Masterscriptie Fiscaal Recht (690902)
|
|
|
- Martha de Meyer
- 7 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 Masterscriptie Fiscaal Recht (690902) Renteaftrek in de Vennootschapsbelasting Naam: Chantal Claessens Adres: Begoniastraat 36 Postcode en Plaats: 5462 AS VEGHEL Telefoonnummer: Studentnummer: Studierichting: Fiscaal Recht Datum presentatie: 7 december 2009 Examencommissie: prof. dr. J.A.G. van der Geld mr. L. Abbing van Kleef
2 Voorwoord Voor u ligt mijn masterscriptie ter zake van de renteaftrekbeperkingen in de vennootschapsbelasting. Deze masterscriptie is geschreven in het kader van het afronden van mijn studie Fiscaal Recht aan de Universiteit van Tilburg. Tijdens het schrijven van deze masterscriptie heb ik ondervonden dat de laatste loodjes inderdaad het zwaarst wegen. De keuze van een onderwerp was een relatief eenvoudige opgave, de formulering van een goede probleemstelling des te moeilijker. Daar komt bij dat het belastingrecht een snel veranderende discipline is. Gedurende het schrijven van deze masterscriptie werd ik hiermee diverse malen geconfronteerd. Bij deze wil ik graag mijn dank uitspreken aan mijn scriptiebegeleidster mevrouw L. Abbing van Kleef, die mij vanuit de Universiteit van Tilburg heeft begeleid. Ook wil ik mijn collega Martijn Bongers van BDO CampsObers Accountants & Belastingadviseurs B.V. bedanken voor de door hem geboden begeleiding bij het schrijven van mijn masterscriptie. Bovendien wil ik mijn ouders, zus, vriend, werkgever en collega s bedanken, die allen op hun eigen manier een bijzondere bijdrage hebben geleverd aan de totstandkoming van deze masterscriptie. Nu ik mijn dank heb uitgesproken aan iedereen die mij behulpzaam is geweest, rest mij om te vermelden dat mijn masterscriptie is geschreven op basis van de wet- en regelgeving, de jurisprudentie en literatuur naar de stand per 19 november Veghel, 19 november II
3 Inhoudsopgave Voorwoord.. II Lijst van gebruikte afkortingen V Hoofdstuk 1: Inleiding. blz Aanleiding voor het onderzoek.... blz Probleemstelling... blz Verantwoording en opzet. blz. 2 Hoofdstuk 2: Verschil in behandeling van eigen en vreemd vermogen..blz Civielrechtelijk. blz Eigendom en zeggenschap... blz Tijdsduur vermogensoverdracht.. blz Aarde en hoogte van de vergoeding.blz Risico voor het ter beschikking gestelde vermogen. blz Fiscaalrechtelijk... blz Schijnlening. blz Deelnemerschapslening... blz Bodemlozeputlening.... blz Conclusie blz. 7 Hoofdstuk 3: Huidige renteaftrekbeperkingen in de vennootschapsbelasting.. blz Artikel 10, eerste lid, onderdeel d Wet VPB blz Historie. blz Doel en strekking..... blz Artikel 10a Wet VPB blz Historie. blz Doel en strekking..... blz Artikel 10b Wet VPB blz Historie. blz Doel en strekking..... blz Artikel 10d Wet VPB blz Historie. blz Doel en strekking..... blz. 16 III
4 3.5 Conclusie.. blz. 18 Hoofdstuk 4: Het voorstel van prof. mr. F.A. Engelen, prof. dr. Vording en prof. mr. S. van Weeghel.. blz Defiscalisering van interne groepsrente blz Afschaffing aftrek interne groepsrente blz Deelnemingsvrijstelling toepassen op rentebaten van interne groepsvorderingen.. blz Deelnemen in een beleggingsinstelling... blz Beperking aftrek externe bankrente blz Knelpunten van het voorstel blz Vrijstelling groepsrente en niet aftrekbaarheid groepsrente blz Samenhang met de fiscale eenheid..... blz Samenhang met de IB..... blz Vestigingsklimaat en macro-economische aspecten blz Conclusie blz. 27 Hoofdstuk 5: Consultatiedocument: VPB blz De verplichte groepsrentebox blz Beschouwing blz Beperking aftrek van rente..... blz Specifieke rentaftrekbeperkingen (variant 1) blz Beschouwing blz Algemene renteaftrekbeperkingen (variant 2)..... blz Beschouwing blz Versoepeling van het regime van de deelnemingsvrijstelling..... blz Beschouwing blz Conclusie blz. 47 Hoofdstuk 6: Conclusie blz Consultatiedocument: VPB blz Alternatief: het gelijk behandelen van eigen en vreemd vermogen..... blz Stelsel van aftrek van primair rendement blz Beschouwing blz Notionele interestaftrek in België blz Afsluitende conclusie blz. 56 Literatuurlijst blz. 57 IV
5 Lijst van gebruikte afkortingen AWR Algemene Wet Rijksbelastingen BNB Beslissingen in Belastingzaken BV Besloten Vennootschap BW Burgerlijk Wetboek CPB Centraal Planbureau EG Europese Gemeenschap EU Europese Unie HR Hoge Raad der Nederlanden HvJ EG Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen IAS International Accounting Standards IB Inkomstenbelasting Jo. Juncto MBB Maandblad Belasting Beschouwingen MvA Memorie van Antwoord MvT Memorie van Toelichting NJ Nederlandse Jurisprudentie NOB Nederlandse Orde van Belastingadviseurs NTFR Nederlands Tijdschrift Fiscaal Recht NV Naamloze Vennootschap NvW Nota van Wijziging RJ Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving V-N Vakstudie Nieuws VPB Vennootschapsbelasting Wet VPB 1969 Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 WFR Weekblad Fiscaal Recht V
6
7 Hoofdstuk 1: Inleiding 1.1 Aanleiding voor het onderzoek In de huidige Wet op de Vennootschapsbelasting bestaat een onderscheid tussen de behandeling van de beloningen van eigen en van vreemd vermogen. Uit dit onderscheid volgt dat de kosten van eigen vermogen (dividend) fiscaal niet aftrekbaar zijn, terwijl de kosten van vreemd vermogen (rente) dat wel zijn. Hierdoor ontstaan vele fiscale arbitragemogelijkheden. De wetgever heeft hierop gereageerd door middel van allerlei anti-misbruik bepalingen, zoals opgenomen in artikel 10a Wet VPB 1969, artikel 10b Wet VPB 1969, artikel 10, lid 1, onderdeel d Wet VPB 1969 en artikel 10d Wet VPB Rondom de huidige renteaftrekbeperkende maatregelen spelen echter twee problemen een belangrijke rol. Ten eerste de ingewikkeldheid van de huidige bepalingen ter zake van de aftrek van interne groepsrente, waardoor deze bepalingen in concrete gevallen nagenoeg niet toepasbaar zijn en niet zelden tot toevallige uitkomsten leiden. Daarnaast bestaan er budgettaire zorgen over de door het Bosal arrest van het HvJ EG opgeroepen aftrek van verschuldigde rente. 1 In het Bosal arrest werd namelijk beslist dat de kostenaftrekbeperking voor kosten die verband houden met buitenlandse deelnemingen van artikel 13, eerste lid, Wet VPB 1969 in strijd is met het EG-recht. Als reactie op de uitspraak van het HvJ EG zijn door het Ministerie van Financiën als tegenmaatregel de thincapitalisation -regels van artikel 10d Wet VPB 1969 geïntroduceerd. De hiervoor aangehaalde zorgen omtrent de door het Bosal arrest opgeroepen renteaftrek omvatten de financieringspraktijk van veel private equity-firms. Equity-firms financieren de overnames van aansprekende Nederlandse bedrijven (zoals in het verleden bijvoorbeeld Hema en Van Gansewinkel) in een hoge mate met vreemd vermogen (bankleningen). Deze financiering met vreemd vermogen brengt zware rentelasten met zich mee. Doordat deze zware rentelasten, doorgaans via een fiscale eenheid, ten laste kunnen worden gebracht van de Nederlandse winst, betalen Nederlandse bedrijven na hun overname niet of nauwelijks nog Nederlandse vennootschapsbelasting. De discussie over de renteaftrekbeperkingen in de vennootschapsbelasting is momenteel volop in beweging. In het Weekblad Fiscaal Recht van augustus 2008 hebben prof. mr. F.A. Engelen, prof. dr. H. Vording en prof. mr. S. van Weeghel een poging gedaan om voor het probleem van de renteaftrek in de vennootschapsbelasting een oplossing te brengen. 2 Dit hebben zij gedaan in de vorm van een concreet wetsvoorstel middels een Memorie van Toelichting. Vervolgens hebben Staatssecretaris de 1 HvJ EG 18 september 2003, zaak C-168/01 (Bosal Holding), BNB 2003/344 2 prof. mr. F.A. Engelen, prof. dr. H. Vording en prof. mr. S. van Weeghel, Wijziging van belastingwetten met het oog op het tegengaan van uitholling van de belastinggrondslag en het verbeteren van het fiscale vestigingsklimaat, WFR 2008/891 1
8 Jager en Minister Bos op 16 december 2008 aangekondigd dat nader onderzoek zal worden gedaan naar de fiscale groepsrente in de vennootschapsbelasting. De uitkomsten van dit onderzoek zullen in de vorm van een wetsvoorstel naar de Tweede Kamer worden gezonden, aldus de bewindslieden. Vervolgens heeft het Ministerie van Financiën op 14 juli 2009 een consultatiedocument gepubliceerd waarin mogelijke aanpassingen worden geïntroduceerd op het gebied van de groepsrente en de deelnemingsvrijstelling. Alle tekenen wijzen er derhalve op dat de fiscale behandeling van groepsrente in de vennootschapsbelasting binnen afzienbare termijn opnieuw zal worden gewijzigd. 1.2 Probleemstelling De vennootschapsbelasting kent diverse bepalingen die ervoor zorgen dat betaalde rente in bepaalde situaties niet ten laste van het fiscaal resultaat mag worden gebracht. Deze aftrekbeperkingen zijn ondergebracht in diverse wetsartikelen, veelal ontstaan door reparatiewetgeving, en zijn er op gericht om uitholling van de grondslag van belastingheffing tegen te gaan. De wetgever heeft met reparatiewetgeving de gaten willen dichten. Hierdoor is de wetgeving omtrent renteaftrekbeperkingen gecompliceerd en kent veel overkill. In mijn onderzoek ga ik na welke oplossingen er bestaan voor de manco s van en de alternatieven voor het huidige stelsel van renteaftrekbeperkingen. Deze oplossingen en alternatieven kunnen zowel binnen het bestaande stelsel liggen als daarbuiten. Het onderzoeksdoel laat zich dan ook vertalen in de volgende probleemstelling, die uiteenvalt in twee deelvragen: In hoeverre is het huidige stelsel van renteaftrek in de vennootschapsbelasting houdbaar? Bestaat er een alternatief die de ongewenste gevolgen van het verschil in behandeling van vergoedingen op eigen en vreemd vermogen in de vennootschapsbelasting tegen gaat? 1.3 Verantwoording en opzet De problematiek rondom de renteaftrekbeperkingen heeft alles te maken met het fiscaalrechtelijke verschil in behandeling tussen vergoedingen op eigen vermogen enerzijds en vergoedingen op vreemd vermogen anderzijds. In hoofdstuk 2 ga ik daarom eerst in op dit verschil in behandeling. Hierin maak ik een onderscheid tussen de civielrechtelijke en de fiscaalrechtelijke kwalificatie van eigen en vreemd vermogen. De civielrechtelijke kwalificatie van eigen en vreemd vermogen is van belang voor het fiscaal recht. De fiscaalrechtelijke kwalificatie volgt in principe de civielrechtelijke. In hoofdstuk 3 staan de huidige renteaftrekbeperkingen in de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 centraal. Hierbij zal ik in gaan op de historie, het doel en strekking van artikel 10, eerste lid, onderdeel d Wet VPB 1969, artikel 10a Wet VPB 1969, artikel 10b Wet VPB 1969 en artikel 10d Wet VPB
9 Vervolgens wordt in hoofdstuk 4 aandacht besteed aan het voorstel van prof. mr. F.A. Engelen, prof. dr. H. Vording en prof. mr. S. van Weeghel in het Weekblad Fiscaal Recht. Allereerst zal ik dit voorstel in hoofdlijnen bespreken. Aansluitend zal ik de belangrijkste voor- en nadelen van het voorstel bespreken. In reactie op het in hoofdstuk 4 te bepreken voorstel van prof. mr. F.A. Engelen, prof. dr. H. Vording en prof. mr. S. van Weeghel heeft het Ministerie van Financiën op 14 juni 2009 een consultatiedocument gepubliceerd. In hoofdstuk 5 zullen de diverse voorstellen uit het consultatiedocument omtrent de groepsrente en de deelnemingsvrijstellingen besproken worden. Ook hier zal aandacht besteed worden aan de belangrijkste voor- en nadelen van het consultatiedocument. Tenslotte wordt het geheel afgesloten met de belangrijkste conclusies en aanbevelingen in hoofdstuk 6. 3
10 Hoofdstuk 2: Verschil in behandeling van eigen en vreemd vermogen Om de investeringsbehoeften van de vennootschap te financieren, heeft men de keuze uit twee soorten vermogen, te weten eigen vermogen of vreemd vermogen. Aan financiering met beide vermogenssoorten zijn voor- en nadelen verbonden. De keuze die gemaakt wordt voor een van de twee financieringswijzen, zal met name afhangen van een drietal factoren: economische factoren, civielrechtelijke factoren en fiscaalrechtelijke factoren. 3 In dit hoofdstuk zal ik de civielrechtelijke en fiscaalrechtelijke factoren bespreken. 2.1 Civielrechtelijk In het civiele recht zijn aan een vordering op een vennootschap andere rechten verbonden dan aan een aandeel in een vennootschap. In dit kader is het onderscheid tussen eigen en vreemd vermogen civielrechtelijk van belang. Het eigen vermogen onderscheidt zich in beginsel op vier punten van vreemd vermogen. 4 Deze vier punten worden hieronder in het kort behandeld Eigendom en zeggenschap Het kapitaal van een vennootschap is verdeeld in aandelen. Dit kapitaal vormt het eigen vermogen van de vennootschap, waar de aandeelhouders in deelnemen. Een aandeel in een vennootschap is een aan een aandeelhouder toekomend recht dat zich laat ontleden in een aantal samenhangende rechten. 5 Hierbij kan men onderscheid maken tussen rechten die vermogensrechtelijk van aard zijn (recht op dividend, recht op uitkering van een evenredig deel van het saldo na ontbinding en vereffening) en rechten met een ondersteunend karakter (stemrecht en daaraan verwante rechten). Een verschaffer van vreemd vermogen beschikt niet over een recht in het vermogen van de vennootschap. Hieruit volgt dan ook dat de vreemd vermogensverschaffer in beginsel geen zeggenschapsrechten heeft Tijdsduur vermogensoverdracht Ten tweede bestaat er een verschil in de termijn (de looptijd) van het ter beschikking gestelde vermogen. Bij eigen vermogen heeft de vermogensoverdracht veelal een permanent karakter en kent geen terugbetalingsverplichting. Dit in tegenstelling tot vreemd vermogen, waarbij het geleende goed op een bepaalde tijd in gelijke hoeveelheid en hoedanigheid dient te worden teruggegeven. 6 Hieromtrent zullen afspraken zijn gemaakt tussen partijen. 3 J. van Strien, Aspecten van renteaftrekbeperkingen in de vennootschapsbelasting, Kluwer, Deventer, 2002, p 1 4 J. van Strien, Aspecten van renteaftrekbeperkingen in de vennootschapsbelasting, Kluwer, Deventer, 2002, p P. van Schilfgaarde, Van de B.V. en de N.V., Kluwer, 2009, p Artikel 7A:1800 BW 4
11 2.1.3 Aard en hoogte van de vergoeding Een derde verschil tussen eigen en vreemd vermogen is de vergoeding die wordt ontvangen in ruil voor de terbeschikkingstelling van het vermogen. De vergoeding voor het verstrekken van eigen vermogen wordt door de verschaffers ontvangen in de vorm van dividend. Dit dividend kan in twee vormen worden uitgekeerd. Te weten een uitkering in de vorm van contanten, oftewel cashdividend, en/of een uitkering in aandelen (stockdividend). Aan het uitkeren van dividend zijn regels verbonden. Er mag slechts dividend worden uitgekeerd voor zover het eigen vermogen van de vennootschap groter is dan het bedrag van het gestorte en opgevraagde deel van het kapitaal, vermeerderd met de wettelijke of in de statuten bepaalde reserves. Bovendien mag dividend pas worden uitgekeerd als de jaarrekening is vastgesteld of goedgekeurd. 7 Verschaffers van vreemd vermogen ontvangen daarentegen een interestvergoeding. De overeengekomen rente wordt veelal vooraf bepaald en schriftelijk vastgelegd. 8 De interestvergoeding zal doorgaans een vast percentage bedragen van de nominale hoofdsom. Hierop zijn echter diverse varianten denkbaar. Zo kan het rentepercentage bijvoorbeeld ook gekoppeld worden aan de marktrente of afhankelijk worden gesteld van de winst Risico voor het ter beschikking gestelde vermogen Het vierde en laatste verschil ziet op het risico ten aanzien van het ter beschikking gestelde vermogen. Verschaffers van eigen vermogen lopen risico ten aanzien van de vergoeding en de terugbetaling. In geval van een faillissement worden namelijk eerst in wettelijke volgorde de verschaffers van vreemd vermogen terugbetaald. Nadat deze volledig zijn terugbetaald, komt de uitkering aan de eigen vermogens-verschaffers aan de orde. Overigens zullen ook verschaffers van vreemd vermogen enig risico lopen, daar de mogelijkheid bestaat dat er onvoldoende baten zijn om alle schuldeisers volledig terug te betalen. Ook in geval van een positief overschot bij liquidatie is het onderscheid tussen eigen en vreemd vermogen van belang. Dit positief overschot komt namelijk toe aan de aandeelhouders. De verschaffers van vreemd vermogen hebben daarentegen slechts recht op terugbetaling van de hoofdsom (inclusief rente). Tot slot kunnen verschaffers van vreemd vermogen als waarborg voor terugbetaling van de geldlening zekerheid eisen, bijvoorbeeld in de vorm van een pandrecht of recht van hypotheek. Wanneer de schuldenaar zijn verplichtingen vervolgens niet nakomt, kan de verschaffer van vreemd vermogen zijn 7 Artikel 2:105, derde lid en 2:216, derde lid, BW 8 Artikel 7A:1804 BW 5
12 zekerheden uitwinnen. Voor eigen vermogen daarentegen behoeven geen zekerheden te worden verkregen. 2.2 Fiscaalrechtelijk Voor de vraag of een geldlening fiscaal wordt bestempeld als vreemd vermogen, dan wel als eigen vermogen, geldt als uitgangspunt de hiervoor besproken civielrechtelijke kwalificatie. 9 Op deze hoofdregel gelden echter drie uitzonderingen Schijnlening Van de eerste uitzondering is sprake wanneer de geldlening kwalificeert als een zogenoemde schijnlening. Dit is het geval wanneer partijen het contract naar civielrechtelijke maatstaven weliswaar hebben aangeduid als lening, maar partijen eigenlijk de bedoeling hebben gehad om een kapitaalverstrekking tot stand te brengen. In 1954 heeft de Hoge Raad reeds geoordeeld dat: als regel geldt, dat niet beslissend is de schijn, dat is de naam, waarmee een transactie wordt uitgedost en de vorm waarin zij wordt gegoten, doch dat het aankomt op wat in werkelijkheid tussen partijen is verhandeld, dat is op de verhoudingen, welke naar burgerlijk recht beoordeeld in werkelijkheid tussen partijen bestaan. 10 Het criterium voor kwalificatie van een geldlening als schijnlening is derhalve dat de wil van beide bij de overeenkomst betrokken partijen is gericht op een kapitaalverstrekking in plaats van een lening. De feitelijke wilsovereenstemming, welke voor niet-contractpartijen moeilijk is te achterhalen, dient derhalve anders te luiden dan de formele wilsovereenstemming. Is dit niet het geval, dan kan van een schijnlening geen sprake zijn. 11 De invulling van dit criterium dient plaats te vinden aan de hand van de objectief waarneembare feiten en omstandigheden, zoals renteloosheid, achtergesteldheid van een lening bij de concurrente schuldeisers en de winstafhankelijkheid van de rente op een lening Deelnemerschapslening Ook wanneer de geldlening kwalificeert als een zogenoemde deelnemerschapslening wordt deze niet aangemerkt als vreemd vermogen. Hiervan is sprake indien de lening onder zodanige voorwaarden is verschaft dat de geldverschaffer met de ter leen verstrekte gelden in zekere mate deel neemt in de onderneming van de schuldenaar. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 11 maart 1998, BNB 1998/208 geoordeeld dat sprake is van een deelnemerschapslening indien de vergoeding voor de geldverstrekker afhankelijk is van de winst, de schuld is achtergesteld bij alle concurrente 9 HR 11 maart 1998, nr , BNB 1998/ HR 3 november 1954, BNB 1954/ J. van Strien, Aspecten van renteaftrekbeperkingen in de vennootschapsbelasting, Kluwer, Deventer, 2002, p 61 6
13 schuldeisers en de schuld geen vaste looptijd heeft maar slechts opeisbaar is bij faillissement, surseance van betaling of liquidatie. In BNB 2006/82 heeft de Hoge Raad een nadere invulling gegeven aan de in BNB 1998/208 gestelde eisen. In BNB 2006/82 heeft de Hoge Raad duidelijk gemaakt dat ook een vrijwel volledig winstafhankelijke lening kwalificeert als deelnemerschapslening. Voorts heeft de Hoge Raad een einde gemaakt aan de discussie of extreem lange looptijden nog als vaste looptijd in de zin van BNB 1998/208 kunnen worden aangemerkt, door de grens bij vijftig jaar te trekken. De deelnemerschapslening is sinds 1 januari 2007 overigens wettelijk vastgelegd in artikel 10, eerste lid, onderdeel d Wet VPB De historie, het doel en strekking van dit artikel zal in hoofdstuk 3 nader worden besproken Bodemlozeputlening Daarnaast is sprake van kwalificatie van vreemd vermogen als kapitaal indien de lening kwalificeert als een zogenoemde bodemlozeputlening. Van een bodemlozeputlening is sprake indien de belastingplichtige op grond van zijn positie als aandeelhouder aan een vennootschap waarin hij een deelneming in de zin van artikel 13 Wet VPB 1969 heeft, een geldlening verstrekt onder zodanige omstandigheden dat aan de uit die lening voorvloeiende vordering, naar hem reeds aanstonds duidelijk moet zijn geweest, voor het geheel of voor een gedeelte geen waarde toekomt omdat het door hem ter leen verstrekte bedrag niet of niet ten volle zal kunnen worden terugbetaald, zodat het geheel of gedeeltelijk zijn vermogen blijvend heeft kunnen verlaten. 12 Met andere woorden: het moet gaan om aanstonds duidelijke verliesfinanciering. In tegenstelling tot de hiervoor besproken schijnlening, waarbij de wil van de contractspartijen centraal staat, staat bij de bodemlozeputlening de feitelijke omstandigheden waaronder de lening is verstrekt centraal. Behalve bij het verstekken van een lening kan ook bij het wezenlijk veranderen van de leningsvoorwaarden de bodemlozeputlening in beeld komen Conclusie De duiding van de civielrechtelijke begrippen kapitaal (eigen vermogen) en lening (vreemd vermogen) zijn ook in het fiscale recht van belang, daar voor de fiscaalrechtelijke kwalificatie van een vermogensverstrekking de civielrechtelijke vorm beslissend is. Op deze hoofdregel bestaan in het fiscale recht een drietal uitzonderingen, in geval van een schijnlening, deelnemerschapslening en een bodemlozeputlening. Indien een lening fiscaalrechtelijk daadwerkelijk ook kwalificeert als een echte lening, wil dit echter nog niet zeggen dat de rente op deze lening ook fiscaal aftrekbaar is. Er bestaan namelijk diverse wetsartikelen die in bepaalde situaties de renteaftrek belemmeren. Deze wetsartikelen zullen in het volgende hoofdstuk aan de orde komen. 12 HR 27 januari 1988, nr , BNB 1988/ HR 4 september 1996, nr , BNB 1997/42 7
14 Hoofdstuk 3: Huidige renteaftrekbeperkingen in de Vennootschapsbelasting Zoals reeds in het vorige hoofdstuk is beschreven, behandeld de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 eigen vermogen op een fundamenteel andere wijze dan vreemd vermogen. Dit lokt het gedrag van concerns uit om zoveel mogelijk te financieren met vreemd vermogen in plaats van eigen vermogen. Om deze alsmaar uitbreidende financiering met vreemd vermogen tegen te gaan kent de Wet VPB 1969 inmiddels een niet gering aantal renteaftrekbeperkingsmaatregelen, te weten ondermeer: Kwalificatie van een geldlening als een zogenaamde hybride geldlening (artikel 10, eerste lid, onderdeel d Wet VPB 1969); Antiwinstdrainageregels (artikel 10a Wet VPB 1969); Aftrekbeperking van rente voor leningen in gelieerde verhoudingen onder onzakelijke voorwaarden (artikel 10b Wet VPB 1969); Thin-capitalisation -regels (artikel 10d Wet VPB 1969). In de volgende paragrafen zal ik deze renteaftrekbeperkingsmaatregelen verder uitwerken. Hierbij zal ik meer in detail ingaan op de historie en doel en strekking van de maatregelen. 3.1 Artikel 10, eerste lid, onderdeel d Wet VPB 1969 In artikel 10 Wet VPB 1969 zijn maatregelen opgenomen om te voorkomen dat gebruik gemaakt wordt van vreemd vermogensvormen, die in materiële zin als eigen vermogen moeten worden beschouwd. Het gaat hierbij om de zogenaamde hybride leningen. Dit zijn vermogensvormen die een mengvorm zijn van eigen en vreemd vermogen. Civielrechtelijk zijn het leningen, maar materieel hebben zij kenmerken van eigen vermogen. Ingevolge artikel 10, eerste lid, onderdeel d Wet VPB 1969 komen vergoedingen op een geldlening, alsmede waardemutaties van deze lening, dan ook niet in aftrek indien de lening onder zodanige voorwaarden is aangegaan dat deze naar het oordeel van de wetgever eigenlijk als een verstrekking van eigen vermogen kan worden beschouwd Historie Tot aan de invoering van de wet Werken aan winst kende artikel 10 Wet VPB 1969 een nadere uitwerking van bovenstaande formulering. Deze nadere uitwerking was opgenomen in de slotzin van artikel 10, eerste lid, onderdeel d en in artikel 10, tweede tot en met vierde lid Wet VPB 1969 en sprak over de volgende drie situaties waarin sprake was van een hybride lening: - De hoogte van de vergoeding op de lening is volledig afhankelijk van de winst of van de uitdeling van de winst van de belastingplichtige of van een met de belastingplichtige verbonden lichaam en 8
