingsgeheugen, Wis de adaptieve correcties. INLEZINGEN NODIG VOOR DE OBD DIAGNOSE Inlezen vliegwielsignaal Het inlezen van het vliegwielsignaal gebeurt automatisch en kan niet met het diagnoseapparaat gebeuren. Inlezen adaptieve mengselcorrectie Raadpleeg voor dit inlezen het hoofdstuk "Benzine-inspuitsysteem: adaptieve mengselcorrectie". 17B-49 Editie 2

413 MOTOR V4Y BENZINE - INSPUITSYSTEEM Diagnose detectie van vervuilende ontstekingsuitval 17B Bij het detecteren van ontstekingsuitval wordt gezocht naar storingen waardoor de drempelwaarde wordt overschreden van het OBD "On Board Diagnostic" diagnosesysteem voor emissie die schadelijk is voor de katalysator. De diagnose kan detecteren: een vervuilde of verzopen bougie, een vervuiling of afwijkende opbrengst van de inspuitstukken, een storing in de brandstoftoevoer (drukregelaar, benzinepomp enz.), een slechte stekkerverbinding in de benzine- en inspuitcircuits, een storing van de bobine. De diagnose wordt uitgevoerd door het meten van de kortstondige toerentalvariaties van de motor. Een vermindering van het motorkoppel is een aanwijzing voor een slechte verbranding. Deze diagnose wordt bijna continu tijdens de gehele rit uitgevoerd. Met deze diagnose kunnen twee types storingen worden opgespoord: voor de katalysator schadelijke ontstekingsuitval. Hierbij gaat het OBD-lampje direct knipperen, vervuilende ontstekingsuitval waardoor de luchtverontreinigingsdrempel van het "OBD"-systeem wordt overschreden. Als deze tijdens twee achtereenvolgende ritten optreedt gaat het OBD-lampje branden. LET OP: Aan het einde van iedere test, mag u het contact beslist niet afzetten voordat u het resultaat heeft gelezen op het diagnoseapparaat. Door het afzetten van het contact worden de resultaten onbetrouwbaar. BEVESTIGING VAN DE REPARATIE "DETECTIE ONTSTEKINGSUITVAL" "ONTSTEKINGSUITVAL CILINDER 1, 2, 3, 4, 5 of 6" Geen storing gedetecteerd Geen storing gedetecteerd Als na de test, het diagnoseapparaat ontstekingsuitval aangeeft, raadpleegt u de bij het betreffende verschijnsel behorende methode voor het storing zoeken. 17B-50 Editie 2

414 MOTOR V4Y BENZINE - INSPUITSYSTEEM Diagnose van de katalysator 17B Bij het controleren van de katalysator wordt gezocht naar storingen waardoor de drempelwaarde wordt overschreden van het OBD "On Board Diagnostic" diagnosesysteem voor de uitstoot van luchtverontreiniging. De zuurstofopslagcapaciteit van de katalysator is een indicatie voor de staat van de katalysator. Met het ouder worden van de katalysator neemt de zuurstofopslagcapaciteit af, tegelijk met zijn vermogen om schadelijke uitlaatgassen te verwerken. BEGINVOORWAARDEN VAN DE DIAGNOSE De diagnose van de katalysator kan pas worden uitgevoerd als de noodzakelijke voorwaarden bij het aanzetten van het contact aanwezig en behouden zijn.: geen elektrische storingen, geen ontstekingsuitval gedetecteerd, de inlezingen zijn uitgevoerd, de hoofdregelcyclus en de dubbele regelcyclus actief zijn, motortoerental op het diagnoseapparaat tussen 1000 en 2600 tr/min, koelvloeistoftemperatuur tussen 70 C en 100 C, rijsnelheid hoger dan 32 km/u. STORINGSDETECTIE De diagnose wordt uitgevoerd over een stabiele zone tussen 15 % en 40 % smoorklepopening en een motortoerental tussen 1000 en 2600 tr/min. Als de beginvoorwaarden voor het uitvoeren van de diagnose aanwezig zijn, treden onderbrekingen in de mengselregeling op, die als gevolg hebben dat er zuurstofstootjes in de katalysator worden gestuurd. Als de katalysator in orde is, absorbeert hij de zuurstof en blijft de spanning van de achterste lambda sonde op een gemiddelde waarde. Als de katalysator versleten is, blaast hij de zuurstof weer uit en verandert de spanning van de achterste lambda sonde. De spanning van de lambda sonde gaat op en neer. Het "On Board Diagnostic"-lampje licht op na twee opeenvolgende ritten. De diagnose van de katalysator duurt 60 secondes. LET OP: Aan het einde van iedere test, mag u het contact beslist niet afzetten voordat u het resultaat heeft gelezen op het diagnoseapparaat. Door het afzetten van het contact worden de resultaten onbetrouwbaar. BEVESTIGING VAN DE REPARATIE "Diagnose On Board Diagnostic katalysator klaar" "Katalysator n 1 of n 2" JA Geen storing gedetecteerd Als het diagnoseapparaat aangeeft "On Board Diagnostic" katalysator: klaar"... NEE, dan is de controlecyclus niet correct uitgevoerd. In dit geval, begint u de cyclus opnieuw waarbij u goed op de detectievoorwaarden moet letten. Als na de test, het diagnoseapparaat een storing "KATALYSATOR N 1 of N 2", raadpleeg dan de diagnosemethode van het verschijnsel. 17B-51 Editie 2

415 MOTOR V4Y BENZINE - INSPUITSYSTEEM Diagnose van de lambda sonde 17B Bij het detecteren van ontstekingsuitval wordt gezocht naar storingen waardoor de drempelwaarde wordt overschreden van het "On Board Diagnostic" diagnosesysteem voor de luchtverontreiniging (koolwaterstoffen, koolmonoxyde, stikstofoxydes). De diagnose wordt uitgevoerd door de periodes van de frequenties van de voorste en achterste lambda sondes te vergelijken. De voorste lambda sonde kan op twee manieren achteruit gaan: mechanisch: draadbreuk die vertaald wordt als een elektrische storing, chemisch: hierdoor neemt de reactiesnelheid van de sonde af, wat te zien is aan een langere periode van het signaal. Als aan de voorwaarden voor de controle wordt voldaan, berekent het systeem het gemiddelde van de periodes van de gemeten sonde, gecorrigeerd voor storende effecten, en vergelijkt dit met een gemiddelde drempelperiode van het "OBD"-systeem. TESTOMSTANDIGHEDEN De diagnose van de voorste lambda sonde kan pas worden uitgevoerd als de noodzakelijke voorwaarden bij het aanzetten van het contact aanwezig en behouden zijn.: geen elektrische storingen, geen "On Board Diagnostic" storing (ontstekingsuitval, katalysator of brandstofaanvoersysteem) gedetecteerd, de inlezingen zijn uitgevoerd, koelvloeistoftemperatuur tussen 70 C en 100 C, gemiddelde motortoerental tussen 1200 en 3100 tr/min. motorbelasting tussen 13 % en 62 %, rijsnelheid tussen 80 en 120 km/u, mengselregeling actief, accuspanning tussen 11 en 16 V. STORINGSDETECTIE De diagnose wordt uitgevoerd onder de eerder beschreven omstandigheden zoals de klant de auto gebruikt. De rekeneenheid geeft de boodschap "DIAGNOSE LAMBDA SONDE: KLAAR". LET OP: Aan het einde van iedere test, mag u het contact beslist niet afzetten voordat u het resultaat heeft gelezen op het diagnoseapparaat. Door het afzetten van het contact worden de resultaten onbetrouwbaar. BEVESTIGING VAN DE REPARATIE "DIAGNOSE VAN DE SONDES KLAAR" "VOORSTE LAMBDA SONDE n 1 of n 2" "ACHTERSTE LAMBDA SONDE n 1 of n 2" JA Geen storing gedetecteerd Geen storing gedetecteerd Als het diagnoseapparaat aangeeft "On Board Diagnostic" LAMBDA SONDES KLAAR"... NEE, dan is de controlecyclus niet correct uitgevoerd. In dit geval, begint u de cyclus opnieuw waarbij u goed op de detectievoorwaarden moet letten. Als na de test het diagnoseapparaat een storing aangeeft "KATALYSATOR N 1 OF N 2" of een storing "VOORSTE LAMBDA SONDE N 1 OF N 2 of "ACHTERSTE LAMBDA SONDE N 1 of N 2", raadpleeg de diagnosemethode van het verschijnsel. 17B-52 Editie 2

416 MOTOR V4Y BENZINE - INSPUITSYSTEEM Diagnose brandstoftoevoer 17B Deze diagnose bewaakt permanent de mengselafwijkingen door middel van de adaptieve waarden (inlezen) van de mengselregeling. TESTOMSTANDIGHEDEN De test kan worden uitgevoerd tijdens een rit waarbij de mengselregeling van de voorste en achterste sondes wordt geactiveerd. De diagnose kan pas worden uitgevoerd als de noodzakelijke voorwaarden bij het aanzetten van het contact aanwezig en behouden zijn: geen elektrische storingen, geen "OBD"-storing in de werking, koelvloeistoftemperatuur tussen 70 en 100 C, koelvloeistoftemperatuur bij het starten hoger dan of gelijk aan -10 C, motortoerental tussen 1000 en 3200 tr/min, motorbelasting tussen 13 en 67 %, snelheid tussen 46 en 130 km/u, accuspanning hoger dan of gelijk aan 11 V. DETECTIE VAN STORINGEN De diagnose wordt uitgevoerd onder de eerder beschreven omstandigheden zoals de klant de auto gebruikt. LET OP: Aan het einde van iedere test, mag u het contact beslist niet afzetten voordat u het resultaat heeft gelezen op het diagnoseapparaat. Door het afzetten van het contact worden de resultaten onbetrouwbaar. BEVESTIGING VAN DE REPARATIE "BRANDSTOFAANVOER RIJ A of B" MENGSELREGELING RIJ 1 of 2 Geen storing gedetecteerd Geen storing gedetecteerd Als na de test, het diagnoseapparaat een storing aangeeft "BRANDSTOFAANVOER RIJ A of B" of een storing "MENGSELREGELING RIJ 1 of 2", raadpleeg dan de diagnosemethode van het verschijnsel. 17B-53 Editie 2

417 MOTOR F4R BENZINE - INSPUITSYSTEEM Aansluitingen rekeneenheid 17B INGANGEN EN UITGANGEN VAN DE INSPUITREKENEENHEID STEKKER A (ZWART) A2 A3 A4 B4 C3 C4 D2 D3 E4 F2 F3 F4 G2 G4 H2 H3 H STEKKER B (BRUIN) A2 A4 B2 C2 C4 D3 D4 E1 E2 E3 E4 F1 F2 F3 F4 G1 G2 G3 G4 H2 H3 H4 J4 K3 K4 L2 L3 L4 M1 M2 M3 M Schakelaar Aan/Uit snelheidsregelaar met afstandsregelaar MULTIPLEXVERBINDING CAN L huis met hulporganen interieur MULTIPLEXVERBINDING CAN H huis met hulporganen interieur DIAGNOSE Schakelaar Aan / Uit snelheidsbegrenzer Informatie koppelingspedaal Voeding schakelaar snelheidsregelaar/begrenzer Signaal schakelaars snelheidsregelaar/begrenzer Informatie rempedaal Voeding opname element gaspedaal (baan 2) Signaal opname element gaspedaal (baan 2) Massa opname element gaspedaal (baan 2) Voeding opname element gaspedaal (baan 1) Massa vermogen Signaal opname element gaspedaal (baan 1) Massa opname element gaspedaal (baan 1) Massa vermogen Signaal pingeldetector + Na contact Massa pingeldetector Afscherming pingeldetector Signaal drukcontact stuurbekrachtiging Signaal smoorklepweerstand (baan 2) gemotoriseerd smoorklephuis Commande relais actuator (power latch) Massa opname element turbodruk Signaal opname element luchttemperatuur Massa opname element luchttemperatuur Signaal opname element vliegwiel Signaal opname element turbodruk Signaal opname element koelvloeistoftemperatuur Signaal opname element vliegwiel Massa opname element koelvloeistoftemperatuur Voeding opname element turbodruk Voeding smoorklepweerstand gemotoriseerd smoorklephuis Signaal smoorklepweerstand (baan 1) gemotoriseerd smoorklephuis Massa smoorklepweerstand gemotoriseerd smoorklephuis Voeding opname element spruitstukdruk Signaal opname element spruitstukdruk Massa opname element spruitstukdruk Commando relais extra verwarming 2 MULTIPLEXVERBINDING CAN L Motor (alleen automatische transmissie) MULTIPLEXVERBINDING CAN H Motor (alleen automatische transmissie) Stuursignaal inspuitstuk 3 Stuursignaal inspuitstuk 2 Stuursignaal inspuitstuk 1 Massa vermogen Stuursignaal inspuitstuk 4 Commando (+) gemotoriseerde smoorklep Commando (+) gemotoriseerde smoorklep 17B-54 Editie 2

418 MOTOR F4R BENZINE - INSPUITSYSTEEM Aansluitingen rekeneenheid 17B INGANGEN EN UITGANGEN VAN DE INSPUITREKENEENHEID Stekker C (grijs) A2 B1 B2 C1 C2 D1 D2 D4 E1 F1 F2 G1 G2 G3 H1 H2 H Signaal achterste lambda sonde Signaal voorste lambda sonde Massa achterste lambda sonde Massa voorste lambda sonde Commando relais elektrische waterpomp koeling van de turbocompressor Commando benzinepomprelais Commando relais extra verwarming 1 Commando elektroklep turbodrukregeling Commando elektroklep benzinedampafzuiging Commande relais koelventilateur langzaam Stuursignaal relais koelventilateur snel draaien Commando verwarming VOORSTE lambda sonde Voeding + na relais Commando verwarming ACHTERSTE lambda sonde Massa vermogen Commando bobine cilinders 1 en 4 Commando bobine cilinders 2 en 3 17B-55 Editie 2

