Motor en randorganen
|
|
|
- Rosalia Lemmens
- 10 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 Motor en randorganen MOTORBLOK EN ONDERZIJDE CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS - DRUKVULLING BRANDSTOFTOEVOER - DIESELINSPUITING ANTI-LUCHTVERONTREINIGING STARTEN - LADEN ONTSTEKING - INSPUITSYSTEEM KOELSYSTEEM - UITLAAT - BRANDSTOFTANK - MOTOROPHANGING BG0A - BG0B - BG0D - BG0G - KG0A - KG0B - KG0D - KG NOVEMBER 2000 EDITION NEERLANDAISE De door de constructeur voorgeschreven reparatiemethoden, zoals in dit document beschreven, zijn gemaakt volgens de technische richtlijnen geldend op het tijdstip dat dit document werd samengesteld. Deze methoden zijn aan verandering onderhevig indien de constructeur tussentijds constructiewijzigingen op onderdelen of accessoires heeft aangebracht. RENAULT 2000 Alle auteursrechten zijn voorbehouden aan Renault. Reproduceren en/of vertalen, zelfs gedeeltelijk, van dit document evenals het overnemen van de indeling van dit document en/of wijze van aanduiden van de onderdelen is verboden zonder vooraf ontvangen schriftelijke toestemming van Renault.
2 Motor en randorganen Inhoud Blz. Blz. 10 MOTORBLOK EN ONDERZIJDE 13 BRANDSTOFTOEVOER - DIESELINSPUITING Identificatie 10-1 Olieverbruik 10-2 Oliedruk 10-3 Motor - Versnellingsbak 10-4 Ondercarter Hulporganensteun Oliepomp BRANDSTOFTOEVOER Bijzonderheden 13-1 Hoofdinspuitbuis / inspuitstukken 13-3 Controle van de voedingsdruk 13-6 Controle opbrengst voedingspomp 13-8 Antidampbelsysteem CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Spanrol distributieriem 11-1 Distributieriem 11-2 Koppakkingen Nokkenassen INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS - DRUKVULLING INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Gegevens 12-1 Inlaatgeluiddemper 12-7 Luchtinlaat 12-9 Luchtfilter Luchtfilterhuis Gemotoriseerd smoorklephuis Inlaatspruitstuk Vulplaat inspuitstukhouder Inlaatluchtverdeler Uitlaatspruitstuk Voorste uitlaatspruitstuk Achterste uitlaatspruitstuk Spruitstukken Afslagsysteem DIESELINSPUITSYSTEEM Gegevens Bijzonderheden Reinheid Plaats van de organen Waarschuwingslampje inspuitsysteem Startvergrendeling Strategie inspuitsysteem / airconditioning Correctie stationair toerental Regeling voor/naverwarming Snelheidsregelaar / -begrenzer Voorverwarmingsstiften Koelvloeistofverwarmingselementen Lagedrukpomp (opvoerpomp) Brandstoffilter Controle brandstofdruk en -opbrengst Hogedrukpomp Hoofdinspuitbuis Verstuivers Opname element druk Drukregelaar Opname element gaspedaal Centrale koelvloeistoftemperatuurregeling Rekeneenheid DRUKVULLING Drukregelklep Drukregeling Turbocompressor Tussenkoeler 12-35
3 Inhoud Blz. Blz. 14 ANTI-LUCHTVERONTREINIGING 17 ONTSTEKING - INSPUITSYSTEEM 16 Benzinedampabsorptiesysteem 14-1 Uitlaatgasrecirculatie E.G.R STARTEN - LADEN (VERVOLG) Diagnose detectie ontstekingsuitval Diagnose van de katalysator Diagnose van de lambda sonde Rekeneenheid Dynamo 16-1 Startmotor KOELSYSTEEM - UITLAAT - BRANDSTOFTANK - MOTOROPHANGING 17 ONTSTEKING - INSPUITSYSTEEM ONTSTEKING Statische ontsteking 17-1 Bougies 17-3 INSPUITSYSTEEM Plaats van de organen 17-4 Opname element gaspedaal Rekeneenheid Bijzonderheden Startvergrendeling Strategie inspuitsysteem / airconditioning Gemotoriseerd smoorklephuis Correctie stationair toerental Mengselregeling Adaptieve mengselcorrectie Centrale koelvloeistoftemperatuurregeling Nokkenasverstelle Snelheidsregelaar / -begrenzer Bijzonderheden "On Board Diagnostic" systeem Omstandigheden diagnoseprogramma "On Board Diagnostic" KOELSYSTEEM Gegevens 19-1 Vullen - ontluchten 19-2 Controle 19-3 Schema 19-4 Thermostaat 19-8 Radiateur 19-9 Waterpomp UITLAAT Algemeen Overzicht van het uitlaatsysteem Expansiepot en katalysator Katalysator Voorste voorkatalysator Achterste voorkatalysator BRANDSTOFTANK. Brandstoftank Vulhals Tankelement Pomp/tankelement Benzinefilter MOTOROPHANGING Pendelophanging 19-45
4 110 MOTORBLOK EN ONDERZIJDE 10 Identificatie Type auto Motor Automatische transmissie Inhoud (cm 3 ) Boring (mm) Slag (mm) Versnellingsbak Compressieverhouding XG0A K4M710 JH3 DP ,5 80,5 10/1 XG0B F4P770 F4P771 JR5 DP ,7 83 9,8/1 XG0G F9Q750 PK /1 XG0D L7X731 - SU ,6 10,9/1 Te raadplegen werkplaatshandboek, afhankelijk van het type motor: Document Mot. K4M Mot. F4 Motor K4M F4P F9Q L7X X X Mot. F9Q (Hoge druk common rail) X Mot. L7X X 10-1
5 MOTORBLOK EN ONDERZIJDE 10 Olieverbruik PROCEDURE VOOR HET UITVOEREN VAN EEN OLIEVERBRUIKSTEST a) Vullen tot maximumpeil Dit moet gebeuren bij warme motor (koelventilateur een keer ingeschakeld) en daarna stilstand van 15 minuten zodat zo veel mogelijk olie is teruggekeerd in het ondercarter. Controleer het oliepeil met de peilstaaf. Noteer de hoeveelheid olie die nodig is om het maximumpeil te bereiken. Verzegel de aftapplug (verfstip op de vuldop en op de aftapplug van het ondercarter) om later te kunnen controleren of deze niet zijn losgeweest. b) Testafstand Laat de klant ongeveer km rijden of tot net voordat het minimum oliepeil is bereikt op de peilstaaf. c) Vullen tot maximumpeil Dit moet gebeuren bij warme motor (koelventilateur een keer ingeschakeld) en daarna stilstand van 15 minuten. Controleer het oliepeil met de peilstaaf. Noteer de hoeveelheid olie die nodig is om het maximumpeil te bereiken. Noteer de kilometerstand en bereken de afgelegde afstand sinds het begin van de test. d) Berekening van het olieverbruik OLIEVERBRUIK = Bijgevulde hoeveelheid olie (liters) km (in duizendtallen) 10-2
6 MOTORBLOK EN ONDERZIJDE 10 Oliedruk ONMISBAAR SPECIAAL GEREEDSCHAP Mot Mot Oliedrukcontroleset Wartel voor het meten van de druk ONMISBAAR MATERIAAL Lange dop van 22 mm CONTROLE De oliedruk moet bij warme motor (ongeveer 80 C ) worden gecontroleerd. Samenstelling van de controleset Mot CONTROLE MOTOR Motor K4M en F4P Stationair 1 bar 3000 tr/min 3 bar Motor L7X Stationair 2 bar 3000 tr/min 5 bar Motor F9Q 1000 tr/min. 1,2 bar 3000 tr/min 3,5 bar GEBRUIK Motor F4P en K4M Motor F9Q Motor L7X B + F B + F F+Mot Sluit de manometer aan op de plaats van het oliedrukcontact. 10-3
7 ALLE MOTORTYPES MOTORBLOK EN ONDERZIJDE 10 Motor - Versnellingsbak ONMISBAAR SPECIAAL GEREEDSCHAP Mot Mot Klembandtang Mot Mot Set voor het uitdraaien van afbreekbouten Lange klembandtang T. Av. 476 Kogeltrekker Gewichtsverdeler AANTREKKOPPELS (in dan.m) Remklauwgeleidebout 0,7 Bouten schokdemperpoot 18 Moer fuseekogel 11 Bouten aandrijfasstofhoes 3 Moer tussenstang stabilisatorstang 4,4 Moer spoorstangkogel 3,7 Bevestigingsbout van de akoestische massa 2,1 Bouten van de bovenste stang van de pendelophanging 10,5 Bouten aan carrosserie uitslagbegrenzer pendelophanging 2,1 Bout pendelkap op motor 6,2 Bouten koppel-reactiestang: aan subframe aan motor: K4M-F4P F9Q-L7X 10,5 10,5 18 Bouten van de aluminium langsbalken aan onderste dwarsbalk 4,4 Bouten van de trekstangen van de aluminium langsbalken 4,4 Wielbouten 10,5 Zie hoofdstuk 02 "Hefbrug" voor het vastzetten van de armen van de hefbrug. Bouw uit: de accu, de voorwielen, de beschermplaat onder de motor, de spatplaten rechts en links en de bescherming aan de zijkant. Tap af: het aircocircuit met behulp van het vulstation, het koelsysteem via de onderste radiateurslang, de versnellingsbak en de motor indien nodig. Aan de rechter zijde Bouw uit: de remklauw (na de bevestigingsveer te hebben verwijderd) en bindt hem aan de veerpoot, het opname element ABS, de moer van de onderste fuseekogel (gebruik indien nodig een inbussleutel afgezaagd op X = 22 mm om de kogel tegen te houden), UITBOUWEN Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Hierbij moet u de auto met een spanriem aan de hefbrugarmen vastzetten om te voorkomen dat de auto van de hefbrug kantelt
8 ALLE MOTORTYPES MOTORBLOK EN ONDERZIJDE Motor - Versnellingsbak 10 de bovenste bevestiging van het tussenstangetje van de stabilisatorstang en zet de onderste bevestiging los, de twee bouten waarmee de bevestigingsflens van de aandrijfas vastzit aan de steun van het steunlager (motor F9Q en L7X), de spoorstangkogel met trekker T.Av. 476, de bouten van de schokdemperpoot. Bouw uit: de grille en de schildbumper, de relaisplaat en (2) en mak de zekeringhouders (3) los, de accubak bij (4), Maak de aandrijfas vrij en bouw hem compleet met de naaf uit. Aan de linker zijde Bouw uit: de remklauw en bevestiging hem aan de veerpoot, het opname element ABS, de moer van de onderste fuseekogel (gebruik indien nodig een inbussleutel afgezaagd op X = 22 mm om de kogel tegen te houden), de bovenste bevestiging van het tussenstangetje van de stabilisatorstang en zet de onderste bevestiging los, de spoorstangkogel met trekker T.Av. 476, de bevestigingen van de aandrijfasstofhoes (indien aanwezig bij handgeschakelde versnellingsbak), de bouten van de schokdemperpoot. Maak de aandrijfas vrij en bouw hem compleet met de naaf uit. Boor hiertoe de drie afbreekbouten in met een boortje Ø 5 mm in het hart van de bout. Verwijder daarna de bouten met Mot Maak de stekkers los van de mistlichten bij (1)
9 ALLE MOTORTYPES MOTORBLOK EN ONDERZIJDE Motor - Versnellingsbak 10 Verwijder de vulhals van het ruitensproeierreservoir. Maak los: het stuurbekrachtigingsreservoir en verwijder zijn grondplaat, de kabelbundel op de bovenste dwarsbalk. de bevestiging (5) van de inspuitrekeneenheid en de bevestiging (6), de stekkers (7), de bevestigingen van de gevlochten massastrips (8) en verwijder de steun van de rekeneenheid (9), Maak los: de stekkers van de koplampen, de stekker van het motorkapcontact (indien aanwezig). Bouw uit: de twee bovenste geleiders (A) van de schildbumper, en wip daarna het klemmetje (B) los op elke koplamp, de drie bevestigingsbouten (2) op elke koplamp, de twee koplampen, de inlaatgeluiddemper (motor K4M-F4P) of het luchtfilterhuis (motor F9Q-L7X) en de inlaatluchtslang, de onderste bevestigingen van de radiateur en de slang aan de bovenkant, de stekkers op de koelventilateur en de condensor, de bevestigingen van de leidingen van de airconditioning op de compressor en de waterafscheider N.B.: sluit de leidingen en het ontlastventiel af met doppen zodat er geen vocht in het circuit komt. de bovenste dwarsbalk en verwijder de ontgrendelkabel van de motorkap, 10-6
10 ALLE MOTORTYPES MOTORBLOK EN ONDERZIJDE Motor - Versnellingsbak 10 Maak de koeleenheid vrij. Maak los: Motor F4P-K4M-L7X de stekker en de slang op de elektroklep van de dampafzuiging, de brandstofslang bij de stang aan de bovenkant van de motorsteun. Motor F9Q de brandstofslangen bij (3) en de stekker van het dieselbrandstoffilter, maak ze los uit de klemmetjes en druk ze opzij, Bijzonderheden uitvoeringen met handgeschakelde versnellingsbak Bouw uit: de koppelingswerkcilinder door de klemmetjes (C) te verwijderen, de kabel(s( van de versnellingsbak. Versnellingsbak JH3-JR5 Alle types de vacuümslang van de rembekrachtiger, de slang op het expansievat, de kachelslangen op de uitgang van het koelsysteem op de cilinderkop. Bijzonderheden uitvoeringen met automatische transmissie Maak los: Het kogeldraaipunt (1) van de kabel van de meerstandenschakelaar, De kabel (2) van de meerstandenschakelaar door de kabelstop te ontgrendelen. N.B.: kom hierbij niet aan de oranje ring. Deze kan bij het uit- en inbouwen breken. In dit geval vervangt u niet de bedieningskabel, de afwezigheid van dit onderdeel heeft geen nadelige invloed op de werking van het systeem. 10-7
11 ALLE MOTORTYPES MOTORBLOK EN ONDERZIJDE Motor - Versnellingsbak 10 Versnellingsbak PK6 de bevestigingen en de voorste uitlaatbuis (motor K4M, F4P, F9Q), de bevestigingen van de oliekoeler van de stuurbekrachtiging op de onderste dwarsbalk, de langsbalken (1) en de dwarsbalk (2). Alle types Bouw uit: de bevestigingsbout (3) en zet bout (4) los, de retourslang op het stuurbekrachtigingsreservoir na het te hebben afgetapt, de stuurbekrachtigingsleidingen op het stuurhuis, de stekker van de lambda sonde, en maak daarna de kabelbundel los (motor K4M - F4P),
12 ALLE MOTORTYPES MOTORBLOK EN ONDERZIJDE Motor - Versnellingsbak 10 Motor L7X Bouw uit: de bevestigingen van het spruitstuk, het spruitstuk door het naar de accu te drukken, de stekkers (3) van de lambda sondes, de bevestigingen (4) van de voorkatalysator, de moeren van de katalysatorflens/voorkatalysator via het subframe gebruik een lange dop, en bevestig de katalysators (A) aan de carrosserie, de bevestiging (5) en bouw de voorkatalysator uit, 10-9
13 ALLE MOTORTYPES MOTORBLOK EN ONDERZIJDE Motor - Versnellingsbak 10 de stekkers (6) van de lambda sondes, de bevestigingen (7) van de voorkatalysator, de steun (8). de akoestische massa (4), de bouten van de stang (5) en verwijder de combinatie pendelophanging-uitslagbegrenzer, Plaat een takel boven de motor. Til motor - versnellingsbak met een lastverdeler iets omhoog. Bouw uit: de moer (3) en tik met een bronzen drevel het tapeind vrij, 10-10
14 ALLE MOTORTYPES MOTORBLOK EN ONDERZIJDE Motor - Versnellingsbak 10 de onderste dwarsbalk (A) N.B.: om iedere kans op lekkage te voorkomen, vervangt u, na vervanging van de drukgroep, ook de werkcilinder. Vul remvloeistof bij in het reservoir. N.B.: deze dwarsbalk draagt bij aan de stijfheid van de motorruimte. Voordat u deze losmaakt, moet u daarom het gewicht van de motor ontlasten op zijn bevestigingspunten. Ontlucht het hydraulisch circuit: sluit op opening (C) een slang aan die verbonden is met een reservoir met remvloeistof, til het klemmetje (2) op, maak de slang los van de eerste nok die overeenkomt met de eerste O-ring, installeer het ontluchtingsapparaat type Arc 50, schakel het ontluchtingsapparaat in, wacht tot alle lucht is verdwenen uit het hydraulisch circuit, druk de slang weer vast op de koppelingswerkcilinder. Hijs de motor met de versnellingsbak uit de motorruimte. BELANGRIJK: monteer de onderste dwarsbalk wee na het uitbouwen van motor/ versnellingsbak. INBOUWEN Plaats de motor met de versnellingsbak, in omgekeerde richting van uitbouwen, weer terug. Plaats: de steun van de pendelophanging links, de steun van de pendelophanging rechts, de koppelreactiestang. Raadpleeg hoofdstuk 19 "Pendelophanging" voor de aantrekkoppels. Vul remvloeistof bij. Controleer de werking van de koppeling. Bijzonderheden inzake de koppelingswerkcilinder bij het scheiden van motor - versnellingsbak BELANGRIJK: om schade aan de werkcilinder te voorkomen, mag u de uitgaande as uit de versnellingsbak niet met vet smeren
15 ALLE MOTORTYPES MOTORBLOK EN ONDERZIJDE Motor - Versnellingsbak 10 Ga te werk in omgekeerde volgorde van het uitbouwen. Vervang de afbreekbouten door nieuwe afbreekbouten. Vul: de versnellingsbak met olie, de motor met de voorgeschreven olie (indien nodig), en ontlucht het koelsysteem (zie hoofdstuk 19 "Vullen - ontluchten"). en ontlucht het stuurbekrachtigingssysteem, het aircocircuit met het vulstation. Smeer de remklauwbouten in met Loctite FRENBLOC en zet ze vast met het voorgeschreven koppel. BELANGRIJK: Na het monteren van de koplampen, moet u deze afstellen: zet de auto op een horizontale ondergrond. zet de stelknop op 0. voer de afstelling uit. heeft de auto Xenonkoplampen, dan moet u het systeem initialiseren en de koplampen afstellen (raadpleeg hoofdstuk "Xenonkoplampen, initialiseren van het systeem"). LET OP: bij Xenonkoplampen, is het verboden de lamp in te schakelen als deze niet in de koplamp is gemonteerd (gevaar voor de ogen). LET OP: zet de remslang en de bedrading van het opname element ABS goed vast. Druk een paar keren op het rempedaal zodat de remzuigers aanliggen tegen de remblokken
16 MOTOR K4M 110 MOTORBLOK EN ONDERZIJDE 10 Ondercarter AANTREKKOPPELS (in dan.m) Bouten ondercarter 1,4 UITBOUWEN Voor het uitbouwen van het ondercarter gelden geen speciale bijzonderheden. INBOUWEN Breng RHODORSEAL 5661 aan bij (A) aan elke kant van het lagerblok N 1 en bij (B) op de afsluitplaat van de krukas. Monteer het ondercarter met een nieuwe afdichting en een eerste aantrekkoppel van 0,8 dan.m, en daarna (spiraalsgewijs) met 1,4 dan.m
17 MOTOR F4P - F9Q MOTORBLOK EN ONDERZIJDE Ondercarter 10 AANTREKKOPPELS (in dan.m) Bouten ondercarter 1,4 Monteer het ondercarter met een nieuwe afdichting en een eerste aantrekkoppel 0,8 dan.m, en daarna met 1,4 dan.m in de hieronder aangegeven volgorde. UITBOUWEN Voor het uitbouwen van het ondercarter gelden geen speciale bijzonderheden. INBOUWEN Plaats een beetje RHODORSEAL 5661 bij (A) (aan weerskanten van hoofdlager N 1), en bij (B) op de raakpunten van de afsluitplaat van de krukas en het motorblok
18 MOTOR L7X MOTORBLOK EN ONDERZIJDE Ondercarter 10 AANTREKKOPPELS (in dan.m) Bouten ondercarter 0,8 Voor het uit- en inbouwen van het ondercarter gelden geen speciale bijzonderheden. Zet de bouten vast met een aantrekkoppel van 0,8 dan.m in de volgende volgorde: N.B.: het carter wordt afgedicht met een composietpakking die diverse keren gebruikt kan worden. Een beschadigde pakking, kan gerepareerd worden met pakkingpasta AUTOJOINT OR
19 MOTOR K4M - F4P - F9Q MOTORBLOK EN ONDERZIJDE 10 Hulporganensteun AANTREKKOPPELS (in dan.m) Motor K4M en F4P Bevestigingsbouten van de hulporganensteun 4,4 Onderste bout van de hulporganensteun (alleen K4M) 2,1 UITBOUWEN Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Maak de massakabel van de accu los. Bouw uit: de dynamo (zie hoofdstuk 16 "Dynamo"), de bevestigingen van de stuurbekrachtigingspomp en druk hem opzij, de bevestigingen van de aircocompressor en bevestig hem aan de bovenste dwarsbalk. Motor F9Q * Motor K4M alleen. INBOUWEN Monteer de steun en zet hem met het voorgeschreven aantrekkoppel vast. Raadpleeg hoofdstuk 07 "Spanning aandrijfriem hulporganen" voor het spannen van de riem. Ga te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen
20 MOTOR L7X MOTORBLOK EN ONDERZIJDE 10 Oliepomp AANTREKKOPPELS (in dan.m) Bouten oliepomp 0,8 UITBOUWEN Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Maak de massakabel van de accu los. Bouw uit: de distributieriem (zie de methode in hoofdstuk 11 "Distributieriem""). de blokkeerstift van de krukas, de onderste geleiderol van de distributieriem, de krukaspoelie, de bevestigingen van de steun van de compressor, de oliepomp
21 MOTOR L7X MOTORBLOK EN ONDERZIJDE Oliepomp 10 N.B.: de oliepomp wordt afgedicht met een composietpakking die diverse keren gebruikt kan worden. Een beschadigde pakking, kan gerepareerd worden met pakkingpasta AUTOJOINT OR
22 MOTOR L7X MOTORBLOK EN ONDERZIJDE Oliepomp 10 INBOUWEN Monteer de oliepomp. Zet de bouten vast met een aantrekkoppel van 0,8 dan.m in de volgende volgorde: Plaats de distributieriem (zie de methode in hoofdstuk 11 "Distributieriem"). N.B.: bij het vervangen van de oliepomp, moet u het huis ervan met olie vullen
23 MOTOR F9Q 111 CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE 11 Spanrol distributieriem ONMISBAAR SPECIAAL GEREEDSCHAP Mot Mot Mot Mot BDP-stift Motorsteungereedschap Riemspanningsmeter Riemvoorspangereedschap ONMISBAAR MATERIAAL Hoekverdraaisleutel AANTREKKOPPEL (in dan.m en/of ) Spanrolmoer 5 Bout spanrolplaat 1 Bout krukaspoelie ±15 Bouten van de bovenste stang van de pendelophanging 10,5 Bevestigingsbout van de akoestische massa 2,1 Bouten aan carrosserie uitslagbegrenzer pendelophanging 2,1 Bout pendelkap op motor 6,2 Wielbouten 10,5 INBOUWEN Plaats: de spanrolplaat en zet de bouten vast met 1 dan.m, de distributieriem (zie hoofdstuk 11 "Distributieriem"). UITBOUWEN Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Maak de massakabel van de accu los. Bouw uit: de distributieriem (zie hoofdstuk 11 "Distributieriem"). de twee bouten van de spanrolplaat. 11-1
24 MOTOR F9Q CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE 11 Distributieriem ONMISBAAR SPECIAAL GEREEDSCHAP Mot Mot Mot Mot BDP-stift Motorsteungereedschap Riemspanningsmeter Riemvoorspangereedschap ONMISBAAR MATERIAAL Hoekverdraaisleutel AANTREKKOPPEL (in dan.m en/of ) Verwijder de plug van het BDP-controlegat. Spanrolmoer 5 Bout krukaspoelie Bouten van de bovenste stang van de pendelophanging 10,5 Bevestigingsbout van de akoestische massa 2,1 Bouten aan carrosserie uitslagbegrenzer pendelophanging 2,1 Bout pendelkap op motor 6,2 Wielbouten 10,5 UITBOUWEN Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Maak de massakabel van de accu los ±15 Bouw uit: de sierkap van de motor, het rechter voorwiel, de spatplaat rechts en de bescherming aan de zijkant - de beschermplaat onder de motor, de aandrijfriem van de hulporganen (zie hoofdstuk 07 "Spanning aandrijfriem hulporganen"), de aluminium langsbalk en de trekstang langsbalk carrosserie aan de rechter kant. Maak het brandstoffilter los van zijn steun, maak de brandstofslangen los van hun klemmetjes en druk het geheel opzij. 11-2
25 MOTOR F9Q CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Distributieriem 11 Plaats de motorsteun Mot met de spanriemen. Afstellen van de distributie Draai de krukas rechtsom (aan distributiezijde), en zodra het merkteken (1) van de nokkenaspoelie in het venster van het distributiedeksel (2) verschijnt, drukt u de BDP-stift Mot in de afstelgroef in de krukas (het merkteken op de nokkenaspoelie moet ongeveer in het midden van het venster staan). Zet de bout (5) los en verwijder daarna bout (6) van de koppel-reactiestang. Bouw uit: de akoestische massa (3), de bouten van de stang (4), en verwijder het geheel ophanging-uitslagbegrenzer. 11-3
26 MOTOR F9Q CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Distributieriem 11 Bouw uit: de spanner van de aandrijfriem hulporganen (3) en de geleiderol (4), de krukaspoelie van de aandrijfriem hulporganen, blokkeer hierbij de krukas, het distributiedeksel via de onderkant van de auto (laat de motor zakken met behulp van de motorsteun Mot. 1453). N.B.: zet met potlood een streepje op het binnenste distributiedeksel bij het merkteken van de nokkenaspoelie. 11-4
27 MOTOR F9Q CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Distributieriem 11 Draai de moer (5) los om de spanrol te ontspannen en verwijder de distributieriem. Plaats de nieuwe distributieriem (zie de methode in hoofdstuk 07 "Distributieriem"). Monteer een gebruikte aandrijfriem niet opnieuw maar monteer een nieuwe. BELANGRIJK: verwijder de ring 4 van de set Mot voordat u de poelie monteert. Zet de bout van de krukaspoelie van de aandrijfriem hulporganen vast met 2 dan.m en daarna over een hoek van 115 ± 15. N.B.: het juiste aantrekkoppel van de moer van de spanrol is van groot belang om te voorkomen dat de moer losloopt en ernstige motorschade ontstaat. Ga te werk in omgekeerde volgorde van het uitbouwen. Plaats de steun van de pendelophanging rechts en de reactiestang (zie hoofdstuk 19 "Pendelophanging" voor de aantrekkoppels). 11-5
28 MOTOR F4P CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Distributieriem 11 ONMISBAAR SPECIAAL GEREEDSCHAP Mot Mot Mot Mot Mot Mot Mot Mot Mot Blokkeergereedschap distributiepoelies BDP-stift Gereedschap voor het vastzetten van geleiderol van de distributieriem Motorsteungereedschap Montagestempel afsluitdop inlaatnokkenas Montagestempel afsluitdop uitlaatnokkenas Nokkenasafstelgereedschap Blokkeergereedschap nokkenaspoelies ONMISBAAR MATERIAAL Hoekverdraaisleutel AANTREKKOPPELS (in dan.m en/of ) Plaats de motorsteun Mot met de spanriemen. Bout geleiderol 4,5 Bout krukaspoelie ±15 Spanrolmoer 2,8 Bouten van de bovenste stang van de pendelophanging 10,5 Bout pendelkap op motor 6,2 Bouten aan carrosserie uitslagbegrenzer pendelophanging 2,1 Bevestigingsbout van de akoestische massa 2,1 Wielbouten 10,5 UITBOUWEN Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Maak de massakabel van de accu los. Bouw uit: het rechter voorwiel, de spatplaat rechts voor, de beschermplaat onder de motor, 11-6
29 MOTOR F4P CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Distributieriem 11 Bouw uit: de akoestische massa (1), de bouten van de stang (2) en verwijder de combinatie pendelophanging-uitslagbegrenzer, Bouw uit: de doppen van de nokkenassen, de aandrijfriem van de hulporganen (zie hoofdstuk 07 "Spanning aandrijfriem hulporganen"), de plug van het BDP-controlegat Maak de stekkers (3) los. Maak los: de kabelbundel op het bovenste distributiedeksel en druk het geheel opzij, de brandstofleiding op het middelste distributiedeksel. 11-7
30 MOTOR F4P CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Distributieriem 11 Afstellen van de distributie Draai de krukas rechtsom (distributiezijde) zodat de inkepingen van de nokkenassen bijna horizontaal aan de onderkant liggen zoals hieronder is getekend. Breng vervolgens de BDP-stift Mot op zijn plaats en zorg ervoor dat deze zich tussen de afstelgroef en het balanceergat bevindt. 11-8
31 MOTOR F4P CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Distributieriem 11 Draai de krukas langzaam verder in dezelfde richting tot de stift Mot in de afstelgroef valt. In de afstelpositie moeten de inkepingen van de nokkenassen horizontaal aan de onderkant liggen, zie onderstaande tekening. Correcte stand Verkeerde stand (de stift zit in een balanceergat). 11-9
32 MOTOR F4P CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Distributieriem 11 Bouw uit: de krukaspoelie waarbij u het vliegwiel met een schroevendraaier tegenhoudt, het bovenste deksel (1), het middelste distributiedeksel (2)
33 MOTOR F4P CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Distributieriem 11 Ontspan de distributieriem door de moer (1) van de spanrol los te draaien. Voor het afnemen van de distributieriem, verwijdert u de spanner (2) en let op dat de krukaspoelie niet valt (deze heeft geen spie). Verwijder de distributiepoelie van de krukas
34 MOTOR F4P CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Distributieriem 11 LET OP: ontvet het einde van de krukas, de boring van de krukaspoelie en de vlakken van de krukaspoelie om te voorkomen dat deze onderling slippen waardoor ernstige schade aan de motor kan ontstaan. INBOUWEN Bij het vervangen van de distributieriem, moet u altijd de geleiderol en de spanrol vervangen. Plaats: de distributieriem (houd u aan de methode uit hoofdstuk 07 "Spannen distributieriem"), de aandrijfriem van de hulporganen (zie hoofdstuk 07 "Spanning aandrijfriem hulporganen"), de plug van het BDP-controlegat en smeer een druppel RHODORSEAL 5661 op de schroefdraad, de nieuwe afsluitdoppen van de inlaatnokkenas(mot. 1487), van de uitlaatnokkenas (Mot. 1488). de pendelophanging rechts en zet deze vast met de voorgeschreven aantrekkoppels (zie hoofdstuk 19 "Pendelophanging")
35 MOTOR K4M CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Distributieriem 11 ONMISBAAR SPECIAAL GEREEDSCHAP Mot Mot Mot Mot Mot Mot Mot Mot Blokkeergereedschap distributiepoelies Gereedschap voor het vastzetten van geleiderol van de distributieriem Motorsteungereedschap Montagestempel afsluitdop inlaatnokkenas Montagestempel afsluitdop uitlaatnokkenas BDP-stift Blokkeergereedschap nokkenaspoelies Nokkenasafstelgereedschap ONMISBAAR MATERIAAL Hoekverdraaisleutel AANTREKKOPPEL (in dan.m en/of ) Bouten van de bovenste stang van de pendelophanging 10,5 Bout geleiderol 4,5 Bout krukaspoelie ±15 Spanrolmoer 2,8 Bevestigingsbout van de akoestische massa 2,1 Bout pendelkap op motor 6,2 Bouten aan carrosserie uitslagbegrenzer pendelophanging 2,1 Wielbouten 10,5 Bouw uit: het rechter voorwiel, de spatplaat in de rechter voorwielkuip, de beschermplaat onder de motor, Plaats de motorsteun Mot met de spanriemen. UITBOUWEN Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Maak de massakabel van de accu los
36 MOTOR K4M CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Distributieriem 11 Bouw uit: de akoestische massa (1), de bouten van de stang (2) en verwijder de combinatie pendelophanging-uitslagbegrenzer, Bouw uit: de doppen van de nokkenassen, de plug van het BDP-controlegat. de aandrijfriem van de hulporganen (zie hoofdstuk 07 "Spanning aandrijfriem hulporganen"). Maak de stekkers (3) los. Maak los: de kabelbundel op het bovenste distributiedeksel en druk het geheel opzij, de brandstofleiding op het middelste distributiedeksel
37 MOTOR K4M CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Distributieriem 11 Afstellen van de distributie Draai de inkepingen van de nokkenassen naar beneden zoals op onderstaande tekening is aangegeven. Bouw uit: de krukaspoelie waarbij u het vliegwiel met een schroevendraaier tegenhoudt, het bovenste deksel (1), het middelste distributiedeksel (2). Schroef de BDP-stift Mot in en draai de krukas een omwenteling rechtsom (distributiezijde) zodat de krukas langzaam en zonder stoten tegen de stift rust. Controleer of de tand van de inkepingen van de nokkenassen is zoals op de tekening hierna
38 MOTOR K4M CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Distributieriem 11 Ontspan de distributieriem door de moer (1) van de spanrol los te draaien. Verwijder de geleiderol (2) met behulp van Mot voor het verwijderen van de distributieriem. INBOUWEN Bij het vervangen van de distributieriem, moet u altijd de geleiderol en de spanrol vervangen. Plaats: de distributieriem (houd u aan de methode uit hoofdstuk 07 "Spannen distributieriem"), de aandrijfriem van de hulporganen (zie hoofdstuk 07 "Spanning aandrijfriem hulporganen"), de nieuwe afsluitdoppen van de inlaatnokkenas (Mot. 1487), van de uitlaatnokkenas (Mot. 1488), LET OP: ontvet het einde van de krukas, de boring van de krukaspoelie en de vlakken van de krukaspoelie om te voorkomen dat deze onderling slippen waardoor ernstige schade aan de motor kan ontstaan. de pendelophanging rechts en zet deze vast met de voorgeschreven aantrekkoppels (zie hoofdstuk 19 "Pendelophanging")
39 MOTOR L7X CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE 11 Koppakkingen ONMISBAAR SPECIAAL GEREEDSCHAP Mot Mot Mot Mot Mot Mot Mot Blokkeergereedschap van de naven van de uitlaatnokkenas Afstelpen poelies van nokkenassen en krukas Controlepen afstelling poelies van nokkenassen en krukas Steunklemmetje distributieriem Motorsteungereedschap Riemspanningsmeter Blokkeergereedschap van de naven van de inlaatnokkenas AANTREKKOPPELS (in dan.m) Moer spanner distributieriem 2,5 Nokkenaspoeliebout 1 Bevestigingsbout steunplaat spanrol 2,5 Bouten van de bovenste stang van de pendelophanging 10,5 Bout pendelkap op motor 6,2 Bouten aan carrosserie uitslagbegrenzer pendelophanging 2,1 Bevestigingsbout van de akoestische massa 2,1 Bout krukaspoelie 2,5 Bouten nokkenasdeksel 1 Wielbouten 10,5 Bouw uit: het rechter voorwiel, de spatplaten rechts voor en de bescherming aan de zijkant. de steun van het stuurbekrachtigingsreservoir, de sierkap van de motor, De aandrijfriem hulporganen (zie de methode in hoofdstuk 07 "Spanning aandrijfriem hulporganen", het nokkenasdeksel (A) door de stekker (1) los te maken en uit de klemmen van het nokkenasdeksel los te maken en de slang (2). UITBOUWEN Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Maak de massakabel van de accu los
40 MOTOR L7X CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Koppakkingen 11 Plaats de motorsteun. Bouw uit: de akoestische massa (3), de bouten van de stang (4) en verwijder de combinatie pendelophanging-uitslagbegrenzer, 11-18
41 MOTOR L7X CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Koppakkingen 11 Bouw uit: de dynamische spanner van de aandrijfriem hulporganen bij (5), de poelie van de stuurbekrachtigingspomp (6), de distributiedeksels (A) en (B), de krukaspoelie (7), het onderste distributiedeksel (C), 11-19
42 MOTOR L7X CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Koppakkingen 11 het stalen deksel (8). Draai de krukas in de normale draairichting zodat u de krukaspoelie en de nokkenassen kunt vastzetten met de stiften Mot
43 MOTOR L7X CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Koppakkingen 11 Draai hiertoe de de bouten van de nokkenaspoelies (1) los en draai de naven van de nokkenas met behulp van Mot (naaf van uitlaatnokkenas) en Mot (naaf van inlaatnokkenas) om de stiften gemakkelijker te kunnen plaatsen
44 MOTOR L7X CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Koppakkingen 11 Ontspan de spanrol door de moer (2) los te draaien. Draai de bouten (3) los van de steunplaat van de spanrol, en verwijder daarna de bout (4). Met een vierkant van 9,53 mm draait u de plaat (5) zodat u de distributieriem kunt verwijderen
45 MOTOR L7X CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Koppakkingen 11 INBOUWEN Controleer of de nokkenassen en de krukas in de juiste stand staan. Let op dat de nok (6) van de spanrol goed in de groef (7) ligt
46 MOTOR L7X CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Koppakkingen 11 Zet de bouten (2) vast met een koppel van 1 dan.m en draai ze daarna los over 45. Draai de nokkenaspoelies rechtsom tot ze stuiten in de sleufgaten. Zet de bouten (1) vast met een koppel van 0,5 dan.m en draai ze daarna los over
47 MOTOR L7X CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Koppakkingen 11 Plaats de distributieriem over de krukaspoelie en houdt hem vast met Mot
48 MOTOR L7X CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Koppakkingen 11 Plaats de riem over de geleiderol (3) en controleer of het deel (D) van de riem goed is gespannen. Draai de nokkenaspoelie (4) iets rechtsom, zodat de riem over de poelie kan worden gelegd. Doe hetzelfde bij de poelies (5), (6) en (7). BELANGRIJK: De hoekverdraaiing van de poelie ten opzichte van de distributieriem mag niet groter zijn dan één tand. Controleer of de nokkenaspoelies niet tegen de aanslag van het sleufgat liggen ; als dit wel zo is, herhaal dan de plaatsing van de distributieriem. Leg de riem gelijktijdig over de rollen (8) en (9) en de poelie (10). Met een vierkant 9,53 mm draait u de plaat (11) zodat u de distributieriem kunt plaatsen en plaats daarna de bout bij (12). zet de bouten (12) en (13) vast met een aantrekkoppel van 2,5 dan.m
49 MOTOR L7X CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Koppakkingen 11 Verwijder Mot Span de riem met Mot door de spanrol in de richting van de pijl te draaien met een vierkant van 6,35 mm tot de voorgeschreven montagewaarde van 106±4 Hz. Zet de moer van de spanrol vast met een aantrekkoppel van 1 dan.m. N.B.: draai de spanrol nooit voorbij de aanslag (A) van de spanner
50 MOTOR L7X CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Koppakkingen 11 Zet de bouten van de nokkenaspoelies vast met een aantrekkoppel van 1 dan.m te beginnen met nokkenas (4). Verwijder de afstelpennen van de nokkenassen en de krukas. Draai de krukas twee omwentelingen in de normale draairichting. Zet alleen de krukas in positie met een pen Mot Draai de moer van de spanrol los met 1/4 slag en breng de merktekens (1) en (2) in lijn en zet daarna de moer (3) vast met een aantrekkoppel van 2,5 dan.m. Verwijder de afstelpen van de krukas
51 MOTOR L7X CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Koppakkingen 11 Draai de krukas twee omwentelingen in de normale draairichting. Controleer of de merktekens (1) en (2) van de spanrol in lijn liggen, zo niet herhaal dan de spanprocedure. Draai hiertoe de moer van de spanrol los met 1/4 slag en breng de merktekens van de spanrol in lijn met een vierkant van 6,35 mm. Zet in de afstelpositie met de pennen Mot in volgorde: de krukas, de nokkenassen (4), (5), (6) en (7). BELANGRIJK: als de pen Mot niet in zijn uitsparing schuift, draai dan de bouten (1) van de poelie van de nokkenas los over 45. als de pen Mot niet in zijn uitsparing schuift, kunnen de nokkenassen gemakkelijker in positie worden gezet als u de bouten (1) over 45 losdraait en de nokkenasnaven verdraait met Mot of Mot Zet de bouten (1) vast met een aantrekkoppel van 1 dan.m, te beginnen met poelie (4) en daarna (5), (6) en (7). Verwijder de afstelpennen Mot van de nokkenassen en de krukas
52 MOTOR L7X CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Koppakkingen 11 CONTROLE VAN DE AFSTELLING VAN DE DISTRIBUTIE Draai de krukas twee omwentelingen in de normale draairichting. Breng de bevestigingsbouten van het nokkenasdeksel op hun plaats en zet ze in onderstaande volgorde geleidelijk vast: Plaats de afstelpen Mot van de krukas. Controleer of de afstelcontrolepen Mot vrij in de afstelgaten van de cilinderkoppen schuift tot tegen de nokkenaspoelies. Zet de bouten vast met een aantrekkoppel van 1 dan.m. Ga te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. Monteer de aandrijfriem hulporganen (zie de methode in hoofdstuk 07 "Spanning aandrijfriem hulporganen". Als dit niet zo is, herhaal dan het plaatsen van de distributieriem. Verwijder de afstelpen van de krukas
53 MOTOR F4P - K4M CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE 11 Cilinderkoppakking ONMISBAAR SPECIAAL GEREEDSCHAP Mot Mot Mot Mot Mot Mot Mot Mot Mot Motor K4M: Mot Mot Mot Motor F4P: Mot Mot Mot Mot Mot Mot Blokkeergereedschap distributiepoelies Klembandtang Motorsteungereedschap Lange klembandtang Motorsteungereedschap Montagestempel afsluitdop inlaatnokkenas Montagestempel afsluitdop uitlaatnokkenas Nokkenasafstelgereedschap BDP-stift Blokkeergereedschap nokkenaspoelies Montagereedschap nokkenaskeerringen BDP-stift Blokkeergereedschap nokkenaspoelies Montagestempel keerring uitlaatnokkenas Montagestempel keerring elektroklep nokkenasversteller Montagestempel inlaatnokkenaskeerring ONMISBAAR MATERIAAL Gereedschap voor het afpersen van de cilinderkop Hoekverdraaisleutel 11-31
54 MOTOR F4P - K4M CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Cilinderkoppakking 11 AANTREKKOPPELS (in dan.m of/en ) Bout geleiderol 4,5 Bout krukaspoelie ±15 Spanrolmoer 2,8 Bouten van kleppendeksel 1,2 Bout van olieafscheider 1,3 Bout pendelkap op motor 6,2 Bouten aan carrosserie uitslagbegrenzer pendelophanging 2,1 Bouten van de bovenste stang van de pendelophanging 10,5 Bevestigingsbout van de akoestische massa 2,1 Bouten onderste inlaatluchtverdeler 2,1 Bouten van bobines 1,3 Bouten inlaatluchtverdeler 0,9 Bouten smoorklephuis 1,5 Bouten luchtfilterhuis 0,9 Wielbouten 10,5 Motor F4P: Moer van de uitlaatnokkenaspoelie 3+90 Bout van inlaatnokkenasversteller 10 Motor K4M: Moer van de nokkenaspoelie 3+84 UITBOUWEN Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Bouw uit: de distributieriem (zie de methode in hoofdstuk 11 "Distributieriem"). de beschermplaat onder de motor, 11-32
55 MOTOR F4P - K4M CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Cilinderkoppakking 11 Monteer het steungereedschap Mot tussen de onderste dwarsbalk en de rechter subframehelft. Tap het koelsysteem af via de onderste radiateurslang
