"Omdat de natuur er klaar voor is..."

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download ""Omdat de natuur er klaar voor is...""

Transcriptie

1 Faculteit Psychologische en Pedagogische Wetenschappen Academiejaar "Omdat de natuur er klaar voor is..." Exploratief onderzoek naar vorming over kinderwens bij personen met een verstandelijke beperking. Riet Seynhaeve Promotor: Prof. Dr. Geert Van Hove Masterproef ingediend tot het behalen van de graad van master in de Pedagogische Wetenschappen, optie Orthopedagogiek.

2 De fuik dient om de vis te vangen. Als de vis gevangen is, vergeet dan de fuik. De strik dient om de haas te vangen. Als de haas gevangen is, vergeet dan de strik. Het woord dient om de gedachte te vangen. Als de gedachte gevangen is, vergeet dan het woord. Zhuang Zi ( v. Chr.) 1

3 Een woordje van dank Eén masterproef, maar vele gezichten achter de schermen Twee jaar lang kreeg ik de steun van vele mensen, die elk op hun manier mijn thesis rijker maakten. Daarom, een woordje van dank aan VMG. Cathy en Greet, bedankt voor de fijne en nauwe samenwerking, voor wat ik van jullie heb geleerd, voor de interessante feedback bij het nalezen van mijn thesis. aan de deelnemers aan dit onderzoek. Bedankt dat jullie je verhalen met mij wilden delen, bedankt voor de gezellige, soms emotionele en leerrijke babbels. aan Prof. Dr. Geert Van Hove. Bedankt voor de snelle mailtjes, de boeiende inzichten, de kennis en duidelijke richting bij twijfels. aan Diane Smet. Bedankt voor het begeleiden van mijn masterproef, voor het wegwijs maken in de literatuur. De gesprekken met jou waren verhelderend, ze gaven mij het overzicht in de chaos die de thesis soms met zich meebracht. aan mijn ouders en Frederik. Jullie zijn mijn steun en toeverlaat. Bedankt voor de liefde, voor het enthousiasme, voor het geduld, het eeuwige steuntje in de rug. Bedankt ook voor het nalezen van de thesis. 2

4 Inhoudstafel Een woordje van dank 2 Inleiding 8 DEEL 1. LITERATUURSTUDIE Definitie: mensen met een verstandelijke beperking Evolutie in het denken over ouderschap bij personen met een verstandelijke beperking Onderzoek naar ouders met een verstandelijke beperking Evolutie in onderzoek Resultaten van onderzoek Wie zijn deze ouders? Weerstand uit de omgeving op ouderschap Goed genoeg ouderschap Ouders met een verstandelijke beperking: Wat is het probleem? 19 Vooroordelen ten opzichte van ouders met een verstandelijke beperking 19 Aantal kinderen 20 Risico op zwakkere ontwikkelingsuitkomsten 20 Beleving van de kinderjaren 21 Kwaliteit van de thuisomgeving 21 Plaatsing (Ontzetting uit de ouderlijke macht) Protectieve en risicofactoren voor goed genoeg ouderschap Ondersteuning bij het opvoeden 27 Toegankelijke informatie en communicatie 27 Ondersteuning die vertrekt vanuit de noden van ouder en kind 27 Flexibele zorg en ondersteuning op lange termijn 28 Ontwikkelen van gecoördineerde zorg en multi-disciplinaire ondersteuning 28 Belangenbehartiging 29 Empowerend werken 29 Ouders erkennen als de primaire verzorgers 29 Integratie in de maatschappij 30 Sensibiliseren van de maatschappij Leren opvoeden 30 De huiselijke setting 31 Geïndividualiseerde programma s 31 Het gebruik van gedragstherapeutische technieken 31 Empatisch en sensitieve vormingswerker Kritiek op ouderschapsvorming 32 3

5 4. Kinderwens Van lot naar keuze Motieven voor de kinderwens Intensiteit van de kinderwens Kinderwens bij mensen met een verstandelijke beperking Verschillende perspectieven op de kinderwens Beslissen voor een kind Ondersteuning bij de beslissing voor een kind Ondersteuningsmethodieken 45 Self-Determination Program 46 Self-advocacy groepen 47 Het Drie Werelden Perspectief 47 Hermeneutische-narratieve benadering 48 Handelingsprotocollen 49 Oefenpop 50 Kinderwens koffer Tot slot 51 DEEL 2. ONDERZOEKSVRAGEN 52 DEEL 3. METHODOLOGIE Onderzoeksopzet Kwalitatief onderzoek Keuze van de onderzoekseenheden Dataverzameling 56 Semigestructureerd pre-interview 57 Tussentijdse schriftelijke feedback 57 Participerende observatie 58 Semigestructureerd post-interview 58 Aantal momenten van dataverzameling versus aantal participanten Analyse van de gegevens Methodologische kwaliteit Objectiviteit Betrouwbaarheid 61 Externe betrouwbaarheid 61 Interne betrouwbaarheid Validiteit 63 Interne validiteit 63 Externe validiteit en overdraagbaarheid 64 4

6 DEEL 4. RESULTATEN Hoe is de opstart en de uitvoering van de vorming verlopen? Werving van deelnemers Van de groepsvorming naar een individueel traject Aanpassing aan het vormingspakket Verloop individuele vorming Verloop groepsvorming Individuele vorming versus groepsvorming Waarom wil men al dan niet deelnemen aan de vorming Kinderwens? Wat zijn de verwachtingen met betrekking tot de vorming? Geen deelname Motivaties en verwachtingen van cliënten Motivaties voor deelname Verwachtingen van de vorming Motivaties en verwachtingen van begeleiders Motivaties voor deelname Verwachtingen van de vorming Wat zijn de ervaringen van de verschillende actoren met de vorming, naar inhoud en naar vorm? Het individuele traject INHOUD Beantwoordde de vorming aan de verwachtingen van de cliënten? Beantwoordde de vorming aan de verwachtingen van de begeleiders? Wat hebben de begeleiders zelf geleerd? Wat hadden de cliënten graag nog bijgeleerd? Vragen die begeleiders zich nu nog stellen Bevindingen m.b.t. de hoofdstukken 83 Hoofdstuk 1: Wat betekenen kinderen voor mij? 83 Hoofdstuk 2: Ik heb een kinderwens! 84 Hoofdstuk 3: Wat hebben kinderen nodig? 85 Hoofdstuk 4: Wat zou er veranderen in mijn leven als ik een kindje krijg? 87 Hoofdstuk 5: Zal mijn kindje gezond zijn? 88 Hoofdstuk 6: Kiezen voor kinderen de beslissing De beslissing Blik op de toekomst Hoe concreet was de vorming? Hoe diepgaand was de vorming? Zijsprongen VORM Cd-rom 95 5

7 Methodieken Moeilijkheidsgraad Duur Meerwaarde individuele vorming Het groepstraject INHOUD Beantwoordde de vorming aan de verwachtingen van de cliënt? Beantwoordde de vorming aan de verwachtingen van de vormingswerker? Beantwoordde de vorming aan de verwachtingen van de begeleider? Wat hadden de cliënten graag nog geleerd? Wat hadden VMG en begeleiders nog graag in de vorming gehad? Bevindingen m.b.t. de hoofdstukken 109 Hoofdstuk 1: Wat betekenen kinderen voor mij? 109 Hoofdstuk 2: Ik heb een kinderwens! 110 Hoofdstuk 3: Wat hebben kinderen nodig? 110 Hoofdstuk 4: Wat zou er veranderen in mijn leven als ik een kindje krijg? De beslissing Blik op de toekomst Hoe concreet was de vorming? Hoe diepgaand was de vorming? Zijsprongen VORM Groepsgebeuren Methodieken Moeilijkheidsgraad Tempo Organisatie van de sessies 122 Afspraken maken 122 Duur volledige vorming 123 Duur per sessie Meerwaarde groepsvorming Meerwaarde individuele vorming Drempels om naar VMG te komen? Hoe kijken de verschillende actoren naar de kinderwens? Cliënten Motivatie voor kinderwens Gevoelens bij het denken aan ouderschap Begeleiders Kijk van de begeleiders met cliënten in de groepsvorming Kijk van de begeleiders met cliënten in de individuele vorming 135 6

8 4.3 Omgeving Opvattingen uit de groepsvorming Opvattingen uit de individuele vorming Tot slot 140 DEEL 5. DISCUSSIE EN CONCLUSIE Discussie Deelname aan het onderzoek Verloop van de vorming Waarom men al dan niet wenste deel te nemen Verschil in perspectieven en verwachtingen Het ondersteunen van de beslissing Het maken van een bewust afgewogen keuze Zichzelf overschatten Relatie cliënt-begeleider Kijk op de kinderwens Tot slot Conclusie Implicaties voor verder onderzoek Beperkingen van het onderzoek 152 DEEL 6. REFERENTIES 154 DEEL 7. BIJLAGEN 170 7

9 Inleiding Eind 2009 begon mijn zoektocht naar een boeiend onderwerp voor mijn masterproef. De vele JOMBA-vakanties 1 in mijn vrije tijd, waarbij ik volwassenen met een verstandelijke beperking begeleidde, deden jaar na jaar mijn interesse groeien voor de uitdagingen waar deze mensen iedere dag voor komen te staan. Een eerste samenwerking met vzw VMG (vormingswerk voor en met personen met een verstandelijke beperking), waarbij ik seksuele voorlichtingsboekjes evalueerde op hun bruikbaarheid voor mensen met een verstandelijke beperking en mijn verdere samenwerking met hen bij de vormingen Vlinders in je buik voor koppels, wakkerden deze interesse verder aan en meer specifiek werd ik geboeid door de thematiek van intieme relaties en ouderschap bij mensen met een verstandelijke beperking. Doorheen mijn ervaringen bij VMG en in mijn vrije tijd kreeg ik het gevoel dat er vandaag nog steeds weinig draagvlak is in onze maatschappij voor een gelijkwaardigheid van mensen met een verstandelijke beperking op vlak van relaties, seksualiteit en ouderschap. VMG streeft sinds haar beginjaren naar de integratie en emancipatie van mensen met een verstandelijke beperking, zeker ook op vlak van relaties en seksualiteit. Hun respectvolle houding en hun streven naar gelijkwaardigheid van personen met een beperking, spreekt me enorm aan. VMG is ontstaan in 1985 vanuit een groep ouders van kinderen met een verstandelijke beperking die vonden dat mensen met een verstandelijke beperking ook de kans moesten krijgen om zich permanent bij te scholen. VMG is overtuigd dat mensen met een beperking best zelf kunnen vertellen hoe ze willen leven, wonen, werken, In 1995 organiseerden ze daarom het eerste Vlaamse Congres voor en met mensen met een verstandelijke beperking, waarbij een 200-tal mensen met een verstandelijke beperking in Retie samen kwamen. Hieruit groeide de self-advocacy beweging Onze Nieuwe Toekomst van en voor mensen met een verstandelijke beperking. In 1999 organiseerde VMG in De Haan Het is ons goed recht, een tweede Vlaams Congres voor en door mensen met een beperking, waarbij de rechten van mensen met een beperking een centrale plaats kregen. (http://home.scarlet.be/~vzwvmg/vmg_wie_dejongegeschiedenis.htm) Voor mijn masterproef ging ik te rade bij VMG met de vraag of ik in samenwerking met hun organisatie een thesis kon uitwerken rond de thematiek kinderwens en ouderschap bij 1 JOMBA staat voor Jongeren Met Bijzondere Aandacht. JOMBA-vakanties worden georganiseerd door CM-Kazou. 8

10 personen met een verstandelijke beperking. Heel recent ontwikkelde VMG een vorming rond kinderwens, met als doelstelling kinderwens bespreekbaar te maken bij mensen met een verstandelijke beperking en hun vertrouwenspersonen en begeleiders, opdat hun gevoelens en beleving rond deze wens geuit en beluisterd kunnen worden. Deze methodiek heeft ook als doel mensen met plannen om kinderen te krijgen te ondersteunen om een bewuste(re) keuze te maken. Graag had VMG deze methodiek uitgeprobeerd, opgestart en geëvalueerd. In mijn masterproef wil ik mij op deze praktijkvraag toeleggen. Graag wil ik in deze inleiding nog kort de keuze voor een citaat in mijn titel belichten. Het citaat: "Omdat de natuur er klaar voor is...", komt uit een interview van een man die van start ging met de vorming kinderwens. Het was een antwoord op de vraag waarom hij graag kinderen zou willen. Ik vond het een mooi en treffend citaat. Het is me bijgebleven omdat het toont hoe de wens naar een kind iets menselijks en natuurlijks is, ongeacht iemands verstandelijke mogelijkheden. De emotie spreekt uit de kinderwens, niet de rede. Tot slot wil ik vermelden dat deze masterproef een lijvig werk geworden is, voornamelijk door het vele onderzoeksmateriaal dat ik kon verzamelen gedurende dit onderzoek. Uit respect voor de grote medewerking en de moeite die de deelnemers, de begeleiders en VMG hebben gedaan, koos ik ervoor alle resultaten in mijn masterproef te verwerken en deze zaak uitgebreid te onderzoeken. 9

11 DEEL 1. LITERATUURSTUDIE In deze literatuurstudie behandelen we achtereenvolgens: 1. de definitie die we hanteren van mensen met een verstandelijke beperking, 2. de evolutie in het denken over ouderschap bij personen met een verstandelijke beperking, 3. het onderzoek dat voorhanden is over ouders met een verstandelijke beperking, 4. het thema kinderwens. 1. Definitie: mensen met een verstandelijke beperking De American Associaton on Intellectual and Developmental Disabilities (AAIDD) definieert op heden (2010) een verstandelijke beperking als volgt: Intellectual disability is a disability characterized by significant limitations both in intellectual functioning and in adaptive behavior, which covers many everyday social and practical skills. This disability originates before the age of 18. Intellectual disability vertalen we hier naar verstandelijke beperking, intellectual functioning naar intelligentie en adaptive behavior naar adaptief gedrag. Een verstandelijke beperking wordt dus volgens de AAIDD (2010) gekenmerkt door beperkingen in de intelligentie en het adaptief gedrag. Intelligentie kan gemeten worden met een IQ-test, waarbij een IQ-score van 75 of lager aangeeft dat een persoon beperkingen heeft in zijn verstandelijk functioneren. Adaptief gedrag kan tevens met gestandaardiseerde testen onderzocht worden, waarbij gekeken wordt naar het geheel van conceptuele, sociale en praktische vaardigheden die mensen nodig hebben om te overleven met de problemen van alledag in de verschillende omgevingen waar ze actief zijn (Van Hove & Van Loon, 2005, p ). De AAIDD benadrukt in haar definitie dat professionals naast bovenstaande aspecten ook andere omgevings- en cultuurspecifieke factoren in rekening moeten brengen bij het stellen van een diagnose. Zo ook staan ze erop dat de beperkingen van een persoon nooit los van zijn mogelijkheden en sterktes kunnen worden gezien. Het uiteindelijke doel van een diagnosestelling is het ondersteunen van personen met een verstandelijke beperking in hun dagelijks functioneren, om zo hun levenskwaliteit te verbeteren. 10

12 Deze definitie kunnen we plaatsen in het hedendaagse denkkader dat de beeldvorming weerspiegelt over personen met een verstandelijke beperking. Dit denkkader is ooit anders geweest De evolutie in het denken over personen met een verstandelijke beperking bepaalde doorheen de tijd sterk de visie van de maatschappij op het ouderschap van deze mensen. 2. Evolutie in het denken over ouderschap bij personen met een verstandelijke beperking Doorheen de geschiedenis werden personen met een verstandelijke beperking gezien als minderwaardig en niet geschikt voor het ouderschap. Het werd als onmogelijk geacht dat ze seksuele relaties zouden aangaan, laat staan dat ze moeder of vader zouden worden (Willems, De Vries, Isarin & Reinders, 2007). Verschillende acties werden in de loop der tijd ondernomen om te voorkomen dat deze mensen kinderen zouden krijgen. In de late 18e eeuw en heel de 19e eeuw groeiden publieke instellingen voor personen met een verstandelijke beperking sterk. De ideologie achter deze institutionalisering was de eugenetische beweging. Ze had schrik dat zwakzinnigen de samenleving zouden vervuilen met defecte genen wanneer ze zich zouden voortplanten (Taylor, 2010, p. xiii). Segregatie van de gemeenschap zag men als de gemakkelijkste manier om mensen met een verstandelijke beperking te behoeden voor het krijgen van kinderen. Hierbij werden ook mannen en vrouwen strikt gescheiden in aparte gebouwen (Scheerenberger, 1983). Naast segregatie maakte men gebruik van nog andere preventieve maatregelen. In sommige landen werden wetten uitgeschreven waarin seksuele relaties verboden werden voor zwakzinnigen. In vele Westerse landen werd er massaal gesteriliseerd om het ouderschap te voorkomen. Deze praktijk duurde op vele plaatsen tot in de jaren 70. (Brantlinger, 1995) Dit defectparadigma, dat zich in een groot medisch- en stoornisdenken vertaalde, kreeg nochtans reeds vanaf de jaren 40 concurrentie van een nieuwe denkwijze over personen met een verstandelijke beperking. Vanuit de Zweedse verzorgingsstaat ontstond het normalisatieparadigma, dat personen met een beperking zo goed mogelijk wou laten ontwikkelen om zich uiteindelijk te kunnen aanpassen aan de samenleving (Van Gennep, 1997). Men ging ervan uit dat mensen met een verstandelijke beperking een leven 11

13 moesten kunnen leiden dat zo dicht mogelijk bij het normale stond. Dit normalisatieparadigma bracht in de 2 e helft van de 20 e eeuw deïnstitutionalisering teweeg. Personen met een verstandelijke beperking vestigden zich in de maatschappij of in kleinschalige voorzieningen (Het Universitair Centrum voor Onderzoek en Training met betrekking tot Inclusie en de Kwaliteit van het Bestaan, 2003). Aan het eind van de 20 e eeuw ontwikkelde zich uit het normalisatiedenken het burgerschapsmodel, dat ondermeer keuze en controle over het eigen leven centraal stelt. Door toedoen van het normalisatieparadigma en het burgerschapsmodel verandert het beeld op personen met een verstandelijke beperking naar burgers met volwaardige rechten en plichten. Hun beperking wordt meer en meer gezien als een samenspel van individuele en omgevingsfactoren (Reinders, 2008). Doordat mensen met een beperking nu met volle rechten kunnen participeren in de samenleving, genieten ze voor het eerst in de geschiedenis een grotere vrijheid en kunnen ze eigen levenskeuzes maken. Dit gedachtegoed wordt tevens weerspiegeld in de VN-Conventie voor Gelijke Rechten van Personen met een Handicap (2006), die België op 2 juli 2009 geratificeerd heeft. De conventie creëert geen nieuwe rechten, vermits de rechten van personen met een handicap reeds vastgelegd zijn in de algemene verdragen voor de rechten van de mens, maar werkt er wel een aantal dieper uit. Zo wil de conventie benadrukken dat mensen met een beperking volledige en gelijke rechten genieten en verbinden zij de staten ertoe effectief actie te ondernemen om discriminatie van personen met een beperking tegen te gaan. De VN-Conventie (2006) houdt onder meer in dat mensen met een beperking het recht hebben op een intieme relatie, op huwen en op het stichten van een gezin (artikel 23 (1)). De VN stelt in deze conventie tevens dat de staten verplicht zijn geschikte ondersteuning aan te bieden aan personen met een beperking bij het opnemen van hun opvoedingsverantwoordelijkheden (artikel 23 (2)). Mensen met een verstandelijke beperking zouden in het algemeen ondersteuning kunnen nodig hebben bij het begrijpen van hun rechten als volwaardige burger en bij het realiseren van deze rechten (Mirfin- Veitch, 2010). Door de intrede van het normalisatie- en burgerschapsparadigma en de juridische ondersteuning hiervan in de VN-Conventie voor Gelijke Rechten van Personen met een Handicap, leven meer en meer volwassenen met een verstandelijke beperking in de samenleving en groeit het aantal mensen onder hen die kinderen krijgen en een gezin 12

14 stichten (Llewellyn, Traustadóttir, McConnell & Sigurjónsdóttir, 2010; Tymchuk, 1992). Tegenwoordig krijgen veel sociaal werkers, verpleegsters, verloskundigen en dokters reeds ouders met een verstandelijke beperking over de vloer in hun praktijk of organisatie (Guinea, 2001; IASSID SIRG, 2008; McConnell, Llewellyn & Ferronato, 2000a, 2000b). We kunnen besluiten dat we momenteel in een tijd leven waarin woorden als ondersteuning, empowerment, emancipatie, participatie en gelijkwaardigheid een grote rol spelen in het denkkader van waaruit we naar mensen met een beperking kijken. Heel recent pas vindt het idee, dat mensen met een verstandelijke beperking volwaardige burgers zijn met het recht op kinderen, ingang in onze maatschappij. De veranderende sociale positie van personen met een verstandelijke beperking heeft ervoor gezorgd dat er meer en meer interesse getoond wordt vanuit de maatschappij in de seksualiteitsbeleving, contraceptie en het ouderschap bij mensen met een verstandelijke beperking (Willems et al., 2007). 3. Onderzoek naar ouders met een verstandelijke beperking Hiernavolgend bespreken we eerst de evolutie in het onderzoek naar ouders met een verstandelijke beperking, daarna schetsen we de resultaten uit deze onderzoeksliteratuur. 3.1 Evolutie in onderzoek Onderzoek naar ouderschap bij mensen met een verstandelijke beperking vinden we in de wetenschappelijke literatuur terug sinds 1947, met Mickelsons artikel over de zwakzinnige ouder. Maar pas sinds enkele decennia wordt er op verschillende plaatsen ter wereld intensiever onderzoek gevoerd naar ouders met een verstandelijke beperking en groeit de interesse bij professionals in gebieden als de gehandicaptenzorg, gezinsondersteuning, kinderbescherming en andere sociale diensten, als ook bij onderzoekers in disciplines als Disability Studies, sociologie, psychologie, sociaal werk en gezondheidswetenschappen (Llewellyn et al., 2010, p. 1). Het onderzoek was bij aanvang gefocust op de onbekwaamheid van ouders met een verstandelijke beperking, op het risico voor hun kinderen en de effecten van trainingsprogramma s voor deze ouders (Feldman, 1994; Tymchuk & Andron, 1992). De onderzoeksvragen gaven uiting aan de bezorgdheden dat mensen met een verstandelijke 13

15 beperking niet geschikt zouden zijn voor het ouderschap. Hoewel deze bezorgdheden tot op heden nog een maatschappelijk draagvlak vinden in de samenleving (Taylor, 2010), wordt recent in onderzoek, onder invloed van het burgerschapsparadigma en de Conventie voor de rechten van personen met een beperking, de aandacht verschoven naar hoe ouders met een verstandelijke beperking ondersteund kunnen worden in het succesvol uitbouwen van een gezinsleven in de samenleving (Llewellyn et al., 2010). Het onderzoek legt zich toe op het bestuderen van welke ondersteuningsmogelijkheden gepast en nuttig zouden kunnen zijn en op het evalueren van reeds bestaande methodes (Feldman, 2010). Hierbij wordt ook nadruk gelegd op het luisteren naar de stem en de ervaringen van ouders zelf, zodat gezocht kan worden naar een meer adequate ondersteuning die hen kan helpen bij het realiseren van hun eigen doelen (Llewellyn & McConnell, 2005; McGaw & Newman, 2005; Reinders, 2008; Tarleton & Ward, 2007). Over de fase vóór de zwangerschap, namelijk de kinderwens en de beslissing voor een kind, wordt in de wetenschappelijke literatuur rond mensen met een verstandelijke beperking weinig gesproken. Mayes en Sigurjónsdóttir (2010) schrijven dat zij slechts op de hoogte zijn van twee studies die doelbewust zochten naar de ervaringen van ouders voorafgaand aan de geboorte van hun kinderen. Deze literatuurstudie wil zich eerst richten op de resultaten uit onderzoek naar ouders met een verstandelijke beperking. Daarna besteden we een luik aan kinderwens. 3.2 Resultaten van onderzoek Na het belichten van de evolutie in het onderzoek, schetsen we voor u de resultaten. Volgende thema s komen aan bod: 1. Wie zijn deze ouders, 2. Weerstand uit de omgeving op het ouderschap, 3. Goed genoeg ouderschap, 4. Ouders met een verstandelijke beperking: wat is het probleem, 5. Protectieve en risicofactoren voor goed genoeg ouderschap, 6. Ondersteuning bij het opvoeden, 7. Leren opvoeden, 8. Kritiek op ouderschapsvorming. 14

16 3.2.1 Wie zijn deze ouders? Uit onderzoek is gebleken dat de meeste ouders een lichte verstandelijke beperking hebben (IASSID SIRG, 2008). We kunnen volgens Booth, Booth & McConnell (2005a) drie groepen onderscheiden. Een eerste groep zijn de ouders die vroeger in een residentiële instelling verbleven, maar nu in de samenleving leven en kinderen hebben. Een tweede groep zijn de mensen die nooit in een instelling hebben verbleven, maar die doorheen hun leven in verschillende mate ambulante ondersteuning ontvangen hebben voor mensen met een label verstandelijke beperking. De derde groep is een groep die Edgerton (2001) omschrijft als de hidden majority. Dit zijn ouders die op school gezien werden als traag, als kinderen met een ontwikkelingsachterstand en leerproblemen. Na hun schooltijd zijn deze mensen in de maatschappij terecht gekomen zonder of met weinig gespecialiseerde ondersteuning. Vaak worden hun cognitieve mogelijkheden enkel opnieuw in vraag gesteld wanneer ze kinderen krijgen (IASSID SIRG, 2008). Verschillende factoren maken het niet gemakkelijk om het aantal ouders met een verstandelijke beperking te schatten. Dit komt door het ontbreken van een algemeen aanvaarde definitie over het label verstandelijke beperking, variërende diagnostische praktijken, inconsistente registraties en de onzichtbaarheid van de hidden majority (Booth et al., 2005a) Weerstand uit de omgeving op ouderschap Ondanks de intrede van het burgerschapsmodel en de Conventie voor de rechten van personen met een beperking, zien we in de maatschappij nog geen breed draagvlak voor deze nieuwe denkkaders. Hoewel men beleidsmatig in de meeste landen ouders met een verstandelijke beperking niet langer weerhoudt om kinderen te krijgen, blijken personen met een verstandelijke beperking die vandaag een gezin willen stichten, in werkelijkheid nog steeds voor grote uitdagingen en barrières te staan (Booth & Booth, 1994; Deens Ministerie van Sociale Zaken, 1996; Sigurjonsdottir, 2005; Tarleton, Ward & Howarth, 2006). Taylor (2010) zegt hierover dat er niet altijd een wet nodig blijkt te zijn om mensen met een verstandelijke beperking in de realiteit te weerhouden van seksualiteit en het krijgen van kinderen. Hoewel het ouderschap over het algemeen een sterk gewaardeerde sociale rol is in onze samenleving, toont de omgeving vaak weerstand tegen het ouderschap van mensen met een verstandelijke beperking (Llewellyn et al., 2010). De zwangerschap en de komst van 15

17 een kind wordt eerder als een probleem dan als een vreugdevolle gebeurtenis aanzien (Booth & Booth, 1992, 1995; Llewellyn & McConnell, 2005; Mayes, Llewellyn & McConnell, 2006; Pixa-Kettner, 1998; Reinders, 2008; Stenfert Kroese, Hussein, Clifford & Ahmend, 2002). Terwijl de ouders in spe enthousiast zijn, reageren familie, vrienden en de bredere gemeenschap vaak met ongeloof en ontsteltenis op de aankondiging van de zwangerschap (Llewellyn, 1994, in IASSID SIRG, 2008; Mayes & Sigurjónsdóttir, 2010). Uit wetenschappelijke literatuur blijkt dat de omgeving van mensen met een verstandelijke beperking soms subtiele of mindere subtiele druk op hen legt om zich te laten steriliseren (Traustadóttir & Sigurjónsdóttir, 2010). Soms worden vrouwen nog steeds gedwongen tot abortus (Mayes et al., 2006). Voor mensen die vandaag de dag nog in residentiële instellingen leven, is het tout court niet eenvoudig om seksuele relaties aan te gaan wanneer ze onder constante supervisie en controle staan van anderen. Ze kunnen in mindere mate genieten van de vrijheden die andere mensen als vanzelfsprekend ervaren (Traustadóttir & Sigurjónsdóttir, 2010). Ondanks de VN-Conventie blijven ouders met een verstandelijke beperking geconfronteerd worden met discriminatie en krijgen ze zelden ondersteuning die aangepast is aan hun noden (Booth et al., 2005a; Espe-Sherwindt & Crable, 1993; Goodringe, 2000; Llewellyn et al., 2010; McConnell & Llewellyn, 2002; Tarleton et al., 2006). Soms worden ze ook uit hun ouderlijke rechten ontzet wanneer men het ouderschap als niet goed genoeg beoordeelt en worden hun kinderen geplaatst (Booth, Booth & McConnell, 2005a, 2005b). Uit onderzoek blijkt dat ouders in spe zich bewust zijn van dit gevaar om hun kinderen te verliezen (Mayes & Sigurjónsdóttir, 2010). In een context waar nog vele barrières zijn voor het ouderschap bij mensen met een verstandelijke beperking, is het te begrijpen dat deze mensen angst en weerstand tonen voor de macht van hulpverleners. Vele studies rapporteerden conflicten tussen de ouders en de dienstverlening. (o.a. Booth & Booth, 1994, 1995, 1998; Deens Ministerie van Sociale Zaken, 1996; Espe-Sherwindt & Crable, 1993; Tarleton et al., 2006; Taylor, 1995; Traustadóttir & Sigurjónsdóttir, 2010). Uit onderzoek blijken ouders in spe actief naar ondersteunende netwerken op zoek te gaan om zo te verzekeren dat de zorg voor hun kind in hun eigen handen blijft (Mayes & Sigurjónsdóttir, 2010). Mayes et al. (2006) toonden aan dat de moeders in spe ondersteuning zochten bij diegenen die hen waardeerden in hun moederrol. Ze moesten 16

18 echter niets weten van mensen waarvan ze dachten dat zij de zorg van hen zouden overnemen. Sigurjónsdóttir en Traustadóttir (2010) geven aan dat moeders met een verstandelijke beperking het heel belangrijk vinden om erkend te worden als de voornaamste zorgdraagster en als de centrale persoon in het leven van haar kind. Dat ouders in spe zelf actief op zoek gaan naar ondersteuning toont aan dat ze hun leven in eigen handen nemen (Llewellyn & Gustavsson, 2010). Ze gaan actief om met de omstandigheden waarin ze terecht komen en zijn geen passieve ontvangers van zorg (Llewellyn et al., 2010). Denken over ouders met een verstandelijke beperking als zowel actieve betrokkenen als ontvangers van zorg, is vrij nieuw in de internationale literatuur (Llewellyn & Gustavsson, 2010). Naast het actief op zoek gaan naar ondersteuning gebruiken ouders nog andere strategieën om ervoor te zorgen dat hun kinderen niet van hen weggenomen worden. Sommige vrouwen verzwijgen dat ze zwanger zijn (Pixa-Kettner, 1998; Traustadóttir & Sigurjónsdóttir, 2010), sommige ouders weigeren ondersteunende diensten (Booth & Booth, 1994; Tarleton et al., 2006; Traustadóttir & Sigurjónsdóttir, 2010), nog anderen doen alsof ze zich schikken naar de mening van de hulpverlener alhoewel ze niet met hen akkoord gaan, sommige ouders richten een oudergroepje op en nog anderen nemen een advocaat onder de arm (Traustadóttir & Sigurjónsdóttir, 2010) Over het algemeen hebben vrouwen de neiging om zich gehoorzaam te conformeren naar wat de begeleider van haar verwacht. Mannen daarentegen hebben de neiging om te revolteren, de hulpverlening openlijk in vraag te stellen en af te wijzen (Traustadóttir & Sigurjónsdóttir, 2010). Zelden zien hulpverleners dit gedrag als weerstand tegen een mogelijke plaatsing, maar als gedrag dat deel is van de onbekwaamheid en onverantwoordelijkheid van deze ouders (Traustadóttir & Sigurjónsdóttir, 2010). Traustadóttir en Sigurjónsdóttir (2010) pleiten ervoor om de mogelijkheden van deze ouders tot weerstand te begrijpen als een belangrijk wapen tegen onderdrukkingsmechanismen Goed genoeg ouderschap In Nederland werd in 2007 door Willems et al. een onderzoek verricht naar het ouderschap bij mensen met een verstandelijke beperking. Ze stelden vast dat 1,5% van de personen met een verstandelijke beperking in Nederland één of meerdere kinderen heeft. Het ging 17

19 hier meestal om ouders met een licht verstandelijke beperking. Bij 33% van de ouders bleek het om goed genoeg ouderschap te gaan. Bij 16% had men zijn twijfels over het ouderschap en bij 51% werd het ouderschap niet goed genoeg bevonden. Deze studie bracht evenwel niet in rekening hoeveel ondersteuning de ouders kregen bij het ouderschap. We kunnen dus niet afleiden hoeveel ouders er met adequate ondersteuning goed genoeg ouderschap kunnen bieden. Wat goed ouderschap betekent, zal door velen anders worden vertaald vanuit particuliere ethische waarden. Toch zoeken onderzoekers naar een manier om goed (genoeg) ouderschap in kaart te brengen en te evalueren. In onze liberale maatschappij, waar er een veelheid is aan opvattingen over goed ouderschap, is dit geen sinecure. Tymchuk (1992) en Feldman (1994) definiëren ouderschap bijvoorbeeld als een dynamische rol die aanpassingen vraagt aan nieuwe en onvoorspelbare vragen, waarbij gezorgd moet worden voor een veilige omgeving, cognitieve stimulatie en emotionele koestering. Wanneer in deze studie gerefereerd wordt naar goed genoeg ouderschap wordt er aangesloten bij de definitie van Willems et al. (2007) die goed genoeg ouderschap definiëren zoals staat beschreven in de (Nederlandse) wet. Dit wil zeggen dat de ouders de volledige juridische zeggenschap (het ouderlijk gezag) over hun kinderen behouden, dat er geen fysieke mishandeling of verwaarlozing wordt gemeld, dat er geen tussenkomst is van de kinderbescherming (in België: Bijzondere Jeugdbijstand) en dat het kind niet op juridisch bevel geplaatst is. In België wordt ontzetting uit het ouderlijk gezag geregeld door artikels 32 tot 35 van de Wet op de Jeugdbescherming (Federale overheid België, 1965). Dit kan uitgesproken worden door de Jeugdrechtbank op vordering van het Openbaar Ministerie indien één van de ouders veroordeeld is tot criminele of correctionele straf wegens het plegen van een strafbaar feit op zijn kind of met behulp van één van de kinderen. Ontzetting uit het ouderlijk gezag kan ook wanneer de vader of moeder de gezondheid, de veiligheid of de zedelijkheid van het kind in gevaar brengt, door slechte behandeling, misbruik van gezag, kennelijk slecht gedrag of erge nalatigheid. Ten laatste kan een kind ook geplaatst worden doordat de vader of de moeder huwt met een persoon die uit het ouderlijk gezag is ontzet. Hoe men ook goed genoeg ouderschap probeert te definiëren in bovenstaande definities, het blijft een vaag en normatief begrip. Llewellyn (1990) bracht zes studies samen die de kwaliteit van het ouderschap van 300 ouders met een verstandelijke beperking evalueerden. De meerderheid van deze ouders bleek affectie en zorg te verschaffen aan hun kinderen en kwamen tegemoet aan hun 18

20 noden op vlak van gezondheid, hygiëne en kledij. Een kleiner aantal koppels in elke studie bleken niet in staat om voldoende goed ouderschap te voorzien. Ouders met een verstandelijke beperking hebben soms het gevoel dat ze van hulpverleners perfecte ouders moeten zijn en dat de normen voor goed ouderschap een stuk hoger worden gelegd dan voor ouders zonder beperking (McConnell & Llewellyn, 2002; Sellars, 2002). Ze hebben het gevoel dat ze zich geen fouten kunnen permitteren. Ook enkele onderzoekers (Hayman, 1990; Levesque, 1996, Watkins, 1995, in McConnell & Sigurjónsdóttir, 2010) gaven aan dat voor ouders met een verstandelijke beperking hogere normen aangemeten worden bij het evalueren van de kwaliteit van het ouderschap. Hulpverleners die ondersteuning bieden aan ouders met een verstandelijke beperking vertellen dat er onduidelijkheid heerst over wat men onder goed (genoeg) ouderschap verstaat. Verschillende hulpverleners geven hen verschillend advies waardoor de ouders niet meer weten welke normen ze moeten volgen. Deze onduidelijkheid draagt voor de ouders bij tot een gebrek aan vertrouwen in hun eigen vaardigheiden (Tarleton et al., 2006) Ouders met een verstandelijke beperking: Wat is het probleem? Internationaal worden er een aantal problemen onderkend in het ouderschap van personen met een verstandelijke beperking. Vooroordelen ten opzichte van ouders met een verstandelijke beperking De publieke opinie stelt zich vaak de vraag hoe personen met een verstandelijke beperking goed genoeg ouderschap kunnen voorzien voor hun kind, terwijl zij zelf nog ondersteuning nodig hebben van anderen om als een volwassene te kunnen leven in onze samenleving. Volgens Llewellyn et al. (2010) toont dit het stereotype beeld van mensen met een verstandelijke beperking als eeuwige kinderen die nooit volwassenen worden en zodoende niet in staat zijn tot het ouderschap. Dit stereotype beeld is volgens hen negatief en onjuist. Ook in onderzoek naar ouderschap werd doorheen de jaren de vraag gesteld of deze ouders wel competent zijn voor de opvoedingstaak (Feldman, 2010). Deze bezorgdheid komt voort uit de idee dat men verstandelijke mogelijkheden nodig heeft om een competente ouder te zijn. Omgekeerd wil dit ook zeggen dat een verstandelijke beperking als een obstakel wordt gezien voor goed ouderschap (Feldman, 2010, p. 121). Van zodra 19