419 MOTOR V4Y BENZINE - INSPUITSYSTEEM Aansluitingen rekeneenheid 17B Stekkerblok (A) A1 A2 A3 A4 A5 A7 A9 A11 A12 A13 A14 A15 A16 A17 A18 A19 A20 A22 A23 A24 A28 A29 A30 A31 A32 A35 A36 A37 A38 A39 A Voeding motor van het gemotoriseerd smoorklephuis Massa Voeding motor van het gemotoriseerd smoorklephuis Massa Voeding veiligheidsrelais motor van het gemotoriseerd smoorklephuis Commando elektroklep van de variabele inlaatluchtklep Voeding + na contact Signaal remlichtschakelaar Multiplexverbinding CAN HIGH (Interieur) Multiplexverbinding CAN LOW (Interieur) Diagnoselijn K Massa opname element koelvloeistoftemperatuur Signaal pingeldetector Signaal opname element inlaatluchttemperatuur Signaal opname element druk stuurbekrachtiging Signaal smoorklepweerstand (baan 2) gemotoriseerd smoorklephuis Signaal smoorklepweerstand (baan 1) gemotoriseerd smoorklephuis Signaal opname element atmosferische druk Massa smoorklepweerstand gemotoriseerd smoorklephuis Voeding opname element gaspedaal baan 2 Signaal opname element vliegwiel Signaal Aan / Uit snelheidsbegrenzer Signaal Aan / Uit snelheidsregelaar of afstandsregelaar Multiplexverbinding CAN HIGH (Motor) Multiplexverbinding CAN LOW (Motor) Massa pingeldetector Signaal opname element koelvloeistoftemperatuur Massa opname element gaspedaal baan 1 Signaal opname element gaspedaal baan 1 Signaal opname element gaspedaal baan 2 Massa opname element gaspedaal baan 2 A43 A44 A45 A50 A51 A52 A54 A55 A56 A57 A58 A59 A60 A62 A63 A64 A69 A71 A73 A75 A76 A77 A78 A Voeding + 5 V van de doorstroommeter, het opname element atmosferische druk, het opname element gaspedaal, het opname element druk stuurbekrachtiging en het gemotoriseerd smoorklephuis Commando navoedingsrelais inspuitsysteem Commando relais ventilateurmotor hoge snelheid Signaal opname element nokkenas (achterste cilinderrij) Signaal opname element nokkenas (voorste cilinderrij) Massa opname element nokkenas (voorste cilinderrij) Massa schakelaar snelheidsregelaar op stuurwiel Signaal schakelaar snelheidsregelaar op stuurwiel Signaal luchtdoorstroommeter Signaal achterste lambda sonde (voorste cilinderrij) Signaal achterste lambda sonde (achterste cilinderrij) Signaal voorste lambda sonde (voorste cilinderrij) Signaal voorste lambda sonde (achterste cilinderrij) Massa van de opname-elementen atmosferische druk en druk stuurbekrachtiging Commando veiligheidsrelais motor van het gemotoriseerd smoorklephuis Commando relais ventilateurmotor lage snelheid Signaal opname element vliegwiel Massa opname element vliegwiel Massa opname element nokkenas (achterste cilinderrij) Massa luchtdoorstroommeter en opname element luchttemperatuur Massa achterste lambda sonde (voorste cilinderrij) Massa achterste lambda sonde (achterste cilinderrij) Massa voorste lambda sonde (voorste cilinderrij) Massa voorste lambda sonde (achterste cilinderrij) 17B-56 Editie 2

420 MOTOR V4Y BENZINE - INSPUITSYSTEEM Aansluitingen rekeneenheid 17B Stekkerblok (B) B84 B85 B89 B92 B93 B94 B95 B96 B98 B99 B100 B101 B102 B103 Commando bobine nº 5 Commando bobine nº 6 Commando elektroklep benzinedampafzuiging Commando bobine nº 1 Commando bobine nº 2 Commando bobine nº 3 Commando bobine nº 4 Commando relais brandstofpomp Commando inspuitstuk 6 Commando inspuitstuk 5 Commando inspuitstuk 4 Commando verwarming achterste lambda sonde (voorste cilinderrij) Commando verwarming achterste lambda sonde (achterste cilinderrij) Commando elektroklep nokkenasversteller (voorste cilinderrij) B104 B106 B107 B108 B109 B110 B113 B115 B116 B117 B118 B119 B120 B Commando elektroklep nokkenasversteller (achterste cilinderrij) Commando inspuitstuk 1 Commando inspuitstuk 2 Commando inspuitstuk 3 Commando verwarming voorste lambda sonde (voorste cilinderrij) Commando verwarming voorste lambda sonde (achterste cilinderrij) Voeding + voor contact Massa Massa Voeding + 12 V na navoedingsrelais inspuitsysteem Massa Voeding + 12 V na navoedingsrelais inspuitsysteem Retourstroom + 12 V na navoedingsrelais inspuitsysteem Massa 17B-57 Editie 2

421 119A KOELSYSTEEM Gegevens 19A TE GEBRUIKEN KOELVLOEISTOF Motor Hoeveelheid (liter) Soort Bijzonderheid F4R 6,8 G9T 7 P9X 7 V4Y 7,2 GLACEOL RX (type D) gebruik alleen koelvloeistof Bescherming tot -20 C ± 2 C voor koude en gematigde landen Bescherming tot -37 C ± 2 C voor zeer koude landen THERMOSTAAT Motor Begin van de opening (in C) Einde van de opening (in C) F4R ± 2 G9T ± 2 P9X ± 2 V4Y ± 2 19A-1

422 KOELSYSTEEM Vullen - ontluchten 19A De koelvloeistof stroomt permanent door de kachelradiateur die bijdraagt aan de koeling van de motor. VULLEN Open beslist de volgende ontluchtingsnippels: op de bovenkant van de radiateur, op de kachelslangen, op de slang tussen het koelvloeistofhuis en de extra verwarming (motor G9T), op de slang van het huis met koelvloeistofverwarmingselementen (motor P9X), op het koelvloeistofhuis (motors F4R en G9T) bij (A). ONTLUCHTEN Laat de motor gedurende 20 minuten draaien met 2500 tr/min, tot het inschakelen van de koelventilateur. Dit is de tijd die nodig is nodig voor het automatisch ontluchten. Controleer of het peil in het expansievat bij het "Maxi"- merkteken staat. DRAAI DE ONTLUCHTINGSNIPPEL NOOIT OPEN ALS DE MOTOR DRAAIT CONTROLEER BIJ WARME MOTOR NOGMAALS OF DE DOP VAN HET EXPANSIEVAT GOED VASTZIT Vul het circuit via de opening in het expansievat. Sluit de ontluchtingsnippel zodra er vloeistof zonder luchtbellen uitstroomt. Laat de motor draaien met 2500 tr/min. Blijf de vloeistof in het expansievat gedurende ongeveer 4 minuten op peil houden. Sluit het expansievat met de dop. 19A-2

423 KOELSYSTEEM Controle 19A ONMISBAAR SPECIAAL GEREEDSCHAP M.S Adapter voor M.S M.S Adapter voor M.S M.S Gereedschap voor controle van de afdichting van het koelsysteem 1 - Controle van de afdichting van het koelsysteem Vervang de dop van het expansievat door de adapter M.S Sluit hier het controlegereedschap M.S op aan. Laat de motor warmdraaien en zet hem stil. Pomp het circuit onder druk. Pomp tot de druk 0,1 bar onder de afstelwaarde van de dop van het expansievat is. De druk mag niet teruglopen, spoor anders het lek op. 2 - Controle van de afstelling van de expansievatdop Wanneer er koelvloeistof via de dop ontsnapt is, moet deze dop beslist door een nieuwe worden vervangen. Monteer de adapter M.S op de pomp M.S en draai de dop op de adapter. Voer de druk op, deze moet zich stabiliseren op de afstelwaarde van de dop met een tolerantie van ± 0,1 bar Afstelwaarde van de klep: 1,4 bar voor de motors F4R, G9T, 1,6 bar voor de P9X en 1,8 bar voor de V4Y Draai de aansluiting van M.S geleidelijk los zodat de druk uit het koelsysteem kan ontsnappen, en vervang de adapter M.S door de expansievatdop voorzien van een nieuwe afdichtring. 19A-3

424 MOTOR F4R KOELSYSTEEM Schema 19A 1 Motor 2 Radiateur 3 Doorstroom expansievat met ontluchting achter thermostaat 4 Kachelradiateur 5 Thermostaatsteun 6 Doseur 3 mm 7 Doseur 9 mm 8 Doseur 6 mm 9 Waterpomp 10 Thermostaat 11 Ontluchtingsnippel 12 Elektrische waterpomp 13 Steun verwarmingselementen (indien van toepassing) 14 Turbo 15 Olie/waterkoeler De expansievatdop is afgesteld op 1,4 bar. 19A-4

425 MOTOR G9T HANDGESCHAKELDE VERSNELLINGSBAK KOELSYSTEEM Schema 19A 1 Motor 2 Radiateur 3 Het expansievat, 4 Kachelradiateur 5 By-pass 11 mm 6 Houder koelvloeistofverwarmingselementen 7 Waterpomp 8 Olie/waterkoeler 9 Thermostaat 10 Ontluchtingsnippel 11 Extra verwarming (alleen voor zeer koude landen) 12 Doseur 3 mm De expansievatdop is afgesteld op 1,4 bar. 19A-5

426 MOTOR G9T AUTOMATISCHE TRANSMISSIE KOELSYSTEEM Schema 19A 1 Motor 2 Radiateur 3 Het expansievat, 4 Kachelradiateur 5 By-pass 11 mm 6 Houder koelvloeistofverwarmingselementen 7 Waterpomp 8 Olie/waterkoeler 9 Thermostaat 10 Ontluchtingsnippel 11 Extra verwarming (alleen voor zeer koude landen) 12 Olie/waterkoeler voor de automatische transmissie 13 Doseur 3 mm 14 Doseur 8 mm 15 Doseur 14 mm 16 Dop De expansievatdop is afgesteld op 1,4 bar. 19A-6

427 MOTOR P9X KOELSYSTEEM Schema 19A 1 Motor 2 Radiateur 3 Het expansievat, 4 Kachelradiateur 5 Houder koelvloeistofverwarmingselementen (alleen voor gematigde landen) 6 Waterpomp 7 Olie/waterkoeler 8 Thermostaat 9 Ontluchtingsnippel 10 Extra verwarming (alleen voor zeer koude landen) 11 Olie/waterkoeler voor de automatische transmissie 12 Doseur 3 mm en lengte 10 mm 13 Doseur 16 mm en lengte 10 mm 14 Turbocompressor 15 EGR-systeem De expansievatdop is afgesteld op 1,6 bar. 19A-7

428 MOTOR V4Y KOELSYSTEEM Schema 19A 1 Motor 2 Radiateur 3 Doorstroom expansievat met permanente ontluchting 4 Kachelradiateur 5 Oliekoeler automatische transmissie 6 Uitgang koelsysteem 7 Doseur 8 Doseur 16 mm 9 Waterpomp 10 Thermostaat 11 Ontluchtingsnippel 12 Luchtverwarming De expansievatdop is afgesteld op 1,8 bar. 19A-8

429 MOTOR P9X KOELSYSTEEM Thermostaat 19A AANTREKKOPPELS (in dan.m) Bevestigingsbouten van het koelvloeistofhuis 2,5 INBOUWEN Monteer de thermostaat met een nieuwe afdichting. N.B.: het is belangrijk om de ontluchtingsopening (C) verticaal naar boven te plaatsen. UITBOUWEN Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Maak de massakabel van de accu los. Verwijder de beschermplaat onder de motor. Tap het koelsysteem af via de onderste radiateurslang. Bouw uit: de bevestigingen van de thermostaat bij (A), de thermostaat (B). Zet de bouten van het koelvloeistofhuis vast met 2,5 dan.m. Vul en ontlucht het koelsysteem (zie hoofdstuk 19A "Vullen-Ontluchten"). 19A-9

430 ALLE MOTORTYPES KOELSYSTEEM Radiateur 19A ONMISBAAR SPECIAAL GEREEDSCHAP Mot Mot Mot UITBOUWEN Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Klembandtang Lange klembandtang de relaisplaat bij (1), de accubak bij (2), Bouw uit: de kappen van de motor, de accu en de beschermplaat onder de motor, de twee voorwielen, de versterkingsstang aan de bovenkant, de inlaatgeluiddemper (alleen V4Y) bij (A), de stekkers van de ventilateurmotor, de stekkers van de weerstand van de koelventilateur (alleen G9T), de koelventilateur. Tap het koelsysteem af via de onderste radiateurslang. Bouw uit: de schildbumper voor (zie hoofdstuk 54A.A "Schildbumper voor"), de twee koplampen, de bovenste dwarsbalk, de bovenste radiateurslang, de twee luchthappers van de radiateur, 19A-10

431 ALLE MOTORTYPES KOELSYSTEEM Radiateur 19A de luchtslang op de afslagklep (alleen G9T) bij (3), Verwijder de twee slangen op de tussenkoeler (behalve V4Y). Maak de tussenkoeler los van de radiateur en bouw hem uit. Ontgrendel de twee onderste bevestigingen van de radiateur. Bouw de radiateur uit. INBOUWEN Ga bij het inbouwen verder te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. Let op dat de ribben van de radiateur of van de condensor of tussenkoeler bij het inbouwen niet beschadigen, bescherm ze indien nodig. de twee bevestigingen van de stuurbekrachtigingsleiding (1), de stekker (2) van de condensor. Maak (4) de condensor los van de tussenkoeler, duw hem opzij en bevestig hem aan de voorste dwarsbalk. Vul en ontlucht het koelsysteem (zie hoofdstuk 19A "Vullen-Ontluchten"). Het is noodzakelijk om een inlezing uit te voeren na het weer aansluiten van de accukabels (zie hoofdstuk 80A "Bijzonderheden accu"). 19A-11