56 MOTOR F4P - K4M CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Cilinderkoppakking 11 Verwijder de nokkenaspoelies. Motor F4P Voorbereiden van Mot Verwijder het bovenste tandwiel op de grondplaat. Methode voor het loszetten van de uitlaatnokkenaspoelie en de inlaatnokkenasversteller. Hierbij gebruikt u Mot en Mot Plaats daarvoor terug het tandwiel van Mot (gebruik daarbij de twee ringen en de moer van Mot. 1509)
57 MOTOR F4P - K4M CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Cilinderkoppakking 11 Plaats: de afstandsbus (1) van Mot op het tapeind (2), de bovenste bout (3) waarbij u de afstandsbus (4) van Mot tussen het gereedschap en de lagerkap van de nokkenas plaatst (de bout niet vastzetten). Mot zoals aangegeven op onderstaande tekening, de borstmoer (5) van Mot
58 MOTOR F4P - K4M CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Cilinderkoppakking 11 Zet de borstmoer (6) en de bout (7) vast, en breng de tandwielen van Mot in contact met de nokkenaspoelies en zet de moeren (8) vast met 8 dan.m. Bouw uit: de dop van de inlaatnokkenasversteller met een inbussleutel van 14 mm, de moer van de uitlaatnokkenaspoelie, de bout van de inlaatnokkenasversteller, 11-36
59 MOTOR F4P - K4M CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE 11 Cilinderkoppakking Motor K4M Verwijder de nokkenaspoelies met behulp van Mot (gebruik de bevestigingspunten van het distributiedeksel om Mot vast te zetten). Maak los: de stekker (3) en die van de bobine, de vacuümslang van de rembekrachtiger op het inlaatspruitstuk, het luchtfilterhuis bij (4). Bouw uit: de gaskabel, de beschermkap van de hoofdinspuitbuis, de brandstofaanvoerleiding op de hoofdinspuitbuis en druk deze opzij, de bevestiging van de strip (1) en druk deze opzij. N.B.: let op de vacuümaansluiting op het spruitstuk naar de rembekrachtiger. Als deze afbreekt moet u het gehele spruitstuk vervangen. Druk het luchtfilterhuis naar rechts en bouw het uit. Het luchtfilterhuis past tussen de voorruit, de motor en de rembekrachtiger door
60 MOTOR F4P - K4M CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Cilinderkoppakking 11 Bouw uit: de steun (A), de voorste uitlaatbuis, het smoorklephuis bij (5), 11-38
61 MOTOR F4P - K4M CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Cilinderkoppakking 11 de stekker van de lambda sonde van de katalysator, het hijsoog (6), de inlaatluchtverdeler. de bobines, de olie-afscheider, 11-39
62 MOTOR F4P - K4M CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Cilinderkoppakking 11 de hijsbeugel (vliegwielzijde), de bouten van het kleppendeksel en tik dit verticaal omhoog met een bronzen drevel onder de "uitsteeksels" bij (1) en gebruik een beklede schroevendraaier (zodat het aluminium niet beschadigt) als hefboom bij (2)
63 MOTOR F4P - K4M CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Cilinderkoppakking 11 de nokkenassen en de klepstoters, de slangen op de uitgang van het koelsysteem op de cilinderkop en de stekker van het opname-element koelvloeistoftemperatuur, de bevestigingen van de steun van de kabelbundel bij (10), 11-41
64 MOTOR F4P - K4M CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Cilinderkoppakking 11 de cilinderkop. REINIGEN De pasvlakken van de aluminium onderdelen mogen beslist niet schoon worden geschraapt. Los de achtergebleven pakkingresten op met Décapjoint. Draag handschoenen bij de volgende werkzaamheden: Breng het product aan op de te reinigen delen; laat het ongeveer tien minuten inwerken en veeg het metaal met een houten spatel schoon. CONTROLE VAN HET KOPPAKKINGVLAK Controleer of het pakkingvlak niet vervormd is. Maximale vervorming: 0,05 mm. De cilinderkop mag niet worden gevlakt. Controleer de cilinderkop op haarscheurtjes door hem af te persen met het afpersgereedschap (bak met bij de betreffende cilinderkop behorende hulpstukken (plug, afsluitplaat, dop). De bak voor het afpersen van de cilinderkop heeft goedkeuringsnummer Het is van het grootste belang dat u zorgvuldig te werk gaat, zodat er geen vuil in de oliekanalen (in het motorblok en in de cilinderkop) terechtkomt
65 MOTOR F4P - K4M CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Cilinderkoppakking 11 INBOUWEN Bij het demonteren-monteren van de cilinderkop, moet u op het volgende letten: het is van groot belang de hydraulische drukstiften van de klepstoters voor het monteren te vullen want zij lopen na enige tijd leeg. Als u de bovenkant (A) met uw duim kunt indrukken, moet u de drukstift vlak onderdompelen in een bakje dieselolie en daarmee vullen voordat u ze monteert
66 MOTOR F4P - K4M CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Cilinderkoppakking 11 Controleer: of het uitlaathitteschild goed ingeklemd is tussen de lambda sonde en het spruitstuk, zodat er geen "schoorsteeneffect" kan optreden waardoor de stekker van de voorste lambda sonde te heet wordt en defect raakt, of de onderste inlaatluchtverdeler bij (A) in lijn ligt met de cilinderkop (distributiezijde) door te kijken of de lipjes (B) die van het kleppendeksel goed raken. Zet de onderste inlaatluchtverdeler vast met 2,1 dan.m. Zet de zuigers halverwege hun slag staan, zodat zij de kleppen niet kunnen raken bij het monteren van de nokkenassen. Leg de koppakking op zijn plaats en daarop de cilinderkop. Controleer de kopbouten en zet ze op de juiste wijze vast (zie hoofdstuk 07 "Vastzetten cilinderkop")
67 MOTOR F4P - K4M CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Cilinderkoppakking 11 Plaats: de klepstoters, smeer de lagerblokken van de nokkenassen met motorolie en plaats de nokkenassen Motor K4M De nokkenassen herkent u aan een merkteken (A). LET OP: er mag geen olie terechtkomen op het pakkingvlak van het kleppendeksel. Motor F4P De nokkenassen onderscheidt u aan de bevestiging van de poelies. Detail van de bevestiging van de poelie: F G uitlaatnokkenas inlaatnokkenas Detail van het merkteken: de merktekens (B) en (C) gelden alleen voor de leverancier, het merkteken (C) dient voor de identificatie van de nokkenas: AM = Inlaat EM = Uitlaat 11-45
68 MOTOR F4P - K4M CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Cilinderkoppakking 11 Draai de inkepingen van de nokkenassen zoals op onderstaande tekening is aangegeven: N.B.: de pakkingvlakken moeten volkomen schoon, droog en vetvrij zijn (niet aanraken). Rol Loctite 518 uit op het pakkingvlak van het kleppendeksel tot dit een rode kleur heeft gekregen
69 MOTOR F4P - K4M CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Cilinderkoppakking 11 Monteer het kleppendeksel en zet het met het voorgeschreven aantrekkoppel vast. Methode voor het vastzetten van de kopbouten Montage Aantrekvolgorde van de bouten Loszetvolgorde van de bouten Aantrekkoppels (in dan.m) Handeling n ,8 Handeling n 2 1 t/m t/m en 24-1,2 Handeling n Handeling n ,
70 MOTOR F4P - K4M CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Cilinderkoppakking 11 N.B.: de pakkingvlakken moeten volkomen schoon, droog en vetvrij zijn (niet aanraken). Rol Loctite 518 uit op het pakkingvlak van de olieafscheider tot dit een rode kleur heeft gekregen. Monteer de olieafscheider en zet hem in de aangegeven volgorde vast met 1,3 dan.m
71 MOTOR F4P - K4M CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Cilinderkoppakking 11 Bij het vervangen van de afdichting van de bedieningselektroklep (motor F4P) gebruikt u het gereedschap Mot
72 MOTOR F4P - K4M CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Cilinderkoppakking 11 Plaats: de bobines en zet ze vast met een aantrekkoppel van 1,3 dan.m, de inlaatluchtverdeler (met nieuwe afdichtingen) en zet deze in de aangegeven volgorde vast met 0,9 dan.m, het smoorklephuis en zet de bouten vast met 1,5 dan.m, het luchtfilterhuis en zet de bouten vast met 0,9 dan.m
73 MOTOR F4P - K4M CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Cilinderkoppakking 11 Vervangen van de nokkenaskeerringen. Motor F4P Plaats de keerring van de uitlaatnokkenas met behulp van Mot en de oude moer (1). N.B.: voor het gebruik van Mot. 1517, moet u het gat vergroten tot 13 mm. Motor K4M Monteren van de nokkenaskeerringen met behulp van Mot Gebruik de oude moeren (3). Plaats de keerring van de inlaatnokkenasversteller met behulp van Mot en de oude bout (2)
74 MOTOR F4P - K4M CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Cilinderkoppakking 11 Afstellen van de distributie LET OP: het is van groot belang dat u de einden van de krukas en van de nokkenassen, de boring in de poelies en de raakvlakken tussen krukas en poelie en nokkenas en poelie grondig ontvet om motorschade te voorkomen als gevolg van het slippen van de poelie op de krukas of de nokkenas. Plaats: de distributieriem (houd u aan de methode uit hoofdstuk 07 "Spannen distributieriem"), de aandrijfriem van de hulporganen (zie hoofdstuk 07 "Spanning aandrijfriem hulporganen"), de nieuwe afsluitdoppen van de inlaatnokkenas (Mot. 1487), van de uitlaatnokkenas (Mot. 1488). de pendelophanging rechts en zet deze vast met de voorgeschreven aantrekkoppels (zie hoofdstuk 19 "Pendelophanging"). Ga te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. Vul en ontlucht het koelsysteem (zie hoofdstuk 19 "Vullen - ontluchten")
75 MOTOR F9Q CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Cilinderkoppakking 11 ONMISBAAR SPECIAAL GEREEDSCHAP Mot BDP-stift Mot Klembandtang Mot Mot Motorsteungereedschap Mot Lange klembandtang Mot Motorsteungereedschap Mot Riemspanningsmeter ONMISBAAR MATERIAAL Gereedschap voor het afpersen van de cilinderkop Torx-dop 14 Hoekverdraaisleutel Torx-bit 55 AANTREKKOPPELS (in dan.m of/en ) Monteer het steungereedschap Mot tussen de onderste dwarsbalk en de linker subframehelft. Spanrolmoer 5 Bout krukaspoelie ±15 Bouten van de bovenste stang van de pendelophanging 10,5 Bout pendelkap op motor 6,2 Bouten aan carrosserie uitslagbegrenzer pendelophanging 2,1 Bevestigingsbout van de akoestische massa Bevestigingsbouten koppel-reactiestang: * aan motor: * aan subframe: 2,1 10,5 12 Wielbouten 10,5 UITBOUWEN Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Maak de massakabel van de accu los. Tap het koelsysteem af via de onderste radiateurslang. Verwijder de distributieriem (zie de methode in hoofdstuk 11 "Distributieriem")
76 MOTOR F9Q CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Cilinderkoppakking 11 Bouw uit: het motorsteungereedschap Mot. 1453, de vacuümslang van de rembekrachtiger, de luchtslang (A) door de slang (B) los te maken op het reservoir van de carterventilatie, het luchtfilterhuis, de bevestiging (1), de luchtslangen (C) en (D) respectievelijk op de turbocompressor en het inlaatspruitstuk en duw ze opzij, de steun (5) en dan de katalysator (6), de bevestiging (7) en dan de olieaanvoerleiding bij (8) en druk hem naar het schutbord, het hijsoog (9), de olieretourleiding (10), het opname element vliegwiel (11). de bevestigingen (2) van het vacuümreservoir, de bevestiging (3) en de stekker (4), 11-54
77 MOTOR F9Q CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Cilinderkoppakking 11 de slang op het koelvloeistofhuis van de cilinderkop en de stekker (1), REINIGEN De pasvlakken van de aluminium onderdelen mogen beslist niet schoon worden geschraapt. Los de achtergebleven pakkingresten op met Décapjoint. Draag hierbij handschoenen. Breng het product aan op de te reinigen delen; laat het ongeveer tien minuten inwerken en veeg het metaal met een houten spatel schoon. Het is van het grootste belang dat u zorgvuldig te werk gaat, zodat er geen vuil in de oliekanalen (in het motorblok en in de cilinderkop) terechtkomt. CONTROLE VAN HET KOPPAKKINGVLAK Controleer met een rij en voelermaatjes of de cilinderkop vlak is. het carterventilatiereservoir, de brandstofretour en -aanvoerleidingen. Sluit de openingen af met schone doppen, de stekkers van de verstuivers, van de voorverwarmingsstiften, van de hogedruk inspuitpomp, van het opname element en van de drukregelaar, de stekker van het brandstoffilter en maak de bedrading los, Maximale vervorming: 0,05 mm. De cilinderkop mag niet worden gevlakt. Controleer de cilinderkop op haarscheurtjes door hem af te persen met het afpersgereedschap (bak met bij de betreffende cilinderkop behorende hulpstukken (plug, afsluitplaat, dop). De bak voor het afpersen van de cilinderkop heeft goedkeuringsnummer de kopbouten, de cilinderkop
78 MOTOR F9Q CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Cilinderkoppakking 11 INBOUWEN (bijzonderheden) Leg de koppakking op zijn plaats. Centreer deze met twee centreerbussen. Plaats de zuigers halverwege om te voorkomen dat ze in contact komen met de kleppen bij het vastzetten van de cilinderkop. Centreer de pakking met de centreerbussen. Smeer de onderkant van de koppen en de schroefdraad van de kopbouten in met motorolie. Zet de cilinderkop vast met de hoekverdraaisleutel (zie hoofdstuk 07 "Vastzetten cilinderkop"). Ga te werk in omgekeerde volgorde van het uitbouwen. Plaats de distributieriem (zie de methode in hoofdstuk 11 "Distributieriem""). Vul en ontlucht het koelsysteem (zie hoofdstuk 19 "Vullen - ontluchten"). Ontlucht het brandstofcircuit, zie hoofdstuk 13 "Brandstoffilter"
79 MOTOR L7X CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE 11 Koppakkingen ONMISBAAR SPECIAAL GEREEDSCHAP Mot Blokkeergereedschap van de naven van de uitlaatnokkenassen Mot Afstelpen poelies van nokkenassen en krukas Mot Controlepen afstelling poelies van nokkenassen en krukas Mot Steunklemmetje distributieriem Mot Motorsteungereedschap Mot Riemspanningsmeter Mot Blokkeergereedschap van de naven van de inlaatnokkenassen ONMISBAAR MATERIAAL Gereedschap voor het afpersen van de cilinderkop AANTREKKOPPELS (in dan.m) Bout spanner distributieriem 2,5 Nokkenasnaafbout 8 Nokkenaspoeliebout 1 Bevestigingsbout steunplaat spanrol 2,5 Bouten inlaatspruitstuk 0,8 Bouten van de bovenste stang van de pendelophanging 10,5 Bout pendelkap op motor 6,2 Bouten aan carrosserie uitslagbegrenzer pendelophanging 2,1 Bevestigingsbout van de akoestische massa 2,1 Bout krukaspoelie 2,5 Bouten luchtverdeler 1 Bouten nokkenasdeksels 1 Wielbouten 10,
80 MOTOR L7X CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Koppakkingen 11 UITBOUWEN Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Bouw de accu uit. Tap het koelsysteem af via de onderste radiateurslang. Bouw uit: de distributieriem (zie de methode in hoofdstuk 11 "Distributieriem"). de afstelpennen, BELANGRIJK: De bevestigigsbouten van de nokkenasnaven hebben een linkse schroefdraad; draai ze rechtsom los. De pijl op de koppen geven de vastzetrichting aan. Bouw uit: de complete nokkenaspoelies-naven waarbij u de naven blokkeert met Mot (uitlaatnokkenasnaaf) en Mot (inlaatnokkenasnaaf). Voor deze laatste gebruikt u een kleine sterdop van
81 MOTOR L7X CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Koppakkingen 11 Bouw uit: de steunplaat van de spanrol, de onderste distributiedeksels, 11-59
82 MOTOR L7X CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Koppakkingen 11 de bouten (1) en druk de steun (2) opzij, 11-60
83 MOTOR L7X CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Koppakkingen 11 Monteer het geheel pendelkap-uitslagbegrenzer. Verwijder het steungereedschap van de motor Mot Wip de relaisplaat los bij (3). Verwijder de accubak bij (4). de inlaatluchtslang (5), de kabelgoot (6). Boor hiertoe de drie afbreekbouten in met een boortje Ø 5 mm in het hart van de bout. Verwijder hierna de bouten met een tapeindtrekker
84 MOTOR L7X CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Koppakkingen 11 Maak los: de stekker van het gemotoriseerd smoorklephuis, het opname element spruitstukdruk, de vacuümslang van de rembekrachtiger, de twee slangen onder het gemotoriseerd smoorklephuis. Bouw uit: de bevestigingen van het spruitstuk, het spruitstuk door het naar de accu te drukken. Bouw uit: de stekkers (7) van de lambda sondes, de bevestiging (8) van de buis van de oliepeilstaaf, de bevestigingen (9) van de voorkatalysator. Draai los (tot het einde van de schroefdraad): de moeren van de katalysatorflens/voorkatalysator via het subframe (gebruik een lange dop)
85 MOTOR L7X CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Koppakkingen 11 de stekkers (1) van de lambda sondes, de bevestigingen (2) van de voorkatalysator, de steun (A), de stekkers van de bobines (6) en de stekker (7) en druk de bedrading opzij, de slang (8), het hijsoog (9), de bevestiging (3) en druk de leiding opzij, de stekkers van de bobines (4) en de stekkers (5), maak de bedrading los en druk hem opzij
86 MOTOR L7X CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Koppakkingen 11 de bevestiging (1), de stekkers (2), (3) en (4), maak de bedrading los en druk hem opzij, de bevestiging (7), de inlaatluchtverdeler. de brandstofslangen (5), de bevestigingen van de hoofdinspuitbuizen en (6) bouw ze uit, de bevestigingen van de koelvloeistofbuis (8) op de twee cilinderkoppen, 11-64
87 MOTOR L7X CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Koppakkingen 11 de nokkenasdeksels, de kopbouten, de cilinderkoppen 11-65
88 MOTOR L7X CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Koppakkingen 11 REINIGEN De pasvlakken van de aluminium onderdelen mogen beslist niet schoon worden geschraapt. Los de achtergebleven pakkingresten op met Décapjoint. Draag hierbij handschoenen. Breng het product aan op de te reinigen delen; laat het ongeveer tien minuten inwerken en veeg het metaal met een houten spatel schoon. Het is van het grootste belang dat u zorgvuldig te werk gaat en dat er geen vuil of pakkingresten in de oliekanalen naar de nokkenassen terecht komen en in het olieretourkanaal: deze oliekanalen bevinden zich zowel in het motorblok als in de cilinderkoppen. CONTROLE VAN HET KOPPAKKINGVLAK Controleer met een rij en voelermaatjes of de cilinderkop vlak is. Maximale vervorming: 0,05 mm. Controleer de cilinderkop op haarscheurtjes door hem af te persen met het afpersgereedschap (bak met bij de betreffende cilinderkop behorende hulpstukken (plug, afsluitplaat, dop). De bak voor het afpersen van de cilinderkop heeft goedkeuringsnummer De cilinderkoppen mogen 0,20 mm worden gevlakt. Het vlakken moet altijd op beide cilinderkoppen worden uitgevoerd. De gevlakte cilinderkoppen moeten worden gemarkeerd met een ingegraveerde letter R (zie M.R. Motor L voor het bepalen van de plaats voor het graveren)
89 MOTOR L7X CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Koppakkingen 11 INBOUWEN - bijzonderheden De cilinderkoppen worden gecentreerd met elk twee busjes
90 MOTOR L7X CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Koppakkingen 11 Monteer de nieuwe cilinderkoppakkingen met de lipjes (1) naar buiten gekeerd en controleer de juiste ligging van de olietoevoergaten (2). Controleer de maximale lengte onder de boutkoppen: 149,5 mm. LET OP Om de bouten met het juiste koppel te kunnen vastzetten moet u de eventueel in de boutgaten achtergebleven olie eerst met een spuitje opzuigen. Smeer de schroefdraad en de onderkant van de boutkoppen met motorolie. Zet de cilinderkoppen vast met de hoekverdraaisleutel (zie hoofdstuk 07 "Vastzetten cilinderkop")
91 MOTOR L7X CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Koppakkingen 11 Breng de bevestigingsbouten van het nokkenasdeksels op hun plaats en zet ze in de voorgeschreven volgorde geleidelijk vast. Zet de bouten vast met een aantrekkoppel van 1 dan.m. N.B.: de nokkenasdeksels worden afgedicht met een composietpakking die diverse keren gebruikt kan worden. Een beschadigde pakking, kan gerepareerd worden met pakkingpasta AUTOJOINT OR
92 MOTOR L7X CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Koppakkingen 11 Vervang de afdichtingen van de luchtverdeler. Monteer de bouten van de combinatie luchtverdeler - hoofdinspuitbuis in de voorgeschreven volgorde met een eerste aantrekkoppel 0,5 dan.m en daarna in de voorgeschreven volgorde met 1 dan.m. Monteer het inlaatspruitstuk en span de bouten voor met 0,5 dan.m. (in de voorgeschreven volgorde), en zet ze daarna vast met een aantrekkoppel van 0,8 dan.m. (in de voorgeschreven volgorde). Ga te werk in omgekeerde volgorde van het uitbouwen. Plaats de distributieriem (zie de methode in hoofdstuk 11 "Distributieriem"). Vul en ontlucht het koelsysteem (zie hoofdstuk 19 "Vullen - ontluchten")
93 MOTOR L7X CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE 11 Koppakkingen ONMISBAAR SPECIAAL GEREEDSCHAP Mot Mot Blokkeergereedschap van de naven van de nokkenassen Afstelpen poelies van nokkenassen en krukas Mot Controlepen afstelling poelies van nokkenassen en krukas Mot Mot Mot Mot Mot Montagereedschap nokkenaskeerring Steunklemmetje distributieriem Motorsteungereedschap Riemspanningsmeter Blokkeergereedschap van de naven van de inlaatnokkenassen AANTREKKOPPELS (in dan.m) Bout spanner distributieriem 2,5 Nokkenasnaafbout 8 Nokkenaspoeliebout 1 Bevestigingsbout steunplaat spanrol 2,5 Bouten van de bovenste stang van de pendelophanging 10,5 Bout pendelkap op motor 6,2 Bouten aan carrosserie uitslagbegrenzer pendelophanging 2,1 Bevestigingsbout van de akoestische massa 2,1 Bouten inlaatspruitstuk. 0,8 Bout krukaspoelie 2,5 Bouten nokkenasdeksels 1 Wielbouten 10,5 UITBOUWEN BELANGRIJK: De bevestigigsbouten van de nokkenasnaven hebben een linkse schroefdraad; draai ze rechtsom los. De pijl op de koppen geven de vastzetrichting aan. Bouw uit: de complete nokkenaspoelies-naven waarbij u de naven blokkeert met Mot (uitlaatnokkenasnaaf) en Mot (inlaatnokkenasnaaf). Voor deze laatste gebruikt u een kleine sterdop van 14. Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Maak de accukabels los. Bouw uit: de distributieriem (zie de methode in hoofdstuk 11 "Distributieriem"). de afstelpennen
94 MOTOR L7X CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Koppakkingen 11 Bouw uit: de onderste distributiedeksels
95 MOTOR L7X CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Koppakkingen 11 Monteer het geheel pendelkap-uitslagbegrenzer en verwijder het motorsteungereedschap Mot Bouw uit: de inlaatluchtslang (5), de kabelgoot (6). de bevestiging (3) en druk de leiding opzij, de stekkers van de bobines (4) en de stekkers (5), maak de bedrading los en druk hem opzij, de bobines, Maak los: de stekker van het gemotoriseerd smoorklephuis, het opname element spruitstukdruk, de vacuümslang van de rembekrachtiger, de twee slangen onder het gemotoriseerd smoorklephuis. Bouw uit: de bevestigingen van het spruitstuk, het spruitstuk door het naar de accu te drukken. de brandstofaanvoerleiding op de hoofdinspuitbuizen, 11-73
96 MOTOR L7X CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Koppakkingen 11 de stekkers van de bobines (6) en de stekker (7) en druk de bedrading opzij, de bobines, de slang (8), de hijsbeugel (9) na het losmaken van de stekker van de lambda sonde
97 MOTOR L7X CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Koppakkingen 11 Draai de bouten van de nokkenasdeksels geleidelijk los
98 MOTOR L7X CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Koppakkingen 11 Doe hetzelfde met de deksels van de nokkenaslagerkappen. INBOUWEN Smeer de nokken en de lagerblokken. Plaats de nokkenassen. IDENTIFICATIE VAN DE NOKKENASSEN De langste nokkenassen zijn voor de voorste cilinderkop en hebben een kerkteken bij (D). Verwijder de nokkenassen. REINIGEN De pasvlakken van de aluminium onderdelen mogen beslist niet schoon worden geschraapt. Los de achtergebleven pakkingresten op met Décapjoint. Inlaat: D = A423 Uitlaat D = E389 X: distributiezijde. Draag hierbij handschoenen. Breng het product aan op de te reinigen delen; laat het ongeveer tien minuten inwerken en veeg het metaal met een houten spatel schoon
99 MOTOR L7X CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Koppakkingen 11 De kortste nokkenassen zijn voor de achterste cilinderkop en hebben een kerkteken bij (F). Inlaat: Uitlaat: X: distributiezijde. F = A82 F = E388 Controleer de aanwezigheid en de correcte plaats van de centreerbusjes (1). Controleer de lengtespeling van de nokkenassen (zie M.R. Mot. L). Breng een strook (A) pakkingpasta AUTOJOINT OR aan op het pakkingvlak
100 MOTOR L7X CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Koppakkingen 11 Plaats de deksels van de nokkenaslagerkappen. Plaats de bouten en zet ze geleidelijk in de volgende volgorde vast: Zet de bouten vast met een aantrekkoppel van 0,8 dan.m. Monter de nokkenasdeksels na het schoonmaken van de afdichtingen en de pakkingvlakken
101 MOTOR L7X CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Koppakkingen 11 Plaats de bouten en zet ze geleidelijk in de voorgeschreven volgorde vast: Zet de bouten vast met een aantrekkoppel van 1 dan.m. N.B.: de nokkenasdeksels worden afgedicht met een composietpakking die diverse keren gebruikt kan worden. Een beschadigde pakking, kan gerepareerd worden met pakkingpasta AUTOJOINT OR
102 MOTOR L7X CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE Koppakkingen 11 Monteren van de nokkenaskeerringen met behulp van Mot N.B.: voordat u de nokkenaskeerringen plaatst, moet u controleren of de ruimtes waar de keerringen in worden aangebracht schoon en vrij van pakkingpasta zijn. Ga te werk in omgekeerde volgorde van het uitbouwen. Plaats de distributieriem (zie de methode in hoofdstuk 11 "Distributieriem""). Monteer het inlaatspruitstuk en span de bouten voor met 0,5 dan.m. (in de voorgeschreven volgorde), en zet ze daarna vast met een aantrekkoppel van 0,8 dan.m. (in de voorgeschreven volgorde)
103 MOTOR F4P en K4M 112 INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS 12 Gegevens Type auto Type Indice Boring (mm) Slag (mm) Motor Inhoud (cm 3 ) Versnellingsbak Compressieverhouding Katalysator Emissienorm BGOA JH3 DPO K4M ,5 80, /1 C89 EU 00 BGOB JR5 DPO F4P , ,8/1 C89 EU 00 Toerental (tr/min.) Controlewaarden bij stationair toerental* Luchtverontreiniging ** CO (%) (1) CO2 (%) CH (ppm) Lambda (λ) Brandstof *** (octaangetal minimaal) F4P : 750 K4M : 750 0,5 max 14,5 max 100 max 0,97 < λ < 1,03 Super ongelood (octaangetal 95) (1) bij 2500 tr/min. mag het CO maximaal 0,3 zijn. * Bij een koelvloeistoftemperatuur hoger dan 80 C en na met 2500 tr/min stabiel toerental draaien. gedurende ongeveer 30 secondes ** De wettelijk toegestane maxima kunnen per land verschillen. *** Ook geschikt voor ongelode benzine met octaangetal 91. Temperatuur in C Opn. el. luchttemperatuur Type NTC weerstand in Ohm Opn. el. koelvloeistoftemperatuur Type NTC weerstand in Ohm tot tot tot tot tot tot tot
104 Motor F4P en K4M INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Gegevens 12 OMSCHRIJVING MERK/TYPE BIJZONDERHEDEN Rekeneenheid inspuitsysteem en ontsteking Gemotoriseerd smoorklephuis 60 mm (Ingebouwde potentiometer met dubbele baan) SAGEM S 2000 MGI/VDO 112-polig Multipunt sequentiële inspuiting Statische ontsteking Weerstand motor = 1,6 ± 0,3 Ω Weerstand potentiometer = 1200 ± 240 Ω Opname element gaspedaal HELLA Potentiometer met twee banen Weerstand baan 1 = 1200 ± 480 Ω Weerstand baan 2 = 1700 ± 680 Ω Bobines Bougies NIPPONDENSO (op F4P) NIPPONDENSO of SAGEM (op K4M) CHAMPION RC 87 YCL (op F4P) EYQUEM RFC 50 LZ 2E (op K4M) Vier penbobines V4 SAGEM: Weerstand primair 0.5 Ω Weerstand secondair: 11 ± 1 KΩ NIPPONDENSO: Weerstand primair 0.5 Ω Weerstand secondair: 6,8 ± 1 KΩ Aantrekkoppel: 2,5 tot 3 dan.m Opname element spruitstukdruk DELCO Weerstand 50 KΩ Afdichting bij iedere demontage vervangen. Pingeldetector SAGEM Type piëzo-elektrisch. Aantrekkoppel: 2 dan.m. Opname element vliegwiel (BDP en toerental) SIEMENS Type variabele reluctantie Weerstand = 200 tot 270 Ω Lambda sondes (voorste en achterste) BOSCH Weerstand verwarming = 3,4 ± 0,7 Ω bij 20 C Weerstand intern = 1 kω maximum Rijk mengsel > 800 mv Arm mengsel < 50 mv Verstuivers MAGNETI-MARELLI PICO (op F4P) SIEMENS DEKA (op K4M) Weerstand: 14,5 ± 0,7Ω bij 20 C 12-2
105 Motor F4P en K4M INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Gegevens 12 OMSCHRIJVING MERK/TYPE BIJZONDERHEDEN Opname element luchttemperatuur Opname element koelvloeistoftemperatuur JEAGER JEAGER NTC (zie tabel) Weerstand: 2500 Ω bij 20 C NTC (zie tabel) Weerstand: 3500 Ω bij 20 C Elektroklep dampabsorptievat SAGEM Weerstand: 26 ± 4 Ω bij 23 C Elektroklep nokkenasversteller (alleen F4P) AISIN Elektroklep "open/dicht" Weerstand: 7,1 ± 0,5 Ω Voedingspomp dompeltype me ingebouwde benzinefilter en drukregelaar Spruitstukdruk stationair F4P Spruitstukdruk stationair K4M Tegendruk uitlaat F4P Tegendruk uitlaat K4M BOSCH Druk: 3,5 bar ± 0,06 Opbrengst minimaal: 80 tot 120 l/u 280 ± 50 mbar 350 ± 50 mbar Voor de katalysator (mbar) 1500 tr/min tr/min tr/min tr/min. 290 Voor de katalysator (mbar) 1500 tr/min tr/min tr/min tr/min
106 MOTOR L7X INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS 12 Gegevens Type auto Type Indice Boring (mm) Slag (mm) Motor Inhoud (cm 3 ) Versnellingsbak Compressieverhouding Katalysator Emissienorm BGOD SU1 L7X , ,9 / 1 C141 (2) C142 (2) EU 00 Toerental (tr/min.) Controlewaarden bij stationair toerental* Luchtverontreiniging ** CO (%) (1) CO2 (%) CH (ppm) Lambda (λ) Brandstof *** (octaangetal minimaal) 650 0,5 max 14,5 max 100 max 0,97 < λ < 1,03 Super ongelood (octaangetal 95) (1) bij 2500 tr/min. mag het CO maximaal 0,3 zijn. * Bij een koelvloeistoftemperatuur hoger dan 80 C en na met 2500 tr/min stabiel toerental draaien. gedurende ongeveer 30 secondes ** De wettelijk toegestane maxima kunnen per land verschillen. *** Ook geschikt voor ongelode benzine met octaangetal 91. Temperatuur in C Opn. el. luchttemperatuur Type NTC weerstand in Ohm Opn. el. koelvloeistoftemperatuur Type NTC weerstand in Ohm tot tot tot tot tot tot tot
107 MOTOR L7X INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Gegevens 12 OMSCHRIJVING MERK/TYPE BIJZONDERHEDEN Rekeneenheid inspuitsysteem en ontsteking Gemotoriseerd smoorklephuis 60 mm (Ingebouwde potentiometer met dubbele baan) SAGEM ME BOSCH 128-polig Multipunt sequentiële inspuiting Statische ontsteking Weerstand motor = 1,6 ± 0,3 Ω Weerstand potentiometer = 1200 ± 240 Ω Opname element gaspedaal HELLA Potentiometer met twee banen Weerstand baan 1 = 1200 ± 480 Ω Weerstand baan 2 = 1700 ± 680 Ω Bobines SAGEM Zes penbobines Weerstand primair: 0.5 Ω Weerstand secondair: 11 ± 1 KΩ Bougies BOSCH FGR 8M QPE Aantrekkoppel: 2,5 tot 3 dan.m Opname element spruitstukdruk BOSCH Weerstand 50 KΩ Pingeldetector SAGEM Type piëzo-elektrisch. Opname element vliegwiel (BDP en toerental) Lambda sondes (voorste en achterste) - Weerstand aansl. 1-2: 375 Ω NTK Weerstand verwarming = 6 ± 1 Ω à 23 C Weerstand intern = 5 kω maximum Rijk mengsel > 750 mv ± 70 Arm mengsel < 150 mv ± 50 Verstuivers BOSCH Weerstand: 14,5 ± 0,7Ω bij 20 C Elektroklep dampabsorptievat SAGEM Weerstand: 26 ± 4 Ω bij 23 C Opname element aircodruk TEXAS INSTRUMENTS Voor gebruik van de airconditioning zonder koude kringloop (geen rekeneenheid voor de airconditioning) Elektroklep van inlaatnokkenasversteller Opname element nokkenas Elektroklep "open/dicht" Weerstand: 7,1 ± 0,5 Ω Opname element met Hall effect 12-5
108 MOTOR L7X INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Gegevens 12 OMSCHRIJVING MERK/TYPE BIJZONDERHEDEN Opname element luchttemperatuur Opname element koelvloeistoftemperatuur JEAGER JEAGER NTC (zie tabel) Weerstand: 2500 Ω bij 20 C NTC (zie tabel) Weerstand: 3500 Ω bij 20 C Voedingspomp dompeltype me ingebouwde benzinefilter en drukregelaar Spruitstukdruk stationair Tegendruk uitlaat BOSCH Druk: 3,5 bar ± 0,06 Opbrengst minimaal: 80 tot 120 l/u 340 ± 40 mbar Voor de voorkatalysator (mbar) 1500 tr/min tr/min tr/min tr/min tr/min
109 MOTOR F4P en K4M INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS 12 Inlaatgeluiddemper Het luchtinlaatsysteem heeft een geluiddemper (1) die bepaalde drukgolven elimineert waardoor het inlaatgeluid minder is. 12-7
110 Motor L7X INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS Inlaatgeluiddemper 12 Het luchtinlaatsysteem heeft een geluiddemper (1) die bepaalde drukgolven elimineert waardoor het inlaatgeluid minder is
111 MOTOR F9Q INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS 12 Luchtinlaat SCHEMA VAN HET INLAATLUCHTCIRCUIT Tussenkoeler lucht / lucht 2 Luchtfilter 3 Doorstroommeter 4 Inlaatspruitstuk 5 Turbocompressor 6 Luchtinlaat 12-9
112 INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS 12 Luchtfilter FILTERELEMENT VERVANGEN Motor F4P en K4M Motor L7X en F9Q 18699S Bouw uit: de inlaatgeluiddemper en maak de vacuümslang van de rembekrachtiger los (op het spruitstuk), de twee bouten van het luchtfilterdeksel zodat u bij het filterelement kunt komen. Verwijder de vier bevestigingsbouten van het luchtfilterdeksel zodat u bij het filterelement kunt komen
113 MOTOR F4P en K4M INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS 12 Luchtfilterhuis AANTREKKOPPELS (in dan.m) de bevestigingsbouten (2) van het luchtfilterhuis. Bouten luchtfilterhuis 0,9 UITBOUWEN Maak de massakabel van de accu los. Bouw de inlaatgeluiddemper uit. Maak de vacuümslang van de rembekrachtiger (1) los (op het spruitstuk). Bouw uit: de beugel (4) van de stekker van de lambda sonde zodat het luchtfilterhuis er beter langs kan het luchtfilter, 12-11
114 MOTOR F4P en K4M INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS 12 Luchtfilterhuis Druk het luchtfilterhuis naar rechts en bouw het uit. Het luchtfilterhuis past tussen de voorruit, de motor en de rembekrachtiger door.' INBOUWEN Ga te werk in omgekeerde volgorde van het uitbouwen. Zet de bouten vast met het aangegeven aantrekkoppel. N.B. let op de vacuümaansluiting op het spruitstuk naar de rembekrachtiger. Als deze afbreekt moet u het gehele spruitstuk vervangen
115 MOTOR F4P en K4M INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS 12 Gemotoriseerd smoorklephuis AANTREKKOPPELS (in dan.m) Verwijder de drie bevestigingsbouten (3) van het smoorklephuis. Bouten smoorklephuis 1,3 Bouten luchtfilterhuis 0,9 UITBOUWEN SMOORKLEPHUIS Maak de massakabel van de accu los. Bouw het luchtfilterhuis uit (zie hoofdstuk 12 Inlaatspruitstuk "Luchtinlaat "). Maak los: de stekker van het gemotoriseerd smoorklephuis (1), de slang van het benzinedampabsorptiesysteem (2) op de elektroklep van het dampabsorptievat INBOUWEN Ga bij het inbouwen te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. Vervang de afdichting bij iedere demontage van het smoorklephuis. Gebruik indien nodig wat vet om de montage te vergemakkelijken. Bij het aanzetten van het contact moet het smoorklephuis een inleescyclus uitvoeren op de minimum en maximum aanslagen Controleer met het diagnoseapparaat of dit inlezen is uitgevoerd
116 Motor L7X INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS 12 Gemotoriseerd smoorklephuis AANTREKKOPPELS (in dan.m) Bouten smoorklephuis 1,3 UITBOUWEN Maak de massakabel van de accu los. Maak los: het gemotoriseerd smoorklephuis, de twee slangen onder het gemotoriseerd smoorklephuis. Bouw uit: de vier bouten (3) van het gemotoriseerd smoorklephuis, het gemotoriseerd smoorklephuis. Verwijder de beschermkap op de motor. Maak de stekker los van het opname element luchttemperatuur (1). Verwijder het luchtinlaatkanaal (2). INBOUWEN Ga bij het inbouwen te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. Vervang de afdichting bij iedere demontage van het smoorklephuis. Bij het aanzetten van het contact moet het smoorklephuis een inleescyclus uitvoeren op de minimum en maximum aanslagen. Controleer met het diagnoseapparaat of dit inlezen is uitgevoerd
117 ALLE MOTORTYPES INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS 12 Gemotoriseerd smoorklephuis BELANGRIJK het gemotoriseerd smoorklephuis is niet demontabel. Het is niet toegestaan de aanslagschroef (A) te verdraaien. MOTOR F4P en K4M AANSLUITINGEN Stekker van het gemotoriseerd smoorklephuis: 1 : Massa smoorklepweerstand 2 : Signaal smoorklepweerstand N 1 3 : - motor 4 : + motor 5 : Voeding + 5V smoorklepweerstand 6 : Signaal smoorklepweerstand N 2 Weerstand motor: Weerstand smoorklepweerstand: 1,6 Ω ± 0,08 Ω 1200 Ω ± 240 Ω MOTOR L7X 12-15
118 MOTOR F4P en K4M INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS 12 Inlaatspruitstuk AANTREKKOPPELS (in dan.m of/en ) de zeven bouten van het inlaatspruitstuk, het inlaatspruitstuk. Spruitstukbouten 0,9 Bouten luchtfilterhuis 0,9 Bouten smoorklephuis 1,3 UITBOUWEN Maak de massakabel van de accu los. Bouw het luchtfilterhuis uit (zie hoofdstuk 12 Inlaatspruitstuk " Luchtinlaat "). Maak los: de stekker van het gemotoriseerd smoorklephuis (1), de stekker van het opname element absolute druk (2), de bobines (3), de stekker van het opname element luchttemperatuur (4) INBOUWEN Ga bij het inbouwen te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. N.B.: houd u aan de voorgeschreven aantrekvolgorde en aantrekkoppels voor de bouten van inlaatspruitstuk en smoorklephuis. Vervang de afdichtingen van het spruitstuk en het smoorklephuis Bouw uit: de drie bevestigingsbouten van het smoorklephuis, het smoorklephuis, 12-16
119 MOTOR L7X INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS 12 Inlaatspruitstuk AANTREKKOPPELS (in dan.m) Bouten smoorklephuis 1,3 Bouten inlaatspruitstuk voorspannen vastzetten 0,5 0,8 Bouw uit: de bevestigingsbouten van het inlaatspruitstuk, het spruitstuk door dit omhoog te trekken en naar de accu te drukken. UITBOUWEN Maak de massakabel van de accu los. Voor het uitbouwen van het inlaatspruitstuk moet u het gemotoriseerd smoorklephuis uitbouwen (zie hoofdstuk 12 Inlaatspruitstuk "Gemotoriseerd smoorklephuis"). Verwijder de kabelgoot (1). Maak los: de stekker van het opname element spruitstukdruk (2), de vacuümslang (3) naar de rembekrachtiger INBOUWEN Vervang de afdichtingen door nieuwe Ga bij het inbouwen te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. N.B.: houd u aan de voorgeschreven aantrekvolgorde en aantrekkoppels voor de bouten van inlaatspruitstuk en smoorklephuis