15 de looptijd van de lening bedraagt meer dan tien jaar, dan wel de lening heeft geen vaste aflossingsdatum; - De hoogte van de vergoeding op de lening is deels afhankelijk van de winst of van de uitdeling van de winst van de belastingplichtige of van een met de belastingplichtige verbonden lichaam en het niet van de winst afhankelijke gedeelte van de vergoeding bedraagt op het moment dat deze wordt overeengekomen minder dan de helft van de marktrente die geldt voor leningen met eenzelfde looptijd maar waarvan de vergoeding niet winstafhankelijk is. Daarnaast heeft de lening een looptijd van meer dan tien jaar, dan wel heeft de lening geen vaste aflossingsdatum; - De hoogte van de vergoeding op de lening is niet afhankelijk gesteld van de winst of van de uitdeling van de winst van belastingplichtige of van een met de belastingplichtige verbonden lichaam, maar de verschuldigdheid van de vergoeding is daarvan wel afhankelijk gesteld. Bovendien is de lening achtergesteld en bedraagt de looptijd van de lening meer dan vijftig jaar, dan wel de lening heeft geen vaste aflossingsdatum. Deze specifieke wettelijke invulling is bij de invoering van de wet Werken aan winst komen te vervallen, omdat de regeling in de praktijk weinig werd toegepast en de praktijk de regeling gecompliceerd vond, waardoor de toegevoegde waarde van de nadere wettelijke invulling gering leek. 14 Met het vervallen van de specifieke wettelijke invulling wordt voortaan aangesloten bij de in de jurisprudentie ontwikkelde en nog te ontwikkelen criteria voor het onderscheid tussen het eigen en vreemd vermogen. 15 De reeds in de jurisprudentie ontwikkelde criteria zullen hierna aan de orde komen Doel en strekking Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat artikel 10, eerste lid, onderdeel d Wet VPB 1969 uitsluitend betrekking heeft op de zogenoemde deelnemerschapsleningen (en nadrukkelijk niet op de schijnlening en de bodemlozeputlening). 16 Van een dergelijke lening is sprake indien een lening onder zodanige voorwaarden is aangegaan dat deze lening feitelijk functioneert als eigen vermogen. Artikel 10, eerste lid, onderdeel d Wet VPB 1969 is gericht op de aftrekkant en derhalve op de schuldenaar. De Hoge Raad heeft criteria ontwikkeld voor de afbakening tussen normale leningen en deelnemerschapsleningen. In essentie zijn deze criteria terug te vinden in het arrest van 5 juni Ingevolge dit arrest moet er sprake zijn van de regeling ener verhouding tussen schuldeiser en schuldenaar, welke den schuldeiser zo nauw bij het bedrijf van den schuldenaar betrekt dat hij daarin 14 MvT, Kamerstukken II 2005/2006, , nr. 3, blz MvT, Kamerstukken II 2005/2006, , nr. 3, blz MvT, Kamerstukken II 2005/2006, , nr. 3, blz HR 5 juni 1957, nr , BNB 1957/239 9
16 in zekere mate deel heeft. In latere arresten van de Hoge Raad is deze omschrijving nader ingevuld, met name in het arrest van 11 maart In dit arrest heeft de Hoge Raad bepaald dat sprake is van een deelnemerschapslening indien de vergoeding voor de geldverstrekking afhankelijk is van de winst, de schuld is achtergesteld bij alle concurrente schuldeisers en de schuld geen vaste looptijd heeft doch slechts opeisbaar is bij faillissement, surseance van betaling of liquidatie. In latere arresten heeft de Hoge Raad genoemde criteria verduidelijkt c.q. versoepeld. Zo is in het arrest van 17 februari 1999 het criteria met betrekking tot de winstafhankelijkheid nader verduidelijkt en heeft de Hoge Raad bepaald dat een winstafhankelijke opeisbaarheid niet gelijkgesteld is aan een winstafhankelijke vergoeding. 19 Vervolgens heeft de Hoge Raad in het arrest van 25 november 2005 bepaald dat de vergoeding niet volledig winstafhankelijk hoeft te zijn, maar volstaan kan worden met een vrijwel volledige winstafhankelijke vergoeding. Tevens stelt de Hoge Raad met geen vaste looptijd gelijk een looptijd van meer dan 50 jaar. 20 Indien niet wordt voldaan aan de hierboven opgesomde criteria, is de rente in beginsel aftrekbaar. Om te beoordelen of in een concrete casus sprake is van aftrekbare rente, dienen alle (in het inleidende gedeelte van dit hoofdstuk genoemde) renteaftrekbeperkende maatregelen worden doorlopen en wel in de juiste volgorde. In de volgende paragraaf komen we toe aan de behandeling van artikel 10a Wet VPB Artikel 10a Wet VPB 1969 De wettelijke bepaling van artikel 10a Wet VPB 1969 keert zich tegen situaties van zogeheten winstdrainage, ook wel betiteld als winsterosie of uitholling van de belastinggrondslag. Winstdrainage kan worden omschreven als een geregisseerd geheel van rechtshandelingen waardoor de mogelijkheid bestaat om rente op Nederlandse belastbare winsten in aftrek te brengen zonder dat de tegenover die rentelasten staande baten in Nederland of elders in de wereld (effectief) belast worden Historie Tot de invoering van artikel 10a Wet VPB 1969 werd winstdrainage door de Nederlandse fiscus bestreden met richtige heffing (artikel 31 AWR) en later met het leerstuk van fraus legis. Met behulp van richtige heffing kan een bepaalde rechtshandeling worden genegeerd/geëlimineerd. Het leerstuk van fraus legis heeft echter een groter toepassingsbereik, daar bij fraus legis een rechtshandeling kan worden vervangen door een zeer sterk vergelijkbare rechtshandeling. Daarnaast omvat fraus legis het volledige toepassingsbereik van de richtige heffing, omdat het via fraus legis tevens mogelijk is om de gewraakte rechtshandeling te vervangen door nihil. 18 HR 11 maart 1998, nr , BNB 1998/ HR 17 februari 1999, nr , BNB 1999/ HR 25 november 2005, nr , BNB 2006/82 10
17 De voorwaarden voor fraus legis vloeien rechtstreeks voort uit de jurisprudentie. Of sprake is van fraus legis, is afhankelijk van de navolgende aspecten: 1. Het enige of volstrekt doorslaggevende motief van het samenstel van rechtshandelingen is het bereiken van een aanzienlijke belastingbesparing, dan wel de verijdeling van belastingheffing (motiefvereiste); 2. Het gevolg daarvan is dat zonder de toepassing van het leerstuk van fraus legis minder belasting kan worden geheven dan wanneer die handeling achterwegen zou zijn gebleven; 3. Het met het samenstel van rechtshandelingen beoogde effect/resultaat is in strijd met het doel en de strekking van de wet (normvereiste). Er ontstond op het Ministerie van Financiën de behoefte om door middel van wetgeving meer duidelijkheid te creëren en de in de jurisprudentie ontwikkelde criteria aan te scherpen in een voor de fiscus meer gewenste richting. Deze behoefte werd in het begin van de jaren negentig versterkt door het toenemende gebruik van agressieve financieringsstructuren. Per 26 december 1996 is dan ook artikel 10a Wet VPB 1969 in de wet opgenomen. 21 Naast codificatie van jurisprudentie heeft de wetgever met invoering van artikel 10a Wet VPB 1969 beoogd om een wijziging aan te brengen in de aftrekbaarheid van rente naar aanleiding van de arresten BNB 1993/196 en BNB 1996/ De wetgever was namelijk niet bepaald gelukkig met de uitkomsten van deze arresten. In deze arresten bepaalde de Hoge Raad dat onder omstandigheden renteaftrek was toegestaan in situaties van onder meer interne verhangingen. Bovendien was de wetgever fel gekant tegen kasrondjes. Hij was van mening dat door middel van kasrondjes op elk willekeurig moment een rentelast zou kunnen worden opgeroepen, waardoor de Nederlandse heffingsgrondslag naar willekeur zou kunnen worden geërodeerd. 23 Tot slot is bij invoering van artikel 10a Wet VPB 1969 de verdeling van de bewijslast gewijzigd ten nadele van de belastingplichtige. 24 De belastingplichtige dient namelijk op grond van de tegenbewijsregeling van het derde lid aannemelijk te maken dat sprake is van een compenserende heffing of van zakelijke redenen. In de jurisprudentie ter zake van fraus legis werd de bewijslast daarentegen in eerste instantie op de inspecteur gelegd Doel en strekking Het eerste lid van artikel 10a Wet VPB 1969 bepaalt dat de rente, inclusief kosten en valutaresultaten, ter zake van een aantal genoemde schuldigerkenningen niet in aftrek komen bij het bepalen van de 21 Bij wet van 13 december 1996, Stb (Tegengaan uitholling belastinggrondslag en het verstreken van de infrastructuur, Kamerstukken 1996/97, 24696) 22 MvT, TK, , , blz Nota navv, TK , , blz MvT, TK, , , blz
18 winst. Het gaat hierbij om het schuldig blijven van winstuitdelingen, teruggaven van gestort kapitaal of kapitaalstortingen dan wel verwerving of uitbreiding van een belang door belastingplichtige. Artikel 10a Wet VPB 1969 is alleen van toepassing op geldleningen binnen concernverband. Het gaat immers alleen om rente (inclusief kosten en valutaresultaten) op schulden aan verbonden lichamen of verbonden natuurlijke personen. In de leden 4 en 5 van artikel 10a Wet VPB 1969 wordt een definitie gegeven van dit begrip verbonden (rechts- en natuurlijke) personen. Ingevolge deze leden is sprake van verbondenheid bij een één derde belang. Met het tweede lid heeft de wetgever getracht het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2005 te overrulen. 25 In dit arrest ging het om de teruglening van een kapitaalstorting in een vennootschap in België. Deze teruglening vond een jaar na de kapitaalstorting plaats. Ten tijd van de kapitaalstorting was het voornemen tot de teruglening niet aanwezig. Hierop oordeelde de Hoge Raad dat er uiteindelijk onvoldoende verband aanwezig was tussen de kapitaalstorting en de lening, zodat het (oude) artikel 10a Wet VPB 1969 geen toepassing vond. Het nieuwe tweede lid beoogt in dergelijke gevallen de aftrekbeperking toch van toepassing te laten zijn. Ingevolge het tweede lid kan namelijk ook sprake zijn van een verband tussen een schuld en een rechtshandeling, zoals bedoeld in het eerste lid van artikel 10a wet VPB 1969, indien de schuld is aangegaan na het verrichten van de rechtshandeling. Het is echter de vraag of de wetgever op grond van deze tekstuele aanpassingen het gewenste effect behaald. 26 De volgorde van de rechtshandeling doet namelijk niets af van het verband. Immers de Hoge Raad gaat er in zijn arrest van 17 juni 2005 ook vanuit dat de volgorde toepassing van artikel 10a Wet VPB 1969 niet in de weg staat. Het verband kon door de Hoge Raad niet worden gelegd, omdat de Hoge Raad daaraan zware eisen stelt. In lid drie zijn de tegenbewijsregelingen, om onder de aftrekbeperking uit te komen, opgenomen. 1. De eerste tegenbewijsmogelijkheid ziet op de belastingplichtige die aannemelijk maakt dat aan de schuldigerkenning in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen (de zakelijkheidstoets); 2. De aftrekbeperking geldt ook niet wanneer degene aan wie de rente is verschuldigd, een naar Nederlandse maatstaven redelijke heffing is verschuldigd (de compenserende heffing). Hierbij mag er bij de ontvanger van de rente tevens geen sprake zijn van nog te verrekenen verliezen dan wel verrekening van belasting op basis van het verrekeningsstelsel. Deze zouden er namelijk voor kunnen zorgen dat er geen sprake is van een naar Nederlandse maatstaven redelijke heffing. Met ingang van 1 januari 2008 is de tegenbewijsregeling echter ingeperkt. Indien de inspecteur aannemelijk maakt dat de schuld of de daarmee verband houdende rechtshandeling is aangegaan vanwege in het jaar van de transactie of daarna te verwachten verrekenen verliezen of andersoortige 25 HR 17 juni 2005, nr , BNB 2005/ Mr. drs. S.A.W.J. Strik, Wetsvoorstel Werken aan winst: een aantal resterende aandachtspunten, WFR 2006/
19 aanspraken of dat aan de schuld of de daarmee verband houdende rechtshandeling niet in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen, is renteaftrekbeperking alsnog van toepassing. De staatssecretaris is tot inperking van de tegenbewijsregeling gekomen, omdat het bij nader inzien eenvoudiger was geworden om een aftrekpost te creëren met een constructie die primair op belastingbesparing was gericht. Bij het in stand laten van het huidige systeem werd de kans op aanzienlijke budgettaire schade reëel geacht. 27 De wens om zuiver kunstmatige winstdrainageconstructies te bestrijden is begrijpelijk. De inperking van de tegenbewijsmaatregel gaat echter veel verder dan alleen het bestrijden van constructies. Doordat de inspecteur de mogelijkheid heeft om elke vorm van compenserende heffing als tegenbewijs opzij te zetten, bestaat de mogelijkheid dat zelfs in situaties waarin de renteontvangst wel wordt belast met een naar Nederlandse maatstaven redelijke heffing eerst een discussie dient te worden gevoerd met de inspecteur over de zakelijkheid van de beoogde transactie. 28 Dit komt de rechtszekerheid voor belastingplichtigen niet ten goede. Zelfs wanneer de belastingplichtige op grond van bovenstaande tegenbewijsregeling erin slaagt om onder de renteaftrekbeperking van artikel 10a Wet VPB 1969 uit te komen, is er nog geen definitief antwoord op de vraag of de rente wordt beperkt. Ook de bepalingen van artikel 10b Wet VPB 1969 zullen moeten worden doorlopen om te bepalen of deze al dan niet van toepassing zijn. 3.3 Artikel 10b Wet VPB 1969 Artikel 10b Wet VPB 1969 bevat een aftrekbeperking van rente voor leningen in gelieerde verhoudingen onder onzakelijke voorwaarden. Specifiek ziet de bepaling van artikel 10b Wet VPB 1969 op een geldlening die geen vaste aflossingsdatum heeft of een aflossingsdatum heeft die meer dan tien jaar ligt na het tijdstip waarop de lening is aangegaan, en er geen vergoeding op die lening is overeengekomen of een vergoeding die in belangrijke mate (30 procent of meer) lager is dan wat in het economische verkeer door onafhankelijke partijen zou zijn overeengekomen Historie Het oude artikel 10b Wet VPB 1969, welke gold tot 1 januari 2007, bevatte een bijzondere aftrekbeperking ter zake van vergoedingen op geldleningen in de vorm van (rechten op) aandelen in de debiteur dan wel in een met de debiteur verbonden lichaam (conversierechten en warrants). Per 1 januari 2007 is het oude artikel 10b Wet VPB 1969 opgegaan in het ruimere verband met artikel 10, eerste lid, onderdeel j Wet VPB 1969, waardoor artikel 10b Wet VPB 1969 (oud) kon komen te vervallen. 27 Parlementaire behandeling. Overige fiscale maatregelen 2008 (wet van 20 december 2007, Stb. 2007, 653, houdende wijzigingen van enkele belastingwetten en enige andere wetten) 28 Kamerstukken II 2006/07, (Commentaar van van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs) 13
20 De huidige inhoud van artikel 10b Wet VPB 1969 staat geheel los van het oude artikel 10b Wet VPB Volgens de memorie van toelichting komt het nieuwe artikel 10b Wet VPB 1969 inhoudelijk overeen met dat per dezelfde datum vervallen artikel 10, vierde lid Wet VPB Doel en strekking Artikel 10b Wet VPB 1969 ziet op renteloze en laagrentende geldleningen met een looptijd van langer dan tien jaar. De achtergrond van deze bepaling is, blijkens de wetgeschiedenis, om mismatches in vooral internationaal verband te voorkomen. 29 Deze mismatch bestaat er dan uit dat Nederland als vestigingsstaat van de debiteur een fictieve kostenaftrek toestaat op grond van het Zweedse grootmoederarrest 30, terwijl de buitenlandse crediteur geen rente-inkomsten op de lening in aanmerking behoeft te nemen. Een binnenlandse geldverstrekker die voldoet aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 10b Wet VPB 1969 wordt echter evenzeer getroffen door de aftrekbeperking. Dit resulteert in dubbele belastingheffing: geen aftrek van de (fictieve) rente bij de debiteur, wel belastingheffing over de (fictieve) rente bij de crediteur. Hoewel de wetgever in de tekst van artikel 10b Wet VPB 1969 geen beperking kan aanbrengen tot internationale situaties en nationale situaties erbuiten laten, daar dit waarschijnlijk strijdigheid met het EU-recht zal opleveren, is deze uitkomst voor een binnenlandse geldverstrekker naar mijn mening niet aanvaardbaar. Een mogelijke oplossing zou een beroep op de hardheidsclausule kunnen zijn, maar alleszins zeker is dit niet. Hierover meer verderop in deze paragraaf. De aftrekbeperking van artikel 10b Wet VPB 1969 komt pas aan de orde als sprake is van een echte geldlening, in casu dus geen bodemlozeputlening of schijnlening. Bovendien is artikel 10b Wet VPB 1969 ook niet relevant indien de geldlening wordt getroffen door artikel 10a Wet VPB 1969 of de aftrekbeperking van artikel 10, eerste lid, onderdeel d Wet VPB 1969 geldt. Het belang van deze volgorde is gelegen in de toepassing van de deelnemingsvrijstelling. 31 De toepassing van de deelnemingsvrijstelling is immers voorbehouden aan de zogenaamde deelnemerschapsleningen (van artikel 10, eerste lid, onderdeel d Wet VPB 1969) 32, wat betekent dat de rente niet in aftrek kan worden gebracht, maar de rente ook niet belast kan worden op grond van de deelnemingsvrijstelling. Bij een artikel 10b-vordering ligt dit anders en zal de rente niet in aftrek kunnen worden gebracht, maar wel belast zijn bij de crediteur. Het verdient daarom ook aanbeveling om voorafgaande aan de toepassing van artikel 10b Wet VPB 1969 te controleren of een langlopende of laagrentende lening voldoet aan de criteria voor een deelnemerschapslening. 29 MvT, Kamerstukken II 2005/2006, nr. 3, blz HR 31 mei 1978, nr , BNB 1978/ NV, Kamerstukken II 2005/2006, nr. 8, blz Artikel 13, vierde lid, onderdeel b Wet VPB
21 Wanneer de geldlening niet kan worden gekwalificeerd als bodemlozeputlening, schijnlening of deelnemerschapslening en artikel 10a Wet VPB 1969 is niet van toepassing, dan komt men toe aan artikel 10b Wet VPB 1969 en dienen de volgende drie cumulatieve toepassingsvoorwaarden te worden getoetst: 1. Ten eerste is vereist dat de geldlening wordt verstekt door een gelieerd lichaam in de zin van artikel 8b Wet VPB Een lichaam is gelieerd indien zij onmiddellijk of middellijk deelneemt in de leiding van, het toezicht op, dan wel in het kapitaal, van een ander lichaam. Er wordt geen kwantitatieve grens gesteld aan de omvang van de deelname. Het verbondenheidscriteria is in dit kader dan ook niet van belang; 2. In de tweede plaats moet het gaan om een geldlening die geen aflossingsdatum heeft of een aflossingsdatum die meer dan 10 jaar is gelegen na het tijdstip van het aangaan van de lening. Bij het verschuiven van de aflossingsdatum naar een later tijdstip, wordt de lening geacht vanaf het tijdstip van totstandkoming de nieuwe aflossingsdatum te hebben gehad; 3. Tot slot moet vastgesteld kunnen worden dat rechtens dan wel in feite geen vergoeding overeengekomen is of een vergoeding die in belangrijke mate lager is dan hetgeen in het economisch verkeer door onafhankelijke partijen zou zijn overeengekomen. De aftrekbeperking van artikel 10b Wet VPB 1969 ziet niet alleen op rente, maar ook op alle waardemutaties van een geldlening. Daar artikel 10b Wet VPB 1969 zich enkel richt op de aftrekkant en derhalve op de schuldenaar, moet hierbij gedacht worden aan de rente- en valutamutaties. De eventueel bij de geldverstrekker optredende waardemutaties vallen geheel buiten de werking van artikel 10b Wet VPB De toepassing van artikel 10b Wet VPB 1969 kan dubbele heffing tot gevolg hebben (geen aftrek bij debiteur, wel heffing bij crediteur). Tijdens de parlementaire behandeling is verwezen naar de toezegging ter zake van artikel 10, vierde lid, Wet VPB 1969 oud. 33 Deze toezegging hield dat in binnenlandse deelnemingsverhoudingen met behulp van de hardheidsclausule een oplossing zou worden gezocht voor economische dubbele belasting als gevolg van de aftrekbeperking. Daar artikel 10b Wet VPB 1969 als opvolger van artikel 10, vierde lid Wet VPB 1969 oud wordt gezien, kan worden aangenomen dat deze toezegging doorwerkt naar artikel 10b Wet VPB De oplossing met betrekking tot de dubbele heffing zal in de sfeer van de hardheidsclausule worden gezocht bij de crediteur. In een concreet geval (op 1 januari 2007 was sprake van een reeds bestaande lening waarvan de voorwaarden niet zijn gewijzigd en de goedkeuring leidt tot continuering van de fiscale behandeling zoals die plaatsvond voor 1 januari 2007) heeft de Staatssecretaris goedgekeurd dat een artikel 10b lening voor de toepassing van artikel 14, vierde lid, onderdeel b Wet VPB 1969 wordt 33 NV, Veegwet III, Kamerstukken II 2002/2003, , nr. 7, blz
22 aangemerkt als een zogenoemde deelnemerschapslening. 34 Middels deze goedkeuring is de deelnemingsvrijstelling van toepassing op de rente bij de crediteur. Na toetsing van artikel 10b Wet VPB 1969 bestaat er echter nog steeds geen duidelijkheid of de rente al dan niet definitief aftrekbaar is. Tot slot zal ook nog de thin-capitalisationmaatregel van artikel 10d Wet VPB 1969 moeten worden doorlopen. 3.4 Artikel 10d Wet VPB 1969 De thin-capitalisationmaatregel van artikel 10d Wet VPB 1969 heeft ten doel om een deel van de rentelasten van een aan een vennootschapsbelasting onderworpen lichaam van aftrek uit te sluiten indien dat lichaam met een overmaat aan vreemd vermogen is gefinancierd. Deze renteaftrekbeperking vindt alleen toepassing indien sprake is van een groep van verbonden lichamen. Daarnaast is de renteaftrekbeperking gemaximeerd tot het bedrag aan rente dat per saldo aan de verbonden lichamen is verschuldigd Historie Op 18 september 2003 heeft het HvJ EG arrest gewezen in de Bosal-zaak. 35 Hierbij ging het om de vraag of de aftrekbeperking (voor deelnemingskosten die verband houden met de financiering van deelnemingen van een moedermaatschappij in dochtermaatschappijen in andere EG lidstaten) van artikel 13, eerste lid Wet VPB 1969 in strijd was met de moeder-dochterrichtlijn en met het recht van vrijheid van vestiging. Het HvJ EG heeft deze vraag bevestigend beantwoord. De financiële gevolgen van deze beslissing waren voor de wetgever niet aanvaardbaar, waardoor niet alleen de aftrek van kosten in verband met deelnemingen in overeenstemming werden gebracht met het Bosal-arrest door deze aftrekmogelijkheid uit te breiden tot kosten in verband met buitenlandse deelnemingen, maar ook de zogenoemde thin-capitalisationregeling in te voeren om de financiële schade van het Bosalarrest te beperken Doel en strekking De thin-capitalisationmaatregel van artikel 10d Wet VPB 1969 beoogt te voorkomen dat de Nederlandse heffingsgrondslag wordt uitgehold doordat vennootschappen bovenmatig met vreemd vermogen worden gefinancierd, zoals bijvoorbeeld het geval is bij zogenaamde private equity-firms. De invoering van artikel 10d Wet VPB 1969 hangt nauw samen met de aanpassing van artikel 13, eerste lid Wet VPB Na aanpassing van artikel 13, eerste lid Wet VPB 1969 zijn namelijk alle kosten in verband met deelnemingen volledig aftrekbaar, ongeacht of deze kosten dienstbaar zijn aan 34 Brief Staatssecretaris van Financiën van 14 juni 2007, nr. BDPP , V-N 2007/ HvJ EG 18 september 2003, zaak C-168/01, BNB 2003/ Wet op de Vennootschapsbelasting 1969, artikelsgewijs commentaar 16