432 MOTOR F4R KOELSYSTEEM Waterpomp 19A ONMISBAAR SPECIAAL GEREEDSCHAP Mot Mot Mot Klembandtang Lange klembandtang AANTREKKOPPELS (in dan.m) Bouten waterpomp 0,9 UITBOUWEN Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Maak de massakabel van de accu los. Tap het koelsysteem af via de onderste radiateurslang. Bouw uit: de distributieriem (zie hoofdstuk 11A: "Distributieriem"). de waterpomp. REINIGEN De pasvlakken van de onderdelen mogen beslist niet schoon worden geschraapt. Los de achtergebleven pakkingresten op met Décapjoint. Draag hierbij handschoenen. Breng het product aan op de te reinigen delen; laat het ongeveer tien minuten inwerken en veeg het metaal met een houten spatel schoon. Laat het product niet op de lak van de auto terechtkomen. 19A-12

433 MOTOR F4R KOELSYSTEEM Waterpomp 19A N.B.: borg de bouten (3) en (4) met een druppeltje LOCTITE FRENETANCH op de schroefdraad. Monteer de nieuwe afdichting. Span de bouten van de waterpomp in de aangegeven volgorde voor tot zij aanliggen, en zet ze daarna vast met een aantrekkoppel van 0,9 dan.m in dezelfde aantrekvolgorde. Monteer de distributieriem (zie de methode in hoofdstuk 11A "Distributieriem"). Vul en ontlucht het koelsysteem (zie hoofdstuk 19A "Vullen - Ontluchten"). 19A-13

434 MOTOR G9T KOELSYSTEEM Waterpomp 19A ONMISBAAR SPECIAAL GEREEDSCHAP Mot Klembandtang Mot Mot Lange klembandtang ONMISBAAR MATERIAAL Poelietrekker (FACOM U 14 L bijvoorbeeld) AANTREKKOPPELS (in dan.m) Moer van de naaf van de waterpomp 5 Bevestigingsbouten van de waterpomp 1 Bevestigingsbouten van het deksel van de waterpomp 1 UITBOUWEN Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Maak de massakabel van de accu los. Plaats het motorsteungereedschap Mot Tap af: het koelsysteem via de onderste radiateurslang, de motorolie (plaats de aftapplug niet terug). Bouw uit: het rechter voorwiel, de spatplaat, de pendelophanging rechts voor. Bouw uit: de moer (1) van de naaf van de waterpomp (houd de krukas tegen met een schroevendraaier). Laat de motor, zonder de koppel-reactiestang of het uitlaatsysteem te beschadigen, voldoende zakken om de deksel van de waterpomp uit te kunnen bouwen. 19A-14

435 MOTOR G9T KOELSYSTEEM Waterpomp 19A Bouw uit: het tandwiel van de waterpomp met behulp van de trekker, de waterpomp. LET OP: een deel van de koelvloeistof stroomt in het ondercarter. Controleer of het pakkingvlak van de pomp schoon is en of alle koelvloeistof uit het motorblok is gestroomd (via de aftapopening). INBOUWEN Monteer de waterpomp (met een nieuwe afdichting) door te drukken op de verhogingen (3) om de pomp correct tegen het onderste distributiedeksel te drukken. Zet de bouten (4) vast met een aantrekkoppel van 1 dan.m. de twee bevestigingsbouten (2) van de waterpomp, Plaats: het tandwiel van de waterpomp en zet het vast met een aantrekkoppel van 5 dan.m, het deksel van de waterpomp (met een nieuwe afdichting) en zet de bouten vast met een aantrekkoppel van 1 dan.m, Vul de motorolie bij. Vul en ontlucht het koelsysteem (zie hoofdstuk 19A "Vullen-Ontluchten"). 19A-15

436 MOTOR P9X KOELSYSTEEM Waterpomp 19A ONMISBAAR SPECIAAL GEREEDSCHAP Mot Mot Mot Mot Mot Mot Mot Mot Blokkeerstift motorverdraaiing Motorsteungereedschap via de onderkant Motorsteungereedschap via de bovenkant Klembandtang Lange klembandtang Montagegereedschap keerring aan distributiezijde Montagegereedschap keerring van de hogedrukpomp ONMISBAAR MATERIAAL Momentsleutel AANTREKKOPPELS (in dan.m) Bouten waterpomp 1,1 Bevestigingsbouten van de tandwielen van de groep 3,5 Bevestigingsbouten van het deksel van de groep 2,5 Moer van de poelie van de inspuitpomp 16 UITBOUWEN Maak de aandrijfas rechts voor los, bouw hiervoor uit: de flens van het steunlager van de aandrijfas, de spoorstangkogel, de onderste fuseekogel. de bouten van de schokdemperpoot, de bevestigingen van de remklauw, en bevestig deze aan de schroefveer, de stekker van het opname element van het ABS. Bout van de krukaspoelie aandrijfriem hulporganen 23,5 Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Maak de massakabel van de accu los. Tap het koelsysteem af via de onderste radiateurslang. Bij het inbouwen van de motor moet de motorolie worden afgetapt om de koelvloeistof uit de ondercarter te verwijderen. 19A-16

437 MOTOR P9X KOELSYSTEEM Waterpomp 19A Bouw uit: de aandrijfriem hulporganen (zie hoofdstuk 07A "Spanning aandrijfriem hulporganen"), de geleiderollen (1), de spanner (2), Controleer of de vaste en draaiende merktekens van de krukaspoelie van de hulporganen in lijn liggen. de distributieriem (zie hoofdstuk 11A "Distributieriem"). de geleiderollen (3), de spanrol (4). Draai de krukas enigszins linksom om de motor te blokkeren (via het gat voor de bouten van de omvormer). Blokkeer de motor door Mot in een gat voor de bouten van de omvormer te steken. 19A-17

438 MOTOR P9X KOELSYSTEEM Waterpomp 19A Draai los: de bevestigingsbout van de krukaspoelie hulporganen, de bevestigingsmoer (5) van het tandwiel van de hogedrukpomp. Controleer of de vaste en draaiende merktekens van de krukaspoelie van de hulporganen in lijn liggen. Bouw uit: het tandwiel van de hogedrukpomp, het blokkeergereedschap van de motor Mot Bouw uit: de krukaspoelie bij (6), de slang van de carterventilatie bij (7), de stekker van het opname element vliegwiel bij (8), het opname element vliegwiel. Draai motor om hem weer op het BDP te zetten. Sluit de carterventilatieslang af. 19A-18

439 MOTOR P9X KOELSYSTEEM Waterpomp 19A Bouw uit: de bevestigingen van het deksel van de tandwielgroep, de dop bij (9), het deksel van de tandwielgroep, 19A-19

440 MOTOR P9X KOELSYSTEEM Waterpomp 19A Bouw uit: de tandschijf van de BDP voor de tandwiel van de oliepomp, de tandwielen (A) en (B) van de groep, het tandwiel van de spelingscorrectie door het vastzetten van de twee bouten M6x100x50 bij (C) om het uit te bouwen. Vang de veer op van het spelingscorrectiemechanisme. Bouw uit: de poelie van de inspuitpomp, door twee bouten vast te zetten M6x100x50 bij (D) om hem vrij te maken van de pompas, de waterpomp. 19A-20

441 MOTOR P9X KOELSYSTEEM Waterpomp 19A REINIGEN De pasvlakken van de aluminium onderdelen mogen beslist niet schoon worden geschraapt. Gebruik het product Décapjoint voor het oplossen van de achtergebleven resten van de afdichting op het deksel van de tandwielgroep. AFSTELLEN VAN DE SPELINGSCORRECTIE VAN DE POELIE VAN DE INSPUITPOMP In de bankschroef: Plaats de veer in de poelie van de inspuitpomp. Breng het product aan op de te reinigen delen; laat het ongeveer tien minuten inwerken en veeg het metaal met een houten spatel schoon. INBOUWEN LET OP bij het plaatsen van de afdichting, het is zeer belangrijk om deze goed te plaatsen onder de rib (E) en in de centreerbussen (F). Plaats: de afdichting van de waterpomp, de waterpomp en zet de bouten vast met een aantrekkoppel van 1,1 dan.m, 19A-21

442 MOTOR P9X KOELSYSTEEM Waterpomp 19A Zet twee bouten (M6x100x50) vast bij (G), alleen in de poelie van de spelingscorrectie. Plaats het tandwiel voor de spelingscorrectie op de poelie van de inspuitpomp. Draai het tandwiel voor de spelingscorrectie met behulp van een schroevendraaier om hem te laten samenvallen met de poelie van de injectiepomp. Zet bij (H) een bout (M6x100x15) vast om het geheel te blokkeren als de gaten in lijn liggen. N.B.: de bevestigingsbout kan zelf gemaakt worden (een zaagsnede op de kop van de bout maakt het uitbouwen gemakkelijker). Verwijder de twee bouten die gebruikt zijn voor het plaatsen van de schroevendraaier. Monteer deze twee afgestelde poelies op de motor. 19A-22

443 MOTOR P9X KOELSYSTEEM Waterpomp 19A AFSTELLEN VAN DE TANDWIELGROEP Monteer de twee tussentandwielen (1) en (2) door hun merktekens goed te plaatsen ten opzichte van die van de tandwielen van de oliepomp (3) en van de inspuitpomp (4). Zet de bouten van de twee tussentandwielen vast met een aantrekkoppel van 3,5 dan.m. Monteer de tandschijf van het BDP voor het tandwiel van de oliepomp met de markering naar buiten gekeerd. 19A-23

444 MOTOR P9X KOELSYSTEEM Waterpomp 19A Monteer het deksel van de tandwielgroep met een strook van 3 mm diameter afdichtpasta 12F volgens onderstaand schema na het: reinigen en ontvetten van de pasvlakken, verwijderen van de keerringen van de krukaspoelie van de hulporganen en het tandwiel van de hogedrukpomp uit het deksel van de tandwielgroep. Verwijder de zelfgemaakte bouten via de opening (5). Plaats de dop. Plaats de nieuwe keerring: van de krukaspoelie van de hulporganen met behulp van het gereedschap Mot Zet de bouten van het deksel vast met een aantrekkoppel van 2,5 dan.m in de hieronder voorgeschreven volgorde. 19A-24

445 MOTOR P9X KOELSYSTEEM Waterpomp 19A van het tandwiel van de hogedrukpomp met behulp van het gereedschap Mot Controleer of de vast en draaiende merktekens: van de krukaspoelie voor de aandrijfriem hulporganen, van het tandwiel van de inspuitpomp, in lijn liggen. Plaats: de geleiderollen van de distributieriem, de spanrol van de distributieriem de distributieriem (zie hoofdstuk 11A "Distributieriem"). de spanner van de aandrijfriem hulporganen, de geleiderollen van de aandrijfriem hulporganen, de aandrijfriem hulporganen (zie hoofdstuk 07A "Spanning aandrijfriem hulporganen"), de pendelophanging (zie hoofdstuk 19A "Pendelophanging"). Monteer de aandrijfas rechts voor (zie hoofdstuk 29A "Aandrijfas"). Tap de motorolie af. Monteer de krukaspoelie van de hulporganen, door de bevestigingsbout te laten aanliggen. Controleer of de vaste en draaiende merktekens van de krukaspoelie van de hulporganen en van het tandwiel van de hogedrukpomp in lijn liggen. Draai de krukas enigszins linksom om de motor te blokkeren. Plaats Mot N.B.: het is belangrijk om te controleren dat er geen koelvloeistof in het ondercarter is achtergebleven voordat u de motor vult met olie. Voer de volgende werkzaamheden uit: vul en ontlucht het koelsysteem (zie hoofdstuk 19A "Vullen - ontluchten"). vul de motor met olie. Ga verder te werk in omgekeerde volgorde van het uitbouwen. Plaats: het tandwiel van de inspuitpomp en zet dit vast met een aantrekkoppel van 16 dan.m, de poelie van de krukas en zet deze vast met 23,5 dan.m. Verwijder Mot Draai motor om hem weer op het BDP te zetten. 19A-25

446 MOTOR V4Y KOELSYSTEEM Waterpomp 19A ONMISBAAR SPECIAAL GEREEDSCHAP Mot Mot Mot Mot Mot Klembandtang Lange klembandtang Set voor het uitdraaien van afbreekbouten Motorsteun, meervoudig verstelbaar T. Av. 476 Kogeltrekker ONMISBAAR MATERIAAL Momentsleutel AANTREKKOPPELS (in dan.m) Bouten waterpomp 0,9 Bout van het waterpompdeksel 1,1 Bout van het kettingspannerdeksel 1,1 Bouw uit: de motor (zie hoofdstuk 10A "Motor Versnellingsbak"), de aandrijfriem hulporganen (zie hoofdstuk 07A "Spanning aandrijfriem hulporganen"), de spanrol en zijn steun bij (A), Bout van de kettingspanner 0,8 Hiervoor moet de aandrijfgroep uitgebouwd worden. UITBOUWEN Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Maak de massakabel van de accu los. 19A-26

447 MOTOR V4Y KOELSYSTEEM Waterpomp 19A Zet de motor in het BDP. Bouw uit: het deksel van de waterpomp bij (B), het deksel van de distributiespanner bij (C), de bevestigingen van de waterpomp bij (E), Draai de motor ongeveer twintig graden linksom. de deksels van de nokkenasverstellers en markeer de stand van de nokkenasverstellers in het BDP, de kettingspanner bij (D) (zie hoofdstuk 11A "Distributieketting"), Bouw de waterpomp uit. N.B.: voordat de pomp inbouwt, smeert u motorolie op afdichting (1) en koelvloeistof op afdichting (2). 19A-27