120 MOTOR F4P en K4M INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS 12 Vulplaat inspuitstukhouder AANTREKKOPPELS (in dan.m) Verwijder de bouten van de vulplaat inspuitstukhouder. Bouten vulplaat inspuitstukhouder 2,1 UITBOUWEN Maak de massakabel van de accu los. Bouw het inlaatspruitstuk uit (zie hoofdstuk 12 Inlaatspruitstuk " Gemotoriseerd smoorklephuis "). LET OP: bij het losmaken van de slang van de hoofdinspuitbuis, moet u de benzine uit de hoofdinspuitbuis en de wartel opvangen. Bescherm de dynamo. Verwijder de beschermkap van de hoofdinspuitbuis. Maak los: de brandstofaanvoerslang (1), de inspuitstukken (2), de pingeldetector (3). INBOUWEN Vervang de afdichting Zet de bouten (A) met de hand vast zodat de vulplaat inspuitstukhouder aanligt tegen de pendelsteun, en druk vervolgend de vulplaat inspuitstukhouder omhoog (bij B) tegen het kleppendeksel. Zet de bouten en moeren van de vulplaat vast met het aangegeven aantrekkoppel. Ga bij het verder monteren te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen
121 MOTOR L7X INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS 12 Inlaatluchtverdeler AANTREKKOPPELS (in dan.m) Bouten inlaatluchtverdeler voorspannen vastzetten 0,5 1 de bevestigingsbout (3) van de slangen van de carterventilatie, de bevestigingsmoeren van de inlaatluchtverdeler, de inlaatluchtverdeler. UITBOUWEN Maak de massakabel van de accu los. Bouw het inlaatspruitstuk uit (zie hoofdstuk 12 Inlaatspruitstuk "Inlaatspruitstuk"). Maak de wartels van de benzinetoevoer (1) los op de twee hoofdinspuitbuizen, let op de hierin aanwezige hoeveelheid benzine. Bouw uit: de bevestigingsbouten (2) van de hoofdinspuitbuizen, de twee hoofdinspuitbuizen. INBOUWEN Vervang de afdichting. Ga bij het monteren te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen en let op de aantrekvolgorde en aantrekkoppels van de inlaatluchtverdeler
122 MOTOR F4P en K4M INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS 12 Uitlaatspruitstuk ONMISBAAR SPECIAAL GEREEDSCHAP Mot Gereedschap voor het uit- en inbouwen van de lambda sonde AANTREKKOPPELS (in dan.m) Lambda sondes 4,5 Spruitstukmoeren 1 Bout van hitteschild 1 Moer van driepuntsflens 2 UITBOUWEN Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Maak de massakabel van de accu los. Bouw het luchtfilterhuis uit (zie hoofdstuk 12 Inlaatspruitstuk " Luchtinlaat "). Maak de lambda sonde (1) los en bouw hem uit met Mot Verwijder het bovenste hitteschild van het uitlaatspruitstuk. Verwijder de steun (A) tussen het uitlaatspruitstuk en het versnellingsbakhuis. Maak de voorste uitlaatbuis los. Druk de katalysator naar achteren Leg een vulblok op het subframe om de voorste uitlaatbuis te ondersteunen en te voorkomen dat de flexibele buis beschadigt waardoor de katalysator zou moeten worden vervangen
123 MOTOR F4P en K4M INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS 12 Uitlaatspruitstuk Verwijder de vestigingsmoeren van het uitlaatspruitstuk. Maak het spruitstuk vrij door het ongeveer 45 te kantelen, en bouw het uit via de rechter kant. Verwijder het onderste hitteschild. INBOUWEN Ga bij het inbouwen te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. Zet de bouten en moeren van het spruitstuk vast met de voorgeschreven volgorde en het voorgeschreven aantrekkoppel. Vervang de afdichtingen van het spruitstuk en van de driepunts bevestiging e de moeren van het spruitstuk
124 MOTOR L7X INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS 12 Voorste uitlaatspruitstuk AANTREKKOPPELS (in dan.m) Moeren voorste uitlaatflens 2,1 Bouten steun voorkatalysator 2,1 Moeren flens katalysator / voorkatalysator 2,1 Moeren spruitstuk voorspannen vastzetten 1 3 Draai de vier moeren van de katalysatorflens/ voorkatalysator via het subframe zo ver mogelijk los (gebruik een lange dop met verlengstukken). UITBOUWEN Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Maak de massakabel van de accu los. Bouw uit: de beschermplaat onder de motor, de sierkap van de motor. Maak de stekkers (1) van de lambda sondes los. Bouw uit: het hitteschild (2) van het spruitstuk, de moeren (3) van de uitlaatflens op het spruitstuk
125 MOTOR L7X INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS 12 Voorste uitlaatspruitstuk Verwijder de bout van de steun van de voorkatalysator INBOUWEN Vervang de afdichtingen door nieuwe. Ga bij het monteren te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen en let op de aantrekvolgorde en aantrekkoppels van het spruitstuk Druk de voorkatalysator opzij zodat het spruitstuk toegankelijk wordt. Bouw uit: het onderste hitteschild van het spruitstuk (4), het hitteschild van de startmotor (5), het spruitstuk
126 MOTOR L7X INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS 12 Achterste uitlaatspruitstuk ONMISBAAR SPECIAAL GEREEDSCHAP Mot Gereedschap voor het uit- en inbouwen van de lambda sonde AANTREKKOPPELS (in dan.m) Moeren voorste uitlaatflens 2,1 Moeren achterste uitlaatflens 2,1 Moeren steun voorkatalysator 2,1 Bouten steun voorkatalysator 2,1 Moeren spruitstuk voorspannen vastzetten 1 3 INBOUWEN Vervang de afdichtingen door nieuwe. Ga bij het monteren te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen en let op de aantrekvolgorde en aantrekkoppels van het spruitstuk. UITBOUWEN Voor het uitbouwen van het uitlaatspruitstuk van de achterste cilinderrij moet de voorkatalysator van de achterste cilinderrij worden uitgebouwd (zie hoofdstuk 19 Uitlaat "Voorkatalysator achterste cilinderrij"). Bouw uit: de bevestigingsmoeren van het spruitstuk, het spruitstuk
127 MOTOR F9Q INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS 12 Spruitstukken AANTREKKOPPELS (in dan.m) het smoorklephuis (2), de elektroklep van de EGR (5). Bevestigingstapeind spruitstuk 0,8 Bevestigingsmoer spruitstuk 2,8 Bevestigingsbout EGR-klep 0,8 Bevestigingsbout smoorklephuis 0,8 UITBOUWEN OPMERKING: Voor het uitbouwen van de spruitstukken moet u de turbocompressor uitbouwen (zie hoofdstuk 12 "Turbocompressor"). De twee spruitstukken kunnen niet afzonderlijk uitgebouwd worden. Maak los: de accu, De luchtaanvoerslang van de smoorklep, de elektroklep van de EGR. Bouw uit: de bevestigingsbout (1) van het huis met koelvloeistofverwarmingselementen en druk dit opzij
128 MOTOR F9Q INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS 12 Spruitstukken Verwijder de leiding van de EGR en de hijsbeugel
129 MOTOR F9Q INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS 12 Spruitstukken Verwijder de spruitstukmoeren. INBOUWEN Ga te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. Vervang de afdichting van de spruitstukken en controleer de juiste stand, de afdichting van de EGR-klep en de afdichting van het smoorklephuis
130 MOTOR F9Q INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS 12 Afslagsysteem AANTREKKOPPELS (in dan.m) Bout van smoorklephuis 0.8 ± 0,05 DOEL Met dit systeem stop de motor snel na het afzetten van het contact. BESCHRIJVING VAN HET SYSTEEM Het systeem bestaat uit: een balg (1) die de smoorklep bedient, een smoorklep (2), een elektroklep (3), een vacuümreservoir (4)
131 MOTOR F9Q INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS 12 Afslagsysteem WERKING Bij het afzetten van het contact, verbindt de elektroklep het vacuümreservoir met de balg. Hierop werkt de onderdruk; als gevolg daarvan wordt de smoorklep afgesloten. De motor krijgt geen lucht meer en stopt direct. UITBOUWEN VAN DE SMOORKLEP Maak de vacuümslang los van de balg. Verwijder de drie bevestigingsbouten. Verwijder het geheel smoorklep/balg. INBOUWEN VAN DE SMOORKLEP Vervang de afdichting. Ga verder te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen
132 MOTOR F9Q DRUKVULLING 12 Drukregelklep De balg (A) van de drukregelcapsule wordt aangestuurd via een door de rekeneenheid van het inspuitsysteem geregelde elektroklep (B). De rekeneenheid kan de onderdruk, waarmee de balg de turbodruk regelt, naar de behoefte van de motor variëren In de ruststand staat de drukregelklep open. De motor werkt dan als een atmosferische motor. De elektroklep, die in ruststand dicht staat, krijgt na het starten van de motor voeding, na een vertraging die afhankelijk is van de koelvloeistoftemperatuur. X Vertraging (s) Y Temperatuur ( C) DI
133 MOTOR F9Q DRUKVULLING 12 Drukregeling TURBODRUKBEGRENZINGSKLEP (WASTEGATE) N.B.: de begrenzingsklep werkt tegenovergesteld aan de gebruikelijke montages. Als de klep niet wordt aangestuurd begrenst hij de turbodruk. Controleer of er geen lekkage is tussen de vacuümpomp en de begrenzingsklep. Controle van de afsteldruk Werking bij motor F9Q 754. LET OP: voor het controleren van de afsteldruk op motor F9Q 750, moet u de turbocompressor uitbouwen (zie hoofdstuk 12 Drukvulling "Turbocompressor" Controlewaarden Motor Onderdruk Slag van de steel (mm) F9Q mb Tussen 1 en 4 mm F9Q mb Tussen 10 en 12 mm F9Q 754 > 450 mb Steel tegen aanslag F9Q mb Tussen 0,5 en 3,5 mm F9Q 750 > 600 mb Steel tegen aanslag 10321S Plaats een meetklokje met een magnetisch voetstuk op het eind van de steel van de wastegate (zo veel mogelijk in de as van de wastegate). Zet geleidelijk onderdruk op de wastegate met een manometer Mot
134 MOTOR F9Q DRUKVULLING 12 Drukregeling Op de auto (motor F9Q 754) Bij het controleren van de afsteldruk kan het nodig zijn dat u de lengte van de steel (A) van de drukregelcapsule moet afstellen (als de druk buiten de tolerantie is). Deze afstelling gebeurd met turbocompressor op zijn plaats bij motor F9Q 754 en turbocompressor uitgebouwd bij motor F9Q 750. Verwijder de borgveer (1), en maak de steel (A) van de wastegate (drukregelcapsule) los. Houd de steel van de begrenzingsklep (2) tegen met een griptang. Draai de contramoer los en draai het stelstuk in of uit. Valideer de reparatie met een proefrit en controleer daarbij de parameters "Cyclisch stuursignaal van de turbodrukbegrenzingsklep" en "Turbodruk" op het diagnosegereedschap
135 MOTOR F9Q DRUKVULLING 12 Turbocompressor AANTREKKOPPELS (in dan.m) Bevestigingsmoeren turbo 2,4 ± 1 Wartel olieaanvoerleiding 2,4 ± 4 Wartel olieaanvoerleiding 2,6 ± 0,2 Wartel olieretourleiding 1,2 ± 0,1 Bevestigingsmoeren katalysator op turbo 2,6 ± 0,2 Via de onderkant Bouw uit: de beschermplaat onder de auto, de bevestigingsbeugel (3), de moeren (4) waarmee de katalysator vastzit aan de turbocompressor en druk de uitlaatlijn opzij. UITBOUWEN OPMERKING: de moeren waarmee de turbocompressor vastzit aan het uitlaatspruitstuk, kunt u gemakkelijk losdraaien als u, vlak voor het demonteren, deze nog warme moeren inspuit met kruipolie. Maak de massakabel van de accu los. Verwijder de beschermkap op de motor. Via de bovenkant Bouw uit: het vacuümreservoir (1), de elektroklep (2) van het afslagsysteem R 12-33
136 MOTOR F9Q DRUKVULLING 12 Turbocompressor UITBOUWEN Bouw uit: de twee bouten (5) waarmee de olieretour van de turbo vastzit op de motor, de onderste moer waarmee de turbo vastzit op het uitlaatspruitstuk. Maak de rubber slang los van de wastegate. Bouw uit: de wartels en de bevestigingsbout van de olieaanvoerleiding (6) van de turbo, de luchtaanvoer- en afvoerkanalen op turbo, de twee bovenste moeren waarmee de turbo vastzit op het uitlaatspruitstuk, LET OP: vervang altijd de koperen afdichtring van de olieaanvoer op de turbo. BELANGRIJK: Voordat u de motor start maakt u de stekker los van de drukregelaar op de hogedrukpomp. Laat de startmotor vervolgens enkele secondes draaien tot het waarschuwingslampje van de oliedruk uitgaat. Sluit de drukregelaar weer aan, verwarm voor en start de motor na de voorverwarming. Laat de motor stationair draaien en controleer alle wartels en aansluitingen op lekkage. Wis de storing en controleer het opname element en de elektroklep van de turbodruk. Bijzondere voorzorgen Controleer goed of er tijdens de montage geen vuil bij het turbinewiel of bij het compressorwiel binnendringt. Als de turbo defect is (olieverbruik), controleer dan altijd of de tussenkoeler zich niet met olie heeft gevuld. Bouw de tussenkoeler indien nodig uit, reinig hem met een schoonmaakmiddel en laat hem goed uitdruppelen. Controleer ook of de olieretourleiding niet door aanslag verstopt zijn. Controleer ook of er geen lekkage is. Zo ja, vervang hem dan de turbocompressor via de bovenkant. INBOUWEN Ga te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen
137 MOTOR F9Q DRUKVULLING 12 Tussenkoeler UITBOUWEN Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Maak de massakabel van de accu los. Bouw uit: de voorwiel en de beschermplaat onder de motor, de radiateurgrille, de spatplaat aan de voorzijde. De twee bovenste geleiders (A) van de schildbumper. Maak het klemmetje (B) los op elke koplamp. Bouw uit: de drie bevestigingsbouten (2) op elke koplamp, de twee koplampen door de stekkers los te maken. Maak de stekkers los van de mistlichten. Bouw uit: de twee bouten (1) van de schildbumper, BELANGRIJK: de schildbumper door hem naar voren te trekken waarbij u de slang van de koplampsproeiers losmaakt (indien aanwezig) Na het monteren van de koplampen, moet u deze afstellen: zet de auto op een horizontale ondergrond, zet de stelknop op 0, voer de afstelling uit. Heeft de auto Xenonkoplampen, dan moet u het systeem initialiseren en de koplampen afstellen (raadpleeg hoofdstuk "Xenonkoplampen, initialiseren van het systeem"). LET OP: Bij Xenonkoplampen, is het verboden de lamp in te schakelen als deze niet in de koplamp is gemonteerd (gevaar voor de ogen)
138 MOTOR F9Q DRUKVULLING 12 Tussenkoeler UITBOUWEN Verwijder de negen bevestigingsbouten (3) van de bovenste dwarsbalk. Maak de ontgrendelkabel van de motorkap los en bouw de bovenste dwarsbalk uit. Maak de slangen los op de ingang en de uitgang van de tussenkoeler. Bouw uit: de bevestigingsklemmetjes (4) van de condensor en druk deze opzij (indien aanwezig), de tussenkoeler lucht / lucht door hem aan de onderkant los te maken. INBOUWEN Ga bij het inbouwen te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. Stel de koplampen uit
139 MOTOR ALLE TYPES 113 BRANDSTOFTOEVOER 13 Bijzonderheden Het benzineaanvoercircuit van de motor heeft geen retour. De benzinedruk varieert niet afhankelijk van de motorbelasting. het circuit bestaat uit: een hoofdinspuitbuis (1) zonder retourleiding en zonder drukregelaar, een enkele leiding (2) afkomstig van de tank, een gecombineerde voedingspomp/tankelement/benzinefilter met drukregelaar (3), de pomp (4) en het benzinefilter (5) (alle in de tank gemonteerd), een benzinedampabsorptievat (6). SCHEMATISCH OVERZICHT VAN HET BENZINECIRCUIT 13-1
140 MOTOR ALLE TYPES BRANDSTOFTOEVOER Bijzonderheden 13 ALGEMEEN Het benzinefilter bevindt zich in de tank, tezamen met pomp/tankelement en is niet demontabel. Bij het vervangen moet het geheel pomp/tankelement worden vervangen. Toch kan door een controle van de voedingsdruk en de pomp-opbrengst een diagnose worden gesteld over pomp en tankelement
141 MOTOR F4P - K4M BRANDSTOFTOEVOER 13 Hoofdinspuitbuis / inspuitstukken AANTREKKOPPELS (in dan.m) Bouten hoofdinspuitbuis 0,9 De inspuitstukken op motor F4P ZIJN VAN HET TYPE MAGNETI MARELLI PICO en van het type SIEMENS DEKA op motor K4M. Zij zijn met klemmetjes vastgemaakt op de hoofdinspuitbuis. De brandstof circuleert permanent langs de wand van het inspuitstuk. Door deze brandstofverversing wordt dampbelvorming voorkomen en is de warme start beter. Maak de massakabel van de accu los. Bouw uit: de beschermplaat van de hoofdinspuitbuis, de brandstofaanvoerwartel (1) van de hoofdinspuitbuis zonder de slang dicht te knijpen, de stekkers van de inspuitstukken (2), de stekker van de pingeldetector (3), de bouten van de hoofdinspuitbuis (4), de hoofdinspuitbuis, de klemmetjes van de inspuitstukken, de verstuivers. INBOUWEN Vervang altijd de O-ringen e de klemmetjes van de inspuitstukken. UITBOUWEN LET OP: bij jet uitbouwen van de inspuitstukken, of van de hoofdinspuitbuis, moet u voorzorgen treffen om de in de hoofdinspuitbuis aan slang aanwezige brandstof op te vangen. Bescherm de dynamo Houd u aan het aantrekkoppel van de bouten van de hoofdinspuitbuis
142 MOTOR L7X BRANDSTOFTOEVOER Hoofdinspuitbuis / inspuitstukken 13 UITBOUWEN VAN DE VOORSTE HOOFDINSPUITBUIS Maak de massakabel van de accu los. Verwijder de beschermkap op de motor. LET OP: bij jet uitbouwen van de inspuitstukken, of van de hoofdinspuitbuis, moet u voorzorgen treffen om de in de hoofdinspuitbuis aan slang aanwezige brandstof op te vangen Verwijder de kabelgoot. Bouw uit: de klemmetjes van de inspuitstukken, de verstuivers. INBOUWEN Vervang altijd de O-ringen e de klemmetjes van de inspuitstukken. Maak los: de brandstofaanvoerwartel (1) van de hoofdinspuitbuis, de stekkers van de inspuitstukken. Maak de bedrading los van de hoofdinspuitbuis. Verwijder de twee bevestigingsbouten (2) van de hoofdinspuitbuis. Verwijder de hoofdinspuitbuis. 13-4
143 MOTOR L7X BRANDSTOFTOEVOER Hoofdinspuitbuis / inspuitstukken 13 UITBOUWEN VAN DE ACHTERSTE HOOFDINSPUITBUIS Maak de massakabel van de accu los. INBOUWEN Vervang altijd de O-ringen e de klemmetjes van de inspuitstukken. Verwijder de beschermkap op de motor. LET OP: bij jet uitbouwen van de inspuitstukken, of van de hoofdinspuitbuis, moet u voorzorgen treffen om de in de hoofdinspuitbuis aan slang aanwezige brandstof op te vangen. Voor het uitbouwen van het achterste hoofdinspuitbuis moet u het inlaatspruitstuk uitbouwen (zie hoofdstuk 12 Inlaatspruitstuk "Inlaatspruitstuk"). Maak los: de brandstofaanvoerwartel (1) van de hoofdinspuitbuis, de stekkers van de inspuitstukken. Verwijder de twee bevestigingsbouten (2) van de hoofdinspuitbuis. Verwijder de hoofdinspuitbuis Bouw uit: de klemmetjes van de inspuitstukken, de verstuivers. 13-5
144 MOTOR F4P - K4M BRANDSTOFTOEVOER 13 Controle van de voedingsdruk ONMISBAAR SPECIAAL GEREEDSCHAP Mot Mot Mot Mot Mot Mot Mot Controleset voor de benzinedruk met manometer en wartel Maak de benzineaanvoerslang (F) los, plaats een "T"- stuk met de controlemanometer ertussen. LET OP: vang de benzine uit de hoofdinspuitbuis en de wartel op. Bescherm de gevoelige delen. Start de motor zodat de brandstofpomp gaat draaien. Meet de druk die constant moet zijn. Afgelezen druk: 3,5 bar ± 0,6 N.B.: het kan enkele secondes voordat u de correcte druk in de hoofdinspuitbuis meet. 13-6
145 MOTOR L7X BRANDSTOFTOEVOER Controle van de voedingsdruk 13 ONMISBAAR SPECIAAL GEREEDSCHAP Mot Mot Mot Mot Mot Mot Mot Controleset voor de benzinedruk met manometer en wartel Verwijder de dop van de drukaansluiting, plaats de wartel Mot met de controlemanometer. LET OP: vang de benzine uit de hoofdinspuitbuis en de wartel op. Bescherm de gevoelige delen. Start de motor zodat de brandstofpomp gaat draaien. Meet de druk die constant moet zijn. Afgelezen druk: 3,5 bar ± 0,6 N.B.: het kan enkele secondes voordat u de correcte druk in de hoofdinspuitbuis meet. 13-7
146 MOTOR ALLE TYPES BRANDSTOFTOEVOER 13 Controle opbrengst voedingspomp ONMISBAAR SPECIAAL GEREEDSCHAP Mot Mot Mot Mot Mot Mot Mot Maatbeker 2000 ml Controleset voor de benzinedruk met manometer en wartel ONMISBAAR MATERIAAL LET OP: vang de benzine uit de hoofdinspuitbuis en de wartel op. Bescherm de gevoelige delen. Maak de snelkoppeling (1) los. Laat de pomp draaien door de aansluitingen 3 en 5 van het benzinepomprelais met elkaar te verbinden. (Relais A voor motor K4M en F4P en Relais B voor motor L7X). Sluit op uitgang (A) een slang aan die lang genoeg is om de pompopbrengst te kunnen meten in een controlemaatbeker Meet de pompopbrengst Opbrengst: 80 tot 120 liter/uur (1,5 tot 2 liter/ minuut). 13-8
147 MOTOR F4P, K4M en L7X BRANDSTOFTOEVOER 13 Antidampbelsysteem WERKINGSPRINCIPE Het antidampbelsysteem wordt direct aangestuurd door de rekeneenheid van het inspuitsysteem. De informatie van de koelvloeistoftemperatuur is afkomstig van het opname element koelvloeistoftemperatuur van het inspuitsysteem (zie hoofdstuk 17 "Centrale koelvloeistoftemperatuurregeling"). Na het afzetten van het contact, schakelt de inspuitrekeneenheid standby. Als de temperatuur van de koelvloeistof in de motor hoger wordt dan 112,5 C voor F4P en 102 C voor L7X en K4M gedurende de twee minuten die volgen op het stilzetten van de motor, wordt het relais van de lage ventilateursnelheid gevoed. Als de temperatuur van de koelvloeistof in de motor weer lager is dan 100 C voor K4M en F4P en 95 C voor L7X wordt het relais van de lage ventilateursnelheid uitgeschakeld (de koelventilateur kan niet langer draaien dan 10 minuten). 13-9
148 MOTOR F9Q DIESELINSPUITSYSTEEM 13 Gegevens Motor Autotype Versnellingsbak Type Indice Boring (mm) Slag (mm) Inhoud (cm 3 ) Compressieverhouding Emissienorm BG0E PK6 F9Q /1 EU 00 TOERENTALLEN (tr/min.) ROOKGASWAARDEN Stationair Maxi. onbelast Maxi. belast Homologatiewaarde Maxi. wettelijk F9Q 750: 775 tr/min ±50 F9Q 754: 800 tr/min ± ± ±100 1,2 m -1 (39%) 3m -1 (70%) OMSCHRIJVING MERK/TYPE BIJZONDERHEDEN Hogedrukpomp F9Q 750 Hogedrukpomp F9Q 754 Opvoerpomp (lagedruk) (alleen op F9Q 754) BOSCH CR/CP3 BOSCH CR/CP1 BOSCH (niet op 750) Druk van 250 tot 1350 bar Druk van 250 tot 1350 bar Druk van 2,5 tot 4 bar Opbrengst: minimaal 80 tot 100 liter/uur (1,5 liter/minuut) Opname element brandstofdruk BOSCH In hoofdinspuitbuis geschroefd Weerstand: aansl. 1,2 en 1,3 = 4,3 MΩ aansl. 2,3 = 1050 Ω Verstuivers BOSCH Elektromagnetische verstuivers Weerstand: < 2 Ω Maximale druk 1600 bar Drukregelaar - Ingebouwd in de hogedrukpomp (niet demontabel op CP3) Weerstand 5 Ω bij 20 C Rekeneenheid inspuitsysteem BOSCH Rekeneenheid 128-polig Opname element gaspedaal HELLA Potentiometer met twee banen Weerstand baan 1 = 1200 ± 480 Ω Weerstand baan 2 = 1700 ± 680 Ω 13-10
149 MOTOR F9Q DIESELINSPUITSYSTEEM Gegevens 13 OMSCHRIJVING MERK/TYPE BIJZONDERHEDEN Rekeneenheid van de voornaverwarming (achter de spatplaat van het linker voorwiel) Voorverwarmingsstift Opname element inlaatluchttemperatuur Opname element brandstoftemperatuur (alleen op F9Q 750) NAGARES BED/7 BERU of CHAMPION SIEMENS MAGNETI MARELLI of ELTH Met naverwarmingsfunctie aangestuurd via de rekeneenheid van het inspuitsysteem Weerstand: 0,6 Ω stekker losgenomen Ingebouwd in doorstroommeter Weerstand 2170 Ω bij 20 C Weerstand 2050 Ω bij 25 C Opname element vliegwiel Opname element atmosferische druk MGIWeerstand = 800 ± 80 Ω - Ingebouwd in rekeneenheid Opname element nokkenas ELECTRICIFIL Opname element met Hall effect Opname element turbodruk DELCO Weerstand: 4 kω tussen aansl. A en C Weerstand: 5 kωtussen aansl. B en C Weerstand: 9 kωtussen aansl. A en B DI1330 Elektroklep turbodrukregeling BITRON Weerstand: 16,5 ± 1 bij 25 C Luchtdoorstroommeter SIEMENS Doorstroommeter met ingebouwd opname element luchttemperatuur Aansl. 1: luchttemperatuur Aansl. 2: massa Aansl. 3: 5 V referentie Aansl. 4: + accu Aansl. 5: signaal luchtstroom Aansl. 6: massa EGR-elektroklep PIERBURG Weerstand baan: 8 ± 0,5Ω bij 20 C (aansl. 1 en 5) Weerstand opname element: 4KΩ ± 1,6KΩ bij 20 C (aansl. 2 en 4) 13-11
150 MOTOR F9Q DIESELINSPUITSYSTEEM Gegevens 13 OMSCHRIJVING MERK/TYPE BIJZONDERHEDEN Turbocompressor ALLIED SIGNAL Afstelling: F9Q 750 (turbo met variabele geometrie) 200 mbar bij een slag van de steel tussen 0,5 en 3,5 mm > 600 mbar steel tegen aanslag F9Q 754 (turbo met vaste geometrie) 200 mbar bij een slag van de steel tussen 0,5 en 3,5 mm 400 mbar bij een slag van de steel tussen 10 en 12 mm Koelvloeistofverwarmingselementen - Weerstand: 0,45 ± 0,05 Ω bij 20 C Opname element koelvloeistoftemperatuur ELTH Weerstand: 2252 ± 112Ω bij 25 C 13-12
151 MOTOR F9Q DIESELINSPUITSYSTEEM 13 Bijzonderheden Het "Common Rail" brandstofsysteem met directe hogedruk inspuiting levert de motor op ieder moment de luiste hoeveelheid brandstof. OMSCHRIJVING Het systeem bestaat uit: een lagedrukpomp, tussen de aanzuiging en het brandstoffilter voor de F9Q 754 met de hogedrukpomp CP1, een handpomp, tussen de aanzuiging en het brandstoffilter voor de F9Q 750 met de hogedrukpomp CP3, een brandstoffilter, een hogedrukpomp, een hogedrukpomp met ingebouwde aanzuigpomp ( CP3), een hogedrukregelar op de pomp, (niet demontabel op CP3), een hoofdinspuitbuis met een opname element en een drukbegrenzer voor de brandstofdruk, vier elektromagnetische verstuivers, verschillende opname elementen, een rekeneenheid van het inspuitsysteem. Het is niet toegestaan het inwendige van de hogedrukpomp en van de verstuivers te demonteren. WERKING Het "Common Rail" brandstofsysteem met directe hogedruk inspuiting is een inspuitsysteem met sequentiële inspuiting van dieselbrandstof (afgeleid van de sequentiële multipunt inspuiting van benzinemotoren). Dankzij dit systeem, dat gebruik maakt van een voorinspuiting, maakt de motor minder lawaai, stoot hij minder roet en schadelijke uitlaatgassen uit en levert hij reeds bij lage toerentallen een aanzienlijk koppel. De hogedrukpomp levert brandstof met een hoge druk voor de hoofdinspuitbuis. De hogedrukregelaar op de pomp past deze hoge druk aan aan de wensen van de rekeneenheid. De hoofdinspuitbuis voedt iedere verstuiver via stalen leiding. De rekeneenheid: bepaalt bij welke druk de motor het beste functioneert en stuurt de drukregelaar. Via de informatie die de rekeneenheid ontvangt van het opname element brandstofdruk controleert de rekeneenheid de druk, bepaalt de inspuitduur die nodig is om de juiste hoeveelheid brandstof in te spuiten e het moment waarop met de inspuiting moet worden begonnen, stuurt iedere verstuiver apart elektrisch aan na het bepalen van deze twee waarden. De hoeveelheid ingespoten brandstof is afhankelijk van: de duur van de bekrachtiging van de verstuiver, de snelheid waarmee de verstuiver opent en sluit, de slag van de verstuivernaald (afhankelijk van het type verstuiver), de nominale hydraulische doorlaat van de verstuiver (afhankelijk van het type verstuiver), de druk in de hoofdinspuitbuis (door de rekeneenheid geregeld). BIJ ALLE WERKZAAMHEDEN AAN HET HOGEDRUK INSPUITSYSTEEM MOET U DE VOORSCHRIFTEN INZAKE REINHEID EN VEILIGHEID STIPT OPVOLGEN DIE IN DIT DOCUMENT STAAN
152 MOTOR F9Q DIESELINSPUITSYSTEEM Bijzonderheden 13 CONTROLE NA REPARATIE Motor F9Q 750: Vul het circuit met behulp van de opvoerpomp op de motor. Motor F9Q 754: Op het brandstoffilter, bij de retourleiding die naar de tank gaat, bevindt zich een kraantje. Bij de normale werking moet het open staan. Na een reparatie, na het vervangen van het filter of als de tank leeggereden is geweest, moet het brandstofsysteem weer worden gevuld. Ga hierbij als volgt te werk: sluit het kraantje, zet het contact een paar keer aan zodat de lagedrukpomp in werking komt, start de motor, OPEN HET KRAANTJE (het kraantje staat open als de twee gekleurde strepen in lijn liggen). N.B.: bepaalde uitvoeringen hebben geen kraantje. Let in dat geval niet op deze procedure. Controleer na iedere reparatie of er geen brandstoflekkage is. Laat de motor stationair draaiend tot de koelventilateur inschakelt, en geef een paar keer onbelast gas. BELANGRIJK: brandstof die meer dan 10 % diester bevat is niet geschikt voor deze motor. De maximale brandstofdruk in het systeem is 1350 bar. Controleer voor iedere reparatie of de hoofdinspuitbuis niet meer onder druk staat. Zet alle wartels, bouten en moeren altijd vast met het voorgeschreven aantrekkoppel: van de hogedrukleidingen, van de verstuiver op de cilinderkop, van de drukregelaar, (niet demontabel op F9Q 750 met pomp CP3), van het opname element brandstofdruk. Bij reparatie of uitbouwen van de hogedrukpomp, de verstuivers, de aanvoer- retour- en hogedrukwartels, moeten de openingen altijd direct met schone doppen worden afgesloten zodat er geen vuil kan binnendringen
153 MOTOR F9Q DIESELINSPUITSYSTEEM Bijzonderheden 13 Bij het vervangen van de hogedrukleiding, gaat u op de volgende wijze te werk: bouw de hogedrukleiding uit, plaats de schone afsluitdoppen, draai de hoofdinspuitbuis los, monteer de hogedrukleiding, zet de wartel op de verstuiver met het voorgeschreven koppel vast, zet de wartel aan de hoofdinspuitbuis met het voorgeschreven koppel vast, zet de bevestigingen van de hoofdinspuitbuis met het voorgeschreven koppel vast, zet de leiding tussen pomp en hoofdinspuitbuis met het voorgeschreven koppel vast (eerst op de pomp). LET OP: Het is niet toegestaan het inwendige van de hogedrukpomp te demonteren. Vervang na uitbouwen altijd de retourleiding van de verstuivers. Het opname element brandstoftemperatuur kan niet worden gedemonteerd. Het maakt deel uit van de brandstofretourbuis. Maak hogedrukleidingen nooit los bij draaiende motor. De drukregelaar op motor F9Q 750 met pomp CP3 mag niet worden gedemonteerd
154 MOTOR F9Q DIESELINSPUITSYSTEEM 13 Reinheid STRIKT OP TE VOLGEN VOORSCHRIFTEN VOOR EEN SCHONE WERKOMGEVING BIJ WERKZAAMHEDEN AAN HET HOGEDRUK INSPUITSYSTEEM De gevaren van een vuile omgeving Het hogedruk inspuitsysteem is bijzonder gevoelig voor vuildeeltjes. Door vuil bestaat gevaar voor: onherstelbare beschadigingen aan het hogedruk inspuitsysteem, klemmen of niet goed afdichten van een onderdeel. Bij alle werkzaamheden is een schone werkomgeving van het grootste belang. Door het opvolgen van de voorschriften zal er tijdens demontage geen vuil (deeltjes ter grote van enkele microns zijn al funest) in het systeem of in de leidingen binnendringen. De voorschriften gelden vanaf het filter tot en met de verstuivers. WAARUIT BESTAAN DE SCHADELIJKE VUILDEELTJES? Schadelijke vuildeeltjes zijn: metaaldeeltjes of plasticdeeltjes, lak, vezels: van karton, van kwasten, van papier, van kleding, van doeken. kleine objecten als haren, (vervuilde) omgevingslucht, enz. LET OP: de motor mag niet met een hoge druk spuit worden schoongespoten omdat dit de stekkerverbindingen beschadigt. Bovendien kan het vocht in het stekkerblok achterblijven en storingen veroorzaken. VOORBEREIDINGEN VOORDAT MET DE WERKZAAMHEDEN AAN HET INSPUITSYSTEEM WORDT BEGONNEN Controleer vooraf of het magazijn de doppen op voorraad heeft voor het afsluiten van de te openen aansluitingen. Deze doppen zijn slechts geschikt voor eenmalig gebruik. Na gebruik moet u deze doppen weggooien (goed schoonmaken is niet voldoende). Doppen die u overhoudt, moet u ook weggooien. Controleer of u in het bezit bent van plastic zakken voor het bewaren van onderdelen, die meer malen hermetisch kunnen worden afgesloten. Door onderdelen hierin te bewaren bestaat er minder kans dat zij vuil worden. Deze zakken mogen vervolgens niet meer worden gebruikt en moeten na gebruik worden weggegooid. Controleer of u in het bezit bent van niet-pluizende schoonmaak doekjes (SODICAM).Het is niet toegestaan papier of doeken te gebruiken voor het schoonmaken. Deze gaan pluizen en kunnen het brandstofcircuit vervuilen. De schoonmaakdoekjes zijn slechts geschikt voor eenmalig gebruik
155 MOTOR F9Q DIESELINSPUITSYSTEEM Reinheid 13 VOORBEREIDENDE WERKZAAMHEDEN VOOR HET OPENEN VAN HET BRANDSTOFCIRCUIT Gebruik bij elke ingreep nieuw oplosmiddel (reeds gebruikt oplosmiddel bevat vuildeeltjes). Giet dit in een schone bak. Gebruik bij elke ingreep een nieuw en in goede staat verkerend penseel/borsteltje (dit mag geen haren verliezen). Maak de te openen aansluitingen met een kwastje met oplosmiddel schoon. Blaas gereedschap, werkblad en onderdelen, wartels en omgeving van het inspuitsysteem droog met perslucht. Let op dat er geen haartjes van de kwast achterblijven. Was uw handen voor en indien nodig tijdens de werkzaamheden. Trek rubber handschoenen aan over leren werkhandschoenen (SODICAM). VOORSCHRIFTEN TIJDENS DE WERKZAAMHEDEN Na het openen van het circuit moeten de openingen, waardoor vuil kan binnendringen, meteen met doppen worden afgesloten. De doppen zijn verkrijgbaar in het magazijn. Zij mogen beslist niet opnieuw worden gebruikt. Sluit de te gebruiken plastic opbergzakken altijd hermetisch af, zelfs indien u hem even later weer moet openmaken. Ook de omgevingslucht kan verontreinigen. Uitgebouwde onderdelen moeten, na met doppen te zijn afgesloten, in de hiervoor bestemde hermetisch afsluitbare plastic zakken worden opgeborgen. Na het openen van het circuit is het streng verboden penseel/borstel, oplosmiddel, perslucht of doeken te gebruiken. Hierdoor kunnen vuildeeltjes in het circuit komen. Indien een nieuw onderdeel wordt gemonteerd, haal dit dan pas op het allerlaatste moment uit de verpakking
156 DIESELINSPUITSYSTEEM Reinheid
157 DIESELINSPUITSYSTEEM 13 Plaats van de organen Handpom (alleen F9Q 750). Elektroklep turbodrukregeling. Opname element cilinderherkenning. Elektromagnetische verstuiver. Elektroklep van het afslagsysteem. Vacuümpreservoir van het afslagsysteem. Smoorklep. Balg van smoorklep. Rekeneenheid van het inspuitsysteem Doorstroommeter met ingebouwd opname element luchttemperatuur. opname element turbodruk. Drukbegrenzer. Opname element brandstoftemperatuur (alleen F9Q 750) Opname element druk hoofdinspuitbuis Brandstofdrukregelaar. Hogedrukpomp. Brandstoffilter
158 DIESELINSPUITSYSTEEM Plaats van de organen Hogedrukpomp Hoofdinspuitbuis Verstuiver Drukregelaar Opname element druk Koelvloeistoftemperatuurzender Drukbegrenzer 13-20
159 DIESELINSPUITSYSTEEM Plaats van de organen Doorstroommeter met opname element luchttemperatuur EGR-elektroklep Opname element turbodruk Opname element nokkenas Turbocompressor Voorkatalysator 13 Voorverwarmingsrekeneenheid 13-21
160 DIESELINSPUITSYSTEEM Plaats van de organen Vacuümreservoir van de smoorklep Smoorklep Balg van smoorklep
161 MOTOR F9Q DIESELINSPUITSYSTEEM 13 Waarschuwingslampje inspuitsysteem Auto's met common rail hogedruk inspuiting hebben twee waarschuwingslampjes voor het inspuitsysteem op een eenvoudig instrumentenpaneel en vier waarschuwingssymbolen voor het inspuitsysteem bij een instrumentenpaneel met een inforscherm. Deze waarschuwingen zijn actief tijdens de voorverwarming en tijdens een storing aan het inspuitsysteem (of als te motor te warm is). Bij een instrumentenpaneel met een inforscherm, heeft iedere waarschuwing zijn eigen symbool. WERKINGSPRINCIPE VAN DE LAMPJES Bij het aanzetten van het contact, brandt het voorverwarmingslampje tijdens de voorverwarmingsfase en gaat daarna uit (zie hoofdstuk 13 "Regeling voor- en naverwarming"). Bij een storing in het inspuitsysteem (zwaarte 1), brandt het lampje "storing" (hetzelfde als het voorverwarmingslampje bij een eenvoudig instrumentenpaneel) vast en moet de klant een Renault-dealer raadplegen. Deze storingen zijn: interne storing in de rekeneenheid, storing startvergrendeling storing opname element vliegwiel (de motor start niet), opname element gaspedaal, storing luchtdoorstroommeter, storing opname element snelheid (zie ABS), storing EGR-klep, storing elektroklep turbodrukregeling, storing samenhang opname element vliegwiel en opname element nokkenas, Bij een ernstige storing in het inspuitsysteem (zwaart 2), brandt het waarschuwingslampje met het motorsymbool met de melding "stop" knipperend en meot de motor direct stilgezet worden. Deze storingen zijn: interne storing in de rekeneenheid, storing verstuiver, storing voedingsspanning van de rekeneenheid, storing opname element brandstofdruk hoofdinspuitbuis (CP3), storing brandstofdrukregelaar, storing samenhang opname element vliegwiel en opname element nokkenas, Als de motor te heet is geworden, brandt het lampje met het motorsymbool met de melding stop vast bij een eenvoudig instrumentenpaneel en met leesbare waarschuwing bij een instrumentenpaneel met een infoscherm. N.B.: het lampje OBD (On Board Diagnostic) (gesymboliseerd door een motor), brandt even bij het aanzetten van het contact, brandt nooit bij draaiende motor
162 DIESELINSPUITSYSTEEM 13 Startvergrendeling De auto heeft een startvergrendeling van de 3 e generatie waardoor er een speciale methode vereist is voor het vervangen van de rekeneenheid. VERVANGEN VAN DE REKENEENHEID INSPUITING Zie hoofdstuk 17 Inspuitsysteem "Rekeneenheid" voor de methode voor het uitbouwen-inbouwen van de rekeneenheid. Zie hoofdstuk 82 "Startvergrendeling" voor het inlezen van de startvergrendelingscode. LET OP: Bij dit type startvergrendeling blijft de rekeneenheid levenslang gecodeerd. Ook heeft dit systeem geen noodcode. Het is daarom verboden tests uit te voeren met een uit een andere auto of uit het magazijn geleende rekeneenheid. Deze kunnen niet meer worden gedecodeerd
163 DIESELINSPUITSYSTEEM 13 Strategie inspuitsysteem / airconditioning VERBINDING REKENEENHEID INSPUITSYSTEEM / REKENEENHEID AIRCONDITIONING De aircocompressor heeft een variabele cilinderinhoud De rekeneenheid van de airconditioning en de rekeneenheid van het inspuitsysteem zijn via het multiplexnetwerk met elkaar verbonden: Het inschakelen van de functie "Airconditioning" heeft geen invloed op het stationair toerental. STRATEGIE VOOR HET STUREN VAN DE COMPRESSOR Onder bepaalde werkomstandigheden, kan de rekeneenheid van het inspuitsysteem middels de rekeneenheid van de airconditioning, het inschakelen van de aircocompressor tegengaan. Strategie bij het starten van de motor De aircocompressor wordt de eerste 5 secondes na het starten van de motor niet ingeschakeld. Behoud van vermogen Bij het diep indrukken van het gaspedaal en als het toerental van de motor lager is dan 3000 tr/min, dan wordt de werking van de compressor onderbroken gedurende 5 secondes. Bij wegrijden met veel gas Als de waarde van het opname element gaspedaal hoger is dan 50 %, als het toerental van de motor minder is dan 2250 tr/min. en als de snelheid minder is dan 20 km/u, dan wordt de werking van de compressor onderbroken gedurende 5 secondes. Beveiliging tegen afslaan Als het gaspedaal is ingedrukt, en als het motortoerental minder is dan 675 tr/min., wordt de compressor ontkoppeld. Hij wordt weer aangekoppeld na 5 secondes als het toerental oploopt. Strategie tegen oververhitting Het koppelen van de airco-compressor wordt niet vrijgegeven bij koelvloeistoftemperaturen boven 112 C
164 DIESELINSPUITSYSTEEM 13 Correctie stationair toerental STATIONAIR TOERENTALCORRECTIE AFHANKELIJK VAN DE KOELVLOEISTOFTEMPERATUUR CORRECTIE VAN HET STATIONAIR TOERENTAL BIJ EEN STORING AAN HET OPNAME ELEMENT GASPEDAAL Als het opname element gaspedaal defect is, wordt het stationair toerental vastgehouden op 1200 tr/min. Als de informatie van het opname element gaspedaal niet samenhangt met de informatie van het rempedaalcontact, wordt het toerental gebracht op 1250 tr/min. CORRECTIE VAN HET GAS LOS TOERENTAL AFHANKELIJK VAN DE VERSNELLING Het minimum toerental bij gas los is afhankelijk van de ingeschakelde versnelling: in de 1 e, 2 e en 3 e versnelling, is het toerental 840 tr/min. in de andere versnellingen is het toerental 870 tr/min