21 er iets fout loopt, wordt dit verklaard vanuit de verstandelijke beperking van de ouders (Llewellyn & McConnell, 2010). Men gaat er in deze visie van uit dat het ouderschap een taak is dat volledig op de schouders terecht komt van het individu en dat het ouderschap dus afhankelijk is van de mogelijkheden van deze ene persoon. Dit idee negeert volgens Llewellyn et al. (2010) de belangrijke bijdrage van de omgeving in de opvoeding van een kind. Ouders met een verstandelijke beperking leven met hun kinderen in de maatschappij, niet geïsoleerd van de buitenwereld (Llewellyn & Gustavsson, 2010). De brede familie, vrienden, de school, mensen uit de buurt, andere ouders, ze dragen allemaal hun steentje bij tot de opvoeding van het kind. Ondanks dit gegeven is de publieke opinie nog steeds geneigd de bredere context in de opvoeding te negeren en de enige en volledige verantwoordelijkheid naar de ouders toe te schuiven (Sigurjónsdóttir & Traustadóttir, 2010). Aantal kinderen Het idee dat ouders met een verstandelijke beperking meer kinderen zouden krijgen, blijkt niet te kloppen. Het is bewezen dat deze ouders niet significant meer kinderen ter wereld brengen dan het gemiddeld aantal kinderen van een volwassene zonder beperking (Mickelson, 1947; Brandon, 1957, Laxova, Gilderdale & Ridler, 1973, Penrose, 1938, Reed & Reed, 1965, Scally, 1973, Shaw & Wright, 1960, in IASSID SIRG, 2008). Risico op zwakkere ontwikkelingsuitkomsten Verder heeft men in onderzoek gevonden dat de meeste kinderen van ouders met een verstandelijke beperking zelf geen beperking hebben (Kelly, Morisset, Barnard & Patterson, 1996; McConnell, Mayes & Llewellyn, 2008; Mørch, Jens, & Andersgard, 1997). Maar ze hebben algemeen gezien meer risico s op zwakkere ontwikkelingsuitkomsten en gedragsproblemen (Faureholm, 2010; IASSID SIRG, 2008). Een substantiële proportie van deze kinderen vertonen een achterstand van minimum drie maanden op alle ontwikkelingsdomeinen (McDonnell, Llewellyn, Mayes, Russo & Honey, 2003), maar de meerderheid van deze kinderen haalt een IQ boven de 70 (IASSID SIRG, 2008). Jongens lopen meer risico dan meisjes en kinderen met een gemiddelde of bovengemiddelde intelligentie vertonen grotere problemen op sociaal-emotioneel vlak, dan kinderen met een lager IQ (Feldman, 2002; Feldman & Walton-Allen, 1997; McGaw & Newman, 2005). 20

22 Deze moeilijkheden in de ontwikkeling zijn deels te wijten aan een gebrek aan inzicht en vaardigheden omtrent de opvoeding bij de ouders en deels door toedoen van de omgeving, die de kinderen van de persoon met een beperking onderschat en onrespectvol behandelt (Faureholm, 2010). Beleving van de kinderjaren Uit onderzoek van Faureholm (2006, in 2010) komt naar voor dat deze kinderen veelal een stressvolle jeugd hebben gekend. Deze werd gekenmerkt door uitsluiting, discriminatie en stigmatisering als gevolg van de beperking van hun moeder of vader en de status van hun familie in de samenleving. Deze status zorgde er op zijn beurt voor dat de kinderen en jongeren ook als onbekwaam werden beschouwd (Llewellyn & McConnell, 2005; McConnell & Llewellyn, 2000) en zelfs soms bijna automatisch uitgesloten werden van het reguliere schoolsysteem (Booth & Booth, 1998; Faureholm, 2010). Maar ondanks hun ervaren moeilijkheden hebben zij een hechte en warme band opgebouwd met hun ouders en hebben de meesten de kracht ontdekt om de moeilijkheden uit hun jeugd door te komen. Onderzoek van Faureholm (2010) gaf aan dat kinderen zelden op een negatieve manier spraken over hun moeders. Booth en Booth (2000) komen tot de vaststelling dat kinderen van ouders met een verstandelijke beperking op hun kindertijd terugkijken als een gelukkige, maar niet altijd zorgeloze, jeugd. Uit een aantal onderzoeken blijkt dat de meerderheid van deze jongeren uitgroeien tot zelfstandige, verantwoordelijke en competente burgers (Booth & Booth, 1998; Faureholm, 2010; Perkins, Holburn, Deaux, Flory & Vietze, 2002). Faureholm (2010) beschrijft dat andere studies echter veronderstellen dat deze jongeren hulp van externen zullen nodig hebben bij het volwassen worden en dat ze zullen uitgroeien tot minder competente individuen. Kwaliteit van de thuisomgeving De internationale literatuur geeft aan dat de kwaliteit van de thuisomgeving bij ouders met een verstandelijke beperking niet significant afwijkt van een gemiddeld gezin (McConnell et al., 2003). Uit onderzoek van Aunos, Feldman & Goupil (2008) bleek dat moeders voor een goede omgeving zorgden voor hun kinderen, waarbij ze emotionele responsiviteit en acceptatie toonden ten aanzien van hun kinderen. Ook de fysieke ruimte was ingericht met adequaat speel- en leermateriaal. Daarnaast vertoonden de moeders, in vergelijking met een gemiddelde mama, wel minder betrokkenheid en interacties met hun kinderen en 21

23 voorzagen ze minder variatie en stimulatie in het leven van hun kroost. De moeders leken ook meer problemen te hebben met oudere kinderen, wanneer ze hen bijvoorbeeld moesten helpen bij schooltaken. Plaatsing (ontzetting uit de ouderlijke macht) Studies van over de hele wereld wijzen erop dat ouders met een verstandelijke beperking overgerepresenteerd zijn in de Bijzondere Jeugdzorg of kinderbescherming. Booth et al. (2005a, 2005b), Llewellyn et al. (2003), Mayes & Llewellyn (2009) en Taylor et al. (1991) rapporteerden dat kinderen van ouders met een verstandelijke beperking meer kans maken om permanent geplaatst te worden dan hun leeftijdsgenoten van ouders met psychische, drugs- of alcoholgerelateerde problemen. In Engeland is bij 48% van de ouders met een verstandelijke beperking één of meerdere kinderen permanent geplaatst (Emerson & Hatton, 2007). In Denemarken, Zweden, Noorwegen, Duitsland, België, Australië en Nieuw-Zeeland blijkt 30 tot 45% van de kinderen van verstandelijk beperkte ouders permanent geplaatst te zijn (Bowden, 1994, Faureholm, 1996, Gillberg & Geijer- Karlsson, 1983, Mirfin-Veitch, Bray, Williams, Clarkson & Belton, 1999, in IASSID SIRG, 2008; Mørch et al., 1997; Pixa-Knettner, 1998; Van Hove & Wellens, 1995). Uit onderzoek is gebleken dat de beslissing om een kind bij zijn ouders met een verstandelijke beperking weg te halen meer gebaseerd is op vooroordelen over de mogelijkheden van deze ouders, dan op het bewijs dat het kind verwaarloosd of misbruikt wordt (Booth, Booth & McConnell, 2004; Hayman, 1990; Llewellyn, McConnell & Ferronato, 2003a; Mayes & Llewellyn, 2009; Taylor et al., 1991). Ook gebrekkige ondersteuning vanuit de hulpverlening zorgt nog te vaak voor uithuisplaatsing van de kinderen (Traustadottir & Sigurjonsdottir, 2008). Artikel 9 uit het kinderrechtenverdrag (Verenigde Naties,1989) stelt dat ieder kind het recht heeft om niet gescheiden te worden van zijn ouders, tenzij scheiding noodzakelijk is in het belang van het kind. Artikel 18 stelt dat de staat passende ondersteuning moeten verlenen aan ouders bij het uitoefenen van hun verantwoordelijkheden in de opvoeding van hun kind Protectieve en risicofactoren voor goed genoeg ouderschap Vijf decennia onderzoek (IASSID SIRG, 2008) toont aan dat veel ouders met een verstandelijke beperking slagen in het ouderschap terwijl andere ermee worstelen en hun 22

24 ouderlijk gezag over de kinderen verliezen. Onderzoeken in de VS (o.a. Tymchuk, 1992), Canada (Aunos, Goupil & Feldman, 2003), Australië (o.a. Llewellyn & McConnell, 2005), Duitsland (Pixa-Kettner, 1998), Engeland (Booth & Booth, 1994; 1998; Stenfert Kroese et al., 2002) en Nieuw-Zeeland (Bray, 1999) duiden erop dat vooral omgevingsfactoren zoals armoede, sociale exclusie, werkloosheid, een beperkte toegang tot reguliere hulpbronnen, de afwezigheid van of inadequate professionele ondersteuning, een negatief beeld en vooroordelen in de publieke opinie een belangrijke rol spelen wanneer ouderschap bij koppels met een verstandelijke beperking fout loopt. Een opmerkelijke vaststelling in de wetenschappelijke literatuur is dat een IQ van 60 of meer bij ouders met een verstandelijke beperking weinig of geen voorspellende waarde heeft in het succes of falen van het ouderschap en de ontwikkeling van hun kinderen (IASSID SIRG, 2008). Aunos et al. (2008) stellen dat intelligentie an sich een onbetrouwbare voorspeller is voor ouderlijke prestaties. De ene ouder met een verstandelijke beperking toont adequate opvoedingsvaardigheden, terwijl de andere training en ondersteuning nodig heeft (Aunos et al., 2003; Feldman, 1994; Hur, 1997). Verschillende onderzoeken tonen aan dat vele ouders met een verstandelijke beperking hun tekorten in opvoedingsvaardigheden kunnen bijwerken met geschikte training en ondersteuning (o.a. Feldman & Case, 1997, 1999). Maar er wordt ook een significante verscheidenheid herkend in de mogelijkheden van ouders om de nieuwe kennis en vaardigheden te behouden en te transfereren naar andere contexten. We moeten ons daarom misschien niet de vraag stellen of ouders met een verstandelijke beperking kunnen leren, maar eerder onder welke omstandigheden ze kunnen leren (Aunos et al., 2008). Wanneer we de kwaliteit van de ondersteuning aan deze ouders vergroten en hen ouderlijke vaardigheden aanleren, kunnen we hen onder meer vertrouwen laten krijgen in de hulpverlening, waardoor hun schrik voor een ontzetting uit de ouderlijke macht kan afnemen (Llewellyn & McConnell, 2005; MacGaw & Newman, 2005). Wanneer we op zoek gaan naar risico- en protectieve factoren voor goed genoeg ouderschap, benadrukken veel respondenten in onderzoek dat het niet om één beslissende factor gaat, maar om een samenspel van factoren vanuit de ouders, het kind en de omgeving (Belsky, Melhuish, Barnes, Leyland & Romaniuk, 2006). In bijlage 1 kunt u het overzicht van de beïnvloedende factoren volgens De Vries, Willems, Isarin & Reinders (2005) vinden. Ouderschap is een complex gegeven, waarbij de ouders niet de enigen zijn die de zorg opnemen voor het kind (Sigurjónsdóttir & Traustadóttir, 2010). 23

25 In het algemeen kunnen we weinig generalisaties maken over de ouderlijke kwaliteiten van ouders met een verstandelijke beperking en de ontwikkelingsuitkomsten voor hun kinderen (Budd & Greenspan, 1984, Taylor, 1994, in IASSID SIRG, 2008; McConnell, Llewellyn, Mayes, Russo & Honey, 2003). De wetenschappelijke literatuur toont ons toch enkele belangrijke indicatoren voor een al dan niet succesvol ouderschap bij personen met een verstandelijke beperking. Een eerste protectieve factor is de bereidheid om hulp en ondersteuning te vragen en de mogelijkheid en de wil om adviezen op te volgen. De aanwezigheid van een kwaliteitsvol, sterk en ondersteunend sociaal netwerk wordt gezien als één van dé protectieve factoren bij uitstek (Feldman, Varghese, Ramsey & Rajska, 2002; Willems et al., 2007). Ook het hebben van een ondersteunende en gezonde partner en de acceptatie van het ouderschap door de omgeving van de ouders is een positieve indicator voor succes (Willems et al., 2007). Jonge vrouwen met een verstandelijke beperking vinden het nog steeds heel belangrijk ondersteuning en bescherming te vinden in hun brede familiekring (Traustadóttir & Sigurjónsdóttir, 2008). Wetenschappelijke literatuur geeft ook aan dat ouders met een verstandelijke beperking het best ondersteund worden door hun familie (o.a. Ehlers-Flint, 2002; Guinea, 2001; Llewellyn & McConnell, 2002; Sigurjonsdóttir &Traustadóttir, 2010; Traustadóttir & Sigurjonsdóttir, 2008). Onderzoek naar factoren die de ontwikkelingsuitkomsten voor kinderen proberen te voorspellen, hebben een verband vastgesteld tussen de ontvangen sociale ondersteuning door de moeder en de uitkomsten voor het kind (Feldman & Walton-Allen, 1997). Ook bestaat er een relatie tussen de kwaliteit van het sociale ondersteuningsnetwerk van de moeder en haar gezondheid. (o.a. Booth & Booth, 1995; Feldman & Walton-Allen, 1997; Feldman et al. 2002; Llewellyn, McConnell & Mayes, 2002). Uit onderzoek (Llewellyn, McConnell, Grace-Dunn & Dibden, 1999; Tucker & Johnson, 1989) blijkt evenwel dat niet alle ondersteuning vanuit de familie als bruikbaar ervaren wordt door de ouders. Vaak hebben ouders met een verstandelijke beperking een kleiner ondersteunend sociaal netwerk dan ouders zonder beperking (Feldman et al. 2002; Llewellyn & McConnell, 2002; Llewellyn et al. 1999; Stenfert Kroese et al., 2002) en missen sommige ouders ook positieve ouderrolmodellen door hun instellingsverleden (Gath, 1988, in Llewellyn & McConnell, 2010; IASSID SIRG, 2008). Dit kunnen redenen zijn waarom ze sneller terugvallen op professionele ondersteuning. 24

26 Naast een kwalitatief ondersteunend sociaal netwerk, is ook adequate professionele ondersteuning een zeer belangrijke protectieve factor (Willems et al., 2007.) Een beperkte toegang tot informatie, tot goede begeleiding en praktische assistentie en een gebrek aan morele ondersteuning en respect wegen op de uitdagingen van het ouderschap. De dienstverlening, in de gezondheidszorg bijvoorbeeld, is op vlak van kennis, vaardigheden en materialen niet aangepast en voorzien op ouders met een verstandelijke beperking (o.a. Goodringe, 2000; Tarleton et al., 2006). Een aantal onderzoekers (Aunos, Goupil & Feldman, 2004; Feldman, 2002; Tucker & Johnson, 1989; Tymchuk, 1992) benadrukken het belang van de mate waarin ouders de aangeboden ondersteuning als nuttig en ondersteunend ervaren. Hierbij kwamen Tucker & Johnson (1989) tot de constatatie dat de ondersteuning de ouderlijke competenties kan verhogen, zodat ze geholpen worden om zelfstandig zaken te leren. De ondersteuning kan ook de ouderlijke competenties inperken wanneer hulpverleners alles voor hen gaan doen. Hierdoor wordt het zelfvertrouwen van de ouders ondermijnd en worden hun leermogelijkheden genegeerd. Een goede ondersteuning kan er tevens voor zorgen dat ouders er psychisch niet onderdoor gaan (Espe-Scherwindt & Kerlin, 1990; Sigurjónsdóttir & Traustadóttir, 2008; Tymchuk, 1992) en het is een beschermende factor tegen kindermisbruik (Tymchuk & Andron, 1990). Een volgende positieve indicator betreft een goede psychische gezondheid. De afwezigheid van een comorbide stoornis en het afwezig zijn van een ontwikkelingsgeschiedenis met misbruik of trauma bij de ouders dragen bij tot een positief vooruitzicht op het ouderschap (McGaw, Shaw & Beckley, 2007). Uit sommige wetenschappelijke onderzoeken (o.a. Feldman & Walton-Allen, 1997; Llewellyn, McConnell & Ferronato, 2003; Mickelson, 1947) komt naar voor dat ouders met een verstandelijke beperking over het algemeen meer stress, depressie en een zwakkere mentale gezondheid vertonen dan hun leeftijdsgenoten zonder verstandelijke beperking, hoewel onderzoek van Aunos et al. (2008) dit tegenspreekt en er geen significant hogere stressniveaus werden gerapporteerd bij de deelnemende moeders. Wel is er een verband gevonden tussen sociale ondersteuning en stress bij de moeder. Wanneer ouders sociaal geïsoleerd raken, ervaren ze meer stress bij het opnemen van hun ouderschap (Feldman et al., 2002). Daarnaast werd er een significante correlatie gevonden tussen stress bij de moeder, opvoedingsstijl en gedragsproblemen bij het kind (Aunos et al., 2008). Veel stress wordt geassocieerd met een minder positieve en meer vijandige en inconsistente/ineffectieve opvoedingsstijl en frequentere gedragsproblemen bij het kind. 25

27 Uiteindelijk blijkt dat ouders die meer depressief en sociaal geïsoleerd zijn, zwakkere ouderlijke capaciteiten aan de dag kunnen leggen (Sterling, 1998, in Aunos et al., 2008). Het hebben van financiële problemen kan gezien worden als een grote risicofactor voor goed ouderschap. Dit kan zich manifesteren in een gebrek aan een veilige en gepaste woning en onvoldoende middelen voor het levensonderhoud (IASSID SIRG, 2008). Omdat ouders met een verstandelijke beperking vaak arm zijn, is hun gezondheid dikwijls zwakker dan de gemiddelde populatie (Emerson & Hatton, 2007). Reinders (2008) legt de link tussen armoede en sociaal isolement en haalt hierbij aan dat ouders daardoor minder mogelijkheden hebben om aan psychologische stress te ontsnappen. Als laatste kunnen we stellen dat het hebben van kinderen zonder een beperking en een beperkt aantal kinderen tout court, een gunstige invloed kunnen hebben op het ouderschap van mensen met een verstandelijke beperking (o.a. Feldman, 2002; McGaw et al. 2007; Tymchuk, 1992). Een toepasselijke conclusie die Willems et al. in 2007 reeds maakten, is dat een gebalanceerd model moet worden gehanteerd, waarin risico- en protectieve factoren worden afgewogen bij het inschatten van de slaagkansen van het ouderschap en de nood aan ondersteuning. Professionals moeten in hun ondersteuning elke ouder als een individu zien in plaats van ze allemaal te categoriseren als verstandelijk beperkt (IASSID SIRG, 2008). We kunnen over het algemeen ook stellen dat het eerder socio-economische factoren zijn, dan individuele karakteristieken of beperkingen, die een invloed hebben op het ouderschap (Willems et al., 2007). Daarom stellen Booth & Booth (2000) een sociaal-ecologische visie voor op het opvoeden van kinderen. Deze theorie ziet opvoeden eerder als een sociale dan als een individuele activiteit. Dit weerspiegelt zich in een verschuiving van een competentiegericht model naar een gezins- (en context) gerichte aanpak (Booth & Booth, 1998; Reinders, 2008). Het ouderschap wordt gezien als een gedeelde activiteit, binnen interafhankelijke relaties. Het gaat om een gedeelde verantwoordelijkheid waarbij niet enkel de ouders de ontwikkelingsuitkomsten van het kind beïnvloeden, maar ook andere personen en situaties het kind beïnvloeden en veranderen (Mayes, Llewellyn & McConnell, 2008). Door ouderschap als een complex samenspel van factoren te zien, stellen we dat we in de hulpverlening naar meer dan alleen de opvoedingskwaliteiten van de ouders moeten kijken (Feldman, 2002; McConnell & Llewellyn, 2005). 26

28 We kunnen ons de vraag stellen of vele van deze protectieve en risicofactoren niet geldend zijn voor de gehele populatie en niet enkel het succes beïnvloeden van ouderschap bij mensen met een verstandelijke beperking. Een IQ van 60 of meer heeft immers weinig voorspellende waarde voor succes Ondersteuning bij het opvoeden Uit verschillende wetenschappelijke onderzoeken is gebleken dat ouders met een verstandelijke beperking met succes hun kinderen kunnen grootbrengen, als ze hierbij adequate ondersteuning ontvangen (o.a. Ehlers-Flint, 2002; Espe-Sherwindt & Kerlin, 1990; Guinea, 2001; Stenfert Kroese et al., 2002; Tarleton et al., 2006; Tucker & Johnson, 1989; Tymchuk, 1992). Helaas wordt er in de praktijk maar al te vaak verwacht dat deze ouders alles alleen zullen beredderen en treedt men pas op als het fout loopt (Soyez, Van Hove & Vanderplasschen, 2009). Ouders met een verstandelijke beperking zouden meteen ondersteund moeten kunnen worden in hun ouderschap, al van bij de zwangerschap tot het bereiken van kinds volwassenheid (O Connor, 2011; Tarleton & Ward, 2007). Een vroege inschatting van de nodige ondersteuning kan vermijden dat er later grotere problemen rijzen. Heel wat auteurs onderzochten welke de ingrediënten zijn van een goede ondersteuning bij het ouderschap van mensen met een verstandelijke beperking (e.g. Booth & Booth, 1995; Espe-Sherwindt & Kerlin, 1990; Feldman, 2002; Llewellyn, 1997; Llewellyn & McConnell, 2002; McConnell, Llewellyn & Bye, 1997; Tymchuk, 1999; Wade, Mildon & Matthews, 2007). In vele opzichten verschillen de factoren voor goede ondersteuning niet van deze voor ouders zonder verstandelijke beperking (Booth & Booth, 1995). Hieronder geven wij de voornaamste componenten weer. Toegankelijke informatie en communicatie Er moet toegankelijke informatie over ouderschap en opvoeden beschikbaar zijn voor ouders met een verstandelijke beperking (Booth & Booth, 1995). Ondersteuning die vertrekt vanuit de noden van ouder en kind Vooraleer er met ondersteuning kan gestart worden, kan men best zowel de noden als de sterktes van de cliënten analyseren. De dienstverlening moet aansluiten bij de individuele 27

29 noden van de ouders en het kind. De focus van de ondersteuning moet liggen bij het hele gezin, family-centred zoals je wil, omdat het alle gezinsleden ten goede zou komen. (Booth & Booth, 1995; McConnell et al., 1997) Wanneer de ondersteuning georganiseerd wordt vanuit de vraag wat de hele familie kan ondersteunen i.p.v. enkel het kind of de ouders, zal de ondersteuning als minder bedreigend worden ervaren (Hoffman et al., 1990, in Booth & Booth, 1995). Uit onderzoek (Wade, Robyn & Matthews, 2007) blijkt dat zowel ouders met als zonder verstandelijke beperking een gezinsgerichte benadering verkiezen boven een eenzijdige hulpverlening aan de ouders of het kind. Flexibele zorg en ondersteuning op lange termijn De noden van een gezin veranderen doorheen de tijd (Espe-Sherwindt & Kerlin, 1990; Feldman, 2002; Llewelly, 1997; Llewellyn & McConnell, 2002). Dit vereist flexibele zorg en ondersteuning, en dit op lange termijn (Booth & Booth, 1995; Feldman, 2010). Ondersteuning op lange termijn vraagt wederzijds vertrouwen en respect tussen de cliënten en de ondersteuner. Deze ondersteuning geeft onder meer de mogelijkheid tot preventief werken (Booth & Booth, 1995). Ontwikkelen van gecoördineerde zorg en multi-disciplinaire ondersteuning Aunos, Pacheco & Moxness (2010) stellen dat ouders met een verstandelijke beperking niet enkel passieve ontvangers zijn van zorg. Het zijn actieve participanten in hun familie en gemeenschap, die eigen keuzes maken over hun leven. Vaak komen de gezinnen met veel verschillende hulpverleners in contact die elk op een ander aspect van het gezin focussen (Tymchuk, 1999). Ze werken zelden samen, hoewel dit in het voordeel van het gezin zou kunnen zijn (England & Cole, 1995, in Tymchuk, 1999). In het licht van deze feiten pleiten een aantal auteurs (Aunos et al., 2010; James, 2004) voor een constructieve samenwerking tussen ouders, hun netwerk en de hulpverlening. Deze samenwerking is volgens hen de beste manier om kennis en vaardigheden uit te wisselen en om creatieve oplossingen te vinden voor de vaak complexe problemen waar ouders met een verstandelijke beperking voor komen te staan. Ook Sigurjónsdóttir & Traustadóttir (2010) gaven aan dat de ondersteuning in samenwerking met de ouders en de omgeving uitgebouwd moet worden. Volgens hen is het ook essentieel om de ondersteuningsmogelijkheden vanuit de familie en omgeving te versterken. Booth & Booth (1995) stellen dat een gezinsgerichte benadering inhoudt dat vooral ondersteuning uit het 28

30 sociaal netwerk moet gestimuleerd worden zodat men minder moet terugvallen op professionele hulpverlening. Belangenbehartiging De belangen van ouders met een verstandelijke beperking kunnen behartigd worden via advocacy-groepen. Deze groepen kunnen ouders inlichten over hun rechten, zetten ouders aan om voor hun noden uit te komen en het kan ouders helpen de bezorgdheden van hulpverleners te begrijpen. Een advocacy-groep kan ook het zelfvertrouwen van de deelnemers verhogen of de stemmen bundelen en de buitenwereld sensibiliseren. (Department of Health & Department for Education and Skills UK, 2007) Empowerend werken Ondersteuning moet steeds gebaseerd zijn op de sterktes van het gezin, het moet gericht zijn op het versterken van hun mogelijkheden (Feldman, 2010). Empowerende hulpverlening werkt emanciperend in tegenstelling tot hulpverlening die de situatie van de ouders overneemt (Tucker & Johnson, 1989). Ondersteuning die gericht is op de krachten binnen een gezin, behandelt de ouders ook als partners binnen het ondersteuningsplan (Feldman, 2010). Uit onderzoek is gebleken dat ouders dit participatieve karakter heel belangrijk vinden (Wade, Mildon & Matthews, 2007). Door als hulpverlener tijd door te brengen met de cliënten, hen te proberen begrijpen en hun vooruitgang te waarderen, kan een positieve relatie groeien tussen de hulpverlener en de ouder. In zo n relatie kunnen de ouders vertrouwen en zelfwaarde ontwikkelen (Marriott & Tarleton, 2009; Tarleton et al., 2006). Positieve attitudes van de hulpverlener tegenover het gezin en een vertrouwensrelatie tussen de ouders en ondersteuner blijken van cruciaal belang voor een effectieve ondersteuning en succesvol ouderschap (Booth & Booth, 1995). Ouders erkennen als de primaire verzorgers Hulpverleners en ondersteuners uit het sociaal netwerk moeten de ouders erkennen en respecteren als de belangrijkste zorgdragers in het leven van het kind (Sigurjónsdóttir & Traustadóttir, 2010). Vaders worden gezien als één van de belangrijkste ondersteuners voor de moeder, dit maakt volgens wetenschappers (Booth & Booth, 2002; Mayes & Sigurjónsdóttir, 2010) dat de nadruk in de ondersteuning moet liggen op beide ouders en niet enkel op moeders, wat nu soms het geval is. Sigurjónsdóttir & Traustadóttir (2010) 29

31 stellen dat de ouders nood hebben aan een onafhankelijk leven. Als ondersteuners dienen we dit te respecteren en kunnen we hen bijstaan om hun eigen huishouden te leren runnen. Integratie in de maatschappij Ondersteuners moeten ouders helpen bij het opbouwen van hun banden met de gemeenschap (Llewellyn & Gustavsson, 2010; McConnell et al., 1997). Integratie in de plaatselijke gemeenschap zorgt ervoor dat deze ouders niet gemarginaliseerd en geïsoleerd raken (Mirfin-Veitch, 2010). Sensibiliseren van de maatschappij Wanneer een maatschappij zich niet bewust is van de noden van ouders met een verstandelijke beperking en hun kinderen, worden er diensten verleend die niet aangepast zijn aan hun noden (Marriott & Tarleton, 2009). Met het sensibiliseren van de samenleving voor de ondersteuningsnoden van deze ouders, beoogt men de attitudes tegenover ouders met een verstandelijke beperking te veranderen (Tarleton et al., 2006) Leren opvoeden We kunnen verschillende manieren, van hoe je kan leren opvoeden, onderscheiden (Llewellyn et al., 2010). Als eerste kunnen ouders al doende leren. Vele ouders putten bij het opvoeden ook uit ervaringen uit de eigen kindertijd. In de wetenschappelijke literatuur vinden we terug dat de attitudes, overtuigingen en opvoedingspraktijken van het gezin van herkomst de opvoedingspraktijk van de volgende generatie sterk beïnvloeden (Goodnow & Collins, 1990, in Llewellyn & McConnell, 2010). Wanneer we bij de ouders de ervaringen uit hun kindertijd leren kennen, kunnen we beter begrijpen waarom ze op heden bepaalde handelingen stellen. Daarnaast kunnen ouders te rade gaan bij hun eigen ouders, andere familieleden of vrienden voor advies en ondersteuning (Llewellyn, 1997; Llewellyn & McConnell, 2010). Op vandaag wordt in vele media aandacht gegeven aan de opvoeding, denk hierbij aan thematijdschriften, televisieprogramma s of websites met tips over het opvoeden. In de literatuur besteedde men reeds veel aandacht aan vorming- en trainingsprogramma s voor ouders met een verstandelijke beperking (Feldman, 1994; Tymchuk & Andron, 1992; 30

32 Wade et al., 2008). Deze programma s zijn gericht op het ontwikkelen van hun ouderlijke vaardigheden en zelfvertrouwen. Onderzoek wijst uit dat deze programma s een positieve invloed hebben op ouders met een verstandelijke beperking en dat deze ouders in staat zijn om zorg te leren dragen voor hun kinderen (Booth & Booth, 1993; Espe-Sherwindt & Kerlin, 1990; Llewellyn et al., 2003, McGaw & Sturmey, 1994). Follow-up onderzoek, zes maanden na de training, gaf aan dat de ouders de vaardigheden nog steeds beheersten (Feldman, 2002). De ouderlijke vaardigheden en onderwerpen die in deze vorming- en trainingsprogramma s werden behandeld, omvatten onder meer: het verzorgen van een kind, gezonde voeding, veiligheid, het leren oplossen van problemen, positieve ouder-kind interacties en gedragsregulatie bij het kind (Feldman, 2002). De succesfactoren in deze trainingsprogramma s bleken de volgende (Feldman, 2010; Wade et al., 2008): De huiselijke setting De programma s bleken best plaats te vinden bij de cliënten thuis of in een huiselijke setting (Feldman, 2010). De vaardigheden werden gemakkelijker aangeleerd in de context waarin men ze later zou moeten gebruiken. De transfereerbaarheid van de aangeleerde vaardigheden is groter in een huiselijke context dan in een klinische of klascontext. Geïndividualiseerde programma s De training bleek effectiever wanneer de specifieke moeilijkheden van elke ouder werden aangepakt (Feldman, 2010). Daarom pleit men voor ondersteuning en training op maat en niet voor standaardpakketten. Het gebruik van gedragstherapeutische technieken De nadruk op gedragstherapeutische technieken, zoals taakanalyse, modeling, feedback en bekrachtiging, bij het aanleren van ouderlijke vaardigheden blijkt een effectieve manier te zijn om deze vaardigheden aan te leren (Wade et al., 2008). Ouders moeten de kans krijgen om te leren door ervaring en oefening, waarbij ze feedback kunnen krijgen op wat ze doen (Feldman, 2010; McConnell et al., 1997). 31

33 Empatisch en sensitieve vormingswerker Vormingswerkers moeten hun eigen bias en vooroordelen aan de kant kunnen zetten wanneer ze werken met deze ouders (Feldman, 2010). Ze moeten zich empatisch en sensitief kunnen opstellen. De trainers moeten volgens Booth & Booth (1995) ook ervaring hebben in het werken met mensen met een verstandelijke beperking Kritiek op ouderschapsvorming Ouderschapsvormingen of -trainingen zijn niet dé oplossing voor alle uitdagingen waar de ouders mee te maken krijgen bij de opvoeding van hun kinderen (Llewellyn et al., 1998). Ouders die door ouderschapsvorming ondersteund werden, gaven bijvoorbeeld in onderzoek aan dat ze meer ondersteuning wilden bij het ontmoeten van mensen, bij het maken van vrienden en bij de toegang tot hulpbronnen (Llewellyn et al., 1998). Trainingsprogramma s moeten georganiseerd worden samen met en als onderdeel van andere ondersteuning en diensten (Feldman, 2010). Doorheen de jaren kwamen ook enkele punten van kritiek op deze ouderschapsvormingen. Onderzoekers waarschuwen dat we moeten opletten voor een te klinische kijk op deze ouders door hen te laten deelnemen aan gespecialiseerde trainingen (Soyez et al., 2009). Ze stellen ook dat het ouderschap meer is dan een arsenaal aan vaardigheden. Vanuit verschillende hoeken stelt men nog steeds de vraag naar de definitie van adequaat of goed genoeg ouderschap. Hoe kan men trainingsprogramma s voorzien zonder een duidelijke omschrijving te hebben van dit begrip? En werken deze vormingsprogramma s dan niet vrij normatief? Verder bleken er problemen te rijzen rond generalisatie van de aangeleerde vaardigheden en kon de invloed van deze programma s op de kinderen van ouders met een verstandelijke beperking niet goed ingeschat worden (Feldman, 2010). De trainingsprogramma s werkten minder effectief wanneer de ouders ook andere problemen hadden, zoals bijvoorbeeld schulden. Training bleek ook minder effectief wanneer ze onregelmatig, weinig frequent en door verschillende diensten werd georganiseerd (Booth & Booth, z.d.). 32

34 4. Kinderwens Volgens Van Balen (1991) is kinderwens de wens om kinderen op te voeden tot aan hun volwassenheid. In dit deel hebben we het eerst over de evolutie van de kinderwens van een lot naar een keuze. Daarna hebben we oog voor de motieven en de intensiteit van een kinderwens in de algemene populatie. We sluiten het hoofdstuk af met literatuur over kinderwens bij mensen met een verstandelijke beperking. 4.1 Van lot naar keuze Gedurende de tweede helft van de 20 ste eeuw evolueerde het ouderschap door de medische vooruitgang van een lot naar een keuze (Langdridge, Connolly & Sheeran, 2000; Veenhoven 1985). Ontwikkelingen op vlak van anticonceptie en reproductieve geneeskunde hebben een grote impact gehad op het krijgen van kinderen (Richardson, 1993, in Langdridge et al., 2000). Waar men voorheen het krijgen van kinderen vanzelfsprekend vond, iets waar men inrolde, werd nu een keuze. Mensen kregen een grotere vrijheid om te kiezen voor kinderen, maar ze moesten daarnaast ook gaan nadenken over wanneer, hoeveel en hoe gespreid men hun kinderen wou. Ook ongewenste onvruchtbaarheid kon worden behandeld. De nieuwe technologieën zorgden ervoor dat seksualiteit en voortplanting van elkaar werden losgekoppeld. Daarnaast geven Grewal & Urschel (1994) aan dat de keuze voor kinderen zich ontwikkeld heeft van een keuze uit economisch perspectief naar een emotionele keuze. Nu het lot een keuze werd, kwam onderzoek op gang naar de motieven die een rol spelen bij een kinderwens (Veenhoven, 1985). 4.2 Motieven voor de kinderwens In heel wat literatuur wordt er gespeculeerd over de motieven die aan de basis liggen van de menselijke voortplanting. Sommige wetenschappers (Benedek, 1970 a, 1970b, in Bos, Van Balen & Van den Boom, 2003) hechten grote waarde aan de biologische oorsprong van kinderwens. Predisposities zoals een sterk instinct om zich voort te planten en een band ervaren met biologische verwanten, beïnvloeden volgens hen onbewust de motieven voor een kinderwens (Deutsch, 1947 in Van Balen & Gerrits, 2001; Morgan & Berkowitz 33

35 King, 2001; Van Balen, 1991). Volgens Benedek (1970a, in Van Balen & Gerrits, 2001) zouden vrouwen een aangeboren drang hebben tot voortplanten en het moederschap. Bij mannen zou vooral een instinctieve drang tot voortleven na de dood aan de basis liggen van het vaderschap. Ook de evolutionaire theorie van the selfish gene van Richard Dawkins (1976) veronderstelt een aangeboren drang tot voortplanting. Volgens zijn theorie wil ons genetisch materiaal voortleven doorheen de tijd en bevindt het dwingend mechanisme zich in onze genen. Mensen zijn dan het middel om de genen doorheen de loop der jaren te transporteren. Veenhoven (1977) is het echter niet eens met voorgaande theorieën en verklaart dat men niet kan spreken over een aangeboren behoefte om kinderen groot te brengen. Vanuit psychoanalytisch perspectief kan het moederschap gezien worden als essentieel voor een vrouw om haar vrouwelijke identiteit tot ontwikkeling te laten komen (Bos, Van Balen & Van den Boom, 2003, p. 2216). Vanuit feministische optiek wordt het moederschap vaak als een gevolg gezien van sociale conditionering naar de heersende (mannelijke) waarden en normen in een samenleving. Het krijgen van kinderen wordt dan gezien als een barrière voor persoonlijke ontplooiing en vrijheid (Thompson, 2002). Het is niet eenvoudig gebleken om deze verschillende theorieën empirisch te toetsen (Van Balen & Trimbos-Kemper, 1995). Onderzoekers zijn wel op zoek gegaan naar wat mensen zelf zien als de redenen voor hun kinderwens. Het bestuderen van enerzijds de motivatie voor het ouderschap en anderzijds de sterkte van de kinderwens had de achterliggende idee dat deze aspecten een positief effect hebben op het ouderschap en de relatie tussen ouder en kind (Levy, 1970, in Bos et al., 2003). In de jaren zestig deed Rabin (Rabin, 1965, 1975, 1976, in Gerson 1983) een poging om de motieven voor een kinderwens in kaart te brengen. Hij stootte op motieven als altruïsme, fatalisme en narcisme. Hoffman (1972, 1975, 1976, in Gerson, 1983) gaf aan dat positieve herinneringen aan de eigen kindertijd het ontstaan van een kinderwens positief beïnvloeden. Verder bleken iemands ideeën over ouderschap verband te hebben met de ideeën van hun ouders over opvoeding. Het krijgen van kinderen, als een onderdeel van het vrouw-zijn, werd als een beïnvloedende factor geacht en ook religieuze overtuiging kon zijn invloed hebben op de kinderwens. 34