23 de Nederlandse belastbare winst. De remmende werking van artikel 13, eerste lid VPB 1969 op een bovenmatige financiering van vreemd vermogen is hierdoor niet langer aanwezig. Middels invoering van artikel 10d Wet VPB 1969 is getracht om de ongewenste grondslagverschuiving, die zou kunnen optreden als gevolg van het afschaffen van de niet-aftrekbaarheid van kosten van buitenlandse deelnemingen, tegen te gaan. De thin-capitalisationregeling is slechts van toepassing indien de belastingplichtige deel uitmaakt van een groep in de zin van artikel 2:24b BW. Een groep ingevolge artikel 2:24b BW is een economische eenheid waarin rechtspersonen en vennootschappen organisatorisch zijn verbonden. Een nadere uitwerking van dit groepsbegrip treft men aan in Richtlijn 214 voor de Jaarverslaggeving. Maakt de belastingplichtige deel uit van een groep in de zin van artikel 2:24b BW, dan valt hij onder het bereik van de thin-capitalisationregeling en dient vervolgens te worden bepaald of bij hem sprake is van een teveel aan vreemd vermogen. Hiervoor zijn een tweetal toetsen, de vasteratiotoets en de concerntoets. De vasteratiotoets is neergelegd in het vierde lid van artikel 10d Wet VPB 1969 en geldt als hoofdregel. Voor de vasteratiotoets wordt gebruik gemaakt van de fiscale cijfers van de belastingplichtige. Aan de hand van de verhouding vreemd vermogen ten opzichte van eigen vermogen wordt het teveel aan vreemd vermogen bepaald. Indien het gemiddeld vreemd vermogen meer bedraagt dan driemaal het gemiddeld eigen vermogen en dit surplus tevens een bedrag van euro te boven gaat, is sprake van een teveel aan vreemd vermogen. Het bedrag van euro is ingegeven vanuit de wens om het midden- en kleinbedrijf te ontzien. 37 De vasteratiotoets is de standaardtoets, maar belastingplichtigen kunnen jaarlijks kiezen voor de toets die hen het gunstigste uitkomt. In artikel 10d, vijfde lid Wet VPB 1969 is de concerntoets neergelegd. Anders dan bij de vasteratiotoets gaat de concerntoets uit van de cijfers van de commerciële balans. Bij de concerntoets wordt bepaald of sprake is van een teveel aan vreemd vermogen door de verhouding tussen het eigen vermogen en het vreemd vermogen van de belastingplichtige af te zetten tegen de verhouding tussen het eigen vermogen en het vreemd vermogen van de groep als geheel waartoe de belastingplichtige behoort. Voor zover de belastingplichtige naar verhouding met meer vreemd vermogen is gefinancierd dan het concern als geheel, is sprake van een teveel aan vreemd vermogen. Ingevolge het derde lid van artikel 10d Wet VPB 1969 is de niet-aftrekbare rente nooit hoger dan de rente die per saldo verschuldigd is aan verbonden lichamen. Het begrip verbonden lichaam wordt overeenkomstig artikel 10a, lid 4 Wet VPB 1969 ingevuld. De saldering van het derde lid berust op de 37 NvW, TK, 2003/2004, nr , nr. 8, blz. 9 en 19 17
24 overweging dat grondslagverschuiving niet aan de orde is voor zover tegenover aan verbonden lichamen verschuldigde rente van verbonden lichamen te ontvangen rente staat Conclusie Uit de hiervoor besproken historie, doel en strekking van de huidige renteaftrekbeperkingsmaatregelen blijkt wel dat de bepalingen in de loop der jaren aanmerkelijk zijn uitgebreid en er niet eenvoudiger op zijn geworden. Bovendien hebben zij niet altijd de gewenste werking in geval van internationaal opererende ondernemingen. Zo kunnen deze ondernemingen met behulp van de allocatie van groepsvorderingen dan wel -schulden makkelijk inspelen op effectieve tariefverschillen die bestaan tussen het tarief in Nederland en andere landen met een laag algemeen tarief. Hierdoor komt de betaalde groepsrente ten laste van de grondslag in Nederland, terwijl de ontvangen groepsrente tegen een laag effectief tarief worden belast in het laagbelaste land. Daarnaast bestaat er als gevolg van het Bosal arrest van het HvJ EG een onevenwichtigheid in de fiscale behandeling van buitenlandse deelnemingen. Hoewel opbrengsten uit deelnemingen in Nederland door toepassing van de deelnemingsvrijstelling veelal zijn vrijgesteld, kunnen de met de inkomsten samenhangende kosten (als gevolg van het Bosal arrest) wel ten laste van de Nederlandse grondslag worden gebracht. Prof. mr. F.A. Engelen, prof. dr. H. Vording en prof. mr. S. van Weeghel hebben een poging gedaan om een oplossing te brengen voor deze problemen van de renteaftrek in de vennootschapsbelasting. Dit voorstel zal in het volgende hoofdstuk aan de orde komen. 38 NvW, Kamerstukken II 2003/2004, , nr. 8, blz
25 Hoofdstuk 4: Het voorstel van prof. mr. F.A. Engelen, prof. dr. H. Vording en prof. mr. S. van Weeghel In het Weekblad Fiscaal Recht van augustus 2008 hebben prof. mr. F.A. Engelen, prof. dr. H. Vording en prof. mr. S. van Weeghel een poging gedaan om een oplossing te brengen voor het probleem van de renteaftrek in de vennootschapsbelasting. 39 Dit hebben zij gedaan in de vorm van een concreet wetsvoorstel middels een Memorie van Toelichting. Uit het voorstel van de drie hoogleraren, prof. mr. F.A. Engelen, prof. dr. Vording en prof. mr. S. van Weeghel, valt af te leiden dat zij twee problemen signaleren in het huidige stelsel van renteaftrekbeperkingen. 40 Ten eerste de ingewikkeldheid van de huidige bepalingen, waardoor deze bepalingen in concrete gevallen nagenoeg niet toepasbaar zijn en niet zelden tot toevallige uitkomsten leiden. Daarnaast bestaan er zorgen of het gat dat door het Bosal-arrest van het HvJ EG is geslagen, voor wat betreft de aftrek van rente in verband met de buitenlandse deelnemingen, waarvan de winst in Nederland niet kan worden belast, voldoende is gedicht. Deze twee problemen hebben de drie hoogleraren uitgewerkt in een tweetal oplossingen, welke hieronder zullen worden besproken. 4.1 Defiscalisering van interne groepsrente De eerste oplossing van de drie hoogleraren ziet op de defiscalisering van interne groepsrente. Deze defiscalisering bestaat concreet uit de volgende twee maatregelen: 1. Het niet in aftrek toestaan van verschuldigde rente aan een verbonden lichaam dan wel een verbonden natuurlijk persoon bij de schuldenaar; 2. Het toepassen van de deelnemingsvrijstelling op de ontvangen rentebaten bij de schuldeiser, ter voorkoming van dubbele belasting. Hieronder zullen beide maatregelen worden toegelicht Afschaffing aftrek interne groepsrente Voorgesteld wordt om artikel 10, lid 1, onderdeel d, Wet VPB 1969, artikel 10a Wet VPB 1969, artikel 10b Wet VPB 1969 en artikel 10d Wet VPB 1969 te schrappen. In het nieuwe voorgestelde artikel 10, eerste lid, onderdeel d Wet VPB 1969 wordt bepaald dat renten en kosten, alsmede waardemutaties, ter zake van schulden, aan een verbonden lichaam of verbonden natuurlijk persoon bij het bepalen van de winst niet meer in aftrek komen. Met betrekking tot waardemutaties is opgemerkt dat, ter voorkoming van misverstanden, zowel positieve als negatieve waardemutaties bij het bepalen van de winst buiten aanmerking blijven. 39 Prof. mr. F.A. Engelen, prof. dr. H. Vording en prof. mr. S. van Weeghel, Wijziging van belastingwetten met het oog op het tegengaan van uitholling van de belastinggrondslag en het verbeteren van het fiscale vestigingsklimaat, WFR 2008/ Prof. dr. mr. E.J.W. Heithuis, Voorstellen Engelen cs voor VPB 2010: ei van Columbus?, WFR 2008/
26 In het nieuwe artikel 10, derde tot en met zesde lid, wordt de definitie van een verbonden lichaam of verbonden natuurlijk persoon grotendeels overgenomen uit het huidige artikel 10a, vierde tot en met zesde lid, Wet VPB Daarbij wordt echter de grens niet langer gelegd bij een belang van een derde, maar bij een belang van meer dan de helft. De drie hoogleraren zijn van mening dat hierdoor beter wordt aangesloten bij het doel en strekking van het nieuwe artikel 10, eerste lid, onderdeel d en de overige in het derde lid genoemde bepalingen waarvoor de definitie van verbonden lichaam geldt, aangezien het in deze bepalingen veronderstelde oneigenlijk gebruik zich veelal slechts in geval van een meerderheidsbelang zal voordoen. 41 Ik ben het op dit punt eens met de hoogleraren. Bij een belang van 50 procent is immers pas sprake van een doorslaggevende zeggenschap en zou de houder van de aandelen transacties kunnen initiëren. Bij een belang van een derde heeft men deze zeggenschap (macht), om te kunnen bepalen wat er binnen het lichaam gebeurt, niet. Ingeval van een samenwerkende groep wordt het belang dat de groep als geheel heeft, ingevolge het nieuwe zesde lid, toegerekend aan de lichamen en natuurlijk personen die daarvan deel uitmaken. Of sprake is van een samenwerkende groep dient te worden beoordeeld aan de hand van alle relevante feiten en omstandigheden. Indien de belastingplichtige zekerheid wenst of in zijn geval sprake is van een samenwerkende groep, kan op grond van het nieuwe zesde lid bij de inspecteur verzocht worden om een bij voor bezwaar vatbare beschikking. Ingevolge het nieuwe zevende lid wordt onder schuld en schuldvordering niet alleen verstaan een schuld die voortvloeit uit een overeenkomst van geldlening als bedoeld in artikel 7A:1793 BW, maar ook een schuld dan wel vordering die voortvloeit uit een overeenkomst die in economische zin daarmee overeenkomst. Hierbij valt te denken aan verplichtingen uit hoofde van huurkoop of financial lease, alsmede aan verplichtingen uit hoofde van een lijfrenteovereenkomst Deelnemingsvrijstelling toepassen op rentebaten van interne groepsvorderingen In het nieuwe vierde lid, onderdeel b van artikel 13 Wet VPB 1969 wordt de meesleepregeling uitgebreid. Op grond van de meesleepregeling worden winstbewijzen van de dochtermaatschappij fiscaal ook als deelneming aangemerkt, waarop de deelnemingsvrijstelling van toepassing kan zijn. Als gevolg van het nieuwe vierde lid, onderdeel b is de deelnemingsvrijstelling ook van toepassing op schuldvorderingen, indien de belastingplichtige een deelneming heeft in dat lichaam en de belastingplichtige met het uitgeleende bedrag in zekere mate deel heeft in de onderneming van dat lichaam. Dit ter voorkoming van dubbele belastingheffing op nationaal niveau. 41 Prof. mr. F.A. Engelen, prof. dr. H. Vording en prof. mr. S. van Weeghel, Wijziging van belastingwetten met het oog op het tegengaan van uitholling van de belastinggrondslag en het verbeteren van het fiscale vestigingsklimaat, WFR 2008/891 20
27 Middels wijziging van artikel 13, vijfde lid, onderdeel b Wet VPB 1969 wordt daarnaast bereikt dat de deelnemingsvrijstelling ook van toepassing is op de voordelen uit hoofde van een deelnemerschapslening, indien een met de belastingplichtige verbonden lichaam een deelneming heeft in de schuldenaar, dan wel de schuldenaar met de belastingplichtige verbonden is. Deze wijziging van het vijfde lid, onderdeel b Wet VPB 1969 houdt verband met de invoering van het hiervoor besproken artikel 10, derde lid, waarin de gewijzigde definitie van een met de belastingplichtige verbonden lichaam is opgenomen. Om economisch dubbele belasting te voorkomen wordt in het nieuwe vijfde lid, onderdeel d Wet VPB 1969 bepaald dat mede sprake is van een deelneming indien de belastingplichtige een schuldvordering op een verbonden lichaam heeft. Gevolg hiervan is dat ontvangen rente van een verbonden lichaam, alsmede waardemutaties van die schuldvorderingen, bij het bepalen van de winst buiten aanmerking blijven. Voorts wordt voorgesteld om de voordelen uit zogenaamde overnamekassen vrij te stellen door deze te brengen onder de deelnemingsvrijstelling. Hiertoe wordt in het nieuwe artikel 13, vijfde lid, onderdeel e Wet VPB 1969 de bepaling opgenomen dat sprake is van een deelneming, indien de belastingplichtige kortlopende beleggingen bezit, die worden aangehouden met het oog op de verwerving van een deelneming Deelnemen in een beleggingsinstelling De huidige in artikel 13, negende tot en met dertiende lid Wet VPB 1969 opgenomen bepalingen inzake de laagbelaste beleggingsdeelneming, die voorkomen dat beleggingsinkomsten in laagbelaste landen kunnen worden ondergebracht en in Nederland onbelast kunnen worden genoten op grond van de deelnemingsvrijstelling, komen te vervallen. In het nieuwe artikel 13a, negende lid Wet VPB 1969 wordt een afzonderlijke regeling getroffen voor deelnemingen in een beleggingsinstelling. Deze afzonderlijke regeling bepaald dat de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing is op: a) Een deelneming in een fiscale beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 28 Wet VPB 1969; b) Een deelneming in een vrijgestelde beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 6a Wet VPB 1969; c) Een deelneming in een niet in Nederland gevestigd lichaam, welke niet onderworpen is aan een belastingheffing naar de winst en waarvan de werkzaamheid bestaat uit het beleggen van vermogen. Onder het beleggen van vermogen wordt, in verband met de uitbreiding van de meetrekregeling, niet begrepen het aanhouden van schuldvorderingen en kortlopende beleggingen als bedoeld in het vijfde lid, onderdeel e. Evenmin wordt onder het beleggen van vermogen begrepen het aanhouden van onroerende zaken en rechten die direct of indirect daarop betrekking hebben voor zover de inkomsten uit deze onroerende zaken en rechten bij rechtstreekse belegging niet belast zijn ingevolge een regeling ter voorkoming van dubbele belasting. 21
28 In het nieuwe tiende en elfde lid zijn tot slot bepalingen opgenomen ter zake van de herwaardering op waarde in het economische verkeer van deelnemingen met een belang van 25 procent of meer in een fiscale beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 28 Wet VPB 1969 en een buitenlandse beleggingsinstelling, welke niet onderworpen is aan een belastingheffing naar de winst. 4.2 Beperking aftrek externe bankrente Een andere belangrijke oplossing voor de problematiek rondom renteaftrek van de drie hoogleraren is de beperking van de aftrek van externe bankrente. Ingevolge het nieuwe artikel 13a, eerste lid Wet VPB 1969 komen rente en kosten ter zake van schulden, die verband houden met een deelneming in een verbonden lichaam, niet in aftrek bij het bepalen van de winst. Dit doet zich echter alleen voor indien de vennootschap een zogenaamd tekort aan eigen vermogen oftewel een teveel aan vreemd vermogen heeft. Er is sprake van een tekort aan eigen vermogen indien het gemiddelde eigen vermogen van de vennootschap minder bedraagt dan de gemiddelde boekwaarde van haar deelnemingen. Bij de bepaling van het tekort aan eigen vermogen dient te worden uitgegaan van de fiscale balans. Tot het eigen vermogen van de belastingplichtige worden ingevolge het nieuwe artikel 13a, derde lid Wet VPB 1969 ook gerekend schulden aan een verbonden lichaam of een verbonden natuurlijk persoon, waarvan de rente en kosten op grond van het nieuwe artikel 10, eerste lid, onderdeel d Wet VPB 1969 niet meer in aftrek komen. Deze schulden, alsmede kortlopende beleggingen die worden aangehouden met het oog op de verwerving van een deelneming, worden voor de toepassing van het nieuwe artikel 13a Wet VPB 1969 aangemerkt als een deelneming in een verbonden lichaam. Ingevolge het nieuwe zevende lid dient het gemiddelde bedrag van de schulden, het gemiddelde eigen vermogen en de gemiddelde boekwaarde van de deelnemingen in een verbonden lichaam te worden bepaald naar de stand bij het begin en het einde van het boekjaar en wordt het eigen vermogen gesteld op ten minste 1 euro. Het tekort aan eigen vermogen, alsmede het saldo van de doorgeschoven renten en kosten wordt jaarlijks door de inspecteur, gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag, bij voor bezwaar vatbare beschikking vastgesteld. Het saldo van de doorgeschoven rente en kosten wordt hierbij gesteld op het bedrag aan rente en kosten, dat in een jaar niet in aftrek is gekomen van de winst als gevolg van het bepaalde in het nieuwe artikel 13a, eerste lid Wet VPB Deze renten en kosten kunnen in een volgend jaar alsnog in aanmerking worden genomen, op voorwaarde dat in dat jaar sprake is van een teveel aan eigen vermogen. Het gedeelte van de doorgeschoven renten en kosten dat alsnog in aftrek kan worden gebracht op de winst, is evenredig aan de verhouding tussen het teveel aan eigen vermogen van het jaar en het tekort aan eigen vermogen van dat voorafgaand jaar. 22
29 4.3 Knelpunten van het voorstel Na deze uitvoerige bespreking van het voorstel van prof. mr. F.A. Engelen, prof. dr. H. Vording en prof. mr. S. van Weeghel, volgt onderstaand een beschouwing in hoeverre deze hoogleraren met hun voorstel erin geslaagd zijn om een oplossing te brengen voor het probleem van de renteaftrek in de VPB. Alvorens tot een conclusie te komen worden hieronder eerst de knelpunten en eventuele onmogelijkheden van het voorstel besproken Vrijstelling groepsrente en niet-aftrekbaarheid groepsrente Grote vraag bij de voorgestelde defiscalisering van de groepsrente is of deze maatregel wel EU-proof is. Prof. mr. E.C.C.M. van Kemmeren 42 en prof. dr. J.A.G. van der Geld 43 zijn van mening dat deze vraag ontkennend dient te worden beantwoord, daar de voorgestelde regeling in essentie neerkomt op een aangescherpte groepsrentebox. Deze groepsrentebox, welke is opgenomen in de Wet Werken aan Winst, belast groepsrentebaten tegen een effectief tarief van 5 procent. Achtergrond van deze regeling was dat veel ons omringende landen een dergelijk gunstig regime hebben en wij niet achter konden blijven om Nederland aantrekkelijker te maken als vestigingsplaats voor internationale concerns. De groepsrentebox is echter nog steeds niet in werking getreden, omdat de Europese Commissie de regeling aan een uitgebreid onderzoek naar staatssteun heeft onderworpen. 44 De drie hoogleraren hebben in hun voorstel aangegeven dat naar hun mening geen sprake is van verboden staatsteun of schadelijke belastingconcurrentie, omdat de voorgestelde defiscalisering van groepsrente geen selectieve werking heeft en ook anderszins geen sprake is van ringfencing van het regime. Inmiddels heeft de Europese Commissie na een formeel onderzoek van bijna dertig maanden haar staatssteunonderzoek afgerond en een definitieve beschikking afgegeven. 45 Ten opzichte van de tekst van artikel 12c Wet VPB 1969 van de in eerste instantie voorgestelde groepsrentebox heeft Nederland een drietal wijzigingen voorgesteld. De belangrijkste wijziging is om de box verplicht te maken in plaats van optioneel. Daarnaast zal de definitie van het begrip groep en verbonden lichaam zodanig worden aangepast dat vrijwel alle situaties van feitelijke zeggenschap onder de rentebox vallen en zal het vereiste voor een wettelijk minimumkapitaal van euro voor de oprichting van een B.V. komen te vervallen. De beschikking van de Europese Commissie van 8 juli 2009 is hierdoor echter niet toegespitst op de door de hoogleraren voorgestelde defiscalisering van de groepsrente. Daarom is het goed mogelijk dat met de voorgestelde defiscalisering niet wordt voldaan aan de bepaling van artikel 87, eerste lid EG op grond waarvan sprake is van verboden staatssteun bij begunstiging van bepaalde ondernemingen of producties waardoor de mededinging wordt of dreigt te worden vervalst 42 Prof. mr. E.C.C.M. van Kemmeren, (Aangescherpte) groepsrentebox is naar huidige stand van zaken verboden staatssteun), WFR 2009/ Prof. dr. J.A.G. van der Geld, De behandeling van rente in de VPB heroverwogen, WFR 2009/ Besluit van de Europese Commissie van 28 maart 2007, nr. 2007/C66/12, V-N 2007/ Beschikking (C) van 8 juli
30 en de steun direct of indirect wordt gefinancierd uit staatsmiddelen. Immers het betreft een maatregel waar staatsmiddelen, in de vorm van een belastingvoordeel, bij zijn betrokken. Dit belastingvoordeel is niet via de commerciële weg te bemachtigen, maar wordt enkel verschaft aan groepsmaatschappijen met een belang van meer dan 50 procent. Daar komt bij dat de maatregel formeel ook van toepassing is op nationale groepsmaatschappijen, maar dat deze slechts voordelig is voor internationaal opererende groepsmaatschappijen. Ook dreigende concurrentievervalsing dan wel ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer is makkelijk aan te tonen. Doelstelling van de voorgestelde defiscalisering van de groepsrente is immers het behouden en aantrekken van hoofdkantoren met financieringsactiviteiten ten koste van andere landen. Ook in geval de voorgestelde regeling van defiscalisering niet als verboden staatssteun wordt aangemerkt door de Europese Commissie, zou mogelijk een probleem kunnen ontstaan met betrekking tot buitenlandse bronheffingen op rente. Zo ligt er een voorstel van 30 december 2003 van de Europese Commissie om de rente- en royaltyrichtlijn zodanig te wijzigen dat deze niet langer van toepassing is op de rente- en royaltybetaling die niet effectief bij de ontvanger zijn belast. 46 Met het oog op de voorgestelde regeling betekent dit dat de bronstaat gewoon zijn bronheffing op rente zal toepassen. Daarnaast is het de vraag of het verstandig is om zo n maatregel in te voeren. Het zou belastingpartners namelijk kunnen uitdagen om geen reductie van bronheffing meer te verlenen. Bovendien zou het de positie van Nederland in verdragsonderhandelingen kunnen verslechteren. Daarnaast zou het kunnen leiden tot een tax race to the bottom, doordat ook andere landen soortgelijke belastingmaatregelen zullen gaan introduceren om te kunnen concurreren. De drie hoogleraren doen hier in hun artikel in het WFR erg luchtig over. Ik denk echter dat, mede in het kader van de toenemende samenwerking binnen Europa, dit een belangrijk punt is om rekening mee te houden Artikel 13a en samenhang met de fiscale eenheid Ook rondom het voorgestelde artikel 13a Wet VPB 1969 kunnen problemen ontstaan met betrekking tot de verkeersvrijheden van het EG-verdrag. Het voorgestelde artikel betreft naar de letter namelijk een renteaftrekbeperking ten aanzien van binnenlandse en buitenlandse deelnemingen, terwijl het in de praktijk een beperking voor buitenlandse deelnemingen zal inhouden. Dit wordt veroorzaakt door toepassing van het fiscale eenheidsregime. In Nederland gevestigde moeder- en dochtermaatschappijen kunnen zich namelijk door het vormen van een fiscale eenheid onttrekken aan de in artikel 13a Wet VPB 1969 voorgestelde renteaftrekbeperking. Voor buitenlandse deelnemingen is in beginsel geen fiscale eenheid mogelijk, waardoor binnenlandse en buitenlandse deelnemingen in verbonden lichamen verschillend worden behandeld. 46 Voorstel voor een Richtlijn van de Raad van 30 december 2003, Com (2003) 841, tot wijziging van Richtlijn 2003/49/EG 24