165 DIESELINSPUITSYSTEEM 13 Regeling voor/naverwarming De werking van de voor- en naverwarming wordt geregeld door de voorverwarmingsrekeneenheid. WERKINGSPRINCIPE VOOR- EN NAVERWARMING 1) Bij aanzetten contact "Voorverwarming" a) Variabele voorverwarming De duur van de voeding van de voorverwarmingsstiften en het bijbehorende controlelampje is afhankelijk van de koelvloeistoftemperatuur en de accuspanning. 2) Tijdens het starten Tijdens het starten blijven de voorverwarmingsstiften bekrachtigd. 3) Bij draaiende motor "Naverwarming" Afhankelijk van de koelvloeistoftemperatuur worden de voorverwarmingsstiften continu bekrachtigd na het starten. tijd (s) Voor een stationair toerental bij gas los. Het lampje brandt nooit langer dan 15 secondes. Koelvloeistoftemperatuur C b) Vaste voorverwarming Na het uitgaan van het lampje voor de voorverwarming blijven de voorverwarmingsstiften gedurende 10 secondes bekrachtigd
166 MOTOR F9Q DIESELINSPUITSYSTEEM 13 Snelheidsregelaar / -begrenzer ALGEMEEN De snelheidsregelaar: zorgt ervoor dat de door de bestuurder ingestelde snelheid wordt vastgehouden. Deze functie kan op ieder moment worden uitgeschakeld door een druk op het rempedaal, koppelingspedaal of door een van de toetsen van het systeem. De snelheidsbegrenzer: geeft de bestuurder de mogelijkheid een maximum snelheid in te stellen. Voorbij deze snelheid is het gaspedaal niet actief. De ingestelde maximum snelheid kan altijd worden overschreden als het gaspedaal wordt ingedrukt voorbij een zwaar punt. Een controlelampje op het instrumentenpaneel informeert de bestuurder over de staat van de snelheidsregelaar/begrenzer: Groen lampje: regelaar ingeschakeld Oranje lampje: begrenzer ingeschakeld Knipperend lampje: de ingestelde snelheid kan nniet worden vastgehouden (bijvoorbeeld tijdens een afdaling) De rekeneenheid van het inspuitsysteem stuurt naar het multiplexnetwerk: de ingestelde snelheid (regeling of begrenzing) voor het instrumentenpaneel, het branden van het lampje (oranje, groen of knipperend) de informatie voor het overschakelen van de versnellingsbak (afhankelijk van de uitvoering). De rekeneenheid van het inspuitsysteem ontvangt: de informaties van het gaspedaal de informatie van het rempedaalcontact de informatie van het koppelingspedaalcontact de informaties van de aan / uit schakelaar de informaties van de stuurwieltoetsen de informaties van de ABS-rekeneenheid de informaties van de rekeneenheid van de automatische transmissie Met deze informaties, stuurt de rekeneenheid van het inspuitsysteem de elektromagnetische verstuivers aan, om de ingestelde snelheid vast te houden (regelaar), en en om niet sneller te rijden dan de maximum snelheid (begrenzer). Voor het besturen van deze functies, ontvangt de rekeneenheid van het inspuitsysteem op aansluiting: AF2: Aan / uit snelheidsbegrenzer AD2: Aan / uit snelheidsregelaar AB2: Signaal stuurwieltoets AA2: Massa stuurwieltoets AF3: Ingang remlichtschakelaar openen AE2: Ingang koppelingscontact (afhankelijk van de uitvoering) AE1: Voeding opname element gaspedaal (baan 1) AH2: Voeding opname element gaspedaal (baan 2) AB3: Massa opname element gaspedaal (baan 1) AA3: Massa opname element gaspedaal (baan 2) AC1: Signaal opname element gaspedaal (baan 1) AF1: Signaal opname element gaspedaal (baan 2) AA4: Multiplexsignaal CAN L1 (interieur) AB4: Multiplexsignaal CAN H1 (interieur) De informatie die de rekeneenheid van het inspuitsysteem ontvangt op het multiplexnetwerk zijn: de rijsnelheid (ABS) het signaal remlichtschakelaar sluiten (ABS) de ingeschakelde versnelling 13-28
167 MOTOR F9Q DIESELINSPUITSYSTEEM Snelheidsregelaar / -begrenzer 13 WERKING VAN DE SNELHEIDSREGELAAR WERKING VAN DE SNELHEIDSBEGRENZER Beginvoorwaarden: schakelaar op "snelheidsregelaar" versnellingsbak in > 2 e versnelling rijsnelheid > 30 km/ lampje regelaar brandt (groen) druk op toets "+", "-" of "resume" Beginvoorwaarden: schakelaar op "snelheidsbegrenzer" versnellingsbak in > 2 e versnelling rijsnelheid > 30 km/ lampje regelaar brandt (oranje) druk op toets "+", "-" of "resume" Eindvoorwaarden: indrukken van het gaspedaal (schakelt de functie niet uit) druk op rempedaal of koppelingspedaal druk op toets "0" schakelaar op "uit" geen versnelling ingeschakeld ingreep door het elektronisch stabiliteits programma (ESP) ingreep door de rekeneenheid van het inspuitsysteem Eindvoorwaarden: druk op het gaspedaal voorbij het zware punt (schakelt de functie niet uit) schakelaar op "uit" druk op toets "0" ingreep door het elektronisch stabiliteits programma (ESP) ingreep door de rekeneenheid van het inspuitsysteem. N.B.: als de ingestelde snelheid knippert kan deze niet worden vastgehouden. Noodprogramma Bij een storing in een van de componenten, kan de snelheidsregelaar/begrenzer niet werken
168 DIESELINSPUITSYSTEEM 13 Voorverwarmingsstiften De weerstand van een voorverwarmingsstift is 0,6 Ω. AANTREKKOPPELS (in dan.m) Voorverwarmingsstift 1,5 Voor het uitbouwen van een voorverwarmingsstift hoeft het hogedrukcircuit niet te worden geopend. UITBOUWEN Maak de stekker los van de voorverwarmingsstift. Maak de omgeving van de stift schoon zodat er geen vuil in de cilinder terecht kan komen. Draai de stift los en bouw hem uit. Zet de stift van cilinder nummer 4 los met een lange radiodop van 10 mm met een universeel kniegewricht. Als de bougie het eerste stuk is losgedraaid, schuift u er een slang overheen om de stift het laatste stuk los te draaien. INBOUWEN Ga te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen
169 DIESELINSPUITSYSTEEM 13 Koelvloeistofverwarmingselementen De vier verwarmingselementen bevinden zich op een koelvloeistofhuis onder het spruitstuk, ter hoogte van de verbinding tussen motor en versnellingsbak. Dit systeem wordt gebruikt voor het op temperatuur brengen van de koelvloeistof. De verwarmingselementen worden via drie relais met 12 volt bekrachtigd. Een relais stuurt twee koelvloeistofverwarmingselementen, de twee andere relais sturen elk een koelvloeistofverwarmingselement aan. Op deze manier is het mogelijk een, twee, drie of vier verwarmingselementen aan te sturen. De weerstand van de koelvloeistofverwarmingselementen is: 0,45 ± 0,05 Ω bij 20 C. Werking Als de verwarmingselementen zijn ingeschakeld, wordt het stationair toerental gebracht op 935 tr/min. De verwarmingselementen zijn uitgeschakeld bij: voorverwarming, naverwarming, ingeschakelde voorruitverwarming, een motortoerental van minder dan 600 tr/min. Als aan deze voorwaarden is voldaan bepalen de luchttemperatuur en de koelvloeistoftemperatuur het programma voor het bekrachtigen van de verwarmingselementen. Niet grijze zone: verwarmingselement uit Grijze zone: verwarmingselement aan 13-31
170 DIESELINSPUITSYSTEEM Koelvloeistofverwarmingselementen 13 Als de accuspanning > 13 volt zo niet dan Geen voeding verwarmingselementen Voeding van een verwarmingselement Als na 20 secondes de accuspanning > 13 volt zo niet dan Geen voeding verwarmingselementen Voeding van twee verwarmingselementen Als na 20 secondes de accuspanning > 13 volt zo niet dan Geen voeding verwarmingselementen Voeding van twee verwarmingselementen Als na 20 secondes de accuspanning > 13 volt zo niet dan Geen voeding verwarmingselementen Voeding van vier verwarmingselementen zolang de accuspanning > 13 volt en zolang nog niet aan de eerder genoemde omstandigheden wordt voldaan 13-32
171 MOTOR F9Q 754 DIESELINSPUITSYSTEEM 13 Lagedrukpomp (opvoerpomp) De opvoerpomp is een elektrische pomp die in de motorruimte is geplaatst. UITBOUWEN HOUD U STIPT AAN DE VOORSCHRIFTEN INZAKE EEN SCHONE WERKOMGEVING LET OP: denk aan de in de leidingen aanwezige brandstof en restdruk. BELANGRIJK: Op het brandstoffilter, bij de retourleiding naar de tank, bevindt zich een kraantje (R). Bij de normale werking moet het open staan. Na een reparatie, na het vervangen van het filter of als de tank leeggereden is geweest, moet het brandstofsysteem weer worden gevuld. Ga hierbij als volgt te werk: sluit het kraantje (R), zet het contact een paar keer aan zodat de lagedrukpomp in werking komt, start de motor, OPEN HET KRAANTJE (het kraantje staat open als de twee gekleurde strepen in lijn liggen). N.B.: bepaalde uitvoeringen hebben geen kraantje. Let in dat geval niet op deze procedure
172 MOTOR F9Q 754 DIESELINSPUITSYSTEEM 13 Brandstoffilter Het brandstoffilter is in de motorruimte geplaatst. Het filter bevindt zich in een patroon dat niet gedemonteerd kan worden. Dit patroon bevat een regelklep die de brandstofdoorlaat naar de motor begrenst. Om het brandstoffilter te vervangen, moet u het geheel vervangen. UITBOUWEN HOUD U STIPT AAN DE VOORSCHRIFTEN INZAKE EEN SCHONE WERKOMGEVING LET OP: denk aan de in de leidingen aanwezige brandstof en restdruk. Maak op het filter de leidingen los: van de aanvoer naar de motor (1), afkomstig van de brandstoftank (2) (lagedrukpomp), van de retour naar de tank (3) via het kraantje (afhankelijk van de uitvoering), van de retour van de motor (4), van de retour naar de tank via de warmtewisselaar (5). INBOUWEN Let op de juiste aansluiting van de leidingen op het filter. Let op dat u de leidingen niet beschadigt of dichtknijpt. BELANGRIJK: Op het brandstoffilter, bij de retourleiding naar de tank, bevindt zich een kraantje (R). Bij de normale werking moet het open staan. Na een reparatie, na het vervangen van het filter of als de tank leeggereden is geweest, moet het brandstofsysteem weer worden gevuld. Ga hierbij als volgt te werk: sluit het kraantje (R), zet het contact een paar keer aan zodat de lagedrukpomp in werking komt, start de motor, OPEN HET KRAANTJE (het kraantje staat open als de twee gekleurde strepen in lijn liggen). Het water dat zich in het filter verzamelt, moet regelmatig worden afgetapt via de aftapplug (6). N.B.: bepaalde uitvoeringen hebben geen kraantje. Let in dat geval niet op de ontluchtingsprocedure
173 MOTOR F9Q 750 DIESELINSPUITSYSTEEM Brandstoffilter 13 Het brandstoffilter is in de motorruimte geplaatst. Het filter bevindt zich in een patroon dat gedemonteerd kan worden. Dit patroon bevat een bransdstofverwarmingselement Om het brandstoffilter te vervangen, moet u het geheel uitbouwen. UITBOUWEN HOUD U STIPT AAN DE VOORSCHRIFTEN INZAKE EEN SCHONE WERKOMGEVING Noteer de stand van het deksel van het patroon ten opzichte van het huis van het patroon. Verwijder de bout (4) en het filterelement. LET OP: nk aan de in de leidingen aanwezige brandstof en restdruk. Maak op het filter los: de stekker van de brandstofverwarming (1), de aanvoerslang naar de motor (2), de slang (3) vanaf de tank, Bouw het filter uit door het los te maken van zijn steun. INBOUWEN Let op de juiste aansluiting van de leidingen op het filter. Let op dat u de leidingen niet beschadigt of dichtknijpt. BELANGRIJK: Vul het circuit met behulp van de opvoerpomp op de motor. Het water dat zich in het filter verzamelt, moet regelmatig worden afgetapt via de aftapplug (5)
174 MOTOR F9Q 754 DIESELINSPUITSYSTEEM 13 Controle brandstofdruk en -opbrengst De brandstofdruk in het lagedrukcircuit kan worden gecontroleerd. Deze lagedruk wordt geleverd door de elektrische opvoerpomp onder het brandstoffilter en gaat naar de hogedrukpomp. ONMISBAAR SPECIAAL GEREEDSCHAP Mot of Manometer Mot Mot Wartel voor het meten van de druk ONMISBAAR MATERIAAL Maatbeker 2000 ml CONTROLE VAN DE LAGE DRUK (OPVOERPOMP) Plaats het "T-stuk" van Mot , zodat u de controlemanometer Mot of Mot op de uitgang (S) van het brandstoffilter of op de ingang van de hogedrukpomp. Laat de lagedrukpomp draaien via het diagnoseapparaat of door de pomp rechtstreeks te voeden door het contact aan te zetten (bij het aanzetten van het contact gaat de lagedrukpomp telkens 30 secondesdraaien). Lees de druk af, deze moet tussen 2,5 en 4 bar zijn. CONTROLE VAN DE POMPOPBRENGST (OPVOERPOMP) Laat de slang van de pomp uitmonden in de maatbeker 2000 ml. Zet het contact aan zodat de pomp gaat draaien. De pomp draait 30 secondes als de motor niet wordt gestart. de opbrengst moet minstens 80 tot 100 liter/uur (1,5 liter/minuut) zijn. LET OP: Het is niet toegestaan de druk van de hogedrukpomp te meten
175 DIESELINSPUITSYSTEEM 13 Hogedrukpomp HET IS NIET TOEGESTAAN HET INWENDIGE VAN DE POMP TE DEMONTEREN ONMISBAAR SPECIAAL GEREEDSCHAP Mot Mot Mot Mot Mot Mot BDP-stift Steungereedschap poelie/pomp Uitbouwgereedschap voor de hogedrukleidingen Motorsteungereedschap Poelietrekker Adapter voor de trekker voor motortype F9Q ONMISBAAR MATERIAAL "Lichte" momentsleutel Voor inspuitpomp CP3 AANTREKKOPPEL (in dan.m en/of ) Hogedrukleiding 2,5 ± 0,2 Bevestiging hogedrukpomp 3±0,3 Moer van de poelie van de hogedrukpomp 1,5 daarna 60±10 Bouten achterste pompsteun 3±0,3 Bevestigingsbouten hoofdinspuitbuis 2,2±0,2 Voor inspuitpomp CP1 AANTREKKOPPELS (in dan.m) Hogedrukleiding 2,5±0,2 Bevestiging hogedrukpomp 3,2±0,3 Moer van de poelie van de hogedrukpomp 5±0,5 Bout pendelkap 6,2±1 Bout reactiestang 15 LET OP: voor iedere reparatie, sluit u het diagnoseapparaat aan en opent u de communicatie met de rekeneenheid van het inspuitsysteem en controleert u of er geen druk meer is in de hoofdinspuitbuis. Houd rekening met de temperatuur van de brandstof
176 DIESELINSPUITSYSTEEM Hogedrukpomp 13 UITBOUWEN HOUD U STIPT AAN DE VOORSCHRIFTEN INZAKE EEN SCHONE WERKOMGEVING Maak de massakabel van de accu los. Plaats het steungereedschap Mot op de motor. Zet de motor in het BDP met behulp van de stift Mot Bouw uit: het rechter voorwiel en de spatplaat in de wielkuip, de pendelophanging, het distributiedeksel, de hogedrukslang met Mot de hoofdinspuitbuis. Sluit de openingen af met schone doppen. Maak de brandstofretour op de pomp los en sluit de openingen af met schone doppen. Verwijder de achterste pompsteun
177 DIESELINSPUITSYSTEEM Hogedrukpomp 13 Plaats Mot op de poelie. Zet de moer van de poelie van de hogedrukpomp los Plaats de trekker Mot met de adapter Mot op de pomppoelie en maak het geheel los. Houd de bouten (1) tegen en verwijder de moeren
178 DIESELINSPUITSYSTEEM Hogedrukpomp 13 INBOUWEN Ga bij het inbouwen te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. N.B.: let op dat u de hogedrukleidingen spanningsvrij monteert. Draai de moeren van de hogedrukleidingen met de hand vast op de pomp en de verstuiver en daarna op de hoofdinspuitbuis. Zet ze vervolgens in dezelfde volgorde met de voorgeschreven aantrekkoppels vast. Zet de hoofdinspuitbuis vast. De brandstofretourleiding (2) moet na iedere demontage worden vervangen. Plaats: de pendelophanging (zie de methode in hoofdstuk 19). de achterste pompsteun (1). Zet eerst de bouten op de cilinderkop vast en daarna die op de hoofdinspuitbuis. Voor inspuitpomp CP3: Vul het brandstofcircuit met behulp van het handpompje (peer). Na iedere reparatie, controleert u of er geen brandstoflekkage is. Laat de motor stationair draaiend tot de koelventilateur inschakelt, en geef een paar keer onbelast gas
179 DIESELINSPUITSYSTEEM Hogedrukpomp 13 Voor inspuitpomp CP1 Vul en ontlucht het circuit: sluit het kraantje (R), zet het contact een paar keer aan zodat de lagedrukpomp in werking komt, start de motor, OPEN HET KRAANTJE (R) (het kraantje staat open als de twee gekleurde strepen in lijn liggen). N.B.: bepaalde uitvoeringen hebben geen kraantje. Let in dat geval niet op de ontluchtingsprocedure. Na iedere reparatie, controleert u of er geen brandstoflekkage is. Laat de motor stationair draaien tot de koelventilateur inschakelt, en geef een paar keer onbelast gas
180 DIESELINSPUITSYSTEEM 13 Hoofdinspuitbuis ONMISBAAR SPECIAAL GEREEDSCHAP Mot Uitbouwgereedschap voor de hogedrukleidingen ONMISBAAR MATERIAAL "Lichte" momentsleutel AANTREKKOPPELS (in dan.m) Moer van hogedrukleidingen 2,5±0,2 Bevestigingsbouten hoofdinspuitbuis 2,2±0,2 Opname element druk. 3,5±0,2 LET OP: voor iedere reparatie, sluit u het diagnoseapparaat aan en opent u de communicatie met de rekeneenheid van het inspuitsysteem en controleert u of er geen druk meer is in de hoofdinspuitbuis. Houd rekening met de temperatuur van de brandstof
181 DIESELINSPUITSYSTEEM Hoofdinspuitbuis 13 UITBOUWEN HOUD U STIPT AAN DE VOORSCHRIFTEN INZAKE EEN SCHONE WERKOMGEVING Maak los: de accu, het opname element brandstofdruk (1), de verstuivers (2), het opname element nokkenas. Draai de hogedrukleidingen los en bouw ze uit. Sluit de openingen af met schone doppen. Bouw de hoofdinspuitbuis (3) voorzichtig uit
182 DIESELINSPUITSYSTEEM Hoofdinspuitbuis 13 INBOUWEN Plaats de hoofdinspuitbuis en zet de bevestigingsbouten met de hand vast (de hoofdinspuitbuis moet nog te bewegen zijn). Zet alle hogedrukleidingen met de hand vast (bij de verstuiver, de pomp en daarna de hoofdinspuitbuis). Zet alle wartels van de hogedrukleidingen vast (bij de verstuiver (1), de pomp (4) en daarna de hoofdinspuitbuis (2). Zet de bouten van de hoofdinspuitbuis vast (3). N.B.: vervang na uitbouwen altijd de retourleiding (5) van de verstuivers. Vul het brandstofcircuit met behulp van het handpompje (peer). Na iedere reparatie, controleert u of er geen brandstoflekkage is. Laat de motor stationair draaiend tot de koelventilateur inschakelt, en geef een paar keer onbelast gas
183 DIESELINSPUITSYSTEEM Hoofdinspuitbuis 13 Voor inspuitpomp CP1 Vul en ontlucht het circuit: sluit het kraantje (R), zet het contact een paar keer aan zodat de lagedrukpomp in werking komt, start de motor, OPEN HET KRAANTJE (R) (het kraantje staat open als de twee gekleurde strepen in lijn liggen). N.B.: bepaalde uitvoeringen hebben geen kraantje. Let in dat geval niet op de ontluchtingsprocedure. Na iedere reparatie, controleert u of er geen brandstoflekkage is. Laat de motor stationair draaiend tot de koelventilateur inschakelt, en geef een paar keer onbelast gas
184 DIESELINSPUITSYSTEEM 13 Verstuivers HET DEMONTEREN VAN HET INWENDIGE VAN EEN VERSTUIVER OF HET SCHEIDEN VAN DE VERSTUIVERHOUDER VAN DE BUIS IS NIET TOEGESTAAN. ONMISBAAR SPECIAAL GEREEDSCHAP Mot Uitbouwgereedschap voor de hogedrukleidingen AANTREKKOPPELS (in dan.m) Bout verstuiverbevestigingsbeugel 2,5±0,2 Moeren van hogedrukleidingen 2,5±0,5 LET OP: voor iedere reparatie, sluit u het diagnoseapparaat aan en opent u de communicatie met de rekeneenheid van het inspuitsysteem en controleert u of er geen druk meer is in de hoofdinspuitbuis. Houd rekening met de temperatuur van de brandstof
185 DIESELINSPUITSYSTEEM Verstuivers 13 UITBOUWEN HOUD U STIPT AAN DE VOORSCHRIFTEN INZAKE EEN SCHONE WERKOMGEVING N.B: de verstuivers kunnen afzonderlijk worden vervangen. Bouw de hogedrukleidingen uit met Mot Sluit de openingen af met schone doppen. Bouw uit: de bevestigingsbeugel van de verstuiver, de verstuiver, de hittewerende ring. REINIGEN Maak de verstuiver NOOIT schoon met behulp van: een metalen borstel, schuurpapier, een ultrasoon trilapparaat. Reinig de verstuiver door hem in een ontvetter schoon te weken en daarna met een niet-pluizende doek af te vegen
186 DIESELINSPUITSYSTEEM Verstuivers 13 INBOUWEN Vervang de ring onder de verstuiver. N.B.: let op een spanningsvrije montage van de hogedrukleiding. Zet de hoofdinspuitbuis los. Plaats: de verstuiver, de brandstofretourleiding (1)
187 DIESELINSPUITSYSTEEM Verstuivers 13 Plaats de hogedrukleiding. Zet vast met het voorgeschreven aantrekkoppel: de verstuiver (1), de wartel op de verstuiver, en daarna op de hoofdinspuitbuis, de hoofdinspuitbuis (2). N.B.: vervang na uitbouwen altijd de retourleiding van de verstuivers. Na iedere reparatie, controleert u of er geen brandstoflekkage is. Laat de motor stationair draaiend tot de koelventilateur inschakelt, en geef een paar keer onbelast gas
188 DIESELINSPUITSYSTEEM 13 Opname element druk AANTREKKOPPELS (in dan.m) Opname element druk. 3,5±0,5 LET OP: voor iedere reparatie, sluit u het diagnoseapparaat aan en opent u de communicatie met de rekeneenheid van het inspuitsysteem en controleert u of er geen druk meer is in de hoofdinspuitbuis. Houd rekening met de temperatuur van de brandstof. OPNAME ELEMENT DRUK (1) HOUD U STIPT AAN DE VOORSCHRIFTEN INZAKE EEN SCHONE WERKOMGEVING UITBOUWEN Maak de massakabel van de accu los. Maak de stekker van het opname element druk los. Schroef het opname element druk los. INBOUWEN Vervang de afdichting. Zet het opname element met het voorgeschreven aantrekkoppel vast. Sluit de stekker aan. Na iedere reparatie, controleert u of er geen brandstoflekkage is. Laat de motor stationair draaiend tot de koelventilateur inschakelt, en geef een paar keer onbelast gas
189 DIESELINSPUITSYSTEEM 13 Drukregelaar LET OP: DE DRUKREGELAAR OP POMP CP3 MAG NIET WORDEN GEDEMONTEERD AANTREKKOPPELS (in dan.m) Bout van drukregelaar 0,9±0,1 LET OP: voor iedere reparatie, sluit u het diagnoseapparaat aan en opent u de communicatie met de rekeneenheid van het inspuitsysteem en controleert u of er geen druk meer is in de hoofdinspuitbuis. Houd rekening met de temperatuur van de brandstof. DRUKREGELAAR HOUD U STIPT AAN DE VOORSCHRIFTEN INZAKE EEN SCHONE WERKOMGEVING UITBOUWEN Maak de massakabel van de accu los. Maak de stekker van drukregelaar los. Verwijder de bevestigingsbeugel van het opname element brandstoftemperatuur. Draai de bevestigingsbouten van de drukregelaar los. Draai de drukregelaar linksom los (probeer niet de drukregelaar met behulp van een hefboom los te maken van de pomp). INBOUWEN Vervang de afdichtingen. Maak alle afdichtingen vochtig met dieselolie. Draai de drukregelaar rechtsom vast (probeer niet de drukregelaar met behulp van gereedschap op zijn plaats te krijgen). Zet de bevestigingsbouten met de hand vast en daarna met het voorgeschreven aantrekkoppel. Sluit de stekker aan. Na iedere reparatie, controleert u of er geen brandstoflekkage is. Laat de motor stationair draaiend tot de koelventilateur inschakelt, en geef een paar keer onbelast gas
190 MOTOR F9Q DIESELINSPUITSYSTEEM 13 Opname element gaspedaal ALGEMEEN Het opname element gaspedaal vormt een geheel met het pedaal. Bij vervanging ervan moet ook het gaspedaal worden vervangen. Er zij twee types pedaal: met of zonder "zwaar punt". Auto's met een snelheidsregelaar / snelheidsbegrenzer, hebben een gaspedaal met een zwaar punt aan het einde van de slag (Kick-down). Met dit punt kan de begrenzerfunctie worden uitgeschakeld als de bestuurder sneller moet rijden. LET OP: een pedaal met een zwaar punt kan gemonteerd worden in plaats van een pedaal zonder een zwaar punt. Het ie echter niet toegestaan een pedaal zonder een zwaar punt te monteren in plaats van een pedaal met een zwaar punt. INBOUWEN Ga te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. Aansluitingen 1: 2: 3: 4: 5: 6: Massa baan 2 Massa baan 1 Signaal baan 1 Voeding baan 1 Voeding baan 2 Signaal baan 2 UITBOUWEN Maak de massakabel van de accu los. Maak de stekker (1) los van het gaspedaal. Bouw uit: de drie bevestigingsbouten (2) van het pedaal, het pedaal. N.B.: een storing in het opname element gaspedaal veroorzaakt een verandering in het stationair toerental of in de werking van de motor (zie hoofdstuk 13 "Stationair toerentalcorrectie")
191 DIESELINSPUITSYSTEEM 13 Centrale koelvloeistoftemperatuurregeling WERKING De rekeneenheid stuurt afhankelijk van de temperatuur van de koelvloeistof: het inspuitsysteem, de relais van de koelventilateur: de koelventilateur wordt met de lage snelheid aangestuurd als de koelvloeistof warmer is dan 99 C en wordt weer uitgeschakeld zodra de temperatuur onder 96 C zakt, de koelventilateur wordt met de hoge snelheid aangestuurd als de koelvloeistof warmer is dan 102 C en wordt weer uitgeschakeld zodra de temperatuur onder 99 C zakt, de koelventilateur kan worden aangestuurd voor de airconditioning. WAARSCHUWINGSLAMPJE KOELVLOEISTOFTEMPERATUUR (gemeenschappelijk met het waarschuwingslampje inspuitsysteem) 244 Koelvloeistoftemperatuurzender voor instrumentenpaneel en inspuitsysteem. Opname element met 3 aansluitingen: 2 voor de koelvloeistoftemperatuur informatie en 1 voor de meter op het instrumentenpaneel. Het waarschuwingslampje koelvloeistoftemperatuur wordt door de rekeneenheid aangestuurd. Het wordt aangestuurd als de koelvloeistof warmer is dan 120 C. Bij dit systeem wordt de werking van de koelventilateur geregeld door de rekeneenheid van het inspuitsysteem. Het systeem is voorzien van een enkele koelvloeistoftemperatuurzender voor het inspuitsysteem, de koelventilateur en het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel
192 DIESELINSPUITSYSTEEM 13 Rekeneenheid AANSLUITINGEN STEKKER A H2 F1 F3 E1 E2 C1 C3 B3 A3 A4 B4 A2 B2 D2 F VOEDING OPNAME ELEMENT GASPEDAAL (BAAN 2) INGANG OPNAME ELEMENT GASPEDAAL (BAAN 2) INGANG REMLICHTSCHAKELAAR VOEDING OPNAME ELEMENT GASPEDAAL (BAAN 1) INGANG KOPPELINGSCONTACT INGANG OPNAME ELEMENT GASPEDAAL (BAAN 1) DIAGNOSESIGNAAL MASSA OPNAME ELEMENT GASPEDAAL (BAAN 1) MASSA OPNAME ELEMENT GASPEDAAL (BAAN 2) MULTIPLEXVERBINDING CAN L (INTERIEUR) MULTIPLEXVERBINDING CAN H (INTERIEUR) MASSA SCHAKELAAR SNELHEIDSREGELAAR/BEGRENZER SIGNAAL SCHAKELAAR SNELHEIDSREGELAAR/BEGRENZER AAN/UIT SNELHEIDSREGELAAR AAN / UIT SNELHEIDSBEGRENZER STEKKER B B3 B2 C3 C2 C1 D4 D3 D1 E3 E1 F2 G3 G2 G1 H4 H3 H2 J3 J2 K3 L4 L3 L2 L1 M4 M3 M2 M1 F INGANG DIAGNOSESIGNAAL VOORVERWARMINGSSTIFTEN (1) MASSA OPNAME ELEMENT EGR-STAND STUURSIGNAAL RELAIS VOORVERWARMING INGANG SIGNAAL OPNAME ELEMENT EGR-STAND INGANG ELEKTROKLEP TURBODRUKREGELING UITGANG STUURSIGNAAL RELAIS VOEDING INGANG OPNAME ELEMENT LUCHTTEMPERATUUR INGANG OPNAME ELEMENT BRANDSTOFDRUK + NA CONTACT MASSA OPNAME ELEMENT KOELVLOEISTOFTEMPERATUUR VOEDING OPNAME ELEMENT EGR-STAND SIGNAAL OPNAME ELEMENT VLIEGWIEL VOEDING LUCHTDOORSTROOMMETER MASSA OPNAME ELEMENT BRANDSTOFTEMPERATUUR (F9Q 750) INGANG SIGNAAL LUCHTDOORSTROOMMETER SIGNAAL OPNAME ELEMENT VLIEGWIEL VOEDING OPNAME ELEMENT BRANDSTOFDRUK INGANG OPNAME ELEMENT BRANDSTOFTEMPERATUUR (F9Q 750) VOEDING OPNAME ELEMENT TURBODRUK INGANG OPNAME ELEMENT KOELVLOEISTOFTEMPERATUUR MASSA VERMOGEN MASSA VERMOGEN UITGANG ELEKTROKLEP TURBODRUKREGELING UITGANG ELEKTROKLEP DRUKREGELING MASSA VERMOGEN + NA RELAIS + NA RELAIS UITGANG ELEKTROKLEP EGR STUURSIGNAAL EXTRA VERWARMING 13-54
193 DIESELINSPUITSYSTEEM Rekeneenheid 13 STEKKER C A4 A3 A2 A1 B4 B3 C1 E4 J4 K4 L4 L3 L2 L1 M4 M3 M2 M1 F MASSA OPNAME ELEMENT TURBODRUK MASSA DOORSTROOMMETER UITGANG STUURSIGNAAL RELAIS KOELVENTILATEUR LANGZAAM DRAAIEN UITGANG STUURSIGNAAL RELAIS BRANDSTOFPOMP (F9Q 754) UITGANG STUURSIGNAAL RELAIS KOELVENTILATEUR SNEL DRAAIEN MASSA OPNAME ELEMENT BRANDSTOFDRUK MASSA OPNAME ELEMENT NOKKENAS UITGANG EXTRA VERWARMING UITGANG EXTRA VERWARMING SIGNAAL OPNAME ELEMENT NOKKENAS STUURSIGNAAL VERSTUIVER 2 VOEDING VERSTUIVER 2 VOEDING VERSTUIVER 3 STUURSIGNAAL VERSTUIVER 4 VOEDING VERSTUIVER 4 VOEDING VERSTUIVER 1 STUURSIGNAAL VERSTUIVER 3 STUURSIGNAAL VERSTUIVER 1 STUURSIGNAAL SMOORKLEP (AFSLAGSYSTEEM) 13-55
194 ALLE MOTOR- TYPES BENZINE 114 ANTI-LUCHTVERONTREINIGING 14 Benzinedampabsorptiesysteem SCHEMATISCH OVERZICHT 1 Inlaatspruitstuk. 2 Elektroklep dampafzuiging. 3 Dampabsorptievat. 4 Reservoir. M Buitenlucht. A B C Dampafzuiging uit de tank. Dampafzuiging naar de motor. Ventilatie van de tank. LET OP: de ventilatie-opening naar de buitenlucht mag niet verstopt zijn. 14-1
195 ALLE TYPES BENZINEMOTOR ANTI-LUCHTVERONTREINIGING Benzinedampabsorptiesysteem 14 WERKINGSPRINCIPE De ventilatie van de tank verloopt via het dampabsorptievat. De benzinedamp wordt vastgehouden door de actieve koolstof in het dampabsorptievat. De benzine in het dampabsorptievat wordt verbrand in de motor. CONTROLE VAN DE AFZUIGING VAN HET ABSORPTIEVAT Als het systeem niet goed werkt kan het stationaire toerental onstabiel worden of de motor afslaan. Controleer of het circuit goed is (zie de schema's). Controleer de staat van de slangen naar de tank. Hiervoor,wordt, via een slang en een elektroklep, het dampabsorptievat verbonden met het inlaatspruitstuk. Deze elektroklep bevindt zich op de schokdempertoren rechts voor bij de motoren F4P, K4M, F5R en naast het reservoir van de stuurbekrachtiging bij motor L7X. Door de elektroklep aan te sturen met een cyclisch stuursignaal (RCO) kan de rekeneenheid van het inspuitsysteem de doorlaat van de elektroklep variëren. De variabele doorlaat van de benzinedanp in de elektroklep is het gevolg van het evenwicht tussen het magnetische veld dat wordt opgewekt door de voeding van de spoel en de kracht van de terugtrekveer die de elektroklep dichttrekt. 1 Inlaatspruitstuk. 2 Elektroklep dampafzuiging. 3 Dampabsorptievat. 4 Reservoir. M Buitenlucht. 14-2
196 ALLE TYPES BENZINEMOTOR ANTI-LUCHTVERONTREINIGING Benzinedampabsorptiesysteem 14 OMSTANDIGHEDEN VOOR DAMPAFZUIGING De elektroklep van de dampafzuiging wordt aangestuurd door de rekeneenheid vanaf aansl. C-E1 bij motor K4M en F4P en vanaf aansl. C-F4 bij motor L7X als: Motor F4P en K4M: de koelvloeistoftemperatuur hoger is dan 55 C, de luchttemperatuur hoger is dan 10 C, de motor niet stationair draait, een bepaalde motorbelasting is bereikt, de smoorklepweerstand niet op gas los staat. UITBOUWEN VAN HET DAMPABSORPTIEVAT Het dampabsorptievat (1) bevindt zich aan de linker kant op de tank. Maak los: de aanvoerslang (2) met damp vanaf de tank, de afvoerslang (3) naar de elektroklep, de slang (4) naar de buitenlucht. Bouw uit: de bout (5) waarmee het dampabsorptievat vastzit, het dampabsorptievat. Motor L7X: de koelvloeistoftemperatuur hoger is dan 35 C, na een vertraging van 20 secondes na het starten. Bij een EOBD-diagnose (On Board Diagnostic), is dampafzuiging niet toegestaan. Het cyclisch stuursignaal van de elektroklep van de dampafzuiging is zichtbaar te maken met het diagnoseapparaat met de parameter "RCO (Openingsstuursignaal) elektroklep dampafzuiging". De elektroklep is gesloten als de waarde minder is dan 1,5 %. INBOUWEN Ga bij het inbouwen te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. 14-3
197 ALLE TYPES BENZINEMOTOR ANTI-LUCHTVERONTREINIGING Benzinedampabsorptiesysteem 14 Controleer: bij stationair toerental, door op het dampabsorptievat het circuit vanaf de tank af te sluiten, door een manometer (-3 / +3 bar) (Mot ) aan te sluiten op de uitgang naar de buitenlucht van het dampabsorptievat (M), dat er geen onderdruk is (op dezelfde wijze blijft de waarde van het stuursignaal, gemeten met het diagnoseapparaat met parameter : "Cyclisch stuursignaal elektroklep dampafzuiging" minimaal X 1,5%). Meet u onderdruk? JA: contact af, zet met een vacuümpomp een onderdruk van 500 mbar op de uitgang van de elektroklep. De onderdruk mag in 30 secondes niet meer variëren dan 10 mbar. Varieert de druk? JA: NEE: De elektroklep is defect, vervang de elektroklep. Er is een elektrisch probleem, controleer het circuit. NEE: Bij de omstandigheden voor het afzuigen (zie de voorwaarden), moet u constateren dat er een toename van de onderdruk is (tegelijk,constateert u een toename van de parameter op het diagnoseapparaat). CONTROLE VAN DE VERBINDING TANK DAMPABSORPTIEVAT U kunt deze verbinding controleren door een vacuümpomp aan te sluiten op de slang naar het dampabsorptievat. 14-4
198 MOTOR F4P - K4M ANTI-LUCHTVERONTREINIGING Benzinedampabsorptiesysteem 14 OVERZICHT VAN DE ELEMENTEN Opening voor het afzuigen van de oliedamp Opening voor het afvoeren van de oliedamp Opvangplaat van de oliedamp op het kleppendeksel. Voor de demontage, raadpleegt u hoofdstuk 11 "Cilinderkop en distributie". 14-5
199 MOTOR L7X ANTI-LUCHTVERONTREINIGING Benzinedampabsorptiesysteem 14 DE ONDERDELEN VAN HET SYSTEEM 1 Voorste cilinderkop 2 Achterste cilinderkop 3 Olieafscheider 4 Motor 5 Smoorklep 6 Inlaatspruitstuk 7 Luchtslang 8 Slang voorste kleppendeksel / olie-afscheider 9 Slang achterste kleppendeksel / olie-afscheider A B Circuit voor het smoorklephuis. Dit circuit wordt gebruikt bij middelzware en zware belasting. De damp wordt aangezogen door de onderdruk in luchtslang (7). Circuit achter het smoorklephuis. Dit circuit wordt gebruikt bij geringe belasting. De damp wordt aangezogen door de onderdruk tussen de smoorklep en de motor. 14-6
200 MOTOR F9Q ANTI-LUCHTVERONTREINIGING Benzinedampabsorptiesysteem 14 DE ONDERDELEN VAN HET SYSTEEM 1 Motor 2 Olieafscheider 3 Luchtfilterhuis 4 Inlaatspruitstuk CONTROLE De carterventilatie moet in goede staat verkeren en schoon zijn. A B C D Aanvoerslang van oliedampen uit het motorblok Aanvoerslang van oliedampen uit het kleppendeksel Olieafscheider Afzuigslang van oliedampen naar de luchtinlaat 14-7
201 MOTOR F9Q ANTI-LUCHTVERONTREINIGING 14 Uitlaatgasrecirculatie E.G.R. DE ONDERDELEN VAN HET SYSTEEM 1 Motor 2 Rekeneenheid inspuitsysteem 3 Inlaatspruitstuk 4 Uitlaatspruitstuk 5 EGR-elektroklep 6 Koelvloeistoftemperatuurzender UITBOUWEN VAN DE KLEP De EGR-klep is in het inlaatspruitstuk geperst. Bouw voor het vervangen de spruitstukken uit. DOEL VAN HET EGR-SYSTEEM Door de uitlaatgassen terug te voeren naar de luchtinlaat vermindert de hoeveelheid stikstofoxydes (NOx) in de uitlaatgassen. De rekeneenheid van het inspuitsysteem geeft de terugvoer vrij via het aansturen van een elektroklep. 14-8
202 MOTOR F9Q ANTI-LUCHTVERONTREINIGING Uitlaatgasrecirculatie E.G.R. 14 WERKINGSPRINCIPE De klep wordt aangestuurd door een cyclisch stuursignaal (RCO) dat afkomstig is van de rekeneenheid van het inspuitsysteem. Het cyclisch stuursignaal maakt het mogelijk de doorlaat van de klep te variëren en daarmee de hoeveelheid uitlaatgassen die naar het inlaatspruitstuk wordt herleid te regelen. De rekeneenheid controleert permanent de stand van de EGR-klep. VOORWAARDEN VOOR DE WERKING De factoren die bepalend zijn voor het aansturen van de EGR-elektroklep zijn: de koelvloeistoftemperatuur, de luchttemperatuur, de atmosferische druk, de stand van het gaspedaal, het toerental. De EGR is uitgeschakeld als: de accuspanning lager is dan 9 Volt, het motortoerental minder is dan 700 tr/min. het kenveld (motortoerental/belasting) boven een bepaalde drempel ligt, de auto langzamer rijdt dan 12 km/u, het toerental minder is dan 1000 tr/min. en als de koelvloeistof warmer is dan 60 C gedurende 40 secondes. Bij een storing: van de luchtdoorstroommeter, van de EGR-klep, van het opname element turbodruk, van de elektroklep turbodrukregeling. krijgt de EGR-elektroklep geen voeding meer. De EGR-klep krijgt na het starten pas voeding bij een bepaalde temperatuur van de koelvloeistof. X Y Tijd Koelvloeistoftemperatuur ( C) Voeding spoel Voeding opname element Massa opname element Massa spoel Uitgang opname element 14-9
203 116 STARTEN - LADEN 16 Dynamo WERKING-STORING ZOEKEN De dynamo's op dit model auto hebben een ingebouwde spanningsregelaar en een waarschuwingslampje voor de laadstroom op het instrumentenpaneel: bij het aanzetten van het contact gaat het lampje branden, zodra de motor draait gaat het lampje uit, als het lampje tijdens het draaien oplicht is er een storing in het laad circuit. STORING ZOEKEN Het lampje gaat niet branden als het contact wordt aangezet Controleer: de elektrische aansluitingen, of het lampje is doorgebrand door het kabelschoentje van de draad naar het lampje los te maken en aan massa te leggen: het lampje moet gaan branden. Het lampje gaat branden als de motor draait Dit wijst op een storing in het laadcircuit die kan worden veroorzaakt door: een gebroken aandrijfriem of een breuk in de bedrading, een inwendig defect in de dynamo (rotor, stator, diodes of koolborstels), een defecte spanningsregelaar, een te hoge spanning. De klant klaagt over onvoldoende laadstroom en het lampje werkt normaal. Als de afgeregelde spanning lager is 13,5 volt, controleer dan de dynamo. De storing kan veroorzaakt worden door: een defecte diode, een defecte fase, koolafzetting op of slijtage van de contactbanen. Controle van de spanning Lees met een voltmeter de spanning tussen de accupolen af. Start de motor en laat het toerental oplopen tot de voltmeter zich stabiliseert op de afgeregelde spanning. Deze spanning moet liggen tussen 13,5 en 14,8 Volt. Schakel zoveel mogelijk stroomverbruikers in, de spanning moet tussen 13,5 en 14,8 Volt blijven. LET OP: voordat er elektrisch aan de auto gelast wordt, moet de bedrading van de accu en de spanningsregelaar worden losgenomen. 16-1
204 STARTEN - LADEN Dynamo 16 IDENTIFICATIE MOTOR DYNAMO STROOMSTERKTE K4M-F4P Valéo SG 10 B015 Valéo SG 10 B016 Valéo SG 12 B050 Valéo SG 12 B053 Valéo SG 12 B A 125 A F9Q Valéo SG 12 B A L7X Valéo SG 12 B A CONTROLE Na 15 minuten warmdraaien bij een spanning van 13,5 volt. tr/min. motor 120 ampère 125 ampère
205 STARTEN - LADEN Dynamo 16 STORING ZOEKEN Met de diagnoseapparaten, kunnen de door de dynamo afgegeven spanning en stroomsterkte belast en onbelast worden gecontroleerd. N.B.: Het diagnosestation heeft een inductieve ampèremeterklem (meetbereik: 0 tot A). Deze klem kan worden geplaatst zonder losmaken van de accukabels zodat de geheugens en adaptieve correcties van de rekeneenheden niet verloren gaan. Zet de ampèremeterklem direct op de dynamo-uitgang met de pijl op de klem naar de dynamo wijzend (het station detecteert een verkeerde stand). De metingen worden in drie etappes uitgevoerd: meting van de accuspanning met contact uit, meting van de afgeregelde spanning en stroomsterkte zonder ingeschakelde verbruikers, meting van de afgeregelde spanning en stroomsterkte met zoveel mogelijk ingeschakelde verbruikers. Afhankelijk van het resultaat van de metingen geeft het station een diagnose: accuspanning onbelast < 12,3 V = accu ontladen. Zonder stroomverbruikers: afgeregelde spanning > 14,8 V spanningsregelaar defect, afgeregelde spanning onbelast < 13,2 V) of (laadstroom < 2A) laadstoring. Met stroomverbruikers: afgeregelde spanning > 14,8 V spanningsregelaar defect, afgeregelde spanning< 12,7 V = controleer de dynamo op de volgende waarden: Stroomsterkte (ampères) Motor K4M-F4P F9Q L7X Minimale stroomsterkte die de dynamo moet leveren met alle verbruikers ingeschakeld (3000 tr/min)
206 STARTEN - LADEN Dynamo 16 Storing zoeken (vervolg) Als de gemeten stroomsterkte te laag is, controleer: de slijtage van de dynamo (koolborstels...), de aansluitingen van de accu, de gevlochten massastrip van de motor, het juiste type van de dynamo, de spanning van de dynamoriem. Als de stroomsterkte goed is en de afgeregelde spanning te laag dan is de dynamo niet de oorzaak. De oorzaak kan zijn: de auto heeft te veel elektrische stroomverbruikers, de accu is ontladen. 16-4
207 MOTOR F4P - K4M - F9Q STARTEN - LADEN Dynamo 16 UITBOUWEN Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Maak de massakabel van de accu los en de elektrische aansluitingen op de dynamo. Bouw uit: de spatplaat rechts voor en de bescherming aan de zijkant, de aandrijfriem van de hulporganen (zie hoofdstuk 07 "Spanning aandrijfriem hulporganen"), de geleiderol, de bevestigingsbouten van de dynamo en bouw hem uit met behulp van een schroevendraaier. 16-5