36 Onderzoek naar de motieven voor een kinderwens heeft zich in het begin ook voornamelijk gefocust op een kosten-batenmodel (Fawcett, 1972, 1978, Fawcett et al., 1972, Hoffman, 1972, Hoffman & Hoffman, 1973, Seccombe, 1991, in Bos et al., 2003). Dit model gaat ervan uit dat mensen de verwachte pro s en contra s van een kind rationeel tegen elkaar afwegen, wanneer ze de beslissing nemen voor een (volgend) kind. De vooren nadelen kunnen van socio-psychologische aard zijn (gevoelens van geluk versus inboeten van vrijheid) en van economische aard (zorg op de oude dag versus kosten bij de opvoeding) (Van Balen & Trimbos-Kemper, 1995, p.137). De verwachte nadelen of kosten die koppels opmerken, weerhouden hen zelden van de keuze voor een eerste kind (Van Balen & Trimbos-Kemper, 1995). Het kan wel een beïnvloedende factor zijn voor het aantal kinderen dat men wenst (Hoffman & Manis, 1979, in Bos et al., 2003). De effectieve kosten en baten kunnen immers pas na de geboorte van een eerste kind afgewogen worden. Omdat het kosten-batenmodel geen uitkomst bood voor de motieven voor een eerste kind, zochten onderzoekers verder naar de redenen voor een kinderwens. Het krijgen van kinderen wordt door vele koppels vanzelfsprekend gevonden (Van Balen, 1991). Hun motieven zijn vaak eerder latent dan manifest aanwezig. Mensen vinden het moeilijk te antwoorden op directe vragen over hun motieven voor een kind. Ze moeten vaak lange tijd nadenken om redenen te formuleren (Van Balen & Trimbos-Kemper, 1995). Wetenschappers (Van Balen & Trimbos-Kemper, 1995) onderzochten de redenen voor een kinderwens bij onvrijwillig kinderloze koppels, om een beter zicht te krijgen op de motieven voor het verlangen naar een kind. Bij koppels die onvrijwillig kinderloos zijn, kunnen we meer expliciete motieven verwachten voor hun kinderwens. Hun onvruchtbaarheid heeft hen gedwongen om na te denken over de redenen voor het willen van een kind. Bij aanvang verschillen onvrijwillig kinderloze koppels niet van vruchtbare koppels. Hun motieven kunnen daarom algemeen als indicator gebruikt worden voor koppels met een kinderwens. Van Balen & Trimbos-Kemper (1995) constateerden in hun onderzoek met onvrijwillig kinderloze koppels zes verschillende motieven voor ouderschap: geluk, welzijn, identiteit, ouderschap, continuïteit en sociale controle. Geluk duidt op de verwachte gevoelens van genegenheid en vreugde in de relatie met kinderen. Welzijn gaat over de verwachting dat een kind bijdraagt tot het gezinsgeluk. 35

37 Identiteit verwijst naar het bereiken van de volwassenheid en het versterken van de eigen identiteit door het hebben van een eigen kind. Ouderschap, hiermee wordt verwacht dat een kind levensvervulling zal brengen. Continuïteit gaat over de affectieve relatie die je wenst te hebben met opgroeiende kinderen en de wens om via je kinderen voort te leven na de dood. Sociale controle kan begrepen worden als de impliciete en expliciete druk van de omgeving op het koppel om zich voort te planten. (Colpin, De Munter & Vandemeulebroecke,1998) Deze zes motivaties verwerkten Van Balen & Trimbos-Kemper (1995) tot de Ouderschapsmotivatieschaal, een vragenlijst waarmee koppels hun eigen motivaties kunnen rapporteren. Deze vragenlijst suggereert dat de motieven voor het ouderschap puur rationele en bewuste constructies zijn. Zoals eerder vermeld, wijzen andere onderzoekers er op dat ook onbewuste drijfveren de kinderwens voeden. In onderzoek (Van Balen, 1991; Van Balen & Trimbos-Kemper, 1995) naar de motieven voor een kinderwens bij ongewild kinderloze koppels, bleek het motief geluk de grootste invloed te hebben op de kinderwens, zowel bij mannen als vrouwen. Onder de categorie geluk bevonden zich items zoals: het is fijn met kinderen om je heen, je krijgt een unieke band met je kinderen, het opvoeden van kinderen is leuk. Het motief sociale controle werd het minst aangegeven als reden voor de kinderwens. Ook continuïteit werd in mindere mate vernoemd. Na het motief geluk, volgden voor zowel vrouwen als mannen de motieven welzijn en ouderschap. De mate waarin bepaalde motieven een rol spelen in de kinderwens is afhankelijk van verschillende factoren (Van Balen, 2005). Het motief identiteit is bijvoorbeeld afhankelijk van de leeftijd en de maatschappelijke positie van de ouder in spe. Zo wordt door zowel mannen als vrouwen met een laag opleidingsniveau het motief identiteit sterk benadrukt. De meest voorkomende motieven waren niet altijd de meest bepalende of beïnvloedende motieven voor de kinderwens. Vrijwel alle ouders gaven individuele gevoelsmatige redenen aan voor hun kinderwens: geluk, liefde, persoonlijk welzijn en beleving van het vader- of moederschap. Het kind wordt gezien als een bron van warmte, een klein mensje waarvan je liefde kan ontvangen, dat je kunt koesteren en liefde kunt geven. Ouders verwachten met hun kind een unieke relatie op te bouwen. (Van Balen & Gerrits, 2001, p ) 36

38 Motieven die wijzen op persoonlijke ontplooiing worden op heden in onze Westerse samenleving belangrijker geacht dan motieven die duiden op het belang van de groep (sociale controle) en op continuïteit en erfelijkheid (Van Balen & Inhorn, 2002). Naast het onderzoek naar motieven bij ongewild kinderloze paren, voerden wetenschappers (Bos et al., 2003; Van Balen, 2005) ook onderzoek naar de motieven bij lesbische paren en vruchtbare heterokoppels. Lesbische en vruchtbare heteroseksuele koppels blijken hun motieven vrij gelijkaardig te rangschikken als ongewild kinderloze paren (Bos et al., 2003; Colpin et al., 1998; Van Balen & Trimbos-Kemper, 1995). Zowel bij ongewild kinderloze (heteroseksuele) paren, vruchtbare heterokoppels, als bij lesbische paren, bleek het motief geluk van grootste invloed op de kinderwens, gevolgd door ouderschap en welzijn. Sociale controle werd in alle groepen van weinig belang geacht. Sommige motieven bleken voor bepaalde groepen wel relatief zwaarder door te wegen dan voor andere. Voor lesbische moeders bleek het motief geluk nog belangrijker te zijn dan voor heteroseksuele koppels (Bos et al., 2003). Dit zou volgens de onderzoekers kunnen liggen aan het feit dat lesbische koppels een actieve beslissing hebben moeten nemen voor een kind en dat ze langer moeten wachten tot hun droom in vervulling gaat. Bij jongere vrouwen, zowel met als zonder vruchtbaarheidsproblemen, werden de motieven identiteit en ouderschap frequenter gerapporteerd dan bij oudere vrouwen (Van Balen, 2005). Onder deze motieven vinden we onder meer: het versterken van de eigen identiteit door het ouderschap, de status en het respect van het ouderschap, het persoonlijk welzijn bereiken door het hebben van een kind en de hechtheid met de partner versterken. Motieven als het versterken van de identiteit of het bereiken van persoonlijk welzijn, kunnen ook bereikt worden met een professionele carrière. Van Balen (2005) duidt erop dat het mogelijk is dat voor een aantal jonge vrouwen het alternatief van een professionele carrière niet aantrekkelijk is. We kunnen ons de vraag stellen of we dit principe ook kunnen doortrekken naar vrouwen met een verstandelijke beperking, waarvan de carrièremogelijkheden ook vaak beperkt zijn. Naast de onderzoeken die gevoerd werden aan de hand van de Ouderschapsmotivatieschaal (Van Balen & Trimbos-Kemper, 1995), zijn er nog andere onderzoeken gekend die de motivaties voor een kinderwens hebben proberen te achterhalen. In Canada werd de Reason-for-Parenthood questionnaire ontwikkeld. Wanneer deze vragenlijst werd afgenomen bij mannen en vrouwen met vruchtbaarheidsproblemen, kwamen volgende motieven het sterkst naar boven: gender- 37

39 rolvervulling, huwelijksvervulling, het verlangen naar de ouderrol en het verminderen van de sociale druk (Newton, Heam, Yuzpe & Houle, 1992). Langdridge et al. (2000) bestudeerden in de UK paren met en zonder vruchtbaarheidsproblemen. Bij alle participanten bleek de triade liefde geven, liefde krijgen en het genieten van een kind centraal te staan. Ook de drang om als koppel samen een kind te creëren dat van beide partners is en het stichten van een gezin, bleken belangrijke motivators. In dit onderzoek bleken motieven als religie, sociale druk of versterking van de mannelijke of vrouwelijke identiteit niet aan de orde te komen. Ook studies uit de jaren 70 en 80, van onder meer Hoffman en Hoffman (1973, in Langdridge et al., 2000) verwezen reeds naar de bovenbeschreven triade. De Leipzig Questionnaire (Stöbel-Richter, Beutel, Finck & Brähler, 2005) stelt dat een kinderwens het sterkst gebaseerd is op emotionele motieven zoals het gevoel een echte thuis te hebben, leven willen creëren en het gevoel liefde en zorg te kunnen bieden aan een kind. Ook de sociale erkenning van de ouderrol is een bijkomend motief in de kinderwens. Daar tegenover staat dat financiële beperkingen en persoonlijke problemen als een obstakel gezien worden voor het krijgen van een kind. Volgens Stöbel-Richter et al. (2005) is de kinderwens gebaseerd op een ambivalent proces waarbij emotionele wensen worden afgewogen tegenover financiële en persoonlijke bekommeringen. Naast onderzoek bij de verschillende voorgaande groepen, legden wetenschappers zich ook toe op motieven van tieners om zwanger te worden. Uit onderzoek van Montgomery (2002) bij tienermeisjes komen volgende motieven aan bod: de wens om gezien te worden als een volwassen persoon met een grotere verantwoordelijkheid, onafhankelijkheid en maturiteit; nooit iets van zich zelf hebben gehad en iets willen om liefde en zorg voor te dragen; al zeer lang het verlangen hebben om zwanger te worden en de moederrol op te nemen; een zwangerschap als de logische volgende stap in hun leven of in de relatie met hun vriend. 4.3 Intensiteit van de kinderwens Het verlangen om kinderen te krijgen blijkt sterker aanwezig bij vrouwen dan bij mannen, zowel bij koppels met en zonder vruchtbaarheidsproblemen (Van Balen & Trimbos-Kemper, 1995). Het hebben van kinderen zou nog steeds een andere betekenis hebben voor mannen als voor vrouwen in de Westerse samenleving. Vrouwen worden in sterkere mate 38

40 dan mannen naar het moederschap toegeleid en beleven intenser de zwangerschap en de geboorte van hun kind. Bij tweeverdienergezinnen nemen vrouwen nog steeds de meeste zorg voor de kinderen op zich. Uit een studie van Bos et al. (2003) bleek dat lesbische paren, in vergelijking met heteroseksuele koppels, meer tijd besteden aan het overdenken van hun motieven voor het krijgen van een kind. Wanneer lesbische vrouwen moeder willen worden, worden ze geconfronteerd met heel wat vragen en kritische blikken uit de omgeving. Ze worden daarom gedwongen om bewuster stil te staan bij hun motieven voor een kind. Ook ongewild kinderloze koppels worden gedwongen om meer te reflecteren over hun redenen wanneer ze bijvoorbeeld een vruchtbaarheidsbehandeling willen opstarten. In beide gevallen blijkt het krijgen van een kind minder vanzelfsprekend. Onderzoek (Van Balen, 1995; Bos et al., 2003) wees uit dat de intensiteit van de kinderwens hoger wordt naarmate er meer belemmeringen worden ervaren om vader of moeder te worden. Dit wordt onder meer herkend bij lesbische en ongewild kinderloze koppels. Hoe meer de wens afwijkt van de maatschappelijke norm, hoe explicieter de motieven aanwezig zouden zijn (Keehnen, Koppers, Reitsma & van Willegen, 2006, p. 21). We kunnen ons de vraag stellen of dit mechanisme ook geldt voor mensen met een verstandelijke beperking. Ook zij komen voor heel wat obstakels te staan in hun omgeving wanneer ze hun kinderwens willen realiseren. 4.4 Kinderwens bij mensen met een verstandelijke beperking Er is haast geen literatuur beschikbaar over kinderwens bij mensen met een verstandelijke beperking. Uit onderzoek (Sabagh & Edgerton, 1962, Schwier, 1994, in Finucane, 1998) komt naar voor dat het huwelijk, liefst met een partner zonder beperking, en het krijgen van kinderen primaire doelen zijn bij mensen met een licht verstandelijke beperking. Men stelt dat het krijgen van kinderen hen de mogelijkheid biedt om op gelijke hoogte te staan met koppels zonder beperking. Voor mensen die zich reeds hun hele leven anders en minder hebben gevoeld en die nog steeds, nu ze volwassen zijn, worden gezegd wat ze wel en niet mogen, is het realiseren van een kinderwens een enorm grote motivatie (Finucane, 1998). De motieven voor een kinderwens bij vrouwen met een verstandelijke beperking blijken gelijkaardig aan deze van vrouwen zonder beperking (Finucane, 1998; Keehnen et al., 39

41 2006). Finucane (1998) stelt dat de mate waarin belang gehecht wordt aan bepaalde motieven wel zou kunnen verschillen naargelang de vrouwen een verstandelijke beperking hebben. In het onderzoek van Keehnen et al. (2006) werden de motieven geluk en ouderschap door vrouwen met een verstandelijke beperking het meest gerapporteerd. Bij mannen met een verstandelijke beperking kwam identiteit op de eerste plaats, gevolgd door ouderschap en geluk. Mannen zonder beperking gaven welzijn een belangrijke plaats na geluk, in tegenstelling tot mannen met een verstandelijke beperking, die welzijn van weinig belang achtten. Ook in de groep van mensen met een verstandelijke beperking bleek sociale controle quasi geen rol te spelen bij de kinderwens. De mate van zelfredzaamheid bleek tevens niet samen te hangen met de motieven om een kind te wensen. Meer dan de helft van de mensen met een verstandelijke beperking gaven in het onderzoek van Keehnen et al. (2006) aan dat ze niet wisten hoe hun begeleiders dachten over kinderen krijgen. Uit ditzelfde onderzoek kwam naar voor dat mensen met een verstandelijke beperking in staat zijn om in gesprek te gaan over hun kinderwens en het krijgen van kinderen. Naast onderzoek dat bevestigt dat de motieven voor een kinderwens bij mensen met een verstandelijke beperking niet wezenlijk verschillen van de motieven van personen zonder beperking, vinden we ook literatuur terug die de motieven van vrouwen met een verstandelijke beperking vergelijken met deze van normaalbegaafde zwangere tieners. Finucane (1998) stelt dat de motivatie bij vrouwen met een verstandelijke beperking parallellen vertoont met die van normaalbegaafde tieners. Deze vrouwen zouden, zoals de tieners, weinig controle ervaren over hun eigen leven en zoeken via een zwangerschap een manier om voor hun eigen onafhankelijkheid te ijveren. Zwangere tieners bleken uit onderzoek (Holden, Nelson, Velasquez & Ritchie, 1993) minder cognitief ontwikkeld dan hun niet zwangere leeftijdsgenoten. Ze konden moeilijker beslissingen nemen en legden zwakkere academische vaardigheden aan de dag. Volgens Finucane (1998) kunnen deze karakteristieken ook toegeschreven worden aan vrouwen met een verstandelijke beperking. Ze stelt hierbij dat deze vrouwen mogelijks gedreven worden door de directe sociale beloning van de zwangerschap, maar dat ze moeilijk de consequenties op lange termijn kunnen inschatten. Zwangere tieners onderschatten volgens onderzoek (Holden et al., 1993) de draaglast die het zorgen voor een kind met zich mee brengt. Ook bij vrouwen met een verstandelijke beperking zou dit, volgens Finucane (1998), het geval zijn. Ze geeft 40

42 daarnaast aan dat deze vrouwen hun vaardigheden om voor een kind te zorgen overschatten Verschillende perspectieven op de kinderwens Meiniger (2001, in Joha, Gerards, Nas, Gendt & Kersten, 2006) geeft aan dat er verschillende perspectieven bestaan op de kinderwens van mensen met een verstandelijke beperking en hun beslissing voor een kind. De directe betrokkenen bestaan uit de personen met een kinderwens, hun ouders, andere familieleden en hun (toekomstige) kinderen. Vanuit het perspectief van de personen met een kinderwens kunnen vragen rijzen zoals: Wat betekent ouderschap voor mij? Waarom wil ik een kind? Waarom stuit ik op verzet bij mijn kinderwens? Vanuit het perspectief van de ouders en familieleden van de (toekomstige) ouders worden vragen gesteld als: Wat betekent het voor mij dat mijn kind ouder wordt? Wat zal van de grootouders gevraagd worden? Wat zal van broers en zussen gevraagd worden? In het licht van de kinderen van (toekomstige) ouders, kunnen we stilstaan bij wat het voor die kinderen betekent om kind te zijn van ouders met een verstandelijke beperking. Nadenken over kinderwens, betekent volgens Joha et al. (2006), nadenken over de zingeving aan het bestaan. Naast de perspectieven van de directe betrokkenen, kunnen we ook vanuit andere oogpunten naar de kinderwens van mensen met een verstandelijke beperking kijken, zoals daar zijn: het maatschappelijke, juridische, morele of ethische perspectief. Wanneer we bijvoorbeeld het juridische als invalshoek nemen, staan we ondermeer stil bij het recht op zelfbeschikking, het recht op ouderschap, maar ook bij het recht op bescherming, op goede zorg en het recht op goede ouders. 4.5 Beslissen voor een kind Volgens McGaw en Candy (2010) wordt de beslissing voor een kind ideaal gezien genomen in een context waarin je een geïnformeerde keuze kunt maken. Helaas wijzen verschillende auteurs (Joha, 2004; Joha et al., 2006; McCarthy, 2010; McGaw & Candy, 2010) op een gebrek aan toegankelijke informatie en ondersteuning voor mensen met een kinderwens en verstandelijke beperking. 41

43 Over het algemeen wordt aangenomen dat mensen met minder cognitieve mogelijkheden, moeilijker beslissingen kunnen nemen. Het nemen van beslissingen wordt dan ook gezien als een intern cognitief proces (McGaw & Candy, 2010). Bij het nemen van beslissingen blijkt het voor mensen met een verstandelijke beperking moeilijk om uit te maken welke informatie relevant is bij hun overwegingen en welke redeneringen achter de informatie schuilen. Wat meestal eenvoudiger gaat, is het herkennen van welke beslissing er moet genomen worden, het bepalen van wie betrokken is bij die beslissing en de communicatie over hun gemaakte keuze (Suto, Clare, Holland & Watson, 2005). Onderzoekers (Llewellyn, McConnell & Mayes, 2003) stelden wel vast dat vele vrouwen met een verstandelijke beperking positieve en gezonde keuzes kunnen maken. Maar er zouden volgens hen nog veel meer mensen daartoe in staat zijn, mochten ze beter toegang krijgen tot gespecialiseerde informatie en ondersteuning. Sommige onderzoekers (o.a. Dye, Hendy, Hare & Burton, 2004) stellen een alternatieve manier voor om te kijken naar hoe een beslissing kan worden genomen. Volgens hen kan het proces van beslissen gezien worden als iets dat zowel cognitief als contextueel beïnvloed wordt. Beslissingen worden genomen in een context en op een wel bepaald moment. Mensen nemen hierbij ervaringen uit het verleden en perspectieven op de toekomst in rekening. De beslissingen die we maken worden beïnvloed door de mensen waarmee we ons omringen. Het nemen van een beslissing hangt niet enkel af van iemands cognitieve mogelijkheden, maar ook van de context waarin je leeft. Volgens McGaw en Candy (2010) speelt ook de kwaliteit van de beschikbare informatie en ondersteuning een grote rol bij het nemen van een beslissing. De ervaringen uit de kindertijd en het sociaal netwerk van vele vrouwen met een verstandelijke beperking zijn een barrière gebleken voor het maken van een geïnformeerde beslissing over het krijgen van een kind (McGaw & Candy, 2010). Uit de beschikbare literatuur komt naar voor dat vele vrouwen met een verstandelijke beperking weinig of geen voorlichting en ondersteuning krijgen van hun eigen ouders, ruimer netwerk of vanuit de school om een geïnformeerde keuze te maken met betrekking tot hun seksualiteit, bijvoorbeeld rond het gebruik van anticonceptie of een kinderwens (Aunos & Feldman, 2002; Llewellyn & McConnell, 2002). Om bewuste en geïnformeerde beslissingen te nemen, zouden mensen met een verstandelijke beperking ondersteuning kunnen nodig hebben (Joha et al., 2006). Deze ondersteuning zou de stressfactoren in hun leven kunnen verminderen wanneer ze een 42

44 beslissing moeten nemen. Wanneer men zich in een stresserende situatie bevindt, bijvoorbeeld door armoede, ziekte, een te grote draaglast, wordt het moeilijk om een weloverwogen beslissing te nemen (Joha et al., 2006) Ondersteuning bij de beslissing voor een kind Wanneer een persoon met een verstandelijke beperking een kinderwens heeft, is de reactie vanuit de omgeving vaak één van uitersten (Keehnen et al., 2006, p. 22). Volgens Goderie, Steketee & Plemper (2005) wordt de kinderwens ofwel verhinderd of verboden, ofwel legt men de beslissing volledig bij de persoon, maar moet hij of zij het zelf maar zien uit te zoeken. Conix (persoonlijke communicatie, 2 mei, 2011) stelt echter dat ze merkt dat begeleiders vaak niet goed weten hoe ze moeten omgaan met de kinderwens. Volgens haar leggen begeleiders soms de beslissing bij de persoon zelf, maar gaat men de kinderwens toch ontmoedigen. Ook merkte ze in de praktijk op dat begeleiders soms niet willen spreken over de kinderwens om geen slapende honden wakker te maken. Het praten over een kinderwens met mensen met een verstandelijke beperking wordt door hulpverleners vaak als een moeilijk proces ervaren (Joha et al., 2006). Volgens Joha et al. (2006) vraagt het enerzijds voorzichtigheid en terughoudendheid, anderzijds is het volgens hen nodig om duidelijk te zijn over de bezwaren of onmogelijkheden. Ze stellen dat praten over een kinderwens ook inhoudt dat er gepraat wordt over de verstandelijke beperking. In de praktijk zeggen hulpverleners een gebrek te hebben aan kennis en vaardigheden om over dit onderwerp te spreken. Er blijkt bij hen nog heel wat handelingsverlegenheid te bestaan om de dialoog aan te gaan met mensen met een verstandelijke beperking over hun kinderwens (Aukes, 2005, in Joha 2004; Joha, 2004). Nochtans stelt Joha (2004) dat de ondersteuning van ouders met een verstandelijke beperking begint bij het bespreekbaar stellen van de kinderwens. Jonge mensen met een verstandelijke beperking moeten kunnen praten en nadenken over een toekomst waarin ze kiezen voor een kind (Conder, Mirfin-Veitch, Sanders & Munford, 2011; Servais, 2006). De vaardigheden die nodig zijn bij het opvoeden van een kind zouden moeten kunnen besproken worden (Conder et al., 2011). In het bespreken en overdenken van hun kinderwens kunnen ze uitmaken of het ouderschap voor hen een doel is. Jammer genoeg gaven ouders met een verstandelijke beperking in onderzoek van Conder et al. (2011) aan dat niemand met hen de implicaties van het ouderschap had besproken alvorens ze zwanger werden. 43

45 In deze informatie-eeuw hebben de meesten van ons via het internet en andere media toegang tot informatie over oneindig veel onderwerpen. Overal vinden we boeken, tijdschriften en andere informatiebronnen over zwangerschap, het krijgen van een kind en opvoeden. Deze informatie is helaas vaak nog niet toegankelijk voor mensen met een verstandelijke beperking (McGaw & Candy, 2010). Ook de reguliere gezondheidszorg is niet erg aangepast aan de specifieke noden van mensen met een verstandelijke beperking, onder meer op gebied van toegankelijke informatie (Tarleton et al., 2006). Vaak is de informatie te complex, zowel naar inhoud als naar vorm (McGaw & Candy, 2010). Er zou goede en toegankelijke informatie moeten verschaft worden aan mensen met een verstandelijke beperking, zodat ze controle kunnen krijgen over hun eigen seksualiteit en vruchtbaarheid en geïnformeerde keuzes kunnen maken over het ouderschap (Conder et al., 2011; McGaw & Candy, 2010). Wanneer je mensen de kans geeft om een geïnformeerde keuze te maken over het moeder- of vaderschap, dan verhoogt hun kans op het succesvol grootbrengen van hun kinderen (Conder et al., 2011). Verschillende onderzoekers (Conder et al., 2011; Joha, 2004; McCarthy, 2010) pleiten voor goede voorlichting over wat het inhoudt om voor kinderen te zorgen en ze op te voeden. Volgens McCarthy (2010) moeten er meer inspanningen gedaan worden om adequate seksuele voorlichting te voorzien op scholen en in de hulpverlening. Conder et al. (2011) ziet ook een plaats voor andere ondersteuners uit de omgeving, zoals familie, in de voorlichting van deze jonge mensen. De voorlichting moet mensen met een verstandelijke beperking de kans en vaardigheden bieden om eigen beslissingen te kunnen nemen met betrekking tot hun seksualiteit en het ouderschap. Naast het bieden van informatie, kunnen mensen met een verstandelijke beperking ook geholpen worden bij het nadenken over hun kinderwens en de realiseerbaarheid van het ouderschap, door het onderwerp onder meer bespreekbaar te maken (Conder et al., 2011). Relevante onderwerpen bij het nemen van de beslissing voor een kind zijn volgens Conder et al. (2011): informatie over anticonceptie, het aanleren van ouderlijke vaardigheden en het belang van ondersteuning uit de omgeving. Dit impliceert voor de praktijk dat seksualiteit, anticonceptie en het ouderschap op de agenda moet komen van begeleiders, ouders en leerkrachten die werken met jonge mensen met een verstandelijke beperking (Servais, 2006). Joha et al. (2006) stellen dat er best met seksuele voorlichting en voorlichting over het ouderschap gestart wordt, nog voor 44

46 er een kinderwens is. Ze gaan ervan uit dat er op dat moment bij de cliënten nog meer openheid is om over deze onderwerpen te spreken. Gezien mensen met een licht verstandelijke beperking niet meteen gespecialiseerde diensten zullen aanspreken, moet ook de eerstelijns hulpverlening kunnen verzekeren dat ze toegankelijke informatie en diensten voorzien voor een brede waaier aan cliënten (Conder et al., 2011). Hulpverleners kunnen de bestaande informatie toegankelijk(er) maken door deze bijvoorbeeld visueel te ondersteunen met foto s of prenten (Applebaum & Grisso, 1995; McGaw & Candy, 2010; Wong, Clare, Holland, Watson & Gunn, 2000). Het is belangrijk volgens Conder et al. (2011) dat ondersteuners goed voorbereid zijn, wil de voorlichting effectief zijn. Vele professionals of andere ondersteuners geven immers aan weinig ervaring te hebben met het werken rond dit thema. Conder et al. (2011) stellen dat een samenwerking kan nagestreefd worden tussen familie, school en hulpverleners zodat jonge mensen met een verstandelijke beperking goed geïnformeerd kunnen worden over seksualiteit en het ouderschap. De samenwerking zou ook de bespreekbaarheid van het onderwerp kunnen bevorderen. Espe-Sherwindt & Kerlin (1990) gaven aan dat het essentieel is voor hulpverleners om zich vriendelijk, geduldig en niet beoordelend op te stellen wanneer zij iemand ondersteunen bij het nemen van een beslissing. De self-advocacy groep Onderling Sterk uit Nederland sprak zich uit tegen het ontmoedigingsbeleid van hun regering. Mensen hebben recht op kinderen, maar deze rechten brengen ook verplichtingen met zich mee. Daarom vinden zij dat mensen met een verstandelijke beperking wel bewust gemaakt moeten worden van wat het ouderschap inhoudt, maar niet in een ontradende sfeer (Joha et al., 2006) Ondersteuningsmethodieken Joha et al. (2006) geven aan dat er nood is aan verdere ontwikkeling van methodieken en middelen om een kinderwens bespreekbaar te maken. Ze stellen dat er in de begeleiding van mensen met een kinderwens aandacht moet zijn voor het ontdekken van eigen mogelijkheden, maar ook voor het zien van de eigen 45

47 beperkingen en grenzen met betrekking tot hun kinderwens en het ouderschap. Volgens deze onderzoekers moeten ondersteuners zich niet enkel richten op het aanbieden van informatie en praktische ondersteuning, maar moeten we in de begeleiding ook stilstaan bij existentiële vragen zoals: Wat brengt zin in mijn leven? Waar word ik gelukkig van? Als ik iets niet kan, is mijn leven dan mislukt? Ben ik dan mislukt? Hoe kan ik op alternatieve manieren mijn leven vormgeven? Deze auteurs poneren dat het spreken en nadenken over een kinderwens ook het nadenken over en accepteren van de eigen beperking inhoudt. Hieronder vermelden we enkele handvaten en methodieken die in het buitenland gebruikt worden bij het ondersteunen van de kinderwens van mensen met een verstandelijke beperking. We vonden echter geen literatuur over methodieken die in België of in Vlaanderen gehanteerd worden (VMG, persoonlijke communicatie, april, 2010). We namen contact op met Stichting MEE Nederland, die ons enkele van hun methodes voorstelden (MEE Nederland, persoonlijke communicatie, 21 februari, 2011). Tevens schreven we de organisatie Disability, Pregnancy & Parenthood International (DPPI) aan in het Verenigd Koninkrijk. Zij schreven ons dat zij geen weet hadden van methodieken rond kinderwens in hun land (DPPI, persoonlijke communicatie, 23 februari, 2011). We kozen ervoor om hieronder enkele methodieken te belichten die elk in vorm en perspectief van elkaar verschillen. Self-Determination Program Hoffman (2003) ontwikkelde in de VS het Self-Determination Program, een programma dat studenten met een verstandelijke beperking moet voorbereiden op het volwassen leven en de verschillende verantwoordelijkheden die daarbij komen kijken, zoals het ouderschap. Het programma heeft tot doel de studenten doordachte keuzes te leren maken, waarbij ze zich bewust worden van hun sterktes, hun zwakkere punten, hun noden en verlangens. Voor het maken van die keuzes stelt ook dit programma dat er voldoende informatie beschikbaar moet zijn. Dit programma wordt voornamelijk in een schoolcontext gehanteerd, maar het gaat verder dan dat. Ook familieleden en hulpverleners worden bij het programma betrokken om de generalisatiemogelijkheden te vergroten. Het programma is gericht op volgende punten: 1) Het (h)erkennen van de beperking, zonder stigmatiserend te werken. 46

48 2) Mensen helpen hun eigen sterktes en zwaktes te zien en zichzelf te leren zien als de centrale persoon bij het nemen van beslissingen. 3) De moeilijkheden die aangeleerde hulpeloosheid en een laag zelfbeeld met zich meebrengen leren herkennen. 4) Begrijpen dat beperkte sociale vaardigheden het maken van eigen keuzes beperkt. 5) Het verhogen van probleemoplossend vermogen van mensen met een verstandelijke beperking. Self-advocacy groepen Ook deze methodiek is ontwikkeld in de VS. McCarthy (2010) stelt dat self-advocacy groepen kunnen worden opgericht om mensen informatie te verschaffen en hen te wijzen op hun rechten. Ook kan hun zelfzekerheid worden verhoogd door het spelen van rollenspelen rond medische consultaties, bijvoorbeeld bij vrouwen die naar een gynaecoloog willen gaan. Vrouwen kunnen in vrouwengroepen aangemoedigd worden om zich de vraag te stellen welke beslissingen nu in hun eigen belang zijn (McCarthy, 2010). Het Drie Werelden Perspectief Bij de organisatie MEE Gelderse Poort (Nederland) wordt de kinderwens van de cliënt vanuit het Drie Werelden Perspectief bekeken. Het Drie Werelden Perspectief is van oorsprong een theorie van Habermas, maar is door Van der Laan (1990) aangewend en herschreven tot een ondersteuningsmethodiek die moet leiden tot zorgvuldig hulpverlenerschap. Het gaat in deze methodiek om de dialoog tussen de hulpverlener en de cliënt. Een monoloog zou inhouden dat er enkel van buitenaf geadviseerd, belemmerd of op ingepraat wordt. Tevens benadrukt de methodiek om de aandacht tussen de drie werelden evenwichtig te verdelen (Kinderwens MEE Gelderse Poort, in Joha, 2004). In het model kunnen we drie werelden beschouwen: de objectieve wereld, de sociale of normatieve wereld en de belevingswereld. Elke wereld staat voor een aantal vragen die mensen met een beperking zich moeten stellen wanneer ze nadenken over het krijgen van kinderen (Verdonk, 2006, in Joha et al., 2006). 1. De objectieve wereld gaat om feiten: Wat betekent opvoeden? Welke vaardigheden heb ik daarvoor nodig? Hoeveel tijd vraagt dit per dag? Zal mijn kind gezond zijn? Zullen we dat kunnen betalen? 47

49 2. De sociale wereld gaat om normen: Is het vanzelfsprekend dat ik een kind krijg? Ben ik verstandelijk en emotioneel in staat om een kind op te voeden? Wat als mijn kind slimmer wordt dan ikzelf? 3. De belevingwereld gaat om gevoelens: Wat betekent het voor mij om een kind te krijgen? In hoeverre heb ik de vaardigheden om een kind te verzorgen en op te voeden? Wanneer er geen goed evenwicht gevonden wordt tussen de drie werelden dreigt men ofwel te verzakelijken, ofwel te moraliseren, ofwel te therapeutiseren. De hulpverlener dient de situatie zowel te bekijken vanuit de beleving van de cliënt als vanuit maatschappelijk oogpunt. Hermeneutische-narratieve benadering De Hermeneutische-narratieve benadering wordt in Nederland gehanteerd. In deze methodiek wordt de kinderwens besproken in de context van het levensverhaal van de cliënt (Joha et al., 2006). Samen met de cliënt en zijn ouders (en eventueel grootouders) wordt zijn/haar geschiedenis gereconstrueerd. De verhalen die mensen vertellen, zeggen veel over hun perspectief op de wens. De ouders van de persoon met een kinderwens worden als enige constante factor gezien in de levensloop. Zij worden verondersteld het kind het best te kennen en een goed beeld te hebben van zijn of haar ouderschapscompetenties. In deze benadering wordt het contextuele denken van Boszormeyi-Nagy geïntegreerd, waarbij de invloeden van de verschillende generaties op elkaar in rekening worden genomen (Joha et al., 2006). Er wordt een hermeneutische cirkel opgesteld met daarin volgende elementen: lichamelijke ontwikkeling, verstandelijke ontwikkeling, sociale ontwikkeling, psychische en/of psychiatrische problematiek, levensgeschiedenis, emotionele ontwikkeling en draagkracht. Dit schema dient als handvat om een zo goed mogelijke inschatting te maken van het functioneren van de cliënt. Zo probeert men alle facetten die met de kinderwens te maken hebben in beeld te brengen. Men hoopt zo de betekenis van de kinderwens te begrijpen (Joha et al., 2006). 48

50 Figuur 1: De hermeneutische cirkel. Handelingsprotocollen In Nederland stelden een aantal organisaties richtlijnen op voor hulpverleners over hoe ze kunnen omgaan met de kinderwens van personen met een verstandelijke beperking (Joha et al., 2006). Het handelingsprotocol van Stichting Oro Een kinderwens en dan? (Janssen, Van de Laar, & Van Loon, 2007) willen we hier kort toelichten. Deze organisatie vertrekt vanuit de idee dat mensen met een verstandelijke beperking zoveel mogelijk zelf keuzes moeten kunnen maken over hun toekomst. De begeleiding en ondersteuning moet zo georganiseerd zijn dat ze deze keuzes kan faciliteren. De hulpverlener moet duidelijk de voor- en nadelen en de gevolgen van het krijgen van een kind verhelderen. Het is voor hen van groot belang dat de cliënt inzicht krijgt in zijn eigen mogelijkheden en beperkingen om een kind op te voeden. Het protocol gaat over hoe de hulpverlener de cliënt kan ondersteunen om inzicht te krijgen in zichzelf. Het protocol telt 5 grote fasen (Joha et al., 2006). Fase 1: Er is een uitgesproken wens van de cliënt of een vermoeden van de hulpverlener. In deze fase kijkt men of er een vertrouwensband is opgebouwd met de cliënt en wanneer een gesprek kan worden aangeknoopt over de kinderwens. Fase 2: Gesprek met de cliënt, het vermoeden van een kinderwens toetsen. In deze fase gaat men na of de cliënt seksuele voorlichting heeft gehad en of hij/zij nood heeft aan voorbehoedsmiddelen. 49

51 Fase 3: Dit is de onderzoeksfase. In deze fase probeert men in te schatten wat de cliënt weet over de voortplanting en men probeert een zicht te krijgen op het netwerk van de cliënt. Fase 4: In deze fase moet de hulpverlener zicht krijgen op wat de cliënt weet over het zorgen voor een kind. Hierover worden actiepunten opgesteld. Men vraagt het netwerk hoeveel ondersteuning zij kunnen en willen bieden bij de zorg voor een kind. In deze fase zal de wensouder gedurende minimaal twee weken de zorg en verantwoordelijkheid dragen voor een oefenpop. Hiermee kunnen ze ervaren hoe het zou zijn om voor een kind te zorgen. In deze fase bekijkt men ook of de cliënt kan meewerken in een kinderdagverblijf. Ook kan met de cliënt het spel Ik wil een goede ouder zijn gespeeld worden. Dit spel heeft als doel toekomstige ouders te laten beseffen wat het verzorgen van kinderen vraagt van ouders. Daarnaast wil het spel inzicht brengen in wat de deelnemers al weten en kunnen en wat ze nog moeten bijleren. Hierbij wil men ook bespreken of deze mensen de mogelijkheden hebben om de ongekende zaken aan te leren. Het spel kent 4 grote thema s: kinderen hebben liefde nodig, kinderen hebben gezond voedsel nodig, kinderen moeten schoon en gezond zijn, kinderen hebben een veilige omgeving nodig. Fase 5: Dit is de afrondingsfase. In deze fase kijkt men welke keuze de cliënt heeft gemaakt en biedt men nazorg. Heeft de cliënt geen kinderwens meer, dan kan gekeken worden hoe men deze beslissing een plaats kan geven. Heeft de cliënt een kinderwens en staat hij/zij open voor ondersteuning dan bekijkt men hoe men hem/haar kan ondersteunen bij het ouderschap. Wanneer de cliënt een kinderwens heeft, maar niet open staat voor ondersteuning dan zegt het protocol dat de hulpverlener hem/haar moet adviseren nog eens goed over de genomen beslissing na te denken. Er wordt afgesproken nogmaals over de keuze te praten. Oefenpop Deze pop, of de simulating baby werd reeds vernoemd in de vorige methodiek en is afkomstig uit de VS. In deze oefenpop zit een ingebouwd computertje dat op verschillende programma s kan worden ingesteld. Zo kan de moeilijkheidsgraad ingesteld worden van een makkelijke baby, een gewone baby tot een huilbaby. Het computertje registreert wanneer de pop huilt en hoe de cliënt hierop reageert. De cliënt moet proberen uit te 50