448 MOTOR V4Y KOELSYSTEEM Waterpomp 19A INBOUWEN N.B.: let op dat u de afdichtingen niet beschadigt als u de pomp inbouwt. Breng een strook LOCTITE 518 aan met een dikte van 3 mm. Plaats de waterpomp. Vul de spanner van de distributieketting met motorolie. Monteer de spanner van de distributieketting. Maak met behulp van een krabber de deksels van de waterpomp en van de distributieketting schoon. Laat de motor gedurende 3 minuten draaien zonder boven 3000 t/min te komen, om het smeercircuit van de kettingspanner te ontluchten. N.B.: hierbij kunnen pingelgeluiden hoorbaar zijn. Ga te werk in omgekeerde volgorde van het uitbouwen. Bouw de motor in (zie de methode in hoofdstuk 10A "Motor en versnellingsbak"). Vul en ontlucht het koelsysteem (zie hoofdstuk 19A "Vullen ontluchten"). 19A-28

449 ALLE MOTORTYPES 119B UITLAAT Algemeen 19B De complete uitlaatlijn is van roestvrij staal. Omdat de katalysator zeer heet wordt, mag u de auto in geen geval parkeren op een plaats waar brandbare materialen (hoog gras, bladeren) in contact kunnen komen met de katalysator. de twee bevestigingsmoeren (3) van het silentbloc van de demper. Ieder beschadigd hitteschild moet beslist worden vervangen. LET OP: er mag absoluut geen lekkage optreden tussen het uitlaatspruitstuk en de katalysator, iedere beschadigde afdichting moet beslist worden VERVANGEN, bij het uitbouwen mag er beslist niet tegen de katalysator geslagen worden om te voorkomen dat deze inwendig beschadigd wordt. BEVESTIGING ONDER DE AUTO Bij het uitbouwen van de demper, verwijder: de akoestische stang (1), de klemband demper - expansiepot (2), Plaats de klembanden zo dat zij beide buizen vastklemmen. Zet de bout van de klemband vast met 2,5 dan.m om te voorkomen dat de buizen en klembanden vervormen en kunnen gaan lekken. Zet de akoestische stang vast met 6,2 dan.m. VERVANGEN VAN DE DELEN VAN HET UITLAATSYSTEEM Het uitbouwen van verschillende delen van het uitlaatsysteem geeft geen problemen. Er zijn een of twee onderbrekingen vanaf de ingang van de katalysator tot aan de uitgang van de demper. Er is dus geen enkele doorsnijding nodig om de verschillende delen te vervangen. 19B-1

450 UITLAAT Overzicht van het uitlaatsysteem 19B PRESENTATIE VAN HET UITLAATSYSTEEM Motor F4R met turbocompressor Motor G9T 1 Katalysator 2 Expansiepot 3 Demper 19B-2

451 UITLAAT Overzicht van het uitlaatsysteem 19B PRESENTATIE VAN HET UITLAATSYSTEEM Motor P9X Motor V4Y 1 Voorkatalysator 2 Katalysator 3 Expansiepot 4 Demper 19B-3

452 MOTOR F4R TURBOCOMPRESSOR UITLAAT Katalysator 19B AANTREKKOPPELS (in dan.m) Moeren van driepuntsflens 2,1 de vier bouten van de luchtslang van het hitteschild van de turbocompressor (2), Moeren van katalysator-turbocompressor 3,2 Koppel-reactiestang aan het subframe aan de motor 10,5 18 Luchtslang van turbohitteschild 0,8 Steun van driepuntsflens 2,1 Flenzen van katalysator 0,8 UITBOUWEN Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Maak de massakabel van de accu los. Voor het uitbouwen van de katalysator moet de aandrijfas rechts worden uitgebouwd (zie hoofdstuk 29A "Aandrijfas"). Bouw uit: de twee bouten (1) van de koppel-reactiestang, de twee lambda sondes (3), de twee katalysatorflenzen (4), de steun van de driepunts katalysatorflens op de bak (5), de drie bevestigingsmoeren (6) van de katalysator op de turbocompressor. de steun van de koppel-reactiestang, het lagerblok van de aandrijfas. 19B-4

453 MOTOR F4R TURBOCOMPRESSOR UITLAAT Katalysator 19B Bouw de drie bevestigingsmoeren (7) van de uitlaatflens uit. Verwijder de katalysator. INBOUWEN Plaats de moeren van de katalysator op de turbocompressor. Zet in de juiste volgorde en met het voorgeschreven koppel vast: de katalysatorflenzen, de moeren van de katalysator op de turbocompressor, de uitlaatflens. Ga te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. Vervang de afdichtingen van de uitlaatflens en van de turbocompressor. 19B-5

454 MOTOR V4Y UITLAAT Katalysator 19B AANTREKKOPPELS (in dan.m) Bout flens katalysator-voorkatalysator 2,1 Klemband katalysator-expansiepot 2,1 Bouw uit: de vier bouten van de flens katalysatorvoorkatalysator (3), de klemband katalysator-expansiepot (4), Bevestigingsbouten hitteschild 2,1 UITBOUWEN Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Maak de massakabel van de accu los. Bouw uit: de beschermplaat onder de motor, de twee bevestigingsbouten van het hitteschild door een sleutel door het subframe (1) te steken, de katalysator. INBOUWEN Ga te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. Vervang de afdichting door een nieuwe. Monteer een nieuwe klem. Houd de voorgeschreven aantrekkoppels zorgvuldig aan. de vier bevestigingsklemmetjes van het hitteschild (2). Druk het hitteschild naar achteren. Plaats een orgaansteun om de uitlaatlijn op zijn plaats te houden en te ondersteunen. 19B-6

455 MOTOR V4Y UITLAAT Voorste voorkatalysator 19B AANTREKKOPPELS (in dan.m) Bouten van voorkatalysator 2,1 de bevestigingsflens van de voorste voorkatalysator (2), Lambda sondes 4,4 Bouten steun voorkatalysator 2,1 Moeren flens katalysator-voorkatalysator 2,1 UITBOUWEN Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Maak de massakabel van de accu los. Bouw uit: de lambda sonde (1), de bevestigingsbouten (3) van de voorkatalysator. het hitteschild van het voorste uitlaatspruitstuk, INBOUWEN Ga te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. Vervang de afdichting van de voorkatalysatorkatalysator door een nieuwe. 19B-7

456 MOTOR V4Y UITLAAT Achterste voorkatalysator 19B AANTREKKOPPELS (in dan.m) Lambda sondes 4,4 Moer flens katalysator-voorkatalysator 2,1 Bouten van voorkatalysator 2,1 UITBOUWEN Voor het uitbouwen van de achterste voorkatalysator moeten de voorste voorkatalysator (zie hoofdstuk 19 Uitlaat "Voorste voorkatalysator") en de aandrijfas rechts (zie hoofdstuk 29A "Aandrijfas") worden uitgebouwd. Maak de stekker los van de lambda sonde. de twee moeren van de voorkatalysator-katalysator (3). Bouw uit: het lagerblok van de aandrijfas, de steun van de koppelreactiestang, de bouten van de voorkatalysator-uitlaatspruitstuk (1), de katalysatorflens (2), INBOUWEN Plaats: de moeren van de flens katalysator-voorkatalysator, de bouten van het achterste uitlaatspruitstukvoorkatalysator. Vervang de afdichting door een nieuwe. 19B-8

457 MOTOR G9T UITLAAT Voorkatalysator 19B AANTREKKOPPELS (in dan.m) de tweepunts flens katalysator-voorkatalysator (3). Moeren van katalysator-voorkatalysator 2,1 Moeren van katalysator-turbocompressor 4,4 Bouten steunen van voorkatalysator 2,1 Koppel-reactiestang aan het subframe aan de motor 10,5 18 Bouten van akoestische stang 6,2 UITBOUWEN Voor het uitbouwen van de katalysator moet de aandrijfas rechts worden uitgebouwd (zie hoofdstuk 29A "Aandrijfas"). Bouw uit: de akoestische stang (1), de klemband van het uitlaatsysteem (2), de lijn, de koppel-reactiestang (4), het lagerblok van de aandrijfas. 19B-9

458 MOTOR G9T UITLAAT Voorkatalysator 19B de drie moeren turbocompressor-voorkatalysator (6), de twee voorkatalysatorsteunen (7). INBOUWEN Ga te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. Vervang de afdichtingen door nieuwe. Houd de voorgeschreven aantrekkoppels zorgvuldig aan. De andere delen geven geen bijzondere problemen. 19B-10

459 MOTOR P9X UITLAAT Voorkatalysator 19B AANTREKKOPPELS (in dan.m) de bevestigingen (2) van de voorste uitlaatbuis, Bevestigingen van schilden 2,1 Tapeinden 0,7 Bevestigingsmoeren van voorste uitlaatbuis 2,1 Bevestigingen van de steun van de voorkatalysator 2,1 Bevestigingen van de strip van de voorkatalysator 2,1 UITBOUWEN Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Verwijder de kappen op de motor. Maak de massakabel van de accu los. Bouw uit: de hitteschilden (1), de katalysator. Maak het hitteschild naar achteren vrij. Verwijder hiervoor: de bevestigingen (3) van de steunplaat van het hitteschild, de steunplaat, de vier bevestigingsklemmetjes (4) van het hitteschild. 19B-11

460 MOTOR P9X UITLAAT Voorkatalysator 19B Maak de bedieningskabel van de versnellingsbak los op het hitteschild. Bouw uit: het hitteschild, de steun (5) en de poot (6) van de voorkatalysator, de voorkatalysator. INBOUWEN Ga te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. Vervang de afdichtingen. Voor de andere onderdelen van de uitlaatlijn gelden geen bijzonderheden. 19B-12

461 119C BRANDSTOFTANK Leegpompen van de brandstoftank 19C ONMISBAAR SPECIAAL GEREEDSCHAP Pneumatische pomp INTERCO, leegpompen van de brandstoftank Benzine en Diesel (zie catalogus met MATERIALEN) BELANGRIJK: Bij deze werkzaamheden is het volgende belangrijk: het is verboden te roken of met gloeiende voorwerpen (lasspatten) in de nabijheid te komen, bescherm u tegen wegspuitende benzine als gevolg van de restdruk in het systeem, bescherm de plaatsen die gevoelig zijn voor de uitstromende brandstof. In de motorruimte maakt u het relais van de brandstofpomp los in het huis met hulporganen motorruimte (relais (A) voor motor FR4, relais (B) voor motor V4Y). LEEGPOMPEN VAN DE BRANDSTOFTANK (benzinemotor) Bouw uit: de zitting van de bank evenals de hoogteverstelling (zie uitbouwen inbouwen van de tank), de plastic dop om bij de combinatie pomp en tankelement te komen. Verbind de draden op de aansluiting (3) en (5) van de stekker van dit benzinepomprelais met elkaar en laat de benzinepomp draaien tot hij lucht begint aan te zuigen. Verwijder de doorverbinding op de relaisstekker. Sluit het relais weer aan. Maak de massakabel van de accu los. N.B.: u kunt ook een pneumatische pomp van INTERCO gebruiken (zie de catalogus MATERIAAL). Maak de snelkoppeling (1) los en sluit op de uitgang (S) van het tankelement, een slang aan die lang genoeg is om uit te komen in een opvangbak buiten de auto. 19C-1

462 BRANDSTOFTANK Leegpompen van de brandstoftank 19C LEEGPOMPEN VAN DE BRANDSTOFTANK (dieselmotor) Bij bepaalde uitvoeringen met dieselmotor moet u, vanwege het ontbreken van een elektrische brandstofpomp, de brandstof met een externe pomp wegpompen. Bouw uit: de zitting van de bank evenals de hoogteverstelling (zie uitbouwen inbouwen van de tank), de plastic dop om bij het tankelement te komen. Gebruik hiervoor bijvoorbeeld de pneumatische pomp van INTERCO (zie de catalogus met MATERIALEN). Maak de snelkoppeling (1) los en sluit op uitgang (S) de rubber slang van de pneumatische pomp aan. Pomp de tank leeg. 19C-2

463 BRANDSTOFTANK Brandstoftank 19C AANTREKKOPPELS (in dan.m) Bevestigingsmoeren zitting 4,4 Bevestigingsbouten van de rugleuning en de hoogteverstelling van de zitting 4,4 Bouw de zitting van de achterbank uit. Ga als volgt te werk: kantel de twee zittingen, verwijder de klemmetjes (A) en verwijder daarna de bekleding. Bevestiging hitteschild 2,1 Akoestische stang 6,2 Bevestiging brandstoftank 2,1 BELANGRIJK: Bij deze werkzaamheden is het volgende belangrijk: het is verboden te roken of met gloeiende voorwerpen (lasspatten) in de nabijheid te komen, bescherm u tegen wegspuitende benzine als gevolg van de restdruk in het systeem, bescherm de plaatsen die gevoelig zijn voor de uitstromende brandstof. N.B.: om toegang te krijgen tot het tankelement in de tank, is het nodig om de zitting van de bank met de hoogteverstelling van de zitting uit te bouwen. UITBOUWEN Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Bouw de bevestigingen (B) van de rugleuning en van de hoogteverstelling op de carrosserie uit. Maak de rekeneenheid van het bandenspanningcontrolesysteem vrij zonder de stekker los te maken (afhankelijk van uitrusting). Maak de hoogteverstelling van de zitting vrij. Maak de massakabel van de accu los. 19C-3

464 BRANDSTOFTANK Brandstoftank 19C Verwijder de plastic dop zodat u bij de combinatie pomp en tankelement kunt komen. Maak los: de stekker (1) van de elektrische parkeerrem, de stekker (2), de snelkoppeling(en) (3). Maak vrij: het klemmetje (4) van de remleidingen, de klemmetjes (5) van de parkeerremkabel. Bouw uit: de akoestische stang (6) op de carrosserie, Breng de auto omhoog. Bouw het rechter achterwiel uit. de tussendemper (zie betreffende paragraaf), de bevestigingen (7) van het hitteschild en maak dit vrij. Maak de antiterugstroomslang (8) los. Bouw de klemband (9) van de vulhals uit. 19C-4