208 MOTOR F4P - K4M - F9Q STARTEN - LADEN Dynamo 16 INBOUWEN De dynamo kan gemakkelijker worden ingebouwd, als u de ringen (A) met een tang of in de bankschroef samendrukt. Raadpleeg hoofdstuk 07 "Spanning aandrijfriem hulporganen" voor het spannen van de riem. 16-6
209 MOTOR L7X STARTEN - LADEN Dynamo 16 UITBOUWEN Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Maak de massakabel van de accu los. Verwijder de beschermplaat onder de motor. Maak de elektrische aansluitingen los van de dynamo. Bouw uit: de aandrijfriem van de hulporganen (zie hoofdstuk 07 "Spanning aandrijfriem hulporganen"), de poelie van de stuurbekrachtigingspomp, de bevestigingen van de compressor en druk deze opzij, de dynamo. INBOUWEN Ga te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. Raadpleeg hoofdstuk 07 "Spanning aandrijfriem hulporganen" voor het spannen van de riem. 16-7
210 STARTEN - LADEN 16 Startmotor IDENTIFICATIE MOTOR K4M-F4P F9Q L7X STARTMOTOR Bosch Bosch Valéo D7R44 Valéo D7R47 Valéo D7R49 Valéo D6RA
211 MOTOR F4P - K4M STARTEN - LADEN Startmotor 16 Na het uitbouwen van de inlaatgeluiddemper zijn er geen bijzonderheden voor het uitbouwen-inbouwen van de startmotor. Controleer voor het inbouwen of de centreerbus op zijn plaats zit. 16-9
212 MOTOR F9Q STARTEN - LADEN Startmotor 16 UITBOUWEN Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Maak de massakabel van de accu los. Bouw uit: de sierkap van de motor, de beschermplaat onder de motor, de steun (1) en dan de katalysator (2), de gevlochten massastrip (4), de bevestigingen (5) van de startmotor, de startmotor, de elektrische aansluitingen op de startmotor, de luchtslang (A) door de slang (B) los te maken op het reservoir van de carterventilatie, de bevestiging (3), de luchtslangen (C) en (D) respectievelijk op de turbocompressor en het inlaatspruitstuk en duw ze opzij, INBOUWEN Ga te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. Controleer voor het inbouwen of de centreerbus op zijn plaats zit
213 MOTOR L7X STARTEN - LADEN Startmotor 16 UITBOUWEN Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Maak de massakabel van de accu los. Bouw uit: de sierkap van de motor, de beschermplaat onder de motor, de stekker van de lambda sonde (1) en bouw hem uit met Mot. 1495, de hitteschilden (2) en daarna (3), het oliefilter, de startmotor, INBOUWEN Controleer de aanwezigheid van de twee centreerbusjes. Ga te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. Vul olie bij
214 MOTOR K4M - F4P 117 ONTSTEKING 17 Statische ontsteking AANTREKKOPPELS (in dan.m) Bouten van de bobine 1,5 Bougies 2,5 tot 3 BESCHRIJVING VAN HET SYSTEEM De statische ontsteking is een systeem waarmee de hoeveelheid energie voor de bougies hoger is doordat er zich niets bevindt tussen de bougie en de bobine. UITBOUWEN VAN EEN BOBINE Maak de massakabel van de accu los. Maak de stekkers los van de bobine. LET OP: dat u de stekkers (1) niet beschadigt; anders moet u ze vervangen. Verwijder de bouten (2) waarmee de bobines vastzitten. Dit systeem heeft ook geen bewegende delen. De vermogenstrap is Ingebouwd in de rekeneenheid van het inspuitsysteem. De ontsteking gebruikt dus de zelfde opname elementen als het inspuitsysteem S Er zijn vier bobines, deze zijn direct boven de bougie vastgezet met bouten op het kleppendeksel. De bobines worden twee bij twee in serie gevoed (statische tweeling ontsteking) via de aansluitingen C H2 en C H3 van de rekeneenheid van het inspuitsysteem: aansluiting C H2 voor de cilinders 1 en 4, aansluiting C H3 voor de cilinders 2 en 3, INBOUWEN Ga te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. Vervang indien nodig de O-ringen van de bobines. 17-1
215 MOTOR L7X ONTSTEKING Statische ontsteking 17 AANTREKKOPPELS (in dan.m) Bouten van de bobine 1,5 Bougies 2,5 tot 3 BESCHRIJVING VAN HET SYSTEEM De statische ontsteking is een systeem waarmee de hoeveelheid energie voor de bougies hoger is doordat er zich niets bevindt tussen de bougie en de bobine. UITBOUWEN VAN EEN BOBINE Maak de massakabel van de accu los. Voor het uitbouwen van de bobines van de achterste cilinders moet u het inlaatspruitstuk uitbouwen (zie hoofdstuk 12 Inlaatspruitstuk "Inlaatspruitstuk"). Maak de stekkers los van de bobines, verwijder de bouten (2) waarmee de bobines vastzitten. Dit systeem heeft ook geen bewegende delen. De vermogenstrap is Ingebouwd in de rekeneenheid van het inspuitsysteem. De ontsteking gebruikt dus de zelfde opname elementen als het inspuitsysteem Er zijn zes bobines, deze zijn direct boven de bougie vastgezet met bouten op het kleppendeksel. De ontstekingsvolgorde is: De bobines worden een voor een in serie gevoed via de aansluitingen A H2, A H3, A H4, A G2, A G3 en A G4 van de rekeneenheid van het inspuitsysteem: aansluiting A H2 voor cilinder 1, aansluiting A H3 voor cilinder 3, aansluiting A H4 voor cilinder 2, aansluiting A G2 voor cilinder 6, aansluiting A G3 voor cilinder 5, aansluiting A G4 voor cilinder 4, INBOUWEN Ga te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. Vervang indien nodig de O-ringen van de bobines. 17-2
216 ALLE MOTORTYPES ONTSTEKING 17 Bougies Voor het verwijderen van de bougies, moeten de bobine worden verwijderd (zie hoofdstuk 17 Ontsteking "Statische ontsteking"). Voor het uitbouwen van de bougies gebruikt u de bougiegereedschapset Elé Motor Merk Type K4M Eyquem RFC 50 LZ 2E Platte zetel met ring Elektrodenafstand: 0,9 mm Aantrekkoppel: 2,5 tot 3 dan.m Motor Merk Type F4P CHAMPION RFC 87 YCL Platte zetel met ring Elektrodenafstand: 0,9 mm Aantrekkoppel: 2,5 tot 3 dan.m Motor Merk Type L7X BOSCH FGR 8M QPE Platte zetel met ring Elektrodenafstand: 1 mm Aantrekkoppel: 2,5 tot 3 dan.m 17-3
217 MOTOR K4M - F4P INSPUITSYSTEEM 17 Plaats van de organen Elektroklep dampafzuiging Opname element spruitstukdruk Gemotoriseerd smoorklephuis Voorste lambda sonde Bobines Opname element koelvloeistoftemperatuur en opname element vliegwiel Rekeneenheid inspuitsysteem Inspuitrelais Pingeldetector Opname element luchttemperatuur Hoofdinspuitbuis Elektroklep nokkenasversteller (alleen F4P) 17-4
218 MOTOR L7X INSPUITSYSTEEM Plaats van de organen Pulsdemper Elektroklep van inlaatnokkenasversteller (x2) Voorste lambda sonde (achterste cilinders) Opname element spruitstukdruk Pingeldetector (x2) Achterste lambda sonde (achterste cilinders) Gemotoriseerd smoorklephuis Opname element luchttemperatuur Rekeneenheid inspuitsysteem Inspuitrelais Opname element koelvloeistoftemperatuur en opname element vliegwiel Opname element cilinderherkenning (x2), Achterste lambda sonde (voorste cilinders) Bobines Hoofdinspuitbuis Voorste lambda sonde (achterste cilinders) Elektroklep dampafzuiging 17-5
219 MOTOR K4M - F4P INSPUITSYSTEEM Plaats van de organen Elektroklep dampafzuiging Bobines Opname element luchttemperatuur 3 4 Gemotoriseerd smoorklephuis Voorste lambda sonde Opname element spruitstukdruk Elektroklep nokkenasversteller (alleen F4P) 6 13 Opname element koelvloeistoftemperatuur Opname element vliegwiel
220 MOTOR K4M - F4P INSPUITSYSTEEM Plaats van de organen Pingeldetector Hoofdinspuitbuis 15 Dampabsorptievat Achterste lambda sonde
221 MOTOR L7X INSPUITSYSTEEM Plaats van de organen Voorste lambda sonde (achterste cilinders) Opname element spruitstukdruk Achterste lambda sonde (achterste cilinders) Gemotoriseerd smoorklephuis Opname element koelvloeistoftemperatuur
222 MOTOR L7X INSPUITSYSTEEM Plaats van de organen Achterste lambda sonde (voorste cilinders) Bobines Voorste lambda sonde (voorste cilinders) 5 Pingeldetector Elektroklep dampafzuiging Elektroklep van inlaatnokkenasversteller (x2) Opname element cilinderherkenning (x2) Hoofdinspuitbuis Pulsdemper
223 MOTOR L7X INSPUITSYSTEEM Plaats van de organen Opname element luchttemperatuur Inspuitrelais
224 ALLE MOTORTYPES INSPUITSYSTEEM 17 Opname element gaspedaal ALGEMEEN Het opname element gaspedaal vormt een geheel met het pedaal. Bij vervanging ervan moet ook het gaspedaal worden vervangen. Er zij twee types pedaal: met of zonder "zwaar punt". Auto's met een snelheidsregelaar / snelheidsbegrenzer, hebben een gaspedaal met een zwaar punt aan het einde van de slag (Kick-down). Met dit punt kan de begrenzerfunctie worden uitgeschakeld als de bestuurder sneller moet rijden. LET OP: een pedaal met een zwaar punt kan gemonteerd worden in plaats van een pedaal zonder een zwaar punt. Het ie echter niet toegestaan een pedaal zonder een zwaar punt te monteren in plaats van een pedaal met een zwaar punt. UITBOUWEN Maak los: de accu, de stekker (1) van het gaspedaal. Bouw uit: de drie bevestigingsbouten (2) van het pedaal, het pedaal. Aansluitingen 1 Massa baan 2 2 Massa baan 1 3 Signaal baan 1 4 Voeding baan 1 5 Voeding baan 2 6 Signaal baan 2 INBOUWEN Ga te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen R N.B.: een storing in het opname element gaspedaal veroorzaakt een verandering in het stationair toerental of in de werking van de motor (zie hoofdstuk 17 "Stationair toerentalcorrectie")
225 ALLE MOTORTYPES INSPUITSYSTEEM 17 Rekeneenheid ONMISBAAR SPECIAAL GEREEDSCHAP Mot Trekker voor afbreekbouten ALGEMEEN De rekeneenheid van het inspuitsysteem is onder de accubak gemonteerd.' Voor het uitbouwen, moet u de accubak verwijderen die met drie afbreekbouten is vastgezet. Boor de drie afbreekbouten in met een boortje 5 mm in het hart van de bout. UITBOUWEN Maak de accukabels los en bouw de accu uit. Maak de relaiskast los van de accubak en druk hem opzij. Bouw uit: de drie bevestigingsbouten van de accubak met behulp van Mot. 1372, de accubak
226 ALLE MOTORTYPES INSPUITSYSTEEM Rekeneenheid 17 Bouw uit: de bevestigingsbeugel (1) van de kabelbundel, de bevestigingsmoeren (2) van de rekeneenheid, de rekeneenheid door de stekker los te maken INBOUWEN Ga te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. Vervang de afbreekbouten door nieuwe afbreekbouten. Voer het inlezen van de startvergrendelingscode uit zoals beschreven is in hoofdstuk 82 "Startvergrendeling". Bij het aanzetten van het contact moet het smoorklephuis een inleescyclus uitvoeren op de minimum en maximum aanslagen. Controleer met het diagnoseapparaat of dit inlezen is uitgevoerd. Als dit inlezen niet is gebeurd, raadpleeg dan hoofdstuk 17 Storing zoeken "Smoorklephuis"
227 MOTOR K4M - F4P INSPUITSYSTEEM 17 Bijzonderheden BIJZONDERHEDEN MULTIPUNT INSPUITING SAGEM "S2000" Rekeneenheid met 112 aansluitingen merk SAGEM type "S2000" voor het aansturen van de inspuiting en de ontsteking. Sequentieel werkende multipunt inspuiting zonder opname element nokkenas voor het herkennen van cilinder n 1. De synchronisering gebeurt softwarematig aan de hand van de informatie van het opnameelement vliegwiel. Waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel is functioneel. Toepassing van een speciaal lampje van het inspuitsysteem (OBD-lampje "On Board Diagnostic"). Dit lampje houdt verband met de aanwezigheid van het OBD ("On Board Diagnostic") diagnosesysteem. Bijzonder voorzorgen vanwege de startvergrendeling: De startvergrendeling is van de 3 e generatie waardoor er een speciale methode vereist is voor het vervangen van de rekeneenheid. Benzinecircuit zonder retour naar de tank (de drukregelaar bevindt zich in de tank bij tankelement/pomp). Stationair toerental: nominaal stationair toerental, stationair toerental met automatische transmissie Stationair toerental correctie afhankelijk van: de airconditioning, het drukcontact stuurbekrachtiging, de accuspanning, de elektrische voorruitverwarming. Maximum toerental: Als de koelvloeistoftemperatuur lager is dan 75 C voor motor F4P en 60 C voor motor K4M of gedurende maximaal 10 secondes, is het onderbrekingstoerental 5800 tr/min ter bescherming van een "koude" motor. Zodra de motor warm is, krijgt de onderbreking zijn normale waarde: in de 1 e en de 2 e versnelling (afhankelijk van SRBCI) in de 3 e, 4 e en 5 e versnelling Elektroklep dampafzuiging aangestuurd via een Cyclisch Stuur Signaal (RCO) afhankelijk van het toerental van de motor en de spruitstukdruk. Aansturing van de koelventilateur en van het waarschuwingslampje van de koelvloeistoftemperatuur op het instrumentenpaneel door de rekeneenheid van het inspuitsysteem (GCTE-functie: Centrale temperatuurregeling). Automatische configuratie voor de werking van de snelheidsregelaar/begrenzer en van de airconditioning. Rekeneenheid van het inspuitsysteem stuurt de compressorkoppeling van de airconditioning. Toepassing van twee lambda sondes, één voor en één na de katalysator. Nokkenasversteller aangestuurd via een elektroklep door de rekeneenheid alleen F4P). Gemotoriseerd smoorklephuis voor de regeling van de luchtdoorlaat en het stationair toerental. 750 tr/min 750 tr/min 6500 tr/min voor K4M en 6300 tr/min voor F4P 6500 tr/min voor K4M en 6300 tr/min voor F4P 17-14
228 MOTOR L7X INSPUITSYSTEEM Bijzonderheden 17 BIJZONDERHEDEN MULTIPUNT INSPUITING BOSCH Rekeneenheid met 128 aansluitingen BOSCH ME Sequentiële multipunt inspuiting stuurt de inspuitstukken een voor een aan in de ontstekingsvolgorde ( ). Statische ontsteking met zes penbobines. Waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel is functioneel. Toepassing van een speciaal waarschuwingslampje van het inspuitsysteem OBD "On Board Diagnostic") dat na het starten van de motor gedurende drie secondes oplicht. Dit lampje houdt verband met de aanwezigheid van het OBD ("On Board Diagnostic") diagnosesysteem. Bijzonder voorzorgen vanwege de startvergrendeling: De startvergrendeling is van de 3 e generatie waardoor er een speciale methode vereist is voor het vervangen van de rekeneenheid. Benzinecircuit zonder retour naar de tank (de drukregelaar bevindt zich in de tank bij tankelement/pomp). Stationair toerental: nominaal stationair toerental 650 tr/min Stationair toerental correctie afhankelijk van: de airconditioning, het drukcontact stuurbekrachtiging, de accuspanning, Maximum toerental: 6500 tr/min Elektroklep dampafzuiging aangestuurd via een Cyclisch Stuur Signaal (RCO) afhankelijk van de werkomstandigheden van de motor. Aansturing van de koelventilateur en van het waarschuwingslampje van de koelvloeistoftemperatuur op het instrumentenpaneel door de rekeneenheid van het inspuitsysteem (GCTE-functie: Centrale temperatuurregeling). Automatische configuratie voor de werking van de snelheidsregelaar/begrenzer en van de airconditioning. Rekeneenheid van het inspuitsysteem stuurt de compressorkoppeling van de airconditioning. Toepassing van vier lambda sondes, één voor en één na de voorkatalysators. Inlaatnokkenasverstellers aangestuurd door twee elektrokleppen die worden geregeld door de rekeneenheid afhankelijk van de bedrijfsomstandigheden van de motor (toerental/belasting)
229 ALLE MOTORTYPES INSPUITSYSTEEM 17 Startvergrendeling De auto heeft een startvergrendeling van de 3 e generatie waardoor er een speciale methode vereist is voor het vervangen van de rekeneenheid. VERVANGEN VAN DE REKENEENHEID VAN DE INSPUITING Zie hoofdstuk 17 Inspuitsysteem "Rekeneenheid" voor de methode voor het uitbouwen-inbouwen van de rekeneenheid. Zie hoofdstuk 82 "Startvergrendeling" voor het inlezen van de startvergrendelingscode. LET OP: Bij dit type startvergrendeling blijft de rekeneenheid levenslang gecodeerd. Ook heeft dit systeem geen noodcode. Het is daarom verboden tests uit te voeren met een uit een andere auto of uit het magazijn geleende rekeneenheid. Deze kunnen niet meer worden gedecodeerd
230 MOTOR K4M - F4P INSPUITSYSTEEM 17 Strategie inspuitsysteem / airconditioning DE AIRCOCOMPRESSOR HEEFT EEN VARIABELE CILINDERINHOUD VERBINDING AIRCONDITIONING/ REKENEENHEID INSPUITSYSTEEM De rekeneenheid van de inspuiting stuurt de automatische werking van de compressorkoppeling en houdt daarbij rekening met het door de compressor opgenomen vermogen en de druk van het koelmiddel in het circuit. De informatie die nodig is voor de werking van de airconditioning wordt uitgewisseld via het multiplexnetwerk: aansluiting A A3 multiplexverbinding CAN L (Interieur), aansluiting A A4 multiplexverbinding CAN H (Interieur), Bij het indrukken van de schakelaar van de airconditioning, vraagt het bedieningspaneel van de airconditioning om inschakeling van de airco-koppeling. De rekeneenheid van het inspuitsysteem geeft wel of geen toestemming voor de werking van de airco-koppeling, stuurt de rekeneenheid van het inspuitsysteem aan en zorgt voor een verhoogd stationair toerental. Dit toerental is 896 tr/min voor motor F4P en 848 tr/min voor motor K4M. LET OP: de druk van het koudemiddel en het opgenomen vermogen zijn nooit 0, ongeacht of de compressor draait of niet. STRATEGIE VOOR HET STUREN VAN DE COMPRESSOR Onder bepaalde werkomstandigheden, kan de rekeneenheid van het inspuitsysteem middels de rekeneenheid van de airconditioning, het inschakelen van de aircocompressor tegengaan. Strategie bij het starten van de motor De aircocompressor wordt de eerste 10 secondes na het starten van de motor niet ingeschakeld. Strategie voor het behoud van het vermogen gedurende een tijd van 5 secondes Beginvoorwaarden Eindvoorwaarden Smoorklep geheel open Smoorklep niet geheel open en motortoerental lager dan 3800 tr/min. of tijdsduur van 5 secondes verstreken en 2 e versnelling of hogere ingeschakeld. of motortoerental hoger dan of gelijk aan Strategie tegen overtoeren De compressor wordt ontkoppeld als het toerental van de motor hoger is dan 6016 tr/min voor motor F4P en 6500 tr/min voor motor K4M. Strategie tegen oververhitting De compressor wordt niet gekoppeld als de temperatuur van de koelvloeistof hoger is dan 115 C voor motor F4P en 119 C voor motor K4M bij hoge toeren en zware belasting
231 MOTOR L7X INSPUITSYSTEEM Strategie inspuitsysteem / airconditioning 17 DE AIRCOCOMPRESSOR HEEFT EEN VARIABELE CILINDERINHOUD VERBINDING AIRCONDITIONING/ REKENEENHEID INSPUITSYSTEEM De rekeneenheid van de inspuiting stuurt de automatische werking van de compressorkoppeling en houdt daarbij rekening met het door de compressor opgenomen vermogen en de druk van het koelmiddel in het circuit. De informatie die nodig is voor de werking van de airconditioning wordt uitgewisseld via het multiplexnetwerk: aansluiting B H3 multiplexverbinding CAN H (Interieur), aansluiting B H4 multiplexverbinding CAN L (Interieur), Bij het indrukken van de schakelaar van de airconditioning, vraagt het bedieningspaneel van de airconditioning om inschakeling van de airco-koppeling. De rekeneenheid van het inspuitsysteem geeft wel of geen toestemming voor de werking van de airco-koppeling, stuurt de rekeneenheid van het inspuitsysteem aan en zorgt voor een verhoogd stationair toerental. Dit toerental is 700 tr/min. LET OP: de druk van het koudemiddel en het opgenomen vermogen zijn nooit 0, ongeacht of de compressor draait of niet. STRATEGIE VOOR HET STUREN VAN DE COMPRESSOR Onder bepaalde werkomstandigheden, kan de rekeneenheid van het inspuitsysteem middels de rekeneenheid van de airconditioning, het inschakelen van de aircocompressor tegengaan. Strategie bij het starten van de motor De aircocompressor wordt de eerste 20 secondes na het starten van de motor niet ingeschakeld. Strategie tegen oververhitting De compressor wordt niet ingeschakeld als de koelvloeistoftemperatuur hoger is dan 115 C
232 MOTOR K4M - F4P INSPUITSYSTEEM 17 Gemotoriseerd smoorklephuis GEMOTORISEERD SMOORKLEPHUIS Het gemotoriseerd smoorklephuis verzorgt de regeling van het stationair toerental en van de luchttoevoer naar de motor. Het bestaat uit een elektromotor en twee potentiometers voor het meten van de smoorklepstand. Als de motor stationair draait, staat de smoorklep in een vaste stand die afhankelijk is van het berekende toerental. Voor de berekening wordt rekening gehouden met belangrijke verbruikers (airconditioning) en de werkomstandigheden (lucht- en koelvloeistoftemperatuur). Als de bestuurder het gaspedaal indrukt, wordt dit verzoek vertaald door de smoorklep te openen ter verbetering van het rijcomfort, is de opening van de smoorklep niet recht evenredig met het verzoek van de bestuurder. Ter voorkoming van schokken, om het overschakelen te vergemakkelijken en voor de veiligheidssystemen, kan het smoorklephuis het koppel van de motor variëren. NOODPROGRAMMA VAN HET GEMOTORISEERD SMOORKLEPHUIS Er zijn drie types noodprogramma's van het gemotoriseerd smoorklephuis. Beperkt vermogen programma: dit is het programma voor elektrische storingen waarbij een veilige oplossing is voor het inspuitsysteem (signaal ontbreekt van een van de twee banen van het opname element gaspedaal of van de smoorklepweerstand). Dit programma beperkt het accelereren en begrenst de maximale opening van de smoorklep. Geen gaspedaal programma: Ook wel "elektrisch kreupel-thuis" programma genoemd. Dit programma komt in werking als er totaal geen informatie van het gaspedaal is, maar de rekeneenheid van het inspuitsysteem nog wel de luchttoevoer naar de motor regelt (de bekrachtiging van de smoorklep werkt nog wel). In dit programma, zorgt de rekeneenheid van het inspuitsysteem voor een gegeven motortoerental in elke versnelling en zorgt voor een stationair toerental bij een druk op het rempedaal. Mechanisch kreupel-thuis: dit is het programma voor de storingen die ertoe leiden dat de smoorklep niet meer bekrachtigd kan worden. In dit geval staat de smoorklep in de mechanische ruststand, en beperkt de rekeneenheid van het inspuitsysteem het toerental door het onderbreken van de inspuiting. N.B.: bij al deze programma's brandt het waarschuwingslampje inspuitsysteem op het instrumentenpaneel
233 MOTOR L7X INSPUITSYSTEEM Gemotoriseerd smoorklephuis 17 GEMOTORISEERD SMOORKLEPHUIS Het gemotoriseerd smoorklephuis verzorgt de regeling van het stationair toerental en van de luchttoevoer naar de motor. Het bestaat uit een elektromotor en twee potentiometers voor het meten van de smoorklepstand. Als de motor stationair draait, staat de smoorklep in een vaste stand die afhankelijk is van het berekende toerental. Voor de berekening wordt rekening gehouden met belangrijke verbruikers (airconditioning) en de werkomstandigheden (lucht- en koelvloeistoftemperatuur). Als de bestuurder het gaspedaal indrukt, wordt zijn verzoek vertaald in een vraag naar koppel die leidt tot het openen van de smoorklep en een ontstekingsvervroeging. Ter voorkoming van schokken, om het overschakelen te vergemakkelijken en voor de veiligheidssystemen, kan het smoorklephuis het koppel van de motor variëren. NOODPROGRAMMA VAN HET GEMOTORISEERD SMOORKLEPHUIS Er zijn drie types noodprogramma's van het gemotoriseerd smoorklephuis. Beperkt vermogen programma: dit is het programma voor elektrische storingen waarbij een veilige oplossing is voor het inspuitsysteem (signaal ontbreekt van een van de twee banen van het opname element gaspedaal of van de smoorklepweerstand). Dit programma beperkt het accelereren en begrenst de maximale opening van de smoorklep. Geen gaspedaal programma: Ook wel "elektrisch kreupel-thuis" programma genoemd. Dit programma komt in werking als er totaal geen informatie van het gaspedaal is, maar de rekeneenheid van het inspuitsysteem nog wel de luchttoevoer naar de motor regelt (de bekrachtiging van de smoorklep werkt nog wel). In dit programma, zorgt de rekeneenheid van het inspuitsysteem voor een gegeven motortoerental in elke versnelling en zorgt voor een stationair toerental bij een druk op het rempedaal. Mechanisch kreupel-thuis: dit is het programma voor de storingen die ertoe leiden dat de smoorklep niet meer bekrachtigd kan worden. In dit geval staat de smoorklep in de mechanische ruststand, en beperkt de rekeneenheid van het inspuitsysteem het toerental door het onderbreken van de inspuiting. N.B.: bij al deze programma's brandt het waarschuwingslampje inspuitsysteem op het instrumentenpaneel
234 MOTOR K4M - F4P INSPUITSYSTEEM 17 Correctie stationair toerental STATIONAIR TOERENTALCORRECTIE AFHANKELIJK VAN DE KOELVLOEISTOFTEMPERATUUR Koelvloeistoftemperatuur in C Motortoerental in tr/min (F4P) Motortoerental in tr/min (K4M) CORRECTIE AFHANKELIJK VAN STROOMVERBRUIK EN ACCUSPANNING Met behulp hiervan wordt een eventuele spanningsval gecompenseerd, ontstaan door het inschakelen van stroomverbruikers bij een niet goed geladen accu. De correctie begint als de spanning lager wordt dan 13 V en kan een maximum toerental bereiken van 990 tr/min voor motor F4P en 910 tr/min voor motor K4M. VERBINDING DRUKCONTACT STUURBEKRACHTIGING - REKENEENHEID INSPUITING De rekeneenheid van het inspuitsysteem krijgt informatioe van het drukcontact van de stuurbekrachtiging en om deze energieabsorptie te compenseren, kan het stationair toerental worden verhoogd. Het stationair toerental wordt verhoogd tot 770 tr/min voor motor F4P en 750 tr/min voor motor K4M. STATIONAIR TOERENTALCORRECTIE AFHANKELIJK VAN DE ELEKTRISCHE VOORRUITVERWARMING Als de voorruit is ingeschakeld en de koelvloeistoftemperatuur lager is dan 60 C, wordt het stationair toerental vast 990 tr/min voor motor F4P en 910 tr/min voor motor K4M. STATIONAIR TOERENTALCORRECTIE BIJ EEN STORING IN HET OPNAME ELEMENT GASPEDAAL Bij een storing in de twee potentiometers van het gaspedaal, wordt het motortoerental gebracht op ongeveer 2000 tr/min en komt het stationair toerental in werking bij een druk op het rempedaal. STATIONAIR TOERENTALCORRECTIE BIJ EEN STORING IN HET GEMOTORISEERD SMOORKLEPHUIS Bij een storing in de twee potentiometers van de smoorklep, gaat het smoorklephuis in de stand "kreupel-thuis" (mechanische aanslag van het smoorklephuis) Het motortoerental ligt dan tussen 1900 en 2200 tr/min. N.B.: na een koude start en langdurig stationair draaien, kan het toerental onverwacht dalen met 80 tr/min voor motor F4P en 160 tr/min voor motor K4M. Dit wordt veroorzaakt door een ingebouwde tijdschakeling
235 MOTOR L7X INSPUITSYSTEEM Correctie stationair toerental 17 STATIONAIR TOERENTALCORRECTIE AFHANKELIJK VAN DE KOELVLOEISTOFTEMPERATUUR T in C tr/min CORRECTIE AFHANKELIJK VAN STROOMVERBRUIK EN ACCUSPANNING Met behulp hiervan wordt een eventuele spanningsval gecompenseerd, ontstaan door het inschakelen van stroomverbruikers bij een niet goed geladen accu. Deze correctie begint als de spanning lager wordt dan 12 V en kan een maximum toerental bereiken van 1500 tr/min. VERBINDING DRUKCONTACT STUURBEKRACHTIGING - REKENEENHEID INSPUITING De rekeneenheid van het inspuitsysteem krijgt informatioe van het drukcontact van de stuurbekrachtiging en om deze energieabsorptie te compenseren, kan het stationair toerental worden verhoogd. Het stationair toerental wordt verhoogd tot 720 tr/min als de rijsnelheid lager is dan 5 km/u. STATIONAIR TOERENTALCORRECTIE BIJ EEN STORING IN HET OPNAME ELEMENT GASPEDAAL Bij een storing in de twee potentiometers van het gaspedaal, wordt het motortoerental gebracht op 1200 tr/min. STATIONAIR TOERENTALCORRECTIE BIJ EEN STORING IN HET GEMOTORISEERD SMOORKLEPHUIS Bij een storing in de twee potentiometers van de smoorklep, gaat het smoorklephuis in de stand "kreupel-thuis" (mechanische aanslag van het smoorklephuis) Het motortoerental ligt dan tussen 900 tr/min en 1400 tr/min. ADAPTIEVE CORRECTIE VAN HET STATIONAIR TOERENTAL Er is een adaptieve correctie van het stationair toerental maar het diagnoseapparaat hecht aan deze functie geen waarde
236 MOTOR K4M - F4P INSPUITSYSTEEM Correctie stationair toerental 17 ADAPTIEVE CORRECTIE VAN HET STATIONAIR TOERENTAL PRINCIPE Bij de normaal gebruikstemperatuur van de motor, varieert de waarde van het stuursignaal (RCO) naar de luchtregelschuif stationair toerental bij het stationaire toerental vanuit een middenwaarde tussen een hoge en een lage waarde om het nominale stationair toerental te krijgen. Als gevolg van langzame veranderingen in de motor (inrijden, vervuiling in de motor enz.) komt de waarde van dit stuursignaal steeds dichter bij zijn boven- of ondergrens te liggen. Met de adaptieve correctie van het stuursignaal (RCO) wordt tegemoet gekomen aan deze langzaam veranderde behoefte aan lucht van de motor, en ontstaat een nieuwe middenwaarde voor het signaal (RCO) naar de luchtregelschuif. Deze correctie is alleen effectief als de koelvloeistof warmer is dan 75 C en 60 secondes na het starten van de motor en in de regelfase van het stationaire toerental. STUURSIGNAAL STATIONAIR TOERENTALREGELING EN DE ADAPTIEVE CORRECTIE ERVAN F4P K4M Nominaal toerental X = 750 tr/min X = 750 tr/min Spruitstukdruk stationair X = 280 mbar X = 350 mbar Stuursignaal stationair toerental (PR022) 3 % X 26% 6 % X 22% Adaptief stuursgnaal stationair (PR021) Ondergrens: -7,8% Bovengrens: +7,8% Ondergrens: -7,8% Bovengrens: +7,8% INTERPRETATIE VAN DE WAARDEN Bij een te grote luchtaanvoer (valse lucht, smoorklepaanslag ontregeld...) stijgt het stationair toerental, en wordt de waarde van stuursignaal kleiner om het stationaire toerental op de voorgeschreven waarde te houden; de waarde van de adaptieve correctie neemt af om het stuursignaal opnieuw te centreren. Bij een te geringe luchtaanvoer (vervuiling enz.) is de werking tegenovergesteld: de waarde van het stuursignaal wordt groter en de adaptieve correctie wordt ook groter, om het stuursignaal opnieuw te centreren rond de gemiddelde waarde. BELANGRIJK: na het wissen van de geheugens van de rekeneenheid, moet u de motor starten, stilzetten, en daarna de motor stationair laten draaien zodat de adaptieve correctie zich correct kan instellen
237 MOTOR K4M - F4P INSPUITSYSTEEM 17 Mengselregeling MENGSELREGELING De motor met rekeneenheid "SAGEM S 2000" heeft twee lambda sondes: een voor en een achter de katalysator. VERWARMING VAN DE SONDES De verwarming van de lambda sondes wordt gestuurd door de rekeneenheid: de druk in het inlaatspruitstuk is lager dan een waarde die bepaald wordt door een kenveld van de motorwerking, de snelheid is lager dan 135 km/u, na een bepaalde tijd, afhankelijk van het toerental van de motor (buiten gas los) en de koelvloeistoftemperatuur. De verwarming van de lambda sondes stopt: als de snelheid hoger is dan 140 km/u (waarde wordt ter informatie gegeven), bij zware belasting van de motor. SPANNING VAN DE VOORSTE SONDE De waarde die het diagnoseapparaat geeft bij de parameter: "Spanning voorste lambda sonde" is de spanning die de voor de katalysator geplaatste lambda sonde afgeeft aan de rekeneenheid. Deze waarde wordt uitgedrukt in millivolts. In de mengselregelfase, moet de spanning snel schommelen tussen twee waarden: 100 mv ±100 voor een arm mengsel, 800 mv ± 100 voor een rijk mengsel. Hoe kleiner het verschil tussen deze waarden, hoe onbetrouwbaarder de informatie (het verschil is meestal ten minste 500 mv). N.B.: als het verschil klein is, controleer dan de verwarming van de lambda sonde. SPANNING VAN DE ACHTERSTE LAMBDA SONDE De waarde die het diagnoseapparaat geeft bij de parameter: "Spanning achterste lambda sonde" is de spanning die de achter de katalysator geplaatste lambda sonde afgeeft aan de rekeneenheid. Deze waarde wordt uitgedrukt in millivolts. Met deze sonde wordt de werking gecontroleerd van de katalysator en een tweede, nauwkeurige controle uitgevoerd van het mengsel (langzame regelcyclus). Deze functie treedt pas in werking als de motor reeds enige tijd draait. In de regelfase moet de spanning variëren binnen een gebied van 600 mv ± 100. Bij afremmen op de motor, moet de spanning lager zijn dan 200 mv. Let niet op de waarde van de spanning op het diagnoseapparaat bij stationair draaien
238 MOTOR K4M - F4P INSPUITSYSTEEM Mengselregeling 17 MENGSELCORRECTIE De waarde die het diagnoseapparaat aangeeft bij de parameter "mengselcorrectie" is een weergave van de gemiddelde mengselcorrectie die door de rekeneenheid wordt uitgevoerd aan de hand van de informatie over de menselsamenstelling welke afkomstig is van de voorste lambda sonde. De lambda sonde analyseert in feite de hoeveelheid zuurstof in de uitlaatgassen, wat een maat is voor de samenstelling van het benzine/luchtmengsel. De correctie heeft als middenwaarde 128 en als uitersten 0 en 225: waarde lager dan 128: het mengsel moet armer worden, waarde hoger dan 128: het mengsel moet rijker worden. ACTIVEREN VAN DE MENGSELREGELING Regelfase Het activeren van de mengselregeling gebeurt na een startvertraging van 0 secondes en als de temperatuur van de koelvloeistof hoger is dan 0 C voor motor F4P en 10 C voor motor K4M. Regeling tijdelijk uitgeschakeld Tijdens de regelfase, houdt de rekeneenheid onder bepaalde omstandigheden geen rekening met de door de sonde afgegeven spanning, deze omstandigheden zijn: bij vol gas, bij snel accelereren, bij afremmen op de motor bij gas los signaal, bij een defecte lambda sonde. NOODPROGRAMMA BIJ EEN DEFECTE LAMBDA SONDE Als de spanning van de lambda sonde niet goed is (varieert nauwelijks of helemaal niet) in de regelfase, schakelt de rekeneenheid pas over op het noodprogramma als de storing gedurende 3 minuten aanwezig is geweest. De storing wordt ook slechts in dat geval in het geheugen geregistreerd. In dit geval, is de parameter: "mengselcorrectie" 128. Wanneer een defect in de sonde wordt geconstateerd terwijl dit defect reeds in het geheugen is geregistreerd schakelt de rekeneenheid de regeling direct uit
239 MOTOR L7X INSPUITSYSTEEM Mengselregeling 17 De motor met rekeneenheid "BOSCH ME7.4.6" heeft twee lambda sondes (een voorste en een achterste) per cilinderrij. VERWARMING VAN DE SONDES De verwarming van de lambda sondes wordt gestuurd door de rekeneenheid als: de accuspanning lager is dan 15 V, na een vertraging, na het starten, van 4 secondes. De verwarming van de lambda sondes stopt: afhankelijk van temperatuur, zodat de temperatuur blijft op 750 C. SPANNING VAN DE VOORSTE SONDE De waarde die het diagnoseapparaat geeft bij de parameter: "Spanning voorste lambda sonde" is de spanning die de voor de katalysator geplaatste lambda sonde afgeeft aan de rekeneenheid. Deze waarde wordt uitgedrukt in millivolts. In de mengselregelfase, moet de spanning snel schommelen tussen twee waarden: 100 mv ± 100 voor een arm mengsel, 800 ± 100 mv voor een rijk mengsel. Hoe kleiner het verschil tussen deze waarden, hoe onbetrouwbaarder de informatie (het verschil is meestal ten minste 500 mv). N.B.: als het verschil klein is, controleer dan de verwarming van de lambda sonde. SPANNING VAN DE ACHTERSTE LAMBDA SONDE De waarde die het diagnoseapparaat geeft bij de parameter: "Spanning achterste lambda sonde" is de spanning die de achter de katalysator geplaatste lambda sonde afgeeft aan de rekeneenheid. Deze waarde wordt uitgedrukt in millivolts. Met deze sonde wordt de werking gecontroleerd van de katalysator en een tweede, nauwkeurige controle uitgevoerd van het mengsel (langzame regelcyclus). Deze functie treedt pas in werking als de motor reeds enige tijd draait. In de regelfase moet de spanning variëren binnen een gebied van 600 mv ± 100. Bij afremmen op de motor, moet de spanning lager zijn dan 200 mv. Let niet op de waarde van de spanning op het diagnoseapparaat bij stationair draaien
240 MOTOR L7X INSPUITSYSTEEM Mengselregeling 17 MENGSELCORRECTIE De waarde die het diagnoseapparaat aangeeft bij de parameter "mengselcorrectie" is een weergave van de gemiddelde mengselcorrectie die door de rekeneenheid wordt uitgevoerd aan de hand van de informatie over de menselsamenstelling welke afkomstig is van de voorste lambda sonde. De lambda sonde analyseert in feite de hoeveelheid zuurstof in de uitlaatgassen, wat een maat is voor de samenstelling van het benzine/luchtmengsel. De correctiewaarde heeft als middelpunt 1: waarde lager dan 1: het mengsel moet armer worden. waarde hoger dan 1: het mengsel moet rijker worden. ACTIVEREN VAN DE MENGSELREGELING Het activeren van de regeling gebeurt na een startvertraging ongeacht de koelvloeistoftemperatuur. De startvertraging kan variëren tussen 0 en 70 secondes. Regeling tijdelijk uitgeschakeld Tijdens de regelfase, houdt de rekeneenheid onder bepaalde omstandigheden geen rekening met de door de sonde afgegeven spanning, deze omstandigheden zijn: bij vol gas, bij snel accelereren, bij afremmen op de motor met onderbreking van de inspuiting, bij een defecte lambda sonde. NOODPROGRAMMA BIJ EEN DEFECTE LAMBDA SONDE Als de spanning van de lambda sonde niet goed is (varieert nauwelijks of helemaal niet) in de regelfase, schakelt de rekeneenheid pas over op het noodprogramma als de storing gedurende 3 minuten aanwezig is geweest.. De storing wordt ook slechts in dat geval in het geheugen geregistreerd. In dit geval, is de parameter: "mengselcorrectie" 1. Wanneer een defect in de sonde wordt geconstateerd terwijl dit defect reeds in het geheugen is geregistreerd schakelt de rekeneenheid de regeling direct uit
241 MOTOR K4M - F4P INSPUITSYSTEEM 17 Adaptieve mengselcorrectie PRINCIPE Tijdens de regelfase, corrigeert de mengselregeling de inspuitduur zodat de dosering zo dicht mogelijk bij de mengselverhouding lambda = 1 is. De correctiewaarde ligt dicht bij 128, met als uitersten 0 en 255. De adaptieve mengselcorrectie verschuift het inspuitgebied zodat de mengselregeling weer wordt gecentreerd rondom 128. Als het geheugen van de rekeneenheid schoon is, zijn de adaptieve correctiewaarden gemiddeld 128 met als uiterste waarden: F4P K4M Mengselcorrectie (PR035) 60 PR PR Adaptieve mengselcorrectie belast (PR030) 82 PR PR Adaptieve mengselcorrectie stationair (PR031) 32 PR PR Omstandigheden: warme motor: koelvloeistoftemperatuur hoger dan 70 C voor motor F4P en 80 C voor motor K4M, niet boven een motortoerental van 4000 tr/min voor motor F4P en 4640 tr/min voor motor K4M, maak het dampabsorptievat los via de elektroklep of sluit de aanvoerslang af op de motor. Te doorlopen drukgebieden tijdens de proefrit Er zijn vijf drukgebieden die tijdens de rit moeten worden doorlopen, deze zones zijn als volgt vastgelegd: Drukgebied n 1 (mbar) Drukgebied n 2 (mbar) Drukgebied n 3 (mbar) Drukgebied n 4 (mbar) Drukgebied n 5 (mbar) F4P Gemiddeld 325 Gemiddeld 458 Gemiddeld 576 Gemiddeld 694 Gemiddeld 813 K4M Gemiddeld 359 Gemiddeld 498 Gemiddeld 576 Gemiddeld 654 Gemiddeld 753 Uitschakeling van de adaptieve waarden bij langdurige stationair toerentalregeling bij warme motor Als de koelvloeistoftemperatuur hoger is dan 80 C tijdens langer dan 62 secondes, stationair draaien worden de adaptieve waarden vastgezet tot aan het einde van het stationair draaien. Na deze rit zijn de correcties operationeel. U moet nu nog 5 tot 10 kilometer soepel en met wisselende snelheden doorrijden. Noteer na deze proefrit de waarden van de adaptieve correcties. Zij mogen nu niet meer 128 (de beginwaarde) zijn. Zoniet, maak dan opnieuw een proefrit en let daarbij beter op de voorgeschreven omstandigheden. BETEKENIS VAN DE WAARDEN VAN DE PROEFRIT Bij onvoldoende brandstoftoevoer (inspuitstukken vervuild, benzinedruk te laag...), neemt de waarde van de mengselregeling toe om lambda = 1 te houden en neemt de adaptieve mengselcorrectie toe om de middenwaarde van de mengselcorrectie op 128 te houden. Als de brandstoftoevoer te groot is, dan geldt het omgekeerde