52 maken waarom de baby huilt en het de juiste zorg geven. De simulating baby kan tevens registreren of er verwaarlozing of mishandeling optreedt. De begeleider en de cliënt kunnen na afloop bespreken hoe het verzorgen is gegaan. Deze methodiek geeft de cliënt enkel inzicht in de eerste fase van het ouderschap. De oefenpop dient niet als examen, maar als een middel om de kinderwens te bespreken (Joha et al., 2006). Meer informatie over de oefenpop of de Real Care Baby kan u vinden op Kinderwens koffer De koffer Kinderen, waar kies ik voor? is ontwikkeld door asvz Zuid West Gezinsbegeleiding (http://www.asvz.nl/over_asvz/bijzondere_projecten/koffer.html). Deze koffer bevat materiaal, boekjes en een handleiding om de kinderwens bespreekbaar te maken. Een deel van het materiaal is gericht op hulpverleners, het andere deel is gericht op cliënten met een kinderwens. Het materiaal voor de hulpverleners bestaat uit oefenmateriaal om gesprekken te leren voeren met wensouders. Het materiaal voor de cliënten bestaat onder meer uit een spel om samen met hun begeleider hun toekomstwensen te verkennen. Men probeert de cliënt ook bewust te maken voor wat de keuze voor een kind inhoudt. Tevens gaat men met de cliënt kijken wie hen kan bijstaan bij het ouderschap. Als laatste vinden we in de koffer een zwangerschapsboek in begrijpelijke taal, waarin de verschillende fasen van de zwangerschap beschreven staan. 5. Tot slot Mensen met een verstandelijke beperking worden snel verbijzonderd als het gaat om kinderwens en ouderschap. In deze literatuurstudie hebben we getracht aandacht te schenken aan de idee dat zij op veel vlakken niet verschillen van andere (wens)ouders. Daarnaast hebben we geprobeerd om uit het ontradende perspectief te stappen en een genuanceerd beeld te brengen rond de kinderwens en het ouderschap van mensen met een verstandelijke beperking. 51

53 DEEL 2. ONDERZOEKSVRAGEN De positie van personen met een verstandelijke beperking is aan het evolueren van een persoon met halve rechten en een toekomst in een voorziening naar een volwaardige burger met gelijke rechten en plichten en een plaats in de maatschappij. Mede door de VN- Conventie met betrekking tot gelijke rechten van personen met een handicap (door België geratificeerd op 2 juli 2009) worden mensen met een beperking gestimuleerd en ondersteund in het opnemen van hun rechten en het maken van eigen keuzes en toekomstplannen. Mensen met een beperking moeten desgevallend ook ondersteuning kunnen krijgen bij de keuze voor een kind. Met de conventie in het achterhoofd ontwierp vzw VMG recent een methodiek die koppels en begeleiders een steuntje in de rug wil bieden bij het praten over dit onderwerp (korte inhoud van de methodiek in bijlage 2). In het werkveld hoort VMG vaak van begeleiders dat het niet evident is om rond kinderwens aan de slag te gaan. Ook voor koppels met een verstandelijke beperking blijkt het niet altijd voor de hand te liggen om een gesprek aan te knopen over hun wens. Het doel van de methodiek is het bespreekbaar maken van de kinderwens, zodat gevoelens en beleving rond deze wens geuit en beluisterd kunnen worden. Ook is het doel mensen met plannen om kinderen te krijgen te ondersteunen om een bewuste(re) keuze te maken. VMG had, vóór het ontwikkelen van deze vorming, kennis van een methodiek uit Nederland: de Kinderwens koffer. Deze koffer was naar hun gevoel echter gemaakt vanuit een afradende houding ten opzichte van de kinderwens van mensen met een verstandelijke beperking. Daarom besloten ze een nieuw vormingspakket uit te werken. VMG wou met hun vorming een eerder neutrale sfeer creëren rond de kinderwens, waarbij zowel de positieve als de negatieve kanten van het ouderschap worden belicht. De vorming bestaat zowel in de vorm van een individueel traject als in een groepsprogramma, maar heeft dezelfde inhoud. Het individuele traject wordt thuis doorlopen met de deelnemers en hun begeleider. De vorming is voor een eerste test in PowerPoint gegoten en op cd-rom aan de begeleiders meegegeven. De groepsvorming wordt gegeven met 3 koppels en een vormingswerker. De begeleiders van de deelnemers worden betrokken waar mogelijk en gewenst door de deelnemers. Graag had VMG hun nieuwe vormingspakket van bij de opstart tot en met de eerste uitvoeringen van het vormingsprogramma laten opvolgen. Ze wilden een zicht krijgen op hoe het proces, van bij de bekendmaking van de vorming tot het afsluiten van de eerste 52

54 vormingsprogramma s, verlopen is en wat de ervaringen waren van de deelnemers en hun begeleiders met de vorming. Dit onderzoek is een praktijkonderzoek. Het wordt aangewend om een concrete praktijk te optimaliseren en staat in dienst van VMG. Maso & Smaling (1998, p. 26) halen aan dat bij praktijkgericht onderzoek het accent ligt op het aanwenden van het onderzoek voor de oplossing van praktische problemen. Door met het onderzoek het proces van de vorming op te volgen en tussendoor, zeg maar na een eerste test, te evalueren, kunnen we spreken van a formative evaluation. Kenmerkend voor procesvolgend onderzoek is dat het beleid, soms zelfs de doelstellingen van het beleid, tijdens de rit worden bijgesteld (Swaans-Joha & Hox, 1989, p. 41). De onderzoeker rapporteert zijn bevindingen wanneer het proces lopende is (Bogdan & Biklen, 1988). Dit onderzoek is geen eindstadium voor de vorming Kinderwens, maar kan gezien worden als een eerste verkennende evaluatie en feedback op deze vorming. Het doel is tevens om praktisch advies te bieden met betrekking tot het programma, zodoende de vorming te optimaliseren. Met dit praktijkonderzoek willen we in opdracht van VMG nagaan hoe verschillende actoren de vorming Kinderwens ervaren hebben en hoe betrokkenen zich stellen tegenover deze kinderwens. Het onderzoek behelst 4 luiken, waarbij volgende onderzoeksvragen voorop gesteld werden: 1) Hoe is de opstart en de uitvoering van de vorming verlopen? 2) Waarom wil men al dan niet deelnemen aan de vorming kinderwens? Wat zijn de verwachtingen met betrekking tot de vorming? 3) Wat zijn de ervaringen van de verschillende actoren met de vorming, naar inhoud en vorm? 4) Hoe kijken de verschillende actoren naar de kinderwens? 53

55 DEEL 3. METHODOLOGIE 1. Onderzoeksopzet 1.1 Kwalitatief onderzoek We kozen ervoor kwalitatief onderzoek te hanteren bij het zoeken naar antwoorden op onze onderzoeksvragen. We zijn op zoek naar ervaringen, zienswijzen en betekenisverlening van mensen. En zoals Maso & Smaling (1998) aangeven, wordt kwalitatief onderzoek gebruikt wanneer men de betekeniswereld achter interacties, houdingen en ervaringen wil exploreren. We nemen in dit onderzoek aan dat iedereen zijn waarheid heeft. Er wordt geprobeerd de wereld vanuit het perspectief van de participanten te begrijpen (Kvale, 1996, p 1). Op die manier sluiten we aan bij het symbolisch interactionisme, dat zegt dat de werkelijkheid geconstrueerd wordt doorheen onderlinge interacties. Die geconstrueerde werkelijkheid moet onderzocht worden vanuit het standpunt van de betrokkenen in het proces. Kwalitatief onderzoek biedt ons de mogelijkheid flexibel om te gaan met onvoorziene omstandigheden en gebeurtenissen, waardoor we kunnen inpikken op wat zich in het onderzoek voordoet. 1.2 Keuze van de onderzoekseenheden Langs twee kanalen werd de oproep gelanceerd tot deelname aan de vorming en het onderzoek. Enerzijds werd de vorming bekend gemaakt in de halfjaarlijkse brochure van VMG, éénmaal in de brochure voor het voorjaar 2010, daarna nogmaals, wegens weinig respons, in de brochure voor het najaar Anderzijds werden vanuit dit onderzoek 39 organisaties Beschermd en Begeleid Wonen via aangeschreven in West-Vlaanderen, Oost-Vlaanderen en de regio s rond Antwerpen en Brussel (brief zie bijlage 3). Oorspronkelijk werden enkel West-Vlaanderen en de regio Gent aangeschreven, maar ook hier bleken weinig kandidaten, waardoor we het terrein verruimden. De regio s werden gekozen in functie van hun bereikbaarheid met het openbaar vervoer. De onderzoeker moest s avonds bij de deelnemers kunnen langsgaan en op dezelfde avond nog naar Wevelgem, haar woonplaats, kunnen terug keren. 54

56 Er werd gekozen om organisaties Beschermd en Begeleid Wonen aan te schrijven omdat men dacht dat in deze settings de vraag naar een vorming Kinderwens groter zou zijn, gezien de kans reëler leek dat de cliënten in deze organisaties concreet nadenken over het krijgen van een kind en deze wens ook eenvoudiger kunnen realiseren dan hun collega s in een residentiële setting. VMG doelde met hun vorming ook vooral op cliënten in ambulante begeleiding. Uit haalbaarheidsredenen werden de organisaties aangeschreven en niet de mensen met een verstandelijke beperking zelf. Dit zou als gevolg kunnen hebben dat mogelijks mensen met een kinderwens door hun begeleiders onthouden werden van de vorming. Van de 39 aangeschreven organisaties ontvingen er twee ons verzoek niet, wegens verkeerde adressen. Van de 37 organisaties die de ontvingen, kregen we 31 antwoorden (83,8%) terug. Sommige organisaties verzochten we met een tweede alsnog antwoord te geven op ons verzoek. Drie organisaties reageerden via de brochure van VMG. Dit maakt dat we uiteindelijk van 34 organisaties antwoord kregen op de vraag of ze al dan niet wensten deel te nemen aan de vorming en het onderzoek. 7 organisaties stemden in voor de deelname aan de vorming en het onderzoek, de overige 27 gaven een negatieve respons. Oorspronkelijk werd de oproep gericht tot koppels met een verstandelijke beperking en een kinderwens, maar de doelgroep werd verruimd naar mensen met een verstandelijke beperking en een kinderwens. Dit kwam er nadat een alleenstaand meisje van 14 zich had aangemeld. Ook schreef zich een vrouw in die reeds een kind had en zwanger was van haar tweede. Deze vrouw verkoos zonder haar vriend deel te nemen. VMG en dit onderzoek besloten alle kandidaten te laten deelnemen gezien het kleine aantal deelnemers voor zowel de individuele als de groepsvorming. We zagen de verruiming van de doelgroep ook als een grotere variatie aan zienswijzen en ervaringen voor ons onderzoek. Aan de vorming namen 5 koppels deel, één meisje zonder relatie en één vrouw waarvan de partner niet wou deelnemen. Wanneer we in dit onderzoek over de deelnemers zullen spreken, gebruiken we hiervoor fictieve namen om de vertrouwelijkheid en anonimiteit te garanderen. Elke participant aan het onderzoek gaf tevens zijn geïnformeerde toestemming voor het onderzoek. Hiervoor kregen de participanten een formulier dat ze konden ondertekenen (zie bijlage 4). Dit formulier vermeldde onder meer dat de onderzoeksgegevens geheel 55

57 vertrouwelijk en anoniem zouden verwerkt worden en dat iedere participant op gelijk welk moment de samenwerking kon stopzetten. De groepsvorming bestond uit 3 koppels. Deelnemers Leeftijd Relatie Begeleider Nele & Peter 23 & 30 jaar Samenwonend en verloofd Begeleider Begeleid Wonen Ilse & Koen 29 & 34 jaar Samenwonend Begeleider Begeleid Wonen 1 begeleider & 1 begeleidster Els & Bart 28 & 30 jaar Samenwonend Begeleid Wonen De individuele vorming bestond uit 2 koppels en 2 dames. Deelnemers Leeftijd Relatie Begeleider Sandra & Danny 21 & 29 jaar Samenwonend en getrouwd Begeleidster Begeleid Wonen Dorien & Jan 28 & 43 jaar Samenwonend en getrouwd Begeleidster Begeleid Wonen Lotte 14 jaar Geen relatie Orthopedagoge op school Samenwonend en mama van Lies 21 jaar éénjarig zoontje Begeleidster Begeleid Wonen Alle mensen, behalve Lotte, worden begeleid in Begeleid Wonen. Alle begeleiders van de individuele vorming waren vrouwen, de meeste begeleiders van de groepsvorming waren mannen. Er werd geopteerd om alle betrokken actoren bij de vorming Kinderwens te bevragen naar hun ervaringen met de vorming en meningen over de kinderwens. De betrokken actoren bestonden uit de mensen met een kinderwens van zowel de individuele als de groepsvorming, hun begeleiders, een vormingswerker van VMG die de groepsvorming leidde en de onderzoeker van dit onderzoek die via participatieve observatie aan de groepsvorming deelnam. 1.3 Dataverzameling Er werd verkozen om op verschillende manieren en tijdstippen data te verzamelen. Vooreerst werden de aangeschreven organisaties met een korte schriftelijke vragenlijst bevraagd naar de reden voor het al dan niet deelnemen aan de vorming (zie bijlage 3). 56

58 Vervolgens werden volgende methodieken gehanteerd: semigestructureerde preinterviews, tussentijdse schriftelijke feedback, participerende observaties en semigestructureerde post-interviews. Semigestructureerd pre-interview Alle deelnemers en hun begeleiders van beide vormingstrajecten werden een eerste keer via een semigestructureerd interview bevraagd naar hun verwachtingen omtrent de vorming en hun kijk op de kinderwens (zij bijlage 5). Het pre-interview had tevens de intentie kennis te maken met de participanten en vertrouwen te creëren. We hoopten zo de betrokkenheid van de participanten bij het onderzoek te versterken. Het semigestructureerd interview werd als leidraad gebruikt in het gesprek, waarbij de onderzoeker, buiten de vooropgestelde vragen, ook openstond voor het ruimere verhaal van de geïnterviewde. Bijna alle interviews vonden plaats bij de deelnemers thuis. Dit zorgde ervoor dat de mensen in een voor hen veilige setting konden kennis maken met de onderzoeker en het onderzoeksproject. Enkel Lotte werd bevraagd op school. Aan de begeleiders werd gevraagd waar ze het liefst werden geïnterviewd. Drie van de vier begeleiders uit het individueel traject werden in het huis van hun cliënten geïnterviewd. De orthopedagoge van Lotte werd bevraagd op school. De begeleiders van de groepsvorming verkozen bevraagd te worden op VMG. Wat de participanten vertelden werd simultaan neergeschreven op de pc, waarbij de pc zo opgesteld stond dat ze zelf konden meelezen wat de onderzoeker aan het typen was. Zo konden ze de onderzoeker aanvullen of verbeteren bij het uitschrijven van de antwoorden. Elk interview nam ongeveer 30 à 45 minuten in beslag. Tussentijdse schriftelijke feedback Tijdens de individuele vorming werd maandelijks contact gehouden met de begeleiders via , waarbij hen de vraag werd gesteld naar hoe de vorming liep en of er opmerkingen, moeilijkheden of opvallendheden waren. Het gebruik van werd verkozen gezien dit het meeste haalbaar was in tijd. Ook om redenen van haalbaarheid werd geopteerd om feedback te vragen aan begeleiding en niet aan cliënten. Telefonische feedback of via e- mail leken ons communicatiemiddelen die al wat moeilijker liggen voor mensen met een verstandelijke beperking. 57

59 Participerende observatie Maso & Smaling (1998) definiëren participerend observatie als het deelnemen aan de activiteiten van de betrokkenen waardoor men, door inleving en meebeleving, een zicht kan krijgen in het voor het onderzoek interessante interacties, opvattingen, houdingen, ervaringen en sociale interacties. De groepsvorming werd via participerende observatie bijgewoond door de onderzoeker. Ze participeerde in die zin dat ze een koppel met de trein begeleidde naar VMG, dat ze aanwezig was en observeerde bij de sessies en dat ze af en toe functioneerde als cobegeleider tijdens de vorming. De taak als co-begeleider hield in dat er geholpen werd bij het schrijven en dat ze af en toe zelf vragen stelde aan de koppels. Bij deze participerende observatie werd gebruik gemaakt van een audio-recorder. Dit werd verkozen boven het schriftelijk noteren van observaties, gezien dit het groepsgebeuren kon hinderen. Na enkele minuten waren de koppels de recorder vergeten en hadden ze niet constant het gevoel geobserveerd te worden. Voor het gebruik van de audio-recorder werd aan alle koppels de toestemming gevraagd. De participerende observaties betroffen 10 sessies van telkens 1u30 à 2u. De bevindingen en observaties uit de groepsvorming werden tevens door de onderzoeker neergeschreven in een onderzoeksdagboek. In dit logboek werd ook het verloop van de ontwikkeling en uitvoering van de vorming bijgehouden. Semigestructureerd post-interview De tussentijdse feedback vanuit de individuele vorming en de observaties uit de groepsvorming dienden om de tweede reeks interviews na afloop van het doorlopen traject vorm te geven. Ook kon er in het post-interview teruggekoppeld worden naar bevindingen uit het pre-interview. Er kon in deze post-interviews bijvoorbeeld verwezen worden naar de verwachtingen die men had vóór de vorming, waarbij men de participanten vroeg of deze verwachtingen na de vorming ingelost waren. De resultaten uit de pre-interviews, de tussentijdse feedback en de participerende observatie dienden op die manier deels als geheugensteuntje bij de retrospectieve bevraging. De post-interviews van de deelnemers werden opnieuw bij hen thuis gehouden. De begeleiders werden deze keer afzonderlijk geïnterviewd op het secretariaat van hun dienst Begeleid Wonen of op school, behalve de begeleidster van Lies. Zij verkoos bij Lies thuis 58

60 geïnterviewd te worden. We opteerden om de begeleiders niet in het bijzijn van hun cliënten te interviewen, omdat we zo een ongecensureerd verhaal wilden horen. Bij de preinterviews hadden we namelijk bij sommige begeleiders de indruk gehad dat ze niet geheel open hun mening durfden te uiten in het bijzijn van hun cliënten. Er werd gekozen om de post-inteviews op te nemen met een audio-recorder, dit omdat we bij de pre-interviews het gevoel hadden dat er spontane en anekdotische informatie verloren ging bij het typen en de gesprekken minder vloeiend verliepen. We stelden de participanten voor om het interview op te nemen, maar men kon steeds blijven kiezen voor de computer. Eén koppel wou niet dat het interview opgenomen werd en verkoos de computer. Ook de post-inteviews hadden het karakter van een semigestructureerde bevraging (zie bijlage 6). Naast de begeleiding nam ook de vormingswerker van VMG deel aan een post-interview op VMG. De post-inteviews namen ongeveer 1 uur in beslag. De post-interviews voor het groepstraject vonden plaats op het moment dat de groepsvorming nog niet ten einde was. Normaalgezien was de laatste groepssessie gepland op 05/04/11, maar op dat tijdstip had men nog maar de helft van de inhoud doorgenomen. Gezien VMG geen idee had van wanneer de vorming kon afgerond worden, werd er vanuit het onderzoek verkozen om in dit stadium reeds de post-interviews af te leggen. Zo kan deze studie op tijd afgewerkt worden. Zoals eerder vermeld is deze studie voor VMG ook niet het eindpunt, maar een formatieve evaluatie. Bij de semigestructureerde interviews werd getracht zoveel mogelijk open vragen te stellen, maar dit bleek niet altijd zo eenvoudig. We stelden soms ja/nee-vragen, maar vroegen de deelnemers verdere uitleg of voorbeelden te geven bij hun antwoord. We kozen ervoor de koppels steeds als entiteit te interviewen. Dit was voor ons meer haalbaar in tijd. Wel lieten we beide partners van het koppel aan het woord komen en schreven we hun ervaringen neer vanuit hun eigen naam, niet als koppel. Alle audio-bestanden werden letterlijk getranscribeerd. Hiermee willen we recht doen aan de sociale werkelijkheid van de respondenten (Maso & Smaling, 1998). 59

61 Aantal momenten van dataverzameling versus aantal participanten Gezien het relatief kleine aantal participanten, 12 deelnemers, 7 begeleiders, 1 vormingswerker en 1 onderzoeker, kozen we ervoor op verschillende momenten data te verzamelen. Dit doen we in de lijn van Morse (2000) die aangeeft dat bij kwalitatief onderzoek het eerder gaat over het aantal momenten van dataverzameling dan over het aantal participanten. Hoe groter de hoeveelheid data per participant, hoe minder participanten nodig zijn in de studie. Een gedetailleerd verslag van de implementatie en het verloop van de vorming en het onderzoek, kan u vinden bij de resultaten. Daarin kunt u zien dat de vorming en het onderzoek met elkaar verwerven zijn. 1.4 Analyse van de gegevens Voor de analyse van de gegevens werd gebruik gemaakt van NVIVO 9, als instrument om de data overzichtelijk te maken en thema s te ontdekken. We hadden niet echt de bedoeling bestaande theorieën te toetsen zoals in experimenteel onderzoek het geval is (Bogdan & Bilken, 1998), maar we leunen eerder aan bij de grounded theory die eind jaren 60 door Glaser en Strauss werd geïntroduceerd. De inductieve manier van onderzoeken leek ons gepast voor deze exploratieve studie. Smith, Harré en Van Langenhove (1995) halen een aantal voordelen van de grounded theory aan die voor dit onderzoek goed van pas komen. Er is bijvoorbeeld geen vooropgestelde hypothese nodig om tot resultaten te komen en tijdens de dataverzameling kunnen er reeds gegevens geanalyseerd worden. De onderzoeker kon met behulp van NVIVO 9 aan alle betekenisvolle data een code toekennen. Met de gevormde codes werd op een inductieve manier op zoek gegaan naar overkoepelende thema s en subcategorieën. Met de codes werden uiteindelijk verschillende boomstructuren opgezet, per onderzoeksvraag één boomstructuur. Deze structuur is tevens terug te vinden in de ordening van de resultaten. De informatie uit de verscheidene databronnen, verkregen door verschillende participanten en verschillende onderzoeksinstrumenten, werden in dit proces met elkaar vergeleken. Voor de resultaten op de eerste onderzoeksvraag werd geen gebruik gemaakt van NVIVO 9. De verwerking van het onderzoeksdagboek dient als resultaat op deze onderzoeksvraag. 60

62 2. Methodologische kwaliteit 2.1 Objectiviteit Het streven naar objectiviteit in kwalitatief onderzoek betekent volgens Maso & Smaling (1998) vooral recht doen aan het object van studie. Het gaat erom het object van studie te laten spreken en niet te vertekenen (Maso & Smaling, 1998, p. 66). De onderzoeker is zich in deze studie bewust van haar subjectiviteit. Deze subjectiviteit kreeg plaats in het onderzoeksdagboek, waardoor de onderzoeker haar subjectiviteit positief probeerde aan te wenden en te scheiden van de andere onderzoeksgegevens. Hieronder bespreken we in welke mate we getracht hebben de betrouwbaarheid en validiteit binnen het onderzoek te verhogen. Volgens Maso & Smaling (1998) zijn dit de twee meest gangbare vormen om objectiviteit na te streven. 2.2 Betrouwbaarheid Betrouwbaarheid betekent in kwalitatief onderzoek de herhaalbaarheid van de tussen- en eindresultaten van een onderzoek. Gezien de participanten en de onderzochte praktijken veranderen doorheen de tijd, kunnen we slechts een virtuele herhaalbaarheid van het onderzoek verlangen. Dit betekent dat door een uitgebreide rapportage van de oorspronkelijke uitvoering van het onderzoek, het in principe mogelijk moet gemaakt worden het onderzoek over te doen door andere onderzoekers in dezelfde situatie en met dezelfde instrumenten (Maso & Smaling, 1998). De resultaten van de studie mogen dus niet afhankelijk zijn van de uitvoering van het onderzoek (Jannssens, 1985). Externe betrouwbaarheid De mate waarin onderzoekers in eenzelfde gebied, onafhankelijk van elkaar, dezelfde begrippen zouden ontwikkelen (Janssens, 1985). We hebben in dit onderzoek de externe betrouwbaarheid proberen te verhogen door nauwkeurig te beschrijven hoe de respondenten werden geselecteerd, in welke omstandigheden de interviews werden afgenomen, in welke sociale context we de vorming Kinderwens konden plaatsen en wie onze respondenten juist zijn. Bij het voorstellen van de respondenten wilden we enkel informatie verschaffen die we als nuttig aanschouwden voor 61

63 deze studie. Uit respect voor onze respondenten gaven we geen verdere gegevens vrij. Ook de rollen van de onderzoeker werden toegelicht. We hebben getracht de aangewende methoden en instrumenten duidelijk te omschrijven. Onze methodologische keuzes werden uiteen gezet. Met de literatuurstudie probeerden we theoretische kaders scherp te stellen, zodat de gehanteerde concepten in dit onderzoek duidelijk werden. Interne betrouwbaarheid De mate waarin verschillende onderzoekers, binnen hetzelfde onderzoeksproject, tot dezelfde resultaten zouden komen (Janssens, 1985; Maso & Smaling, 1998). In dit onderzoek werd getracht de interne betrouwbaarheid te verhogen door tijdens de registratie van de data, de verzamelde gegevens te scheiden van persoonlijke interpretaties. Deze persoonlijke bemerkingen werden in het onderzoeksdagboek genoteerd. Wat de respondenten vertelden in de pre-interviews werd uitgetypt waar de respondent bijzat. Deze kon de accuraatheid van het geschrevene beoordelen. De gegevens uit de participerende observatie en post-interviews werden met een digitale audio-recorder opgenomen en letterlijk uitgeschreven, zo kon geen informatie verloren gaan. Deze twee werkwijzen zorgden ervoor dat de gegevens gescheiden bleven van persoonlijke interpretaties en dat vertekeningen van de sociale werkelijkheid vermeden werden. Met het gebruik van audio-opnames hadden we het doel de gegevensverzameling te mechaniseren en automatiseren (Maso & Smaling, 1998). Voor de verwerking en analyse van de gegevens werd NVIVO 9 gehanteerd. De codering van tekstfragmenten met dit programma maakt het mogelijk allerlei combinaties te maken met veel minder kans op fouten; andere onderzoekers kunnen de coderingen en analyses ook beter controleren (Maso & Smaling, 1998, p. 69). Bij het beschrijven van de resultaten worden letterlijke citaten van de respondenten benut om de betrouwbaarheid van de uitkomsten te verhogen. 62

64 2.3 Validiteit Validiteit betekent de vraag of de geproduceerde kennis de werkelijkheid correct weergeeft (Cook & Campbell, 1979, in Leveringen & Smeyers, 1999). In dit onderzoek willen we vooral op zoek gaan naar de sociale werkelijkheid van de verschillende actoren. Interne validiteit Interne validiteit is de validiteit binnen een onderzoeksproject. Het betreft vooral de deugdelijkheid van de argumenten en redeneringen die tot de onderzoeksconclusies leiden. De argumentering moet zoveel mogelijk vrij zijn van systematische vertekeningen (Maso & Smaling, 1998). De resultaten moeten een authentieke weergave zijn van de sociale werkelijkheid (Janssens, 1985). We probeerden de interne validiteit te verhogen door onze resultaten duidelijk in het onderzoek te beargumenteren met letterlijke citaten uit de data. Daarnaast hanteerden we twee vormen van triangulatie om verschillende perspectieven op dezelfde situatie te verkrijgen (Maso & Smaling, 1998). Enerzijds werd er gebruik gemaakt van methodetriangulatie, waarbij de data op verschillende manieren werd verkregen. Semigestructureerde interviews, schriftelijke bevragingen, participerende observaties en het onderzoeksdagboek waren de technieken om tot informatieverzameling te komen. Anderzijds bestond de groep respondenten uit de verschillende betrokkenen bij de vorming, namelijk de deelnemers met een kinderwens, hun begeleiders, de vormingswerker van VMG en de onderzoeker. Zo kon er ook aan bronnentriangulatie worden gedaan. Wanneer de pre-interviews uitgeschreven werden op de pc, konden de geïnterviewden meelezen en wijzigingen aangeven. Hier pasten we een members check toe. Bij de audio-opnames respecteerden we de sociale werkelijkheid van de respondenten door de gesprekken letterlijk uit te typen. Ten slotte kunnen ook de langdurige participerende observaties tijdens de 10 groepssessies de interne validiteit verhoogd hebben (Maso & Smaling, 1998). Gedurende die sessies werd het vertrouwen gewonnen en spraken de deelnemers openlijk over hun ervaringen. 63

65 Externe validiteit Externe validiteit wordt meestal opgevat als de generaliseerbaarheid van onderzoeksconclusies naar andere personen, fenomenen, situaties en tijdstippen dan die van het onderzoek (Maso & Smaling, 1998, p. 73). Bij het evalueren van een vormingsprogramma is de generaliseerbaarheid van de resultaten geen doelstelling van het onderzoek (Maso & Smaling, 1998). De externe validiteit behoort dus niet echt tot het objectiviteitstreven van deze studie (Maso & Smaling, 1998). Als een typisch kwalitatieve versie van externe validiteit wordt ook wel overdraagbaarheid genoemd. In praktijkgericht onderzoek komt overdraagbaarheid neer op bruikbaarheid of benuttingswaarde van het onderzoek (Maso & Smaling, 1998, p. 78). De doelstelling van dit onderzoek is dan ook om VMG van dienst te zijn en de vorming Kinderwens te optimaliseren. 64

66 DEEL 4. RESULTATEN We beschrijven hiernavolgend de resultaten op de vier onderzoeksvragen: 1. Hoe is de opstart en de uitvoering van de vorming verlopen? 2. Waarom wil men al dan niet deelnemen aan de vorming kinderwens? Wat zijn de verwachtingen met betrekking tot de vorming? 3. Wat zijn de ervaringen van de verschillende actoren met de vorming, naar inhoud en vorm? 4. Hoe kijken de verschillende actoren naar de kinderwens? 1. Hoe is de opstart en de uitvoering van de vorming verlopen? De onderzoeker hield van bij de opstart van de vorming een onderzoeksdagboek bij waarin ze bijhield welke stappen door VMG werden doorlopen bij het opzetten en uitvoeren van het nieuwe vormingspakket. Als antwoord op deze eerste onderzoeksvraag vindt de lezer hier fragmenten uit het onderzoeksdagboek. We bespreken achtereenvolgens: 1. Werving van de deelnemers 2. Van de groepsvorming naar een individueel traject 3. Aanpassing aan het vormingspakket 4. Verloop individuele vorming 5. Verloop groepsvorming 6. Individuele vorming versus groepsvorming 1.1 Werving van deelnemers In onderstaand schema vindt u wanneer de vorming werd ontworpen en wanneer de deelnemers voor de vorming en het onderzoek werden geworven. Periode Actie Inschrijving najaar 2009 ontwerp groepsvorming \ voorjaar 2010 vormingsaanbod in brochure VMG 1 inschrijving groepsvorming mei juni 2010 ontwerp individuele vorming \ midden mei organisaties Beschermd en Begeleid Wonen aangeschreven per in West-Vlaanderen en regio Gent 1 inschrijving groepsvorming 2 inschrijvingen individuele vorming najaar 2010 vormingsaanbod in brochure VMG 1 inschrijving groepsvorming eind september organisaties Beschermd en Begeleid 2 inschrijvingen individuele vorming Wonen aangeschreven per in Oost-Vlaanderen en regio's Antwerpen en Brussel 65

67 Uit de opstartfase in het voorjaar 2010 blijkt dat er zeer weinig kandidaten zich aanmeldden voor een deelname aan de vorming en het onderzoek. Er wordt beslist vanuit dit onderzoek een aantal diensten Beschermd en Begeleid Wonen aan te schrijven per e- mail. Wanneer ook hier weinig respons op komt, besluit men de regio uit te breiden. Naast het uitbreiden van het wervingsterrein, wordt beslist ook het profiel van de doelgroep te verruimen. Oorspronkelijk was de vorming gericht op koppels, officieus had VMG ook in gedachten dat deze koppels nog geen kinderen zouden hebben. De verruiming komt er nadat twee personen zich hadden aangemeld die verschilden van het oorspronkelijk vooropgesteld profiel. Het betrof een meisje zonder relatie en een zwangere vrouw, die reeds mama was van een éénjarig kind. Deze laatste wenste zonder partner deel te nemen. 1.2 Van de groepsvorming naar een individueel traject Bij het uitbrengen van de brochure in het voorjaar 2010 kreeg VMG vanuit verschillende organisaties het antwoord dat er wel koppels met een kinderwens waren, maar deze het niet zagen zitten om deel te nemen aan een groepsvorming. Vanuit deze bevindingen besloot VMG de inhoud van de groepsvorming in een individueel programma te gieten, waarbij koppels met een kinderwens samen met hun begeleider het individuele traject thuis konden doorlopen. In mei en juni 2010 kreeg het individuele traject vorm, waarbij er ook vanuit dit thesisonderzoek medewerking werd verleend om de inhoud van de groepsvorming naar een individueel traject te vertalen. De inhoud van het individuele programma werd voorlopig in PowerPoint ontworpen en op cd-rom gezet. 1.3 Aanpassing aan het vormingspakket Aan de hand van gegevens uit de pre-interviews van de deelnemers uit Roeselare en Huldenberg en advies vanuit de vorming Vraagverduidelijking van Handicum (september 2010) werd de oorspronkelijke individuele vorming licht gewijzigd. Uit de pre-interviews kwam naar voor dat de deelnemers graag concrete vaardigheden wilden leren en dat begeleiders vonden dat hun cliënten zich soms moeilijk zaken en handelingen in de toekomst kunnen voorstellen. Vanuit Handicum gaf men het advies dat een wens in kleine stapjes moet worden opgesplitst, waarbij men samen met de cliënt nagaat per aspect van de wens, hier het 66

68 ouderschap, wat hij/zij al kan, wat nog zou moeten geleerd worden en waar het goed en fout zou kunnen lopen. VMG opteerde vanaf dan om oefen- of belevingsmomenten in de individuele vorming te verwerken om de materie concreter vorm te geven. De deelnemers uit Wilrijk en Temse vatten hun vormingsprogramma met de licht gewijzigde inhoud aan. 1.4 Verloop individuele vorming Onderstaand schema maakt duidelijk wanneer de individuele trajecten werden opgestart en geëindigd. Plaats Deelnemers Begeleiding Start traject Einde traject Roeselare Sandra & Danny 1 begeleidster begin september 2010 begin januari 2011 Huldenberg Lotte 1 begeleidster eind september 2010 midden januari 2011 Temse Dorien & Jan 1 begeleidster eind oktober 2010 eind januari 2011 Wilrijk Lies 1 begeleidster midden november 2010 midden februari 2011 Bij de opstart van deze trajecten werd kennis gemaakt met de deelnemers, informatie verschaft rond de werkwijze van de cd-rom en zowel de deelnemers als de begeleiders werden bevraagd naar hun verwachtingen omtrent de vorming. Eind juni werd de vorming reeds bij de deelnemers uit Roeselare en Huldenberg geïntroduceerd, maar zij hebben het traject pas aangevat in september. Het individuele traject werd doorlopen bij de deelnemers thuis, aan de keuken- of livingtafel. Na het beëindigen van het traject werden alle deelnemers en begeleiders een tweede maal geïnterviewd. Meer informatie over de ervaringen met het individuele traject verschaffen we in het antwoord op onderzoeksvraag Verloop groepsvorming Aan de groepsvorming namen 3 koppels deel. Hun begeleiders participeerden ook in het onderzoek. Plaats Deelnemers Begeleiders Wanneer ingeschreven Lokeren Els & Bart 1 begeleider & 1 begeleidster juni 2010 Kortrijk Nele & Peter 1 begeleider september 2010 Sint-Niklaas Ilse & Koen 1 begeleider januari

69 Ook bij de koppels uit de groepsvorming werd thuis kennis gemaakt. Hierbij werden de pre-interviews afgenomen van de deelnemers en hun begeleiders. In volgend schema schetsen we het verloop van de groepsvorming. Datum Inhoud Aanwezig Plaats 27/10/2010 Inleidende sessie koppel Lokeren + 2 begeleiders VMG koppel Kortrijk + begeleider 20/11/2010 Hoofdstuk 1 koppel Kortrijk VMG 2/12/2010 Hoofdstuk 1 koppel Gent VMG 13/01/2011 Hoofdstuk 1 koppel Sint-Niklaas VMG 13/01/2011 Hoofdstuk 2 koppel Sint-Niklaas VMG koppel Lokeren 15/01/2011 Hoofdstuk 2 (inhaalles) koppel Kortrijk bij koppel thuis 3/02/2011 Hoofstuk 3 deel 1 alle koppels VMG 26/02/2011 Afgelast 17/03/2011 Hoofstuk 3 deel 2 alle koppels VMG 24/03/2011 Afgelast 2/04/2011 Hoofdstuk 3 herhalen koppel Sint-Niklaas VMG 5/04/2011 Hoofdstuk 3 herhalen koppel Kortrijk VMG Hoofdstuk 4 VMG vatte de vorming aan met 2 koppels, in januari werd de groep aangevuld door een derde koppel. In december kwam een koppel uit Gent één maal naar de vorming, maar besloot toen niet verder deel te nemen aan de vorming en het onderzoek. In de inleidende sessie werden zowel deelnemers als begeleiders uitgenodigd. De vorming en methodiek werd uit de doeken gedaan. Er werd aangekondigd dat men met de deelnemers zou overleggen of er bij de volgende sessies al dan niet begeleiders zouden mogen aanwezig zijn en men zou kijken of er oefenmogelijkheden met kinderen thuis konden gepland worden. Ook werd afgesproken dat men de data voor de volgende bijeenkomsten telkens na iedere sessie in overleg met de deelnemers zou vastleggen. Op één sessie na vonden alle vormingssessies plaats in VMG. Er werd gewerkt aan een ronde tafel, met de bedoeling interacties en gesprekken op gang te brengen. Er werd geen gebruik gemaakt van PowerPoint, wel van werkblaadjes met gelijkaardige inhoud als de individuele vorming. Ook werden er spelmethodieken gebruikt, zoals het opsteken van rode en groene kaartjes bij stellingen en een ganzenbord bij hoofdstuk 4 Wat zou er veranderen in mijn leven als ik een kindje krijg?. 68