31 Daar komt bij dat door toepassing van het fiscale eenheidsregime in een groot aantal gevallen afbreuk wordt gedaan aan het nuttige effect van het voorgestelde artikel 13a Wet VPB 1969, ter zake van de bestrijding van de financieringspraktijk van veel private equity-firms. Immers ook met het voorstel van de drie hoogleraren zullen Nederlandse bedrijven na hun overname niet of nauwelijks nog VPB verschuldigd zijn door gebruik te maken van een overnameholding Samenhang met de IB Het voorstel van de drie hoogleraren bevat naast een technische beschrijving ook een budgettaire onderbouwing. Hierbij worden de meeropbrengsten geraamd op 4 miljard euro. De hoogleraren kiezen er in hun voorstel voor om deze meeropbrengst aan te wenden voor een verlaging van het VPB-tarief naar 20 procent en het afschaffen van de dividendbelasting. In het voorstel wordt echter met geen woord gerept over de gevolgen van de tariefsverlaging van de VPB voor de inkomstenbelasting. Door verdere verlaging van het VPB-tarief wordt de onderlinge samenhang tussen de VPB en de IB (verder) verstoord 48, daar de IB-ondernemer niet profiteert van de voorgestelde tariefsverlaging in de VPB. Ter verduidelijking: bij een huidig aanmerkelijkbelangtarief van 25 procent bedraagt de gecombineerde belastingdruk maximaal 40 procent, tegenover een maximaal tarief van 46,8 procent in de IB voor ondernemers en een zelfs een maximaal tarief van 52 procent voor looninkomsten. 49 Van een evenwichtige verdeling van de belastingdruk tussen ondernemers die vanuit een B.V. opereren en IB-ondernemers kan derhalve geen sprake meer zijn. Daarnaast is een belangrijk punt van aandacht de behandeling van leningen van de aanmerkelijkbelanghouder aan zijn B.V. Als gevolg van de voorgestelde defiscalisatie van groepsschulden aan verbonden natuurlijke personen in de VPB zullen de tbs-schuldvorderingen worden overgeheveld naar het aanmerkelijk belang van box 2 in de IB. Het gaat hierbij echter alleen om tbs-schuldvorderingen waarbij de aanmerkelijkbelanghouder een belang van meer dan 50 procent in zijn B.V. bezit. De aftrek van rente in de VPB wordt immers pas geschrapt bij een belang van meer dan 50 procent. Schuldvorderingen waarbij de aanmerkelijkbelanghouder een belang heeft van minder dan 50 procent, kunnen dus achterblijven in de tbs-regeling van box 1. Dit betekent naar mijn mening een toenemende ingewikkeldheid van de IB. 47 Aldus: prof. dr. mr. E.J.W. Heijthuijs, Voorstellen Engelen cs voor VPB 2010: ei van Columbus?, WFR 2008/ Zie ook: prof. dr. mr. E.J.W. Heijthuijs, Voorstellen Engelen cs voor VPB 2010: ei van Columbus?, WFR 2008/1067 en mr. drs. S.A.W.J. Strik, Over zoet en zuur: gaat de vennootschapsbelasting weer op de schop?, NTFR Onleend aan: prof. dr. mr. E.J.W. Heithuis, Voorstellen Engelen cs voor VPB 2010: ei van Columbus?, WFR 2008/
32 De overheveling van tbs-schuldvorderingen naar box 2 heeft daarnaast tot gevolg dat het niet meer mogelijk is de schuldvordering af te waarderen op grond van artikel 3.95 jo. artikel 3.25 Wet IB 2001, omdat box 2 daar niet in voorziet. Dit zal weliswaar betekenen dat het aantal discussies omtrent afwaarderingsverliezen in box 1 tussen de belastingplichtige en de Belastingdienst zal verminderen, maar zorgt er ook voor dat de anti-misbruikbepaling van artikel 3.98a Wet IB 2001 zal moeten worden uitgebreid. Immers in het nieuwe voorstel gaat men onderscheid maken tussen de schuldvorderingen waarbij de aanmerkelijkbelanghouder een belang heeft van meer dan 50 procent en de schuldvorderingen waarbij het belang tussen de 5 en de 50 procent beloopt. Bovendien zal deze anti-misbruikbepaling dan moeten voorzien in de situatie dat de schuldvordering verschuift van box 1 naar box 2 en andersom doordat het belang wijzigt. Immers onder de normale omstandigheden kan de moedermaatschappij met een schuldvordering op haar dochtermaatschappij (waarin zij een belang heeft van minder dan 50 procent) afwaarderen indien sprake is van een duurzame waardedaling. Deze afwaardering is aftrekbaar van de winst van de moedermaatschappij. Wanneer op enig moment daarna het belang stijgt tot boven de 50 procent is een eventuele waardestijging van de afgewaardeerde schuldvordering onbelast. In de omgekeerde situatie (het belang daalt onder de 50 procent) zouden sfeerovergangen het gevolg kunnen zijn, doordat latere waardestijgingen van de afgewaardeerde schuldvordering in beginsel belast zijn. Kortom weer een ingewikkelde uitbreiding van een antimisbruikbepaling voor de IB erbij. Laatste punt betreft de gevolgen van de voorgestelde tariefsverlaging van de VPB tot 20 procent voor Japanse dochtermaatschappijen in Nederland. Bij de invoering van de wet Werken aan Winst is destijds bij de verlaging van het VPB tarief niet willekeurig gekozen voor 25,5 procent. Bij een VPBtarief van 25 procent zouden in Nederland gevestigde dochters van Japanse ondernemingen namelijk in de problemen kunnen komen, omdat Japan landen met een tarief van 25 procent of lager als belastingparadijs beschouwd. Hierbij heeft Zalm Ierland als voorbeeld aangehaald, waar Japanse ondernemingen massaal het land hebben verlaten, nadat deze zijn VPB-tarief naar 12,5 procent verlaagde. Zalm heeft dit effect willen voorkomen door bij de wet Werken aan Winst het tarief te verlagen tot 25,5 procent. 50 In het voorstel van de drie hoogleraren wordt echter met geen woord gesproken over de relatie van het voorgestelde tarief met het Japanse standpunt met betrekking tot belastingparadijzen, terwijl we met ons VPB-tarief toch ruim onder de grens van 25 procent schieten. 50 Minister Zalm van Financiën, nota naar aanleiding van het verslag van het wetsvoorstel Werken aan Winst 26
33 4.3.4 Vestigingsklimaat en macro-economische aspecten Het voorstel van de drie hoogleraren beoogt naast een verbetering van de structuur van de VPB een versterking van het Nederlandse fiscale vestigingsklimaat. Drs. P.H.M. Plipsen heeft in zijn artikel in het WFR onderzocht in hoeverre invoering van het wetsvoorstel in het belang is van dit vestigingsklimaat. 51 Hij komt hierbij echter tot de conclusie dat invoering van het wetsvoorstel niet in het belang is van het Nederlandse vestigingsklimaat. De Nederlandse multinationals profiteren namelijk ten volle van de tariefsverlaging in de VPB en hebben daarnaast relatief weinig last van de renteaftrekbeperkingen doordat de Nederlandse ( procent) deelnemingen worden opgenomen in een fiscale eenheid voor de VPB. De positie van buitenlandse multinationals daarentegen kan drastisch worden gewijzigd, doordat in het nieuwe wetsvoorstel rente op intercompany-leningen van de moedermaatschappij of concernfinancieringsmaatschappijen niet langer in aftrek kan worden gebracht. Dit betekent een lastenverhoging voor buitenlandse multinationals, die van invloed is op de investeringsbereidheid van deze buitenlandse multinationals in ons land. Naar mijn mening druist dit nu juist tegen een van de doelstellingen van de voorgestelde regeling, te weten het behouden en aantrekken van hoofdkantoren met financieringsactiviteiten, in. Tot slot zijn ook de macro-economische aspecten van het wetsvoorstel van belang. Deze zijn reeds onderzocht door mr. D.A. Hofland en dr. J.A. Lorié. 52 Zij komen tot de conclusie dat de Nederlandse economie thans (ten tijde van een zware recessie) niet is gediend met een pakket aan maatregelen die de renteaftrek ter zake van buitenlandse investeringen in Nederland beperken. Een macroeconomische analyse toont namelijk aan dat zowel de verplichte groepsrentebox als de defiscalisering van groepsrente een negatieve invloed heeft op investeringen in Nederland. Hierbij is het niet van belang of de leningen verstrekt worden door groepsmaatschappijen welke gevestigd zijn in normaal belastende landen of laagbelastende landen. Ook de beperking van rente op leningen ter zake van overnames in Nederland heeft een aantoonbare negatieve invloed op investeringen. Tot slot volgt uit de macro-economische analyse dat uitruil van de renteaftrekbeperking tegen een verlaging van het VPB tarief een aantoonbaar negatief effect heeft op buitenlandse investeringen in Nederland Conclusie Hierboven heb ik een opsomming gegeven van nadelen en eventuele onmogelijkheden van het voorstel van de hoogleraren prof. mr. F.A. Engelen, prof. dr. H. Vording en prof. mr. S. van Weeghel. Als belangrijkste nadeel van het voorstel kan toch wel de mogelijke kwalificatie als verboden staatssteun worden genoemd. Naar mijn mening dient hierover eerst uitsluitsel te worden verkregen 51 Drs. P.H.M. Plipsen, Wetsvoorstel-Engelen c.s. inzake renteaftrek: in het belang van het vestigingsklimaat? WFR 2009/ Mr. D.A. Hofland en dr. J.a. Lorié, Macro-economische overwegingen pleiten tegen de verplichte groepsrentebox en defiscalisering van groepsrente, WFR 2009/647 27
34 alvorens men tot invoering kan overgaan, ook in het kader van de rechtszekerheid voor de belastingplichtigen. Daarnaast mag men de samenhang van de VPB met de IB niet uit het oog verliezen. Zonder tegenmaatregelen in de IB gaat de samenhang tussen de VPB en IB verloren en kan de tariefsverlaging van de VPB tot 20 procent leiden tot onevenwichtigheden in het Nederlandse fiscale systeem, zoals een vlucht naar de B.V. Met tegenmaatregelen doel ik op verlaging van het aanmerkelijkbelangtarief, daar dit tarief de brug vormt tussen VPB en IB. Natuurlijk kleven er niet alleen minpunten aan het voorstel. De belangrijkste voordelen van het voorstel omvatten naar mijn mening: - De voorgestelde defiscalisering van rente op leningen binnen concern betekent een belangrijke vereenvoudiging van de VPB, doordat een groot aantal ingewikkelde anti-misbruikbepalingen overbodig worden; - Het voorstel roept een halt toe aan het verlies van belastingopbrengst doordat excessieve renteaftrek wordt beperkt. Het voorstel vorm daarom een goede basis om op verder te borduren. 28
35 Hoofdstuk 5: Consultatiedocument: VPB 2010 Naar aanleiding van het eerder besproken voorstel van prof. mr. F.A. Engelen, prof. dr. H. Vording en prof. mr. S. van Weeghel heeft de Staatssecretaris van Financiën in zijn brief van 15 december 2008 aangekondigd dat nader onderzoek zou worden verricht naar maatregelen met betrekking tot de fiscale behandeling van groepsrente in de VPB. Nadien is met een aantal betrokken partijen gesproken over deze maatregelen, waarbij uiteenlopende opvattingen naar voren zijn gekomen. Op 14 juni 2009 heeft de Staatssecretaris van Financiën vervolgens een consultatiedocument gepubliceerd, dat een (mogelijke) wettekst met een beknopte toelichting bevat. 53 De in het consultatiedocument voorgestelde wijzigingen zijn als volgt: - De introductie van een verplichte groepsrentebox voor ontvangen en betaalde groepsrente; - Een afzonderlijke beperking van de aftrek van groeps- en derdenrente; - Aanpassing van het regime voor laagbelaste beleggingsdeelnemingen in de deelnemingsvrijstelling. De voorgestelde verplichte groepsrentebox en de rentemaatregelen beogen een dam op te werpen tegen de uitholling van de belastinggrondslag en daarmee een evenwichtige verdeling van de VPB druk te creëren. Daarnaast zou de groepsrentebox een positieve bijdrage leveren aan het vestigingsklimaat. Met de voorgestelde versoepeling van het regime voor laagbelaste beleggingsdeelnemingen heeft de staatssecretaris een vereenvoudiging van de toepassing van de deelnemingsvrijstelling voor ogen. Deze vereenvoudiging zou moeten leiden tot minder onzekerheid en daarmee eveneens tot een verbetering van het vestigingsklimaat. Met de introductie van een verplichte groepsrentebox zal artikel 10d Wet VPB 1969 komen te vervallen. Artikel 10a Wet VPB 1969 wordt daarentegen vooralsnog niet aangepast of geschrapt. In de toelichting is echter wel de mogelijkheid opgenomen om artikel 10a Wet VPB 1969 alsnog te schrappen en terug te vallen op de fraus-legisjurisprudentie. Belanghebbenden uit het bedrijfsleven, de belastingadviespraktijk, de wetenschap en andere geïnteresseerden zijn uitgenodigd om voor 1 augustus 2009 hun commentaar te geven op de voorgestelde wijzigingen. Uiteindelijk moet de consultatie leiden tot een wetvoorstel. Daarbij zal ook een voorstel worden gedaan voor de terugsluizing van de meeropbrengst. Hierna zullen de voorgestelde wijzigingen in het kort worden besproken, gevolg door een beschouwing
36 5.1 De verplichte groepsrentebox De verplichte groepsrentebox zal in de plaats komen van de huidige in artikel 12c Wet VPB 1969 opgenomen optionele rentebox. Uitgangspunt van de verplichte groepsrentebox is dat alle renteontvangsten en betalingen binnen een groep van vennootschappen belast respectievelijk aftrekbaar zijn tegen een effectief tarief van 5 procent. 54 Ook de kosten ter zake van verbonden geldleningen, alsmede de inkomsten en kosten uit het aanhouden van een overnamekas vallen in deze verplichte groepsrentebox. Hieronder valt tevens de rente die formeel aan een derde verschuldigd is, maar feitelijk verschuldigd is aan een concernlichaam. Vanwege de samenhang die bestaat tussen het rentepercentage en het debiteuren- en valutarisico, gaat de regeling ook gelden voor valutaresultaten op groepsleningen en overnamekassen, alsmede resultaten op rente- en valutaafdekkingsinstrumenten. In het nieuwe tweede lid van artikel 12c Wet VPB 1969 wordt voor de definitie van een verbonden lichaam afgestapt van de term belang. Uit de goedkeurende beschikking van de Europese Commissie blijkt dat van de zijde van de Europese Commissie is aangedrongen op een verruiming van het groepsbegrip, om de groepsrentebox daarmee minder selectief te maken. Uitgangspunt in de verplichte groepsrentebox is de term zeggenschap. Hiermee wordt beoogd aan te sluiten bij de commerciële criteria van het jaarrekeningenrecht (conform IAS 27) op grond waarvan een groep van lichamen verplicht is een geconsolideerde jaarrekening op te stellen. In dit kader dient onder zeggenschap te worden verstaan: de macht om het financiële en operationele beleid van een onderneming te bepalen, teneinde voordelen uit haar activiteiten te verkrijgen. In geval van een samenwerkende groep lichamen of natuurlijke personen, gelden afwijkende criteria waarbij de zeggenschapsrechten worden toegerekend aan alle leden van die samenwerkende groep. Indien de belastingplichtige zekerheid wenst of in zijn geval sprake is van een samenwerkende groep, kan deze een verzoek indienen bij de inspecteur, die daarop beslist bij een voor bezwaar vatbare beschikking. Het begrip geldlening wordt omschreven in het voorgestelde onderdeel a van het derde lid. Ten aanzien van dit begrip is gekozen voor eenzelfde definitie als is opgenomen in artikel 10d Wet VPB Daarnaast worden ook vorderingen en schulden die berusten op een overeenkomst, welke in economische zin vergelijkbaar is met een overeenkomst van geldlening 55 onder het begrip geldlening gebracht. In onderdeel b wordt ook de financieringscomponent in huur- en leasebedragen ter zake van ter beschikking gestelde materiële vaste activa tussen verbonden lichamen onder de werking van de groepsrentebox gebracht. Ingevolge onderdeel c worden ontvangen rentevergoedingen op een geldlening die volgens de criteria uit de jurisprudentie van de Hoge Raad feitelijk functioneert als eigen vermogen, eveneens belast conform het regime van de groepsrentebox. Voor de betaalde rente 54 factor 5/H, waarbij H staat voor het hoogste tarief in de VPB 55 Bijvoorbeeld: Financial lease en huurkoop 30
37 ter zake van deze deelnemerschaps-leningen blijft het bestaande regime gelden, wat betekent dat dergelijke leningen nog steeds worden behandeld als eigen vermogen. Waardemutaties ter zake van verstrekte deelnemerschapsleningen vallen ingevolge onderdeel d onder de groepsrentebox. In het voorgestelde vierde lid is een anti-misbruikbepaling opgenomen die moet voorkomen dat normaal belaste ondernemingsresultaten worden omgezet in laagbelaste opbrengsten uit groepsvorderingen door binnen de groep activa over te dragen tegen schuldigerkenning. Deze bepaling is niet van toepassing voor transacties waaraan in overwegende mate zakelijke criteria ten grondslag liggen. Daarnaast is de anti-misbruikbepaling ook niet van toepassing bij de overdracht van deelnemingen (waarop de deelnemingsvrijstelling van toepassing is) en vorderingen waarop de groepsrentebox van toepassing is. Hieronder valt niet de overdracht van ter beschikking gestelde materiële vaste activa, daar deze opbrengsten slechts gedeeltelijk onder de werking van de groepsrentebox worden gebracht. In het nieuwe vijfde lid is een bepaling opgenomen die ervoor zorgt dat rente en kosten van externe geldleningen, welke vervolgens ter beschikking worden gesteld in de vorm van groepsleningen aan de diverse onderdelen van het concern, toch wordt aangemerkt als volledig aftrekbare derdenrente. Voor de toepassing van dit lid dient echter wel sprake te zijn van een direct historisch verband tussen de door een belastingplichtige verschuldigde groepslening en het door een verbonden lichaam aangetrokken externe geldlening. Daarnaast is vereist dat parallelliteit bestaat tussen de groepslening en de door een verbonden lichaam aangetrokken externe geldlening. Of sprake is van parallelliteit dient te worden beoordeeld aan de hand van de looptijd, aflossing, rentevergoeding, omvang en het tijdstip van het aangaan van de leningen. Een verschil in rentevergoeding op de groepslening en de door een verbonden lichaam aangetrokken externe geldlening doet niets af aan de parallelliteit, indien hieraan zakelijke overwegingen ten grondslag liggen. Onzakelijke overwegingen zijn daarentegen niet toegestaan. Ook in geval de aangetrokken externe lening als kapitaal wordt gestort in een tussenschakel en deze tussenschakel vervolgens een groepslening verstrekt aan een Nederlandse groepsvennootschap wordt aan het vereiste van parallelliteit niet voldaan. In het voorgestelde zesde lid van artikel 12c Wet VPB 1969 is de tegenhanger van het vijfde lid opgenomen, op grond waarvan een externe geldlening kan worden geherkwalificeerd tot een groepslening voor zover deze externe geldlening dient ter financiering van groepsvorderingen of andere activa die opbrengsten opleveren die in de groepsrentebox laag worden belast. Evenals bij het vijfde lid dient sprake te zijn van een historisch verband tussen de uit de externe geldlening verkregen middelen en de verkrijging van opbrengsten die in de verplichte groepsrentebox vallen. Parallelliteit is in tegenstelling tot het vijfde lid niet vereist. 31
38 Tot slot is in het nieuwe zevende lid van artikel 12c Wet VPB 1969 een delegatiebepaling opgenomen, op grond waarvan bij of krachtens algemene maatregelen van bestuur nadere regels, waaronder nadere voorwaarden, kunnen worden gesteld voor de toepassing van de verplichte groepsrentebox. De inwerktreding van de verplichte groepsrentebox is afhankelijk van de bevestiging van de Europese Commissie dat deze regeling geen verboden staatssteun behelst. Deze bevestiging is inmiddels ontvangen vanuit Brussel Beschouwing In het consultatiedocument merkt de Staatssecretaris van Financiën het volgende op omtrent de rechtsgrond van de groepsrentebox: Het verschil in behandeling van eigen en vreemd vermogen is mede oorzaak van het optreden van arbitrage bij de financiering van groepen. Met een verplichte groepsrentebox, die inhoudt dat zowel ontvangen als betaalde groepsrente nog slechts tegen een gematigd tarief (5 procent) in aanmerking wordt genomen, wordt een meer gelijke behandeling van groepsrente en groepsdividend verkregen. Een volstrekt gelijke behandeling zou bereikt kunnen worden door het volledig defiscaliseren van groepsrente. Voor deze optie is in het consultatiedocument echter bewust niet gekozen, aldus de Staatssecretaris. Volgens de Staatssecretaris zou er een reële kans bestaan dat andere landen tegenmaatregelen, zoals renteaftrekbeperkingen of het heffen van een bronbelasting op de aan Nederland betaalde rente, zouden overwegen als Nederland vanuit het buitenland ontvangen groepsrente in het geheel niet zou belasten. Toch kan ik mij met de heer mr. dr. Q.W.J.C.H. Kok heel goed voorstellen dat het voorgestelde effectief lage tarief van 5 procent door de overige EU-lidstaten met gemengde gevoelens zal worden bezien. 56 Tevens verwijs ik hierbij naar mijn commentaar op de vrijstelling van groepsrente en de niet-aftrekbaarheid van groepsrente uit voorstel van de hoogleraren prof. mr. F.A. Engelen, prof. dr. H. Vording en prof. mr. S. van Weeghel in paragraaf Naast het verkrijgen van een meer gelijke behandeling van groepsrente en groepsdividend, zou de verplichte groepsrentebox een positieve bijdrage leveren aan het vestigingsklimaat. De groepsrentebox lijkt in het bijzonder voordelig te zijn voor groepsfinancieringsactiviteiten van Nederlandse multinationals. De Nederlandse Orde van Belastingadviseurs vindt het evenwel de vraag of een effectief tarief van 5 procent voldoende is om financieringsactiviteiten naar Nederland over te laten brengen dan wel voor Nederland te behouden. 57 Ik ben het op dit punt eens met de NOB. Nederlandse multinationals betalen op het moment al nauwelijks vennootschapsbelasting, doordat zij hun financieringsactiviteiten hebben ondergebracht in landen met een fiscaal gunstig regime. Het 56 Mr. dr. Q.W.J.C.H. Kok, De verplichte groepsrentebox, NTFR
39 effectieve tarief wat zij daar betalen is mogelijk zelfs lager dan het tarief van 5 procent van de verplichte groepsrentebox. Ook buitenlandse multinationals met een vestiging in Nederland profiteren mogelijk niet van het gunstige tarief van de groepsrentebox, doordat de CFC-wetgeving 58 dit voordeel teniet doet. Voor buitenlandse multinationals die in Nederland hun operaties hebben gefinancierd met groepsschulden kan de groepsrentebox daarentegen nadelig uitwerken. Met deze operaties is veelal veel werkgelegenheid gemoeid, waardoor deze erg belangrijk zijn voor de Nederlandse economie. De Staatssecretaris van Financiën doet er dan ook goed aan om een analyse naar de economische effecten van de groepsrentebox uit te laten voeren. Bovendien is het mogelijk dat andere EU-landen de verplichte groepsrentebox zullen gaan kopiëren in een voordeligere variant, wat eveneens niet ten goede komt aan het vestigingsklimaat. De onzekerheid of de verplichte groepsrentebox al dan niet leidt tot verboden staatssteun is inmiddels grotendeels weggenomen door de beschikking van de Europese Commissie van 8 juli De Europese Commissie heeft haar oordeel echter gebaseerd op de huidige tekst van artikel 12c Wet VPB 1969, met daarbij de gedane toezeggingen. De tekst van de voorgestelde verplichte rentebox wijkt echter op een groot aantal punten af van de tekst van de huidige optionele groepsrentebox. Hier schuilt het risico in dat de Europese Commissie of een belastingplichtige voor wie de groepsrentebox nadelig uitpakt zich later op het standpunt stelt dat de goedkeuring niet geldt voor de ingevoerde verplichte groepsrentebox. 60 Dit risico kan men afdekken door de vernieuwde wettekst van artikel 12c Wet VPB 1969 opnieuw ter goedkeuring voor te leggen aan de Europese Commissie. Vanuit het oogpunt van de rechtszekerheid voor belastingplichtigen verdient dit zeker de voorkeur. Bovendien is het dan nog de vraag of de Primarologroep alsnog een onderzoek zal doen naar schadelijke belastingconcurrentie van de verplichte rentebox. In geval de Primarologroep van oordeel is dat sprake is van schadelijke belastingconcurrentie, dan heeft dit minder vergaande gevolgen dan een negatieve uitkomst van de staatssteunprocedure. Bij een negatieve uitkomst zal de Europese Commissie de lidstaten raadplegen en, als dat niets oplost, een of meer richtlijnen voorstellen. Voor aanvaarding van deze richtlijnen is echter een gekwalificeerde meerderheid van de stemmen in de Raad van Ministers vereist. Inhoudelijk bestaan er ook enkele bezwaren dan wel tekortkomingen. Zo is de voorgestelde groepsrentebox van toepassing op rente en kosten ter zake van geldleningen die direct of indirect verschuldigd zijn aan een verbonden lichaam. Onder deze bepaling valt tevens de rente die formeel 58 Controlled Foreign Company-wetgeving is een fiscale anti-misbruikwetgeving en heeft tot gevolg dat een moedermaatschappij niet slechts wordt belast voor de door haarzelf behaalde winst, maar tevens voor de winst die wordt behaald door bepaalde buitenlandse dochtervennootschappen. 59 Beschikking van de Europese Commissie, nr. C 4/2007, C(2009) Drs. M.H.J. Buur, De verplichte groepsrentebox: een analyse, MBB 2009/261 en R.P.C. Cornelisse, Naar een beter vestigingsklimaat, WFR 2009/911 33