242 MOTOR L7X INSPUITSYSTEEM Adaptieve mengselcorrectie 17 PRINCIPE Tijdens de regelfase, corrigeert de mengselregeling (PR 35) de inspuitduur zodat de dosering zo dicht mogelijk bij de mengselverhouding lambda = 1 is. De correctiewaarde ligt dicht bij 1, met als uitersten 0,75 en 1,25. De adaptieve mengselcorrectie verschuift het inspuitgebied zodat de mengselregeling weer wordt gecentreerd rondom 1. De correctiewaarde is rond 0 met als uitersten -11% en +11%. Als het geheugen van de rekeneenheid schoon is, zijn de adaptieve correctiewaarden gemiddeld 1 en 0 met als uiterste waarden: Mengselcorrectie 0,75 PR 35 1,25 Adaptieve mengselcorrectie belast 0,75 PR 185 en 186 1,25 Adaptieve mengselcorrectie stationair -11 % PR % Omstandigheden: warme motor (koelvloeistoftemperatuur hoger dan 70 C en luchttemperatuur lager dan 55 C), maak het dampabsorptievat los via de elektroklep of sluit de aanvoerslang af op de motor, houd de opening van de smoorklep beperkt ten opzichte van het motortoerental (zie de tabel). Te doorlopen drukgebieden tijdens de proefrit Motortoerental in tr/min minder dan 800 tr/min meer dan 1200 tr/min Maximale openingshoek van de smoorklep 60 % 70% Na deze rit zijn de correcties operationeel. U moet nu nog 5 tot 10 kilometer soepel en met wisselende snelheden doorrijden. Noteer na deze proefrit de waarden van de adaptieve correcties. Zij mogen nu niet meer 1 en 0 (de beginwaarden) zijn. Zoniet, maak dan opnieuw een proefrit en let daarbij beter op de voorgeschreven omstandigheden. BETEKENIS VAN DE WAARDEN VAN DE PROEFRIT Bij onvoldoende brandstoftoevoer, neemt de waarde van de mengselregeling (PR 35) toe om lambda = 1 te houden en worden de adaptieve correcties groter om de mengselcorrectie weer rond 1 te laten schommelen. Bij teveel brandstoftoevoer geldt het omgekeerde
243 MOTOR K4M - F4P INSPUITSYSTEEM 17 Centrale koelvloeistoftemperatuurregeling De koelventilateur wordt aangestuurd door de rekeneenheid van de inspuiting. ANTIDAMPBELFUNCTIE Het antidampbelsysteem wordt aangestuurd door de rekeneenheid van het inspuitsysteem. De informatie van de koelvloeistoftemperatuur is afkomstig van het inspuitsysteem. Na het afzetten van het contact, staat het systeem stand by. Als de temperatuur van de koelvloeistof in de motor hoger wordt dan 112,5 C voor motor F4P en 103,5 C voor motor K4M gedurende de 3 minuten die volgen op het stilzetten van de motor, wordt het relais van de lage ventilateursnelheid gevoed. Als de koelvloeistoftemperatuur weer lager is dan 100 C, wordt het relais van de koelvloeistoftemperatuur uitgeschakeld. De koelventilateur krijgt maximaal 10 minuten voeding. WERKING VAN DE KOELVENTILATEURS de koelventilateur wordt met de lage snelheid aangestuurd als de koelvloeistof warmer is dan 98 C en wordt weer uitgeschakeld zodra de temperatuur onder 95 C zakt, de koelventilateur wordt met de hoge snelheid aangestuurd als de koelvloeistof warmer is dan 102 C en wordt weer uitgeschakeld zodra de temperatuur onder 99 C zakt. WERKING VAN HET WAARSCHUWINGSLAMPJE KOELVLOEISTOFTEMPERATUUR Het waarschuwingslampje licht op als de koelvloeistoftemperatuur hoger wordt dan 118 C en dooft weer als de temperatuur is gedaald tot 115 C
244 MOTOR L7X INSPUITSYSTEEM Centrale koelvloeistoftemperatuurregeling 17 De koelventilateur wordt aangestuurd door de rekeneenheid van de inspuiting. ANTIDAMPBELFUNCTIE Het antidampbelsysteem wordt aangestuurd door de rekeneenheid van het inspuitsysteem. De informatie van de koelvloeistoftemperatuur is afkomstig van het inspuitsysteem. Na het afzetten van het contact, staat het systeem stand by. Als de temperatuur van de koelvloeistof in de motor hoger wordt dan 102 C gedurende de 10 minuten die volgen op het stilzetten van de motor, wordt het relais van de lage ventilateursnelheid gevoed. Als de koelvloeistoftemperatuur weer lager is dan 95 C, wordt het relais van de koelvloeistoftemperatuur uitgeschakeld. De koelventilateur krijgt maximaal 10 minuten voeding. WERKING VAN DE KOELVENTILATEURS de koelventilateur wordt met de lage snelheid aangestuurd als de koelvloeistof warmer is dan 99 C en wordt weer uitgeschakeld zodra de temperatuur onder 96 C zakt, de koelventilateur wordt met de hoge snelheid aangestuurd als de koelvloeistof warmer is dan 102 C en wordt weer uitgeschakeld zodra de temperatuur onder 99 C zakt. WERKING VAN HET WAARSCHUWINGSLAMPJE KOELVLOEISTOFTEMPERATUUR Het waarschuwingslampje licht op als de koelvloeistoftemperatuur hoger wordt dan 118 C en dooft weer als de temperatuur is gedaald tot 115 C
245 MOTOR F4P INSPUITSYSTEEM 17 Nokkenasverstelle De nokkenasversteller (1) is op de inlaatnokkenas gemonteerd. Hiermee kan het kleppendiagram worden veranderd. Hij wordt bediend via een (open/ dicht) elektroklep (2) op het kleppendeksel die door de rekeneenheid wordt aangestuurd R De elektroklep is in rust gesloten. Afhankelijk van de omstandigheden opent de klep om olie door te laten waarmee de stand van de nokkenasversteller wordt veranderd: als het motortoerental ligt tussen 1500 en 4250 tr/min ongeveer, als de temperatuur van de koelvloeistof hoger is dan 30 C. LET OP: als de elektroklep geblokkeerd is in de open stand, draait de motor stationair onregelmatig en is de druk in het spruitstuk bij stationair draaien te hoog R 17-32
246 MOTOR L7X INSPUITSYSTEEM Nokkenasverstelle 17 De nokkenasverstellers zijn op de inlaatnokkenassen gemonteerd. Hun taak is de afstelling van de distributie te variëren. Hij wordt bediend via twee (open/dicht) elektrokleppen op het kleppendeksel die door de rekeneenheid wordt aangestuurd. Afhankelijk van de omstandigheden openen de kleppen om olie door te laten waarmee de stand van de nokkenasversteller wordt veranderd: als de temperatuur van de koelvloeistof hoger is dan 40 C, als de temperatuur van de lucht hoger is dan 30 C, na een vertraging van 2 secondes na het starten van de motor, motortoerental tussen 1500 en 4500 tr/min, geen storing in het inspuitsysteem
247 MOTOR K4M - F4P INSPUITSYSTEEM 17 Snelheidsregelaar / -begrenzer ALGEMEEN De snelheidsregeling zorgt ervoor dat de door de bestuurder ingestelde snelheid wordt aangehouden. Deze functie kan op ieder moment worden uitgeschakeld door een druk op het rempedaal, koppelingspedaal of door een van de toetsen van het systeem. De snelheidsbegrenzer: geeft de bestuurder de mogelijkheid een maximum snelheid in te stellen. Voorbij deze snelheid is het gaspedaal niet actief. De ingestelde maximum snelheid kan altijd worden overschreden als het gaspedaal wordt ingedrukt voorbij een zwaar punt. Een controlelampje op het instrumentenpaneel informeert de bestuurder over de staat van de snelheidsregelaar/ begrenzer: Groen lampje: regelaar ingeschakeld, Oranje lampje: begrenzer ingeschakeld, Ingestelde snelheid knippert: de snelheid kan niet worden vastgehouden (bijv.: tijdens een afdaling). Voor het besturen van deze functies, ontvangt de rekeneenheid van het inspuitsysteem op aansluiting: A C3: Aan / Uit snelheidsbegrenzer A C2: Aan / Uit snelheidsregelaar A D2: Massa stuurwieltoets A D3: Signaal stuurwieltoets A E4: Ingang remlichtschakelaar openen A C4: Ingang koppelingscontact (afhankelijk van de uitvoering) A G2: Voeding potentiometer 1 van pedaal A F2: Voeding potentiometer 2 van pedaal A H3: Massa potentiometer 1 van pedaal A F4: Massa potentiometer 2 van pedaal A H2: Signaal potentiometer 1 van pedaal A F3: Signaal potentiometer 2 van pedaal A A4: Multiplexverbinding CAN H (interieur) A A3: Multiplexverbinding CAN L (interieur) B K3: Multiplexverbinding CAN L (motor) B K4: Multiplexverbinding CAN H (motor) De informatie die de rekeneenheid van het inspuitsysteem ontvangt op het multiplexnetwerk zijn: de rijsnelheid (ABS) het signaal remlichtschakelaar sluiten (ABS) de ingeschakelde versnelling (automatische transmissie) De rekeneenheid van het inspuitsysteem stuurt naar het multiplexnetwerk: de ingestelde snelheid (regeling of begrenzing) voor het instrumentenpaneel, het branden van het lampje (oranje, groen of knipperend), de informatie voor het overschakelen van de versnellingsbak (afhankelijk van de uitvoering). De rekeneenheid van het inspuitsysteem ontvangt: de informaties van het gaspedaal, de informatie van het rempedaalcontact, de informatie van het koppelingspedaalcontact, de informaties van de aan / uit schakelaar, de informaties van de stuurwieltoetsen, de informaties van de ABS-rekeneenheid, de informaties van de rekeneenheid van de automatische transmissie. Met deze informaties, stuurt de rekeneenheid van het inspuitsysteem het gemotoriseerd smoorklephuis aan, om de ingestelde snelheid vast te houden (regelaar), en en om niet sneller te rijden dan de maximum snelheid (begrenzer)
248 MOTOR K4M - F4P INSPUITSYSTEEM Snelheidsregelaar / -begrenzer 17 WERKING VAN DE SNELHEIDSREGELAAR WERKING VAN DE SNELHEIDSBEGRENZER Beginvoorwaarden: schakelaar op "snelheidsregelaar". versnellingsbak in > 2 e versnelling, rijsnelheid > 30 km/h, lampje regelaar brandt (groen), druk op toets "+", "-" of "resume". Beginvoorwaarden: schakelaar op "snelheidsbegrenzer". versnellingsbak in > 2 e versnelling, rijsnelheid > 30 km/h, lampje regelaar brandt (oranje), druk op toets "+", "-" of "resume". Eindvoorwaarden: indrukken van het gaspedaal (schakelt de functie niet uit), druk op rempedaal of koppelingspedaal, druk op toets "0", schakelaar op "uit", geen versnelling ingeschakeld, ingreep door het elektronisch stabiliteits programma (ESP) ingreep door de rekeneenheid van het inspuitsysteem. Eindvoorwaarden: druk op het gaspedaal voorbij het zware punt (schakelt de functie niet uit), druk op toets "0", schakelaar op "uit", geen versnelling ingeschakeld, ingreep door het elektronisch stabiliteits programma (ESP), ingreep door de rekeneenheid van het inspuitsysteem. N.B.: als de ingestelde snelheid knippert kan deze niet worden vastgehouden. Noodprogramma Bij een storing in een van de componenten, kan de snelheidsregelaar/begrenzer niet werken
249 MOTOR L7X INSPUITSYSTEEM Snelheidsregelaar / -begrenzer 17 ALGEMEEN De snelheidsregeling zorgt ervoor dat de door de bestuurder ingestelde snelheid wordt aangehouden. Deze functie kan op ieder moment worden uitgeschakeld door een druk op het rempedaal, (koppelingspedaal van de handgeschakelde versnellingsbak) of door een van de toetsen van het systeem. De snelheidsbegrenzing geeft de bestuurder de mogelijkheid een maximum snelheid in te stellen. Voorbij deze snelheid is het gaspedaal niet actief. De ingestelde maximum snelheid kan altijd worden overschreden als het gaspedaal wordt ingedrukt voorbij een zwaar punt. Een controlelampje op het instrumentenpaneel informeert de bestuurder over de staat van de snelheidsregelaar/ begrenzer: Groen lampje: regelaar ingeschakeld, Oranje lampje: begrenzer ingeschakeld, Ingestelde snelheid knippert: de snelheid kan niet worden vastgehouden (bijv.: tijdens een afdaling). Voor het besturen van deze functies, ontvangt de rekeneenheid van het inspuitsysteem op aansluiting: B C1: Aan / Uit snelheidsbegrenzer B L1: Aan / Uit snelheidsregelaar A B2: Massa stuurwieltoets A G1: Signaal stuurwieltoets B B2: Ingang remlichtschakelaar openen B B1: Voeding potentiometer 1 van pedaal B H1: Voeding potentiometer 2 van pedaal B K1: Massa potentiometer 1 van pedaal B A3: Massa potentiometer 2 van pedaal B A1: Signaal potentiometer 1 van pedaal B A2: Signaal potentiometer 2 van pedaal B H3: Multiplexverbinding CAN H (interieur) B H4: Multiplexverbinding CAN L (interieur) A A2: Multiplexverbinding CAN L (motor) A C2: Multiplexverbinding CAN H (motor) De informatie die de rekeneenheid van het inspuitsysteem ontvangt op het multiplexnetwerk zijn: de rijsnelheid (ABS) het signaal remlichtschakelaar sluiten (ABS) de ingeschakelde versnelling (automatische transmissie) De rekeneenheid van het inspuitsysteem stuurt naar het multiplexnetwerk: de ingestelde snelheid (regeling of begrenzing) voor het instrumentenpaneel, het branden van het lampje (oranje, groen of knipperend), de informatie voor het overschakelen van de versnellingsbak (afhankelijk van de uitvoering). De rekeneenheid van het inspuitsysteem ontvangt: de informaties van het gaspedaal, de informatie van het rempedaalcontact, de informatie van het koppelingspedaalcontact, de informaties van de aan / uit schakelaar, de informaties van de stuurwieltoetsen, de informaties van de ABS-rekeneenheid, de informaties van de rekeneenheid van de automatische transmissie. Met deze informaties, stuurt de rekeneenheid van het inspuitsysteem het gemotoriseerd smoorklephuis aan, om de ingestelde snelheid vast te houden (regelaar), en en om niet sneller te rijden dan de maximum snelheid (begrenzer)
250 MOTOR L7X INSPUITSYSTEEM Snelheidsregelaar / -begrenzer 17 WERKING VAN DE SNELHEIDSREGELAAR Beginvoorwaarden: schakelaar op "snelheidsregelaar". versnellingsbak in > 2 e versnelling, rijsnelheid > 30 km/h, lampje regelaar brandt (groen), druk op toets "+", "-" of "resume". WERKING VAN DE SNELHEIDSBEGRENZER Beginvoorwaarden: schakelaar op "snelheidsbegrenzer". versnellingsbak in > 2 e versnelling, rijsnelheid > 30 km/u, lampje regelaar brandt (oranje), druk op toets "+", "-" of "resume". Eindvoorwaarden: indrukken van het gaspedaal (schakelt de functie niet uit), druk op rempedaal of koppelingspedaal, druk op toets "0", schakelaar op "uit", geen versnelling ingeschakeld, ingreep door het elektronisch stabiliteits programma (ESP) ingreep door de rekeneenheid van het inspuitsysteem. Eindvoorwaarden: druk op het gaspedaal voorbij het zware punt (schakelt de functie niet uit), druk op toets "0", schakelaar op "uit", geen versnelling ingeschakeld, ingreep door het elektronisch stabiliteits programma (ESP) ingreep door de rekeneenheid van het inspuitsysteem. N.B.: als de ingestelde snelheid knippert kan deze niet worden vastgehouden. Noodprogramma Bij een storing in een van de componenten, kan de snelheidsregelaar/begrenzer niet werken
251 ALLE MOTORTYPES INSPUITSYSTEEM 17 Bijzonderheden "On Board Diagnostic" systeem De auto heeft een OBD "On Board Diagnostic" ingebouwd diagnosesysteem met de volgende eigenschappen: Als een storing waardoor de luchtverontreiniging toeneemt wordt waargenomen, licht er een lampje op het instrumentenpaneel (het OBD-lampje). Dit lampje geeft aan dat de bestuurder de auto moet laten repareren, Dit nieuwe diagnoseprogramma van de rekeneenheid werkt als volgt: Alleen de diagnose van de ontstekingsuitval wordt continu uitgevoerd. De andere organen die de luchtverontreiniging beïnvloeden worden een keer tijdens de rit gecontroleerd (deze diagnose is niet permanent). Dit testprogramma wordt echter niet altijd uitgevoerd. Voor het uitvoeren van het testprogramma moet aan een aantal condities zijn voldaan: temperatuurvoorwaarde, snelheidsvoorwaarde (drempel, stabiliteit enz.), startvertraging, motorvoorwaarden (spruitstukdruk, toerental, smoorklephoek enz.). Het O.B.D-programma is een aanvulling op het traditionele diagnoseprogramma voor het controleren van elektrische storingen. Om aan deze norm te voldoen, moeten: het O.B.D-lampje branden (of knipperen voor bepaalde storingen), de O.B.D-storingen in het geheugen zijn opgeslagen. GEVOLGEN VOOR HET STORING ZOEKEN EN REPAREREN Om te voorkomen dat het O.B.D-lampje oplicht als de auto aan de klant is teruggegeven, is bij het uitvoeren van werkzaamheden speciale aandacht vereist. Sommige storingen kunnen alleen optreden tijdens het rijden, als de adaptieve correcties zijn ingelezen: het bevestigen van de reparatie is dus van groot belang. Anderzijds,is het vanwege de complexiteit van het systeem nodig dat de klant u vertelt onder welke omstandigheden het lampje is gaan branden. Met deze informatie kan de storing sneller worden verholpen. De omstandigheden waarbij de storing optreedt is vastgelegd in het geheugen van de rekeneenheid. N.B.: alle elektrische storingen waardoor de luchtverontreiniging toeneemt, zorgen voor het oplichten van het O.B.D-lampje. De diagnoses die het O.B.D-systeem uitvoert zijn: de diagnose van de voor de katalysator schadelijke ontstekingsuitval, de diagnose van de vervuilende ontstekingsuitval, de diagnose van de voorste en achterste lambda sondes, de diagnose van de katalysator. N.B.: de diagnoses van de ontstekingsuitval hebben voorrang op de andere diagnoses. Zodra aan de noodzakelijke voorwaarden is voldaan, worden zij praktisch continu uitgevoerd. LET OP: aan het einde van iedere test, mag u het contact beslist niet afzetten voordat u het resultaat heeft gelezen op het diagnoseapparaat. Door het afzetten van het contact verliezen de resultaten hun betrouwbaarheid en gaat de informatie "diagnose uitgevoerd" verloren
252 ALLE MOTORTYPES INSPUITSYSTEEM Bijzonderheden "On Board Diagnostic" systeem 17 OPLICHTEN VAN HET "ON BOARD DIAGNOSTIC" LAMPJE ELEKTRISCHE STORING Continu branden van het lampje na een aantal opeenvolgende waarnemingen van de storing (afhankelijk van het orgaan). VOOR DE KATALYSATOR SCHADELIJKE ONTSTEKINGSUITVAL Het lampje gaat direct knipperen. STORING KATALYSATOR, LAMBDA SONDE, VERVUILENDE ONTSTEKINGSUITVAL Het lampje gaat branden na drie opeenvolgende waarnemingen van de storing. LET OP: de diagnoses van de katalysator en van de lambda sonde vinden achter elkaar plaats: een keer per rit (gedurende enkele secondes per test), onder bepaalde voorwaarden. Tijdens het rijden (bijvoorbeeld in een file) is het mogelijk dat bepaalde functies niet gecontroleerd worden. Lampje brandt Bij detectie van de zelfde "On Board Diagnostic"storing tijdens drie opeenvolgende ritten of elektrische storing. Lampje knippert Bij detectie van voor de katalysator schadelijke ontstekingsuitval. Lampje dooft Als de "On Board Diagnostic" storing niet terugkeert gedurende drie opeenvolgende ritten, gaat het lampje uit (maar de storing blijft geregistreerd in het geheugen van de inspuitrekeneenheid). Als de storing gedurende 40 opeenvolgende tests niet is waargenomen, verdwijnt hij (zonder diagnoseapparaat) uit het geheugen van de rekeneenheid. OPMERKING: de storing kan niet zijn waargenomen door: het tijdelijke karakter van de storing, de aard van de rit, als de klant weinig rijdt bij de omstandigheden waaronder de test plaatsvindt
253 MOTOR K4M - F4P INSPUITSYSTEEM 17 Omstandigheden diagnoseprogramma "On Board Diagnostic" OMSTANDIGHEDEN VAN DE DIAGNOSES Als bij het aanzetten van het contact en tijdens het rijden, de luchttemperatuur, gemeten door het opname element luchttemperatuur niet ligt tussen -7,5 C en 119 C, of als de koelvloeistoftemperatuur gemeten door het opname element koelvloeistoftemperatuur niet ligt tussen -7,5 C en 119 C, of als het verschil tussen entre 1046 mbar en de spruitstukdruk groter is dan 273 mbar (hoogte van ongeveer 2500 m), dan worden de "On Board Diagnostic" diagnoses niet uitgevoerd tot het volgende aanzetten van het contact. Voor een correcte werking van het OBD -diagnosesysteem "On Board Diagnostic", mag er geen enkele elektrische storing aanwezig zijn in het inspuitsysteem, zelfs als het lampje OBD "On Board Diagnostic" niet brandt De diagnoses van de lambda sonde en van de katalysator kunnen nooit gelijktijdig worden uitgevoerd. Tijdens de diagnoses van de katalysator en lambda sonde, is de dampafzuiging gesloten en de adaptieve correcties geblokkeerd op hun laatste waarden. TESTVOLGORDE herstel alle elektrische storingen wis alle storingen uit het geheugen voer alle inlezingen uit voor het inspuitsysteem controleer het "On Board Diagnostic" diagnosesysteem COMPLETE INITIALISATIE VAN DE OBD wis het storingsgeheugen Wis de "On Board Diagnostic" storingen wis de adaptieve correcties INLEZINGEN NODIG VOOR DE OBD DIAGNOSE Inlezen koppel/gas (Staat: "Herkenning cilinder 1"): Deze inlezing voert u uit door middel van: Een afremmen op de motor met onderbreking van de inspuiting in de 2 e versnelling tussen 2000 tr/min en 2400 tr/min gedurende ten minste 3 secondes, een tweede afremmen op de motor met onderbreking van de inspuiting in de 2 e versnelling entre 3000 tr/min en 3500 tr/min voor motor F4P en tussen 2000 tr/min en 2400 tr/min voor motor K4M gedurende ten minste 2 secondes. Inlezen adaptieve mengselcorrectie Voor het inlezen van deze waarden, moet u een rit maken onder de omstandigheden (spruitstukdrukken) die aangegeven staan in.hoofdstuk "Inspuitsysteem: Adaptieve mengselcorrectie" Inlezen vliegwielsignaal Voor deze inlezing, moet een rit worden gemaakt van 25 minuten. De bevestiging van dit inlezen is zichtbaar met het het diagnoseapparaat: "Inlezen tandschijf...actief"
254 INSPUITSYSTEEM 17 MOTOR L7X Omstandigheden diagnoseprogramma "On Board Diagnostic" OMSTANDIGHEDEN VAN DE DIAGNOSES Voor een correcte werking van het OBD -diagnosesysteem "On Board Diagnostic", mag er geen enkele elektrische storing aanwezig zijn in het inspuitsysteem, zelfs als het lampje OBD "On Board Diagnostic" niet brandt Tijdens de diagnoses van de katalysator en lambda sonde, is de dampafzuiging gesloten en de adaptieve correcties geblokkeerd op hun laatste waarden. TESTVOLGORDE herstel alle elektrische storingen wis alle storingen uit het geheugen voer alle inlezingen uit voor het inspuitsysteem controleer het OBD-diagnosesysteem. COMPLETE INITIALISATIE VAN DE OBD wis het storingsgeheugen wis het OBD-storingsgeheugen wis de adaptieve correcties INLEZINGEN NODIG VOOR DE OBD DIAGNOSE Inlezen vliegwielsignaal: Het inlezen van het vliegwielsignaal gebeurt automatisch en kan niet met het het diagnoseapparaat gebeuren. Inlezen adaptieve mengselcorrectie Voor deze inlezing, moet een rit worden gemaakt met de openingshoeken van de smoorklep en de toerentallen die staan aangegeven in hoofdstuk "Inspuitsysteem: Adaptieve mengselcorrectie"
255 MOTOR K4M - F4P INSPUITSYSTEEM 17 Diagnose detectie ontstekingsuitval Bij het detecteren van ontstekingsuitval wordt gezocht naar storingen waardoor de drempelwaarde wordt overschreden van het "OBD"-diagnosesysteem voor verontreiniging die schadelijk is voor de katalysator. De diagnose kan detecteren: een vervuilde of verzopen bougie, een vervuiling of afwijkende opbrengst van de inspuitstukken, een storing in de brandstoftoevoer (drukregelaar, benzinepomp enz.), een slechte stekkerverbinding in de benzine- en inspuitcircuits (secondaire bobine enz.). De diagnose wordt uitgevoerd door het meten van de kortstondige toerentalvariaties van de motor. Een vermindering van het motorkoppel is een aanwijzing voor een slechte verbranding. Deze diagnose wordt bijna continu tijdens de gehele rit uitgevoerd. Als hij wordt uitgevoerd of als de storing wordt geconstateerd worden de andere "OBD"-diagnoses (katalysator en voorste lambda sonde) geblokkeerd. Met deze diagnose kunnen twee types storingen worden opgespoord: voor de katalysator schadelijke ontstekingsuitval. Hierbij gaat het waarschuwingslampje voor de inspuiting direct knipperen, vervuilende ontstekingsuitval waardoor de luchtverontreinigingsdrempel van het "OBD"-systeem wordt overschreden. Als deze tijdens drie achtereenvolgende ritten optreedt gaat het waarschuwingslampje van het inspuitsysteem branden. VOORWAARDEN VOOR DE DETECTIE Begin met het controleren of de inlezingen zijn uitgevoerd, en aan de voorwaarden bij het aanzetten van het contact en aan de actuele voorwaarden moet ook worden voldaan. De detectie wordt uitgevoerd zodra de koelvloeistoftemperatuur hoger is dan -7,5 C, op drie werkgebieden tussen stationair toerental en 4500 tr/min. Ook kan de test van de vervuilende ontstekingsuitval worden uitgevoerd door de motor stationair te laten draaien met alle verbruikers ingeschakeld gedurende 10 minuten en 40 secondes. LET OP: aan het einde van iedere test, mag u het contact beslist niet afzetten voordat u het resultaat heeft gelezen op het diagnoseapparaat. Door het afzetten van het contact worden de resultaten onbetrouwbaar. BEVESTIGING VAN DE REPARATIE Diagnose ontstekingsuitval bezig Vervuilende ontstekingsuitval Schadelijke ontstekingsuitval ACTIEF Geen storing gedetecteerd Geen storing gedetecteerd Als na de test, het diagnoseprogramma ontstekingsuitval aangeeft, raadpleegt u de bij het betreffende verschijnsel behorende methode voor het storing zoeken
256 MOTOR L7X INSPUITSYSTEEM Diagnose detectie ontstekingsuitval 17 Bij het detecteren van ontstekingsuitval wordt gezocht naar storingen waardoor de drempelwaarde wordt overschreden van het OBD (On Board Diagnostic) diagnosesysteem voor verontreiniging die schadelijk is voor de katalysator. De diagnose kan detecteren: een vervuilde of verzopen bougie, een vervuiling of afwijkende opbrengst van de inspuitstukken, een storing in de brandstoftoevoer (drukregelaar, benzinepomp enz.), een slechte stekkerverbinding in de benzine- en inspuitcircuits, een storing van de bobine. De diagnose wordt uitgevoerd door het meten van de kortstondige toerentalvariaties van de motor. Een vermindering van het motorkoppel is een aanwijzing voor een slechte verbranding. Deze diagnose wordt bijna continu tijdens de gehele rit uitgevoerd. Met deze diagnose kunnen twee types storingen worden opgespoord: voor de katalysator schadelijke ontstekingsuitval. Hierbij gaat het OBD-lampje direct knipperen, vervuilende ontstekingsuitval waardoor de luchtverontreinigingsdrempel van het "OBD"-systeem wordt overschreden. Als deze tijdens drie achtereenvolgende ritten optreedt gaat het OBD-lampje branden. LET OP: aan het einde van iedere test, mag u het contact beslist niet afzetten voordat u het resultaat heeft gelezen op het diagnoseapparaat. Door het afzetten van het contact worden de resultaten onbetrouwbaar. BEVESTIGING VAN DE REPARATIE Vervuilende ontstekingsuitval Schadelijke ontstekingsuitval Geen storing gedetecteerd Geen storing gedetecteerd Als na de test, het diagnoseprogramma ontstekingsuitval aangeeft, raadpleegt u de bij het betreffende verschijnsel behorende methode voor het storing zoeken
257 MOTOR K4M - F4P INSPUITSYSTEEM 17 Diagnose van de katalysator Bij het controleren van de katalysator wordt gezocht naar storingen waardoor de drempelwaarde wordt overschreden van het OBD "On Board Diagnostic" diagnosesysteem voor de uitstoot van luchtverontreiniging. De zuurstofopslagcapaciteit van de katalysator is een indicatie voor de staat van de katalysator. Met het ouder worden van de katalysator neemt de zuurstofopslagcapaciteit af, tegelijk met zijn vermogen om schadelijke uitlaatgassen te verwerken. BEGINVOORWAARDEN VAN DE DIAGNOSE De diagnose van de katalysator kan pas worden uitgevoerd als de motor 17 minuten heeft gedraaid, als de noodzakelijke voorwaarden bij het aanzetten van het contact aanwezig en behouden zijn. geen elektrische storingen, cilinderherkenning uitgevoerd, geen ontstekingsuitval gedetecteerd, geen katalysatordiagnose uitgevoerd sinds het aanzetten van het contact, de inlezingen zijn uitgevoerd, de hoofdregelcyclus en de dubbele regelcyclus actief zijn, koelvloeistoftemperatuur hoger dan 75 C, snelheid tussen 63 en 130 km/u, druk tussen 430 en 650 mbar, motortoerental op het diagnoseapparaat tussen 1824 en 3712 tr/min voor motor F4P en tussen 1824 en 4000 tr/min voor motor K4M. STORINGSDETECTIE De diagnose wordt uitgevoerd bij constante snelheid in de 5 e versnelling bij 70 km/u. Als de beginvoorwaarden voor het uitvoeren van de diagnose aanwezig zijn, treden onderbrekingen in de mengselregeling op, die als gevolg hebben dat er zuurstofstootjes in de katalysator worden gestuurd. Als de katalysator in orde is, absorbeert hij de zuurstof en blijft de spanning van de achterste lambda sonde op een gemiddelde waarde. Als de katalysator versleten is, blaast u de zuurstof weer uit en verandert de spanning van de lambda sonde. De spanning van de lambda sonde gaat op en neer. Het "On Board Diagnostic"-lampje licht op na drie ritten. De test kan niet langer duren dan 52 secondes zonder de cyclus te verlaten. LET OP: aan het einde van iedere test, mag u het contact beslist niet afzetten voordat u het resultaat heeft gelezen op het diagnoseapparaat. Door het afzetten van het contact worden de resultaten onbetrouwbaar. BEVESTIGING VAN DE REPARATIE Boodschap "Diagnose "On Board Diagnostic" katalysator bezig" "Diagnose On Board Diagnostic katalysator: klaar" "Storing werking katalysator" "Bevestiging van de reparatie van de katalysator" ACTIEF ACTIEF INACTIEF GOED Als het diagnoseapparaat aangeeft "Diagnose "On Board Diagnostic": klaar... ACTIEF" of "Bevestiging van de reparatie van de katalysator...1def", is de controlecyclus niet correct uitgevoerd. In dit geval, begint u de cyclus opnieuw waarbij u goed op de detectievoorwaarden moet letten. Als na de test, het diagnoseapparaat aangeeft: "Storing werking katalysator... ACTIEF" of "Bevestiging van de reparatie van de katalysator...2def", raadpleegt u de bij het betreffende verschijnsel behorende methode voor het storing zoeken
258 MOTOR L7X INSPUITSYSTEEM Diagnose van de katalysator 17 Bij het controleren van de katalysator wordt gezocht naar storingen waardoor de drempelwaarde wordt overschreden van het OBD "On Board Diagnostic" diagnosesysteem voor de uitstoot van luchtverontreiniging. De zuurstofopslagcapaciteit van de katalysator is een indicatie voor de staat van de katalysator. Met het ouder worden van de katalysator neemt de zuurstofopslagcapaciteit af, tegelijk met zijn vermogen om schadelijke uitlaatgassen te verwerken. BEGINVOORWAARDEN VAN DE DIAGNOSE De diagnose van de katalysator kan pas worden uitgevoerd als de noodzakelijke voorwaarden bij het aanzetten van het contact aanwezig en behouden zijn. geen elektrische storingen, geen ontstekingsuitval gedetecteerd, de inlezingen zijn uitgevoerd, de hoofdregelcyclus en de dubbele regelcyclus actief zijn, motortoerental op het diagnoseapparaat tussen 1120 en 1840 tr/min. STORINGSDETECTIE De diagnose wordt uitgevoerd over een stabiele zone tussen 20 % en 30 % smoorklepopening en een motortoerental tussen 1120 en 1840 tr/min. Als de beginvoorwaarden voor het uitvoeren van de diagnose aanwezig zijn, treden onderbrekingen in de mengselregeling op, die als gevolg hebben dat er zuurstofstootjes in de katalysator worden gestuurd. Als de katalysator in orde is, absorbeert hij de zuurstof en blijft de spanning van de achterste lambda sonde op een gemiddelde waarde. Als de katalysator versleten is, blaast u de zuurstof weer uit en verandert de spanning van de lambda sonde. De spanning van de lambda sonde gaat op en neer. Het "On Board Diagnostic"-lampje licht op na drie opeenvolgende ritten. De diagnose van de katalysator duurt 60 secondes. LET OP:aan het einde van iedere test, mag u het contact beslist niet afzetten voordat u het resultaat heeft gelezen op het diagnoseapparaat. Door het afzetten van het contact worden de resultaten onbetrouwbaar. BEVESTIGING VAN DE REPARATIE "Diagnose On Board Diagnostic katalysator: klaar" "Storing werking katalysator" ACTIEF INACTIEF Als het diagnoseapparaat aangeeft "On Board Diagnostic" katalysator: niet klaar... ACTIEF", dan is de controlecyclus niet correct uitgevoerd. In dit geval, begint u de cyclus opnieuw waarbij u goed op de detectievoorwaarden moet letten. Als na de test, het diagnoseapparaat aangeeft: "Storing werking katalysator... ACTIEF" of "Bevestiging van de reparatie van de katalysator...2def", raadpleegt u de bij het betreffende verschijnsel behorende methode voor het storing zoeken
259 MOTOR K4M - F4P INSPUITSYSTEEM 17 Diagnose van de lambda sonde Bij het controleren van de katalysator wordt gezocht naar storingen waardoor de drempelwaarde wordt overschreden van het OBD "On Board Diagnostic" diagnosesysteem voor de uitstoot van luchtverontreiniging. De diagnose wordt uitgevoerd door de periodes van de frequenties van de lambda sondes te vergelijken. De voorste lambda sondes kunnen op twee manieren achteruit gaan: mechanisch: draadbreuk die vertaald wordt als een elektrische storing, chemisch: hierdoor neemt de reactiesnelheid van de sonde af, wat te zien is aan een langere periode van het signaal. Als aan de voorwaarden voor de controle wordt voldaan, berekent het systeem het gemiddelde van de periodes van de gemeten sonde, gecorrigeerd voor storende effecten, en vergelijkt dit met een gemiddelde drempelperiode van het "OBD"-systeem. TESTOMSTANDIGHEDEN De diagnose van de voorste lambda sonde kan pas worden uitgevoerd als de motor 15 minuten heeft gedraaid, als de noodzakelijke voorwaarden bij het aanzetten van het contact aanwezig en behouden zijn. geen elektrische storingen, de inlezingen en de cilinderherkenning zijn uitgevoerd, geen lambda sonde diagnose uitgevoerd sinds het aanzetten van het contact, geen ontstekingsuitval gedetecteerd, koelvloeistoftemperatuur hoger dan 75 C, motortoerental gemiddeld tussen 1824 en 4000 tr/min voor motor F4P en tussen 1632 en 4000 tr/min voor motor K4M. druk tussen 328 en 750 mbar, snelheid tussen 63 en 130 km/u, STORINGSDETECTIE D diagnose wordt uitgevoerd onder de eerder beschreven omstandigheden zoals de klant de auto gebruikt, met uitschakeling van de dampafzuiging. Deze test duurt minimaal 40 secondes. De rekeneenheid geeft de boodschap "Diagnose lambda sonde: bezig". De test kan niet langer duren dan 52 secondes zonder de cyclus te verlaten. LET OP: aan het einde van iedere test, mag u het contact beslist niet afzetten voordat u het resultaat heeft gelezen op het diagnoseapparaat. Door het afzetten van het contact worden de resultaten onbetrouwbaar. BEVESTIGING VAN DE REPARATIE Boodschap: "Diagnose On Board Diagnostic lambda sonde: bezig" "Diagnose On Board Diagnostic lambda sonde: klaar" "Storing werking lambda sonde" "Bevestiging van de reparatie van de lambda sonde" ACTIEF ACTIEF INACTIEF GOED Als het diagnoseapparaat aangeeft "On Board Diagnostic lambda sonde: klaar... ACTIEF" of "Bevestiging van de reparatie van de lambda sonde...1def", is de controlecyclus niet correct uitgevoerd. In dit geval, begint u de cyclus opnieuw waarbij u goed op de detectievoorwaarden moet letten. Als na de test, het diagnoseapparaat aangeeft: "Storing werking katalysator... ACTIEF" of "Bevestiging van de reparatie van de lambda sonde...2def", raadpleegt u de bij het betreffende verschijnsel behorende methode voor het storing zoeken
260 MOTOR L7X INSPUITSYSTEEM Diagnose van de lambda sonde 17 Bij het detecteren van ontstekingsuitval wordt gezocht naar storingen waardoor de drempelwaarde wordt overschreden van het "On Board Diagnostic" diagnosesysteem voor verontreiniging (CH, CO, NOx) die schadelijk is voor de katalysator. De diagnose wordt uitgevoerd door de periodes van de frequenties van de voorste lambda sondes te vergelijken. De voorste lambda sonde kan op twee manieren achteruit gaan: mechanisch: draadbreuk die vertaald wordt als een elektrische storing, chemisch: hierdoor neemt de reactiesnelheid van de sonde af, wat te zien is aan een langere periode van het signaal. Als aan de voorwaarden voor de controle wordt voldaan, berekent het systeem het gemiddelde van de periodes van de gemeten sonde, gecorrigeerd voor storende effecten, en vergelijkt dit met een gemiddelde drempelperiode van het "OBD"-systeem. TESTOMSTANDIGHEDEN De diagnose van de voorste lambda sonde kan pas worden uitgevoerd als de noodzakelijke voorwaarden bij het aanzetten van het contact aanwezig en behouden zijn. geen elektrische storingen, de inlezingen zijn uitgevoerd, geen ontstekingsuitval gedetecteerd, koelvloeistoftemperatuur hoger dan 40 C, gemiddeld toerental van de motor tussen 650 en 6200 tr/min. iedere belasting van de motor, alle snelheden. STORINGSDETECTIE D diagnose wordt uitgevoerd onder de eerder beschreven omstandigheden zoals de klant de auto gebruikt. De rekeneenheid geeft de boodschap Diagnose lambda sonde: klaar". LET OP: aan het einde van iedere test, mag u het contact beslist niet afzetten voordat u het resultaat heeft gelezen op het diagnoseapparaat. Door het afzetten van het contact worden de resultaten onbetrouwbaar. BEVESTIGING VAN DE REPARATIE "Diagnose On Board Diagnostic lambda sonde:" "Storing werking lambda sonde" "Bevestiging van de reparatie van de lambda sonde" klaar ACTIEF INACTIEF GOED Als het diagnoseapparaat aangeeft "On Board Diagnostic lambda sonde: klaar... ACTIEF" of "Bevestiging van de reparatie van de lambda sonde...1def", is de controlecyclus niet correct uitgevoerd. In dit geval, begint u de cyclus opnieuw waarbij u goed op de detectievoorwaarden moet letten. Als na de test, het diagnoseapparaat aangeeft: "Storing werking katalysator... ACTIEF" of "Bevestiging van de reparatie van de lambda sonde...2def", raadpleegt u de bij het betreffende verschijnsel behorende methode voor het storing zoeken
261 MOTOR K4M - F4P INSPUITSYSTEEM 17 Rekeneenheid BESTEMMING VAN DE AANSLUITINGEN VAN DE REKENEENHEID VAN HET INSPUITSYSTEEM STEKKER A H2 H3 H4 G2 G4 F2 F3 F4 E4 B4 C4 A2 A3 A4 C3 D2 D SIGNAAL OPNAME ELEMENT GASPEDAAL (BAAN 1) MASSA OPNAME ELEMENT GASPEDAAL (BAAN 1) MASSA VERMOGEN VOEDING OPNAME ELEMENT GASPEDAAL (BAAN 2) MASSA VERMOGEN VOEDING OPNAME ELEMENT GASPEDAAL (BAAN 2) SIGNAAL OPNAME ELEMENT GASPEDAAL (BAAN 2) MASSA OPNAME ELEMENT GASPEDAAL (BAAN 2) INFORMATIE REMPEDAAL DIAGNOSESIGNAAL INFORMATIE KOPPELINGSPEDAAL SCHAKELAAR AAN / UIT SNELHEIDSREGELAAR MULTIPLEXVERBINDING CAN L MET HUIS MET HULPORGANEN INTERIEUR MULTIPLEXVERBINDING CAN H MET HUIS MET HULPORGANEN INTERIEUR SCHAKELAAR AAN / UIT SNELHEIDSBEGRENZER VOEDING SCHAKELAARS SNELHEIDSREGELAAR/BEGRENZER SIGNAAL SCHAKELAARS SNELHEIDSREGELAAR/BEGRENZER STEKKER B M2 M3 M4 L2 L3 L4 K3 K4 H2 H3 H4 G2 G3 G4 F2 F3 F4 E2 E3 E4 D3 D4 C2 B2 A2 A4 C STUURSIGNAAL INSPUITSTUK 4 STUURSIGNAAL (-) GEMOTORISEERDE SMOORKLEP STUURSIGNAAL (+) GEMOTORISEERDE SMOORKLEP STUURSIGNAAL INSPUITSTUK 3 STUURSIGNAAL INSPUITSTUK 2 STUURSIGNAAL INSPUITSTUK 1 MULTIPLEXVERBINDING CAN L (AUTOMATISCHE TRANSMISSIE) MULTIPLEXVERBINDING CAN L (AUTOMATISCHE TRANSMISSIE) VOEDING OPNAME ELEMENT SPRUITSTUKDRUK SIGNAAL OPNAME ELEMENT SPRUITSTUKDRUK VOEDING OPNAME ELEMENT SPRUITSTUKDRUK VOEDING SMOORKLEPWEERSTAND GEMOTORISEERD SMOORKLEPHUIS SIGNAAL SMOORKLEPWEERSTAND (BAAN 1) GEMOTORISEERD SMOORKLEPHUIS MASSA SMOORKLEPWEERSTAND GEMOTORISEERD SMOORKLEPHUIS INFORMATIE KOELVLOEISTOFTEMPERATUUR SIGNAAL OPNAME ELEMENT VLIEGWIEL MASSA OPNAME ELEMENT KOELVLOEISTOFTEMPERATUUR INFORMATIE LUCHTTEMPERATUUR MASSA OPNAME ELEMENT LUCHTTEMPERATUUR SIGNAAL OPNAME ELEMENT VLIEGWIEL SIGNAAL SMOORKLEPWEERSTAND (BAAN 2) GEMOTORISEERD SMOORKLEPHUIS CIRCUIT STUURSIGNAAL ACTUATORRELAIS AFSCHERMING PINGELDETECTOR MASSA PINGELDETECTOR SIGNAAL PINGELDETECTOR + NA CONTACT SIGNAAL DRUKCONTACT STUURBEKRACHTIGING 17-48