70 Verdere informatie over de ervaringen met de inhoud en de vorm van de groepsvorming wordt verschaft in het antwoord op onderzoeksvraag 3. Hoofdstuk 1 werd drie maal overgedaan, gezien telkens maar één koppel kon aanwezig zijn. Het koppel uit Lokeren volgde door omstandigheden hoofdstuk 1 niet mee. Twee sessies werden afgelast, omdat koppels de afspraak annuleerden. De data van de sessies op 02/04 en 05/05 werden, in tegenstelling tot de vorige sessies, door de vormingswerker vastgelegd. VMG besloot deze sessies te laten doorgaan ongeacht het aantal koppels dat aanwezig kon zijn. 05/04 was oorspronkelijk gepland als de laatste vormingsessie, maar na de paasvakantie werden opnieuw vormingsmomenten georganiseerd, gezien het programma nog niet volledig doorlopen was. Van de 6 hoofdstukken, konden er nog maar 3 volledig afgewerkt worden. Gezien VMG nog geen zicht had op het moment waarop de vorming zou afgerond kunnen worden, werd er vanuit dit onderzoek besloten de deelnemers van de groepsvorming en hun begeleiders reeds te bevragen naar hun ervaringen met vorming tot dusver. Deze interviews vonden midden april plaats. 1.6 Individuele vorming versus groepsvorming We stelden vast dat de individuele vormingen in 3 à 4 maanden volledig doorlopen werden. De groepsvorming daarentegen kon in een totale tijdspanne van 5 maanden (van eind oktober tot begin april) slechts de helft van de vorming afleggen. 2. Waarom wil men al dan niet deelnemen aan de vorming Kinderwens? Wat zijn de verwachtingen met betrekking tot de vorming? Toen de organisaties Beschermd en Begeleid Wonen werden aangeschreven met de vraag of ze wilden deelnemen aan de vorming en het onderzoek, werd tevens bevraagd waarom ze al dan niet wensten in te gaan op ons verzoek. 34 organisaties gaven antwoord op deze vraag. We bespreken eerst waarom 27 van de 34 organisaties niet wensten deel te nemen. Daarna bekijken we de motivaties voor deelname en de verwachtingen van de vorming bij 69

71 cliënten. We sluiten dit deel af met de motivaties voor deelname en de verwachtingen van de vorming bij begeleiders. 2.1 Geen deelname Vanuit de 27 negatieve responsen konden we volgende motieven constateren. De vaakst aangehaalde reden was dat de organisaties momenteel geen mensen in begeleiding hadden met een kinderwens. Bij onze cliënten binnen Beschermd Wonen is er géén kinderwens (gekend). Of geen concrete of uitgesproken kinderwens Helaas kunnen wij niet ingaan op jullie verzoek om mee te werken aan jullie onderzoek omdat we op dit moment geen ouders hebben met een concrete kinderwens. Sommige diensten meldden dat ze geen koppels hebben in Beschermd of Begeleid wonen of dat hun koppels niet voldoen aan het profiel van de doelgroep van het onderzoek. Dit profiel werd door de organisaties niet verder omschreven. Wij wensen echter niet deel te nemen omdat wij, zowel in de afdeling dagbesteding als in de afdeling wonen, geen mensen hebben die behoren tot de doelgroep die door u wordt beschreven. Sommige organisaties wensten niet deel te nemen gezien ze het onderwerp moeilijk bespreekbaar of zeer intiem vonden. Na overleg met de begeleiders hebben wij ervoor gekozen niet deel te nemen aan uw onderzoek, en dit daar het onderwerp kinderwens niet altijd even gemakkelijk bespreekbaar is binnen de begeleiding. Het door u aangesneden onderwerp is zeer intiem en vraagt veel begeleiding (en opvang). In die zin blijven we binnen het team in gesprek met mensen die een kinderwens hebben. Er waren ook organisaties die graag hadden deelgenomen, maar waarvan de cliënten 70

72 een deelname niet zagen zitten. Wij hebben hier intern de vraag gesteld aan onze cliënten die in aanmerking zouden komen voor uw onderzoek, maar ze wensen helaas niet mee te werken. Dat is meestal nogal een gevoelig onderwerp. We hebben momenteel geen cliënten in begeleiding die willen praten of werken rond hun kinderwens. Andere redenen die werden vermeld waren: het netwerk van het koppel staat weigerachtig tegenover hulp, de vrouw is gesteriliseerd, we staan niet ver genoeg in het relatietraject, onze organisatie wil zelf rond de kinderwens werken, de begeleiders hebben geen tijd om mee te werken en we nemen al aan andere onderzoeken deel. Ondanks de vele negatieve reacties, haalden verschillende organisaties aan dat dit hen een interessant onderzoek leek. Alvast een mooi initiatief over een zeer herkenbaar thema! We bedanken je alleszins voor je uitnodiging en zouden, indien mogelijk, wel op de hoogte willen gehouden worden over de resultaten van je onderzoek. 2.2 Motivaties en verwachtingen van cliënten Naast de 27 organisaties die niet wensten deel te nemen, stonden er ook 7 organisaties klaar om in de vorming en het onderzoek te stappen. Alle cliënten werden via hun begeleiders op de hoogte gebracht van de mogelijkheid tot vorming. Onze begeleider heeft de vorming kort voorgesteld, maar nog niet echt inhoudelijk. Gewoon de mededeling gedaan dat er een mogelijkheid is om een vorming rond kinderwens te volgen. We bespreken eerst de motivaties van de cliënten, daarna komt een luik over hun verwachtingen m.b.t. de vorming. 71

73 2.2.1 Motivaties voor deelname Zowel mensen met een kinderwens die de individuele vorming zouden volgen, als de deelnemers aan de groepsvorming gaven aan dat ze deelnamen omdat ze graag informatie wilden over het onderwerp kinderwens. We willen deelnemen uit interesse voor het onderwerp. Beide groepen wilden graag leren hoe het is om een kindje te verzorgen en op te voeden. Ik wil de vorming volgen om te zien en te weten hoe dat dat in werkelijkheid is om voor kindjes te zorgen. Wat komt er allemaal bij kijken bij een kindje? Ik wil leren hoe we best om kunnen gaan met een kind, de basishandelingen. Het kan interessant zijn voor wanneer we kinderen hebben of in de toekomst kinderen hebben. Het is leerzaam om te weten hoe je kan omgaan met kinderen. Zowel mensen uit het individueel traject als uit het groepsprogramma motiveerden hun deelname met de reden dat ze graag een kindje zouden willen. Andere redenen voor deelname waren: iets willen leren over baby s of kindjes, nood aan praten over kinderwens en kinderen, omdat mijn partner het wil, om te helpen met uw eindwerk en het is leuk de mensen van VMG terug te zien Verwachtingen van de vorming Alle deelnemers hadden de verwachting dat ze zouden leren hoe een kind verzorgd moet worden. Flesjes opwarmen, baby leren verzorgen. Ik zou graag weten hoe ik het kindje fruitpap moet geven op latere leeftijd en hoe warm het water mag zijn. Hoe je ze moet vastpakken, aankleden, eten geven, in wiegje leggen, in maxi-cosi of park leggen. Of een park handig is Hoe je met het kindje moet omgaan, wanneer ze ziek zijn. 72

74 Vier deelnemers hadden deze vaardigheden graag ingeoefend. Oefenen met een pop. Bijvoorbeeld de pop aankleden. En hoe je de pamper moet aandoen. Twee van de drie koppels in het groepstraject legden de nadruk op het zelfstandig leren zorgen voor een kind. Ik hoop dat we er iets uit leren, dat we later onze plan kunnen trekken met ons kind. Ik wil leren een kind verzorgen, zonder onder toezicht te staan van de één of de ander. Naast de verzorging van een kind vermoedden mensen uit beide groepen ook bij te leren over kinderen en de ontwikkelingsstadia. We verwachten iets te leren over de taal van een kindje. Weten wanneer ze tandjes krijgen. Sommigen verwachtten ook te leren hoe ze een kind moeten opvoeden. Hoe voed ik een kind op, hoe moet ik omgaan met kinderen? Een koppel uit de individuele vorming dacht te leren over de zwangerschap, een koppel uit de groepsvorming dacht te leren over de erfelijkheid van hun beperking. 2.3 Motivaties en verwachtingen van begeleiders Zoals eerder vermeld werden 3 van de 7 begeleiders op de hoogte gebracht van de vorming via de brochure van VMG. De 4 overige begeleiders namen kennis van de vorming via het schriftelijk voorstel tot deelname aan de vorming en het onderzoek. Zoals we bij de cliënten deden, willen we ook hier eerst de motivaties en daarna de verwachtingen van de begeleiders belichten. 73

75 2.3.1 Motivaties voor deelname Ook bij begeleiders werd gepolst waarom ze graag zouden deelnemen of waarom ze graag zouden hebben dat hun cliënten deelnemen. Zowel begeleiders van deelnemers van de individuele vorming als van de groepsvorming wilden deelnemen om hun cliënten te ondersteunen in hun keuze voor een kind. Twee begeleiders gaven aan niet goed te weten hoe ze hun cliënten in hun kinderwens konden ondersteunen en wilden daarom een beroep doen op de vorming. Ik werk nog niet zo heel lang en ik had dat thema nog nooit moeten gebruiken in de korte twee jaar dat ik al werk. Ik zag er zo gelijk geen doen aan, over kinderwens. De mensen hebben een kinderwens en ik dacht: Hoe moet ik daaraan beginnen?. En wat vraag je allemaal en wat zeg je allemaal? (begeleider individueel traject) Ik zou Ilse en Koen graag ondersteunen in hun vraag naar kinderen. Maar ik weet niet meteen hoe ik dit moet aanpakken. Ik laat hen dan ook liever deelnemen aan een cursus die hierin gespecialiseerd is. (begeleider van deelnemer uit groepstraject) Eén begeleider uit de individuele vorming zag de ondersteuning reeds als voorbereiding op het ouderschap. Zij hebben nu de keuze gemaakt en ik wil hen daarin nu ondersteunen. Om samen de negen maanden voor de bevalling op weg te gaan, als voorbereiding voor de bevalling. Meer dan de helft van de begeleiders sprak hun bezorgdheid uit over de kinderwens van hun cliënten. Sommigen hoopten dat hun cliënten een realistisch beeld zouden krijgen op het zorgen voor kinderen. Ik had ook persoonlijk een beetje mijn twijfels bij de kinderwens van dat koppel. Ik vroeg me af of er technieken zouden bestaan om hen te wijzen op zaken die dat teweeg brengen, een kindje hebben. Eén begeleider wou dat het koppel deelnam aan de groepsvorming, gezien hij door zijn bezorgdheden zelf moeilijk met het koppel over dit onderwerp kon praten. 74

76 Nele en Peter hebben altijd een uitgesproken kinderwens gehad. Mijn bezorgdheid hierover maakt het moeilijk om dit objectief met hen te kunnen bespreken. Een andere begeleider vertelde geen mening te hebben over de deelname van een cliënt. Geen mening over. Ik heb de vraag aan Lies gesteld op het moment dat ze een 2 de kindje wou. Nu is ze zwanger van een tweede. Lies heeft helemaal zelf gekozen om deel te nemen Verwachtingen van de vorming Zowel vanuit de individuele vorming als het groepstraject verwachtten er enkele begeleiders praktische tips rond de verzorging van het kind. Ik verwacht dat ze zullen leren hoe ze moeten omgaan met een kind, bijvoorbeeld een pamper verversen. Zo zeer concreet, omdat onze mensen met een verstandelijke beperking daar wel nood aan hebben. Ik verwacht tips rond voeding en dergelijke. Uit beide groepen begeleiders kwam de verwachting dat de vorming een (meer) realistische kijk zou bieden op het ouderschap. Ik hoop dat deze vorming hen een realistischere kijk geeft over de opvoeding van kinderen. Een kind is niet omkeerbaar. Ik hoop dat ze een realistisch beeld krijgen van wat een baby is. Vanuit het individuele traject stelden begeleiders nog de verwachting dat hun cliënten tips zouden krijgen rond de zwangerschap, dat er over verschillende (levens)domeinen zoals gezondheid, werk, relatie en financiën vragen zouden gesteld worden. Een begeleider had de verwachting dat er met het netwerk zou samen gezeten worden rond de kinderwens van een cliënt en nog een andere begeleider verwachtte te leren hoe ze haar cliënten kan begeleiden in hun kinderwens. 75

77 De begeleiders van de deelnemers aan het groepsprogramma stelden de verwachting dat de keuze voor een kind een sterkere basis zou krijgen door de vorming, dat het erfelijk luik aan bod zou komen en dat zowel de rechten als plichten van het ouderschap benadrukt zouden worden. 3. Wat zijn de ervaringen van de verschillende actoren met de vorming, naar inhoud en vorm? Bij het beantwoorden van deze onderzoeksvraag splitsen we de ervaringen m.b.t. de individuele vorming en deze m.b.t. de groepsvorming op. Eerst schetsen we de ervaringen met de individuele vorming, daarna komt de groepsvorming aan bod. Per vormingstraject bekijken we achtereenvolgens de ervaringen met de inhoud en staan we stil bij de bevindingen omtrent de vorm van het programma. 3.1 Het individuele traject INHOUD Bij het bespreken van de inhoud van de vorming schetsen we het antwoord op 11 onderwerpen. 1. Beantwoordde de vorming aan de verwachtingen van de cliënt? 2. Beantwoordde de vorming aan de verwachtingen van de begeleider? 3. Wat hebben de begeleiders geleerd? 4. Wat hadden de cliënten graag nog geleerd? 5. Vragen die begeleiders zich nu nog stellen 6. Bevindingen m.b.t. de hoofdstukken 7. De beslissing voor een kind 8. Blik op de toekomst 9. Hoe concreet was de vorming? 10. Hoe diepgaand was de vorming? 11. Zijsprongen 76

78 Beantwoordde de vorming aan de verwachtingen van de cliënten? De vorm en inhoud van de vorming bleken niet geheel overeen te komen met wat de deelnemers er zich van hadden voorgesteld. Ik had het mij anders voorgesteld. Ik dacht dat het moeilijker ging zijn. Moeilijkere woorden en onderwerpen. Ik had gedacht dat het dikker ging zijn. Het mocht wat dikker zijn, sommige hoofdstukken kleiner, andere dikker, bijvoorbeeld hoofdstuk 5. R: Was de vorming zoals je had gedacht dat het ging zijn? L: Tussen de twee, het ging niet echt over hoe je een kind moet opvoeden. Twee mensen gaven aan dat ze op voorhand geen idee hadden van wat ze moesten verwachten. Over het algemeen waren de deelnemers tevreden over de vorming, maar niet iedereen gaf aan iets bijgeleerd te hebben. D: We vonden de vorming goed. R: Wat hebben jullie bijgeleerd uit de vorming? D: Niet veel, ik wist al veel. Anderen gaven aan wel veel bijgeleerd te hebben, bijvoorbeeld over de opvoeding. Drie deelnemers vertelden dat ze het leuk vonden om rond hun kinderwens te praten. Het zou volgens een deelnemer moeilijk geweest zijn zonder de vorming te praten over hun kinderwens met de begeleiding. D: Het was leuk om er samen over te praten. S: Ja zeker. Zonder map zou het moeilijker geweest zijn om erover te praten. Ik vraag me af nu de map gedaan is, of we er ooit nog eens zullen over babbelen met onze begeleidster. Iemand gaf aan dat ze door het praten over haar kinderwens, nu niet zoveel meer aan baby tjes denkt. 77

79 Beantwoordde de vorming aan de verwachtingen van de begeleiders? Alle begeleiders uitten hun tevredenheid over de vorming, hoewel de vorming niet bij iedereen bleek te zijn zoals verwacht. Voor de meeste begeleiders was vooral het stof tot praten positief geweest. Als we deze cursus niet gedaan hadden dan, ok, die kinderwens is er, maar dan hadden we dat ook niet iedere keer aangehaald totdat ze zwanger zou zijn eigenlijk. Het is een nu ook een moment om echt op voorhand al dingen te bespreken. Ik vind het wel een aanrader voor iedereen die een kinderwens heeft, om dan toch dit te overlopen. Omdat je dan toch onderwerpen moet aansnijden, die anders totaal niet aan bod zouden komen. Ik heb geleerd hoe je op een visuele manier kunt tot gesprek komen. Dat vond ik zeer interessant, hoe gemakkelijk het eigenlijk is als je iets visueels hebt, om tot gesprek te komen. Het is een tool om diepgaande gesprekken te hebben met mensen. Twee begeleiders vonden dat de koppels door de cursus beter met elkaar hebben kunnen communiceren over hun kinderwens. Het koppel heeft leren luisteren naar elkaar. Wat heel moeilijk is voor Dorien, om te luisteren naar haar man Doordat de cursus voor hun neus werd geschoven moesten ze daarover praten hé. Ze leven eigenlijk zo n beetje elk in hun leefwereld. Het minder leuke in hoofdstuk 1 was verschillend van beide, dat viel me op. Het leuke was bijna helemaal het zelfde. Het was interessant om dat naast elkaar te leggen. Ze beseften dan ook wel dat Sandra vooral het medische belangrijk vond en dat Roger als nadeel zag dat zijn eigen vrijheid wordt beperkt en bijvoorbeeld dat het kind niet wil luisteren. Ook het bereiken van een realistisch beeld over kinderen en het benoemen van zowel de aangename als de minder aangename kanten van het ouderschap waren verwachtingen die (deels) werden ingelost. 78

80 B: Eigenlijk wou ik hen een beetje bewust maken van het zwanger zijn, maar vooral van een baby krijgen. Wat dat inhoudt en wat dat in hun leven zou veranderen. En omdat er toch binnen het koppel problemen zijn, in die zin van medische problemen, papa die een erfelijke ziekte heeft, wou ik hen daarin bewust maken dat daar toch wel dingen bijkomen die niet alleen rozengeur en maneschijn zijn. En dat is deels gelukt bij papa, denk ik. Maar bij mama niet. Hij is zich er wel van bewust van geworden. Eerst zag hij ook alleen maar hoe mooi een kindje was. Wanneer ik zei dat je dan s nachts moet opstaan, dat het kindje niet altijd luistert, dat het soms wel eens stout durft zijn, dat het soms bestraft of beloond moet worden. Hij vindt dat allemaal zo veel dat hij zegt van: Oew, zal ik dat wel kunnen? Sommige begeleiders vonden de ruime bevraging op de verschillende levensgebieden en het feit dat de deelnemers moesten nadenken over zichzelf en over hun eigen leven, positief. Ik had echt gedacht dat er op verschillende vlakken gingen vragen gesteld worden: financieel, op vlak van gezondheid, relationeel vlak, op verschillende vlakken waarop een kind verandering teweeg brengt in iemands leven. En dat was er wel hé. Dat vond ik echt wel goed. Zowel financieel als relationeel. Ook wel heel goed vond ik dat ze moesten nadenken over hun eigen leven. Dat het niet ging over dat kind die er zou komen, maar ook over: waar sta ik in mijn leven, hoe oud ben ik, wanneer heb ik die kinderwens beginnen krijgen, wanneer wil ik een kind. Ze moesten nadenken over hun eigen leven. Wat Lies geleerd heeft? Zo eens nadenken over hoe het vroeger was en nu is. Hoe was het nu voor je een kind had? Wat heb ik achtergelaten? Wat is er nu minder, wat is er nu meer? Vooral dat. Eigenlijk een beetje een evaluatie misschien. Bij één koppel leidde, volgens de begeleidster, het nadenken over zichzelf tot het besef dat ze ondersteuning zullen nodig hebben bij het ouderschap. Ze beseffen nu ook dat ze hulp daarbij nodig zullen hebben. Dat vond ik ook wel goed hier. Dat ze ook openstaat voor hulp als er een kindje komt. Dat vind ik ook heel belangrijk. Dus dat je niet, als ze zwanger is, nog moet gaan aandringen van er moet hier wel hulp komen. Nu staat ze daar al voor open en stelt ze de vraag zelf. Dus dan denk ik toch wel dat dat heel positief geweest is. 79

81 Twee begeleiders gaven aan dat ze hun cliënten door de vorming beter hebben leren kennen, dat ze een beter zicht hebben gekregen op de achtergrond of geschiedenis van de cliënt. Eén begeleidster vertelde dat de vertrouwensband met haar cliënten was versterkt door de vorming. Door het met hen te doen, heb ik zo een teken gegeven van: ik ben met jullie bezig. Jullie hebben die kinderwens en we gaan ermee verder. Ik heb ook opengestaan voor hun antwoorden. Soms heb ik wat weerwerk gegeven door te zeggen: Kijk, die negatieve kanten zijn er wel, als dat kindje een beperking heeft, hoe gaan we daarmee om? Maar het geeft hen wel het gevoel gegeven, als ik er niet zou achter staan, zou ik zoiets niet doen met hen. Een andere begeleider vond echter dat ze niet te diep kon ingaan op de negatieve zaken, omdat ze geen kink wou in de werkrelatie met haar cliënten want Ze hebben op heel veel andere domeinen onze hulp ook hard nodig. Twee van de vier begeleidsters hadden verwacht dat de vorming nog concreter zou zijn en dat hun cliënten praktische vaardigheden zouden leren. Hoewel één van de twee begeleidsters wel een ambigue houding had tegenover het concreet maken door oefenmomenten. Mochten er oefeningen in de vorming gezeten hebben, dan zou ik dat zeker opgenomen hebben. Maar dat is dan ook wel weer versterkend naar hun kinderwens en dan sta je daar weer als begeleidster van: al goed en wel, ik wil jullie daarin wel steunen, maar uiteindelijk wil ik wel nog neutraal blijven. Door mee te gaan naar de gynaecoloog of naar een crèche versterk ik hun wens misschien. Ik zou er liever neutraal in blijven. Hen vooral advies en informatie meegeven, maar niet zeggen van: ja, doe maar. Dat vind ik dan alweer moeilijk. Twee begeleiders namen met hun cliënten de vernieuwde vorming door, waarbij tips tot oefeningen beschreven stonden. Eén vrouw besliste de oefeningen niet te doen, gezien ze al een kind had en niet meer extra moest oefenen. Het andere koppel deed de oefeningen wel en deze bleken, volgens de begeleidster, mee te vallen. Daarvoor dan gingen ze wel naar hun zussen toe, maar dan deden ze niet echt iets met de kinderen. Dan waren ze er en brachten ze een geschenkje mee, maar daar 80

82 hield het ook bij op. En nu zijn ze er wel mee bezig geweest. Bij Dorien gaat dat goed, Jan zegt: Het mag niet te lang duren. Dan heb ik gezegd: Kijk, nu kan je doorgaan, omdat het kindjes van de zus zijn, maar als het uw kindje is, zal je daar wel wat langer moeten mee bezig zijn. Maar dat is dan alweer moeilijk omdat dat in de toekomst is en hij kan zich dat niet voorstellen Wat hebben de begeleiders zelf geleerd? Enkele begeleiders gaven aan dat ze geleerd hebben open te communiceren over de kinderwens. Vooral het neutraal of genuanceerd praten en het aan bod laten komen van verschillende positieve en negatieve aspecten van het ouderschap werd benadrukt. Je neemt je voor om niet met eigen waarden en normen naar de jongere te treden, deze vorming ondersteunde dit. Daarnaast gaven enkele begeleiders aan beter inzicht gekregen te hebben in de mogelijkheden en beperkingen van hun cliënt. R: Wat heb je zelf bijgeleerd uit de vorming? B: Eigenlijk haar inzicht toch wel van wat er allemaal bij komt kijken als er een kindje is. Ik ben ervan geschrokken hoe mensen met een verstandelijke beperking soms denken en hoe snel je hen overschat. Dat heb ik ook geleerd uit de cursus. We veronderstellen wel dat ze het zullen verstaan, maar uiteindelijk zijn sommige zaken echt wel moeilijk voor mensen met een verstandelijke beperking. Dat heb ik geleerd Wat hadden de cliënten graag nog bijgeleerd? Twee koppels hadden graag nog zaken bijgeleerd, de twee vrouwen niet. Lotte heeft besloten om geen kinderen te krijgen en Lies wist al veel over het onderwerp, gezien ze reeds een kindje had. De koppels stelden zich na afloop van de vorming nog vragen over een huilbaby, een postnatale depressie, de zwangerschap en de geboorte. Eén koppel had graag eens geoefend met een simulating baby. Ook het meisje van 14 gaf aan met zo n pop te 81

83 willen oefenen. We hadden een levensechte pop gevraagd, maar onze begeleidster vond dat niet. Zo zouden we kunnen leren hoe je een baby moet aankleden en verzorgen. Ik ken zo n pop van op tv, van op Charmed. Ook de begeleiders gaven aan dat er rond zwangerschap nog vragen waren bij hun cliënten. Ze wou willen weten hoe de zwangerschap verloopt. Sandra weet totaal niet wat ze zich hier moet van voorstellen, bijvoorbeeld: wanneer wordt je buik dik, heb je dan nog je regels, wat voel je dan, hoeveel keer moet je naar de dokter? Haar vraag is vooral om de cyclus te weten van seks hebben tot zwanger worden, tot de geboorte. Concreet eigenlijk de stapjes. Daarnaast meldde één begeleider dat haar cliënten meer wilden weten over de ontwikkelingsstadia van een kind. Ze dacht ook dat haar cliënten nog vragen over erfelijkheid hadden Vragen die begeleiders zich nu nog stellen Een begeleider miste in de vorming nog een luik rond opgroeiende kinderen en pubers en een luik rond anticonceptie. Daarnaast bleven begeleiders nog met de vraag zitten hoeveel van de vorming er zou blijven hangen zijn bij de cliënten. Ik stel me wel de vraag wat ze er verder mee zullen doen. Ik heb het gevoel dat ze er nu niets mee doen. Het is goed dat ze eraan meegewerkt hebben en dat ze er tevreden over waren. Ze hebben er eventjes over gedacht. Maar wat ze ermee zullen doen Ik vrees zeer weinig. Het was meer verhelderend voor mij, Hoe denkt mijn cliënt over die dingen?, dan voor hen zelf. Twee begeleiders stelden zich ook vragen bij de realistische kijk van hun cliënten op de kinderwens. 82

84 Ik zit op mijn honger omdat ik echt het gevoel heb dat ze niet beseffen dat een kind heel duur is, dat dat veel aandacht vraagt. Ik vind het zo jammer dat ze niet beseffen dat hun schoonzus niet iedere dag zal komen, zoals ze wel denken. De begeleidster van de cliënte die besliste om geen kinderen te krijgen, zat nog met de vraag wat er allemaal heeft bijgedragen, naast de vorming, tot deze keuze. Wel zegt ze: Ik en de begeleiders hebben wel het gevoel dat er vrij mogen over praten haar de kans gaf er ook vrijer over te kunnen nadenken. Tot slot formuleerden een cliënt en een begeleider elk een tip voor VMG. Ik denk dat de vorming te gebruiken is bij andere jongeren met een kinderwens. Er moet wel steeds afgewogen worden hoe begrijpbaar dit alles is voor hen. Het zou interessant zijn om met een groep jongeren het ganse traject te doorlopen, indien zij hieraan toe zijn uiteraard. (begeleider van meisje van 14) L: Het zou leuk zijn in een groep met mensen die kinderen willen en met mensen die al kinderen hebben. Dan kunnen ze eens zien van elkaar, bijvoorbeeld hoe de oudere groep erover denkt, als de kinderen groter zijn. De jongere groep, hoe denken die dat ze ervoor staan? En die andere die hebben dat al, dus Dat zou wel eens interessant zijn om te weten. R: Dus eigenlijk is het wel interessant dat mensen die al kindjes hebben, zouden kunnen praten over hun ervaringen met mensen die nog geen kindjes hebben? L: Ja, ook. En dan kom je ook dingen te weten, waarvan je denkt: Tiens, het kan ook op zo n manier. (deelneemster en tevens mama) Bevindingen m.b.t. de hoofdstukken Hoofdstuk 1: Wat betekenen kinderen voor mij? De meningen over dit hoofdstuk waren bij zowel de deelnemers als de begeleiders verschillend. De ene deelnemers vonden het gemakkelijk om hierover te praten en na te denken, de andere vonden het moeilijker om bij deze vragen stil te staan. 83

85 Het was een goed begin van de vorming. We wisten al veel van andere ouders met kinderen. Het waren teveel vragen. Het was soms moeilijk om op alle vragen te antwoorden. Afhankelijk van mijn stemming. De ene begeleider vond dit hoofdstuk een goede start en niet te confronterend, de andere vond het iets minder. Ik vond het eerste deel ietsje minder, het eerste hoofdstuk. Omdat het met invullen was. Ik vond dat vermoeiend om te doen. Ik denk ook dat er veel van mezelf in kwam, dat er niet veel uit haar eigen kwam. Dat bracht niet zoveel stof tot nadenken. Ik vond het beter met de dingen die je moest aanduiden en dat er al iets stond. Dan kon je er meer over nadenken. Eén begeleidster gaf aan dat ze bij het item ken je kinderen reeds met haar cliënten gesproken heeft over het verschil tussen een baby, een kind en een puber. Volgens haar zou er in dit hoofdstuk reeds plaats kunnen gemaakt worden voor dit verschil. Ook vond zij de hokjes leuk/minder leuk na een tijd eentonig worden. Hoofdstuk 2: Ik heb een kinderwens! Uit het tweede hoofdstuk bleek dat de deelnemers het fijn vonden om over hun kinderwens te spreken. Eén koppel gaf aan dat ze het moeilijk vonden om met de tijdslijn te werken. Ook begeleiders vertelden dat te tijdslijn voor sommige cliënten (te) moeilijk was, gezien sommige deelnemers moeite hebben met tijdsinzicht en voorstellingsvermogen. Voor andere deelnemers bleek de tijdslijn wel haalbaar en nuttig. De stellingen bij de vraag waarom wil ik (niet) graag mama of papa worden omdat vonden de deelnemers goed om over na te denken. Ook de begeleiders vonden dit allemaal een goede methodiek. Bij de meesten brachten deze stellingen ook gesprekken op gang. 84

86 Ik kreeg veel respons op die statements. Het waren allemaal zinnetjes met het idee is het daarom dat je een kind wil. Was dit een beetje om uit te dagen? Daar kreeg ik toch wel veel respons van nee, dat is niet waar. Je krijgt er een discussie rond. Dat vond ik wel goed. Dat ging goed omdat je daar zo de puntjes had. Ik wil graag een kindje van mijzelf dat was een reden dan. Ze hebben dan zo ja of nee gezet telkens. Ja, dat gaat dan vlot natuurlijk hé. Bij waarom wil ik geen mama of papa worden, zei Sandra: Ik heb al genoeg werk met mezelf. Ze zei dat haar taakjes thuis, zoals kuisen, al een heel zware taak was. Dus laat staan met een kind erbij. Hoofdstuk 3: Wat hebben kinderen nodig? Over dit hoofdstuk hebben de deelnemers weinig commentaar gegeven. Sommigen vertelden dat ze zich al goed de situatie zouden kunnen voorstellen met een kindje. Anderen vonden dit moeilijk. Een koppel vertelde dat ze dit een interessant hoofdstuk vonden, maar dat ze er niet veel van onthouden hadden. Een ander koppel vond dat de rechten van het kind meer in de media zouden moeten komen. Een vrouw vertelde met frustratie: Ze hadden dit eerder moeten uitleggen aan mijn ouders, dan had ik misschien een betere kindtijd gehad. Een deelneemster besloot dit hoofdstuk niet te overlopen, omdat ze reeds de keuze had gemaakt geen kinderen te krijgen. Begeleiders wilden wel veel over dit hoofdstuk kwijt. Iedereen vond dit een lang hoofdstuk en ze hadden de inhoud dan ook verspreid over twee sessies. Voor twee van de vier koppels bleek dit hoofdstuk, volgens de begeleiders, zeer confronterend te zijn geweest. Vooral dan de vragen met een terugblik op de eigen kinderjaren. Maar dit confronterende aspect werd zowel door begeleiders als cliënten niet negatief bevonden. Wat heeft een kind nodig, zijn rechten en zijn plichten. Dat was wel een heel lang hoofdstuk, ook confronterend voor mijn cliënten. Bijvoorbeeld de vraag: Zorgden ze goed voor u?, Nee, eigenlijk niet. Dat was confronterend. 85

87 De vragen over het verleden bleken bij de meeste begeleiders ervoor gezorgd te hebben dat ze hun cliënten beter hebben leren kennen. Bij de bespreking van de rechten en de plichten werden de deelnemers ook soms geconfronteerd met hun beperking. Het item huiswerk maken, was zeer confronterend. Ze stelden zich de vraag of ze zouden kunnen helpen met zijn huiswerk. Ik heb hen dan gezegd dat er huiswerkdiensten bestaan. Het is niet omdat je zelf als ouder niet kunt helpen met het huiswerk, dat je geen kind mag hebben. Dit hoofdstuk bleek voor vele begeleiders ook een goed aanknopingspunt voor gesprekken rond normen en waarden of opvoedingsvaardigheden. Bij het item elk kind heeft recht op bescherming, zei Danny dat hij thuis te veel beschermd geweest is. Zijn broers en zussen mochten naar buiten en hij niet. Dan vroeg ik aan hen: Wanneer mag je kindje eens alleen naar de bakker? Ze zeiden dan: Als het 15 of 16 jaar oud is. Dat was voor mij even slikken. Toen hadden we zoiets van, we moeten dat wel eens bespreken. We zijn daar heel diep op ingegaan jaar is echt wel al oud. Ze gaan dan al gaan fuiven. Je kan een kind langer dan zijn 12 e volgens mij niet binnen houden. We hebben daar dan echt over gebabbeld, maar hij viel echt uit de lucht. Je kind moet ook al eens naar buiten vroeger dan 15. Begeleiders gaven aan dat, wanneer bij sommige rechten al vermeld stond welke vaardigheden je ervoor nodig had, dit meer aanleiding gaf tot gesprek, dan wanneer er nog geen voorbeelden van vaardigheden stonden vermeld. Eén koppel en begeleider voerden de oefeningen uit en waren hier tevreden over. Bij haar andere zus heeft ze met de twee meisjes die al wat ouder zijn, 6 en 8, een spelletje gespeeld. En toen zei ze: Ja, ze kon niet tegen haar verlies. En ik zei dan: En hoe reageer je daar dan op?. Dus op die manier. Ze hebben de oefeningen gedaan, maar niet met mij erbij. Ik zei dan: Dit is jullie huiswerk. Ik tik de oefening uit en jullie maken het huiswerk of het oefeningetje. En dat lukt wel. Ze kijken er ook naar uit om te kunnen oefenen. 86

88 Tot slot werd door een begeleider de opmerking gegeven dat VMG moet oppassen, bij het recht op gezonde voeding en onderzoek, met te zeggen dat elk kind in een huis moet wonen. Ja, hier staat: Elk kind zou in een huis of appartement moeten wonen. Ieder kind heeft een eigen bed. Danny was zeer geconfronteerd van het zinnetje: Elk kind zou in een huis of een appartement moeten wonen. Waarom? Omdat Roger in een grote stacaravan opgegroeid is. Hij had zoiets van: Mag ik geen kind hebben als ik geen huis of appartement heb? Je moet daar mee opletten hoe je dat schrijft. Want veel van onze mensen wonen niet in een huis of in een appartement. Een stacaravan is uiteindelijk toch ook een soort huis. Maar je hebt bijvoorbeeld ook mensen die op eens studio wonen. Ik zou gewoon onderdak schrijven. En een eigen bed, dat vind ik ook wel belangrijk. Hoofdstuk 4: Wat zou er veranderen in mijn leven als ik een kindje krijg? Over het algemeen vonden zowel de begeleiders als de deelnemers dit een goed hoofdstuk. De commentaren op dit hoofdstuk gingen vooral over het item geld en het item liefde en seks. Geld bleek niet altijd een gemakkelijk item om over te praten. Enkele deelnemers zaten dan ook met financiële problemen. Danny zei dat hij daar heel veel bij nadacht over hoe ze alles kunnen organiseren en dan vooral geld. Geld is een heel groot issue in het huishouden van Danny & Sandra. Alles komt neer op dat geld. Ze hebben geen slaapkamer voor dat kindje, ze hebben geen geld voor dat kindje Dan was het ook wel weer mooi om te zien hoe creatief ze zijn. Ze zouden naar de kringloopwinkel gaan en al die speciale stoelekes, die baby heeft dat allemaal niet nodig. Eén deelnemer vertelde: Het hoofdstuk was goed te begrijpen, maar nu weten we nog steeds niet of we het financieel aan zullen kunnen. 87