465 BRANDSTOFTANK Brandstoftank 19C INBOUWEN Ga verder te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen en let op: Houd de voorgeschreven aantrekkoppels zorgvuldig aan. Vervang alle slangklemmen. Knijp de slangen niet af. Monteer de snelkoppelingen met de hand en controleer of ze goed zijn vast geklikt. Monteer het hitteschild op de juiste wijze. Plaats de orgaansteun. Bouw de bevestigingen (10) van de tank uit. Bouw, met behulp van een tweede monteur, de tank uit en laat hem opzij kantelen. LET OP: de remleidingen mogen niet worden losgetrokken. Maak vrij: de slangen en de kabelbundel van de tank, de tank. 19C-5

466 BRANDSTOFTANK Vulhals 19C ONMISBAAR SPECIAAL GEREEDSCHAP Klemmetjestang UITBOUWEN Maak de massakabel van de accu los. de bevestigingsbouten (4) van de vulhals, de vulhals. Bouw uit: het rechter achterwiel, de spatplaat rechts achter. Maak de antiterugstroomslang (1) los. Bouw uit: de slangklem van de vulslang (2), de bevestigingsbout (3) van de vulhals, INBOUWEN Vervang de slangklem van de vulslang door een nieuwe. Ga verder te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. 19C-6

467 BRANDSTOFTANK Benzinepomp - Tankelement 19C AANTREKKOPPELS (in dan.m) Bevestigingsmoeren zitting 4,4 Bevestigingsbouten van de rugleuning en de hoogteverstelling van de zitting 4,4 Bevestiging hitteschild 2,1 Akoestische stang 6,2 Bevestigingen brandstoftank 2,1 BELANGRIJK: Bij deze werkzaamheden is het volgende belangrijk: het is verboden te roken of met gloeiende voorwerpen (lasspatten) in de nabijheid te komen, bescherm u tegen wegspuitende benzine als gevolg van de restdruk in het systeem, bescherm de plaatsen die gevoelig zijn voor de uitstromende brandstof. N.B.: voor het uitbouwen van het geheel pomptankelement kan de tank op zijn plaats blijven. Dit is toegankelijk onder de achterbank. Bouw hiervoor de zitting van de bank en de hoogteverstelling van de zitting uit (zie paragraaf uitbouwen brandstoftank). UITBOUWEN Verwijder de plastic dop zodat u bij het tankelement kunt komen. Maak los: de stekker (1) van de elektrische parkeerrem, de stekker (2), de snelkoppeling(en) (3). Verwijder de bevestigingsmoer van het tankelement met het gereedschap Mot Laat het tankelement uitlekken, en verwijder het geheel pomp-tankelement waarbij u oplet dat de vlotter niet beschadigt. N.B.: om te voorkomen dat de tank vervormt als de moer is verwijderd, moet deze weer op de tank worden gedraaid na het uitbouwen van de pomp en het tankelement. INBOUWEN Vervang de afdichtring. Plaats het tankelement-pomp met het merkteken van het tankelement bij de drie streepjes op de tank. 19C-7

468 BRANDSTOFTANK Benzinepomp - Tankelement 19C AANSLUITINGEN VAN DE STEKKER Geheel brandstofpomp-tankelement Aansl. A1 A2 B1 B2 C1 C2 Omschrijving Signaal + tankelement Niet in gebruik Signaal - tankelement Niet in gebruik + pomp - pomp Zet de moer zo ver vast tot het merkteken ervan samenvalt met het merkteken op de tank en met het merkteken op het geheel pomp-tankelement. Klik de snelkoppelingen vast. Sluit de stekkers aan. Plaats: de plastic dop, de hoogteverstelling van de zitting en dan de zitting. 19C-8

469 BRANDSTOFTANK Tankelement 19C Bij de uitvoeringen met een benzinemotor vormen de pomp, het benzinefilter en het tankelement één geheel. Uitvoeringen met dieselmotor P9X hebben geen pomp in de brandstoftank, alleen een tankelement. Daarentegen heeft motor G9T wel een pomp in de brandstoftank. Voor het uitbouwen van het tankelement, zie hoofdstuk "Pomptankelement". Controle tankelement Weerstand tussen aansluitingen A1 en B1 (in Ω) +10 Ω Loodvrije benzine Hoogte H (in mm) Diesel Inhoud van de tank bij benadering (in l) , ,5 166,5 159, , , Controleer de weerstandsverandering door de vlotter te verplaatsen. Meten van de hoogte H Bouw het tankelement uit en plaats dit op een vlakke ondergrond. H is de hoogte gemeten tussen de vlotteras en het werkvlak. N.B: de genoemde waarden gelden bij benadering. 19C-9

470 BRANDSTOFTANK Benzinefilter 19C ALGEMEEN Het benzinefilter bevindt zich in de tank, tezamen met pomp/tankelement en is niet demontabel. Bij het vervangen moet het geheel pomp-tankelement worden vervangen. De capaciteit van het filter is voldoende voor de levensduur van de auto. Toch kan door een controle van de voedingsdruk en de pompopbrengst een diagnose worden gesteld over pomp en tankelement. A Filter 19C-10

471 MOTOR F4R 119D MOTOROPHANGING Pendelophanging 19D AANTREKKOPPELS (in dan.m) A 2,1 G 6,2 B 4,4 H 6,2 C 6,2 I 10,5 D 10,5 J 4,4 E 19 F 11 19D-1

472 MOTOR G9T MOTOROPHANGING Pendelophanging 19D AANTREKKOPPELS (in dan.m) A 2,1 B 4,4 C 10,5 D 6,2 E 11 F 19 G 10,5 H 4,4 I 6,2 Deze aantrekkoppels gelden voor motor G9T met een handgeschakelde versnellingsbak PK6. Voor motor G9T met een automatische transmissie SU1, verandert alleen het koppel van de baksteun, dit gaat van 10,5 naar 6,2 dan.m. 19D-2

473 MOTOR P9X MOTOROPHANGING Pendelophanging 19D AANTREKKOPPELS (in dan.m) A 2,1 B 4,4 C 10,5 D 6,2 E 11 F 19 G 6,2 H 4,4 I 6,2 19D-3

474 MOTOR V4Y MOTOROPHANGING Pendelophanging 19D AANTREKKOPPELS (in dan.m) A 2,1 G 19 B 4,4 H 6,2 C 6,2 I 6,2 D 10,5 E 4,4 F 11 19D-4

Motor en randorganen

Motor en randorganen Motor en randorganen MOTORBLOK EN ONDERZIJDE CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS - DRUKVULLING BRANDSTOFTOEVOER - DIESELINSPUITING ANTI-LUCHTVERONTREINIGING STARTEN - LADEN ONTSTEKING

Nadere informatie

6 Airconditioning AIRCONDITIONING X91 62A

6 Airconditioning AIRCONDITIONING X91 62A 6 Airconditioning AIRCONDITIONING X91 MAART 2007 Edition néerlandaise De door de constructeur voorgeschreven reparatiemethoden, zoals in dit document beschreven, zijn gemaakt volgens de technische richtlijnen

Nadere informatie

1 Motor en randorganen

1 Motor en randorganen 1 Motor en randorganen 10A MOTORBLOK EN ONDERZIJDE 11A CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE 12A MENSELSAMENSTELLING 13B DIESELINSPUITSYSTEEM 13C VOORVERWARMING 16A STARTEN - LADEN 17A ONTSTEKING 17B BENZINE-INSPUITSYSTEEM

Nadere informatie

Vervangt hoofdstuk 29 van Service Mededelingen 2639A en 2651A

Vervangt hoofdstuk 29 van Service Mededelingen 2639A en 2651A SERVICE MEDEDELING Edition néerlandaise (wit) SAFRANE JANUARI 1997 77 11 192 134 Type B 54 L, F 2697A Service 0422 S/Chapitre 29 Vervangt hoofdstuk 29 van Service Mededelingen 2639A en 2651A 29 BIJZONDERHEDEN

Nadere informatie

HANDELING Nr. H : Werkzaamheden aan de distributie. VERVANGING VAN DE STOTERBUSSEN UITBOUWEN.

HANDELING Nr. H : Werkzaamheden aan de distributie. VERVANGING VAN DE STOTERBUSSEN UITBOUWEN. 1 VERVANGING VAN DE STOTERBUSSEN UITBOUWEN. 1. Tap de radiateur af, verwijder vervolgens de motorkap en laat het cilinderblok leeglopen via de aftapplug (1). Om het koelsysteem volledig af te tappen, moet

Nadere informatie

S.M. 2634A. Bijzonderheden van de uitvoeringen met motortype G8T Turbo Diesel

S.M. 2634A. Bijzonderheden van de uitvoeringen met motortype G8T Turbo Diesel S.M. 2634A B54 G Behoort bij: M.R. 302 Bijzonderheden van de uitvoeringen met motortype G8T Turbo Diesel 77 11 190 990 SEPTEMBER 1996 Edition néerlandaise De door de konstrukteur voorgeschreven reparatiemethoden,

Nadere informatie

HEFMIDDELEN SMEERMIDDELEN OLIE VERVERSEN - BIJVULLEN AFSTELWAARDEN AANDRIJFGROEP AFSTELWAARDEN VOOR- EN ACHTERTREINHOEKEN

HEFMIDDELEN SMEERMIDDELEN OLIE VERVERSEN - BIJVULLEN AFSTELWAARDEN AANDRIJFGROEP AFSTELWAARDEN VOOR- EN ACHTERTREINHOEKEN Algemeen GEGEVENS HEFMIDDELEN SLEPEN SMEERMIDDELEN PRODUCTEN OLIE VERVERSEN - BIJVULLEN AFSTELWAARDEN AANDRIJFGROEP AFSTELWAARDEN VOOR- EN ACHTERTREINHOEKEN BJ0F - BJ0G - BJ0J - BJ0K - BJ0V 77 11 311 004

Nadere informatie

Airconditioning VERWARMING AIRCONDITIONING BJ0E - BJ0J - BJ0K - BJ0M - BJ0P - BJ0V FEBRUARI 2004 EDITION NEERLANDAISE RENAULT 2004

Airconditioning VERWARMING AIRCONDITIONING BJ0E - BJ0J - BJ0K - BJ0M - BJ0P - BJ0V FEBRUARI 2004 EDITION NEERLANDAISE RENAULT 2004 Airconditioning VERWARMING BJ0E - BJ0J - BJ0K - BJ0M - BJ0P - BJ0V 77 11 311 084 FEBRUARI 2004 EDITION NEERLANDAISE "De door de constructeur voorgeschreven reparatiemethoden, zoals in dit document beschreven,

Nadere informatie

S.M. 2651A. Bijzonderheden van de SAFRANE met motortypen N7U 700 N7U 701

S.M. 2651A. Bijzonderheden van de SAFRANE met motortypen N7U 700 N7U 701 S.M. 2651A B54F Behoort bij: M.R. 302 Bijzonderheden van de SAFRANE met motortypen N7U 700 N7U 701 Voor onderwerpen die hier niet nader worden toegelicht, verwijzen wij u naar het werkplaatshandboek M.R.

Nadere informatie

0 Algemeen GEGEVENS VAN DE AUTO - MECHANISCH HEFMIDDELEN INGREDIËNTEN - PRODUCTEN OLIE VERVERSEN - BIJVULLEN X74 01A 02A 04B 05A

0 Algemeen GEGEVENS VAN DE AUTO - MECHANISCH HEFMIDDELEN INGREDIËNTEN - PRODUCTEN OLIE VERVERSEN - BIJVULLEN X74 01A 02A 04B 05A 0 Algemeen 01A GEGEVENS VAN DE AUTO - MECHANISCH 02A HEFMIDDELEN 04B INGREDIËNTEN - PRODUCTEN 05A OLIE VERVERSEN - BIJVULLEN X74 DECEMBER 2004 Edition néerlandaise De door de constructeur voorgeschreven

Nadere informatie

2 Aandrijving AUTOMATISCHE TRANSMISSIE AANDRIJFASSEN X91 23A 29A

2 Aandrijving AUTOMATISCHE TRANSMISSIE AANDRIJFASSEN X91 23A 29A 2 Aandrijving AUTOMATISCHE TRANSMISSIE AANDRIJFASSEN X91 MAART 2007 Edition néerlandaise De door de constructeur voorgeschreven reparatiemethoden, zoals in dit document beschreven, zijn gemaakt volgens

Nadere informatie

VERPLICHT : Neem de voorschriften voor veiligheid en schoon werken in acht. [0197-M] A1Z]

VERPLICHT : Neem de voorschriften voor veiligheid en schoon werken in acht. [0197-M] A1Z] VERPLICHT : Neem de voorschriften voor veiligheid en schoon werken in acht. 1. Gereedschap gereedschap Referentie Omschrijving [0197-A] [0197- A1Z] Mal voor nokkenassen Montagegereedschap voor uitlaatnokkenas

Nadere informatie

0 Algemeen GEGEVENS VAN DE AUTO - MECHANISCH MECHANISCHE INLEIDING HEFMIDDELEN SMEERMIDDELEN INGREDIËNTEN - PRODUCTEN X91 01A 01D 02A 04A 04B

0 Algemeen GEGEVENS VAN DE AUTO - MECHANISCH MECHANISCHE INLEIDING HEFMIDDELEN SMEERMIDDELEN INGREDIËNTEN - PRODUCTEN X91 01A 01D 02A 04A 04B 0 Algemeen 01A GEGEVENS VAN DE AUTO - MECHANISCH 01D MECHANISCHE INLEIDING HEFMIDDELEN 04A SMEERMIDDELEN 04B INGREDIËNTEN - PRODUCTEN X91 MAART 2007 Edition néerlandaise De door de constructeur voorgeschreven