262 MOTOR K4M - F4P INSPUITSYSTEEM Rekeneenheid 17 BESTEMMING VAN DE AANSLUITINGEN VAN DE REKENEENHEID VAN HET INSPUITSYSTEEM STEKKER C A2 B2 B1 C1 D1 E1 F2 F1 G3 G2 G1 H3 H2 H1 E SIGNAAL ACHTERSTE LAMBDA SONDE MASSA SIGNAAL ACHTERSTE LAMBDA SONDE SIGNAAL VOORSTE LAMBDA SONDE MASSA SIGNAAL VOORSTE LAMBDA SONDE STUURSIGNAAL RELAIS BENZINEPOMP STUURSIGNAAL ELEKTROKLEP DAMPAFZUIGING STUURSIGNAAL RELAIS KOELVENTILATEUR SNEL DRAAIEN STUURSIGNAAL RELAIS KOELVENTILATEUR LANGZAAM DRAAIEN STUURSIGNAAL VERWARMING ACHTERSTE LAMBDA SONDE VOEDING + NA RELAIS STUURSIGNAAL VERWARMING VOORSTE LAMBDA SONDE STUURSIGNAAL BOBINE CILINDERS 2 EN 3 STUURSIGNAAL BOBINE CILINDERS 1 EN 4 MASSA VERMOGEN STUURSIGNAAL NOKKENASVERSTELLER (alleen F4P) 17-49
263 MOTOR L7X INSPUITSYSTEEM Rekeneenheid 17 AANSLUITINGEN STEKKER A A3 B2 B3 C3 C4 D1 D2 D3 D4 E1 E2 E3 E4 F1 F2 F3 F4 G1 G2 G3 G4 H1 H2 H3 H4 A2 C VOEDING OPNAME ELEMENT SPRUITSTUKDRUK VOEDING SCHAKELAARS SNELHEIDSREGELAAR/BEGRENZER SIGNAAL OPNAME ELEMENT SPRUITSTUKDRUK MASSA OPNAME ELEMENT SPRUITSTUKDRUK VOEDING OPNAME ELEMENT LUCHTTEMPERATUUR SIGNAAL OPNAME ELEMENT OLIETEMPERATUUR VOEDING OPNAME ELEMENT KOELVLOEISTOFTEMPERATUUR SIGNAAL OPNAME ELEMENT KOELVLOEISTOFTEMPERATUUR SIGNAAL OPNAME ELEMENT LUCHTTEMPERATUUR SIGNAAL ACHTERSTE LAMBDA SONDE ACHTERSTE CILINDERS SIGNAAL VOORSTE LAMBDA SONDE ACHTERSTE CILINDERS SIGNAAL ACHTERSTE LAMBDA SONDE VOORSTE CILINDERS SIGNAAL VOORSTE LAMBDA SONDE VOORSTE CILINDERS MASSA VOORSTE LAMBDA SONDE ACHTERSTE CILINDERS MASSA ACHTERSTE LAMBDA SONDE ACHTERSTE CILINDERS MASSA ACHTERSTE LAMBDA SONDE VOORSTE CILINDERS MASSA VOORSTE LAMBDA SONDE VOORSTE CILINDERS SIGNAAL SCHAKELAARS SNELHEIDSREGELAAR/BEGRENZER STUURSIGNAAL BOBINE CILINDER 6 STUURSIGNAAL BOBINE CILINDER 5 STUURSIGNAAL BOBINE CILINDER 4 MASSA VERMOGEN STUURSIGNAAL BOBINE CILINDER 1 STUURSIGNAAL BOBINE CILINDER 3 STUURSIGNAAL BOBINE CILINDER 2 MULTIPLEXVERBINDING CAN L (MOTOR) MULTIPLEXVERBINDING CAN H (MOTOR) STEKKER B A1 A2 A3 B1 B2 B4 C1 E3 H1 H2 J4 K1 K4 L1 L4 M4 H3 H SIGNAAL OPNAME ELEMENT GASPEDAAL (BAAN 1) SIGNAAL OPNAME ELEMENT GASPEDAAL (BAAN 2) MASSA OPNAME ELEMENT GASPEDAAL (BAAN 2) VOEDING OPNAME ELEMENT GASPEDAAL (BAAN 1) SIGNAAL PINGELDETECTOR + NA CONTACT SCHAKELAAR AAN / UIT SNELHEIDSBEGRENZER SIGNAAL DRUKCONTACT STUURBEKRACHTIGING VOEDING OPNAME ELEMENT GASPEDAAL (BAAN 2) DIAGNOSESIGNAAL STUURSIGNAAL RELAIS KOELVENTILATEUR LANGZAAM DRAAIEN MASSA OPNAME ELEMENT GASPEDAAL (BAAN 1) STUURSIGNAAL RELAIS KOELVENTILATEUR SNEL DRAAIEN SCHAKELAAR AAN / UIT SNELHEIDSREGELAAR MASSA VERMOGEN MASSA VERMOGEN MULTIPLEXVERBINDING CAN H MET HUIS MET HULPORGANEN INTERIEUR MULTIPLEXVERBINDING CAN H MET HUIS MET HULPORGANEN INTERIEUR 17-50
264 MOTOR L7X INSPUITSYSTEEM Rekeneenheid 17 STEKKER C A1 A2 A3 A4 B1 B2 B3 B4 C1 C2 C3 C4 E1 E2 E3 F1 F4 G1 H4 J3 J4 K1 K2 K3 K4 L1 L2 L3 L4 M1 M2 M3 M SIGNAAL PINGELDETECTOR VOORSTE CILINDERS MASSA PINGELDETECTOR VOORSTE CILINDERS SIGNAAL PINGELDETECTOR ACHTERSTE CILINDERS MASSA PINGELDETECTOR ACHTERSTE CILINDERS MASSA OPNAME ELEMENT NOKKENAS VOORSTE EN ACHTERSTE CILINDERS VOEDING OPNAME ELEMENT NOKKENAS VOORSTE EN ACHTERSTE CILINDERS SIGNAAL SMOORKLEPWEERSTAND (BAAN 1) GEMOTORISEERD SMOORKLEPHUIS SIGNAAL SMOORKLEPWEERSTAND (BAAN 2) GEMOTORISEERD SMOORKLEPHUIS SIGNAAL OPNAME ELEMENT NOKKENAS VOORSTE CILINDERS SIGNAAL OPNAME ELEMENT NOKKENAS ACHTERSTE CILINDERS MASSA SMOORKLEPWEERSTANDEN (BAAN 1 EN 2) GEMOTORISEERD SMOORKLEPHUIS VOEDING +5 V SMOORKLEPWEERSTANDEN (BAAN 1 EN 2) GEMOTORISEERD SMOORKLEPHUIS STUURSIGNAAL RELAIS ACTUATOR SIGNAAL OPNAME ELEMENT VLIEGWIEL SIGNAAL OPNAME ELEMENT VLIEGWIEL STUURSIGNAAL NOKKENASVERSTELLER ACHTERSTE CILINDERS STUURSIGNAAL ELEKTROKLEP DAMPAFZUIGING STUURSIGNAAL NOKKENASVERSTELLER VOORSTE CILINDERS VOEDING INSPUITSTUKKEN STUURSIGNAAL INSPUITSTUK 2 STUURSIGNAAL INSPUITSTUK 4 STUURSIGNAAL INSPUITSTUK 1 STUURSIGNAAL INSPUITSTUK 6 STUURSIGNAAL INSPUITSTUK 3 STUURSIGNAAL INSPUITSTUK 5 STUURSIGNAAL VERWARMING VOORSTE LAMBDA SONDE VOORSTE CILINDERS STUURSIGNAAL VERWARMING ACHTERSTE LAMBDA SONDE VOORSTE CILINDERS VOEDING + NA RELAIS STUURSIGNAAL (-) GEMOTORISEERDE SMOORKLEP STUURSIGNAAL VERWARMING VOORSTE LAMBDA SONDE VOORSTE ACHTERSTE CILINDERS STUURSIGNAAL VERWARMING ACHTERSTE LAMBDA SONDE ACHTERSTE CILINDERS STUURSIGNAAL (+) GEMOTORISEERDE SMOORKLEP MASSA VERMOGEN 17-51
265 119 KOELSYSTEEM 19 Gegevens HOEVEELHEID EN SOORT KOELVLOEISTOF Motor Hoeveelheid (liter) Soort Bijzonderheid K4M-F4P 6,5 F9Q 7 L7X 7,2 GLACEOL RX (type D) gebruik alleen koelvloeistof Bescherming tot - 20 ± 2 C voor koude en gematigde klimaten. Bescherming tot - 37 ± 2 C voor zeer koud klimaat. THERMOSTAAT Type motor Openen begint (in C) Openen eindigt (in C) Slag (in mm) K4M-F4P-F9Q ,5 L7X ,9 19-1
266 KOELSYSTEEM 19 Vullen - ontluchten De koelvloeistof stroomt permanent door de kachelradiateur die bijdraagt aan de koeling van de motor. VULLEN Open de ontluchtingsnippels. Vul het circuit via de opening in het expansievat. Sluit de ontluchtingsnippels zodra er vloeistof zonder luchtbellen uitstroomt. Laat de motor draaien met (2 500 tr/min). Blijf de vloeistof in het expansievat gedurende ongeveer 4 minuten op peil houden. Sluit het expansievat met de dop. ONTLUCHTEN Laat de motor gedurende 20 minuten draaien met tr/min, tot het inschakelen van de koelventilateur(s), dit is de tijd die nodig is nodig voor het automatisch ontluchten. Controleer of het peil in het expansievat bij het "Maxi"- merkteken staat. DRAAI DE ONTLUCHTINGSNIPPEL(S) NOOIT OPEN ALS DE MOTOR DRAAIT. CONTROLEER BIJ WARME MOTOR NOGMAALS OF DE DOP VAN HET EXPANSIEVAT GOED VASTZIT. Motor F4P en K4M Plaats van de ontluchtingsnippel op de koelvloeistofuitgang 15155R 19-2
267 KOELSYSTEEM 19 Controle ONMISBAAR SPECIAAL GEREEDSCHAP M.S Adapter voor M.S M.S Adapter voor M.S M.S Gereedschap voor controle van de afdichting van het koelsysteem 1 - Controle van de afdichting van het koelsysteem Vervang de dop van het expansievat door de adapter M.S Sluit hier het controlegereedschap M.S op aan. Laat de motor warm draaien en zet hem stil. Pomp het circuit onder druk. Pomp tot de druk 0,1 bar onder de afstelwaarde van de dop van het expansievat is. De druk mag niet teruglopen, spoor anders het lek op. Draai de aansluiting van M.S geleidelijk los zodat de druk uit het koelsysteem kan ontsnappen, en vervang de adapter M.S door de expansievatdop voorzien van een nieuwe afdichtring. 2 - Controle van de afstelling van de expansievatdop Wanneer er koelvloeistof via de dop ontsnapt is, moet deze dop beslist door een nieuwe worden vervangen. Monteer de adapter M.S op de pomp M.S en draai de dop op de adapter. Voer de druk op, deze moet zich stabiliseren op de afstelwaarde van de dop met een tolerantie van ± 0,1 bar. Afstelwaarde van de dop: Motortype Kleur van de klep Afstelwaarde (in bar) Alle typen Bruin 1, R 19-3
268 MOTOR K4M - F4P 219 KOELSYSTEEM 19 Schema HANDGESCHAKELDE VERSNELLINGSBAK Motor Radiateur Doorstroom expansievat met ontluchting achter thermostaat Kachelradiateur Thermostaatsteun Doseur 3 mm Doseur 8,5 mm Waterpomp Thermostaat Ontluchtingsnippel De bruine expansievatdop is afgesteld op 1,2 bar. 19-4
269 MOTOR K4M - F4P KOELSYSTEEM Schema 19 AUTOMATISCHE TRANSMISSIE Motor Radiateur Doorstroom expansievat met ontluchting achter thermostaat Kachelradiateur Thermostaatsteun Oliekoeler automatische transmissie. Doseur 3 mm Doseur 8,5 mm Doseur 10 mm Waterpomp Thermostaat Ontluchtingsnippel De bruine expansievatdop is afgesteld op 1,2 bar. 19-5
270 MOTOR F9Q KOELSYSTEEM Schema Motor Radiateur Doorstroom expansievat met ontluchting achter thermostaat Kachelradiateur Thermostaatsteun Steun verwarmingselementen (indien van toepassing) Doseur 3 mm Doseur 8,5 mm Olie/waterkoeler Waterpomp Thermostaat Ontluchtingsnippel De bruine expansievatdop is afgesteld op 1,2 bar. 19-6
271 MOTOR L7X KOELSYSTEEM Schema Motor Radiateur Doorstroom expansievat met permanente ontluchting Kachelradiateur Oliekoeler automatische transmissie. Uitgang koelsysteem Doseur 3 mm Doseur 16 mm Waterpomp Dubbelwerkende thermostaat Ontluchtingsnippels De bruine expansievatdop is afgesteld op 1,2 bar. 19-7
272 MOTOR L7X KOELSYSTEEM 19 Thermostaat UITBOUWEN Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Bouw uit: de bevestigingen (3) en (4) van de koelbuizen, Maak de massakabel van de accu los. Verwijder de beschermplaat onder de motor. Tap het koelsysteem af via de onderste radiateurslang. Verwijder de inlaatluchtslang van het luchtfilterhuis. Maak de bedrading los bij (1) en verwijder de bevestiging (2) en druk de kabelbundel opzij. 44 de thermostaat INBOUWEN Ga te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. Vul en ontlucht het koelsysteem (zie hoofdstuk 19 "Vullen - ontluchten"). 19-8
273 MOTOR ALLE TYPES KOELSYSTEEM 19 Radiateur ONMISBAAR SPECIAAL GEREEDSCHAP UITBOUWEN Mot Mot Mot Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Klembandtang Lange klembandtang Boor hiertoe de drie afbreekbouten in met een boortje 5 mm in het hart van de bout. Verwijder hierna de bouten met een tapeindtrekker. Verwijder de accu en de beschermplaat onder de motor. Tap het koelsysteem af via de onderste radiateurslang. Bouw uit: de relaisplaat bij (1), de accubak bij (2). 29 Wip het stuurbekrachtigingsreservoir los van zijn steun en druk het opzij
274 MOTOR ALLE TYPES KOELSYSTEEM Radiateur 19 Maak los: de stekkers van de ventilateurgroep, de bovenste radiateurslang, de stekkers van de mistlichten bij (3), door de spatplaten links en rechts gedeeltelijk te verwijderen, de schildbumper, de twee bovenste geleiders (A) van de schildbumper, en maak daarna het klemmetje (B) vrij op elke koplamp, de drie bevestigingsbouten (2) op elke koplamp, de twee koplampen door de stekkers los te maken BELANGRIJK: Na het monteren van de koplampen, moet u deze afstellen: zet de auto op een horizontale ondergrond, zet de stelknop op 0, voer de afstelling uit. Heeft de auto Xenonkoplampen, dan moet u het systeem initialiseren en de koplampen afstellen (raadpleeg hoofdstuk "Xenonkoplampen, initialiseren van het systeem"). 30 LET OP: Bij Xenonkoplampen, is het verboden de lamp in te schakelen als deze niet in de koplamp is gemonteerd (gevaar voor de ogen)
275 MOTOR ALLE TYPES KOELSYSTEEM Radiateur 19 Bouw uit: de radiateurgrille, de bevestigingen van de bovenste dwarsbalk en leg deze op de motor. 30 de onderste bevestigingen van de radiateur, de luchtslangen op de tussenkoeler (motor F9Q) en druk ze opzij, de bevestigingsklemmetjes van de condensor op de radiateur of op de tussenkoeler (motor F9Q). Bevestig de condensor aan de dwarsbalk en bouw de koeleenheid uit. INBOUWEN Ga te werk in omgekeerde volgorde van het uitbouwen. Let op dat de ribben van de radiateur of van de condensor bij het uitbouwen-inbouwen niet beschadigen, bescherm ze indien nodig. Vul en ontlucht het koelsysteem (zie hoofdstuk 19 "Vullen - ontluchten")
276 MOTOR F4P - K4M KOELSYSTEEM 19 Waterpomp ONMISBAAR SPECIAAL GEREEDSCHAP Mot Mot Mot Klembandtang Lange klembandtang UITBOUWEN AANTREKKOPPELS (in dan.m) Motor K4M Bouten waterpomp M6 1 Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Maak de massakabel van de accu los. M8 2,2 Motor F4P Bouten waterpomp 0,9 Tap het koelsysteem af via de onderste radiateurslang. Reinigen De pasvlakken van de onderdelen mogen beslist niet schoon worden geschraapt. Los de achtergebleven pakkingresten op met Décapjoint. Draag hierbij handschoenen. Breng het product aan op de te reinigen delen ; laat het ongeveer tien minuten inwerken en veeg het metaal met een houten spatel schoon. Laat het product niet op de lak van de auto terechtkomen. Bouw uit: de distributieriem (zie hoofdstuk 11 "Distributieriem"). de spanrol van de distributieriem (motor K4M), de waterpomp S 19-12
277 MOTOR F4P - K4M KOELSYSTEEM Waterpomp 19 INBOUWEN Plaats de waterpomp. Monteer de spanrol van de distributieriem, met de nok van de rol in de groef (A). Motor K4M De afdichting gebeurt met Loctite 518, de strook (C) moet een breedte hebben van 0,6 tot 1 mm en volgens onderstaande tekening worden aangebracht R R Span de M6 en M8 bouten voor met 0,8 dan.m en zet ze daarna vast met 1,1 dan.m (M6 bouten) en met 2,2 dan.m (M8 bouten) in de voorgeschreven volgorde. N.B.: plaats 1 à 2 druppels Loctite FRENETANCH op de bouten 1 en 4 van de waterpomp R 19-13
278 MOTOR F4P - K4M KOELSYSTEEM Waterpomp 19 Motor F4P N.B.: borg de bouten (3) en (4) met een druppeltje LOCTITE FRENETANCH op de schroefdraad. Monteer de nieuwe afdichting. Span de bouten van de waterpomp in de aangegeven volgorde voor tot zij aanliggen, en zet ze daarna vast met een aantrekkoppel van 0,9 dan.m in dezelfde aantrekvolgorde. Monteer de distributieriem (zie de methode in hoofdstuk 11 "Distributieriem"). Vul en ontlucht het koelsysteem (zie hoofdstuk 19 "Vullen - ontluchten")
279 MOTOR F9Q KOELSYSTEEM Waterpomp 19 ONMISBAAR SPECIAAL GEREEDSCHAP Mot Mot Mot AANTREKKOPPELS (in dan.m) Bouten waterpomp 0,9 Klembandtang Lange klembandtang INBOUWEN N.B.: borg de bouten (3) en (4) met een druppeltje LOCTITE FRENETANCH op de schroefdraad. UITBOUWEN Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Maak de massakabel van de accu los. Verwijder de beschermplaat onder de motor. Tap het koelsysteem af via de onderste radiateurslang. Bouw uit: de distributieriem (zie hoofdstuk 11 "Distributieriem"). de waterpomp R Plaats: de waterpomp met een nieuwe afdichting en zet de bouten vast met een aantrekkoppel van 0,9 dan.m, de distributieriem (zie de methode in hoofdstuk 11 "Distributieriem"). Vul en ontlucht het koelsysteem (zie hoofdstuk 19 "Vullen - ontluchten") S 19-15
280 MOTOR L7X KOELSYSTEEM Waterpomp 19 ONMISBAAR SPECIAAL GEREEDSCHAP Mot Mot Mot Mot Mot Klembandtang Lange klembandtang Blokkeergereedschap van de naven van de uitlaatnokkenassen Blokkeergereedschap van de naven van de inlaatnokkenassen AANTREKKOPPELS (in dan.m) Bouten waterpomp 0,8 Nokkenasnaafbout 8 UITBOUWEN Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Maak de massakabel van de accu los. Tap het koelsysteem af via de onderste radiateurslang. Bouw uit: de distributieriem (zie de methode in hoofdstuk 11 "Distributieriem"). de afstelpennen Mot van de voorste cilinderkop, 10 BELANGRIJK De bevestigigsbouten van de nokkenasnaven hebben een linkse schroefdraad; draai ze rechtsom los. De pijl op de koppen geven de vastzetrichting aan. Bouw uit: de complete nokkenaspoelies-naven van de voorste cilinderkop waarbij u de naven blokkeert met Mot (uitlaatnokkenasnaaf) en Mot (inlaatnokkenasnaaf). Voor deze laatste gebruikt u een kleine sterdop van
281 MOTOR L7X KOELSYSTEEM Waterpomp 19 het binnenste distributiedeksel (1), de geleiderollen (2), de steun (3) en bouw hem via de bovenkant uit. Houd indien nodig de motor omhoog met het motorsteungereedschap Mot
282 MOTOR L7X KOELSYSTEEM Waterpomp 19 Verwijder d waterpomp in deze volgorde: eerst de bouten (4) en (5) en daarna bout (6) R INBOUWEN Monteer de waterpomp met een nieuwe afdichting. Zet de bouten (4), (5), (6) in deze volgorde vast met een aantrekkoppel van 0,8 dan.m. Plaats de distributieriem (zie de methode in hoofdstuk 11 "Distributieriem""). Vul en ontlucht het koelsysteem (raadpleeg het hoofdstuk"vulllen - ontluchten19 ")
283 ALLE MOTORTYPES UITLAAT 19 Algemeen De complete uitlaatlijn is van roestvrij staal. MARKERING VAN DE DOORSNIJDINGEN Omdat de katalysator zeer heet wordt, mag u de auto in geen geval parkeren op een plaats waar brandbare materialen (hoog gras, bladeren) in contact kunnen komen met de katalysator. De doorsijdingsplaats is aangegeven met twee centerpunten op de uitlaatbuis tussen de katalysator en de expansiepot (bij de motortypes K4, F4 en F5). Ieder beschadigd hitteschild moet beslist worden vervangen. LET OP: er mag absoluut geen lekkage optreden tussen het uitlaatspruitstuk en de katalysator, iedere beschadigde afdichting moet beslist worden vervangen, bij het uitbouwen mag er beslist niet tegen de katalysator geslagen worden om te voorkomen dat deze inwendig beschadigd wordt. DOORSNIJDEN VAN HET UITLAATSYSTEEM Het uitlaatsysteem vormt bestaat uit één geheel. Dat wil zeggen dat er geen onderbreking is vanaf de ingang van de katalysator tot aan de ingang van de achterste demper behalve bij auto's met motortype L7X. Voor het vervangen van een van de onderdelen van het systeem, moet u daarom de uitlaatlijn doorsnijden. Daarvoor is het nodig: de doorsnijding op de juiste plaats uit te voeren, het snijgereedschap Mot te gebruiken, bij het monteren een montagehuls aan te brengen De doorsijdingsplaats is niet aangegeven op de uitlaatlijn van motortype F9Q want de buis wordt in zijn geheel uit- en ingebouwd. De afstand tussen de merktekens op de pijp is 80 mm. Voor de doorsnijding van de buis, tekent u het midden (D) af tussen de twee merktekens (P1 en P2). DI
284 ALLE MOTORTYPES UITLAAT Algemeen 19 GEBRUIK VAN HET GEREEDSCHAP MOT Plaats het gereedschap over de uitlaatbuis R1 Controleer de stand van de buis ten opzichte van de nokken. Zet de twee bouten van het gereedschap vast zodat het snijgereedschap tegen de buis drukt. Draai het snijgereedschap aan het handvast tegen de uitlaatbuis. Naarmate de doorsnijding vordert, zet u de de twee bouten van het gereedschap vaster (zet het echter niet te vast om te voorkomen dat de buis vervormt). AANBRENGEN VAN DE MONTAGEHULS Om iedere lekkage van de uitlaat te voorkomen moet de huls goed over de twee buiseinden worden geplaatst. De buizen moeten tot tegen de nokjes in de huls worden geschoven. Schuif de huls eerst op het weer te gebruiken onderdeel en breng hem op de juiste diameter door de klem lichtjes aan te draaien. Plaats het nieuwe onderdeel. Om lekkage te voorkomen brengt u uitlaatkit aan op de binnenwand van de huls voordat u deze monteert. In de moer van de huls is een groef (A) aangebracht om de moer vast te kunnen zetten met het juiste aantrekkoppel. Als bij het aandraaien deze groef niet meer te zien is hoort u een klik en de moer is dan vastgezet met het juiste aantrekkoppel (2,5 dan.m). OPMERKINGEN: Uitlaathulzen zijn er in diverse diameters. Een reeds gemonteerde huls mag niet opnieuw worden gebruikt
285 UITLAAT 19 Overzicht van het uitlaatsysteem OVERZICHT VAN DE UITLAATLIJN EN DE DOORSNIJDINGSPLAATSEN Motors F4P en K4M Motor F5R ZC Katalysator Expansiepot Demper Doorsijdingsplaats van de buis 19-21
286 UITLAAT Overzicht van het uitlaatsysteem 19 OVERZICHT VAN DE UITLAATLIJN EN DE DOORSNIJDINGSPLAATSEN Motor L7X Motor F9Q Voorkatalysator Katalysator Expansiepot Demper 19-22
287 MOTOR K4M - F4P - F5R UITLAAT 19 Expansiepot en katalysator AANTREKKOPPELS (in dan.m) Achterste lambda sonde 4,5 Moer montagehuls 2,5 Klem van demper 2,5 Moeren van driepuntsflens 2 Voor het vervangen van de expansiepot of de katalysator, moet u: de massakabel van de accu losmaken, de achterste lambda sonde uitbouwen, de uitlaatlijn doorsnijden zoals in het algemene deel is beschreven. Voordat u onderdelen monteert, moet u controleren of er geen vuil of metaaldeeltjes in de uitlaatbuis terecht zijn gekomen. BELANGRIJK: De bout en de moer van de montagehuls moeten verticaal worden gemonteerd om te voorkomen dat ze in contact komen met de carrosserie. Ondersteun de uitlaatlijn tijdens het vastzetten van de huls, zodat het geheel goed in lijn ligt. Controleer of alle hitteschilden van de uitlaat aanwezig zijn en goed vast zitten, Controleer na het monteren of de uitlaatlijn nergens contact maakt met de carrosserie. LET OP: ieder beschadigd hitteschild moet beslist worden vervangen. Voor de andere onderdelen van het uitlaatsysteem gelden er geen speciale bijzonderheden. Vervang de afdichting aan de ingang van de katalysator als deze is vervangen. Een reeds gemonteerde huls mag niet opnieuw worden gebruikt
288 MOTOR L7X UITLAAT 19 Katalysator AANTREKKOPPELS (in dan.m) Moeren flens katalysator/voorkatalysator 2,1 Uitlaatklem 2,5 UITBOUWEN Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Maak de massakabel van de accu los. Verwijder de beschermplaat onder de motor. INBOUWEN Ga te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. Vervang de afdichtingen door nieuwe. Monteer een nieuwe klem. Houd de voorgeschreven aantrekkoppels zorgvuldig aan. Voor de andere onderdelen van het uitlaatsysteem gelden er geen speciale bijzonderheden. Plaats een orgaansteun onder de uitlaatlijn om deze te ondersteunen. Verwijder de moeren (1) van de katalysatorflens/ voorkatalysator via het subframe (gebruik een lange dop met verlengstukken) Verwijder de uitlaatklem (2) en bouw de katalysator uit
289 MOTOR F9Q UITLAAT 19 Katalysator AANTREKKOPPELS (in dan.m) Maak de elektroklep van de wastegate en druk hem opzij. Moeren uitlaatflens 2,1 Moet steun katalysator 2,6 Bout steun katalysator 2,1 Bevestigingsmoeren katalysator op turbocompressor 2,6 Bouw uit: de drie bevestigingsmoeren (3) van de katalysator op de turbocompressor, de katalysator via de bovenzijde. UITBOUWEN Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Maak de massakabel van de accu los. Bouw uit: het rechter voorwiel en de beschermplaat onder de motor, de twee moeren (1) van de uitlaatflens, de steun van de katalysator, bout en moer (2) INBOUWEN Ga te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. Vervang de afdichtingen. Voor de andere onderdelen van het uitlaatsysteem gelden er geen speciale bijzonderheden
290 MOTOR L7X UITLAAT 19 Voorste voorkatalysator ONMISBAAR SPECIAAL GEREEDSCHAP Mot Gereedschap voor het uit- en inbouwen van de lambda sonde AANTREKKOPPELS (in dan.m) Moeren voorste uitlaatflens 2,1 Moeren flens katalysator/voorkatalysator 2,1 Lambda sondes (voorste en achterste) 4,5 Bouten steun voorkatalysator 2,1 Bouten koppel-reactiestang/motor 18 Bouten bevestigingsstang subframe 4,4 Bout stuurkolomkruisstukje 2,1 Achterste bouten van subframe 10,5 Bouten van aluminium langsbalk 4,4 Bout van trekstang 4,4 UITBOUWEN Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Controleer of de stuurkolom is vergrendeld en maak de massakabel van de accu los. Bouw uit: de voorwiel en de beschermplaat onder de motor, de sierkap van de motor, het hitteschild van het spruitstuk, de moeren van de uitlaatflens op het spruitstuk, Laat het subframe enkele centimeters zakken: verwijder de bout (1) van de koppel-reactiestang, draai de bout van het stuurkolom-kruisstukje een paar slagen los en maak de moer vrij door tegen de bout te tikken, verwijder de bouten (2) van de achterste driehoekbevestigingen van het subframe, draai met maximaal vijf omwentelingen de achterste bevestigingsbouten (3) van het subframe los, Maak de stekkers van de lambda sonde los. Verwijder de voorste trekstangen van het subframe rechts en links
291 MOTOR L7X UITLAAT Voorste voorkatalysator 19 Verwijder de vier moeren (6) van de katalysatorflens/ voorkatalysator via het subframe zo ver mogelijk los (gebruik een lange dop met verlengstukken) plaats een orgaansteun aan de voorkant van het subframe en verwijder de bevestigingsbouten (4) van de stangen van het subframe, laat het subframe zakken en verwijder de orgaansteun. Bouw uit: de lambda sondes, de bout van de steun (5) Bouw uit: de voorkatalysator, de hitteschilden van de voorkatalysator als deze is vervangen. INBOUWEN Ga te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. Monteer de tapeinden op de flens van de voorkatalysator. Vervang de afdichtingen door nieuwe. BELANGRIJK: Voordat u de bouten vastzet van de voorste bevestigingsstangen van het subframe, moet u controleren of zij goed aanliggen op de twee aan de carrosserie gelaste pennen. Houd de voorgeschreven aantrekkoppels zorgvuldig aan Plaats een orgaansteun onder de uitlaatlijn om deze te ondersteunen. Controleer of de stuurkolom is geblokkeerd door de grendel Als dit niet zo is moet u de hoogte van de stuurkolom afstellen, zie hoofdstuk 36 "Stuurinrichting stuurkolom"
292 MOTOR L7X UITLAAT 19 Achterste voorkatalysator ONMISBAAR SPECIAAL GEREEDSCHAP Mot Gereedschap voor het uit- en inbouwen van de lambda sonde AANTREKKOPPELS (in dan.m) Moeren achterste uitlaatflens 2,1 Moer flens katalysator/voorkatalysator 2,1 Lambda sondes (voorste en achterste) 4,5 Bouten steun voorkatalysator 2,1 Bouten inlaatspruitstuk voorspannen 0,5 Bouten inlaatspruitstuk vastzetten 0,8 Maak los: het gemotoriseerd smoorklephuis (3) het opname element spruitstukdruk (4), de vacuümslang naar de rembekrachtiger (5), de twee slangen onder het gemotoriseerd smoorklephuis. Bouw uit: de bouten van het inlaatspruitstuk (6), het spruitstuk door het naar de accu te drukken. UITBOUWEN Voor het uitbouwen van de achterste voorkatalysator moet u de voorkatalysator van de voorste cilinderrij uitbouwen. Bouw uit: het luchtinlaatkanaal (1), de kabelgoot (2)
293 MOTOR L7X UITLAAT Achterste voorkatalysator 19 Maak de stekkers van de lambda sonde los. Bouw uit: het hitteschild van het spruitstuk, de moeren van de uitlaatflens op het spruitstuk, de lambda sondes, de twee bouten (7) van de steun van de voorkatalysator van de achterste cilinderrij, INBOUWEN Ga te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. Monteer de tapeinden op de flens van de voorkatalysator. Vervang de afdichtingen door nieuwe. BELANGRIJK: Voordat u de bouten vastzet van de voorste bevestigingsstangen van het subframe, moet u controleren of zij goed aanliggen op de twee aan de carrosserie gelaste pennen. Houd de voorgeschreven aantrekkoppels zorgvuldig aan. Controleer of de stuurkolom is geblokkeerd door de grendel Als dit niet zo is moet u de hoogte van de stuurkolom afstellen, zie hoofdstuk 36 "Stuurinrichting stuurkolom" de voorkatalysator
294 ALLE MOTORTYPES BRANDSTOFTANK 19 Brandstoftank ONMISBAAR SPECIAAL GEREEDSCHAP Pneumatische pomp INTERCO, Leegpompen van de brandstoftank benzine of diesel (zie hoofdstuk MATERIAAL) BELANGRIJK: bij het uit- en inbouwen van de brandstoftank mag er niet worden gerookt of met gloeiende voorwerpen worden gewerkt (lassen) in de omgeving. In de motorruimte maakt u het benzinepomprelais los in het huis met hulporganen motorruimte (Relais A voor motor K4, F4 en F5, Relais B voor motor L7). LEEGPOMPEN VAN DE BRANDSTOFTANK (benzinemotor) Til het zitkussen van de achterbank op en verwijder de plastic dop boven het geheel pomp-tankelement Verbind de draden op aansluiting 3 en 5 van de stekker van dit benzinepomprelais met elkaar en laat de benzinepomp draaien tot hij lucht begint aan te zuigen Maak de snelkoppeling (1) los en sluit op de uitgang (C), een slang aan die lang genoeg is om uit te komen in een opvangbak buiten de auto. Verwijder de doorverbinding op de relaisstekker. Sluit het relais weer aan. Maak de massakabel van de accu los. N.B.: u kunt ook een pneumatische pomp van INTERCO gebruiken (zie de catalogus met materialen)
295 ALLE MOTORTYPES BRANDSTOFTANK Brandstoftank 19 LEEGPOMPEN VAN DE BRANDSTOFTANK (dieselmotor) Til het zitkussen van de achterbank op en verwijder de plastic dop boven het geheel pomp-tankelement. Bij de uitvoeringen met dieselmotor moet u, vanwege het ontbreken van een elektrische brandstofpomp, de brandstof met een externe pomp wegpompen. Gebruik hiervoor bijvoorbeeld de pneumatische pomp van INTERCO (zie de catalogus met materialen) S Maak de snelkoppeling (1) los en sluit op uitgang (A) de rubber slang van de pneumatische pomp aan. Pomp de tank leeg
296 ALLE MOTORTYPES BRANDSTOFTANK Brandstoftank 19 UITBOUWEN VAN DE BRANDSTOFTANK (benzine en dieseluitvoeringen) Maak de massakabel van de accu los. Zet de auto op een tweekoloms hefbrug. Til het zitkussen van de achterbank op en verwijder de plastic dop boven het geheel pomp-tankelement. Verwijder de klemmetjes (4) van de remleidingen en maak de remleidingen vrij van de akoestische stang. Verwijder het klemmetje (5) van het hitteschild. Verwijder de akoestische stang tussen de twee bevestigingspunten van de achtertrein door de bouten één voor één te verwijderen en weer terug te plaatsen. Maak de stekker (2) los en de snelkoppeling(en) (3) Breng de auto omhoog. Indien nodig: verwijder het dampabsorptievat, maak de stekker van het opname element wagenhoogte los, maak het stangetje van het opname element wagenhoogte los, maak de bedrading los van het systeem voor het controleren van de bandenspanning van de akoestische stang Verwijder de achterste lambda sonde (achter de katalysator). Maak de uitlaatbuis los van de voorste uitlaatbuis, denk aan het vervangen van de afdichting. Bij motortype L7X, verwijdert u de expansiepot
297 ALLE MOTORTYPES BRANDSTOFTANK Brandstoftank 19 Bouw uit: de klem van de demper, laat de uitlaatlijn rusten op de achtertrein en op het subframe, het hitteschild. Verwijder de bevestigingsbouten van de tank. Bouw de tank uit met behulp van een collega, door hem naar voren te kantelen en daarna rondom de as van de uitlaatbuis te draaien. Maak de antiterugstroomslang (1) los Verwijder de slangklem (2) van de vulhals, denk aan het vervangen van deze slangklem door en nieuwe. INBOUWEN Ga te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen. Let op dat er geen leidingen worden afgeknepen (gevaar van lekkage). Monteer de snelkoppelingen met de hand en controleer of ze goed zijn vastgeklikt. Let op dat het hitteschild goed is aangebracht. Vervang de afdichting van de voorste uitlaatbuis en de slangklem van de vulhals. Zet de bouten van de tank vast met 2,1 dan.m. Zet de lambda sonde vast met 4,5 dan.m. Zet de bouten van de achtertrein vast met 8 dan.m
298 ALLE MOTORTYPES BRANDSTOFTANK Brandstoftank 19 BENZINE-UITVOERING
299 ALLE MOTORTYPES BRANDSTOFTANK Brandstoftank 19 BENZINE-UITVOERING 19-35
300 ALLE MOTORTYPES BRANDSTOFTANK Brandstoftank 19 DIESELUITVOERING 19-36
301 ALLE MOTORTYPES BRANDSTOFTANK Brandstoftank 19 DIESELUITVOERING 19-37
302 ALLE MOTORTYPES BRANDSTOFTANK Brandstoftank 19 Verklaring bij de nummers op de tekeningen Reservoir Bevestigingsbouten (x5) Vulhals Klembanden van de vulhals Tankdop Brandstofaanvoerslang Aanvoerslang benzinedamp Brandstofretourslang Aanvoerleiding benzinedamp naar dampabsorptievat (vanaf de tank) Ventilatie-opening Benzinedampabsorptievat Vulbegrenzingsklep en anti-lekkageklep als de auto onderste boven ligt Tankventilatie en anti-lekkageklep als de auto onderste boven ligt (dieseluitvoering) Antiterugstroomslang (ontluchting bij het vullen) Aanzuigeenheid benzine Aanzuigeenheid diesel Verbinding naar dampabsorptievat Ventilatie diesel. Gekalibreerde ventilatie-opening Overvulbegrenzingskogel 'Antiterugstroomslang (bij het vullen) Klep met nauwe doorlaat Overdruk/onderdruk veiligheidsklep E Luchtafvoer tijdens het vullen F Ruimte voor de uitzettende brandstof R Vulopening V Nuttig brandstofvolume
303 ALLE MOTORTYPES BRANDSTOFTANK Brandstoftank 19 ROL VAN DE KLEPPEN 23 Overdruk/onderdruk veiligheidsklep (alleen bij de benzine-uitvoeringen) Deze klep voorkomt overdruk (uitzetten van de tank) of onderdruk (leegzuigen door brandstofverbruik) in de tank als de verbinding met het dampabsorptievat is verstopt. De tank heeft een ventilatiesysteem en een tankdop zonder ontluchtingsgaatje. De vulhals voor ongelode benzine heeft: een nauwe doorlaat met een klep waarin alleen een vulpistool voor ongelode benzine past (loodhoudende benzine is funest voor de lambda sonde en de katalysator), een klep die de vulopening afsluit om te voorkomen dat er benzinedampen vrijkomen of benzine uit de opening stroomt. 22 Klep met nauwe doorlaat Deze klep voorkomt het vullen van de tank met loodhoudende benzine of dieselolie. 12 en 13 Vulbegrenzingsklep en antilekkageklep als de auto onderste boven ligt De kogel (20) in de vulbegrenzingsklep (12) voorkomt dat er te veel brandstof in de tank kan komen. Tijdens het tanken rust de kogel op zijn zetel en sluit zo een hoeveelheid lucht op in de tank. Als de auto beweegt, verlaat de kogel (20) zijn zetel, waardoor de verbinding vrijkomt tussen de tank en het dampabsorptievat. Het is van belang dat er altijd een bepaalde hoeveelheid lucht in de tank is om te voorkomen dat de tank openscheurt als de brandstof (door het warmer worden) uitzet. De anti-lekkageklep als de auto onderste boven ligt voorkomt dat de tank leegstroomt via de de slang naar het dampabsorptievat of via de verbinding met de buitenlucht (diesel)
304 ALLE MOTORTYPES BRANDSTOFTANK 19 Vulhals SPECIAAL GEREEDSCHAP Tang voor het losmaken van klemmetjes. UITBOUWEN Maak de massakabel van de accu los. de bevestigingsbouten (4) van de vulhals, de vulhals. Bouw uit: het rechter achterwiel, de spatplaat rechts achter, Maak de antiterugstroomslang (1) los. Bouw uit: de slangklem van de vulslang (2), de bevestigingsbout (3) van de vulhals, INBOUWEN Vervang de slangklem van de vulslang door een nieuwe Ga verder te werk in omgekeerde volgorde van uitbouwen
305 ALLE MOTORTYPES BRANDSTOFTANK 19 Tankelement Bij de uitvoeringen met een benzinemotor vormen de pomp, het benzinefilter en het tankelement één geheel. Uitvoeringen met dieselmotor hebben geen pomp in de brandstoftank, alleen een tankelement. Voor het uitbouwen van het tankelement, raadpleegt u paragraaf "Tank, pomp, tankelement, benzinefilter". Controle tankelement Waarde tussen de aansluitingen A1 en B1 (in Ω) Hoogte H (in mm) 7 Ω maximaal ± ± ± ± Controleer de weerstandsverandering door de vlotter te verplaatsen. Meten van de hoogte H Bouw het tankelement uit en plaats dit op een vlakke ondergrond. H is de hoogte gemeten tussen de vlotter-as en het werkvlak. N.B.: de genoemde waarden gelden bij benadering
306 ALLE MOTORTYPES BRANDSTOFTANK 19 Pomp\tankelement ONMISBAAR SPECIAAL GEREEDSCHAP Mot Demontagemoer voor de brandstofpomp BELANGRIJK: Bij alle werkzaamheden aan de tank, het tankelement, de benzinepomp en de brandstofleidingen is het: verboden te roken of met gloeiende voorwerpen (lasspatten) in de nabijheid te komen, nodig u te beschermen tegen wegspuitende benzine bij het uitbouwen van de leidingen (vanwege de restdruk). UITBOUWEN LET OP: Vang uitstromende benzine op (de leidingen niet worden dichtgeknepen). Voor het uitbouwen van het geheel van de benzinepomp en het tankelement kan de tank op zijn plaats blijven. Dit is toegankelijk onder de achterbank. Ga als volgt te werk: maak de massakabel van de accu los, verwijder het zitkussen van de achterbank en verwijder de plastic dop. Maak los: de snelkoppeling(en) van het geheel pomptankelement, de stekker. Verwijder de bevestigingsmoer van het tankelement met het gereedschap Mot Laat het tankelement uitlekken, en verwijder het geheel pomp-tankelement waarbij u oplet dat de vlotter niet beschadigt N.B.: om te voorkomen dat de tank vervormt als de moer te is verwijderd, moet deze weer op de tank worden gedraaid na het uitbouwen van de pomp en het tankelement
307 ALLE MOTORTYPES BRANDSTOFTANK Pomp\tankelement 19 INBOUWEN Vervang de afdichtring. Plaats het tankelement-pomp met het merkteken van het tankelement bij de drie streepjes op de tank. Zet de moer zo ver vast tot het merkteken ervan samenvalt met het merkteken op de tank en met het merkteken op het geheel pomp-tankelement. Klik de snelkoppeling(en) vast. Maak de stekker vast. Plaats: de plastic dop, het zitkussen van de achterbank. AANSLUITINGEN VAN DE STEKKER Aansl A1 A2 B1 B2 C1 C2 OMSCHRIJVING Signaal + tankelement Niet in gebruik Signaal - tankelement Niet in gebruik + Pomp - Pomp 19-43
308 ALLE MOTORTYPES BRANDSTOFTANK 19 Benzinefilter ALGEMEEN Het benzinefilter bevindt zich in de tank, tezamen met pomp/tankelement en is niet demontabel. Bij het vervangen moet het geheel pomp/tankelement worden vervangen. De capaciteit van het filter is voldoende voor de levensduur van de auto. Toch kan door een controle van de voedingsdruk en de pompopbrengst een diagnose worden gesteld over pomp en tankelement A filter
309 MOTOR K4M - F4P MOTOROPHANGING 19 Pendelophanging AANTREKKOPPELS (in dan.m) A 2,1 G 6,2 B 2,1 H 4,4 C 6,2 I 6,2 D 10,5 E 4,4 F10,
310 MOTOR F9Q MOTOROPHANGING Pendelophanging 19 AANTREKKOPPELS (in dan.m) A 2,1 G 18 B 2,1 H 6,2 C 6,2 I 10,5 D 10,5 J 4,4 E 4,4 K 6,2 F10,5 * Montagerichting: zet de bouten (1) vast, daarna (2) en (3)
311 MOTOR L7X MOTOROPHANGING Pendelophanging 19 AANTREKKOPPELS (in dan.m) A 2,1 G 18 B 2,1 H 6,2 C 6,2 I 6,2 D 10,5 J 4,4 E 4,4 K 6,2 F10,5 0 * Montagerichting: zet de bouten (1) vast, daarna (2) en (3) 19-47
Motor en randorganen
Motor en randorganen MOTORBLOK EN ONDERZIJDE CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE INLAATSPRUITSTUK SMOORKLEPHUIS DRUKVULLING BRANDSTOFTOEVOER DIESELINSPUITING VOORVERWARMING ANTI-LUCHTVERONTREINIGING STARTEN - LADEN
Vervangt hoofdstuk 29 van Service Mededelingen 2639A en 2651A
SERVICE MEDEDELING Edition néerlandaise (wit) SAFRANE JANUARI 1997 77 11 192 134 Type B 54 L, F 2697A Service 0422 S/Chapitre 29 Vervangt hoofdstuk 29 van Service Mededelingen 2639A en 2651A 29 BIJZONDERHEDEN
6 Airconditioning AIRCONDITIONING X91 62A
6 Airconditioning AIRCONDITIONING X91 MAART 2007 Edition néerlandaise De door de constructeur voorgeschreven reparatiemethoden, zoals in dit document beschreven, zijn gemaakt volgens de technische richtlijnen
0 Algemeen GEGEVENS VAN DE AUTO - MECHANISCH HEFMIDDELEN INGREDIËNTEN - PRODUCTEN OLIE VERVERSEN - BIJVULLEN X74 01A 02A 04B 05A
0 Algemeen 01A GEGEVENS VAN DE AUTO - MECHANISCH 02A HEFMIDDELEN 04B INGREDIËNTEN - PRODUCTEN 05A OLIE VERVERSEN - BIJVULLEN X74 DECEMBER 2004 Edition néerlandaise De door de constructeur voorgeschreven
1 Motor en randorganen
1 Motor en randorganen 10A MOTORBLOK EN ONDERZIJDE 11A CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE 12A MENSELSAMENSTELLING 13B DIESELINSPUITSYSTEEM 13C VOORVERWARMING 16A STARTEN - LADEN 17A ONTSTEKING 17B BENZINE-INSPUITSYSTEEM
HANDELING Nr. H : Werkzaamheden aan de distributie. VERVANGING VAN DE STOTERBUSSEN UITBOUWEN.