89 In dit hoofdstuk werd ook de site opgegeven om uit te rekenen hoeveel een kind je zal kosten. Eén koppel probeerde deze site uit, maar de berekeningen bleken niet te kloppen. Zowel begeleiders als deelnemers vertelden over het item liefde en seks. Begeleiders gaven aan dat dit thema anders niet in de begeleiding ter sprake komt, maar nu wel was aangehaald naar aanleiding van dit hoofdstuk. Er zijn wel intiemere dingen ter sprake gekomen, bijvoorbeeld over seks, omdat je dat anders niet bevraagt. Dat is wel eens besproken en dat was wel tof. De begeleidster van Lotte gaf aan dat voor haar (jonge) cliënt het belangrijkste uit de vorming het stilstaan bij een relatie was. Ze voegde er wel aan toe dat ze sommige vragen voor haar cliënt reeds te diepgaand vond. Maar ze zei hierbij dat de vorming een uitgangspunt is, waar flexibel kan mee omgegaan worden. Naast de items geld en liefde en seks werd er nog vermeld dat het item familie soms confronterend was wanneer de deelnemers beseften dat hun familie niet achter hun kinderwens stond. Een begeleider gaf de opmerking bij het item werken, dat niet iedereen gaat werken. Niet iedereen gaat werken, sommigen gaan wonen in tehuis of gaan naar een dagcentrum. Dit is misschien toch een ander gegeven? Hoofdstuk 5: Zal mijn kindje gezond zijn? Dit hoofdstuk werd door de meesten een interessant thema gevonden. Twee koppels hadden uitdrukkelijk vragen over erfelijkheid, maar vertelden wel dat zij het niet erg zouden vinden, mocht hun kind een verstandelijke beperking hebben. Eén koppel vond een lichamelijke beperking van het kind een veel groter probleem. We zouden het niet erg vinden, mocht ons kindje naar het bijzonder onderwijs moeten. Ik zou wel niet graag hebben dat het een lichamelijke handicap heeft. We weten niet hoe we dat moeten opvoeden. Dat zou zeer zwaar voor ons zijn. 88

90 Eén koppel heeft samen met hun begeleider een onderzoek laten doen in het Centrum voor Menselijke Erfelijkheid. Zowel het koppel als de begeleider waren hier vrij positief over. We hebben de weg afgelegd. We zijn samen naar het UZ geweest, een volledig onderzoek gedaan en ze bleven bij de stelling dat als er iets mis is met het kindje, dat ze het toch zouden houden. Het is voor hen geen reden om niet zwanger te worden. (begeleider) Hoofdstuk 6: Kiezen voor kinderen de beslissing. Dit hoofdstuk werd door de deelnemers kort of haast niet meer doorgenomen. Dit kwam doordat iedereen van hen doorheen de cursus hun keuze had gemaakt. Sommigen hebben de voor- en nadelen op het einde nog besproken met hun begeleider, anderen niet. Er werd over het algemeen niet veel aandacht meer aan besteed. De begeleiders vonden dit laatste hoofdstukje herhaling. Ze hadden het dan over de bespreking van de voor- en nadelen van een kind. De ene begeleider vond het toch nuttig om de voor- en nadelen nog eens te herhalen, anderen vonden dit overbodig. Voor hen was het een herhaling. Door eerst de cd-rom volledig te doen zijn ze niet tot andere dingen gekomen eigenlijk. ( ) Ik zou het wel herhalen, ja. Omdat je dan voor hen is het hetzelfde gebleven, maar haar wens is ook zo enorm groot. De voordelen voor haar blijven voordelen. De leuke dingen blijven. Maar ik denk, moest ik Jan alleen krijgen, dat hij minder de voordelen zou zien als de nadelen. Dus hij is zich echt meer bewust geworden van alles. Dus ik zou dat er zeker in laten. Gewoon Door heel die cursus denk je er ook wel over na en komen er dingen naar boven waardat ze voordien niet eerder bij stilgestaan hadden, denk ik zo. En dan is het wel goed om dat nog eens te herhalen. Het is goed om tot een besluit te komen. De algemene voor- en nadelen van een kind hebben we overgeslaan. Dat blad was overbodig, het was echt teveel. Het komt doorheen de cursus veel aan bod. In ieder hoofdstuk hebben we al nagedacht over de voordelen en nadelen van een kind. 89

91 Eén begeleidster vond het einde van de vorming raar en was verontwaardigd over het alternatief zorgen voor dieren. Ik vond het einde zeer raar. De laatste vraag: Als je de beslissing neemt om niet te kiezen voor een kind, wilden ze niet beantwoorden omdat ze wel kiezen voor een kind. De allerlaatste vraag was: zorg je graag voor een dier? Ze hadden zoiets van: Allé, wie vergelijkt er nu een kind met een dier!. Ze waren daar precies van aangedaan. Moet je nu vragen of wij in de plaats van een kind een kat zouden nemen? Ik vond dat eigenlijk ook een beetje Je maakt hier de vergelijking: je kiest niet voor een kind, neem maar een katje of een hondje. Ik vond dat ethisch zelf wat Je kan er wel insteken: Heb je al eens voor een diertje gezorgd? Heb je al eens voor een kindje gezorgd? Wat is het verschil? Dat vind ik wel ok, maar niet: Als je niet voor kinderen kiest, neem maar een hondje. Dat komt zo over De beslissing Eén koppel vertelde dat ze reeds vóór de vorming hadden beslist om te kiezen voor een kind. De begeleider van dit koppel gaf wel aan dat naar het einde van de vorming toe, de man een minder sterke drang had om papa te worden. De ene broer van Patrick heeft ook een vrij zwaar gehandicapt kind. En door heel de vorming door is Patrick zich daar wel bewust van geworden. Naar het einde toe heeft hij echt wel niet zo sterk meer de drang om papa te worden. Het andere koppel wist niet wat gekozen, door tegenstrijdige signalen uit hun omgeving, en koos ervoor de natuur te laten beslissen. De vrouw die reeds mama was van een éénjarig zoontje, was zwanger van haar tweede kind en stond niet echt meer voor de keuze. Wel twijfelde ze of ze nog zou gaan voor een derde. Het meisje van 14 besliste na hoofdstuk 1, 2 en een deeltje van 4 afgelegd te hebben, dat ze geen kinderen wou. Ze twijfelt wel of ze er later nog wil. Ik heb beslist om nu nog geen baby tjes te hebben. Voor later, twijfel ik. Ik kan geen baby alleen verzorgen en opvoeden. Ik zou te veel stress krijgen bij de verzorging, daar heb ik geen zin in. 90

92 Bijna alle deelnemers, uitgezonderd één vrouw, vonden niet dat ze langer of dieper hadden nagedacht over het krijgen van een kind door de vorming. Behalve één begeleidster vonden alle anderen dat hun cliënten wel langer en dieper hadden nagedacht over hun kinderwens. Ik denk toch wel dat ze iets meer hebben nagedacht dan voor de vorming. Ja dat wel. Ze staan er sowieso bij stil. En er zijn zijsprongen gemaakt, waar we het dan over gehad hebben. Ze hebben er echt wel samen met mij iets dieper op ingegaan en bij stilgestaan Blik op de toekomst Danny en Sandra willen in de toekomst verder over hun kinderwens praten en zullen zien wat de toekomst brengt. Ik zal de kaft nog eens lezen s avonds om te zien wat we besproken hebben. Dat is gemakkelijker om te onthouden over wat we het hebben gehad. We zouden de kaft eens kunnen meepakken naar de familie om het eens te laten zien aan mijn pa of stiefmoeder. Ze zouden ook eens hun mening kunnen zeggen. ( ) Zonder map zou het moeilijker geweest zijn om erover te praten. Ik vraag me af, nu de map gedaan is, of we er ooit nog eens zullen over babbelen met onze begeleidster. Dorien en Jan hadden hun keuze op voorhand al gemaakt en proberen momenteel om zwanger te worden. Lotte vertelt dat het voor haar een afgesloten hoofdstuk is. Ik vind het moeilijk om hier terug over te praten. Ik wil hier eigenlijk niet meer over praten. Het is voor mij gedaan. Lies verwacht binnenkort haar tweede kindje. 91

93 Hoe concreet was de vorming? Doorheen de gesprekken bleek dat de koppels de cursus concreter hadden verwacht. Ze wilden eerder concrete vaardigheden leren en oefenen. Sommige begeleiders vonden de vorming concreet genoeg en gaven hierbij aan dat de cursus concreet werd gemaakt door het visuele materiaal. Daarnaast gaf een begeleider aan dat de cursus voor haar cliënten concreet genoeg was omdat zij kinderen kenden in de buurt. Eén begeleider gaf aan dat methodieken waarbij er stellingen of voorbeelden worden gegeven, concreter voorstelbaar zijn voor haar cliënt. Diezelfde begeleider stelde voor dat het werken rond de zwangerschap en rond ontwikkelingsstadia, het nog concreter kan maken voor de cliënt. Als je iets meer over een baby kan vertellen en over zwangerschap, dan zal dat concreter worden voor hen. Dan zal dat beeld iets genuanceerder worden, denk ik. Bij het concreet maken, stelde een begeleider zich wel de vraag of dit dan ook niet de kinderwens kan triggeren. Uiteindelijk gaat het ook om een cursus kinderwens en geen opvoedingscursus. Langs de ene kant moeten ze wel weten dat dat kindje kan wenen en dat het iedere dag in bad moet, langs de andere kant trigger je dan weer. Tot slot poneerde een begeleider volgende gedachte: Soms dacht ik wel: Ik heb het al zo moeilijk om mij voor te stellen hoe het is om een kind te hebben, laat staan dat zij het zich kunnen voorstellen Hoe diepgaand was de vorming? De vorming werd door iedereen vrij diepgaand en uitgebreid bevonden. Sommigen haalden aan dat het ene hoofdstuk al diepgaander was dan het andere, maar dat de vorming niet uitgebreider of diepgaander moest uitgewerkt worden. 92

94 Sommige hoofdstukken waren dieper dan andere. Zoals die delen van de familie, wonen, werken, dat was niet zo diepgaand. Maar dan over die rechten wel weer. R: Mocht dat nog diepgaander zijn, dat van familie en werk en zo? B: Nee, nee, dat moest niet. Ik vond dat het voor hen toch al een behoorlijke boterham was. Vooral omdat er eigenlijk veel verschillende facetten aan bod kwamen, ja, eigenlijk alles hé. Dus alles is eigenlijk wel aan bod gekomen waarbij ze zullen te maken krijgen als ze een kindje zullen krijgen. Twee begeleiders gaven aan dat de vorming een middel was om tot diepgaande gesprekken te komen. Door de zijsprongen die we gemaakt hebben, zijn er toch wel intense gesprekken op gang gekomen. Het is een tool om diepgaande gesprekken te hebben met mensen Zijsprongen Naast het doorlopen van de vorming, bleken alle begeleiders zijsprongen te hebben gemaakt naar persoonlijke vragen en onderwerpen die hun cliënten interesseerden. Zoals een begeleider al zei is de vorming een methodiek waar flexibel kan mee omgesprongen worden. Drie van de vier begeleiders vertelden dat ze een zijsprong hadden gemaakt, naar aanleiding van de tijdslijn in hoofdstuk 2 en de rechten in hoofdstuk 3. Deze zijsprong betrof het terugkijken op het verleden, het samen opstellen van een levenslijn, het praten over de eigen kindertijd en de relatie met de eigen ouders. Vooral van die ouders, daar heb ik er wel op ingegaan. Dan krijg je wel een heel verhaal te horen van hoe het vroeger bij haar was. Met haar moeder had ze een heel problematische relatie en nadien heeft ze ook gebroken met de vader. Dus dat zijn dingen, ja, haar levenslijn komt dan helemaal naar boven eigenlijk. 93

95 Ook werden zijsprongen gemaakt, naar aanleiding van hoofdstuk 5, naar het krijgen van een kindje met een beperking en, naar aanleiding van hoofdstuk 4, naar seksuele beleving, voorbehoedsmiddelen, intieme hygiëne en zwangerschap. Eén begeleider nam ook een zijsprongetje naar het verschil tussen baby s en pubers. Een andere begeleider bekeek met haar cliënten welke hulp en ondersteuning ze konden krijgen wanneer ze effectief ouders waren. Bijvoorbeeld naar hulp toe, als het kindje er is, vroegen ze mij: Ga jij dat doen als begeleider?. Dan heb ik gezegd: Kijk, er zijn verschillende mogelijkheden. We hebben ook al verschillende mogelijkheden onderzocht. Als het kindje er is: een onthaalouder zoeken. Ze weten al waar dat ze dan terecht moeten. We hebben een hele lijst met onthaalouders in de regio. Ook Kind & Gezin, daarvan weten ze dat ze regelmatig op consultatie zullen moeten gaan. Vanuit het CKG is er een project moeder-kind, waarbij ze de eerste 6 maand aan huis komen. Ik heb het gezegd, als ze daar graag beroep willen op doen, dat dat kan. Je gaat er verder op in. Zoals al eerder aangegeven, hadden enkele deelnemers graag geoefend met een pop. Twee begeleiders gingen op zoek naar zo n pop, maar vonden deze niet te huur. Danny kwam enkele weken na de vorming zeggen tegen mij: Ik zou eigenlijk wel graag eens zo n pop huren. Hij had dat ooit eens gehoord. Blijkbaar bestaan er poppen die echt dingen doen, huilen en zo. Ik heb er dan voor gekeken, maar heb geen gevonden. In de thuiszorgwinkel niet, ook niet in Stella Maris in Kortrijk. Kind & Gezin heeft me ook niet kunnen helpen. Er zijn scholen waar men voor opvoedster kan studeren, die zo n pop hebben. Maar het Sint-Theresia in Kortrijk alleszins niet. Blijkbaar bestaat zo n pop wel in Nederland. Ik heb onlangs een film gezien waarin zo n pop naar voor komt. Eén begeleidster liet haar cliënt kennis maken met een mama met kind. Er is iemand op bezoek geweest met een baby tje die heel veel uitleg heeft gegeven en geantwoord heeft op mijn vragen. 94

96 3.1.2 VORM Bij het bespreken van de vorm van dit individuele traject, behandelen we achtereenvolgens volgende items: 1. Cd-rom 2. Methodieken 3. Moeilijkheidsgraad 4. Duur 5. Meerwaarde individuele vorming Cd-rom Twee begeleiders kozen er met hun cliënten voor om de vorming af te drukken en op papier uit te voeren. Dit kwam bij de ene begeleider omdat haar cliënten geen computer hadden en dat ze papier handiger vond. Dit kwam bij de andere begeleider omdat de cdrom niet goed werkte. Onze mensen in beschermd wonen leven in de marge van de maatschappij en hebben geen computer. Papier is voor mij zeer gemakkelijk, bijvoorbeeld om op te noteren of om zaken te onthouden. En als je schrijft, heb je tijd om na te denken. En met de computer, dan moet je iedere keer je laptop meedoen. Nee, op papier vond ik beter. Je kan wat bladen meer of minder afdrukken. Ik vond de papieren versie wel goed. Het was een nieuwe versie van Power Point en dat wou dan niet opslaan. ( ) Ik had liever de cd-rom gehad. Dat zou wel leuk geweest zijn, dat is visueler, dat is aangenaam om mee te werken. De andere begeleiders werkten met de cd-rom op de laptop en waren hier tevreden over. Wel gaf een begeleidster aan dat de cd-rom niet gebruiksvriendelijk was, in de vorm waarin hij nu gegoten is. Het is leuk om het op de computer te doen. Ze zitten samen, ik zit dan in het midden en je hebt dan een groot overzicht op het scherm. Dat nodigt ook wel uit om in te werken. Alleen er in werken was heel moeilijk. Tegenover dat ik met een blad 95

97 voor de neus zou zitten, dat is niet zo aangenaam. Ze zien ook telkens alles, ze lezen mee. Het idee van een cd-rom vond ik op zich heel goed. Ook de cliënten van deze begeleider gaven aan dat ze de cd-rom goed vonden, maar dat het programma niet zo toegankelijk was in PowerPoint. De opstelling naast de cliënten i.p.v. voor de cliënten, bleek goed te werken. Ik vind dat niet zo slecht om naast hen te zitten. Voor hen zitten is vaak confronterend en dan praten mensen soms minder gemakkelijk. Ik vind dat wel goed op die manier, om ernaast te zitten. Er komt veel meer naar boven. En ik kon ook een beetje scheiden hé, als het eens wat veel werd tussen het koppel. Een andere begeleider gaf nog de opmerking dat ze heel graag met de cd-rom had gewerkt, maar dat ze de inhoud vooral verbaal had moeten doornemen met de cliënt, omdat deze deelnemer een visuele beperking heeft Methodieken Enkele opmerkingen werden gegeven over de gebruikte methodieken en vormen. Het gebruik van visueel materiaal, vele prenten en foto s, werd als aangenaam bevonden. Sommige begeleiders vroegen zich af of het beter zou zijn mochten er blaadjes voor beide partners apart in gestopt worden, gezien ze soms van mening verschilden. Een andere begeleider loste dit op door telkens na een antwoord te schrijven: zegt vrouw/zegt man. Over het algemeen werd gemeld dat er op open vragen, zoals leuk/minder leuk, minder respons kwam van de deelnemers, dan op vragen waar er voorbeelden en stellingen werden gegeven. Eén begeleidster vond het wel goed dat de vragen zo opgesteld waren dat de cliënt ze volledig zelf invult. Eén koppel vond de hokjes leuk/minder leuk na een tijdje eentonig. De man van het koppel vertelde dat hij vond dat er veel herhaling in zat. 96

98 De begeleidster vertelt hierover: Danny is sterk en bij hem kwam het over als maar ik heb het toch al gezegd. En voor Sandra had ik steeds de indruk dat ze weer aan het nadenken was. Maar het ging niet om erover na te denken Moeilijkheidsgraad Zowel de deelnemers als de begeleiders vertelden dat de vorming goed te begrijpen was. Dat de vragen goed afgestemd waren op de doelgroep, zal ik maar zeggen. Ze waren heel duidelijk, er zaten ook geen moeilijke, onbegrijpbare vragen bij. Zij vonden sommige dingen lastig, vooral Dorien dan. Vooral het negatieve benoemen, vond ze heel moeilijk en vond ze niet fijn. (begeleider) Een begeleider nuanceert wel en zegt dat ze haar cliënten af en toe een zetje in de rug moest geven met een voorbeeldje. Als ze gewoon moeten antwoorden wat ze leuk en minder leuk vinden, moet je toch zelf ook wat hinten geven. Dan is de vraag van: leg je het in de mond met de vragen en de zaken die op de cd-rom staan of doe je het dan, als begeleider, zelf? Je moet wel ergens je puntjes kunnen invullen. Dus als zij geen puntjes zeggen, probeer je toch van: Denk eens na, wat zou er nog kunnen leuk of minder leuk zijn, bijvoorbeeld s nachts of als het ziek is, wat ga je dan doen? Zo die dingen. Dan krijg je de puntjes wel, maar je geeft ergens ook wel al de antwoorden in. Een deelneemster gaf aan dat ze de vorming moeilijk vond. Haar begeleidster stemde in. Er waren soms woorden dat ik niet verstond, mijn begeleidster moest uitleggen wat het woord betekent. Alles met voorstellingsvermogen was te moeilijk voor Sandra. De slide van wat zijn rechten en plichten heb ik overgeslaan, want dit begrepen ze niet. Dat was goed dat dat erin stond voor ons als begeleidster, maar te moeilijk voor hen. Ik ben met hen meteen naar de voorbeeldjes geweest. ( ) Ik vond deze versie van de cursus te moeilijk voor Sandra. Ze kon niet in de toekomst kijken en het was heel moeilijk ook om in het verleden te kijken. Ze kijkt vooral nu. ( ) Waar denk ik aan als ik het 97

99 woord kinderen hoor?, ze kon dat echt niet. Voor matig mentale mensen vind ik de cursus echt te moeilijk Duur Volgens de deelnemers en begeleiders hadden ze 3 à 4 maanden nodig gehad om de vorming te doorlopen. Sommigen doorliepen om de week een deeltje, andere om de twee weken. Hierbij vertelde iedereen niet langer dan een uur met één vormingssessie bezig te zijn. Iedereen vertelde dat er momenten waren geweest waarop de vorming even stil lag. In de begeleiding werd dan aandacht geschonken aan zaken die meer prioriteit hadden. We zijn gestart in september/oktober. Hierbij wel rekening houden dat er sessies niet zijn kunnen doorgaan bijvoorbeeld door verlof of ziekte van Lotte, zijsprongen die vrij dringend waren. In individuele sessies is dit een realiteit, vrees ik. In januari wenste zij te stoppen met de vorming. Er werd flexibel met de vorming omgesprongen. Eén deelnemer besloot niet alle hoofdstukken te doorlopen, bij een koppel kozen ze ervoor om de hoofdstukken in een andere volgorde te doorlopen en alle begeleiders hadden hoofdstuk 3 opgesplitst in twee vormingsmomenten, gezien dit een lijvig hoofdstuk was. Over het algemeen werd de duur van de vorming goed bevonden. De meesten vonden de vorming lang genoeg, voor de één mocht de vorming iets korter, voor de ander iets langer. We zijn serieus een tijdje bezig geweest met de map, 3 of 4 maanden, denk ik. We zijn er ook een eindje niet mee bezig geweest door omstandigheden. Een maand. Aan de ene kant vond ik het goed dat het gedaan was, aan de andere kant wou ik dat het eigenlijk nog wat langer was. (deelnemer) Eén begeleidster gaf aan dat er moeilijk een tijdspanne te zetten was op de vorming, maar dat het ook niet te lang mocht duren. Ik denk dat we er een maand of 3 aan hebben gewerkt. Je kan er eigenlijk geen tijdsspanne op zetten, want uiteindelijk, die collectieve schuldbemiddeling kwam daar voor ons nog eens tussen, en je hebt dan weer even geen tijd. Ja, je neemt er je tijd 98

100 voor. Maar ik denk ook dat je er zeker geen jaar moet over doen, over die cursus. Het moet, denk ik, wel binnen een bepaalde tijd, omdat ze dan al veel vergeten zijn van wat ze gezegd hebben Meerwaarde individuele vorming De deelnemers vonden het een meerwaarde om de vorming individueel te volgen bij hun begeleider omdat ze dan rustiger kunnen praten of niet uitgelachen worden. Eén deelneemster vond dat ze niet veel te zeggen had in een groep. Voor de begeleiders zat de meerwaarde hem vooral in het dieper kunnen ingaan op bepaalde persoonlijk vragen en problemen, omdat ze hun cliënten goed kennen. Er kan meer op het tempo van de cliënt gewerkt worden en er kunnen persoonlijke aanpassingen of zijsprongen gemaakt worden. De begeleiders dachten dat de vorming in groep langer zou duren omdat er discussies zouden plaatsvinden en men dacht dat de vorming in groep oppervlakkiger en algemener zou zijn. Ook hadden de begeleiders het idee dat de cliënten in de individuele vorming zelf meer hebben moeten nadenken, dan in een groepsvorming, waardoor ze meer zullen geleerd hebben. Tot slot dachten de begeleiders dat hun cliënten veel opener zijn in een individuele vorming. Er werden niet meteen nadelen benoemd aan de individuele vorming. Wel haalde één koppel aan dat je in groep wel eens kunt horen wat anderen ervan denken. Ook begeleiders dachten dat discussies met lotgenoten positief zouden kunnen zijn. 3.2 Het groepstraject Ook bij de bespreking van het groepstraject kijken we eerst naar de inhoud, daarna hebben we het over de vorm INHOUD Hieronder zetten we onze bevindingen uiteen over volgende onderwerpen: 1. Beantwoordde de vorming aan de verwachtingen van de cliënt? 2. Beantwoordde de vorming aan de verwachtingen van de vormingswerker? 3. Beantwoordde de vorming aan de verwachtingen van de begeleiders? 4. Wat hadden de cliënten graag nog geleerd? 99

101 5. Wat hadden VMG en de begeleiders nog graag in de vorming gehad? 6. Bevindingen m.b.t. de hoofdstukken 7. De beslissing 8. Blik op de toekomst 9. Hoe concreet was de vorming? 10. Hoe diepgaand was de vorming? 11. Zijsprongen Beantwoordde de vorming aan de verwachtingen van de cliënt? De meeste koppels gaven aan dat de vorming anders was dan verwacht. Enerzijds wensten ze de vorming diepgaander, anderzijds dachten ze meer te leren over de verzorging, over de ontwikkelingsstadia en over de zwangerschap. P: Ik had gedacht dat we over sommige onderwerpen er nog dieper gingen op ingaan. Nu was het redelijk oppervlakkig. R: Kun je zeggen welke onderwerpen je graag nog dieper had besproken? P: Die rechten van het kind, hoe je dat moet doen. Ik dacht dat dat ging gaan over: een kindje met fruitpap. Van hoeveel maanden, wanneer dat dat begint te starten met fruitpap te eten en welke groenten dat die dan allemaal eten en zo. En jij zelf als moeder ook, welke stoffen dat je dan moet hebben en zo. Ik dacht dat we gingen leren wat een kindje nodig heeft. Ik vond dat toch wel wat spijtig dat dat daar niet in zat. De deelnemers gaven aan over het algemeen tevreden te zijn over de vorming. De man die geen kinderwens had, was wel en niet tevreden dat hij de cursus had gevolgd. Nu weet je allemaal wat een kind moet ja, de rechten. Nu weet je waarvoor je allemaal moet oppassen. Maar eigenlijk interesseert het mij niet. Een vrouw vond dat het maar over één thema ging, namelijk de kinderrechten. Eén koppel vond de vorming goed, maar niet zo volledig. I: Het was eigenlijk niet zo volledig. Het was wel wat in stukken. 100

102 R: Bedoel je dit omdat de vorming nog niet volledig af is? I: Ja en dat we dan terug wat moesten herhalen van waar we gestopt zijn. De meesten vonden de vorming leerrijk, hoewel ze moeilijk konden vertellen aan de onderzoeker wat ze precies leerrijk vonden. B: Ik heb veel bijgeleerd. R: Zoals? B: Wat we geleerd hebben hé. Wel gaven de deelnemers aan bijgeleerd te hebben over de rechten van het kind. Een deelnemer vertelde dat hij bijgeleerd had over gezonde voeding en over het goede voorbeeld geven aan je kinderen. Iemand anders gaf aan geleerd te hebben over het recht op bescherming, nog een ander had vooral onthouden dat het goed is om een spaarrekening te openen voor je kind, nog iemand vertelde dat hij geleerd had dat een kind recht heeft op onderwijs. Sommigen gaven aan dat ze een ruimer zicht gekregen hadden op wat er allemaal komt kijken bij een kindje. Eén vrouw vertelde bijgeleerd te hebben over voorbehoedsmiddelen Beantwoordde de vorming aan de verwachtingen van de vormingswerker? Het doel van de vorming was voor VMG het bespreekbaar maken van het thema kinderwens en een neutrale gesprekspartner zijn voor de deelnemers. VMG wou het thema kinderwens bespreekbaar te maken. Waar het vastloopt met begeleiding om over het onderwerp te spreken, trachten wij dit los te maken, door als neutrale gesprekpartner een veilig forum te bieden om kinderwens te bespreken. Men wou met deze vorming vooral uittesten of een groepsvorming en de bijhorende methodieken geschikt zijn om dit thema bespreekbaar te stellen. De vorming bleek voor VMG wel en niet tegemoet te komen aan hun verwachtingen. Enerzijds vonden ze dat het thema wel bespreekbaar werd en dat de thema s goed waren opgebouwd. 101

103 Het thema werd bespreekbaar, mensen hadden voldoende vertrouwen in onze neutraliteit. De meeste methodieken zijn als aanknopingspunt nuttig gebleken. Ze waren eerder een aanknopingspunt om in gesprek te gaan, dan dat ze oefeningen op zich waren. Maar dit leunde wel aan bij onze doelstelling. Anderzijds stelden ze zich vragen of het groepsaspect enig nut had. Verder hadden ze negatieve ervaringen met het verloop van de bijeenkomsten. De groep heeft niet als middel tot gesprek kunnen dienen, in tegenstelling tot andere vormingen die we in groep organiseren. De koppels waren veelal tot zichzelf gericht en konden moeilijk met de andere koppels in gesprek gaan. Voor mij was het niet duidelijk of dit door het thema kwam, of door de begeleider of door het karakter van de mensen of de samenstelling van de groep. Ik was verrast door het moeizame verloop van de bijeenkomsten, door de vele annulaties en het moeilijk plannen van de volgende data. Er was teveel tijd tussen de vormingsmomenten waardoor ik continuïteit miste in de vorming. Ik ondervond geen groepshechting, dit hield de vorming op een vrij oppervlakkig niveau. Op de momenten dat we maar 1 koppel in de vorming hadden, ging dit beter en konden we dieper ingaan op sommige thema s en had ik het gevoel dat we grondig konden doorwerken op sommige gevoelens en gedachten en had ik de indruk dat we vooruit gingen. Het bespreekbaar stellen vond VMG een eerste stap, maar de vormingswerker miste volgende stappen. Ze miste ook het uitnodigen van de begeleiders op de groepsbijeenkomsten. De deelnemers gaven daarentegen aan liever geen begeleiders te betrekken bij de vormingssessies. Wat wij gedaan hebben, het praten over heeft zeker ook zijn waarde en is volgens mij een eerste stap. Ik miste een volgende stap maar ik ben niet zeker of wij daar de juiste instantie voor zijn Het uitnodigen van de begeleiders of vertrouwenspersonen op de groepsbijeenkomsten miste ik ook een beetje, maar ik wou dit wel vooral uit de deelnemers zelf laten komen en hen dit niet opleggen. 102

104 De vormingswerker gaf aan dat ze gehoopt had dat de deelnemers nog iets kritischer tegenover zichzelf zouden staan. Ze had de indruk dat de deelnemers nu een beetje té optimistisch kijken naar kinderen, terwijl hun doel ook was om de deelnemers een bewuste keuze te laten maken voor kinderen. VMG denkt dat ze de deelnemers vooral een forum hebben kunnen bieden om hun verhaal te doen, maar dat deze deelnemers niet zoveel hebben bijgeleerd. Ze hopen dat deze vorming een aanzet is geweest voor begeleiding, om hier verder met hun cliënten over te spreken. Goh, ik heb de indruk dat ze niet zozeer meer kennis hebben opgedaan. Maar dat was ook niet het doel. Ik denk wel dat ze een forum hebben gevonden om hun verhaal te doen. En ik hoop dat dit de deur heeft geopend om hier verder met hun vertrouwenspersonen over te praten Beantwoordde de vorming aan de verwachtingen van de begeleider? Alle begeleiders gaven aan via hun cliënten niet veel van de vorming vernomen te hebben. Ik was wel zeer benieuwd, omdat het me ook wel bezig hield. Maar ik kreeg er van hen niet zoveel over te horen. Dus uiteindelijk, ja, het is hun goed recht natuurlijk, ze moeten het niet allemaal vertellen. Eén begeleider vroeg uiteindelijk aan zijn cliënten of hij mocht contact opnemen met VMG om te horen hoe de vorming verliep en nam telefonisch contact op met VMG. De begeleiders vertelden dat ze niet goed konden inschatten waarover de vorming effectief was gegaan. Eén begeleider dacht dat de rode draad de kinderrechten waren en dat zijn cliënten daar ook een zicht op hadden gekregen. Andere begeleiders hadden het gevoel dat er vooral was toegespitst op baby s en kleine kinderen. Ze vonden dat er niet echt een volledig beeld werd gegeven van het ouderschap, of dat hun cliënten dit nog niet hadden meegenomen. Over het algemeen konden de begeleiders niet duidelijk weergeven wat hun cliënten hadden bijgeleerd uit de vorming. 103

105 Vanuit de begeleiding werd er meer betrokkenheid verwacht bij de vorming. Ja, dat wij ook eens iets kunnen vragen en zo. Dat miste ik soms wel: hoever staan ze nu. In het begin wist ik dat niet, ik kreeg daar geen zicht op. Ik wist ook niet dat zij een map hadden. Ik wist eigenlijk niets. Dus ik kon nooit eens iets vragen van: toon mij eens iets. Anders had ik dat al veel vroeger gedaan eigenlijk. De eerste keer ben ik mee geweest en toen is er gezegd geweest: we zullen een aantal sessies opbouwen, niet altijd met begeleider, maar soms wel eens met begeleider. Maar die sessies met begeleider zijn er niet meer geweest. VMG vroeg op een bepaald moment tijdens de vorming aan de deelnemers om met hun begeleiders de vormingsmap te overlopen. De begeleiders vertelden hierover dat dit vrij kort en oppervlakkig gebeurde omdat hun cliënten er niet veel over vertelden. Los van de map, werd er bij twee van de drie koppels in de begeleiding weinig of niet gesproken over de kinderwens. Wel gaven de meeste begeleiders aan door de vorming meer open met hun cliënten over de kinderwens te kunnen spreken. B1: Je kan het gebruiken als ingang hé. In die zin vond ik dat wel makkelijker hoor. Jaja. Ze zijn er mee bezig en je weet dat. B2: Je hebt een aanknopingspunt hé. Je kunt een keer de vraag stellen: En wat heb je nu gedaan? of zo. B1: Zo kom je automatisch bij dat onderwerp terecht. Anders is dat zo geforceerd om daarover te beginnen. Eén begeleider vertelde dat er voor de vorming nooit over de kinderwens van zijn cliënten werd gesproken. Hij had zijn cliënten beter leren kennen door de vorming en hij zei nu een zicht gekregen te hebben op hun kinderwens en hun gedachtegang rond kinderen. Daarnaast haalden twee begeleiders aan dat er uit de vorming interessante thema s naar boven waren gekomen, waarmee verder aan de slag kan worden gegaan in de begeleiding. De meeste begeleiders hadden gehoopt dat hun cliënten een realistische kijk zouden krijgen op het ouderschap. Helaas werd deze verwachting volgens hen in meeste gevallen niet ingelost. Alle begeleiders gaven aan dat hun cliënten enthousiast waren over de 104

106 cursus, maar enkele begeleiders vreesden dat de goesting voor een kind door de vorming nog groter was geworden. Het koppel was enthousiast over de vorming. Dit was enerzijds zeer positief, maar aan de andere kant hebben ze precies de klik gemaakt van nu wil ik zeker een kind. Ze willen nú kinderen, maar de cursus is nog niet gedaan. Ik heb schrik dat hun gedachten niet meer gaan veranderen doordat de cursus eerst sterk gericht werd op het positieve. ( ) Ze hadden al lang een kinderwens, maar deze werd steeds afgeblokt. Met de cursus is hun wens bespreekbaar gemaakt, maar nu willen ze wel onmiddellijk kinderen. De nieuwe voorschriften voor de prikpil heeft ze al kapot gescheurd. In het begin van de cursus was ik wel, ook omdat ik er verder vanaf stond, ik wist niet goed wat er gebeurde. Ik had inderdaad wel vragen, omdat ik van Peter en Nele alleen maar het positieve hoorde: dat het leuk was, dat ze geleerd hadden over kinderwens. Ik begon zoal de vrees te krijgen dat de goesting nog grotere proporties begon te krijgen, en dat was misschien ook wel zo. Dus ik begon wel een beetje met die vrees te zitten: oei, oei. Maar na de laatste keer is dat bij mij toch wel gerelativeerd geweest. Ook net misschien omdat er individueel kon gewerkt worden. Ik weet het niet. De begeleiders hadden het gevoel dat de vorming te veel het positieve had benadrukt en dat er meer aandacht moest besteed worden aan verantwoordelijkheden en de mindere kanten van het ouderschap. De cursus is, denk ik, ook zo niet opgebouwd om het in vraag te stellen. Zeg mij als ik verkeerd ben hé. Ik heb er maar een fragment van gezien en het was niet zo van: Stellen we dat nog in vraag of stellen we dat niet meer in vraag. Oké, jullie hebben hiervoor gekozen, we gaan dat uitwerken rond dat thema. Wel dat is zo n beetje mijn ding van het VMG: er wordt een beetje teveel over de wensen en de rechten van de mensen gesproken, maar de consequenties zijn niet altijd duidelijk eigenlijk. Het is wel allemaal schoon, ik sta er ook op dat ze alle rechten hebben, maar je hebt wel een serieuze verantwoordelijkheid, zeker met een kind die je dan ter wereld wilt brengen. Vinden we dan dat we onze verantwoordelijkheid moeten nemen? En dan moeten we wel eens wat verder kijken dan wat VMG doet, denk ik. 105

107 Een begeleider gaf aan dat hij vond dat de blik van zijn cliënten door de vorming toch verruimd was en dat het koppel vanuit de vorming een aantal vragen had meegekregen om verder over na te denken. Het feit dat zijn cliënten een forum kregen om over hun kinderwens te praten vond hij zeer waardevol. Het romantisch ideaalbeeld is er nog altijd, maar ik merk toch dat ze een aantal vragen meegekregen hebben, waar ze toch eerst willen over nadenken Ze willen toch blijkbaar eerst een aantal dingen uitgeklaard zien, ook de werksituatie van Nele, haar dagbesteding. Blijkbaar is dat ergens bij jullie wel gelukt, om dat op een voor haar aanvaardbare manier, haar een aantal dingen te doen over denken, omdat dat bij Nele echt niet simpel is. Maar het feit dat er over gesproken is geweest op een veilige manier, ik denk dat dat het belangrijkste is. Een andere begeleider vreesde dat haar cliënte niet veel onthouden had uit de vorming. Ik weet niet hoe de vorming gegeven werd, want ik was er nooit bij. Dus daar kan ik niet over oordelen. Maar wat er bij Els blijft hangen, vond ik bedroevend weinig. Ze moest zich heel erg concentreren, heel erg haar best doen om zich dingen voor de geest te halen. Ik moest zelfs dingen beginnen verduidelijken die ik zag staan, aan de hand van de tekst dan. En dan ah ja, sommige dingen kwamen wel terug, maar het zat wel ver weg. Enkele begeleiders gaven op het moment van de post-interviews aan dat de vorming in dit stadium niet mocht afgerond worden. Ze wilden een vervolg, zodat alle vormingssessies doorlopen konden worden Wat hadden de cliënten graag nog geleerd? Eén koppel had graag nog geweten of hun kind een beperking zou hebben of, of hun kind slimmer zou worden dan hen. K: Ik zou graag weten of dat het kindje slimmer zal zijn dan ons of minder. R: Wat als het een beperking heeft? Of wat als het slimmer is? K: Dan moet je dat erbij pakken hé. Dit koppel zou het niet erg vinden, mocht hun kind ook in de beschutte werkplaats moeten 106