40 aan een derde verschuldigd is, maar feitelijk verschuldigd is aan een concernlichaam. Voor verstrekte geldleningen ontbreekt vooralsnog een dergelijke toevoeging. Hierdoor kan een mismatch ontstaan. Deze mismatch kan ontstaan doordat de verschuldigde rente bij een groepsdebiteur volledig in de verplichte groepsrentebox in aftrek kan worden gebracht (de externe schuld wordt aangemerkt als groepsschuld), terwijl de ontvangen rente bij de groepscrediteur niet in de verplichte groepsrentebox valt en derhalve volledig belast is tegen een tarief van 25,5 procent. In het nieuwe tweede lid van artikel 12c Wet VPB 1969 wordt voor de definitie van een verbonden lichaam afgestapt van de term belang en wordt het uitgangspunt de term zeggenschap. Bij handhaving van het huidige artikel 10a Wet VPB 1969 en de daarin opgenomen definitie van verbonden lichaam, bestaan er in de Wet VPB 1969 een tweetal inhoudelijk verschillende begrippen voor een verbonden lichaam. Dit werkt verwarrend voor belastingplichtigen. Wellicht zou de definitie in artikel 10a Wet VPB 1969 kunnen worden aangepast aan de nieuwe invulling van het begrip verbonden lichaam. Een andere tekortkoming betreft de financieringscomponent begrepen in ontvangen en verschuldigde vergoedingen voor binnen de groep ter beschikking gestelde materiële vaste activa, welke eveneens in de groepsrentebox vallen (op grond van artikel 12c, lid 3, onderdeel b Wet VPB 1969). Deze financieringscomponent is onder de regeling gebracht vanwege de economische overeenkomst met rente, aldus de Staatssecretaris. De toelichting op het consultatiedocument geeft echter nauwelijks aanwijzingen hoe de financieringscomponent dient te worden bepaald. Indien geen nadere aanwijzingen worden gegeven, zal deze bepaling in de praktijk leiden tot vele discussies met de Belastingdienst. Daarnaast stelt de heer drs. M.J.A.M. van Gijlswijk dat de regeling inconsequent is, omdat deze zich slechts beperkt tot materiële vaste activa. 61 In deze stelling kan ik mij vinden. Waarom zouden immateriële vaste activa immers anders behandeld moeten worden dan materiële vaste activa? In het consultatiedocument is geen verklaring opgenomen voor dit verschil in behandeling. Mochten immateriële activa uiteindelijk toch worden opgenomen in de definitieve wettekst, dan zal een bijzondere regeling moeten worden opgenomen voor octrooien en dergelijke in verband met de samenloop met de octrooibox. Als laatste onvolkomenheid wil ik de mismatch aanhalen, die ontstaat doordat voor verschuldigde rente ter zake van deelnemerschapsleningen het bestaande regime van artikel 10, lid 1, onderdeel d Wet VPB 1969 blijft gelden. Hierdoor is de verschuldigde rente op deelnemerschapsleningen niet aftrekbaar, terwijl de ontvangen deelnemerschapsrente wel belast is in de verplichte groepsrentebox tegen 5 procent. Volgens de toelichting op het consultatiedocument wordt hiermee een toenemend 61 Drs. M.J.A.M. van Gijlswijk, VPB 2010: het consultatiedocument vanuit MKB-perspectief, WFR 2009/976 34
41 gebruik van deelnemerschapsleningen aan verbonden lichamen, wat ten koste zou kunnen gaan van de Nederlandse heffingsgrondslag, tegengegaan. Op welk misbruik de staatssecretaris met deze toelichting doelt, is mij echter niet duidelijk. Alvorens de verplichte groepsrentebox definitief kan worden ingevoerd zal tenslotte eveneens de samenloop met de andere renteaftrekbeperkingen (van artikel 10a en 10b Wet VPB 1969) en de doorwerking van de groepsrentebox naar andere regeling moeten worden onderzocht. 5.2 Beperking aftrek van rente In het tweede onderdeel van het consultatiedocument worden een tweetal varianten voorgesteld om de aftrek van rentekosten te beperken. De eerste variant betreft een pakket aan specifieke renteaftrekbeperkende maatregelen voor deelnemingsrente en voor excessieve rente bij overnames. De tweede variant behelst een algemene renteaftrekbeperking tot 30 procent van de belastbare winst voor aftrek van rente en afschrijvingen. Deze twee voorgestelde varianten worden onderstaand in het kort beschreven Specifieke renteaftrekbeperkingen (variant 1) De eerste variant combineert een beperking van de aftrek van financieringskosten voor deelnemingen en groepsvorderingen, voor zover deze in enig jaar de euro te boven gaan, met een aftrekbeperking binnen fiscale eenheid voor overnameholdings. In deze variant zal de bestaande thincapitalisationregeling van artikel 10d Wet VPB 1969 komen te vervallen. - Beperking aftrek deelnemingsrente De eerste specifieke renteaftrekbeperking is gericht op vennootschappen die hun Nederlandse belastinggrondslag uithollen door middel van het aantrekken van externe geldleningen voor de verwerving van deelnemingen. In de huidige situatie vallen voordelen uit hoofde van een deelneming namelijk onder de deelnemingsvrijstelling en blijven daardoor buiten de belastingheffing, terwijl de rente op de externe geldleningen bij het bepalen van de winst in aftrek kunnen worden gebracht. Het nieuw in te voeren artikel 13l Wet VPB 1969, eerste lid, bepaalt daarom dat de rente en kosten van geldleningen niet langer aftrekbaar zijn voor zover deze toerekenbaar zijn aan de deelneming. Ook wanneer deze toerekenbaar zijn aan een groepsvordering, kunnen zij niet ten laste van de winst komen. Dit houdt verband met de mismatch die veroorzaakt wordt door de invoering van de hierboven besproken groepsrentebox in geval groepsvorderingen en binnen concern ter beschikking gestelde materiële vaste activa worden gefinancierd met extern vreemd vermogen. Omdat het in de praktijk niet eenvoudig is om precies vast te stellen aan welke actiefposten de 35
42 geldleningen toegerekend moeten worden, worden in het tweede en derde lid van artikel 13l Wet VPB 1969 rekenregels geïntroduceerd om te bepalen welk deel van de totale rente ter zake van geldleningen, wordt toegerekend aan de deelnemingen en groepsvorderingen. In het tweede lid is een formule opgenomen met behulp waarvan de niet aftrekbare financieringskosten voor deelnemingen en groepsvorderingen kan worden berekend. 62 Aan de hand van deze formule wordt de verhouding tussen de geldleningen ter financiering van deelnemingen en groepsvorderingen en het gemiddeld bedrag van alle verschuldigde geldleningen bepaald, op grond waarvan de niet aftrekbare financieringskosten worden bepaald. Het derde lid bevat een rekenregel om te bepalen welk deel van het totaalbedrag van de geldleningen wordt toegerekend aan de deelnemingen en groepsvorderingen. Deze deelnemingen en groepsvorderingen worden geacht primair te zijn gefinancierd met het aanwezige eigen vermogen van de vennootschap. Wanneer de gemiddelde waarde van de deelnemingen en groepsvorderingen hoger is dan het gemiddelde eigen vermogen van de vennootschap, zal het meerdere worden geacht te zijn gefinancierd met vreemd vermogen, waarvan de rente niet aftrekbaar is. Op grond van deze rekenregel kan geen hoger bedrag in aanmerking worden genomen dan de gemiddelde boekwaarde van de totaal verschuldigde geldleningen, omdat er natuurlijk nooit meer vreemd vermogen kan worden toegerekend aan de deelnemingen en groepsvorderingen dan er in totaal aan geldleningen verschuldigd is. Bij de berekening van de financieringsschuld worden groepsvorderingen voor 20,5/25,5 deel meegenomen. 63 Dit geldt eveneens voor de, onder de werking van de verplichte groepsrentebox, vallende ter beschikking gestelde materiële vaste activa. Schulden aan verbonden lichamen welke onder zodanige voorwaarden zijn verstrekt dat deze feitelijk functioneren als eigen vermogen, worden voor 20,5/25,5 deel behandeld als eigen vermogen. Overigens is de renteaftrekbeperking pas van toepassing voor zover de financieringskosten meer dan euro bedragen. De niet aftrekbare rente kan maximaal negen jaar worden vooruitgewenteld. - Beperking aftrek excessieve rente bij overnames De tweede renteaftrekbeperking, welke is opgenomen in het nieuwe artikel 15ad Wet VPB 1969, is gericht op de ontmoediging van overnames van Nederlandse vennootschappen, die in belangrijke mate zijn gefinancierd met vreemd vermogen. Als gevolg van deze maatregel zijn 62 SDG/S x R, waarin SDG de financieringsschuld voor deelnemingen en groepsvorderingen voorstelt, S de gemiddelde boekwaarde van de verschuldigde geldleningen voorstelt en R het gezamenlijke bedrag aan rente en kosten van geldleningen van dat jaar voorstelt 63 Dit hangt samen met het feit dat ontvangen rentebaten in de verplichte groepsrente slechts voor een deel worden belast 36
43 rente, kosten en valutaresultaten, slechts aftrekbaar in situaties waarin een overnameholding de aandelen in een vennootschap verwerft en vervolgens met deze overgenomen vennootschap een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting vormt, tot het bedrag van de eigen winst van de overnameholding. Ingevolge het tweede lid, onderdeel a, is deze aftrekbeperking slechts van toepassing voor zover de niet aftrekbare rente, kosten en valutaresultaten meer dan euro bedragen. Daarnaast kent onderdeel b van het tweede lid een tegenbewijsmaatregel. Op grond van deze tegenbewijsmaatregel vindt de aftrekbeperking geen toepassing indien het door belastingplichtige gemiddelde saldo van de verschuldigde en uitstaande geldleningen niet meer bedraagt dan driemaal het gemiddeld fiscaal eigen vermogen. Vrijgestelde deelnemingen blijven bij de bepaling van het gemiddeld fiscaal eigen vermogen buiten aanmerking. Ook met tijdelijke mutaties rond de overgang van het ene op het volgende boekjaar wordt, om kunstmatige manipulatie van de uitkomst te voorkomen, geen rekening gehouden. Om te voorkomen dat artikel 15ad Wet VPB 1969 kan worden ontweken door bij een overname geen gebruik te maken van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting tussen de overname holding en de overgenomen vennootschap, maar een juridische splitsing of juridische fictie te laten plaatsvinden, zijn de artikelen 14a en 14b Wet VPB 1969 eveneens aangepast Beschouwing Het voorgestelde artikel 13l Wet VPB 1969 beperkt de renteaftrek (met een drempel van euro) voor zover deelnemingen zijn gefinancierd met vreemd vermogen. Om de renteaftrek te bepalen wordt een mathematische methode voorgesteld in plaats van de voor 2004 toegepaste historische methode. Bij de historische methode was het namelijk vaak moeilijk om het historische verband te leggen. De wijze waarop de mathematische methode echter is vormgegeven, maakt de regeling erg complex. 64 Dit hangt samen met de samenloop die de regeling wenst te bewerkstelligen met de groepsrentebox. Bovendien kent deze mathematische methode het gevaar van onbedoelde uitkomsten, waarbij rente van aftrek wordt uitgesloten die in het geheel niet samenhangt met een verworven deelneming. Dit is onder andere het geval indien het eigen vermogen van de belastingplichtige (tijdelijk) lager is dan de boekwaarde van de deelnemingen. Dit heeft tot gevolg dat de rente wordt beperkt door de werking van artikel 13l Wet VPB 1969, terwijl de belastingplichtige historisch kan aantonen dat de deelnemingen nooit met de leningen zijn gefinancierd. Dit lijkt mij niet in de lijn met de bedoelingen van de renteaftrekbeperkende maatregel. Een tegenbewijsregeling zou hier op zijn 64 Mr. Drs. R.C.C. Wit, De renteaftrekbeperkingen in het consultatiedocument, NTFR
44 plaats zijn, op grond waarvan de belastingplichtige aan de hand van de historische methode kan aantonen dat er geen verband bestaat tussen de deelneming en het vreemd vermogen. 65 Daarnaast bevat de regeling een zekere mate van underkill doordat de formulering van artikel 13l Wet VPB 1969 ervan uit gaat dat het eigen vermogen volledig is aangewend voor de financiering van deelnemingen. Hierdoor drukt de aftrekbeperking niet zo sterk op de belastingplichtige indien er veel eigen vermogen is. Dit wordt verstrekt doordat groepsschulden in artikel 13l Wet VPB 1969 voor 80 procent bij het eigen vermogen worden opgeteld, zodat zij voor 80 procent buiten de werking van artikel 13l Wet VPB 1969 vallen. 66 Van deze underkill zal echter niet in gelijke mate kunnen worden geprofiteerd door belastingplichtigen, wat de rechtsgelijkheid niet ten goede komt. In het voorgestelde derde lid van artikel 13l Wet VPB 1969 is voor de berekening van de financieringsschuld bepaald dat het eigen vermogen verhoogd wordt met de bij aanvang van het boekjaar aanwezige compensabele verliezen. Deze tegemoetkoming geldt echter niet voor liquidatieverliezen, wat de uitvoerbaarheid lastig maakt. Het is administratief immers niet eenvoudig om liquidatieverliezen te onderscheiden van gewone verliezen, vooral niet wanneer het gaat om zeer oude liquidatieverliezen. Voorts bestaat er nog het gevaar van dubbele heffing, ingeval de rente die op grond van artikel 13l Wet VPB 1969 niet aftrekbaar is bij de debiteur, maar wel (vol) belast wordt bij de crediteur. Dit zal door menig belastingplichtige als onrechtvaardig worden ervaren. Dit geldt overigens eveneens voor de voorgestelde artikelen 15ad en 10d Wet VPB Ook is de strijdigheid met het EU-recht nog een punt waar rekening mee dient te worden gehouden. 67 Zo is artikel 13l Wet VPB 1969 niet van toepassing voor zover deelnemingen zijn gevoegd in een fiscale eenheid. Voor situaties waar de fiscale eenheid wel een rol speelt is in artikel 15ad een alternatieve regeling opgenomen. Deze regeling komt er in het kort gezegd op neer dat wanneer de financiering binnen de 3:1 ratio blijft, er geen sprake is van excessieve schuldfinanciering ondanks dat sprake is van een verplaatsing van de rentelasten naar de overgenomen deelneming. Een in het buitenland gevestigde deelneming kan echter nooit gebruik maken van het voordeel van deze regeling, omdat zij nooit een fiscale eenheid kan aangaan met haar Nederlandse moedermaatschappij. Het nieuwe artikel 15ad Wet VPB 1969 is gericht op uitholling van de belastinggrondslag via zogeheten overnameholdings en bewerkstelligt dat rentelasten bij de moedermaatschappij van de Mr. Drs. R.C.C. de Wit, De renteaftrekbeperkingen in het consultatiedocument, NTFR
45 fiscale eenheid niet mogen worden afgezet tegen de fiscale winst van de overgenomen vennootschap, maar tegen de eigen winst van de moedermaatschappij. Indien de overname plaatsvindt door aankoop van de aandelen in de vennootschap en direct gevolgd wordt door het aangaan van een fiscale eenheid, daalt onder omstandigheden het fiscale vermogen van de overnemende vennootschap. 68 De verhouding tussen het (aangetaste) eigen vermogen en het vreemd vermogen zal derhalve in veel gevallen groter zijn dan de verhouding 1:3, waardoor geen aftrek van rente mogelijk is. Dichting van het goodwillgat is derhalve een belangrijk punt dat overweging verdient. Een ander probleem vormt de tegenbewijsmaatregel van het tweede lid en de alles of niets benadering van deze twee uitzonderingen. Zolang de financiering binnen de verhouding 1:3 blijft, wordt geacht dat er geen sprake is van excessieve schuldfinanciering. Een kleine overschrijding van de tweede uitzondering, zou echter betekenen dat alle rente niet aftrekbaar is. Deze uitkomst is niet gerechtvaardigd en het zou dan ook op zijn plaats zijn om bij kleine overschrijdingen van de drempel alleen het verschil te belasten. De thans gekozen alles of niets benadering is volstrekt willekeurig en onredelijk en leidt bovendien tot onevenwichtigheid Algemene renteaftrekbeperkingen (variant 2) Als alternatief voor de bovengenoemde specifieke renteaftrekbeperkingen presenteert het consultatiedocument een algemene earnings stripping -maatregel. Deze earnings stripping - maatregel komt in de plaats van de bestaande thincapitalisationregeling in artikel 10d Wet VPB Het uitgangspunt van deze maatregel is opgenomen in het eerste lid van artikel 10d Wet VPB 1969, op grond waarvan een teveel aan verschuldigde rente niet in aftrek komt op de belastbare winst. Dit teveel aan verschuldigde rente kan worden doorgeschoven naar een volgend jaar en worden aangemerkt als in dit jaar verschuldigde rente. Overbrenging naar een volgend jaar blijft echter achterwege indien naar ieder van de negen voorafgaande jaren rente is doorgeschoven. Van een teveel aan verschuldigde rente is sprake voor zover het saldo van de verschuldigde en ontvangen rente van geldleningen (met inbegrip van de kosten voor geldleningen) en inclusief doorgeschoven rente van voorgaande jaren, meer bedraagt dan 30 procent van de winst voor aftrek van rente en afschrijvingen (EBITDA 69 ). In het voorgestelde nieuwe artikel 10d Wet VPB 1969 zijn echter ook een aantal uitzonderingen opgenomen: 68 Dit wordt veroorzaakt de eigen (niet-geactiveerde) goodwill van de dochter niet langer tot uitdrukking komt op de balans van de moeder, indien de kostprijs van de aandelen in de overgenomen vennootschap hoger is dan het zichtbaar fiscaal vermogen. Dit wordt ook wel het goodwillgat genoemd. 69 EBITDA: Earnings before interest, taxes, depreciation and amortisation 39
46 - Zo is de earnings stripping-maatregel, om praktische redenen, niet van toepassing indien het saldo van de verschuldigde en ontvangen rente van geldleningen minder dan euro bedraagt; - Voorts is de maatregel, ingevolge het vierde lid, niet van toepassing op belastingplichtigen die geen deel uitmaken van een groep als bedoeld in artikel 2:24b BW of een soortgelijke buitenlandse wettelijke regeling; - In geval de belastingplichtige wel deel uitmaakt van een groep en het gemiddeld vreemd vermogen in enig jaar niet uitgaat boven het gemiddeld eigen vermogen vermenigvuldigd met de factor welke overeenkomt met de vermogensverhouding bij de groep, is de earnings stripping - maatregel eveneens niet van toepassing. De factor welke overeenkomt met de vermogensverhouding bij de groep kan men, ingevolge het achtste lid, berekenen door het gemiddeld vreemd vermogen te delen door het gemiddeld eigen vermogen volgens de geconsolideerde jaarrekening van de groep. In het geval dat de belastingplichtige deel uitmaakt van meer dan één groep waarvoor een geconsolideerde jaarrekening is opgemaakt, wordt het teveel aan vreemd vermogen berekend ten opzichte van de groep met het grootste balanstotaal. Voor de bepaling van het eigen en vreemd vermogen zijn de vermogensverhoudingen uit de jaarrekening, welke is opgemaakt in overeenstemming met de bepalingen van titel 9, boek 2 van het BW, of een soortgelijke buitenlandse wettelijke regeling, doorslaggevend. Vermogensbestanddelen van gevoegde dochters en transparante participaties dienen afzonderlijk op de geconsolideerde balans te worden opgenomen. Deze bepaling is opgenomen in het zevende lid om de goede werking van de earnings stripping -maatregel te garanderen in geval het fiscale vermogen van de belastingplichtige bestaat uit vermogensbestanddelen van verschillende entiteiten. - Tot slot vindt de earnings stripping -maatregel geen toepassing ten aanzien van fiscale beleggingsinstellingen. Voor de toepassing van de earnings stripping -maatregel wordt onder het begrip geldlening verstaan een vordering of schuld die voorvloeit uit een overeenkomst van geldlening of een daarmee vergelijkbare overeenkomst, zoals huurkoop of financial lease Beschouwing Hoewel de algemene renteaftrekbeperking, ten opzichte van de huidige vormgeving van specifieke renteaftrekbeperking met de complexe formule, relatief eenvoudig in de uitvoering lijkt, heeft de beperking toch de volgende bezwaren. Ten eerste bereikt de earnings stripping -maatregel haar doel, het tegengaan van uitholling van de Nederlandse belastinggrondslag en de door het Bosal arrest van het HvJ EG opgeroepen aftrek van 40
47 verschuldigde rente, niet. Uitholling blijft namelijk ook na invoering van de earnings stripping - maatregel voor 30 procent mogelijk, door bijvoorbeeld het opzetten van rentestromen aan taxhavens ter grootte van maximaal 30 procent van de EBITDA. De factor van 30 procent van EBITDA houdt daarnaast overigens geenszins verband met de vraag of de kosten bedrijfseconomisch reëel zijn dan wel excessief. Daarnaast dient opgemerkt te worden dat de EBITDA maatstaf een verschil in behandeling tussen verschillende sectoren tot gevolg heeft. Zo zal een sector met veel afschrijvingsmogelijkheden (kapitaalintensieve sector) een grotere aftrekmogelijkheid hebben dan sectoren die nagenoeg geen afschrijvingen hebben (zoals dienstverleners en handelsondernemingen). Ook de fase waarin een onderneming zich bevindt zal leiden tot een verschil in behandeling. Zo zal een onderneming in de opstartfase vaak zwaar gefinancierd zijn met vreemd vermogen, welke rente doorgaans niet aftrekbaar is doordat dergelijke ondernemingen in de beginjaren nog maar weinig winst behalen. Bovendien zal het voor ondernemingen niet altijd gemakkelijk zijn om vooraf te bepalen of rentelasten daadwerkelijk aftrekbaar zullen zijn. Het al dan niet aftrekbaar zijn van rente, is echter wel van groot belang op investeringsbeslissingen. Voorts zal deze maatregel belastingplichtigen die toch al in zwaar weer zitten in tijden van economische tegenspoed nog eens fiscaal beperken in de aftrek van, bedrijfseconomisch gezien, reële financieringskosten. De omvang van de aftrekpost ter zake van betaalde rente wordt immers in geval van tegenvallende winsten navenant kleiner. Dit heeft tot gevolg dat deze belastingplichtigen vennootschapsbelasting moeten betalen over een winst die zij niet behaald hebben. Bovendien heeft de earnings stripping -maatregel mogelijk dubbele belastingheffing tot gevolg. Dit is het geval wanneer de rente bij de debiteur als gevolg van de earnings stripping -maatregel niet aftrekbaar is, maar deze in binnenlandse verhoudingen wel tegen het normale VPB tarief wordt belast. Tot slot nog een opmerking over het drempelbedrag van euro. Dit bedrag lijkt erg laag in vergelijking met de drempel van 1 miljoen euro in Duitsland, welke eenzelfde regeling kent. Onlangs is dit bedrag verhoogt tot 3 miljoen euro in verband met de huidige economische crisis. 5.3 Versoepeling van het regime van de deelnemingsvrijstelling De deelnemingsvrijstelling wordt aangepast om, het volgens de Staatssecretaris van Financiën ongewenste effect van de deelnemingsvrijstelling, dat mobiele beleggingen in een laagbelaste jurisdictie kunnen renderen, terwijl deze in Nederland zijn vrijgesteld vanwege de deelnemingsvrijstelling, weg te nemen. Voorgesteld wordt daarom om de oogmerktoets, die ook voor 1 januari 2007 gold, her in te voeren. Deze oogmerktoets wordt opgenomen in het negende lid van artikel 13 Wet VPB 1969 en bepaalt dat 41