Nadere informatie

6 Airconditioning VERWARMING AIRCONDITIONING GEREGELDE AIRCONDITIONING HANDBEDIENDE AIRCONDITIONING. X74, en DOCUMENTATIEFASE 2 61A 62A 62B 62C

6 Airconditioning VERWARMING AIRCONDITIONING GEREGELDE AIRCONDITIONING HANDBEDIENDE AIRCONDITIONING. X74, en DOCUMENTATIEFASE 2 61A 62A 62B 62C 6 Airconditioning 6A VERWARMING 62A AIRCONDITIONING 62B GEREGELDE AIRCONDITIONING 62C HANDBEDIENDE AIRCONDITIONING X74, en DOCUMENTATIEFASE 2 APRIL 2005 Edition néerlandaise De door de constructeur voorgeschreven

Nadere informatie

1 Motor en randorganen

1 Motor en randorganen 1 Motor en randorganen 10A MOTORBLOK EN ONDERZIJDE 11A CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE 12A MENSELSAMENSTELLING 12B DRUKVULLING 13A BRANDSTOFAANVOER 13B DIESELINSPUITING 13C VOORVERWARMING 14A ANTILUCHTVERONTREINIGING

Nadere informatie

INTERIEURBEKLEDING BEKLEDING KAPPEN - KLEPPEN STOELFRAME EN STELRAILS VOOR STOELFRAME EN STELRAILS ACHTER BEKLEDING VOORSTOELEN BEKLEDING ACHTERBANK

INTERIEURBEKLEDING BEKLEDING KAPPEN - KLEPPEN STOELFRAME EN STELRAILS VOOR STOELFRAME EN STELRAILS ACHTER BEKLEDING VOORSTOELEN BEKLEDING ACHTERBANK Bekleding ALGEMEEN INTERIEURBEKLEDING PORTIERBEKLEDING BEKLEDING KAPPEN - KLEPPEN HOEDENPLANK STOELFRAME EN STELRAILS VOOR STOELFRAME EN STELRAILS ACHTER BEKLEDING VOORSTOELEN BEKLEDING ACHTERBANK STOELACCESSOIRES

Nadere informatie

2 Aandrijving KOPPELING HANDGESCHAKELDE VERSNELLINGSBAK AANDRIJFASSEN X90 20A 21A 29A

2 Aandrijving KOPPELING HANDGESCHAKELDE VERSNELLINGSBAK AANDRIJFASSEN X90 20A 21A 29A 2 Aandrijving 20A KOPPELING 21A HANDGESCHAKELDE VERSNELLINGSBAK 29A AANDRIJFASSEN X90 DECEMBER 2005 Edition néerlandaise De door de constructeur voorgeschreven reparatiemethoden, zoals in dit document

Nadere informatie

0 Algemeen HEFMIDDELEN CARROSSERIE INNOVATIES X91 02A 02B

0 Algemeen HEFMIDDELEN CARROSSERIE INNOVATIES X91 02A 02B 0 Algemeen HEFMIDDELEN 02B CARROSSERIE INNOVATIES X91 MAART 2007 Edition néerlandaise De door de constructeur voorgeschreven reparatiemethoden, zoals in dit document beschreven, zijn gemaakt volgens de

Nadere informatie

2 Aandrijving KOPPELING HANDGESCHAKELDE VERSNELLINGSBAK AUTOMATISCHE TRANSMISSIE AANDRIJFASSEN X74 20A 21A 23A 29A

2 Aandrijving KOPPELING HANDGESCHAKELDE VERSNELLINGSBAK AUTOMATISCHE TRANSMISSIE AANDRIJFASSEN X74 20A 21A 23A 29A 2 Aandrijving 20A KOPPELING 21A HANDGESCHAKELDE VERSNELLINGSBAK 23A AUTOMATISCHE TRANSMISSIE 29A AANDRIJFASSEN X74 DECEMBER 2004 Edition néerlandaise De door de constructeur voorgeschreven reparatiemethoden,

Nadere informatie

MOTOR. 1 of 1 22/01/ :48 REVISEREN 1 DISTRIBUTIERIEM, SPANINRICHTING EN TANDWIELEN. Distributieriem - verwijderen

MOTOR. 1 of 1 22/01/ :48 REVISEREN 1 DISTRIBUTIERIEM, SPANINRICHTING EN TANDWIELEN. Distributieriem - verwijderen 300tdid_28 1 of 1 22/01/2013 20:48 DISTRIBUTIERIEM, SPANINRICHTING EN TANDWIELEN Distributieriem - verwijderen 4. Plaats gereedschap LRT-12-049 en de drukknop - een onderdeel van gereedschap LRT-12-031

Nadere informatie

De RENAULT ONDERHOUDSBEURT

De RENAULT ONDERHOUDSBEURT Pagina 5. De Renault onderhoudsbeurt 6. Motor 7. Benzine en dieselmotor / roetfilter 8. Turbo & intercooler 9. Smeersysteem 10. Koelvloeistof systeem 11. In- & uitlaatsysteem 12. Aandrijflijn 13. Handgeschakelde

Nadere informatie

Stappenplan Audi A2 (8z0) 2.2000 8.2005 1.6FSI 1.6 Fsi (2002 2005) BAD motor. Waarschuwingen en aanbevelingen

Stappenplan Audi A2 (8z0) 2.2000 8.2005 1.6FSI 1.6 Fsi (2002 2005) BAD motor. Waarschuwingen en aanbevelingen Stappenplan Audi A2 (8z0) 2.2000 8.2005 1.6FSI 1.6 Fsi (2002 2005) BAD motor. Waarschuwingen en aanbevelingen Tenzij de fabrikant aanraadt zijn de volgende procedures aanbevolen: Altijd een nieuwe distributieriem

Nadere informatie

Nokkenassen uit- en inbouwen

Nokkenassen uit- en inbouwen pagina 1 van 9 Nokkenassen uit- en inbouwen Benodigde speciale gereedschappen, apparaten en hulpmiddelen t Blokkeerpen voor dieselinspuitpomp -3359- t Tegenhouder -T10051- t Trekker -T10052- t Nokkenasmontagegereedschap

Nadere informatie

MOTOR - K SERIE 34 REPARATIES. 1 of 1 07/04/ :02 DISTRIBUTIE-RIEM - NOKKENAS - K SERIE

MOTOR - K SERIE 34 REPARATIES. 1 of 1 07/04/ :02 DISTRIBUTIE-RIEM - NOKKENAS - K SERIE wmln000d_169 1 of 1 07/04/2015 20:02 DISTRIBUTIE-RIEM - NOKKENAS - K SERIE Service-reparatienr. - 12.65.18 Verwijderen - motoren met niet-automatische distributieriem-spanner 1. Maak de negatieve accukabel

Nadere informatie

VERVANGING VAN EEN CILINDERKOP

VERVANGING VAN EEN CILINDERKOP HANDELING Nr. H78.112-1: Vervanging van een cilinderkop. 1 VERVANGING VAN EEN CILINDERKOP UITBOUWEN. 1. Tap de radiateur af, verwijder vervolgens de motorkap en laat het cilinderblok leeglopen via de aftapplug.

Nadere informatie

AST4910 Gereedschapsset voor het afstellen/ blokkeren van benzinemotoren met dubbele nokkenas

AST4910 Gereedschapsset voor het afstellen/ blokkeren van benzinemotoren met dubbele nokkenas NL AST4910 Gereedschapsset voor het afstellen/ blokkeren van benzinemotoren met dubbele nokkenas Bijpassend gereedschap: AST4519 Gereedschap voor plaatsing op het BDP (gebruiken met een testmeter met wijzerplaat)

Nadere informatie

pagina 1 van 5 Motor - 2.0 l Duratorq-Di (Puma) diesel/2,4 l Duratorq-TDCi (Puma) diesel - Nokkenassen Reparaties aan de wagen Speciaal Gereedschap Afstelgereedschap, BDP krukas 303-675 Transit 2000.5

Nadere informatie

Copyright 2010: Donkervoort.info, Jasper D. Steffens. Handleiding. Distributieriem vervangen Donkervoort Audi 1.8T 20V motor

Copyright 2010: Donkervoort.info, Jasper D. Steffens. Handleiding. Distributieriem vervangen Donkervoort Audi 1.8T 20V motor Handleiding Distributieriem vervangen Donkervoort Audi 1.8T 20V motor Noodzakelijk speciaal- gereedschap Voorbereidende werkzaamheden OEM # nummer Midlock aftermarket # nummer 3387 VW- 1(Z- 3576) T10008

Nadere informatie

Airconditioning VERWARMING AIRCONDITIONING BG0A - BG0B - BG0D - BG0G - KG0A - KG0B - KG0D - KG04 EDITION NEERLANDAISE NOVEMBER 2000 RENAULT 2000

Airconditioning VERWARMING AIRCONDITIONING BG0A - BG0B - BG0D - BG0G - KG0A - KG0B - KG0D - KG04 EDITION NEERLANDAISE NOVEMBER 2000 RENAULT 2000 Airconditioning VERWARMING AIRCONDITIONING BG0A - BG0B - BG0D - BG0G - KG0A - KG0B - KG0D - KG04 77 11 297 444 NOVEMBER 2000 EDITION NEERLANDAISE De door de constructeur voorgeschreven reparatiemethoden,

Nadere informatie

Richtlijnen voor een langere motor levensduur

Richtlijnen voor een langere motor levensduur Richtlijnen voor een langere motor levensduur Behandel een aantal belangrijke montage aanwijzingen. Het biedt u de kennis om risico s omtrent de VW Transporter 2.5 TDI motor te voorkomen. Dit type motor

Nadere informatie

Chrysler Voyager ,5 CRD / 2,5 / 104 / / / R2516C Land van productie - Cilinderinhoud/Vermogen 2,5 / 104 kw Motoraanduiding

Chrysler Voyager ,5 CRD / 2,5 / 104 / / / R2516C Land van productie - Cilinderinhoud/Vermogen 2,5 / 104 kw Motoraanduiding 1 04-09-2010 15:24:28 Voertuig Chrysler Voyager 01-08 2,5 CRD / 2,5 / 104 / / 2001-2008 / R2516C Land van productie - Cilinderinhoud/Vermogen 2,5 / 104 kw Motoraanduiding R2516C Bosch-sleutel CHR 497 (CHR12987)

Nadere informatie

KD Montage-/demontage-instructies

KD Montage-/demontage-instructies KD455.62/NL/01-06-2014 KD455.62 Montage-/demontage-instructies OPEL: RENAULT: Movano (A, FL, FL2), Vivaro (A, A FL) Avantime, Espace (IV, IV.2) Laguna (II, II.2), Master (II, II.2) Trafic (II, II.2) VAUXHALL:

Nadere informatie

Tussentijden voor vervanging distributieriemen

Tussentijden voor vervanging distributieriemen Naam: Adres: Model: Jaar: 2000 Registratie: Tel - Privé: Tel - Werk: Aantal kilometers: Opdrachtnummer: Belangrijke opmerking Belangrijke opmerking De gegeven intervallen en procedures kunnen door de producent

Nadere informatie

KD Montage/demontagerichtlijnen

KD Montage/demontagerichtlijnen KD481.05/NL/01-06/2014 KD481.05 Montage/demontagerichtlijnen SUBARU: Forester (I, II, II FL, III), Legacy (IV, V), Impreza (G11, FL G11, GR/GV), MOTOREN 1.5 i, 2.0 (i, R, X, XS, STi, XT), 2.5 (STi, Ti,

Nadere informatie

SCdefault. 9-5 Montagerichtlijn

SCdefault. 9-5 Montagerichtlijn SCdefault 9-5 Montagerichtlijn SITdefault Wielophangingskit MONTERINGSANVISNING INSTALLATION INSTRUCTIONS MONTAGEANLEITUNG INSTRUCTIONS DE MONTAGE Accessories Part No. Group Date Instruction Part No. Replaces

Nadere informatie

4 Plaatwerk ALGEMEEN BODEMPLAAT VOOR CENTRALE BODEMPLAAT ZIJKANT BODEMPLAAT BODEMPLAAT ACHTER BOVENBOUW VOOR BOVENBOUW ZIJKANT BOVENBOUW ACHTERZIJDE

4 Plaatwerk ALGEMEEN BODEMPLAAT VOOR CENTRALE BODEMPLAAT ZIJKANT BODEMPLAAT BODEMPLAAT ACHTER BOVENBOUW VOOR BOVENBOUW ZIJKANT BOVENBOUW ACHTERZIJDE 4 Plaatwerk 40A ALGEMEEN 41A BODEMPLAAT VOOR 41B CENTRALE BODEMPLAAT 41C ZIJKANT BODEMPLAAT 41D BODEMPLAAT ACHTER 42A BOVENBOUW VOOR 43A BOVENBOUW ZIJKANT 44A BOVENBOUW ACHTERZIJDE 45A BOVENKANT CARROSSERIE

Nadere informatie

KD Montage/demontagerichtlijnen

KD Montage/demontagerichtlijnen KD459.42/NL /01-06/2014 KD459.42 Montage/demontagerichtlijnen CITROEN: FORD: MAZDA: MINI: PEUGEOT: SUZUKI: VOLVO: Berlingo (B9, M59), C2, C3 (I, II and A51), C4, C5 (X7 and Fl), Dispatch II, Jumpy II,

Nadere informatie

FORD. Essentiële afstelling van een eenvoudige distributieset VKMA 04108. Install confidence. Infoblad 10 2011. www.vsm.skf.com

FORD. Essentiële afstelling van een eenvoudige distributieset VKMA 04108. Install confidence. Infoblad 10 2011. www.vsm.skf.com FORD VKMA 04108 Infoblad 10 2011 Essentiële afstelling van een eenvoudige distributieset In dit bulletin vindt u enkele aanwijzingen en tips om kostbare fouten te voorkomen bij het monteren van deze distributieset

Nadere informatie

Gereedschap. Renault Laguna II 2,0 IDE (F5R 700) - Distributieriem

Gereedschap. Renault Laguna II 2,0 IDE (F5R 700) - Distributieriem Gereedschap A = Gereedschap "Mot. 1054". Blokkeergereedschap voor krukas. B = Gereedschap " Mot. 1543". Gereedschap voor het voorspannen van de tandriem. C = Gereedschap " Mot. 1505". Frequentiemeter voor

Nadere informatie

Nokkenas vervangen (M52TU / M54 / M56)

Nokkenas vervangen (M52TU / M54 / M56) 11 31 001 Nokkenas vervangen (M52TU / M54 / M56) Benodigd speciaal gereedschap: 00 9 250 11 2 300 11 3 240 11 3 244 11 3 250 11 3 260 11 3 292 11 4 220 11 6 150 11 6 180 (zo nodig inlaat- of uitlaatzijde)

Nadere informatie

HANDELING Nr. H : Werkzaamheden aan de cilinderkop. VERVANGING VAN EEN TUIMELAARAS VAN DE INLAATKLEPPEN UITBOUWEN.