108 werken, want ze vinden het er goed werken. Voorts wilden de deelnemers nog bijleren over de ontwikkelingsfasen van een kind, de zwangerschap en de bevalling, en de verzorging van een kind. Bij dit laatste hadden de koppels graag wat concreet geoefend bij bijvoorbeeld een onthaalmoeder. Ik had graag nog geleerd hoe we een kindje moeten een bad geven en welk verzorgingsmateriaal we nodig hebben. Hoe moet je een papfles geven. Al zo n dingen. Ik ging het veel geestiger gevonden hebben als we een paar praktische dingen zouden leren: in bedje stoppen, een bad geven, eten geven Naast de zaken die ze graag nog hadden geleerd, stelde één koppel zich nog de vraag hoe ze een kind zouden combineren met werken, en of een kindje financieel haalbaar was. Ook de vormingswerker dacht dat de koppels verder nog wilden oefenen en uitproberen en concrete tips wilden krijgen over het verzorgen van kinderen. Ze zegt hierover: Ik denk dat dit komt door een verschil in verwachtingen en onze doelstelling. Ik denk dat sommige koppels dachten dat ze na deze vorming te hebben gevolgd, klaar zouden zijn om kinderen te hebben en dat dit ook als bewijs zou kunnen dienen voor hun omgeving Wat hadden VMG en begeleiders nog graag in de vorming gehad? VMG geeft aan geleerd te hebben dat ze in het vervolg meer nadruk moeten kunnen leggen op ervaringen en uitproberen. Naast concrete oefenmomenten, mag er volgens VMG nog iets in de cursus komen rond de relatie met de eigen familie en over de eigen jeugd van de deelnemers. Enkele begeleiders hadden graag gehad dat hun cliënten de kans kregen om te oefenen met kinderen. Ik had nog graag gehad dat ze het een keer zouden ondervinden, dat ze eens zouden weten wat het betekent om constant voor iemand te zorgen. 107

109 Leren over de zwangerschap, de verzorging en het omgaan met kinderen mocht volgens sommige begeleiders ook in de vorming aanwezig zijn geweest. Daarnaast werd gevraagd om de nadruk niet alleen op baby s en kleine kinderen te leggen, maar ook om over oudere kinderen en pubers te spreken. Els spitst zich heel hard toe op kleine kinderen, maar als ik dan zeg: Ja, ze willen dan al eens iets doen dat niet mag of die gevaarlijk zijn voor hen, wat ga je dan doen?. Dan kijkt ze zo van: Oei, waarover heb jij het nu?. Eén begeleider vroeg zich af hoe je met de cliënten kunt praten over hoe je concreet de kinderrechten kan waarborgen. Hij had ook het gevoel dat de nadruk nog meer mocht liggen op het standpunt van het kind. Over het hoofdstuk van die rechten, ik vond dat Peter en Nele zelf hun eigen perspectief daarin zagen. Ja, ik weet het niet. Het was misschien iets te abstract nog voor hen. Want als ik dan die map overliep met hen, ik was er natuurlijk niet bij op cursus, maar waren we redelijk snel rond. Het ene blaadje na het andere. En ze begrepen dat allemaal zeer goed wel. Ze konden iedere keer voorbeeldjes geven en zo. Maar ik heb er weinig echt in gevoeld of dat ze zich dan kunnen voorstellen wat dat recht effectief betekent in de realiteit. Een andere begeleider haalde aan dat zijn cliënten nog concrete vragen hadden over de financiële kant, hun netwerk, vrije tijd, de dagopvang en wat ze van begeleiding kunnen verwachten. Deze vragen had hij ook nog graag in de cursus beantwoord gezien. Vanuit de begeleiding van één koppel kwam de vraag om ook - en meer- de verantwoordelijkheden en negatieve kanten van het ouderschap te belichten. Ze vonden dat hun cliënten zich meer de vraag hadden moeten stellen: Kunnen wij dit wel aan?. Dat ze dat heel goed beseffen dat dat niet zomaar een beetje eten geven is, pamper verschonen. Dat dat veel verder gaat en dat dat uw leven ook serieus verandert. En dan is de vraag: kunnen zij dat aan? En die vraag zouden ze zich eigenlijk wel moeten stellen voor dat ze eraan beginnen hé. Maar die vraag hebben ze zich nog niet gesteld hé. En dat miste ik toch ook wel in de cursus hoor. 108

110 Tot slot gaven diezelfde begeleiders aan dat ze graag gehad hadden dat er een bijeenkomst wordt georganiseerd na afloop van het vormingsprogramma om samen met het koppel te kijken naar wat ze geleerd hebben en wat de verdere stappen nu kunnen zijn. Ja, ewel ja, eigenlijk zouden ze moeten met Bart en Els samen zitten en zeggen: Kijk, jullie hebben nu die cursus gevolgd, wat denk je nu en wat zijn de verdere stappen nu eigenlijk. Hoe denken jullie eraan. Ik zou dat eens serieus evalueren: Hoe denk je nu? Kinderen zal dat gaan of niet gaan? Zoiets meer. Dat ze eigenlijk zo een antwoord hebben op hun vraag. Hoewel Els niet echt een vraag had, maar Bart wel eigenlijk. En dat meenemen eigenlijk. Dat zou ik eigenlijk wel graag hebben dat er eventueel nog een vervolg komt, zo een evaluatie eigenlijk: Kijk, nu hebben we dat allemaal geleerd, dat heb je allemaal gehoord, hoe denken jullie daar nu over? Maar misschien is dat gebeurd? Deze evaluatie zagen zij vooral vanuit VMG met het koppel. Ze vonden dat zij als begeleiding hierbij niet betrokken moesten worden, omdat VMG met het koppel de weg was gegaan rond kinderwens Bevindingen m.b.t. de hoofdstukken Hoofdstuk 1: Wat betekenen kinderen voor mij? Alle deelnemers gaven aan dat ze dit hoofdstuk goed en leuk vonden. Enkele deelnemers gaven aan dat ze er al veel over wisten. Ik vond dat redelijk goed, maar wij wisten al tamelijk veel. Dat zat er wel in bij mij. Die baby tjes opvoeden, dat wist ik ook al. Alle koppels vond dit een vrij gemakkelijk hoofdstuk. Eén koppel vond de vraag Heb je al voor kinderen gezorgd? moeilijker om over na te denken. Vanuit VMG werd dit eerste hoofdstuk gezien als een vlotte start om het thema aan te kaarten. De deelnemers moesten even op weg geholpen worden, maar daarna ging het 109

111 vanzelf. Het wijzen op de verschillende ideeën tussen de partners bleek waardevol in het gesprek. De oefening kinderen dan denk ik aan bracht de verschillen binnen het koppel aan het licht, bijvoorbeeld de man die denkt aan spelen, gelukkig zijn, blij zijn, lachen en zijn partner eerder aan pampers, kinderopvang, school, voeding. Deze verschillen benoemen gaf een meerwaarde aan het gesprek, vond ik. VMG zou de volgende keer wel op voorhand aan de deelnemers vragen om een foto mee te brengen van kinderen uit hun omgeving. Hoofdstuk 2: Ik heb een kinderwens! Ook dit hoofdstuk werd door de koppels als aangenaam ervaren. Ze vonden het leuk om over kinderen te dromen. De meesten hadden voor de cursus al nagedacht over hoe hun kinderen zouden heten. Volgens de vormingswerkster ging dit hoofdstuk vlot en waren de mensen uitgelaten dat ze over hun wensen en dromen konden vertellen. Ze vertelde hierbij nog: Dit kunnen ze niet altijd in hun omgeving omwille van angst voor reacties. Eén deelnemer vertelde dat ze de tijdslijn moeilijk vond. Ook de vormingswerkster gaf aan dat de tijdslijn minder vlot ging, dat het te abstract was en dat VMG dit moet herdenken. De stellingen over waarom ze graag moeder of vader zouden worden, werden goed bevonden. Eén koppel vond dit ook een moeilijke oefening. Volgens VMG gingen deze stellingen zeer vlot, kwamen er interessante antwoorden uit de groep en kwamen er achterliggende dynamieken tevoorschijn. De antwoorden legden wel onderliggende dynamieken bloot. Bijvoorbeeld: ik wil mama worden om eindelijk eens als normaal te worden aanzien. Hoofdstuk 3: Wat hebben kinderen nodig? Voor veel deelnemers bleken de kinderrechten relatief nieuw. 110

112 K: Dat er zoveel rechten zijn voor een kind, amai. Er zijn wel veel rechten voor een kind! I: Je verschiet daar wel van, van wat er allemaal komt bij kijken. Ik wist wel dat kinderen verschillende rechten hebben hé. Maar als toekomstige ouder, wist ik al die rechten niet. De rechten die als nieuw werden aangegeven waren vooral: recht op gelijke behandeling, recht op onderwijs, recht op bescherming, recht op privéleven en recht op gezonde voeding en onderdak. Sommige deelnemers haalden aan dat ze wel op de hoogte waren van de rechten, maar dat ze eigenlijk niet wisten wat daar allemaal bij komt kijken. De meesten vonden het dan ook interessant om over de rechten te leren. Sommigen zeiden dat de rechten hen aan het denken hadden gezet. K: Het heeft me toch wat aan het denken gezet. Om te sparen en zo en met een spaarrekening en zo voor ons kind later. I: Ja, leren sparen en zo. Voor een spaarboekje te laten openen en misschien voor een andere rekening ook voor wat zakgeld. Aan die ene rekening kan die aan en aan die andere afblijven zodat die wat kan sparen en dat het bedrag hoger en hoger wordt. K: Ja, eigenlijk sparen tot zijn 18 de en dan kan hij ermee doen wat hij wil. Zo zou ik dat doen. Eén deelnemer vertelde dat ze dit hoofdstuk wel langdradig vond. Het was wel interessant, maar ik vond wel dat het een beetje langdradig was over die rechten. Ik doe dat wel graag, maar ik had het ook liever eens over iets anders gehad. Bijvoorbeeld zoals we de laatste keer hebben gedaan met dat spel of dat er een opdracht kwam vanuit VMG zelf, dat we moeten zorgen voor een kindje. Sommige deelnemers bleven nog met vragen zitten hoe ze deze rechten in de praktijk moeten uitvoeren. Je weet dat er gevaren zijn, bijvoorbeeld dat een kindje zich kan verbranden aan het vuur, maar toch kan het kindje daarnaar grijpen. 111

113 Je weet nooit niet naar welke school je nu het best je kinderen kan sturen. Zal het wel een goede school zijn. Dat ben je niet zeker? Enkele deelnemers vonden het spijtig dat ze niet alle werkblaadjes van de kinderrechten hadden ingevuld. Zoals eerder vermeld wou iemand nog diepgaander over de rechten leren. VMG vond dat dit hoofdstuk eerder moeizaam verliep. Het hoofdstuk bracht niet de gewenste uitkomsten. Mensen waren eerder aan elkaar aan het bewijzen hoe goed dat ze het deden, in plaats van samen te denken over wat kinderen nodig hebben. Volgens hen waren de vragen ook te abstract opgesteld en moeilijk geformuleerd. VMG blijft deze methodiek wel een goede invalshoek vinden om te praten over wat kinderen nodig hebben. Maar de sessies die, door omstandigheden, individueel met de koppels werden gehouden over de rechten, verliepen volgens hen vlotter dan in groep. Ze hadden het gevoel dat met individuele begeleiding dieper kon ingewerkt worden op de rechten en dat concrete vragen konden besproken worden. Daarom wil VMG deze methodiek behouden, wanneer het individueel met de deelnemers kan doorgewerkt worden. Hoofdstuk 4: Wat zou er veranderen in mijn leven als ik een kindje krijg? Slechts één koppel nam ook dit hoofdstuk door. Dit deden ze als koppel individueel met de vormingswerkster. Het koppel bleek tevreden over dit hoofdstuk, maar bleef met vragen zitten over de financiële kant en de combinatie van een kind met het huishouden en het werk. Over deze methodiek was ook VMG tevreden, al dachten ze dat deze methodiek ook met de individuele begeleider moest worden uitgevoerd. Dit omdat VMG geen idee heeft van hoe de cliënten er bijvoorbeeld op financieel vlak voor staan. Dit spel ging vlot, maar zou naar mijn mening een grotere meerwaarde hebben om dit een tweede keer samen met vertrouwenspersonen te spelen. Dit geeft misschien een meer realistisch beeld. Nu had het ook zeker een grote waarde omdat de koppels 112

114 hun eigen realiteit en dromen konden vertellen, zonder dat er iemand hen wees op de echte realiteit. Bijvoorbeeld, Ilse en Koen zeggen een kind kost geld. Ze zeggen: We hebben niet veel geld, maar als we sparen komen we er wel. Hun persoonlijke begeleider zou misschien zeggen: Het is financieel onmogelijk. Als we het spel 2 keer zouden spelen, komt de mening van het koppel duidelijker naar voor en kan er misschien meer een dialoog komen tussen de vertrouwenspersoon en het koppel over dit thema De beslissing Twee van de drie koppels bleek reeds voor de vorming beslist te hebben dat ze een kind wilden. Ze vertelden dat ze tijdens de vorming eerder nadachten over wanneer ze dit kind wilden. Bij één koppel wisselden de ideeën over wanneer ze een kindje wilden. Het ene moment mocht het kindje er meteen komen, het andere moment zeiden ze nog twee of drie jaar te wachten. De vrouw van het koppel dacht eraan om de natuur zijn gang te laten gaan en zo zelf de beslissing niet te nemen. P: Wij willen wel een kindje, maar wanneer juist N: Dat weten we niet. We denken wel nog minstens drie jaar te wachten. Want nu gaan we trouwen, en dan nog eens zwanger zijn, ja, ik weet niet hoor. En dat gaat ook al kweet niet hoeveel geld kosten, den trouw. En dan nog eens dat kindje. R: Het zou kunnen een beetje te veel op één zijn? P: Ja N: Ja, ik denk dat ook. ( ) P: Ja, van mij Als zij nu zegt: Ik wil gerust beginnen aan een kindje, dan sta ik daar voor open. N: We zouden toch graag nog 2 jaar kinderloos blijven. Als er één van komt, zoveel te beter, we gaan de natuur zijn gang laten gaan. Bij het andere koppel dat reeds besliste voor een kind, mocht het kindje er meteen komen. Het is nu wel de moment, vind ik. Ik ben al in de 20 jaar. 113

115 De man van het koppel dacht dat zijn vrouw door de vorming meer zin had gekregen in een kind. De vrouw dacht dit niet. K: Ik denk dat jij er ook meer zin in hebt. I: Doordat we er allemaal over bezig zijn. R: Doordat je erover bezig bent, dat je meer goesting hebt om een kindje te hebben. Is het dat? K: Ja, dat wel denk ik. Maar zij had er al vroeger op gedacht als ik. R: Is het door de vorming dat je sneller een kindje wil Ilse? I: Het is toch wel gelijk gebleven met ervoor. Het derde koppel had de beslissing nog niet samen genomen. Voor de vorming hadden ze elk zelf een aparte beslissing genomen. De man had voor zichzelf uitgemaakt dat hij geen kinderen wou, de vrouw wou er wel. Alle koppels gaven aan dat de vorming hen niet geholpen had in de beslissing voor een kind. Wel vertelden de meesten dat ze langer of dieper hadden nagedacht over het krijgen van een kindje en dat ze er voorheen niet zo bij stilgestaan hadden. Eén vrouw had niet het gevoel dieper te hebben nagedacht over het krijgen van een kindje. De vormingswerkster had wel het gevoel dat de vorming de koppels geholpen had in hun keuze, al was ze daar wel niet zeker van. De manier waarop de cursus de koppels geholpen had, was volgens haar wel zeer verschillend. Bij het ene koppel had de vorming aanleiding gegeven om rond verdriet te werken met de vertrouwenspersoon. Bij een ander koppel had de vorming handvaten geboden om in gesprek te gaan met de omgeving over hun kinderwens. Het derde koppel had na de vorming de keuze gemaakt om toch nog te wachten met een zwangerschap en een ander anticonceptiemiddel te kiezen. Al was de vormingswerkster daar niet zeker van. Nele is te wispelturig om te weten of ze dit nu ook echt gaat doen. Bij dit laatste koppel werden er ook stappen uitgeschreven over wat ze eerst nog willen doen alvorens aan gezinsuitbreiding te beginnen. Er werd bij hen ook stilgestaan rond hun persoonlijke begeleiding die ze niet meer vertrouwden. 114

116 De begeleiders van de deelnemers gaven aan dat hun cliënten de vorming niet volgden om ondersteund te worden bij het nemen van de beslissing. Ze hadden de beslissing al genomen en wilden nu concrete tips en vaardigheden aanleren. Maar eigenlijk wil zij ook niet echt reflecteren met anderen over kinderen, is dat wel iets voor mij? Kan ik dat aan? Zie ik dat wel zitten?. Zij heeft voor haarzelf gewoon uitgemaakt: ik wil een kind. En ze wil gewoon leren van hoe moet dat dan. En dat is eigenlijk voor haar een motivatie. Niet om het eigenlijk nog in vraag te stellen hoor. Dus in die zin is zij er helemaal niet in geïnteresseerd om er op die manier over te spreken. De man zonder kinderwens heeft doorheen de vorming zijn idee scherper gesteld en weet nu wel duidelijker wat hij wil. De begeleiders denken dat voor de meeste van hun cliënten de vorming hen niet geholpen heeft bij de keuze, hoogstens bij de beslissing wanneer ze een kind willen. Voor de man zonder kinderwens heeft de vorming in dat opzicht wel geholpen. Eerst twijfelde hij over een kind, tijdens de vorming heeft hij voor zichzelf de beslissing genomen. Wel denken alle begeleiders dat hun cliënten door het volgen van de vorming over het algemeen langer of dieper hebben nagedacht over hun keuze Blik op de toekomst Nele en Peter staan op trouwen en denken op dit moment om nog enkele jaren te wachten met kinderen. Koen en Ilse vinden het nu wel tijd voor kinderen en willen er meteen aan beginnen. Bart en Els hebben elk hun idee over kinderen, maar zijn er samen nog niet uit. We vroegen ook aan de begeleiding hoe zij de begeleiding in de toekomst zien. De begeleiding van Nele en Peter wou met hen nog werken rond dagbesteding. Ze zijn aan het informeren of dit in een kinderdagverblijf zou kunnen. Daarnaast zouden ze graag met hen naar het Centrum voor Menselijke Erfelijkheid gaan, maar de begeleiding voelt dat het koppel hier niet voor openstaat. Het koppel gaf aan dat ze de begeleiding in vraag stellen, de begeleiding is hiervan op de hoogte. 115

117 De begeleider van Koen en Ilse vertelde dat er binnenkort een multidisciplinair team zal worden gehouden. Ze hopen Koen en Ilse hierbij op andere gedachten te brengen. Er zal een multidisciplinair team samengesteld worden met ondermeer de orthopedagoog, de bewindvoerder, de dokter, Koen en Ilse, We hopen eigenlijk om hen nog op een ander idee te brengen. Maar als het niet zo is, dan gaan we ze niet forceren. We zullen ook eerst nog eens met tante en nonkel praten. En als ze zwanger zijn, zullen we er nog genoeg over moeten praten met Koen en Ilse. De begeleiders van Els en Bart denken eraan het individueel parcours nog eens te doorlopen met Els. Wel geven ze aan dat ze, in de veelheid van zaken die ze moeten opnemen, misschien geen tijd zullen vinden om daar rond te werken. B1: Ik denk in de veelheid van de zaken die we moeten opnemen met hen, denk ik niet dat dat er Je moet daar echt wel wat tijd voor nemen hé, om er af en toe over te spreken. R: En jullie zien nu geen tijd? B1: Voorlopig niet nee. B2: Alhoewel we wel weten dat dat wel heel belangrijk is hé. B1: Ja. B2: Zeker dat onderwerp. Allé, dat vind ik wel één van de belangrijkste eigenlijk. B1: Maar ik vind het ook wel een beetje gevaarlijk als het bij ons ligt. Want zij voelen dan heel snel: ah, jullie willen het niet, jullie zien het niet zitten. Deze begeleiders gaven aan dat ze nog zullen nadenken over een vervolg. Hierbij denken ze ook aan eventuele individuele begeleiding rond kinderwens van buitenaf, of aan het oprichten voor een steungroep voor het koppel. Die kinderwens zou daar ook een plaats kunnen in krijgen Hoe concreet was de vorming? Alle koppels hadden graag concreet geleerd hoe ze een kindje moesten verzorgen. Daarbij hadden ze ook graag geoefend met kindjes. Dit kwam tot hun spijt niet aan bod in de vorming. 116

118 I: Er zat wel wat weinig doen in. Het meeste was opschrijven en denken en je mening zeggen en naar de anderen luisteren, wat die zeggen. R: Vond je dat een goede manier om zo cursus te doen: nadenken en opschrijven en luisteren? I: Eigenlijk wel. Maar als we wat cursus hebben en wat doen en ook samen leren, dan heb je het ten eerste ook al wat geprobeerd en dan kun je er ten tweede ook meer over leren. R: Je bedoelt, dat als je iets doet, dat je nog meer zou leren? I: Ja, misschien dat je er nog meer van leert dan gewoon denken en opschrijven en van anderen gewoon horen wat die ervan zeggen. Ik heb dat geleerd in Personenzorg. Ik heb veel meer geleerd van doen, dan dat je maar denkt en opschrijft en maar hoort wat heel de groep ervan zegt. Over het algemeen vond VMG het vrij concreet. Hoewel het niet in hun doelstellingen lag, hadden zij graag nog oefenmogelijkheden aangeboden om aan de vraag van de deelnemers tegemoet te komen. We zijn geen onderwerp uit de weg gegaan. We hebben ook zoveel mogelijk abstracte begrippen uitgelegd. Ik miste wel de tijd, de mogelijkheid en de ruimte om ook vaardigheden te oefenen met hen of hen hiervoor de opdracht te geven. Ik denk dat de oorzaak hiervoor lag bij het gebrek aan continuïteit en tijd. Volgens VMG waren vele bijvragen nodig om concreet te praten over een thema. Vragen zoals: hoe zou je hier als ouder mee omgaan, hoe voel je je hierbij, waren volgens hen te moeilijk en werden niet begrepen. Het hoofdstuk over de rechten van het kind werd als te abstract ondervonden. Bij de begeleiders waren de meningen verdeeld over de concreetheid van de vorming. Eén begeleidster had de indruk dat de vorming concreet genoeg was, gezien er veel prenten gebruikt werden. Een andere begeleider vond dat de vorming nog niet genoeg had stilgestaan bij de concrete consequenties van het krijgen van een kind. Hij hoopte dat dit nog moest komen in het vervolg van de vorming. Nog een andere begeleider vond vooral de kinderrechten te abstract voor zijn cliënten. Ze kunnen wel een opsomming geven van wat er nodig is, maar wat dat dan voor hun eigen leven zou inhouden om die rechten effectief te waarborgen, dat is nog een 117

119 stap verder hé. Tussen de rechten van het kind kennen en ze kunnen proberen te gaan geven. Deze begeleider dacht ook dat de transferwaarde naar de thuissituatie van de koppels klein zou zijn. Hij zag ook geen heil in oefeningen zoals leren fruitpap maken, als deze niet thuis werden geoefend in de context van alledag. Ik zie ze perfect fruitpap maken, maar doe dat dan eens in de huissituatie waar dat Peter moet gaan werken s morgens, met al die dingen die erbij komen. En ik denk als je dan bijvoorbeeld zegt van: Kijk, we zullen eens fruitpap maken. Dat is fantastisch plezant en leuk. Je moet natuurlijk iets doen om het concreet te maken, dat weet ik ook wel. Het zou dan bijna bij hen thuis moeten gebeuren, met de vragen: Hoe zou je dat doen, en waar, en wanneer? Hoe diepgaand was de vorming? Een aantal deelnemers vond de groepsvorming vrij oppervlakkig. Ze dachten dat dit kwam doordat de cursus in groep gebeurde en er minder dingen van jezelf aan bod kunnen komen. Eén deelnemer vertelde dat ze soms nog meer uitleg wou vragen en krijgen. Vanuit VMG werd de groepsvorming ook redelijk oppervlakkig bevonden. De individuele momenten, vonden ze wel voldoende diepgaand. Maar VMG geeft hierbij nog de opmerking dat het niet hun bedoeling was om therapeutisch te werken, zoals in een counseling. Dus op zich is het gebrek aan zeer diepgaande gesprekken geen gemis geweest voor onze doelstellingen van de vorming. Het doel was immers om kinderwens bespreekbaar te maken, niet om te leren hoe voor een kind te zorgen. Wij zien dit als een startpunt voor de begeleiding om individueel verder aan de slag te gaan. De begeleiders konden moeilijk een zicht krijgen op hoe diepgaand de vorming was geweest. Eén begeleidster vertelde dat ze dacht dat het waarschijnlijk niet diepgaand genoeg was geweest, gezien haar cliënte er zeer weinig van onthouden had. Eén begeleider gaf aan dat hij in het begin de vorming weinig diepgaand vond, maar dat hij zijn mening moest bijstellen na de laatste vormingsessie. In deze sessie waren zijn 118

120 cliënten individueel met de vormingswerkster aan de slag gegaan. Hij had het gevoel dat in die sessie veel diepgaander gesproken werd rond de kinderwens. In het begin vond ik de vorming niet diepgaand genoeg, maar dat moet ook groeien. Toen dacht ik, vreesde ik eigenlijk, dat het allemaal wat in een sfeertje bleef van t is plezant. Maar die mening heb ik volledig herzien na de laatste keer, als ze dan alleen waren met de vormingsbegeleidster. Dan is er wel efkes afgeweken van de vorming zelf natuurlijk. Maar goed ja. Deze begeleider stelde zichzelf ook de vraag of een vorming wel erg diepgaand moet zijn, want dan ga je therapeutisch werken. Hij zegt hierover dit: Het is zowel een voordeel als een nadeel dat het niet therapeutisch is. Een aantal dingen zijn niet slecht als vorming, denk ik. Vorming zie ik een beetje meer als kennis overdragen. En dat moet ook wel een stuk gebeuren. Maar het ene volgt een beetje uit het andere. Een stuk inderdaad starten met algemene vorming, bijvoorbeeld die kinderrechten dan. Maar dan inderdaad aansluiten bij wat heeft dit voor de cliënt zelf betekend. En dan ben je bijna therapeutisch bezig hé, omdat het sowieso iets is dat heel individueel is hé, kinderwens. Je kan dat niet allemaal in een vorming gieten, dat gaat niet. Maar het is misschien een goede aanloop. Moesten we gestart zijn vanuit: we gaan een therapie doen rond kinderwens, dan zou dat niet echt positief aangekomen zijn bij het koppel. Ik zou het zelf ook wel raar vinden, dus ik begrijp dat ook bij de cliënten. Het is een goede start denk ik, om in vorming en in groep met iets te starten. Ik denk dat dat eigenlijk wel niet slecht is als er een combinatie in zit met individueel werken Zijsprongen Eén koppel gaf aan dat er een zijsprong was gemaakt naar voorbehoedsmiddelen. Dit gebeurde in een individuele sessie met de vormingswerkster. Met twee koppels werden de kinderrechten in een individuele sessie nog eens herhaald. De koppels bleken vooral uit deze individuele sessie zaken onthouden te hebben, bijvoorbeeld rond gezonde voeding en een spaarrekening. 119

121 Volgens de vormingswerkster werd de grootste zijsprong gemaakt met het koppel waarvan de man geen kinderen wou. Dit verdriet hebben we besproken en ook dat het een beslissing van beiden hoort te zijn VORM We gespreken achtereenvolgens volgende items: 1. Groepsgebeuren 2. Methodieken 3. Moeilijkheidsgraad 4. Tempo 5. Organisatie van de sessies 6. Meerwaarde groepsvorming 7. Meerwaarde individuele vorming 8. Drempels om naar VMG te komen? Groepsgebeuren Alle deelnemers, behalve de man zonder kinderwens, gaven aan graag naar de vorming te komen. Ze waren ook allen tevreden over de vormingswerkster. Wanneer we de deelnemers vroegen wat ze van de andere deelnemers vonden, waren de meningen verdeeld. Eén koppel drukte duidelijk uit dat ze met het ene koppel wel goed overeen kwamen, het andere koppel vonden ze niet aangenaam omdat die discussie met elkaar hadden. P: Ik vond het leerrijk, maar zonder de discussiemomenten met Bart en Els, omdat dat toen een beetje uit de hand liep, op sommige momenten. R: Hoe bedoel je precies? N: Als we dingen bespraken, dat Peter dat dikwijls op zijn zenuwen kreeg. Dat Bart en Els zeiden van ja Ze kwamen dan in ruzie. P: Ze begonnen dan te discussiëren tegen elkaar. R: Je bedoelt dat ze zelf niet overeen kwamen? 120

122 N: Ja, ik vond dat ambetant, dat hoorde eigenlijk niet bij de les. En je zit daar dan en je wordt daar dan bij betrokken. Ik heb dat dan liever niet. Ik heb niets tegen die mensen, maar discussies in de les, probeer dat te vermijden! Hun persoonlijke problemen moeten wij eigenlijk ook niet weten. Het ander koppel wist ook niet goed om te gaan met dat discussiërende koppel. K: Anders was de groep goed, maar Bart wilde geen kind. Hij wilde precies niets en die wist ook weinig, vond ik. I: En Els die had wel graag een kindje gewild. Als wij erover bezig waren, begon zij erover te wenen. Ze had het er wel wat moeilijk mee, zag ik. Twee koppels vonden de groepsgrootte goed, maar het moest niet groter zijn. Ze gaven hiervoor als redenen dat in grotere groepen iedereen moeilijker zijn mening kan zeggen, dat het dan te druk is en dat de sessies dan nog langer zouden duren. Eén koppel vond de groepsgrootte te klein. Ze wilden nog meer meningen horen en nog meer mensen hebben om mee te communiceren over bepaalde zaken. Over het algemeen hadden de deelnemers het gevoel dat ze genoeg hadden kunnen vertellen. Twee deelnemers gaven aan dat ze graag nog meer vragen hadden gesteld, maar dat ze de groepssessie niet wilden storen of, dat er geen tijd voor was. Sommige deelnemers vonden dat ze soms (te) lang moesten luisteren naar elkaar of dat een ander (te) veel aan het woord was. Ook de vormingswerkster gaf aan dat de koppels soms weinig geduld hadden om naar elkaars verhaal te luisteren. Ze had tevens het gevoel dat de koppels tegen elkaar wilden opboksen. Het ging soms eerder over ik weet meer over het verzorgen van kinderen dan jij maar misschien lag dit aan de samenstelling van de groep Methodieken De deelnemers gaven tijdens de interviews niet veel opmerkingen over de gebruikte methodieken. Wel werden gesloten antwoordmogelijkheden of stellingen door sommigen als gemakkelijker en aangenamer ervaren. 121

123 Een minderheid bleek de tijdslijn als moeilijk te ervaren. Over het algemeen vond VMG het werken met de werkblaadjes bruikbaar. In het vervolg zouden ze nog meer met aparte afbeeldingen willen werken. Het neerschrijven van de antwoorden en bevindingen vonden ze ook echt nodig. Hierbij heeft de vormingswerkster aan dat co-begeleiding erg nodig is om te helpen bij het opschrijven. Bij het overlopen van de hoofdstukken werd reeds aangegeven hoe VMG hun methodieken ervaren hebben Moeilijkheidsgraad Op één deelneemster na, vertelde iedereen dat ze de vorming goed begrepen hadden. Ook de begeleidster van deze ene deelneemster dacht dat de vorming zeer moeilijk was geweest voor haar cliënte. VMG gaf hier geen verdere bedenkingen over Tempo Over het tempo van de vormingsessies waren de meningen zeer verdeeld. Twee deelnemers gaven aan dat het tempo van de cursus goed was. Drie deelnemers vonden de vorming soms te snel. Eén deelnemer vond dat de vorming soms te traag ging. Hij bedoelde daar vooral mee dat er over elk onderwerp werd gediscussieerd en dat iedereen één voor één aan de beurt moest komen. Ook VMG vond dat de vormingssessies traag verliepen. Ze hadden telkens het gevoel dat ze minder konden doen in een sessie, dan gehoopt Organisatie van de sessies Afspraken maken VMG liet de koppels zelf afspraken maken over de data van de volgende bijeenkomsten. Sommige deelnemers gaven aan dat het moeilijk was om afspraken te maken. 122

124 P: Ik vond dat, als we afspraken maakten met de andere koppels, dat er telkens één koppel tegenwerkte. R: Dat het moeilijk was om een afspraak te maken? P: Ja. Ondanks de moeilijkheden vonden twee koppels het toch goed dat ze zelf mochten kiezen. Eén koppel daarvan nuanceerde dit en wou het initiatief leggen bij de vormingswerker of bij henzelf, naargelang het hen best uitkwam. R: Vind je het beter dat de begeleiding een datum kiest of dat je zelf de data mag kiezen? E: Soms eens niet en soms wel. Moest het op een zaterdag zijn, is het gemakkelijk dat zij kiest. Maar als het in de week is, kan je beter zelf kiezen hé. Het derde koppel had liever dat VMG de sessies plande en benadrukten dat de data op voorhand moesten vastgelegd worden. Dan konden ze zich ernaar schikken. VMG vond dat het maken van afspraken zeer moeizaam verliep. In het vervolg zouden ze verkiezen om zelf de momenten vast te leggen en niet meer in overleg met de deelnemers. Ze hadden het gevoel dat dit voor deze groep niet werkte. Enkele begeleiders vonden ook dat men beter in het vervolg de datums op voorhand vastlegt. Sommige deelnemers hebben het moeilijk om afspraken te verplaatsen. Duur volledige vorming Eén koppel vond dat er te veel tijd tussen de sessies zat, waardoor ze telkens moesten herhalen wat ze de vorige keer gezien hadden. Ze vonden het ook jammer dat er sessies werden afgeschaft. VMG is het daarmee eens. Ze zouden korter op elkaar hebben moeten volgen. Ik miste enorm te continuïteit, zowel in samenkomsten als in samenstelling van groep. Vooral het gebrek aan continuïteit vond ik een groot probleem. 123

125 Ook de begeleiders haalden aan dat er te veel tijd tussen de vormingssessies zat, maar hierbij vertelden ze wel dat dit door omstandigheden kwam. Duur per sessie De meeste deelnemers vonden de vormingssessies lang genoeg. Het mocht voor hen niet langer zijn, gezien ze s avonds plaatsvonden en ze s anderdaags moesten gaan werken. Eén iemand vond de sessies te kort, een ander vond ze te kort wanneer ze de dag erop niet moest gaan werken. Wanneer deze persoon wel moest gaan werken, vond ze de sessies lang genoeg. VMG vond de bijeenkomsten te kort, omdat het soms even duurde om erin te komen. De bijeenkomsten duurden telkens 1u30 à 2u. In de toekomst zou VMG de bijeenkomsten op andere momenten plannen. Niet meer s avonds met eten erbij. Ze zouden op een volledige namiddag willen plannen, in het weekend. Zo willen ze tijd maken om grondig over de zaken door te praten Meerwaarde groepsvorming Alle koppels vonden het een meerwaarde om de vorming in groep te volgen, omdat ze in groep andere meningen konden horen. In groep kan je de andere mensen hun mening ook horen. Als je nu met 4 personen zou zitten, wij en twee begeleiders, dan weet je alleen de mening van de begeleiding. Het kunnen praten over hun kinderwens, en dit met lotgenoten, bleek voor sommigen ook belangrijk. Met Koen en Ilse zaten we ongeveer op dezelfde golflengte. Met hen kon je goed babbelen. Als zij met vragen zaten, konden zij vragen stellen tegenover ons. En omgekeerd ook. Sommige koppels namen aan de groepsvorming deel omdat ze het niet zagen zitten om de vorming individueel met hun begeleider te volgen. 124

126 P: We vonden het beter in groep dan individueel. N: Vooral, mochten we het met onze begeleider doen, we zouden ik-weet-niet-waar zijn! P: Ik ging meer buitenshuis geweest zijn, dan binnen hier bij hem! N: Maar we gingen dan sowieso discussies gehad hebben met hem en het ging in het honderd hebben gelopen. R: Hebben jullie vooral de groepsvorming gevolgd omdat jullie het niet zagen zitten met jullie begeleider? N&P: Ja. Een ander koppel deed het liever niet met hun begeleider, omdat ze dachten dat hij er niet veel van zou weten. VMG ziet als voordeel van een groepsvorming dat het meerdere mensen per keer bereikt. Men hoopte dat de verschillende verhalen van de deelnemers een meerwaarde voor elkaar zouden kunnen zijn. Maar de vormingswerkster geeft aan dat zij deze gehoopte meerwaarde in deze groep niet heeft opgemerkt. Eerder werd al aangegeven dat VMG zich na de testvorming vragen stelt bij de meerwaarde van het groepsgebeuren voor een vorming over kinderwens. Enkele begeleiders zagen als meerwaarde van de groepsvorming: de verschillende meningen die je te horen krijgt. Andere genoemde meerwaarden waren: de laagdrempeligheid voor cliënten om over dit onderwerp te spreken en het spreken met lotgenoten. Eén begeleider dacht ook dat er meer verschillende onderwerpen zouden kunnen aan bod komen in een groepsvorming. Een andere begeleider vertelde dat hij het een meerwaarde vond dat zijn cliënten op een open en veilige manier konden spreken over hun kinderwens en dat ze hierbij niet beoordeeld werden. Het feit dat VMG een ongekende organisatie was en dat ze de deelnemers niet kenden, maakte voor het koppel dat ze op een veilige manier over hun wens konden spreken. Een begeleider van een ander koppel gaf aan dat zijn cliënten zeer gesloten zouden zijn, mochten ze dit onderwerp met hem moeten bespreken. De begeleiders van een derde koppel besloten voor de groepsvorming te kiezen omdat ze vanuit hun dienst de raad hadden gekregen zich daar een beetje buiten te houden. 125