48 de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing is op voordelen uit hoofde van een als belegging gehouden deelneming. Hiervan is sprake indien de deelneming wordt aangehouden met het oog op het verkrijgen van rendement dat bij normaal vermogensbeheer kan worden verwacht. De toelichting op het consultatiedocument geeft aan dat sommige deelnemingen naar hun aard alleen als belegging kunnen worden gehouden, omdat het lichaam waarin wordt deelgenomen belegt. Dit is onder meer het geval bij een deelneming in een beleggingsmaatschappij met een bijzonder regime zoals een fiscale beleggingsinstelling, een vrijgestelde beleggingsinstelling of een daarmee vergelijkbare buitenlandse instelling. Ook een deelneming die formeel optreedt als concern(her)verzekeringslichaam, terwijl aannemelijk is dat in derdenverhoudingen een dergelijke verzekering niet tot stand zou komen, wordt aangehouden als belegging. De toelichting op het consultatiedocument geeft ook een aantal situaties aan waarin van als belegging houden geen sprake is. Dit is het geval wanneer de onderneming van de deelneming in het verlengde ligt van de onderneming van de belastingplichtige. Ook in geval de belastingplichtige een houdstervennootschap is en de deelneming niet onmiddellijk of middellijk belegt, maar een (actieve) onderneming drijft kan geen sprake zijn van een als belegging gehouden deelneming. Tot slot geeft de toelichting op het consultatiedocument aan dat geen sprake is van als belegging houden indien de belastingplichtige een houdsterfunctie of een schakelfunctie vervult. Van een dergelijke schakelfunctie is sprake indien de bedrijfsuitoefening van de door de Nederlandse tussenhoudster gehouden lichamen in de lijn ligt van de bedrijfsuitoefening van de buitenlandse moeder. In het geval een deelneming wordt aangehouden met een gemengd oogmerk, zal moeten worden getoetst bij welk oogmerk het zwaartepunt ligt: beleggen of ondernemen. Bij deze toetsing kunnen, aldus de toelichting op het consultatiedocument, de samenstelling van de onmiddellijke en middellijke bezittingen en activiteiten van het lichaam waarin de deelneming wordt gehouden worden meegewogen. In het tiende lid zijn een tweetal fictiebepalingen opgenomen op grond waarvan een deelneming in ieder geval wordt gezien als een belegging gehouden deelneming, indien: - de bezittingen van het lichaam waarin de deelneming wordt gehouden doorgaans grotendeels bestaan uit aandelenbelangen van minder dan 5 procent. Hierbij moeten de bezittingen worden geconsolideerd, waarbij alleen belangen van ten minste 5 procent in aanmerking dienen te worden genomen; - de functie van het lichaam waarin de deelneming wordt gehouden, tezamen met de kleindochters waarin het lichaam een belang heeft van ten minste 5 procent, grotendeels bestaat uit het financieren van groepsmaatschappijen. 42
49 Naast de oogmerktoets wordt een gewijzigde bezittingentoets en onderworpenheidstoets ingevoerd in het elfde lid. Indien aan de onderworpenheidstoets dan wel de bezittingentoets wordt voldaan, ongeacht het oogmerk waarmee het belang wordt aangehouden, wordt de deelneming geacht geen beleggingsdeelneming te zijn en is de deelnemingsvrijstelling alsnog van toepassing. Voor de onderworpenheidstoets moet worden beoordeeld of het lichaam waarin de deelneming wordt gehouden is onderworpen aan een winstbelasting met een regulier tarief van 10 procent, welke naar Nederlandse maatstaven reëel is. Anders dan onder de huidige regeling is een herrekening van de winst naar Nederlandse maatstaven niet noodzakelijk. Volgens het consultatiedocument kwalificeren registratiebelastingen, kapitaalbelastingen, overdrachtsbelastingen en dergelijke echter niet. Verder noemt de toelichting op het consultatiedocument nog dat expliciet geen sprake is van een naar Nederlandse begrippen reële heffing in geval van: een tax holiday, een costplus-benadering waarbij een (zeer) beperkte grondslag wordt gehanteerd, aanzienlijke grondslag-verminderingen vanwege fictieve kosten of vrijstellingen, een van de winst aftrekbaar dividend, een teruggave van winstbelasting bij uitkering van dividend, uitgestelde belastingheffing over de winst en een vanuit Nederlandse optiek te ruime deelnemingsvrijstelling. Aan de bezittingentoets wordt voldaan, indien de bezittingen van het lichaam waarin de deelneming wordt gehouden doorgaans voor minder dan 50 procent bestaan uit vrije beleggingen. Met het gebruik van de term doorgaans wordt bereikt dat, in geval de bezittingen gedurende een korte periode voor 50 procent of meer bestaan uit vrije beleggingen, de deelnemingsvrijstelling van toepassing blijft. Het consultatiedocument geeft echter niet aan wat verstaan dient te worden onder het begrip korte periode. Wanneer de deelneming een aandelenbelang in andere lichamen bezit, dient voor de bezittingentoets een pro-rata berekening te worden gemaakt van belangen van ten minste 5 procent. Belangen van minder dan 5 procent kwalificeren ingevolge het dertiende lid per definitie als belegging. Op de toerekeningsbalans worden alleen laagbelaste vrije beleggingen in aanmerking genomen, indien zij 30 procent uitmaken van de bezittingen van het lichaam dat deze beleggingen bezit. Bij deze beoordeling tellen eventuele deelnemingen niet mee. Welke bezittingen worden aangemerkt als vrije beleggingen is geregeld in het nieuwe twaalfde lid van artikel 13 Wet VPB Er kunnen drie categorieën vrije beleggingen worden onderscheiden: gewone beleggingen, groepsvorderingen en ter beschikking gestelde bedrijfsmiddelen. - gewone beleggingen (lid 12, onderdeel a) Beleggingen die niet redelijkerwijs noodzakelijk zijn in het kader van de ondernemingsactiviteiten van het lichaam dat de beleggingen houdt, worden aangemerkt als vrije belegging. Zo kunnen 43
50 rentedragende banktegoeden, uitstaande leningen, obligaties, onroerende zaken en aandelen worden gekwalificeerd als vrije beleggingen. Of daadwerkelijk sprake is van een vrije belegging is echter afhankelijk van de plaats die het vermogensbestanddeel inneemt in het vermogen van de dochtermaatschappij. Ook indien gewone beleggingen niet redelijkerwijs noodzakelijk zijn in het kader van de ondernemingsactiviteiten, is het mogelijk dat zij niet als vrije belegging worden aangemerkt. Dit is het geval als de voordelen uit deze belegging zijn onderworpen aan een belasting naar de winst met een regulier tarief van ten minste 10 procent die resulteert in een naar Nederlandse begrippen reële heffing. Ook onroerende zaken en rechten die daarop direct of indirect betrekking hebben worden niet aangemerkt als vrije belegging, mits zij niet in het bezit zijn van een fiscale of vrijgestelde beleggingsinstelling. - groepsvorderingen (lid 12, onderdeel b) Op grond van het twaalfde lid, onderdeel b, worden groepsvorderingen als vrije belegging aangemerkt. Hierop bestaan een drietal uitzonderingen. Ten eerste geldt een uitzondering voor groepsvorderingen waarvan de voordelen zijn onderworpen aan een belasting naar de winst met een regulier tarief van ten minste 10 procent die resulteert in een naar Nederlandse begrippen reële heffing. Ten tweede is er een uitzondering voor groepsvorderingen waarvan aannemelijk is dat deze worden gehouden door een lichaam waarvan de werkzaamheden bestaan uit actieve financieringswerkzaamheden. Van actieve financieringswerkzaamheden is sprake indien voldaan is aan de voorwaarden van artikel 2a Uitvoeringsbeschikking van de Wet VPB Ten derde is er een uitzondering voor groepsvorderingen die voor ten minste 90 procent zijn gefinancierd met van niet-verbonden personen verkregen geldleningen. Ingeval een lening wordt verstrekt door een derde, maar wordt gegarandeerd door een verbonden persoon is hiervan in ieder geval geen sprake. - ter beschikking gestelde bedrijfsmiddelen (lid 12, onderdeel c) Ten slotte worden, in onderdeel c van het twaalfde lid, ook bedrijfsmiddelen waarvan het gebruik of het gebruiksrecht ter beschikking is gesteld aan de belastingplichtige of met de belastingplichtige verbonden lichamen. Ook ter zake van dit onderdeel gelden een drietal uitzonderingen. Ten eerste geldt er een uitzondering voor bedrijfsmiddelen waarvan de voordelen zijn onderworpen aan een belasting naar de winst met een regulier tarief van ten minste 10 procent die resulteert in een naar Nederlandse begrippen reële heffing. Voor zover die voordelen bestaan uit de financierings-component van de vergoeding is het in beginsel voldoende dat deze onderworpen is naar een tarief van ten minste 5 procent. Voor de overige componenten geldt een tarief van ten minste 10 procent. Voorts is er een uitzondering voor bedrijfsmiddelen waarvan aannemelijk is dat deze worden gehouden door een lichaam waarvan de werkzaamheden bestaan uit actieve terbeschikkingstellings- 44
51 werkzaamheden. Wat dient te worden verstaan onder dergelijke werkzaamheden, zal nog worden bepaald in een nog te ontwerpen regeling welke wordt opgenomen in de Uitvoeringsbeschikking van de Wet VPB Ten slotte zijn bedrijfsmiddelen die voor ten minste 90 procent met van niet-verbonden personen verkregen geldleningen zijn gefinancierd uitgezonderd. Om manipulatie van de toerekeningsbalans via balansverlenging te voorkomen, is in het nieuwe veertiende lid bepaalt dat onderworpen groepsvorderingen geen bezittingen worden geacht te zijn van het lichaam waarin de deelneming wordt gehouden. Het gaat hierbij om situaties waar in hoogbelaste schakels geld wordt doorgeleend wat uiteindelijk afkomstig is van een laagbelaste groepsmaatschappij. Zonder deze bepaling zouden belastingplichtigen door balansverlening kunnen proberen om de kwalificatie als beleggingsdeelneming te ontlopen. Het consultatiedocument stelt voorts nog een nieuw zestiende lid voor. In dit nieuwe zestiende lid worden deelnemerschapsleningen, welke onder de verplichte groepsrentebox van artikel 12c Wet VPB 1969 vallen, uitgezonderd van de toepassing van de deelnemingsvrijstelling Beschouwing Het voorgestelde regime van de deelnemingsvrijstelling is een combinatie van de meer globale oogmerktoets van voor 2007 en de exacte bezittingen- en onderworpenheidstoets vanaf 1 januari Hierdoor zijn in de voorgestelde regeling de voordelen van de globale oogmerktoets opgenomen, maar ook de zekerheid van de (overigens versoepelde) toetsen van vanaf 1 januari Op een aantal punten zou echter meer duidelijkheid kunnen worden verschaft. Deze punten zal ik onderstaand behandelen. De oogmerktoets zal in veel gevallen uitsluitsel kunnen geven, zodat aan de bezittingen- en onderworpenheidstoets niet wordt toegekomen. In de toelichting op het consultatiedocument worden ter zake van de oogmerktoets diverse voorbeelden genoemd. Zo is van beleggen geen sprake indien de onderneming van de deelneming in het verlengde ligt van de onderneming van de belastingplichtige. Dit lijkt op het oude artikel 14, lid 3 Wet VPB 1969, dat gehanteerd werd onder het regime van de deelnemingsvrijstelling zoals dat gold voor 1 januari Voor invulling van de vraag wanneer sprake is van een omstandigheid waarin het belang werd aangehouden in de lijn van de normale uitoefening van de door de belastingplichtige gedragen onderneming, is het de vraag of kan worden teruggegrepen op jurisprudentie van de Hoge Raad die is gewezen onder de oude deelnemingsvrijstelling HR 14 maart 2001, nr , BNB 2001/210: waarin de Hoge Raad oordeelde dat indien een belastingplichtige een aandelenbezit van minder dan 5 procent anders dan als belegging aanhoudt, dit belang 45
52 Evenmin is volgens de toelichting op het consultatiedocument sprake van als belegging houden indien de belastingplichtige een houdsterfunctie of een schakelfunctie vervult. Dit criterium lijkt eveneens afkomstig te zijn uit de oude houdsterresolutie BNB 1975/ In deze resolutie werden de gevolgen van het arrest van de Hoge Raad van 7 november verzacht indien de houdster een wezenlijke functie vervult binnen het concern waarvan zij deel uitmaakt, hetzij aan de top, hetzij als tussenschakel. De tussenschakelfunctie werd daarbij gezien als wezenlijke functie, omdat in dat geval een relatie aanwezig is tussen de bedrijfsmatige activiteiten van de buitenlandse moedermaatschappij en die van de buitenlandse dochtermaatschappij. Voor een tophoudster zijn de activiteiten zelf van belang. Indien deze tophoudster activiteiten ontplooide op bestuurlijk, beleidsvormend en/of financieel terrein ten behoeve van haar buitenlandse dochtermaatschappij, vervulde de moedermaatschappij aan de top een wezenlijke functie ten dienste van het concern en was de deelnemingsvrijstelling van toepassing. In het consultatiedocument wordt de schakelfunctie uitgelegd aan de hand van de lijnen van de resolutie BNB 1975/11, de houdsterfunctie wordt niet verder toegelicht. Het is derhalve onduidelijk of voor de uitleg op dit punt aansluiting mag worden gezocht bij de ingetrokken resolutie BNB 1975/11. Ook met betrekking tot de voorgestelde onderworpenheidstoets bestaan onduidelijkheden. De nieuwe onderworpenheidstoets is aanzienlijk anders vormgegeven dan de toets in het bestaande geldende regime. Onder de voorgestelde toets is het niet langer noodzakelijk om een herrekening van de winst naar Nederlandse maatstaven te maken. In plaats daarvan wordt gekeken naar het reguliere tarief en het belastingstelsel als zodanig en of deze leiden tot een reële heffing. Een algemene definitie van het begrip reële heffing is echter niet gegeven in de wettekst. In de toelichting zijn weliswaar een aantal voorbeelden gegeven waarbij van een naar Nederlandse begrippen reële heffing geen sprake is, onduidelijkheid blijft bestaan ter zake van afwijkingen in de totaalwinst, jaarwinst, bronheffingen, buitenlandse consolidatieregimes en regelingen ter voorkoming van dubbele belasting. Na verloop van tijd zal in de jurisprudentie weliswaar meer duidelijkheid ontstaan over welke landen kwalificerende regimes hanteren en welke niet. Ik hoop echter dat de wetgever het niet zover laat komen en dat de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel meer duidelijkheid zal verschaffen, teneinde rechtsonzekerheid bij belastingplichtigen over het al dan niet kunnen toepassen van de deelnemingsvrijstelling weg te nemen. wordt aangehouden in de lijn van de normale uitoefening van de door de belastingplichtige gedreven onderneming. 71 Resolutie van 15 oktober 1974, nr. B74/21 516, BNB 1975/11. Deze resolutie is reeds ingetrokken bij besluit van 26 februari 2008, nr. CPP2008/257M, BNB 2008/ HR 7 november 1973, nr , BNB 1974/2: waarin de Hoge Raad oordeelde dat het aanhouden van belangen in twee actieve deelnemingen, als belegging moest worden beschouwd, aangezien bij gebrek aan een eigen onderneming er geen sprake kon zijn van het vereiste verband tussen de onderneming van de moedermaatschappij en de deelneming. 46
53 Voorts is de vraag of een reguliere tarief van 10 procent een harde eis moet zijn. 73 De voorgestelde tekst lijkt uit te gaan van een statutair minimumtarief van 10 procent ( met de zinsnede met een regulier tarief van ten minste 10 procent wordt bedoeld dat het normale, statutaire tarief dat van toepassing is ten minste 10 procent moet zijn). Echter uit de toelichting volgt dat speciale grondslagregelingen die eigenlijk als bijzonder tarief zijn bedoeld voor passief inkomen (zoals de octrooibox en rentebox) leiden tot een reële heffing als de uiteindelijke druk vergelijkbaar is met de Nederlandse. Dat betekent dat concernfinancieringsvoordelen voldoende onderworpen zijn als de feitelijke heffing meer dan 5 procent bedraagt. Bovendien zou een lager regulier tarief (<10 procent) over een bredere grondslag toch tot een reële heffing kunnen leiden. De NOB stelt een tegenbewijsregeling voor, die er toe leidt dat de 10 procent eis buiten toepassing blijft indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat als gevolg van de afwijkende buitenlandse grondslag sprake is van een effectieve heffing van ten minste 10 procent over een naar Nederlandse maatstaven berekende grondslag. 74 Dit lijkt mij alleszins redelijk. Opvallend is bovendien dat voor de bezittingentoets nog steeds een toerekeningsbalans (onderdeel b van lid 11) moet worden opgesteld, terwijl in het kader van de oogmerktoets van artikel 13, lid 10, onderdeel a Wet VPB 1969 gebruik mag worden gemaakt van een geconsolideerde balans. Volgens de toelichting in het consultatiedocument is voor een consolidatie gekozen in plaats van een toerekeningsbalans om eenvoudiger te kunnen aan sluiten bij de reeds voorhanden zijnde cijfers. Dit verschil komt de overzichtelijkheid van de regeling voor de deelnemingsvrijstelling natuurlijk niet ten goede. Ingevolge artikel 13, twaalfde lid, onderdeel a, Wet VPB 1969 worden onroerende zaken en rechten die direct of indirect betrekking hebben op onroerende zaken niet als belegging aangemerkt, mits zij niet in het bezit zijn van een fiscale of vrijgestelde beleggingsvrijstelling. Het is echter de vraag wat precies onder de term onroerende zaken moet worden verstaan. In het consultatiedocument is geen definitie opgenomen. Voor de huidige regeling is een nadere uitwerking opgenomen in het besluit van 26 februari Of dit besluit ook zijn toepassing vindt onder de voorgestelde regeling is de vraag. 5.4 Conclusie Op het consultatiedocument met betrekking tot de mogelijke aanpassingen in de vennootschapsbelasting zijn veel reacties binnengekomen. Staatssecretaris de Jager van Financiën zal deze reacties gaan verwerken en verwacht binnen drie maanden een wetsvoorstel aan te kunnen Besluit van 26 februari 2008, nr. CPP 2008/257M, NTFR 2008/541, BNB /121, V-N 2008/13.9, paragraaf
54 bieden aan de Tweede Kamer. 76 De verwachte ingangsdatum van 1 januari 2010 wordt echter niet gehaald. Zo is er nog geen aandacht geschonken aan overgangsrecht. Bovendien is in het consultatiedocument slechts beperkt rekening gehouden met de samenloop tussen de voorgestelde bepalingen onderling en de voorgestelde bepalingen en de reeds bestaande wettelijke bepalingen. Wellicht dat het in het consultatiedocument opgenomen pakket aan maatregelen in delen kan worden ingevoerd. De voorgestelde versoepeling van het regime van de deelnemingsvrijstelling vertoont namelijk weinig raakvlakken met andere maatregelen. Daar komt bij dat de voorgestelde versoepeling een aanmerkelijke verbetering vormt. Dit geldt eveneens voor invoering van de verplichte groepsrentebox, welke grote gelijkenis vertoont met de reeds in de wet opgenomen optionele groepsrentebox. Bij deze optionele groepsrentebox is in het wetgevend proces in 2006 reeds uitgebreid stilgestaan, zodat de kans op onverwachte complicaties minder groot kan worden geacht. 77 Samenloop doet zich veel meer voor bij de voorgestelde renteaftrekbeperkende maatregelen Prof. dr. R.P.C.W.M. Brandsma, Kiezen of delen: van consultatiedocument tot wetsvoorstel, NTFR
55 Hoofdstuk 6: Conclusie De problematiek van de renteaftrek in de vennootschapsbelasting is in de loop van de jaren een van de ingewikkeldste regelingen geworden in de Wet VPB De problematiek rondom de renteaftrekbeperkingen heeft alles te maken met het fiscaalrechtelijke verschil in behandeling tussen vergoedingen op eigen vermogen en vergoedingen op vreemd vermogen. Dit verschil is in hoofdstuk 2 uitgebreid behandeld. Het verschil in behandeling (rente aftrekbaar, dividend niet aftrekbaar) lokt het gedrag uit dat concerns hun dochtermaatschappijen zoveel als mogelijk financieren met vreemd vermogen in plaats van met eigen vermogen. Om deze alsmaar uitbreidende financiering met vreemd vermogen tegen te gaan, kent het huidige systeem een niet gering aantal renteaftrekbeperkingen, die in hoofdstuk 3 in het kort zijn besproken. Het aantal pagina s wat hiervoor nodig is geweest, zegt volgens mij al voldoende. Als reactie hierop hebben prof. mr. F.A. Engelen, prof. dr. H. Vording en prof. mr. S. van Weeghel, in het WFR van augustus 2008, een poging gedaan om een allesomvattende oplossing te brengen voor het probleem van de renteaftrek in de vennootschapsbelasting, die niet alleen een ingrijpende vereenvoudiging meebrengt van het alsmaar uitbreidende stelsel, maar tevens ruimte creëert voor een forse tariefsverlaging en in hun ogen leidt tot een verbetering van het fiscale vestigingsklimaat in Nederland. Dit artikel heeft veel reacties losgemaakt. Uit deze reacties volgt dat een ingrijpende vereenvoudiging van de inmiddels gegroeide regelgeving op het gebied van de renteaftrekbeperkingen en de deelnemingsvrijstelling noodzakelijk is. In hoofdstuk 4 heb ik een opsomming gegeven van nadelen en eventuele onmogelijkheden van het voorstel van prof. mr. F.A. Engelen, prof. dr. H. Vording en prof. mr. S. van Weeghel. Het voorstel kent echter een tweetal belangrijke voordelen ten opzichte van de huidige wetgeving en heeft daarom een goede basis gevormd om verder op te borduren: - De voorgestelde defiscalisering van rente op leningen binnen concern betekent een belangrijke vereenvoudiging van de VPB, doordat een groot aantal ingewikkelde anti-misbruikbepalingen overbodig worden; - Het voorstel roept een halt toe aan het verlies van belastingopbrengst doordat excessieve renteaftrek wordt beperkt. Naar aanleiding van het voorstel van de drie hoogleren en geluiden uit de praktijk heeft de Staatssecretaris van Financiën op 14 juni 2009 een consultatiedocument gepubliceerd, dat de volgende wijzigingen voorstelt: - De introductie van een verplichte groepsrentebox voor ontvangen en betaalde groepsrente; - Een afzonderlijke beperking van de aftrek van groeps- en derdenrente; 49
56 - Aanpassing van het regime voor laagbelaste beleggingsdeelnemingen in de deelnemingsvrijstelling. 6.1 Consultatiedocument: VPB 2010 Toch is ook het in het consultatiedocument voorgestelde pakket aan maatregelen naar mijn mening niet ideaal. De versoepeling van de deelnemingsvrijstelling vormt weliswaar een verbetering, maar vertoont dan ook weinig raakvlakken met andere maatregelen. Wellicht dat het in het consultatiedocument opgenomen pakket aan maatregelen in delen kan worden ingevoerd. De overige in het consultatiedocument voorgestelde ingrijpende maatregelen met betrekking tot behandeling van rente hebben tot gevolg dat de rente die de afgelopen jaren gewoon aftrekbaar was, onder de voorgestelde wetgeving in het geheel niet meer aftrekbaar zal zijn, dan wel tegen een lager tarief. Mede bezien onder de huidige economische omstandigheden is een dergelijke wijziging niet wenselijk. Overgangsrecht zal daarom noodzakelijk zijn. Daarnaast zou alvorens tot invoering over te gaan de invloed van het samenstelde pakket aan maatregelen op het Nederlandse vestigingsklimaat onderzocht moeten worden. Bovendien zijn de voorgestelde regelingen complex, zodat vereenvoudiging van de vennootschapsbelasting niet wordt bewerkstelligd. Dit is naar mijn mening toch een belangrijk punt bij het oplossen van de problematiek rondom de renteaftrek. Ik denk derhalve dat de oplossing niet gezocht moet worden binnen het huidige systeem. Bij het zoeken naar een oplossing voor de problematiek van de renteaftrek buiten het huidige systeem dient met een aantal punten rekening te worden gehouden. Ten eerste is de robuustheid van de nieuwe wetgeving naar mijn mening van groot belang. Het moet namelijk niet zo zijn dat kort na invoering alweer nieuwe aanvullende wetgeving nodig is. Het fiscale stelsel speelt immers een belangrijke rol bij investerings- en vestigingsbeslissingen van ondernemingen. Betrouwbaarheid van het fiscale stelsel op lange termijn draagt bovendien in belangrijke mate bij aan een goed vestigingsklimaat. 78 Daarnaast dient de oplossing de gesignaleerde problemen zoveel mogelijk op te lossen en dient geen grote nieuwe problemen te creëren. Ten eerste dient derhalve de ingewikkeldheid van de huidige bepalingen ter zake van de aftrek van interne groepsrente, waardoor deze bepalingen in concrete gevallen nagenoeg niet toepasbaar zijn en niet zelden tot toevallige uitkomsten leiden, te worden opgelost. Ten tweede dient de alsmaar uitbreidende financiering met vreemd vermogen, doordat belastingplichtigen worden geprikkeld om hun kapitaalbehoeften te financieren met vreemd vermogen in plaats van eigen vermogen, te worden tegengegaan. Dit ook met het oog op de negatieve consequenties (het niet meer kunnen voldoen van de renteverplichtingen) van een uitgebreide financiering met vreemd vermogen, die kunnen optreden bij een economische teruggang. Tot slot dienen kunstmatige constructies om belastingheffing te vermijden, zoveel mogelijk te worden 78 Prof. dr. R.P.C. Cornelisse, Naar een beter vestigingsklimaat?, WFR 2009/911 50