HANDELING Nr. H : Werkzaamheden aan de cilinderkop. VERVANGING VAN EEN TUIMELAARAS VAN DE INLAATKLEPPEN UITBOUWEN. 1 VERVANGING VAN EEN TUIMELAARAS VAN DE INLAATKLEPPEN UITBOUWEN. 1. Laat de radiateur leeglopen. Verwijder de motorkap. 2. Verwijder de aftapplug (1) om het cilinderblok leeg te laten lopen. Om het koelwater

Nadere informatie

Richtlijnen voor een langere motor levensduur

Richtlijnen voor een langere motor levensduur VOLKSWAGEN VOLVO Nummer 16 2013 VKMC 01270 VKMC 01258-1 VKMC 01258-2 Richtlijnen voor een langere motor levensduur Veel technici nemen risico s door niet consequent de fabrieksaanwijzingen op te volgen.

Nadere informatie

KD Montage-/demontage-instructies

KD Montage-/demontage-instructies AUDI: SKODA: VOLKSWAGEN: KD457.48/NL/01-05-2016 KD457.48 Montage-/demontage-instructies A4 (serie 2, 2 FL, cabriolet), A6 (serie 2, 2FL, allroad), A8 Superb Passat MOTOREN 2.5TDi SCHEMA DISTRIBUTIERIEMSET

Nadere informatie

LANCERING TURBOCHARGER MOUNTING KIT - THM50001

LANCERING TURBOCHARGER MOUNTING KIT - THM50001 LANCERING TURBOCHARGER MOUNTING KIT - THM50001 Geachte klant, Graag vragen wij uw aandacht voor de volgende turbo waarbij met ingang van 1/6/2011 een zogenaamde mounting kit wordt bijgeleverd. Deze mounting

Nadere informatie

ContiTech: Deskundige Tips voor vervanging van distributieriemen

ContiTech: Deskundige Tips voor vervanging van distributieriemen ContiTech: Deskundige Tips voor vervanging van distributieriemen Gedetailleerde instructies voor Ford Focus 2.0-liter 16V met motor code EDDB, EDDC, EDDD ContiTech toont hoe fouten bij het vervangen van

Nadere informatie

KDP Montage-/demontage-instructies

KDP Montage-/demontage-instructies KDP459.510/NL/01 07-2014 KDP459.510 Montage-/demontage-instructies CITROËN: FIAT: LANCIA: PEUGEOT: Berlingo (M49 en M59), Dispatch, Jumpy, Xsara FL, Xsara Picasso, C4. Scudo, Ulysse (U6) Zeta 206, 306

Nadere informatie

KD Montage-/demontage-instructies A4 (serie 1 FL, serie 2, serie 2 FL, cabriolet I en II), A6 (serie 2 en 2 FL) Superb

KD Montage-/demontage-instructies A4 (serie 1 FL, serie 2, serie 2 FL, cabriolet I en II), A6 (serie 2 en 2 FL) Superb AUDI: SKODA: VOLKSWAGEN: SEAT: KD457.45 Montage-/demontage-instructies A4 (serie 1 FL, serie 2, serie 2 FL, cabriolet I en II), A6 (serie 2 en 2 FL) Superb Passat V FL Exeo MOTOREN 1.8 i, 1.8 i Turbo,

Nadere informatie

KD Montage/demontage richtlijnen

KD Montage/demontage richtlijnen KD469.22/FR/01-06/2014 KD469.22 Montage/demontage richtlijnen TOYOTA: Avensis, Avensis verso, Corolla, Corolla verso, Picnic, Previa, RAV4 MOTOREN 2.0 D4-D OE REFERENTIE Zie onder MONTAGESCHEMA VAN KIT

Nadere informatie

KD457.37 riemspanner GT357.13

KD457.37 riemspanner GT357.13 KD457.37 riemspanner GT357.13 AUDI: A3 serie 1 en serie 1 FL SEAT: Cordoba (III, IV), Ibiza (II, III), Inca, Leon I, Toledo serie 2 SKODA: Fabia, Octavia I FL VOLKSWAGEN: Bora, Caddy II, Golf IV, New Beettle

Nadere informatie

5 Mechanismes en accessoires

5 Mechanismes en accessoires 5 Mechanismes en accessoires 51A ORGANEN IN PORTIEREN 52A ORGANEN IN MOTORKAP ACHTERKLEP - OPEN DAK 54A RUITEN 55A BESCHERMINGEN BUITENKANT 56A ACCESSOIRES BUITENKANT 57A ACCESSOIRES INTERIEUR 59A VEILIGHEIDSORGANEN

Nadere informatie

Mercedes-Benz personenwagens

Mercedes-Benz personenwagens onderhoudsysteem voor type 123 servicebeurt na elke 7.500*/10.000 km of ieder jaar onderhoudsbeurt na elke 15.000*/20.000 km of iedere twee jaar extra werkzaamheden na elke 45.000*/60.000 km of iedere

Nadere informatie

Thermostaat vervangen bij een M20 blok.

Thermostaat vervangen bij een M20 blok. Thermostaat vervangen bij een M20 blok. Wat heb je nodig? 1. Een vlakke ondergrond. 2. Een afgekoelde motor! 3. Een nieuwe thermostaat. 4. Een nieuwe O-ring (meestal word deze geleverd bij de thermostaat)

Nadere informatie

KD Montage-/demontage-instructies

KD Montage-/demontage-instructies KD459.51/NL/02-07-2014 KD459.51 Montage-/demontage-instructies CITROËN: FIAT: LANCIA: PEUGEOT: Berlingo (M49 en M59), Dispatch, Jumpy, Xsara FL, Xsara Picasso, C4 Scudo, Ulysse (U6) Zeta 206, 307, 307

Nadere informatie

ContiTech: Tips van de experts voor het vervangen van tandriemen

ContiTech: Tips van de experts voor het vervangen van tandriemen ContiTech: Tips van de experts voor het vervangen van tandriemen Gedetailleerde instructies voor een CT884 K1 in een 1997 Opel Omega B (25_, 26_, 27_) 2.5 L V6 met motorcode X25XE ContiTech toont hoe fouten

Nadere informatie

Algemeen GEGEVENS HEFMIDDELEN SLEPEN SMEERMIDDELEN - PRODUCTEN OLIE VERVERSEN - BIJVULLEN WAARDEN EN AFSTELLINGEN

Algemeen GEGEVENS HEFMIDDELEN SLEPEN SMEERMIDDELEN - PRODUCTEN OLIE VERVERSEN - BIJVULLEN WAARDEN EN AFSTELLINGEN Algemeen GEGEVENS HEFMIDDELEN SLEPEN SMEERMIDDELEN - PRODUCTEN OLIE VERVERSEN - BIJVULLEN BG0A - BG0B - BG0D - BG0G - KG0A - KG0B - KG0D - KG04 77 11 297 324 NOVEMBER 2000 EDITION NEERLANDAISE De door

Nadere informatie

Algemeen GEGEVENS HEFMIDDELEN SLEPEN SMEERMIDDELEN PRODUCTEN OLIE VERVERSEN - BIJVULLEN AFSTELWAARDEN AANDRIJFGROEP

Algemeen GEGEVENS HEFMIDDELEN SLEPEN SMEERMIDDELEN PRODUCTEN OLIE VERVERSEN - BIJVULLEN AFSTELWAARDEN AANDRIJFGROEP Algemeen GEGEVENS HEFMIDDELEN SLEPEN SMEERMIDDELEN PRODUCTEN OLIE VERVERSEN - BIJVULLEN AFSTELWAARDEN AANDRIJFGROEP AFSTELWAARDEN VOOR- EN ACHTERTREINHOEKEN 77 11 315 104 FEBRUARI 2002 EDITION NEERLANDAISE

Nadere informatie

Joris Rogiers. Geïntegreerde proef. 95 Autotechnieken 95

Joris Rogiers. Geïntegreerde proef. 95 Autotechnieken 95 95 Autotechnieken 95 1.0,.0 Joris Rogiers - '-" 24/03/2003 Qpdrocht omschrijving 1 1) Aard VJlnde oll.dracht: -remblokken vooraan vervangen. '--' 2)!kgevens voertuig;. Type: Ibiza 3) Uitvoerin/ll.. ; "-'

Nadere informatie

Motoro liën en oliefilter vervangen 2.0

Motoro liën en oliefilter vervangen 2.0 Motoro liën en oliefilter vervangen 2.0 Motorolie: Interval: Oliefilter: Motorolie: 3.000 km. 25.465.00 2 liter 10W40 Versnellingsbak en cardanolie: Interval: 10.000 km Differentieel olie: 1 liter 80W90

Nadere informatie

RC030/RC035 Pneumatisch (handmatig) vloeistof afzuigapparaat. Instructies

RC030/RC035 Pneumatisch (handmatig) vloeistof afzuigapparaat. Instructies RC030/RC035 Pneumatisch (handmatig) vloeistof afzuigapparaat Instructies Deze kunnen worden gebruikt voor het afzuigen van: Motorolie Versnellingsbak- en transmissieolie Koelvloeistof Remvloeistof Andere

Nadere informatie

8 Elektrische installatie

8 Elektrische installatie 8 Elektrische installatie 80A ACCU 80B VERLICHTING VOORZIJDE 81A VERLICHTING ACHTER 81C ZEKERING X91 MAART 2007 Edition néerlandaise De door de constructeur voorgeschreven reparatiemethoden, zoals in dit

Nadere informatie

Probleemoplossingsgids

Probleemoplossingsgids NL Probleemoplossingsgids BF115D, BF135A, BF150A Inhoud *Tik of klik op de relevante uitgave. - Controlelampje gaat aan / uit - Motor start niet - Motor stopt na te zijn gestart / Motor stopt terwijl deze

Nadere informatie

Vervangen koppakking en optimaliseren 1600 8v GSI

Vervangen koppakking en optimaliseren 1600 8v GSI Home Algemene ombouw tips Updates Downloads Specials Corsa A Ombouw naar 1.6 8v Ombouw naar 2.0 8v Ombouw naar 2.0 16v Corsa B Ombouw naar 2.0 8v Ombouw naar 2.0 16v Tuning Corsa A Optimaliseren 1.6 8v

Nadere informatie

Oliën en oliefilter vervangen

Oliën en oliefilter vervangen Oliën en oliefilter vervangen Interval: 3.000 km. Oliefilter: 25.465.00 Motorolie: 2 liter 10W40 Interval: 10.000 km Differentieel olie: 1 liter 80W90 Carterpan pakking Breng de motor op bedrijfstemperatuur.

Nadere informatie

DEFENDER BRANDSTOFSYSTEEM - Benzine 19

DEFENDER BRANDSTOFSYSTEEM - Benzine 19 DEFENDER BRANDSTOFSYSTEEM - Benzine 19 7. De korte veer verwijderen. 8. Alle componenten reinigen in paraffine. 9. Het pomphuis onderdompelen in benzine en de pompbuis uitblazen met gecomprimeerde lucht.