1 VERVANGING VAN DE STOTERBUSSEN UITBOUWEN. 1. Tap de radiateur af, verwijder vervolgens de motorkap en laat het cilinderblok leeglopen via de aftapplug (1). Om het koelsysteem volledig af te tappen, moet
S.M. 2651A. Bijzonderheden van de SAFRANE met motortypen N7U 700 N7U 701
S.M. 2651A B54F Behoort bij: M.R. 302 Bijzonderheden van de SAFRANE met motortypen N7U 700 N7U 701 Voor onderwerpen die hier niet nader worden toegelicht, verwijzen wij u naar het werkplaatshandboek M.R.
S.M. 2634A. Bijzonderheden van de uitvoeringen met motortype G8T Turbo Diesel
S.M. 2634A B54 G Behoort bij: M.R. 302 Bijzonderheden van de uitvoeringen met motortype G8T Turbo Diesel 77 11 190 990 SEPTEMBER 1996 Edition néerlandaise De door de konstrukteur voorgeschreven reparatiemethoden,
1 Motor en randorganen
1 Motor en randorganen 10A MOTORBLOK EN ONDERZIJDE 11A CILINDERKOP EN DISTRIBUTIE 12A MENSELSAMENSTELLING 12B DRUKVULLING 13A BRANDSTOFAANVOER 13B DIESELINSPUITING 13C VOORVERWARMING 14A ANTILUCHTVERONTREINIGING
2 Aandrijving AUTOMATISCHE TRANSMISSIE AANDRIJFASSEN X91 23A 29A
2 Aandrijving AUTOMATISCHE TRANSMISSIE AANDRIJFASSEN X91 MAART 2007 Edition néerlandaise De door de constructeur voorgeschreven reparatiemethoden, zoals in dit document beschreven, zijn gemaakt volgens
2 Aandrijving KOPPELING HANDGESCHAKELDE VERSNELLINGSBAK AANDRIJFASSEN X90 20A 21A 29A
2 Aandrijving 20A KOPPELING 21A HANDGESCHAKELDE VERSNELLINGSBAK 29A AANDRIJFASSEN X90 DECEMBER 2005 Edition néerlandaise De door de constructeur voorgeschreven reparatiemethoden, zoals in dit document
Airconditioning VERWARMING AIRCONDITIONING BJ0E - BJ0J - BJ0K - BJ0M - BJ0P - BJ0V FEBRUARI 2004 EDITION NEERLANDAISE RENAULT 2004
Airconditioning VERWARMING BJ0E - BJ0J - BJ0K - BJ0M - BJ0P - BJ0V 77 11 311 084 FEBRUARI 2004 EDITION NEERLANDAISE "De door de constructeur voorgeschreven reparatiemethoden, zoals in dit document beschreven,
VERPLICHT : Neem de voorschriften voor veiligheid en schoon werken in acht. [0197-M] A1Z]
VERPLICHT : Neem de voorschriften voor veiligheid en schoon werken in acht. 1. Gereedschap gereedschap Referentie Omschrijving [0197-A] [0197- A1Z] Mal voor nokkenassen Montagegereedschap voor uitlaatnokkenas
Airconditioning VERWARMING AIRCONDITIONING BG0A - BG0B - BG0D - BG0G - KG0A - KG0B - KG0D - KG04 EDITION NEERLANDAISE NOVEMBER 2000 RENAULT 2000
Airconditioning VERWARMING AIRCONDITIONING BG0A - BG0B - BG0D - BG0G - KG0A - KG0B - KG0D - KG04 77 11 297 444 NOVEMBER 2000 EDITION NEERLANDAISE De door de constructeur voorgeschreven reparatiemethoden,
2 Aandrijving KOPPELING HANDGESCHAKELDE VERSNELLINGSBAK AUTOMATISCHE TRANSMISSIE AANDRIJFASSEN X74 20A 21A 23A 29A
2 Aandrijving 20A KOPPELING 21A HANDGESCHAKELDE VERSNELLINGSBAK 23A AUTOMATISCHE TRANSMISSIE 29A AANDRIJFASSEN X74 DECEMBER 2004 Edition néerlandaise De door de constructeur voorgeschreven reparatiemethoden,
6 Airconditioning VERWARMING AIRCONDITIONING GEREGELDE AIRCONDITIONING HANDBEDIENDE AIRCONDITIONING. X74, en DOCUMENTATIEFASE 2 61A 62A 62B 62C
6 Airconditioning 6A VERWARMING 62A AIRCONDITIONING 62B GEREGELDE AIRCONDITIONING 62C HANDBEDIENDE AIRCONDITIONING X74, en DOCUMENTATIEFASE 2 APRIL 2005 Edition néerlandaise De door de constructeur voorgeschreven
0 Algemeen GEGEVENS VAN DE AUTO - MECHANISCH MECHANISCHE INLEIDING HEFMIDDELEN SMEERMIDDELEN INGREDIËNTEN - PRODUCTEN X91 01A 01D 02A 04A 04B
0 Algemeen 01A GEGEVENS VAN DE AUTO - MECHANISCH 01D MECHANISCHE INLEIDING HEFMIDDELEN 04A SMEERMIDDELEN 04B INGREDIËNTEN - PRODUCTEN X91 MAART 2007 Edition néerlandaise De door de constructeur voorgeschreven
KD Montage-/demontage-instructies
KD455.62/NL/01-06-2014 KD455.62 Montage-/demontage-instructies OPEL: RENAULT: Movano (A, FL, FL2), Vivaro (A, A FL) Avantime, Espace (IV, IV.2) Laguna (II, II.2), Master (II, II.2) Trafic (II, II.2) VAUXHALL:
Stappenplan Audi A2 (8z0) 2.2000 8.2005 1.6FSI 1.6 Fsi (2002 2005) BAD motor. Waarschuwingen en aanbevelingen
Stappenplan Audi A2 (8z0) 2.2000 8.2005 1.6FSI 1.6 Fsi (2002 2005) BAD motor. Waarschuwingen en aanbevelingen Tenzij de fabrikant aanraadt zijn de volgende procedures aanbevolen: Altijd een nieuwe distributieriem
De RENAULT ONDERHOUDSBEURT
Pagina 5. De Renault onderhoudsbeurt 6. Motor 7. Benzine en dieselmotor / roetfilter 8. Turbo & intercooler 9. Smeersysteem 10. Koelvloeistof systeem 11. In- & uitlaatsysteem 12. Aandrijflijn 13. Handgeschakelde
MOTOR - K SERIE 34 REPARATIES. 1 of 1 07/04/ :02 DISTRIBUTIE-RIEM - NOKKENAS - K SERIE
wmln000d_169 1 of 1 07/04/2015 20:02 DISTRIBUTIE-RIEM - NOKKENAS - K SERIE Service-reparatienr. - 12.65.18 Verwijderen - motoren met niet-automatische distributieriem-spanner 1. Maak de negatieve accukabel
MOTOR. 1 of 1 22/01/ :48 REVISEREN 1 DISTRIBUTIERIEM, SPANINRICHTING EN TANDWIELEN. Distributieriem - verwijderen
300tdid_28 1 of 1 22/01/2013 20:48 DISTRIBUTIERIEM, SPANINRICHTING EN TANDWIELEN Distributieriem - verwijderen 4. Plaats gereedschap LRT-12-049 en de drukknop - een onderdeel van gereedschap LRT-12-031
SCdefault. 9-5 Montagerichtlijn
SCdefault 9-5 Montagerichtlijn SITdefault Wielophangingskit MONTERINGSANVISNING INSTALLATION INSTRUCTIONS MONTAGEANLEITUNG INSTRUCTIONS DE MONTAGE Accessories Part No. Group Date Instruction Part No. Replaces
KD Montage/demontagerichtlijnen
KD481.05/NL/01-06/2014 KD481.05 Montage/demontagerichtlijnen SUBARU: Forester (I, II, II FL, III), Legacy (IV, V), Impreza (G11, FL G11, GR/GV), MOTOREN 1.5 i, 2.0 (i, R, X, XS, STi, XT), 2.5 (STi, Ti,
KDP Montage-/demontage-instructies
KDP459.510/NL/01 07-2014 KDP459.510 Montage-/demontage-instructies CITROËN: FIAT: LANCIA: PEUGEOT: Berlingo (M49 en M59), Dispatch, Jumpy, Xsara FL, Xsara Picasso, C4. Scudo, Ulysse (U6) Zeta 206, 306
0 Algemeen HEFMIDDELEN CARROSSERIE INNOVATIES X91 02A 02B
0 Algemeen HEFMIDDELEN 02B CARROSSERIE INNOVATIES X91 MAART 2007 Edition néerlandaise De door de constructeur voorgeschreven reparatiemethoden, zoals in dit document beschreven, zijn gemaakt volgens de
4 Plaatwerk ALGEMEEN BODEMPLAAT VOOR CENTRALE BODEMPLAAT ZIJKANT BODEMPLAAT BODEMPLAAT ACHTER BOVENBOUW VOOR BOVENBOUW ZIJKANT BOVENBOUW ACHTERZIJDE
4 Plaatwerk 40A ALGEMEEN 41A BODEMPLAAT VOOR 41B CENTRALE BODEMPLAAT 41C ZIJKANT BODEMPLAAT 41D BODEMPLAAT ACHTER 42A BOVENBOUW VOOR 43A BOVENBOUW ZIJKANT 44A BOVENBOUW ACHTERZIJDE 45A BOVENKANT CARROSSERIE
Chrysler Voyager ,5 CRD / 2,5 / 104 / / / R2516C Land van productie - Cilinderinhoud/Vermogen 2,5 / 104 kw Motoraanduiding
1 04-09-2010 15:24:28 Voertuig Chrysler Voyager 01-08 2,5 CRD / 2,5 / 104 / / 2001-2008 / R2516C Land van productie - Cilinderinhoud/Vermogen 2,5 / 104 kw Motoraanduiding R2516C Bosch-sleutel CHR 497 (CHR12987)
ContiTech: Tips van de experts voor het vervangen van tandriemen
ContiTech: Tips van de experts voor het vervangen van tandriemen Gedetailleerde instructies voor een CT884 K1 in een 1997 Opel Omega B (25_, 26_, 27_) 2.5 L V6 met motorcode X25XE ContiTech toont hoe fouten
Vervangen koppakking en optimaliseren 1600 8v GSI
Home Algemene ombouw tips Updates Downloads Specials Corsa A Ombouw naar 1.6 8v Ombouw naar 2.0 8v Ombouw naar 2.0 16v Corsa B Ombouw naar 2.0 8v Ombouw naar 2.0 16v Tuning Corsa A Optimaliseren 1.6 8v
KD Montage-/demontage-instructies
KD459.51/NL/02-07-2014 KD459.51 Montage-/demontage-instructies CITROËN: FIAT: LANCIA: PEUGEOT: Berlingo (M49 en M59), Dispatch, Jumpy, Xsara FL, Xsara Picasso, C4 Scudo, Ulysse (U6) Zeta 206, 307, 307
KD Montage/demontagerichtlijnen
KD459.42/NL /01-06/2014 KD459.42 Montage/demontagerichtlijnen CITROEN: FORD: MAZDA: MINI: PEUGEOT: SUZUKI: VOLVO: Berlingo (B9, M59), C2, C3 (I, II and A51), C4, C5 (X7 and Fl), Dispatch II, Jumpy II,
INTERIEURBEKLEDING BEKLEDING KAPPEN - KLEPPEN STOELFRAME EN STELRAILS VOOR STOELFRAME EN STELRAILS ACHTER BEKLEDING VOORSTOELEN BEKLEDING ACHTERBANK
Bekleding ALGEMEEN INTERIEURBEKLEDING PORTIERBEKLEDING BEKLEDING KAPPEN - KLEPPEN HOEDENPLANK STOELFRAME EN STELRAILS VOOR STOELFRAME EN STELRAILS ACHTER BEKLEDING VOORSTOELEN BEKLEDING ACHTERBANK STOELACCESSOIRES
AST4910 Gereedschapsset voor het afstellen/ blokkeren van benzinemotoren met dubbele nokkenas
NL AST4910 Gereedschapsset voor het afstellen/ blokkeren van benzinemotoren met dubbele nokkenas Bijpassend gereedschap: AST4519 Gereedschap voor plaatsing op het BDP (gebruiken met een testmeter met wijzerplaat)
Algemeen GEGEVENS HEFMIDDELEN SLEPEN SMEERMIDDELEN - PRODUCTEN OLIE VERVERSEN - BIJVULLEN WAARDEN EN AFSTELLINGEN
Algemeen GEGEVENS HEFMIDDELEN SLEPEN SMEERMIDDELEN - PRODUCTEN OLIE VERVERSEN - BIJVULLEN BG0A - BG0B - BG0D - BG0G - KG0A - KG0B - KG0D - KG04 77 11 297 324 NOVEMBER 2000 EDITION NEERLANDAISE De door
VERVANGING VAN EEN CILINDERKOP
HANDELING Nr. H78.112-1: Vervanging van een cilinderkop. 1 VERVANGING VAN EEN CILINDERKOP UITBOUWEN. 1. Tap de radiateur af, verwijder vervolgens de motorkap en laat het cilinderblok leeglopen via de aftapplug.
HEFMIDDELEN SMEERMIDDELEN OLIE VERVERSEN - BIJVULLEN AFSTELWAARDEN AANDRIJFGROEP AFSTELWAARDEN VOOR- EN ACHTERTREINHOEKEN
Algemeen GEGEVENS HEFMIDDELEN SLEPEN SMEERMIDDELEN PRODUCTEN OLIE VERVERSEN - BIJVULLEN AFSTELWAARDEN AANDRIJFGROEP AFSTELWAARDEN VOOR- EN ACHTERTREINHOEKEN BJ0F - BJ0G - BJ0J - BJ0K - BJ0V 77 11 311 004
Copyright 2010: Donkervoort.info, Jasper D. Steffens. Handleiding. Distributieriem vervangen Donkervoort Audi 1.8T 20V motor
Handleiding Distributieriem vervangen Donkervoort Audi 1.8T 20V motor Noodzakelijk speciaal- gereedschap Voorbereidende werkzaamheden OEM # nummer Midlock aftermarket # nummer 3387 VW- 1(Z- 3576) T10008
Nokkenassen uit- en inbouwen
pagina 1 van 9 Nokkenassen uit- en inbouwen Benodigde speciale gereedschappen, apparaten en hulpmiddelen t Blokkeerpen voor dieselinspuitpomp -3359- t Tegenhouder -T10051- t Trekker -T10052- t Nokkenasmontagegereedschap
Gereedschap. Renault Laguna II 2,0 IDE (F5R 700) - Distributieriem
Gereedschap A = Gereedschap "Mot. 1054". Blokkeergereedschap voor krukas. B = Gereedschap " Mot. 1543". Gereedschap voor het voorspannen van de tandriem. C = Gereedschap " Mot. 1505". Frequentiemeter voor
pagina 1 van 5 Motor - 2.0 l Duratorq-Di (Puma) diesel/2,4 l Duratorq-TDCi (Puma) diesel - Nokkenassen Reparaties aan de wagen Speciaal Gereedschap Afstelgereedschap, BDP krukas 303-675 Transit 2000.5
Thermostaat vervangen bij een M20 blok.
Thermostaat vervangen bij een M20 blok. Wat heb je nodig? 1. Een vlakke ondergrond. 2. Een afgekoelde motor! 3. Een nieuwe thermostaat. 4. Een nieuwe O-ring (meestal word deze geleverd bij de thermostaat)
Nokkenas vervangen (M52TU / M54 / M56)
11 31 001 Nokkenas vervangen (M52TU / M54 / M56) Benodigd speciaal gereedschap: 00 9 250 11 2 300 11 3 240 11 3 244 11 3 250 11 3 260 11 3 292 11 4 220 11 6 150 11 6 180 (zo nodig inlaat- of uitlaatzijde)
Richtlijnen voor een langere motor levensduur
Richtlijnen voor een langere motor levensduur Behandel een aantal belangrijke montage aanwijzingen. Het biedt u de kennis om risico s omtrent de VW Transporter 2.5 TDI motor te voorkomen. Dit type motor
Tussentijden voor vervanging distributieriemen
Naam: Adres: Model: Jaar: 2000 Registratie: Tel - Privé: Tel - Werk: Aantal kilometers: Opdrachtnummer: Belangrijke opmerking Belangrijke opmerking De gegeven intervallen en procedures kunnen door de producent
KD Montage-/demontage-instructies
AUDI: SKODA: VOLKSWAGEN: KD457.48/NL/01-05-2016 KD457.48 Montage-/demontage-instructies A4 (serie 2, 2 FL, cabriolet), A6 (serie 2, 2FL, allroad), A8 Superb Passat MOTOREN 2.5TDi SCHEMA DISTRIBUTIERIEMSET
Inbouwhandleiding 80cc 4takt GY6 / 139QMB blok
Inbouwhandleiding 80cc 4takt GY6 / 139QMB blok De plaatjes en beschrijving zijn voor Kymco/Sym/China blokken. Gebruikers van een Piaggio 4takt scooter kunnen deze tekst ook gebruiken, het blok lijkt sterk
GT Montage/demontage richtlijnen
/UK/01-06/2014 Montage/demontage richtlijnen SUBARU: Forester (I, II, II FL, III), Impreza (G10, G11, FL G11, GR/GV), Legacy (I, II, III, IV, V), L series Leone II, XT Coupe MOTOREN XT 1800, 1.5 i, 1.6
FORD. Essentiële afstelling van een eenvoudige distributieset VKMA 04108. Install confidence. Infoblad 10 2011. www.vsm.skf.com
FORD VKMA 04108 Infoblad 10 2011 Essentiële afstelling van een eenvoudige distributieset In dit bulletin vindt u enkele aanwijzingen en tips om kostbare fouten te voorkomen bij het monteren van deze distributieset
ContiTech: Deskundige Tips voor vervanging van distributieriemen
ContiTech: Deskundige Tips voor vervanging van distributieriemen Gedetailleerde instructies voor Ford Focus 2.0-liter 16V met motor code EDDB, EDDC, EDDD ContiTech toont hoe fouten bij het vervangen van
KD Montage/demontage richtlijnen
KD469.22/FR/01-06/2014 KD469.22 Montage/demontage richtlijnen TOYOTA: Avensis, Avensis verso, Corolla, Corolla verso, Picnic, Previa, RAV4 MOTOREN 2.0 D4-D OE REFERENTIE Zie onder MONTAGESCHEMA VAN KIT
Probleemoplossingsgids
NL Probleemoplossingsgids BF115D, BF135A, BF150A Inhoud *Tik of klik op de relevante uitgave. - Controlelampje gaat aan / uit - Motor start niet - Motor stopt na te zijn gestart / Motor stopt terwijl deze
KD Montage-/demontage-instructies
KD459.56/NL/01 04-2015 KD459.56 Montage-/demontage-instructies CITROËN: C4, C4 Picasso, C5 FL, C5 X7, C8, Jumpy II, Dispatch II PEUGEOT: 307, 307 Restyling, 407, 807, Expert II MOTOREN 1.8 i 2.0 i OE-referentie
KD Montage-/demontage-instructies A4 (serie 1 FL, serie 2, serie 2 FL, cabriolet I en II), A6 (serie 2 en 2 FL) Superb
AUDI: SKODA: VOLKSWAGEN: SEAT: KD457.45 Montage-/demontage-instructies A4 (serie 1 FL, serie 2, serie 2 FL, cabriolet I en II), A6 (serie 2 en 2 FL) Superb Passat V FL Exeo MOTOREN 1.8 i, 1.8 i Turbo,
LANCERING TURBOCHARGER MOUNTING KIT - THM50001
LANCERING TURBOCHARGER MOUNTING KIT - THM50001 Geachte klant, Graag vragen wij uw aandacht voor de volgende turbo waarbij met ingang van 1/6/2011 een zogenaamde mounting kit wordt bijgeleverd. Deze mounting
HANDELING Nr. H : Werkzaamheden aan de cilinderkop. VERVANGING VAN EEN TUIMELAARAS VAN DE INLAATKLEPPEN UITBOUWEN.
1 VERVANGING VAN EEN TUIMELAARAS VAN DE INLAATKLEPPEN UITBOUWEN. 1. Laat de radiateur leeglopen. Verwijder de motorkap. 2. Verwijder de aftapplug (1) om het cilinderblok leeg te laten lopen. Om het koelwater
Mercedes-Benz personenwagens
onderhoudsysteem voor type 123 servicebeurt na elke 7.500*/10.000 km of ieder jaar onderhoudsbeurt na elke 15.000*/20.000 km of iedere twee jaar extra werkzaamheden na elke 45.000*/60.000 km of iedere
RC030/RC035 Pneumatisch (handmatig) vloeistof afzuigapparaat. Instructies
RC030/RC035 Pneumatisch (handmatig) vloeistof afzuigapparaat Instructies Deze kunnen worden gebruikt voor het afzuigen van: Motorolie Versnellingsbak- en transmissieolie Koelvloeistof Remvloeistof Andere
Elektrische motorverwarmer, 230 V, 6 cil.
Installation instructions, accessories Instructienr. 30730080 Versie 1.2 Ond. nr. 30730078 Elektrische motorverwarmer, 230 V, 6 cil. Volvo Car Corporation Elektrische motorverwarmer, 230 V, 6 cil.- 30730080
Richtlijnen voor een langere motor levensduur
VOLKSWAGEN VOLVO Nummer 16 2013 VKMC 01270 VKMC 01258-1 VKMC 01258-2 Richtlijnen voor een langere motor levensduur Veel technici nemen risico s door niet consequent de fabrieksaanwijzingen op te volgen.
8 Elektrische installatie
8 Elektrische installatie 80A ACCU 80B VERLICHTING VOORZIJDE 81A VERLICHTING ACHTER 81C ZEKERING X91 MAART 2007 Edition néerlandaise De door de constructeur voorgeschreven reparatiemethoden, zoals in dit
Elektrische motorverwarming, 230 V
Installation instructions, accessories Instructienr. 31399509 Versie 1.1 Ond. nr. 31260698 Elektrische motorverwarming, 230 V IMG-378302 Volvo Car Corporation Elektrische motorverwarming, 230 V- 31399509
VERVANGING VAN EEN TORSIESTAAF VOOR
HANDELING Nr. H78.433-1a: Vervanging van een torsiestaaf voor. 1 VERVANGING VAN EEN TORSIESTAAF VOOR ZEER BELANGRIJK: Gezien de nogal grote kracht die met behulp van een hefboom moet worden uitgeoefend
ContiTech: Tips van experts voor vervanging van distributieriemen
ContiTech: Tips van experts voor vervanging van distributieriemen Gedetailleerde instructies voor Fiat 500 1.2 l motorcode 169 A4.000 ContiTech toont hoe fouten bij het vervangen van riemen kunnen vermeden
SCdefault. 900 Montagerichtlijn. Accessories Part No. Group Date Instruction Part No. Replaces :87-46 Sep
SCdefault 900 Montagerichtlijn SITdefault Motorverwarmer MONTERINGSANVISNING INSTALLATION INSTRUCTIONS MONTAGEANLEITUNG INSTRUCTIONS DE MONTAGE Accessories Part No. Group Date Instruction Part No. Replaces
ContiTech: Tips van experts voor vervangen van distributieriemen
ContiTech: Tips van experts voor vervangen van distributieriemen Gedetailleerde instructies voor Audi A3 1.8-liter T met motorcode ARZ ContiTech toont hoe fouten bij de vervanging van riemen kunnen vermeden
MONTAGEHANDLEIDING. Waarom de montagehandleiding volgen?
MONTAGEHANDLEIDING 1/5 Bij alle door ons geleverde turbo s wordt een beknopte montagehandleiding meegeleverd. De afzonderlijke aandachtspunten zijn voorzien van een checkbox die kunnen worden afgevinkt
Algemeen GEGEVENS HEFMIDDELEN SLEPEN SMEERMIDDELEN PRODUCTEN OLIE VERVERSEN - BIJVULLEN AFSTELWAARDEN AANDRIJFGROEP
Algemeen GEGEVENS HEFMIDDELEN SLEPEN SMEERMIDDELEN PRODUCTEN OLIE VERVERSEN - BIJVULLEN AFSTELWAARDEN AANDRIJFGROEP AFSTELWAARDEN VOOR- EN ACHTERTREINHOEKEN 77 11 315 104 FEBRUARI 2002 EDITION NEERLANDAISE
INBOUWTIPS REVISIEMOTOREN
INBOUWTIPS REVISIEMOTOREN 1) Algemeen: Wij danken u voor de aanschaf van een product van Ide Automotive en wensen u en de eindgebruiker nog veel rijplezier toe. Het succes van deze transactie en daarmee
Luchtfilter vervangen en filterhuis reinigen
Luchtfilter vervangen en filterhuis reinigen Interval: 10.000 km. Luchtfilter: 17.11.36.51 / UFI 2777900 Hoe werkt het? De V50 Nato is een verbrandingsmotor. In de cilinder wordt een mengsel van benzine
CONTROLESYSTEEM VAN DE BANDENSPANNING STUURBEKRACHTIGING MECHANISCHE BEDIENINGSORGANEN AUTOMATISCHE PARKEERREM ANTIBLOKKEERSYSTEEM VAN DE WIELEN
Chassis ALGEMEEN VOORTREIN ACHTERTREIN WIELEN EN BANDEN CONTROLESYSTEEM VAN DE BANDENSPANNING STUURINRICHTING STUURBEKRACHTIGING MECHANISCHE BEDIENINGSORGANEN AUTOMATISCHE PARKEERREM ANTIBLOKKEERSYSTEEM
NUMMER : 076/ DATUM : VERSIE NR : B
AUTOMERK TYPE VOYAGER CILINDERINHOUD 3300 AANTAL KLEPPEN 12 MOTORCODE 3.3V6 TRANSMISSIE TYPE AT TYPE VSI INJECTOREN ( RAIL NUMMER + KLEUR ) 2 x 180/30330 Oranje RETROFIT VERSIE ( LPG / CNG ) LPG BRANDSTOF
Metalen plaat Z Master commerciële 2000-serie zitmaaiers
Metalen plaat Z Master commerciële 000-serie zitmaaiers Modelnr.: 5-4790 Form No. 78-5 Rev A Installatie-instructies Opmerking: Laat de riem van het maaidek op zijn plaats tijdens de montage van deze set.
MX-motor. Controleren uitlaatsysteem op lekkage en bevestiging
Lees de module veiligheidsvoorschriften voordat u de werkzaamheden genoemd in deze module uitvoert. Wanneer de in dit onderhoudsysteem opgenomen veiligheidsvoorschriften niet worden opgevolgd, kan de gezondheid
KD457.37 riemspanner GT357.13
KD457.37 riemspanner GT357.13 AUDI: A3 serie 1 en serie 1 FL SEAT: Cordoba (III, IV), Ibiza (II, III), Inca, Leon I, Toledo serie 2 SKODA: Fabia, Octavia I FL VOLKSWAGEN: Bora, Caddy II, Golf IV, New Beettle
VERVANGING VAN DE MOTOR-VERSNELLINGSBAK COMBINATIE
VERVANGING VAN DE MOTOR-VERSNELLINGSBAK COMBINATIE ( voortrein niet uitgebouwd ) UITBOUWEN. 1. Leg blokken voor en achter de achterwielen. 2. Maak de handrem los en controleer dat de versnellingshandel
1 of 4 20/01/ :42
1 of 4 20/01/2013 20:42 Uitgegeven: 16-nov-2012 Voorwielophanging - Voorwiellager en wielnaaf Auto's gebouwd vanaf 01/1999 Verwijderen en aanbrengen Verwijderen 1. Krik de voorkant van het voertuig op.
Saab 9-3 CV M04-, 4D/5D M06-
SCdefault 900 Montagerichtlijn SITdefault MONTERINGSANVISNING INSTALLATION INSTRUCTIONS MONTAGEANLEITUNG INSTRUCTIONS DE MONTAGE Sportchassis Accessories Part No. Group Date Instruction Part No. Replaces
Verslag van het vervangen van het saildrive rubber van een First 31.7.
Na 10 jaar vond ik het tijd om het rubber van de saildrive te vervangen. Officieel geldt daar een termijn voor van 7 jaar maar dat leek mij wel heel erg kort. Figuur 1 aangetast rubber In Figuur 1 is te
DEFENDER BRANDSTOFSYSTEEM - Benzine 19
DEFENDER BRANDSTOFSYSTEEM - Benzine 19 7. De korte veer verwijderen. 8. Alle componenten reinigen in paraffine. 9. Het pomphuis onderdompelen in benzine en de pompbuis uitblazen met gecomprimeerde lucht.
TECHNISCHE INSTRUCTIES. Service Campagne Elektrische HV-waterpomp Prius NHW20 modeljaar
TECHNISCHE INSTRUCTIES Service Campagne Elektrische HV-waterpomp Prius NHW20 modeljaar 2004-2007 I. HANDELINGSSCHEMA Controleer of het VIN van de auto in het betrokken VIN-bereik ligt. Nee Geen verdere
5 Mechanismes en accessoires
5 Mechanismes en accessoires 51A ORGANEN IN PORTIEREN 52A ORGANEN IN MOTORKAP ACHTERKLEP - OPEN DAK 54A RUITEN 55A BESCHERMINGEN BUITENKANT 56A ACCESSOIRES BUITENKANT 57A ACCESSOIRES INTERIEUR 59A VEILIGHEIDSORGANEN
BARCHETTA CATALOGUS INDEX
BARCHETTA CATALOGUS INDEX 1. Motor 2. Brandstof systeem 3. Koeling 4. Uitlaat systeem 5. Klokken panelen 6. Stuurinrichting 7. Versnellingsbak en toebehoren 8. Schokbrekers en veren 9. Velgen en toebehoren
Saab 9-3 M03- 900 Montagerichtlijn MONTERINGSANVISNING INSTALLATION INSTRUCTIONS MONTAGEANLEITUNG INSTRUCTIONS DE MONTAGE.
SCdefault 900 Montagerichtlijn SITdefault Motor-/interieurverwarming MONTERINGSANVISNING INSTALLATION INSTRUCTIONS MONTAGEANLEITUNG INSTRUCTIONS DE MONTAGE Accessories Part No. Group Date Instruction Part
Saab 9-3 B284 M Montagerichtlijn MONTERINGSANVISNING INSTALLATION INSTRUCTIONS MONTAGEANLEITUNG INSTRUCTIONS DE MONTAGE.
SCdefault 900 Montagerichtlijn SITdefault Motorverwarmer MONTRINGSNVISNING INSTLLTION INSTRUCTIONS MONTGNLITUNG INSTRUCTIONS MONTG ccessories Part No. Group ate Instruction Part No. Replaces 32 026 189
Oliën en oliefilter vervangen
Oliën en oliefilter vervangen Interval: 3.000 km. Oliefilter: 25.465.00 Motorolie: 2 liter 10W40 Interval: 10.000 km Differentieel olie: 1 liter 80W90 Carterpan pakking Breng de motor op bedrijfstemperatuur.
Olie kanalen in een Fiat 500 motorblok uit 69
Olie kanalen in een Fiat 500 motorblok uit 69 Bij het reviseren van een 110F motor blok zijn we flink wat problemen tegen gekomen, die te maken hadden met de olie voorziening van deze Fiat 500 uit 69.
ContiTech: Tips van experts voor vervanging van distributieriemen
Practical Tip ContiTech Power Transmission Group ContiTech: Tips van experts voor vervanging van distributieriemen Gedetailleerde instructies voor CT 607 WP1 distributieriem kit in een Citroën Saxo (S0,
Installation instructions, accessories. Afneembare trekhaak. Volvo Car Corporation Gothenburg, Sweden. Pagina 1 / 15 D
Installation instructions, accessories Instructienr. 9172295 Versie 1.2 Ond. nr. 30664104, 30664110 Afneembare trekhaak EU D8901067 Volvo Car Corporation Afneembare trekhaak- 9172295 - V1.2 Pagina 1 /
Demontage van het fusee Klik met muis of spatiebalk voor volgende dia
Demontage van het fusee Klik met muis of spatiebalk voor volgende dia Om het lager te vervangen moet eerst het fuseehuis worden gedemonteerd (hier zit het lager met flens in) Als 1 e moet de centrale naafmoer
Een brommer laten rijden die een tijd stil heeft gestaan
Een brommer laten rijden die een tijd stil heeft gestaan Stel, je koopt een brommer die een hele tijd heeft stil gestaan die niet meer wil rijden. (of een andere oude brommer) Hier kun je lezen wat je
Reparatie. Reparatie. 1.1 Vervangen van schakelkabels bij eendelige asring
. Vervangen van schakelkabels (0,9mm specialerohloff kabel). Vervangen van schakelkabels bij eendelige asring Bij vervanging van versleten of geknapte schakelkabels moeten twee mogelijke asringversies
Garantietijden MC1, MC2, City, Cargo, Campus, Highland S = schade G = garantie CODE Werkzaamheden Tijd O = onderhoud
Garantietijden MC1, MC2, City, Cargo, Campus, Highland S = schade G = garantie CODE Werkzaamheden Tijd O = onderhoud EXTERIEUR C03 De en montage van de achterklep accessoires 0,50 S C12 Vervangen van portierslot
Saab 900 2,0/2,3 M94-, Saab 9-3 2,0/2,3
MONTERINGSANVISNING INSTALLATION INSTRUCTIONS MONTAGEANLEITUNG INSTRUCTIONS DE MONTAGE 900 Motorverwarming Accessories Part No. Group Date Instruction Part No. Replaces 400 126 611 9:87-18 Dec 99 51 96
Montagehandleiding ZT-50 N Vacuum Cruise Control
Montagehandleiding ZT-50 N Vacuum Cruise Control ZT-50N Cruise Control Bedieningsfuncties Aanzetten : Snelheid verlagen : Zet de On/Off knop op On. Inschakelen : Let op! Zodra de Cruise Control niet gebruikt
Stuurklep revisie (power steering valve) Dutch Corvette Supplies
Stuurklep revisie (power steering valve) 65-82 Dutch Corvette Supplies Deze stuurklep regelt de aansturing van de stuurcylinder. Na vele jaren moeizame arbeid is deze stuurklep wel eens aan vervanging
PAMLOCK trekvaste verbinding
Pagina 1 van 1 versie 01-12-2004 PAMLOCK trekvaste verbinding Kogelvergrendeling in borgkamer Conformator Borgring STANDARD rubberring Lasril De PAMLOCK trekvaste verbinding STD-Pk is ontworpen voor twee
Motoro liën en oliefilter vervangen 2.0
Motoro liën en oliefilter vervangen 2.0 Motorolie: Interval: Oliefilter: Motorolie: 3.000 km. 25.465.00 2 liter 10W40 Versnellingsbak en cardanolie: Interval: 10.000 km Differentieel olie: 1 liter 80W90
Installation instructions, accessories. Niveauregeling. Volvo Car Corporation Gothenburg, Sweden. Pagina 1 / 17
Installation instructions, accessories Instructienr. 8685630 Versie 1.1 Ond. nr. 8685627 Niveauregeling Volvo Car Corporation Niveauregeling- 8685630 - V1.1 Pagina 1 / 17 Uitrusting A0000162 A0000161 A0000197