57 bestreden. Deze kunstmatige constructies kunnen ontstaan door optimaal in te spelen op de mogelijkheden van het regime en de interpretatieverschillen op internationaal niveau. 6.2 Alternatief: het gelijk behandelen van eigen en vreemd vermogen In het consultatiedocument heeft de Staatssecretaris van Financiën het volgende opgemerkt over de rechtsgrond van de groepsrentebox: Het verschil in behandeling van eigen en vreemd vermogen is mede oorzaak van het optreden van arbitrage bij de financiering van groepen. Met een verplichte groepsrentebox, die inhoudt dat zowel ontvangen als betaalde groepsrente nog slechts tegen een gematigd tarief (5 procent) in aanmerking wordt genomen, wordt een meer gelijke behandeling van groepsrente en groepsdividend verkregen. Indien eigen vermogen en vreemd vermogen fiscaal gelijk wordt behandeld, wordt de financiering met vreemd vermogen op het niveau van de debiteur niet langer bevoordeeld boven de financiering met eigen vermogen. Voor zowel het vreemd vermogen als het eigen vermogen geldt dan dat de voor de financiering betaalde rente respectievelijk dividend volledig aftrekbaar is. Dit heeft echter aanzienlijke budgettaire gevolgen, wat niet gewenst is in een periode van bezuinigingen. Voor het gelijkstellen van eigen vermogen met vreemd vermogen bestaan echter ook mildere varianten, zoals aftrek van primair dividend of aftrek van primair rendement, waarbij de belastingderving geringer is, maar welke eigen en vreemd vermogen wel voor een (belangrijk) deel op gelijke wijze behandelen. 79 Bij een stelsel van aftrek van primair dividend komen de uitgedeelde winsten partieel in aftrek op de winst. Een stelsel van aftrek van primair rendement werkt deels hetzelfde, echter hierbij kan de vergoeding in aftrek worden gebracht ongeacht de vraag of er dividend wordt uitgekeerd. Aftrek van primair dividend is in het bijzonder gericht op het tegengaan van dubbele heffing op uitgekeerde winsten, terwijl aftrek van primair rendement gericht is op een gelijke behandeling van eigen en vreemd vermogen. 80 Mijn keuze gaat dan ook uit naar een stelsel van aftrek van primair rendement Stelsel van aftrek van primair rendement In een stelsel van aftrek van primair rendement is de normaal te achten beloning over het in de onderneming werkzame vermogen aftrekbaar. Hierbij is het van belang om de invulling van de begrippen normale beloning en in de onderneming werkzame vermogen te kennen. Voor de invulling van het begrip in de onderneming werkzame vermogen sluit ik mij aan bij dr. J. van Strien, welke het eigen vermogen, berekend volgens de beginselen van de bedrijfseconomie, als meest 79 G.M.M. Michielse, Thin capitalisation in het fiscale recht, Fiscale monografieën nr. 67, Kluwer, Deventer, 1994, blz Drs. F.P.J. Litjens, Het stelsel van aftrek van primair rendement in de vennootschapsbelasting, WFR 1985/109 51
58 zuivere basis ziet. 81 Deze invulling sluit immers het beste aan bij het doel van het stelstel van aftrek van primair rendement, het in aftrek op de winst toelaten van financieringskosten van eigen vermogen. Door het hanteren van het bedrijfseconomische eigen vermogen wordt slechts de daadwerkelijke overwinst belast. Toch stuit deze invulling op problemen. Immers er wordt geen rekening gehouden met de werkelijke waarden van de activa. Dit is van belang omdat stille reserves ook een impliciete financieringsbehoefte kennen, waarvoor in beginsel een aftrek zou moeten worden verleend. Om deze aftrek van jaar tot jaar te kunnen bepalen, zouden belastingplichtigen jaarlijks naast de reguliere commerciële en fiscale balans, een bedrijfseconomische balans moeten opstellen ten behoeve van de berekening van de hoogste van de aftrek van primair rendement. Dit brengt hoge uitvoeringslasten met zich mee voor de belastingplichtigen en voor de fiscus en zou tevens een potentiële bron kunnen vormen voor geschillen tussen de inspecteur en belastingplichtigen, wat niet wenselijk is. In verband met deze bezwaren zou als alternatief aansluiting gezocht kunnen worden bij het fiscale vermogen. 82 Op dit fiscale vermogen dienen nog wel enkele correcties worden gemaakt, ter zake van fiscale claims (zoals de herinvesteringsreserve) welke bedrijfseconomisch financieringskosten met zich mee brengen. Tot slot dienen eveneens de deelnemingen in mindering te worden gebracht op het fiscale vermogen van de moedermaatschappij, om dubbeltellingen te voorkomen. Zonder deze bepaling zou hetzelfde vermogen namelijk op beide niveaus leiden tot aftrek. Bij het in mindering brengen van de deelnemingen dient in het vermogen van de moedermaatschappij wel een correctie te worden aangebracht voor het vermogen dat toerekenbaar is aan de deelneming. 83 Nadat we invulling hebben gegeven aan het begrip in de onderneming werkzame vermogen, dient vervolgens nog een percentage te worden vastgesteld om de aftrek van het primair rendement te kunnen berekenen. Vanuit praktisch oogpunt verdient het de voorkeur om te komen tot een algemeen gemiddelde, zoals het rentepercentage op langlopende staatsobligaties. 84 Prof. dr. mr. E.J.W. Heithuis denkt aan een vermogensaftrek die gelijk is aan het forfaitaire rendement van 4 procent dat thans in de inkomstenbelasting in box 3 wordt gehanteerd Dr. J. van Strien, Renteaftrekbeperkingen in de vennootschapsbelasting, Fiscale monografien nr. 119, Kluwer, Deventer 2007, blz Dr. J. van Strien, Renteaftrekbeperkingen in de vennootschapsbelasting, Fiscale monografieën nr. 119, Kluwer, Deventer 2007, blz G.M.M. Michielse, Thin capitalisation in het fiscale recht, Fiscale monografieën nr. 67, Kluwer, Deventer, 1994, blz Dr. J. van Strien, Renteaftrekbeperkingen in de vennootschapsbelasting, Fiscale monografieën nr. 119, Kluwer, Deventer 2007, blz Prof. dr. mr. E.J.W. Heithuis, Renteaftrek in de vennootschapsbelasting: a never ending story, NTFR
59 6.2.2 Beschouwing Het systeem kent als groot voordeel dat het onderscheid in fiscale behandeling tussen de vergoedingen op eigen vermogen en vergoedingen op vreemd vermogen voor een groot deel wordt weggenomen. Hiermee worden de verstoringen, die het verschil in behandeling met zich mee brengt, geëlimineerd. De financieringsbeslissing wordt in geval van een stelsel van aftrek van primair rendement immers niet langer verstoord. Tegelijkertijd maakt dit stelsel kapitaal goedkoper voor bedrijven, waardoor de investeringen toenemen. In een stelsel van aftrek van primair rendement kunnen bovendien de bestaande renteaftrekbeperkende maatregelen worden geschrapt. 86 Wanneer vergoedingen op eigen en vreemd vermogen namelijk gelijk worden behandeld, brengen oneigenlijke constructies geen fiscaal voordeel meer met zich mee. Het voordeel om eigen vermogen fiscaalrechtelijk te presenteren als vreemd vermogen en om rentestromen op gang te brengen naar niet- of laagbelaste jurisdicties wordt immers weggenomen onder het voorgestelde stelsel. Het vervangen van de huidige renteaftrekbeperkende maatregelen door een stelsel van aftrek van primair rendement maakt het stelsel bovendien overzichtelijker voor belastingplichtigen en beter uitvoerbaar voor de fiscus. Toch zijn er ook enkele praktische bezwaren aan te voeren tegen het stelsel van aftrek van primair rendement. Zo wordt als kritiek aangevoerd dat een dergelijk stelsel niet rechtvaardig zou uitwerken. Het stelsel zou namelijk inbreuk maken op de leer van het globale evenwicht. De oorzaak hiervan ligt echter niet in de vennootschapsbelasting, maar in het relatief lage tarief van box 2 van de inkomstenbelasting. In dit tarief van 25 procent is al rekening gehouden met het feit dat de financieringskosten van het eigen vermogen niet in aftrek van de winst kunnen worden gebracht. De oplossing moet dan ook gezocht worden in de inkomstenbelasting, eventueel door het box 2 tarief te verhogen. Bij de behandeling van de Wet Werken aan Winst heeft de wetgever met name budgettaire bezwaren aangevoerd tegen een stelsel van aftrek van primair rendement. 87 Vanwege de omvangrijke budgettaire derving zou invoering van een dergelijk stelsel geen goed alternatief zijn voor het huidige stelsel in combinatie met een tariefsverlaging. De wetgever heeft deze budgettaire derving berekend op 3,7 miljard euro (bij een percentage primair rendement van 4 procent). Deze derving zou overeen komen met een verlaging van 7 procent. Bij deze calculatie zijn echter de inverdieneffecten en de opbrengst van het verminderen van de verstoringen door belastingen niet meegenomen. Dit geeft derhalve een vertekend beeld. Bovendien gaat het stelsel gepaard met een vermindering van 86 Dr. J. van Strien, Renteaftrekbeperkingen in de vennootschapsbelasting, Fiscale monografieën nr. 119, Kluwer, Deventer 2007, blz Nota Werken aan Winst, naar een laag tarief en een brede grondslag, april 2005, blz
60 uitvoeringskosten doordat de wet aanzienlijk eenvoudiger wordt door invoering van een stelsel van aftrek van primair rendement. Bij de Wet Werken aan Winst heeft de wetgever de voorkeur gegeven aan een tariefsverlaging, omdat hiermee het behalen van winst in Nederland goedkoper wordt. Dit wordt veroorzaakt doordat de tariefsverlaging voornamelijk ten goede komt aan vennootschappen die verhoudingsgewijs veel winst behalen. Het regulier VPB-tarief van 25,5 procent (en zelfs het tarief van 5 procent voor de verplichte groepsrentebox) kunnen echter niet voorkomen dat belastingplichtigen de met de rentelasten corresponderende rentebaten laten neerslaan een niet of lager belaste jurisdictie. Ook wordt door een tariefsverlaging het onderscheid tussen eigen en vreemd vermogen niet opgeheven, waardoor de noodzaak blijft bestaan om renteaftrek-beperkende maatregelen te nemen. Een ander kritiekpunt ziet op de behandeling van rente en dividend in binnenlandse en buitenlandse situaties. Zo zou een in het buitenland gevestigde moeder geen voordeel hebben van het aftrek van primair rendement, indien het vestigingsland van de moeder een creditsysteem hanteert. 88 F.P.J. Litjes neutraliseert dit kritiekpunt echter door aan te geven dat dit inherent is aan het buitenlandse belastingsysteem. Daarnaast vindt er een discrepantie plaats indien rentebaten en dividend op het niveau van de buitenlandse aandeelhouder of crediteur verschillend worden behandeld. Deze discrepantie wordt veroorzaakt indien op buitenlands niveau geen correctie plaatsvindt voor de in Nederland verleende aftrek. Ik ben het met dr. J. van Strien eens dat deze problematiek niet zou moeten worden opgelost op het niveau van de vennootschap, maar desgewenst op het niveau van de aandeelhouder. 89 Op binnenlands niveau blijft namelijk evenwicht bestaan. Bovendien leidt een systeem van aftrek van primair rendement niet tot uitholling van de belastinggrondslag. Wellicht dat deze discrepantie opgelost kan worden door de aftrek van primair rendement slechts toe te staan indien sprake is van een compenserende heffing op het niveau van de aandeelhouder, hoewel hier het risico van strijdigheid met het EU-recht in schuilt Notionele interestaftrek in België In België kent men met ingang van het aanslagjaar 2007 een vergelijkbaar systeem, het systeem van de zogenaamde notionele interestaftrek, oftewel zoals de officiële benaming luidt: belastingaftrek voor risicokapitaal. Deze aftrek voor risicokapitaal is erop gericht de discriminatie die bestond tussen enerzijds de financiering met vreemd vermogen (leningen en obligaties), waarvan de vergoeding volledig fiscaal aftrekbaar is, en anderzijds de financiering met risicokapitaal (eigen vermogen 88 F.P.J. Litjens, Het stelsel van aftrek van primair rendement in de vennootschapsbelasting, WFR 1985/ Drs. J. van Strien in Maatschappelijk heffen: opstellen op 8 december aangeboden aan prof. dr. L.G.M. Stevens ter gelegenheid van zijn afscheid als hoogleraar fiscale economie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, Kluwer, 2006, p
61 gevormd door inbreng van extern kapitaal en/of automatisering), waarvan de vergoeding volledig belast wordt, op te heffen. 90 Met de notionele interestaftrek kunnen Belgische vennootschappen, in België gevestigde buitenlandse vennootschappen en vaste inrichtingen op haar eigen vermogen een fictieve rentelast berekenen, die ze mag aftrekken van haar belastbare winst. Het toe te passen tarief van de fictieve renteaftrek wordt bepaald door het gemiddelde te nemen van de door de Belgische Staat uitgegeven 10-jarige lineaire obligaties, met een maximum van 6,5 procent. De fictieve renteaftrek (in 2009: 4,307 respectievelijk 4,807 procent voor kleine vennootschappen 91 ) wordt, in verband met anti-misbruik, berekend op het gecorrigeerd boekhoudkundig eigen vermogen van de vennootschap, verminderd met: - De fiscale netto waarde van de eigen aandelen, de aandelen onder de financiële vaste activa en aandelen in beleggingsvennootschappen, waarvan de inkomsten recht geven op DBI-aftrek; - Het positieve verschil tussen de netto boekwaarde van de activa van een buitenlandse inrichting dan wel buitenlandse onroerende goederen en de op deze inrichting dan wel op deze onroerende goederen aan te rekenen voorzieningen en schulden; - De netto boekwaarde van de materiële vaste activa of gedeelten ervan voor zover de erop betrekkende kosten op onredelijke wijze de beroepsbehoeften overtreffen; - De boekwaarde van bestanddelen die als beleggingen worden gehouden en geen periodieke inkomsten genereren (bijvoorbeeld juwelen); - De boekwaarde van onroerende goederen of andere zakelijke rechten met betrekking tot onroerende goederen waarvan natuurlijke personen die in de vennootschap een opdracht of functie als bedrijfsleider uitoefenen, of hun echtgeno(o)t(e) of hun kind(eren) het gebruik hebben; - Vrijgestelde herwaarderingsmeerwaarden, kapitaalsubsidies en belastingkredieten voor onderzoek en ontwikkeling. Bij gebrek aan voldoende winst is de belastingaftrek overdraagbaar gedurende maximaal zeven jaar. Op 19 februari 2009 heeft de Europese Commissie een formele inbreukprocedure geopend tegen de notionele interestaftrek. 92 Volgens De Europese Commissie zou de notionele interestaftrek in strijd zijn met het vrij verkeer van kapitaal en de vrijheid van vestiging, omdat de notionele interestaftrek bedrijven ontmoedigd om te investeren in het buitenland doordat zij er buiten België geen gebruik van kunnen maken. De uitkomst van de procedure van de Europese Commissie is nog onduidelijk. Mocht 90 Aangifte vennootschapsbelasting 2007, P. Salens en C. Taghon, blz Vennootschappen met rechtspersoonlijkheid die (tenzij het jaargemiddelde van het personeelsbestand meer dan 00 bedraagt) het laatste en voorlaatste boekjaar niet meer dan een van de volgende criteria overschrijden: - jaargemiddelde van het personeelsbestand: 50; - jaaromzet (exclusief BTW): ; - balanstotaal:
62 er daadwerkelijk sprake zijn van strijdigheid, dan zou België er voor kunnen kiezen om de notionele interestaftrek uit te breiden naar vaste inrichtingen in andere EU lidstaten. 6.3 Afsluitende conclusie De bezwaren zijn naar mijn mening niet dusdanig om een stelsel van aftrek van primair rendement zonder meer af te wijzen. Ook tegen andere oplossingen bestaan namelijk aanzienlijke bezwaren. Daar komt bij dat ons buurland België een vergelijkbaar systeem kent. Waarom niet in navolging van België een dergelijk stelsel van aftrek van primair rendement invoeren? 56
63 Literatuurlijst Boeken: D.A. Albregtse, P. Kavelaars en andere, Maatschappelijk heffen: opstellen op 8 december aangeboden aan prof. dr. L.G.M. Stevens ter gelegenheid van zijn afscheid als hoogleraar fiscale economie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, Kluwer, 2006 C.J.A. van Geffen en R.L. ter Hoeven, Handboek externe verslaggeving, Kluwer, 2008; J.A.G. van der Geld, Hoofdzaken vennootschapsbelasting, Kluwer 2008; J.W. Kaasschieter, IFRS en de verhouding tot de thin-capitalisation, Kluwer, 2006; G.M.M. Michielse, Thin capitalisation in het fiscale recht, Fiscale monografieën nr. 67, Kluwer, 1994 P. Salens en C. Taghon, Aangifte vennootschapsbelasting 2007, Maklu-Uitgevers, 2007; P. van Schilfgaarde, Van de B.V. en de N.V., Kluwer, 2009; J. van Strien, Aspecten van de renteaftrekbeperkingen in de vennootschapsbelasting, Kluwer, 2002; J. van Strien, Renteaftrekbeperkingen in de vennootschapsbelasting, Fiscale monografieën nr. 119, Kluwer, Artikelen: G.G. Baaijens en W.C.M. Martens, Voorgestelde wijzigingen in de deelnemingsvrijstelling, MBB 2009/282; R.P.C.W.M. Brandsma, Kiezen of delen: van consultatiedocument tot wetsvoorstel, NTFR ; M.H.J. Buur, De verplichte groepsrentebox: een analyse, MBB 2009/261; R.P.C. Cornelisse, Naar een beter vestigingsklimaat?, NTFR en WFR 2009/911; F.J. Elsweier, Ontwikkelingen in de Duitse belastingwetgeving voor vennootschappen: gevolgen voor Nederland? MBB 2008/04; F.A. Engelen, (Door)werken aan groepsrente in 2008, NTFR ; F.A. Engelen, H. Vording en S. van Weeghel, Eenvoud, evenwicht en een lager tarief vennootschapbelasting: waar staan we een jaar later?, WFR 2009/953; F.A. Engelen, H. Vording en S. van Weeghel, Wijziging van belastingwetten met het oog op het tegengaan van uitholling van de belastinggrondslag en het verbeteren van het fiscale vestigingsklimaat, WFR 2008/891; S.E. Faber en W.W. Mebius, Het consultatiedocument vennootschapsbelasting 2010, WFR 2009/913; P.H.M. Flipsen, Wetsvoorstel-Engelen c.s. inzake renteaftrek: in het belang van het vestigingsklimaat?, WFR 2009/320; 57
64 J.A.G. van der Geld, De behandeling van rente in de VPB overwogen, WFR 2009/145; J.A.G. van der Geld, Trends in de VPB-heffing in Nederland, TFO 2008/182; M.J.A.M. van Gijlswijk, VPB 2010: het consultatiedocument vanuit MKB-perspectief, WFR 2009/976; E.J.W. Heithuis, Renteaftrek in de vennootschapsbelasting: a never ending story, NTFR ; E.J.W. Heithuis, Voorstellen Engelen cs voor VPB 2010: ei van Columbus?, WFR 2008/1067; A. van der Horst en R.A. de Mooij, Een macro-economische analyse van renteaftrek in de VPB, WFR 2009/948; D.A. Hofland en J.A. Lorie, Macro-economische overwegingen pleiten tegen de verplichte groepsrentebox en defiscalisering groepsrente, WFR 2009/647; E.C.C.M. Kemmeren, (Aangescherpte) groepsrentebox is naar huidige stand van zaken verboden staatssteun, WFR 2009/371; Q.W.J.C.H. Kok, De renteaftrekbeperkingen in het Consultatiedocument, MBB 2009/274; Q.W.J.C.H. Kok, De verplichte groepsrentebox, NTFR ; Th.W. Langejan, De Gordiaanse knoop, WFR 2009/946; F.P.J. Litjens, Het stelsel van aftrek van primair rendement in de vennootschapsbelasting, WFR 1985/109; R.H.C. Luja, De groepsrenteboxbeschikking: onbedoeld te gunstig?, WFR 2009/1067; Ruijschop, Consultatiedocument: verdeling VPB-druk en renteproblematiek, NTFR ; S.A.W.J. Strik, De voorgelegde regeling voor beleggingsdeelnemingen: een verbetering, maar verduidelijking gewenst!, WFR 2009/969; S.A.W.J. Strik, Over zoet en zuur: gaat de vennootschapsbelasting weer op de schop, NTFR ; K.S.T. Tan, Kan Nederland het fiscale onderscheid tussen EV en VV opheffen, NTFR 2007/176; J. Vleggeert, De verplichte groepsrentebox en de beperkingen van de aftrek van de rente getoetst aan twee criteria, WFR 2009/960; R.C.C. Wit, De renteaftrekbeperkingen in het consultatiedocument, NTFR ; Arresten HvJ EG 18 september 2003, zaak C-168/01 (Bosal Holding), BNB 2003/344; HR 3 november 1954, BNB 1954/357 HR 5 juni 1957, nr , BNB 1957/239 HR 7 november 1973, nr , BNB 1974/2 58
65 HR 31 mei 1978, nr , BNB 1978/252 HR 27 januari 1988, nr , BNB 1988/217 HR 4 september 1996, nr , BNB 1997/42 HR 11 maart 1998, nr , BNB 1998/208 HR 17 februari 1999, nr , BNB 1999/176 HR 14 maart 2001, nr , BNB 2001/210 HR 17 juni 2005, nr , BNB 2005/304 HR 25 november 2005, nr , BNB 2006/82 Overige teproblematiek oblematiek Besluit van de Europese Commissie van 28 maart 2007, nr. 2007/C66/12, V-N 2007/19.16 Beschikking van de Europese Commissie, nr. C 4/2007, C(2009)4511 Voorstel voor een Richtlijn van de Raad van 30 december 2003, Com (2003) 841, tot wijziging van Richtlijn 2003/49/EG MvT, Kamerstukken II 2005/2006, nr , nr. 3 NvW, TK, 2003/2004, nr , nr. 8 NV, Kamerstukken II 2005/2006, nr. 8 NV, Veegwet III, Kamerstukken II 2002/200233, , nr. 7 Besluit van 26 februari 2008, nr. CPP2008/257M, BNB 2008/121 Brief Staatssecretaris van Financiën van 14 juni 2007, nr. BDPP , V-N 2007/30.13 Resolutie van 15 oktober 1974, nr. B74/21 516, BNB 1975/11 59
Fiscale aspecten van groepsfinanciering van vastgoed
Fiscale aspecten van groepsfinanciering van vastgoed Wet VPB 1969 In een themanummer over vastgoedfinanciering kan een bijdrage over de fiscale aspecten niet ontbreken. In dit artikel gaan wij in op de
Fiscale workshop Renteaftrekbeperkingen
Fiscale workshop Renteaftrekbeperkingen J.F.H.M. Knevels RV FB Stelling Rente is in Nederland NIET aftrekbaar, tenzij.. 2 1 vreemd vermogen vs eigen vermogen Fiscale hoofdregel: - Vergoeding op eigen vermogen
Regime fiscale eenheid geraakt door uitspraak Hof van Justitie EU in zaak renteaftrekbeperking
Jasper van Nes Advocaat Belastingadviseur Regime fiscale eenheid geraakt door uitspraak Hof van Justitie EU in zaak renteaftrekbeperking Belastingrecht 23 maart 2018 Rente op een geldlening voor de financiering
PRAKTIJKNOTITIE Fiscaal. 1. Inleiding. 2. De fiscale eenheid in de vennootschapsbelasting Inleiding Voorwaarden vormen fiscale eenheid VPB
Van: NOAB Adviesgroeplid Marree & Van Uunen Belastingadviseurs Datum: februari 2019 Onderwerp: Spoedreparatie fiscale eenheid VPB voor het MKB 1. Inleiding In 2018 werd aangekondigd dat de regeling voor
Memorandum RECENTE BELASTINGONTWIKKELINGEN MET BETREKKING TOT DE FISCALE EENHEID
Memorandum REENTE ELASTINGONTWIKKELINGEN MET ETREKKING TOT DE FISALE EENHEID Op 6 juni 2018 heeft de Staatssecretaris van Financiën het wetsvoorstel Wet spoedreparatie fiscale eenheid gepubliceerd. In
De dubbele zakelijkheidstoets van artikel 10a lid 3a Wet Vpb 1969 bij feitelijke derdenleningen, borg- en garantstellingen en onzakelijke leningen
De dubbele zakelijkheidstoets van artikel 10a lid 3a Wet Vpb 1969 bij feitelijke derdenleningen, borg- en garantstellingen en onzakelijke leningen Universiteit van Amsterdam Masterscriptie Fiscale economie
Vennootschapsbelasting. Toepassing van artikel 10a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Belastingdienst /Directie Vaktechniek Belastingen.