Nadere informatie

Inbouwhandleiding 80cc 4takt GY6 / 139QMB blok

Inbouwhandleiding 80cc 4takt GY6 / 139QMB blok Inbouwhandleiding 80cc 4takt GY6 / 139QMB blok De plaatjes en beschrijving zijn voor Kymco/Sym/China blokken. Gebruikers van een Piaggio 4takt scooter kunnen deze tekst ook gebruiken, het blok lijkt sterk

Nadere informatie

KD montagehandleiding

KD montagehandleiding KD457.37/NL/01-06/2014 KD457.37 montagehandleiding AUDI: A3 Serie 1 (AU34) SEAT: Cordoba III, Ibiza II, Inca, Leon, Toledo Series 2 SKODA: Octavia II, Octavia III VOLKSWAGEN: Bora, Caddy II, Golf IV, New

Nadere informatie

VERVANGING VAN DE MOTOR-VERSNELLINGSBAK COMBINATIE

VERVANGING VAN DE MOTOR-VERSNELLINGSBAK COMBINATIE VERVANGING VAN DE MOTOR-VERSNELLINGSBAK COMBINATIE ( voortrein niet uitgebouwd ) UITBOUWEN. 1. Leg blokken voor en achter de achterwielen. 2. Maak de handrem los en controleer dat de versnellingshandel

Nadere informatie

Montagehandleiding Knikarmschermen Onlinezonneschermen.nl

Montagehandleiding Knikarmschermen Onlinezonneschermen.nl Montagehandleiding Knikarmschermen Onlinezonneschermen.nl Controleer de montagehoogte Controleer of u voldoende montagehoogte op uw gevel heeft om het scherm te plaatsen Boven de muursteun (montage steun)

Nadere informatie

De-/montage handleiding VAG DSG6 02E Mechatronic

De-/montage handleiding VAG DSG6 02E Mechatronic De-/montage handleiding VAG DSG6 02E Mechatronic Merk Model Product VAG DQ250 Mechatronic Revisie 1.1 Documentcode P0051.03.01 Inhoud 1. Benodigd gereedschap... 3 2. Demontage handleiding... 4 3. Montage

Nadere informatie

Elektrische motorverwarming, 230 V

Elektrische motorverwarming, 230 V Installation instructions, accessories Instructienr. 31399509 Versie 1.1 Ond. nr. 31260698 Elektrische motorverwarming, 230 V IMG-378302 Volvo Car Corporation Elektrische motorverwarming, 230 V- 31399509

Nadere informatie

GT Montage/demontage richtlijnen

GT Montage/demontage richtlijnen /UK/01-06/2014 Montage/demontage richtlijnen SUBARU: Forester (I, II, II FL, III), Impreza (G10, G11, FL G11, GR/GV), Legacy (I, II, III, IV, V), L series Leone II, XT Coupe MOTOREN XT 1800, 1.5 i, 1.6

Nadere informatie

INBOUWTIPS REVISIEMOTOREN

INBOUWTIPS REVISIEMOTOREN INBOUWTIPS REVISIEMOTOREN 1) Algemeen: Wij danken u voor de aanschaf van een product van Ide Automotive en wensen u en de eindgebruiker nog veel rijplezier toe. Het succes van deze transactie en daarmee

Nadere informatie

Saab 900 2,0/2,3 M94-, Saab 9-3 2,0/2,3

Saab 900 2,0/2,3 M94-, Saab 9-3 2,0/2,3 MONTERINGSANVISNING INSTALLATION INSTRUCTIONS MONTAGEANLEITUNG INSTRUCTIONS DE MONTAGE 900 Motorverwarming Accessories Part No. Group Date Instruction Part No. Replaces 400 126 611 9:87-18 Dec 99 51 96

Nadere informatie

Vouwdak: montage-overzicht. Vouwdak: montage-overzicht

Vouwdak: montage-overzicht. Vouwdak: montage-overzicht Vouwdak: montage-overzicht Vouwdak: montage-overzicht 1 - Stoffering q Uit- en inbouwen Subhoofdstuk 2 - Bekleding q Uit- en inbouwen Subhoofdstuk 3 - Afdichting q Om deze te vervangen dient het vouwdak

Nadere informatie

Examen VMBO-BB. voertuigentechniek CSPE BB. gedurende 360 minuten. Bij dit examen hoort een uitwerkbijlage.

Examen VMBO-BB. voertuigentechniek CSPE BB. gedurende 360 minuten. Bij dit examen hoort een uitwerkbijlage. Examen VMBO-BB 2017 gedurende 360 minuten voertuigentechniek CSPE BB Naam kandidaat Kandidaatnummer Bij dit examen hoort een uitwerkbijlage. Dit examen bestaat uit 32 opdrachten. Voor dit examen zijn maximaal

Nadere informatie

MONTAGEHANDLEIDING. Waarom de montagehandleiding volgen?

MONTAGEHANDLEIDING. Waarom de montagehandleiding volgen? MONTAGEHANDLEIDING 1/5 Bij alle door ons geleverde turbo s wordt een beknopte montagehandleiding meegeleverd. De afzonderlijke aandachtspunten zijn voorzien van een checkbox die kunnen worden afgevinkt

Nadere informatie

VERVANGING VAN EEN TORSIESTAAF VOOR

VERVANGING VAN EEN TORSIESTAAF VOOR HANDELING Nr. H78.433-1a: Vervanging van een torsiestaaf voor. 1 VERVANGING VAN EEN TORSIESTAAF VOOR ZEER BELANGRIJK: Gezien de nogal grote kracht die met behulp van een hefboom moet worden uitgeoefend

Nadere informatie

MX-motor. Controleren uitlaatsysteem op lekkage en bevestiging

MX-motor. Controleren uitlaatsysteem op lekkage en bevestiging Lees de module veiligheidsvoorschriften voordat u de werkzaamheden genoemd in deze module uitvoert. Wanneer de in dit onderhoudsysteem opgenomen veiligheidsvoorschriften niet worden opgevolgd, kan de gezondheid

Nadere informatie

Distributieset inclusief waterpomp

Distributieset inclusief waterpomp FORD VAG Nummer 9 2011 VKMC 01250-1 Distributieset inclusief waterpomp Op veel automerken en modellen is de distributie een stuk complexer geworden. Eén voorbeeld hiervan is de integratie van de waterpomp

Nadere informatie

CONTROLESYSTEEM VAN DE BANDENSPANNING STUURBEKRACHTIGING MECHANISCHE BEDIENINGSORGANEN AUTOMATISCHE PARKEERREM ANTIBLOKKEERSYSTEEM VAN DE WIELEN

CONTROLESYSTEEM VAN DE BANDENSPANNING STUURBEKRACHTIGING MECHANISCHE BEDIENINGSORGANEN AUTOMATISCHE PARKEERREM ANTIBLOKKEERSYSTEEM VAN DE WIELEN Chassis ALGEMEEN VOORTREIN ACHTERTREIN WIELEN EN BANDEN CONTROLESYSTEEM VAN DE BANDENSPANNING STUURINRICHTING STUURBEKRACHTIGING MECHANISCHE BEDIENINGSORGANEN AUTOMATISCHE PARKEERREM ANTIBLOKKEERSYSTEEM

Nadere informatie

ContiTech: Tips van experts voor vervanging van distributieriemen

ContiTech: Tips van experts voor vervanging van distributieriemen ContiTech: Tips van experts voor vervanging van distributieriemen Gedetailleerde instructies voor Fiat 500 1.2 l motorcode 169 A4.000 ContiTech toont hoe fouten bij het vervangen van riemen kunnen vermeden

Nadere informatie

(zie afbeelding 3) 39-49 Nm (65 mm) 39-49 Nm (57 mm) (zie afbeelding 3) 39-49 Nm (60 mm) 29-39 Nm (11 mm)

(zie afbeelding 3) 39-49 Nm (65 mm) 39-49 Nm (57 mm) (zie afbeelding 3) 39-49 Nm (60 mm) 29-39 Nm (11 mm) 1 Montagehandleiding versnellingsbak demontage en montage Standaard NISSAN; TERRANO II (R20); 2.7 TDi 4WD Aanwijzing(en) De motor is in de lengterichting gemonteerd met aangeflenste overbrenging en daarmee

Nadere informatie

Cilinderkop (de )monteren

Cilinderkop (de )monteren Cilinderkop (de )monteren Materiaal: Cilinderkop pakking Uitlaat pakking Inlaat pakking Zet de zuiger van de betrokken cilinder in de bovenste stand zodat de kleppen los staan. Ik gebruikte hiervoor de

Nadere informatie

Onderhoudsprogramma, update

Onderhoudsprogramma, update Volvo Car Corporation Göteborg, Sweden Service Bulletin Personenauto s S70/V70/C70 1997- Hoofdgroep Groep No. Jaar Maand 1 17 0008 98 09 Pagina 1(12) Onderhoudsprogramma, update NL S70/V70/C70-1-17-0008

Nadere informatie

1 of 4 20/01/ :42

1 of 4 20/01/ :42 1 of 4 20/01/2013 20:42 Uitgegeven: 16-nov-2012 Voorwielophanging - Voorwiellager en wielnaaf Auto's gebouwd vanaf 01/1999 Verwijderen en aanbrengen Verwijderen 1. Krik de voorkant van het voertuig op.

Nadere informatie

Saab 9-5 B205, B Montagerichtlijn MONTERINGSANVISNING INSTALLATION INSTRUCTIONS MONTAGEANLEITUNG INSTRUCTIONS DE MONTAGE.

Saab 9-5 B205, B Montagerichtlijn MONTERINGSANVISNING INSTALLATION INSTRUCTIONS MONTAGEANLEITUNG INSTRUCTIONS DE MONTAGE. SCdefault 9-5 Montagerichtlijn SITdefault Motorverwarming MONTERINGSANVISNING INSTALLATION INSTRUCTIONS MONTAGEANLEITUNG INSTRUCTIONS DE MONTAGE Accessories Part No. Group Date Instruction Part No. Replaces

Nadere informatie

HANDELING Nr. H : Werkzaamheden aan de voorremmen. VERVANGING VAN EEN REMTROMMEL

HANDELING Nr. H : Werkzaamheden aan de voorremmen. VERVANGING VAN EEN REMTROMMEL HANDELING Nr. H78.451-1: Werkzaamheden aan de voorremmen. 1 VERVANGING VAN EEN REMTROMMEL NB: Met ingang van februari 1967, zijn de remtrommels van een ander materiaal gemaakt. Het is noodzakelijk om twee

Nadere informatie

Remmen: blokken, schijven, klauwen, slangen, remolie verversen en ontluchten

Remmen: blokken, schijven, klauwen, slangen, remolie verversen en ontluchten Remmen: blokken, schijven, klauwen, slangen, remolie verversen en ontluchten 31/01/2013 : Copyright BMW 7-Series Club Nederland Deze procedure geldt voor de 740 en de 750, de 735 heeft andere remklauwen.

Nadere informatie

Revisie stuurbekrachtings pomp (63-82)

Revisie stuurbekrachtings pomp (63-82) Revisie stuurbekrachtings pomp (63-82) Dutch Corvette Supplies Het reviseren van de pomp is, met behulp van het goede gereedschap eventueel zelf te doen. De hieronder beschreven revisie heeft betrekking

Nadere informatie

TECHNISCHE INSTRUCTIES. Service Campagne Elektrische HV-waterpomp Prius NHW20 modeljaar

TECHNISCHE INSTRUCTIES. Service Campagne Elektrische HV-waterpomp Prius NHW20 modeljaar TECHNISCHE INSTRUCTIES Service Campagne Elektrische HV-waterpomp Prius NHW20 modeljaar 2004-2007 I. HANDELINGSSCHEMA Controleer of het VIN van de auto in het betrokken VIN-bereik ligt. Nee Geen verdere

Nadere informatie

MODELJAAR 2004 TYPE GOEDKEUR ( R115 ) PLAATSING GOEDKEUR STICKER SET NUMMER 337/

MODELJAAR 2004 TYPE GOEDKEUR ( R115 ) PLAATSING GOEDKEUR STICKER SET NUMMER 337/ AUTOMERK CHRYSLER TYPE 300C CILINDERINHOUD 3500 CC AANTAL KLEPPEN 24V MOTORCODE V6 TRANSMISSIE TYPE AT TYPE VSI INJECTOREN ( RAIL NUMMER + KLEUR ) 2 x 180/30340 GEEL RETROFIT VERSIE ( LPG / CNG ) LPG BRANDSTOF

Nadere informatie

MONTERINGSANVISNING INSTALLATION INSTRUCTIONS MONTAGEANLEITUNG INSTRUCTIONS DE MONTAGE

MONTERINGSANVISNING INSTALLATION INSTRUCTIONS MONTAGEANLEITUNG INSTRUCTIONS DE MONTAGE SCdefault 9-5 Montagerichtlijn SITdefault Motorverwarming MONTERINGSANVISNING INSTALLATION INSTRUCTIONS MONTAGEANLEITUNG INSTRUCTIONS DE MONTAGE Accessories Part No. Group Date Instruction Part No. Replaces

Nadere informatie

voertuigentechniek CSPE BB

voertuigentechniek CSPE BB Examen VMBO-BB 2012 gedurende 380 minuten voertuigentechniek CSPE BB Naam kandidaat Kandidaatnummer Bij dit examen hoort een uitwerkbijlage. Dit examen bestaat uit 45 opdrachten. Voor dit examen zijn maximaal

Nadere informatie

Periodiek onderhoud. Olie aftappen. Oliefilters

Periodiek onderhoud. Olie aftappen. Oliefilters Periodiek onderhoud Periodiek onderhoud is het behoud van je machines. Het eerste gereedschap dat je daarbij nodig hebt is niet meer dan het instructieboekje en een goede draaiurenregistratie. Naast het

Nadere informatie

Origineel vervangende onderdelen

Origineel vervangende onderdelen Voordelige alternatieven voor de meest uiteenlopende automerken! Bijzonder interessant en toepasbaar op de meest voorkomende voertuigen binnen het reguliere wagenpark. WAECO is een van de leidende leveranciers

Nadere informatie

Metalen plaat Z Master commerciële 2000-serie zitmaaiers

Metalen plaat Z Master commerciële 2000-serie zitmaaiers Metalen plaat Z Master commerciële 000-serie zitmaaiers Modelnr.: 5-4790 Form No. 78-5 Rev A Installatie-instructies Opmerking: Laat de riem van het maaidek op zijn plaats tijdens de montage van deze set.

Nadere informatie

Klepstoters vervangen 190D 2.5 Geplaatst door Lutje_Benz - 22 okt :38

Klepstoters vervangen 190D 2.5 Geplaatst door Lutje_Benz - 22 okt :38 Klepstoters vervangen 190D 2.5 Geplaatst door Lutje_Benz - 22 okt 2012 16:38 Hallo! Vandaag de Klepstoters vervangen in mijn Mercedes-Benz 190D 2.5 uit 1986. Ik zal hier opschrijven hoe Ik te werk ben

Nadere informatie

1. Uitbouwen UITBOUWEN - INBOUWEN : VOORSCHERM. http://public.servicebox.peugeot.com/docapv/affiche.do?ref=c4ag1sf1&refaff=c4a...

1. Uitbouwen UITBOUWEN - INBOUWEN : VOORSCHERM. http://public.servicebox.peugeot.com/docapv/affiche.do?ref=c4ag1sf1&refaff=c4a... 206 (T1) - C4AG1SF1 - Uitbouwen - inbouwen : Voorscherm http://public.servicebox.peugeot.com/docapv/affiche.do?ref=c4ag1sf1&refaff=c4a... Page 1 of 4 UITBOUWEN - INBOUWEN : VOORSCHERM 1. Uitbouwen Open

Nadere informatie