1 Vennootschapsbelasting. Toepassing van artikel 10a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 Belastingdienst /Directie Vaktechniek Belastingen. Besluit van 25 maart 2013,nr. BLKB2013/110M. De Staatssecretaris
De hernieuwde invoering van artikel 15ad Wet Vpb Is de toenemende complexiteit aan renteaftrekbeperkingen toe aan een fundamentele wijziging?
TILBURG UNIVERSITY De hernieuwde invoering van artikel 15ad Wet Vpb 1969 Is de toenemende complexiteit aan renteaftrekbeperkingen toe aan een fundamentele wijziging? Masterthesis Fiscale Economie Door
De renteaftrekbeperking bij externe acquisities in art. 10a Vpb
De renteaftrekbeperking bij externe acquisities in art. 10a Vpb Auteur: R.H. Honing Studentnummer: 5603218 Onder begeleiding van: Tweede beoordelaar: Universiteit: Faculteit: Opleiding: Studierichting:
De dubbele zakelijkheidstoets van artikel 10a Wet op de Vennootschapsbelasting 1969
De dubbele zakelijkheidstoets van artikel 10a Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 De parallelliteitstoets bij externe financieringen Bachelor Scriptie Tilburg University Tilburg School of Economics and
BESCHIKKING RAAD VAN BEROEP VAN 27 april 1994
BESCHIKKING RAAD VAN BEROEP VAN 27 april 1994 Vonnisnummer : 1993-040 (op CD rom Jurdoc 1994-040) Datum : 27 april 1994 Rechters : mrs. Warnink, Moltmaker en Ilsink Middel : winst Artikel : 6 Belastingjaar
Artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen
Memo Van prof. Mr. Ch.P.A. Geppaart Onderwerp Artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen 1. Via het hoofd van de afdeling Directe belastingen van het Ministerie van Financiën ontving ik Uw
Consultatie wetsvoorstel implementatie ATAD2
Consultatie wetsvoorstel implementatie ATAD2 Op 29 mei 2017 is een aanpassing van de EU-richtlijn ter bestrijding van belastingontwijking aangenomen, zodat deze richtlijn zich (ook) richt tegen hybridemismatches
VpB 2010* Treasury Tax Update
VpB 2010* Treasury Tax Update Consultatiedocument VPB 2010: De groepsrentebox, renteaftrekbeperkingen en de deelnemingsvrijstelling Amsterdam, 13 juli 2009 *connectedthinking Agenda Opmaat herziening vennootschapsbelasting
De toekomst van de behandeling van (groeps)rente in de vennootschapsbelasting
Masterscriptie De toekomst van de behandeling van (groeps)rente in de vennootschapsbelasting Masterscriptie Fiscale Economie Faculteit Economie en Bedrijfswetenschappen Universiteit van Tilburg Frank van
De toepassing van het leerstuk van de onzakelijke lening op de ongebruikelijke terbeschikkingstelling
Erasmus Universiteit Rotterdam Erasmus School of Economics Bachelorscriptie NADRUK VERBODEN De toepassing van het leerstuk van de onzakelijke lening op de ongebruikelijke terbeschikkingstelling Naam Wopke
Financiering - Earningsstripping. 11 juni 2019 Dr. F.J. (Frank) Elsweier
Financiering - Earningsstripping 11 juni 2019 Dr. F.J. (Frank) Elsweier Programma 19.00 20.00: Breaking news, kwalificatie geldverstrekking, onzakelijke lening 20.00 20.10: Pauze 20.10 21.00: Renteaftrekbeperkingen
Valutaresultaten en art. 10a Wet Vpb 69.
Valutaresultaten en art. 10a Wet Vpb 69. M.I. van Zielst Administratienummer: 321463 Afstudeerscriptie Fiscaal Recht Afstudeerdatum: 28 september 2011 Examencommissie: drs. F.J. Elsweier en prof. dr. J.A.G.
De onzakelijke lening
De onzakelijke lening dé nachtmerrie voor fiscalisten Naam : Ayrien Bholasingh Opleiding : Master Fiscale Economie Universiteit : Universiteit van Amsterdam Studentennummer : 5773911 Begeleider : dr. mr.
De onzakelijke lening:
Na de baanbrekende arresten in 2011 en 2012 over de onzakelijke lening, is er de afgelopen jaren nog veel (verfijnende) jurisprudentie verschenen. De auteur behandelt deze jurisprudentie en verwacht dat
Alles onder Controle!
Alles onder Controle! VPB 2010 Het consultatiedocument Maurice de Clercq & Gunther Hoffmann 25 november 2009 Programma Inleiding Groepsrentebox Renteaftrekbeperkingen Laagbelaste beleggingsdeelneming Inleiding
Fraus Legis naast artikel 10a wet Vpb 1969?
Fraus Legis naast artikel 10a wet Vpb 1969? Naam: Joëlla Scholte Studentnummer: 342324 Begeleider: drs. M.H.M. Smeets Datum : 22 juli 2014 Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding... 4 1.1 Schets van het probleemveld...
Onzakelijke leningen. dr. Ruud van den Dool
Onzakelijke leningen dr. Ruud van den Dool Onzakelijke leningen Bewijslastverdeling Hoogte en behandeling rentevergoeding afwaarderingen Criteria Internationale (mis)match Leningkwalificatie + behandeling
Het dichten van het Bosal-gat door artikel 13l Wet vennootschapsbelasting 1969 of door artikel 10d Wet vennootschapsbelasting 1969.
Het dichten van het Bosal-gat door artikel 13l Wet vennootschapsbelasting 1969 of door artikel 10d Wet vennootschapsbelasting 1969. Naam: L. Horsmeijer Studie: Master Fiscaal Recht, accent directe belastingen
De onzakelijke omleiding inzake de dubbele zakelijkheidstoets van artikel 10a, derde lid, Wet op de Vennootschapsbelasting 1969
De onzakelijke omleiding inzake de dubbele zakelijkheidstoets van artikel 10a, derde lid, Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 Bachelor thesis Fiscale Economie Universiteit van Tilburg Student: Maud Joosen
Fiscale eenheid. Impact spoedmaatregelen. Agenda. februari dr. A. Rozendal. Toepassing art. 10a. Toepassing art. 20a.
Fiscale eenheid Impact spoedmaatregelen februari 2019 dr. A. Rozendal 1 Agenda Inleiding Toepassing art. 10a Toepassing art. 20a 2 Inleiding Toepassing art. 10a Toepassing art. 20a 3 Inleiding Voordelen
Master Thesis. Artikel 10d Wet VPB 1969 onder de loep.
Master Thesis Artikel 10d Wet VPB 1969 onder de loep. Naam : Marc Wolters Studierichting : Fiscale Economie Administratienummer : S233041 Datum : augustus 2009 Examencommissie : Prof. dr. J.A.G. van der
KPMG Meijburg & Co ABCD. Invoering van de Wet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht
Invoering van de Wet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht Op 12 juni 2012 heeft de Eerste Kamer de Wet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht en de Invoeringswet vereenvoudiging en flexibilisering
De renteaftrekbeperkingen in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969
De renteaftrekbeperkingen in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 Naam: Samantha Mutsaers Administratienummer: 408313 Studierichting: Fiscale Economie aan de Universiteit van Tilburg Datum: Februari
Tweede Kamer der Staten-Generaal
Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2013 2014 33 950 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Fiscale verzamelwet 2014) Nr. 4 NOTA VAN WIJZIGING Ontvangen 12 juni 2014 Het
BACHELORSCRIPTIE. De kwalificatie van kapitaal na een herfinanciering
BACHELORSCRIPTIE De kwalificatie van kapitaal na een herfinanciering Naam: Guus Baak Studentnummer: 360356 Begeleider: R.B.N. van Ovost Rotterdam, 17 juli 2014 Inhoudsopgave 1. Inleiding... 3 2. Fraus
ERASMUS UNIVERSITEIT ROTTERDAM. Erasmus School of Economics. Bachelorscriptie Fiscale Economie. Naam student: Anouk Schipper Studentnummer:
ERASMUS UNIVERSITEIT ROTTERDAM Erasmus School of Economics Bachelorscriptie Fiscale Economie Winstdrainage, derdenfinanciering en de zakelijkheidstoets Een onderzoek naar de motivatie, inhoud en implicaties
BACHELOR THESIS. Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 (Vpb) : Angela Aerts. Datum : november Prof. dr. J.A.G. van der Geld
BACHELOR THESIS De fiscale aspecten van de renteaftrekbeperkingen en de thin capitalisation in de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 (Vpb) Naam : Angela Aerts Studierichting : Fiscale Economie Administratienummer
De dubbele zakelijkheidstoets van artikel 10a, derde lid, Wet op de Vennootschapsbelasting 1969
De dubbele zakelijkheidstoets van artikel 10a, derde lid, Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 Universiteit van Tilburg Master Fiscaal Recht Examencommissie: mr. G.C. van der Burgt Student: Daniëlle Reinders
SRA-Praktijkhandreiking. Spoedreparatie fiscale eenheid vennootschapsbelasting
SRA-Praktijkhandreiking Spoedreparatie fiscale eenheid vennootschapsbelasting Inhoudsopgave 1 Algemeen... 3 2 Verloop en historie... 4 3 Hoofdlijn... 5 3.1 Terugwerkende kracht naar 1 januari 2018... 5
Bachelor Thesis. De zakelijkheidstoets van artikel 10a Wet VPB : T.L.A. Tournois
Bachelor Thesis De zakelijkheidstoets van artikel 10a Wet VPB 1969 Naam : T.L.A. Tournois Studierichting : Fiscale Economie Administratienummer : 334794 Datum : Mei 2011 Examencommissie : Prof. Dr. J.A.G.
Voorwoord. Lijst van gebruikte afkortingen HOOFDSTUK 1: INLEIDING 1
INHOUDSOPGAVE Voorwoord V Lijst van gebruikte afkortingen XIII HOOFDSTUK 1: INLEIDING 1 1.1 Totaalwinst, transfer pricing mismatches en art. 10b Wet VPB 1969 1 1.2 Probleemstelling 3 1.2.1 Aanleiding voor
Reactie Register Belastingadviseurs (RB) inzake de aangekondigde spoedmaatregelen inzake de fiscale eenheid vennootschapsbelasting
Per post en per e-mail Aan de Vaste commissie voor Financiën van de Tweede Kamer der Staten-Generaal T.a.v. mevrouw P.F.L.M. Tielens-Tripels Postbus 20018 2500 EA Den Haag Culemborg, 17 januari 2018 Betreft:
De onzakelijke lening
C. Olmtak LL.M. KPMG Tax & Legal Services Curaçao, 17 augustus 2011 De onzakelijke lening Vennootschappen hebben een continue financieringsbehoefte in het kader van de uitoefening van hun ondernemingsactiviteiten.
Staatssecretaris beantwoordt vragen spoedreparatie fiscale eenheid
Staatssecretaris beantwoordt vragen spoedreparatie fiscale eenheid Op 4 juni 2018 is het wetsvoorstel Wet spoedreparatie fiscale eenheid ( het wetsvoorstel ) bij de Tweede Kamer ingediend (zie onze eerdere
Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:
34 323 Wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en enige andere wetten in verband met enkele aanpassingen inzake de fiscale eenheid (Wet aanpassing fiscale eenheid) NOTA VAN WIJZIGING Het
De zakelijkheidstoets van de vennootschapsbelasting.
De zakelijkheidstoets van de vennootschapsbelasting. Welke invloed heeft de uitspraak van Hof Arnhem van 1 december 2009 op artikel 10a Wet Vpb? Bachelor Thesis Fiscale Economie Faculteit economie en bedrijfswetenschappen
I. ALGEMEEN. Memorie van toelichting. 1. Inleiding
Wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 in verband met de invoering van een tussenregeling voor valutaresultaten op deelnemingen (Tussenregeling valutaresultaten op deelnemingen) Memorie
10a en fraus legis BESTAAT ER NOG RUIMTE VOOR BIJZONDERE RECHTSMIDDELEN NAAST ART. 10A WET VPB 1969?
10a en fraus legis BESTAAT ER NOG RUIMTE VOOR BIJZONDERE RECHTSMIDDELEN NAAST ART. 10A WET VPB 1969? Oscar Smeets Herculesstraat 27-I 1076 RZ Amsterdam T +31 (0)6 422 66 555 E [email protected] W www.oscarsmeets.nl
De flexibilisering van het B.V. recht
Seminar De flexibilisering van het B.V. recht 6 juni 2012 Dagvoorzitter: Kees Goeman Sprekers: Dirk School Lisan Vermeer Govert Vorstenbosch Sirik Goeman 1 www.bgadvocaten.nl Bogaerts & Groenen advocaten
Onzakelijke leningen in gelieerde verhoudingen
Onzakelijke leningen in gelieerde verhoudingen R.G. Broft Afstudeerrichting: Fiscaal Recht Onzakelijke leningen in gelieerde verhoudingen Kan de niet toegestane afwaardering van de onzakelijke lening,
Inkomstenbelasting. Direct durfkapitaal. Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling, Sector brieven & beleidsbesluiten
Inkomstenbelasting. Direct durfkapitaal Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling, Sector brieven & beleidsbesluiten Besluit van 24 maart 2009, nr. CPP2009/170M, Stcrt. Nr. 68 De staatssecretaris
Kluwer Online Research
Vakblad Financiële Planning Terbeschikkingstelling: een update Kluwer Online Research Auteur: Drs. J.E. van den Berg[1] Tussen november 2011 en mei 2012 zijn enkele belangrijke uitspraken en arresten verschenen
DE VERPLICHTE GROEPSRENTEBOX EN DE BEPERKINGEN VAN DE AFTREK VAN DE RENTE GETOETST AAN TWEE CRITERIA
De verplichte groepsrentebox en de aftrekbeperkingen van de rente getoetst aan twee criteria Gepubliceerd in Weekblad Fiscaal Recht 2009/6822, blz. 960-968 J. Vleggeert, Associate Professor at the Institute
Artikel 13l Wet VPB 69. Het sluitstuk binnen de huidige renteaftrekproblematiek?
Masterscriptie Artikel 13l Wet VPB 69 Het sluitstuk binnen de huidige renteaftrekproblematiek? Student: S.P.E.M. (Saskia) Wulmsen ANR: 596691 Opleiding: Fiscaal Recht Jaar: 2013 Begeleider: K.R.C.M. Jonas
Bachelorscriptie Fiscale Economie VERMOGEN GAAT VREEMD. - Payback time? Naam: S. Kroon. Studentnummer: 312203. Begeleider: drs. M.
Bachelorscriptie Fiscale Economie nadruk verboden VERMOGEN GAAT VREEMD - Payback time? Naam: S. Kroon Studentnummer: 312203 Begeleider: drs. M. Nieuweboer Rotterdam, 17 juli 2012 zich te rug be ta len
Jaarbericht Weller Wonen Holding BV 2016
Jaarbericht Weller Wonen Holding BV 2016 Inhoudsopgave Inhoudsopgave... 1 1. Algemeen... 2 2. Jaarrekening (x 1.000)... 3 2.1 Balans per 31 12 2016 (voor winstbestemming)... 3 2.2 Winst en verliesrekening
Onzakelijke lening. Nog steeds niet alles duidelijk. Tilburg University. Masterthesis Fiscale Economie. Door : Hanife Senal
Tilburg University Onzakelijke lening Nog steeds niet alles duidelijk Masterthesis Fiscale Economie Door : Hanife Senal Studentnummer : 730835 Examencommissie : Drs. F.J. Elsweier Prof. Dr. J.A.G. van
Fiscale aspecten van aandelenvennootschappen met een dubbele vestigingsplaats
Fiscale aspecten van aandelenvennootschappen met een dubbele vestigingsplaats door Dr. M. van Dun 1997 KLUWER - DEVENTER Inhoudsopgave LUST VAN GEBRUIKTE AFKORTINGEN XVI 1 INLEIDING 1 2 DE ONTSTAANSGESCHIEDENIS
Renteaftrek in de Vpb
Renteaftrek in de Vpb Tijd voor fundamentele verandering? Naam: J. van Erp ANR: 158961 Studie: Master Fiscale Economie Scriptiebegeleider: J.A.G. van der Geld Datum: 26-04-2012 1 Inhoudsopgave Inhoudsopgave
De onzakelijke lening in de vennootschapsbelasting
De onzakelijke lening in de vennootschapsbelasting Auteur: P.M.J. de Jong Opleiding: Master Fiscaal Recht Universiteit: Universiteit van Tilburg Administratienummer: 838253 Afstudeerdatum: 14 december
PRAKTIJKNOTITIE Reparatiemaatregelen fiscale eenheid Vpb. 1. Inleiding. 2. Waar ging en gaat de discussie over? 2.1. Globale beschrijving
Van: NOAB Adviesgroep-lid Punt & Van de Weerdt Belastingadviseurs Datum: Februari 2018 Onderwerp: 1. Inleiding Het is weer zover. Het Ministerie van Financiën lijdt in Luxemburg bij de Europese rechter
Artikel 13l - Een onsje meer van hetzelfde of geheel iets nieuws?
Artikel 13l - Een onsje meer van hetzelfde of geheel iets nieuws? Een onderzoek naar de meerwaarde van artikel 13l Wet Vennootschapsbelasting 1969 Master Thesis Ymke Vink S168916 s-gravenhage, Juli 2014
Eerste Kamer der Staten-Generaal
Eerste Kamer der Staten-Generaal 1 Vergaderjaar 2017 2018 34 323 Wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en enige andere wetten in verband met enkele aanpassingen inzake de fiscale eenheid
mr. J. Vleggeert Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht
mr. J. Vleggeert Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht Deventer - 2009 INHOUDSOPGAVE Voorwoord Lijst van gebruikte afkortingen V XXVII HOOFDSTUK 1 1.1 1.2 Reikwijdte Opbouw
h._dfi.,6q?/qraandeelhoudejidaanneebeslisseridezeggensghap^heeft-in
Den Haag, "2 AUG 2010 Kenmerk: DGB 2010-4549 Motivering van liet beroepschrift in cassatie (rolnummer 10/02824) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-gravenhage van 26 mei 2010, nr. 09/00793, X
Fiscale onderkapitalisatie van vennootschappen
Prof. dr. R.P.C.W.M. Brandsma Fiscale onderkapitalisatie van vennootschappen KLUWER Tjj? Deventer - 2004 INHOUDSOPGAVE Voorwoord / V Lijst van gebruikte afkortingen / Xfll HOOFDSTUK 1 1 Inleiding /1 1.1
$ 100,000 (2punten) Pand gebruik genot $ 417,500 50% $ 208,750 Boekwaarde $ 250,000 -/- 1 Hypotheek $ 100,000 +/+ 1.
Opgave 1 Activa Fiscale Werkelijke Passiva Fiscale Werkelijke boekwaarde waarde boekwaarde waarde Alternatief per goed Bedrijfspand 250,000 350,000 Kapitaal 337,500 667,500 getal 2 (x3) Voorraad 200,000
De verbondenheidsbepalingen van artikel 10a Wet VPB
De verbondenheidsbepalingen van artikel 10a Wet VPB Bachelor Thesis Fiscale Economie Universiteit van Tilburg Faculteit economie en bedrijfswetenschappen Departement Fiscale Economie Naam : S.G.A. Daris
Vijf jaar Wet IB 2001; Kapitaalverzekeringen. Herman M. Kappelle. 1. Wat wilde de wetgever bereiken?
Vijf jaar Wet IB 2001; Kapitaalverzekeringen Herman M. Kappelle 1. Wat wilde de wetgever bereiken? Terzake van de wijzigingen van het fiscale regime van de kapitaalverzekeringen in de Wet IB 2001, had
2014 -- Vennootschapsbelasting -- Deel 3
Programma voor vandaag Verliesverrekening (art. 20) Handel in verlies BV s (art. 20a) Coöperatieregeling (art. 9-1-g en 9-2) Deelnemingsvrijstelling (art. 13) Liquidatieverlies Winstdrainage (artt. 10a,
De invloed van hybride financieringsvormen op het fiscaalrechtelijk eigen vermogenbegrip. Bezien vanuit de redeemable preference shares -zaak
De invloed van hybride financieringsvormen op het fiscaalrechtelijk eigen vermogenbegrip Bezien vanuit de redeemable preference shares -zaak Diederik Kales H. Vermeulen 5782031 Universiteit van Amsterdam
Onzakelijke lening Toetsen van de feiten en omstandigheden
Onzakelijke lening Toetsen van de feiten en omstandigheden Coen Twigt 328128 Fiscale Economie Erasmus School of Economics Begeleider: drs. M.H.M. Smeets Inhoudsopgave 1 Inleiding 5 1.1 Aanleiding 5 1.2
Eerste Kamer der Staten-Generaal
Eerste Kamer der Staten-Generaal 1 Vergaderjaar 1996 1997 Nr. 52d 24 696 Wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 met het oog op het tegengaan van uitholling van de belastinggrondslag en
Update Winstbelasting. Peter Furer 11 november 2011
Update Winstbelasting Peter Furer 11 november 2011 Programma Voorkomen verliesverdamping Overig VAMIL of crisisafschrijving Zelfstandigenaftrek (Bestel)auto van de zaak Onzakelijke leningen Voorkomen verliesverdamping
Checklist Deelnemingsvrijstelling
Checklist Deelnemingsvrijstelling Wie een (persoonlijke) holding bezit met daarin aandelen in een werkmaatschappij, zal al snel achter het belang van de deelnemingsvrijstelling komen. De deelnemingsvrijstelling
Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden
Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Jaargang 1996 651 Wet van 13 december 1996 tot wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 met het oog op het tegengaan van uitholling van de belastinggrondslag
Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814.
STAATSCOURANT Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814. Nr. 38029 30 december 2014 Vennootschapsbelasting. Fiscale eenheid. Wijziging van het besluit van 14 december 2010, nr. DGB2010/4620M,
de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs Commissie Wetsvoorstellen
de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs Commissie Wetsvoorstellen Ministerie van Justitie en Veiligheid Ingediend op https://www.internetconsultatie.nl/moderniseringpersonenvennootschap Amsterdam, 29
Fiscale consequenties. onzakelijke leningsvoorwaarden
Fiscale consequenties onzakelijke leningsvoorwaarden Masterthesis Fiscale Economie Universiteit van Tilburg Faculteit Economie en Bedrijfswetenschappen Naam: Adres: R.S. Kool Hogeschoollaan 146, 5037 GD,
Vereenvoudiging van de huidige renteaftrekbeperkende regelingen in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969
Vereenvoudiging van de huidige renteaftrekbeperkende regelingen in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 Invoering van een earningstripping maatregel een goed idee? Masterscriptie: fiscaal recht Universiteit