127 B1: Omdat het anders in onze begeleidingspositie soms te moeilijk is, als je daar tussenkomt. B2: Want wij hadden zelf de vraag gesteld. Dat was een externe die ons team begeleidde. Dat is al twee-drie jaar geleden. En dan hebben we het eens over dat onderwerp gehad in de groep. We waren er toen nog niet uit. Maar dan is er duidelijk gezegd van: Neem daar afstand van, want hoe meer je er u gaat op focussen, hoe moeilijker dat dat gaat worden. Maar misschien moeten we daar zeker eens op nadenken en als er iemand is die dat wat kan brengen R: Dus jullie hebben zoiets van: liever wat afstand, dat dit niet de vertrouwensband breekt. B1: Jaja. Wij moeten ook nog heel veel andere dingen met hen opnemen en dat moet ook nog gaan, niet alleen qua tijd, maar ook qua vertrouwen. Als je andere dingen met hen aan het bespreken bent en zij voelen zoiets van: Oh nee, ik zie die liever niet, want die wil niet dat we kindjes willen. Ja, dat wordt moeilijk hé. Ik zou het wel goed vinden moesten ze dat onderwerp niet loslaten hoor. Zoals eerder al aangegeven zag een begeleider heil in de combinatie van een groepsvorming en een individueel traject: de groepsvorming als start en een individueel deel om te verdiepen Meerwaarde individuele vorming Twee van de drie volgden minstens één keer individueel vorming bij VMG, gezien de anderen verstek lieten gaan. Deze individuele momenten waren volgens de koppels goed meegevallen. Sommigen vonden dat de individuele sessies sneller vooruit gingen. Sommigen vonden het ook goed dat er dan geen discussies waren. Vorige week ging het rap vooruit omdat we alleen waren, maar anders discussies en zo. Hoh, jong, ik kan daar nu eens niet tegen hé, als er iemand discussieert. Enkele deelnemers vonden dat ze in de individuele sessies meer geleerd hadden en dat de vorming diepgaander was geweest. Iemand vertelde nog dat ze blij was dat het in de individuele sessie trager ging en dat ze meer uitleg kon vragen en krijgen. Er kon dieper ingegaan worden op haar eigen vragen. 126

128 Ook VMG denkt in een individuele vorming dieper en grondiger te kunnen doorwerken op verschillende thema s, bijvoorbeeld over onderliggend verdriet of achterliggende wensen. Ze geloven ook in individuele sessies meer antwoord te kunnen bieden op concrete vragen. Ook enkele begeleiders dachten dat er persoonlijker zou kunnen gewerkt worden in individuele sessies. Daarnaast gaf een begeleider aan dat het vertalen naar de eigen situatie eenvoudiger is vanuit een individueel traject. De transferwaarde zou volgens hem groter zijn. Hij gaf ook aan dat men in een individuele sessie waarschijnlijk beter tot de essentie kan komen dan in groep. Een andere begeleidster gaf aan dat de vormingswerkster in een groepsvorming waarschijnlijk af en toe over te weinig informatie beschikt over een koppel om sommige zaken grondig te bespreken. Ook dacht ze dat haar cliënte zich gemakkelijker zou kunnen concentreren in een individuele vorming. Tot slot gaf een begeleider aan dat het voor zowel de vormingswerkster als de begeleiding moeilijker in te schatten is in een groepsvorming wat de deelnemers er uiteindelijk van onthouden zullen hebben, dan in een individueel traject Drempels om naar VMG te komen? Zowel VMG als de onderzoeker vonden het opvallend dat de koppels vaak een afspraak afzegden. We vroegen daarom aan de koppels in de post-interviews of er drempels zijn om naar VMG te komen. Een eerste drempel die werd vernoemd was de mobiliteit. Sommigen woonden ver van Gent en vonden de afstand maar nipt te doen. Soms was het gebruik van het openbaar vervoer minder voor de hand liggend. Of soms konden mensen zonder hun partner niet zelfstandig op VMG raken. Een deelnemer gaf toe dat ze het niet erg vond toen ze niet naar VMG kon komen, omdat ze dan geen moeilijke vragen moest oplossen. Iemand anders vertelde dat ze soms stress had om naar VMG te komen. Ze zag vooral de discussies met de groep niet zitten en ze had nog andere persoonlijke problemen aan haar hoofd. Discussies met mensen met mij, ik kan daar echt niet tegen. Ik had moeten kunnen hé, Riet, ik had mij 5 minuten in dat lokaal gezet, waar dat de bureaus waren. Als het 127

129 veel langer had moeten duren. Ik heb niets tegen die koppels hé, maar bij mij wordt het soms te veel. We hebben zodanig veel aan ons hoofd momenteel. De koppels gaven aan dat ze vooral door onvoorziene omstandigheden niet hadden kunnen komen. Eén koppel moest de voorbereidingen voor hun huwelijk treffen en enkele deelnemers waren op verschillende tijdstippen ziek geweest. Ook de begeleiders waren ervan overtuigd dat het vooral door onvoorziene omstandigheden kwam dat hun cliënten de vormingssessie afbelden. Ze dachten niet dat hun cliënten hier excuses voor hadden gezocht. Eén begeleider gaf aan dat mobiliteit, meer bepaald de afstand en de verplaatsing met het openbaar vervoer, drempels waren voor zijn cliënten. Ook het feit dat de vorming s avonds was, was voor hen een drempel. De begeleider van de man zonder kinderwens, dacht dat zijn lage motivatie ook een drempel was om naar de vorming te komen. 4. Hoe kijken de verschillende actoren naar de kinderwens? Met deze onderzoeksvraag willen we stilstaan bij hoe de verschillende actoren de kinderwens ervaren. Als eerste geven we weer hoe de cliënten zelf hun kinderwens beleven. Daarna aanschouwen we de kijk van de begeleiders op deze kinderwens. Als laatste belichten we de zienswijzen uit de omgeving van de cliënt. 4.1 Cliënten Gedurende het onderzoek kregen we een zicht op de motivaties voor hun kinderwens. Daarnaast hebben we aandacht voor hun gevoelens bij de gedachte aan het ouderschap Motivatie voor kinderwens Aan de koppels werd gevraagd waarom ze graag een kindje zouden hebben. Heel veel verschillende motivaties werden hiervoor aangegeven. Vele koppels moesten eerst even nadenken voordat ze hun motivatie konden weergeven. 128

130 De motivatie van enkele koppels duidde op een soort gevoelsmatige, instinctieve wens voor kinderen. Omdat wij er één willen. Omdat de natuur er klaar voor is, omdat we er klaar voor zijn. Alle andere redenen konden geplaatst worden in de 6 motivatiecategorieën voor ouderschap van Van Balen & Trimbos-Kemper (1995), namelijk: geluk, welzijn, identiteit, ouderschap, continuïteit en sociale controle. Onder de categorie geluk konden we de meeste motivaties plaatsten. Mensen gaven redenen aan zoals: omdat ik graag kindjes zie, omdat ik graag kindjes verzorg, omdat je er vriendschap van krijgt, omdat je met een kind kunt knuffelen en spelen, omdat je een kind liefde kunt geven. Onder de categorie welzijn vonden we motivaties als: omdat ik een gezin wil stichten, omdat ik dan een hechtere band krijg met mijn partner, ik wil een broer of zus voor mijn kind. De categorie identiteit werd enkele keren aangehaald. Sommigen vonden dat je door een kind iets om handen hebt. We interpreteerden dit hier als het krijgen van de status van het ouderschap. Eén deelnemer beklemtoonde de grote verantwoordelijkheid die samenhangt met het ouderschap. Twee mensen gaven aan dat ze een kind wilden om zin te geven aan hun leven. Dit kunnen we onderbrengen in de categorie ouderschap. Verschillende mensen gaven aan dat ze kinderen wilden voor de erfenis en omdat een kind je eigen vlees en bloed is. Uit deze motivaties blijkt de wens naar continuïteit. Eén deelnemer vertelde dat ze kinderen wou omdat iedereen in haar omgeving kinderen heeft. Hier kunnen we sociale controle als motivator zien Gevoelens bij het denken aan ouderschap We bevroegen de koppels tevens naar hun gevoelens rond de kinderwens en het ouderschap. Bij de vraag wat ze leuk zouden vinden aan het moeder- of vaderschap kwam het zorg dragen voor een kind het sterkst naar boven, zoals: het flesje geven, het kind in bed 129

131 leggen, de pamper verversen, het tuutje geven, het kindje in bad steken, aankleden, eten geven, knuffelen, beschermen. Eén iemand vertelde dat hij vooral het opvoeden leuk zou vinden. Samen leuke dingen doen met je kind, bleek ook een aantrekkelijk aspect van het ouderschap, bijvoorbeeld samen spelen, wandelen, boodschappen doen met het hele gezin, samen in bad gaan. Daarnaast haalden de mensen ook aan dat het hen leuk leek veel liefde te geven en te krijgen van een kind. Sommigen zagen de unieke band met hun kind of het hebben van iets unieks van zichzelf en hun partner als een aangename gedachte aan het ouderschap. Eén deelnemer had het vooruitzicht dat de familieband sterker zou worden door haar kind. Enkele deelnemers gaven aan dat ze het een fijne gedachte vinden dat hun kind hen mama of papa zou noemen en dat dit hun eerste woordjes zouden zijn. Anderen zouden het fijn vinden om suikerboontjes uit te delen bij de geboorte en om hun baby te tonen aan andere mensen. Deze laatste ideeën zouden we kunnen samenbrengen onder de noemer identiteit. Ze kijken ernaar uit mama of papa genoemd te worden en als ouders aanzien te worden door de omgeving. Wat de deelnemers over het algemeen als een minder positieve gedachte aan het toekomstig ouderschap ervaren is dat het kind stout zal zijn, dat je het moet straffen of dat je een conflict hebt met je kind. Ze moeten straffen als ze stout zijn, ik zou dat niet kunnen. Dat zou niet zo gemakkelijk zijn. De mannen zijn meestal strenger hé. Als het kindje stoute kuren heeft. De kuren van een puber. Of als het kindje mij zou krabben. Als ons kind in het verkeerde milieu zou arriveren als puber en bijvoorbeeld diefstal zou plegen. Naast deze veel vernoemde negatieve kant van het ouderschap benoemden de ouders ook 130

132 dat ze het niet leuk zouden vinden mocht kun kindje ziek zijn. Als de kindjes ziek zijn en als ze naar de dokter of het ziekenhuis moeten. s Nachts opstaan omdat het kindje weent, het kind niet kunnen troosten, niet veel kunnen slapen, je kindje moeten achterlaten, niet veel tijd meer hebben voor jezelf, een pamper verversen en naar trekmuziekjes luisteren, bleken ook minder leuke gedachten aan het ouderschap. De deelneemster die reeds een kindje had, benadrukte als negatief punt vooral dat een kind hebben vermoeiend kan zijn. Eén deelnemer had geen kinderwens en gaf hiervoor als reden dat een kind voor gans uw leven is. Hij zag ook op tegen de opvoeding van het kind. Naast leuke of minder leuke gedachten aan het ouderschap, werden er nog andere gevoelens gedetecteerd rond de kinderwens en het toekomstig ouderschap. De jongste deelnemer van 14 jaar vertelde dat ze zichzelf nog een beetje jong voelde voor het ouderschap. Twee deelnemers refereerden naar een nostalgisch gevoel dat bij hen op komt wanneer ze terugdenken aan hun eigen kindertijd. Als ze groter zijn, kunnen ze ook meer. Je krijgt nostalgie naar jezelf vroeger. Ik ben benieuwd hoe hij (mijn zoontje) zal zijn in de toekomst. Als het een jongen is, kan hij rap leren voetballen en go-carren. Want dat deed ik ook vroeger. Eén koppel liet weten dat het op voorhand graag zou willen weten of hun kindje een beperking zou hebben. Ze vertellen hierbij wel dat ze het niet zouden weghalen, maar dat ze zouden willen leren hoe ze dan met de beperking moeten leren omgaan. Enkele deelnemers benadrukken dat ze zelf willen kiezen of er een kindje komt. Ze willen tonen dat ze er wél kunnen voor zorgen. Vroeger wou ik al een kindje met mijn vorige vriend, maar zijn mama stond daar niet achter. Zijn mama wou dat ik mij liet steriliseren. Ik vond dat ik dat niet moest 131

133 doen, omdat ze dacht dat ik niet in staat ging zijn om een kindje op te voeden. Ze dacht dat we niet voor het kindje zouden kunnen zorgen en dat we het zouden verwaarlozen. We kunnen wel voor een kindje zorgen, misschien wel met begeleiding om de juiste handelingen te hebben en te leren. Begeleiding kan er zijn om op terug te vallen, als we niet weten hoe we iets moeten doen. Riet, wil je nog opschrijven dat ik er spijt zou van hebben, mocht ik geen kindjes krijgen. Ze moeten ons de kans geven om het te proberen. Ik zou er hartzeer van hebben. De begeleiders moeten ons vertrouwen. 4.2 Begeleiders Hun cliënten hebben een kinderwens, maar hoe kijken zij aan tegen deze wens? Zowel voor als na de vorming werden de begeleiders gevraagd hun kijk te geven op de kinderwens van hun cliënten. Hiernavolgend deelden we de begeleiders op in deze van het individuele traject en deze uit de groepsvorming. Tijdens het onderzoek vroegen wij ook aan de cliënten, tevens voor en na de vorming, hoe zij dachten dat hun begeleiders keken naar hun wens. In wat volgt wordt de kijk van de begeleiders geconfronteerd met de ideeën van de cliënten Kijk van de begeleiders met cliënten in de groepsvorming Vanuit de begeleiders waren er uitsluitend bezorgdheden rond de kinderwens. Ze bleken met grote vragen te zitten en spraken allemaal van angstgevoelens. Ik kan nu wel spreken over hun kinderwens, maar ik zie nu alleen maar het risico van wat als het er zal zijn. Ik zit gewoon met die bezorgdheid van wat als Voor het moment hebben ze een huisdier. Die verzorging is zeer zwaar voor hen, zeer zwaar! Er zijn echt al accidenten gebeurt met het huisdier zelf. Als ik die verhalen hoor, een huisdier is geen kind natuurlijk, maar sowieso trek je de lijn door hé. Dat slaat naar mijn hart. Bij Peter en Nele zien we echt wel een angstscenario. Bij iedereen van de begeleiding zijn er veel vragen en angstgevoelens. Ze moeten goed beseffen dat dat niet zomaar een beetje eten geven is, pamper verschonen. Dat dat veel verder gaat en dat dat uw leven ook serieus verandert. En 132

134 dan is de vraag: kunnen zij dat aan? En die vraag zouden ze zich eigenlijk wel moeten stellen voor dat ze eraan beginnen hé. Maar die vraag hebben ze zich nog niet gesteld hé. Na de cursus gaven alle begeleiders aan dat hun idee rond de kinderwens dezelfde is gebleven en eigenlijk zelfs nog is versterkt. De redenen voor hun bezorgdheden lagen bij de sociaal-emotionele of psychiatrische problemen van de cliënt, omgevingsfactoren en een vertekend beeld van het ouderschap. Ik zie bij Nele psychiatrische problemen, bij Peter zijn stressdrempel die nu al regelmatig overloopt, hierbij hun mentale beperking We staan er niet achter, het is redelijk onverantwoord. Els is hysterisch, klopt en smijt, Haar behoeften zal ze niet opzij kunnen schuiven voor een kind. Haar eigen behoeftes moeten direct ingelost worden. Wij staan niet geheel achter hun wens omdat we schrik hebben voor de consequenties. Wij zien de toekomst van het kind niet echt rooskleurig in en vrezen dat het kind in een kansarme situatie zal terechtkomen. Het netwerk van Koen & Ilse is heel miniem en daar hebben we vragen bij. Els heeft eigenlijk een volledig vertekend beeld van alles en vooral van zichzelf en dan wordt dat nooit rechtgezet hé. Zij blijft maar in die droomwereld zitten van: oh, kindjes, en ik ga dat allemaal doen. Maar zij wordt nooit met haar voetjes op de grond geplaatst. En dat zou eigenlijk nodig zijn. Ze kan zich echt niet voorstellen hoe dat zou kunnen zijn met een kind. Ze denkt dat wanneer ze een aantal dingen geleerd heeft, dat het dan allemaal zal gaan. Ze heeft echt een volledig vertekend beeld van alles. In de interviews worden de koppels door hun begeleiders ook vergeleken met andere koppels die bij hen in begeleiding zijn. Bij sommige koppels zie je dat ze er klaar voor zijn, maar bij hen denk ik dat niet. 133

135 Wij hebben effectief nog koppels begeleid op de weg naar kinderen. Er is zelfs een koppel bij ons die voor IVF gekozen heeft. Zeker in onze dienst is dat echt bespreekbaar en mogelijk in echte openheid. Onlangs schreef onze orthopedagoge nog een column in Goedele waarbij ze een stuk het vooroordeel voor ouders met een beperking die kinderen krijgen, probeert in een ander daglicht te stellen. Ik heb het gevoel dat er vanuit onze dienst daar zeker geen taboe op rust. Maar situatie per situatie natuurlijk Soms is het gewoon niet positief en kan je het moeilijk verbloemen. Als lichtpunt merken twee begeleiders op dat hun cliënten toch enigszins openstaan voor begeleiding en bereid zijn om rond zaken te werken. Als laatste kunnen we de ambivalente houding van de begeleiders tegenover de kinderwens weergeven. Na het uiten van hun bezorgdheden voegden de begeleiders onderstaande zinnen toe. Wij kunnen echter niet anders dan de wens van Ilse en Koen te respecteren. Als ze het willen, zullen we hen begeleiden en bijstaan. We zullen het hen zeker niet verbieden. Terwijl de begeleiders grote zorgen uitten, vertelden twee van de drie koppels dat ze niet goed wisten wat hun begeleider over hun kinderwens dacht. We weten het niet, echt geen idee. Hij heeft er zijn mening nog niet over gegeven. De meerderheid van de koppels dacht dat hun begeleiders vrij positief tegenover hun kinderwens stonden. N: Hij is redelijk positief hé. P: Eigenlijk wel ja. Maar hij gaat er niet echt diep op in. K: Ik weet niet goed wat hij erover denkt. I: Wel positief, denk ik. 134

136 Eén koppel geeft aan dat ze denken dat hun begeleider er niet echt achter staat en zich zorgen maakt. Een ander koppel vertelt dat hun begeleider vindt dat ze te jong zijn Kijk van de begeleiders met cliënten in de individuele vorming Bij een begeleider uit de individuele vorming merkten we ook de ambivalentie op. Ik had zoiets van: Oh nee, oh wee!. Het was een beetje een dubbel gevoel, zo van: iedereen heeft recht op een kindje. Maar ik dacht op voorhand: Dat zal zeker niet lukken, zeker niet financieel. Hoe gaan ze dat doen en oplossen?. Maar het was dubbel, want dan denk je van: Wanneer dat dat kindje daar is, zullen ze waarschijnlijk wel hun plan trekken. Maar het was een zeer dubbel gevoel. Hoe gaan ze dat doen en hoe denken ze er zelf over? Ze denken waarschijnlijk dat dat een popje is dat je nu en dan eens wat verse kleren moet aandoen en eten moet geven. Aan de andere kant moet ik het hen ook wel gunnen. De bezorgdheden rond de kinderwens werden niet bij alle begeleiders van het individuele traject even sterk geuit. Bij enkele begeleiders konden we bezorgdheden ontdekken van dezelfde aard als in de groepsvorming, namelijk ongerustheid over het sociaal-emotioneel functioneren van de cliënt en ongunstige omgevingsfactoren. Ook rond erfelijkheid stelden enkele begeleiders zich vragen. Het moeilijke voor mij bij haar vind ik de ethische kwestie omtrent de erfelijkheid en al wat dit met zich meebrengt. Zelf zegt Lotte dat ze geen kindje wil met een beperking. Ook is IVF nodig om zwanger te worden van een gezond kindje. Een tweede is het netwerk. Mama geeft aan dat het voor haar niet meer realistisch is, dat ze niet meer voldoende ondersteuning kan bieden. Zowel de cognitieve, maar vooral ook de sociaal-emotionele ontwikkeling baart zorgen. De kans dat het mislukt is, denk ik, groter dan dat het lukt. Ze (het koppel) zeiden tegen mij: Het eerste jaar zou het kindje bij Sandra blijven, maar na dat eerste jaar zou het wel moeilijk zijn. Maar de schoonzus zou iedere dag komen, veronderstellen ze. Die schoonzus heeft zelf 4 kinderen, 2 pleegkinderen. Die schoonzus zal niet iedere dag kunnen komen. Maar dat willen ze precies niet snappen. 135

137 In het begin was ik vrij sceptisch: gaat dat wel lukken, zullen ze het kunnen, zien ze de gevolgen in, bijvoorbeeld de erfelijkheid, je eigen genen doorgeven aan het kindje. De meeste begeleiders benadrukten dat ze een neutrale houding wilden aannemen tegenover hun cliënten en dat ze hun keuze voor een kind wilden respecteren. Na de resultaten van het erfelijkheidsonderzoek hebben ze toch bewust gekozen om zwanger te worden. En nu is het aan mij om hen daarin te ondersteunen, om hun wens te respecteren. De visie op de dienst is dat wij de wensen van onze cliënten respecteren. Ik aanvaard de keuze die ze maken en welke die dan ook is, ik begeleid hen daarin. Maar ik denk niet dat ze zich echt bewust zijn van wat een kindje teweeg zal brengen. Dus ik zal hen daarin ondersteunen, ik zal het zeker niet afraden of pushen begin er maar aan. Uit de verhalen van sommige begeleiders klonk ook een positieve noot. Lies, die weet wel wat ze doet, denk ik. Ik denk dat die wel een heel goed plan voor haar ogen heeft van wat wil ze en wat wil ze niet. En ik denk niet dat wij de personen zijn om daar tegenin te gaan. Ze heeft eigenlijk toch wel inzicht in wat er allemaal bij komt kijken als er een kindje is. Daarin had ik haar eigenlijk wel een beetje onderschat, zal ik zo zeggen. De meeste begeleiders in het individuele traject gaven aan dat hun mening over de kinderwens niet veranderd is na de vorming. Mijn mening is zoals ervoor. Beseffen dat zij niet honderd procent beseffen wat dat zal betekenen, maar langs de andere kant, waarom zouden ze geen kind mogen hebben? Wie ben ik om daar een antwoord op te geven. Ik was neutraal en ik blijf neutraal. Alhoewel het soms moeilijk is om neutraal te blijven. Maar ik probeer dat te blijven doen. 136

138 Een begeleider vertelde dat het vertrouwen tussen zichzelf en haar cliënten gegroeid was door de vorming. Wanneer we de deelnemers vroegen hoe hun begeleiders over hun kinderwens zouden denken, konden ze dit vrij goed inschatten. Dit in tegenstelling tot hun collega s van de groepsvorming. In het begin, een dik jaar geleden, was ze er minder voor, maar nu zal ze ons wel helpen. Nu staat ze erachter. Ze kent ons nu al beter. (Zegt koppel over de begeleidster die eerst sceptisch stond tegenover de kinderwens) 4.3 Omgeving Naast de visie van de cliënten en de begeleiders op de kinderwens, waren we in dit onderzoek ook geïnteresseerd in de kijk van de omgeving. Deze kijk wordt geschetst vanuit de ogen van de cliënt. We laten hun ideeën confronteren met het perspectief van de begeleider. Eerst belichten we de meningen uit de groepsvorming, daarna volgen de opvattingen uit de individuele vorming Opvattingen uit de groepsvorming We vroegen de deelnemer van de groepsvorming hoe zij dachten dat hun netwerk naar hun kinderwens keek. De meningen van mensen uit hun omgeving bleek sterk te verschillen. Sommigen dachten dat hun familie of één van hun familieleden een vrij positieve kijk hadden op hun kinderwens. Mijn ouders hebben het er al over gehad met mij. Mijn ma vroeg eens aan mij: wanneer ga je eraan beginnen? Dus mama vindt het waarschijnlijk wel fijn. Mijn vader zou graag eens grootvader worden. Mijn zus heeft er ook niets op tegen. Ze zegt wel dat er veel werk aan is, maar je moet er veel voor over hebben. Ook bij collega s kregen sommigen positieve commentaren te horen. 137

139 Begeleiders gaven aan dat de positieve ingesteldheid komt van familieleden uit een zwakker sociaal milieu of met zwakkere verstandelijke mogelijkheden. Nele komt uit een 'sociaal zwakker milieu'. Sinds haar 12e werd ze enkel opgevoed door haar vader die zich profileert als 'pater familias'. Hij heeft echter ook heel wat bagage en ziet eigenlijk de beperking van Peter en Nele niet in. Hij vindt het volkomen logisch dat er kinderen komen. Terwijl Ilse vertelde dat haar moeder het waarschijnlijk wel fijn zou vinden, haalde haar begeleider aan: De vader en moeder van Ilse zijn zeer zwak en hebben hier geen mening over. Enkele deelnemers wisten niet of hun omgeving blij zou zijn met de komst van een kind. Alle deelnemers werden ook geconfronteerd met negatieve commentaren op hun kinderwens. De meeste mensen die ik ken zouden erop tegen zijn, behalve de papa van Bart en zijn vriendin. N: Ik denk wel van uw ouders, dat dat een beetje zal minder zijn. P: Misschien wel minder. R: Waarom staan ze er niet achter? P: Zijn mama vindt dat ik niet zou in staat zijn om voor een kindje te zorgen. N: Ze zijn bezorgd dat het niet zal lukken. Ik heb het wel eens tegen mijn pa gezegd. Dan zei hij eens, dat zul je mij toch niet aandoen hé. Dan word ik pépé. Dat zal je me toch niet aandoen, zei hij dan. De sociaal assistente en orthopedagoog op school vonden dat ik niet in staat was voor een kindje, omdat ik invalide ben, omdat een kindje veel geld kost. Ze denken dat ik dat wil om mijn verdriet te verdringen. Ook begeleiders vertelden dat vele mensen uit de omgeving een negatieve kijk hebben op de kinderwens van het koppel. Zij drukten zich hier over het algemeen zwaarder uit dan de deelnemers. 138

140 Ilse kan wel steunen op haar nonkel en tante. Deze staan echter radicaal tegen kinderen omdat ze ervan overtuigd zijn dat kinderen opvoeden te moeilijk is voor Ilse en Koen. De ouders van Els zijn ronduit bang dat het zou gebeuren. Echt ronduit bang hé. Die mensen zien dat echt niet zitten hé. Want die zien daar grote rampen. Die moeten nu al heel erg veel doen voor Els, bijna dag en nacht. Want Els woont wel alleen bij Bart, maar eigenlijk doet zij dag en nacht beroep op haar ouders. Met heel veel toestanden daar rond. Mama weet heel goed dat dat niet gaat voor haar dochter. Die denkt: Nog een kleinkind daarbij, dat is nog een nieuw kind voor mij erbij dat ik mag gaan opvoeden. Die mensen zien dat totaal niet zitten. Eigenlijk zouden zij liever hebben dat zij kiest voor sterilisatie Opvattingen uit de individuele vorming Dezelfde vraag werd gesteld aan de deelnemers van het individuele traject. Sommigen vertelden dat hun familie positief stond tegenover hun kinderwens. De mama van mijn partner dacht nooit dat haar zoon papa zou worden. Iedereen is blij met de zwangerschap. Ik heb niet echt mensen die er negatief hebben op gereageerd. Begeleiders gaven dezelfde personen uit de omgeving aan die positief stonden tegenover de komst van een kind, als de deelnemers. Naast positieve commentaren, kregen anderen te maken met negatieve opmerkingen. An, mijn zus, staat er meer achter dan Tine. Tine staat er minder achter. Tine denkt zo n beetje als mijn vader: we werken in een beschutte werkplaats, dus we zijn gehandicapt en we kunnen niet voor een kindje zorgen. Veel mensen denken dat. Ook hier duidden de begeleiders, net als de deelnemers, dezelfde mensen aan die negatief staan tegenover de kinderwens. Nog enkele citaten van begeleiders over de mening van de omgeving: 139

141 De andere begeleiding zit op dezelfde lijn als ik. Het zou mooi zijn moest het kunnen, maar misschien is het voor Lotte een te moeilijke opdracht. Het perspectief van de ouders verandert doorheen de jaren. Intuïtief zegt de mama ja, maar zelf wil ze ook houvast om een meer realistische kijk te krijgen. Papa heeft er weinig mening over. Iedereen begrijpt haar kinderwens, zou het haar gunnen, maar heeft veel bedenkingen, vooral op vlak van haar sociaal-emotionele ontwikkeling. En Sandra s familie zou er echt niet mee opgezet zijn. Dat weten ze ook heel goed. Sandra is nog maar 20 of 21. Sandra s familie zou niet content zijn. Zoals eerder vermeld besloot een koppel de natuur zijn gang te laten gaan omdat ze door de vele verschillende commentaren, zelf niet meer wisten wat ze best moesten doen. De ene helft zegt: wanneer ga je er eens eindelijk aan beginnen, de andere helft zegt wachten. Op den duur weet ik het zelf niet meer. We gaan de natuur volgen: en opgelost. Komen er kindjes, dan komen kindjes, komen er geen, dan niet. Eén begeleider gaf aan dat het voor de moeder van de cliënt een geruststelling was dat iemand de kinderwens op een neutrale wijze met haar dochter kon bespreken. Zowel de begeleiders als de deelnemers gingen ervan uit dat de kijk van de omgeving op de kinderwens na de vorming niet verschilde met hun ideeën voor de vorming. 4.4 Tot slot Over het algemeen valt het op dat deelnemers uit de groepsvorming minder de reacties van hun begeleiders en omgeving kunnen inschatten, dan hun collega s uit de individuele vorming. De begeleiders uit de groepsvorming kijken zeer bezorgd naar de kinderwens van hun cliënten. Ook bij de begeleiders uit de individuele vorming is er bezorgdheid, maar deze lijkt minder sterk aanwezig. 140

142 DEEL 5. DISCUSSIE & CONCLUSIE 1. Discussie VMG kwam in hun dagelijkse praktijk, net als een aantal wetenschappers (Joha et al., 2006; McCarthy, 2010; McGaw & Candy, 2010), tot de vaststelling dat er een gebrek aan toegankelijke ondersteuning en informatie is voor mensen met een kinderwens en een verstandelijke beperking. Ze voelden de nood aan een verdere ontwikkeling van methodieken om de kinderwens bespreekbaar te maken en mensen te ondersteunen bij het maken van een geïnformeerde beslissing. Onderzoek van Conder et al. (2011) gaf aan dat, als je mensen de kans geeft om een geïnformeerde keuze te maken, hun kans verhoogt op het succesvol grootbrengen van hun kinderen. Met dit onderzoek hadden we de bedoeling het proces van bij het ontwikkelen tot aan het afwerken van een eerste testvorming op te volgen, om zo een zicht te krijgen op hoe de vorming verlopen is en wat de ervaringen waren van de verschillende betrokkenen met de vorming. Daarnaast waren we geïnteresseerd in de perspectieven van de verschillende actoren op de kinderwens. Het uiteindelijke doel van dit onderzoek is om de vorming Kinderwens te optimaliseren. In wat volgt willen we de opmerkelijkste bevindingen uit het onderzoek weergeven en terugkoppelen naar de voorhanden literatuur. 1.1 Deelname aan het onderzoek Uit de resultaten op onderzoeksvraag 1 blijkt dat het zeer moeilijk was deelnemers te werven voor de vorming en het onderzoek. Nochtans had VMG uit de praktijk vernomen dat er nood was aan ondersteuning bij de kinderwens en ook uit onderzoek bleek die nood aan ondersteuning. Is de geringe opkomst te wijten aan een nog steeds bestaand taboe rond kinderwens bij mensen met een verstandelijke beperking en/of bij hun begeleiders? Aukes (2005, in Joha, 2004) en Joha (2004) stellen dat er tot op vandaag nog heel wat handelingsverlegenheid bestaat bij begeleiding om de dialoog aan te gaan met mensen met een verstandelijke beperking over hun kinderwens. 141

143 Uit het onderzoek komt naar voor dat kandidaat-deelnemers afgeschrikt werden door het feit dat de oorspronkelijke vorming in groep zou plaatsvinden. VMG vangt dit op door een individueel traject uit te bouwen. We kunnen ons de vraag stellen of het groepsaspect voor mensen een te grote drempel vormt om over dit gevoelig onderwerp in communicatie te treden. Enerzijds zou het onbekende van de mededeelnemers en VMG een drempel kunnen zijn, anderzijds kan het gegeven van VMG als vormingsorganisatie een obstakel vormen. Mensen kunnen het idee krijgen dat ze eerst moeten gevormd worden alvorens aan kinderen te beginnen. 1.2 Verloop van de vorming Wanneer bleek dat de vorming, uit een eerste bevraging van de deelnemers uit de individuele vorming, niet zou inhouden wat ze hadden verwacht, probeerde VMG aan de noden van de deelnemers tegemoet te komen en de individuele vorming licht aan te passen. Uit de resultaten komt naar voor dat de groepsvorming niet geheel verliep zoals VMG in gedachten had. De groepsvorming kon niet worden afgewerkt in de vooropgestelde tijd, terwijl de individuele trajecten in een kortere tijdspanne wel hun vormingspakket volledig doorliepen. Mogelijke redenen hiervoor zijn het annuleren van een aantal vormingsessies en de wisselende opkomst van de koppels. 1.3 Waarom men al dan niet wenste deel te nemen De opvallendste reden waarom organisaties niet wensten deel te nemen aan de vorming en het onderzoek was het feit dat hun cliënten geen (gekende) kinderwens hadden. Uit onderzoek (Sabagh & Edgerton, 1962, Schwier, 1994, in Finucane, 1998) blijkt nochtans dat het krijgen van kinderen één van de primaire doelen is bij mensen met een licht verstandelijke beperking. Het feit dat de kinderwens bij begeleiders niet gekend is, kan zijn oorsprong vinden in het feit dat de ouders in spe angst en weerstand tonen tegen mogelijke negatieve reacties van begeleiders en omgeving. Traustadóttir en Sigurjónsdóttir (2010) zeggen hierover dat het te begrijpen is dat, in een maatschappij waar nog steeds veel barrières zijn voor het ouderschap van mensen met een verstandelijke beperking, deze mensen angst en weerstand tonen voor de macht van hulpverleners. Deze macht kunnen begeleiders uiten wanneer ze zich verzetten tegen de kinderwens en het ouderschap van hun cliënten. Het verzwijgen van de kinderwens of het weigeren van 142

144 ondersteuning zou volgens Traustadóttir en Sigurjónsdóttir (2010) kunnen gezien worden als een wapen tegen onderdrukkingsmechanismen. Redenen zoals dat het onderwerp moeilijk bespreekbaar is bij begeleiding en dat cliënten niet willen praten of werken rond dit onderwerp, kunnen misschien ook te wijten zijn aan een taboesfeer en de weerstand van cliënten tegen onderdrukkingsmechanismen. Cliënten gaven aan dat ze wilden deelnemen omdat ze graag een kindje wilden. Ze hadden graag informatie gekregen over het krijgen van kinderen en hadden vooral de verwachting dat ze zouden leren hoe een kind verzorgd en opgevoed moet worden. Ook rond zwangerschap, ontwikkelingsstadia en erfelijkheid wilden ze iets bijleren. Begeleiders stapten enerzijds in het project omdat ze hun cliënten wilden ondersteunen in hun keuze, anderzijds waren begeleiders bezorgd over de kinderwens en hoopten ze dat hun cliënten een realistisch beeld zouden krijgen van het ouderschap. Uit deze motivaties kunnen we zowel positieve en emancipatorische houdingen ontdekken, als ook negatieve en ontradende perspectieven. Begeleiders uit de individuele vorming hadden enigszins andere verwachtingen dan begeleiders van deelnemers uit de groepsvorming. De individuele begeleiders stelden vooral de ruime bevraging en het ondersteunen van hun cliënten voorop. De begeleiders van de deelnemers van de groepsvorming hadden eerder de verwachting dat hun cliënten, naast het spreken over rechten, ook op hun verantwoordelijkheden zouden gewezen worden. 1.4 Verschil in perspectieven en verwachtingen Doorheen het hele onderzoek valt op dat de betrokken actoren elk verschillende verwachtingen hadden van de vorming Kinderwens. VMG stelde als doel de kinderwens bespreekbaar te maken en de deelnemers te ondersteunen bij het maken van een bewuste keuze. De deelnemers daarentegen wilden vooral voor kinderen leren zorgen. Het leek alsof ze klaargestoomd wilden worden als toekomstige ouders. De koppels waren eerder op zoek naar een voorbereidingscursus op het ouderschap, dan naar een cursus om de beslissing te nemen al dan niet voor een kind te kiezen. Velen hadden hun beslissing reeds genomen en wilden geen ondersteuning meer bij deze keuze. Bij de deelnemers aan de groepsvorming 143

145 had VMG het idee dat zij de vorming zagen als een soort bewijsstuk voor de omgeving, om te tonen dat ze wel degelijk klaar waren voor het ouderschap. De begeleiders uit de individuele vorming wilden hun cliënten vooral ondersteunen en respecteren in hun kinderwens. Ook wilden ze hen een realistische blik geven op het ouderschap. De begeleiders uit de groepsvorming deelden deze laatste verwachting. Maar hun doelstelling van de vorming was vooral hun cliënten nogmaals te laten overwegen of ze wel voor kinderen zouden gaan. Ze wilden de kinderwens en de keuze voor een kind opnieuw in vraag stellen. We zouden kunnen stellen dat zowel de deelnemers als de begeleiders aan de groepsvorming de cursus achterliggend wilden gebruiken om te bewijzen dat ze al dan niet voor een kind zouden kunnen zorgen. De deelnemers wilden vooral bewijzen dat zij goede ouders zullen zijn. De begeleiders wilden hun deelnemers confronteren met de moeilijkheden van het ouderschap. Deze dynamiek leek niet of minder aanwezig te zijn bij het individuele traject. We kunnen stellen dat VMG in hun opzet is geslaagd om de kinderwens bespreekbaar te maken. De ondersteuning bij de beslissing om al dan niet een kind te krijgen, bleek niet echt een nood te zijn van de meeste deelnemers. Dus hoewel VMG grotendeels in hun opzet is geslaagd, wilden zowel deelnemers als begeleiders andere zaken met de vorming bereiken. Ook uit onderzoek (Claes, Van Hove, Van Loon, Vandevelde & Schalock, 2009; Llewellyn et al., 1998) blijkt dat mensen met een verstandelijke beperking andere ondersteuningsnoden aangeven dan hun begeleiders (en hun omgeving). Ander wetenschappelijk onderzoek stelt dat, ondanks de VN-Conventie, ouders met een verstandelijke beperking zelden ondersteuning krijgen die aangepast is aan hun noden (Booth et al., 2005; Espe-Sherwindt & Crable, 1993; Goodringe, 2000; Llewellyn et al., 2010; McConnell & Llewellyn, 2002; Tarleton et al., 2006). Volgens Marriott en Tarleton (2009) moet de maatschappij zich bewust worden van de noden van mensen met een verstandelijke beperking, willen ze diensten verlenen die aangepast zijn aan hun noden. Uit het onderzoek komt naar voor dat mensen met een beperking goed konden aangeven wat hun noden en wensen waren. We kunnen zoals Aunos et al. (2010) stellen dat mensen met een verstandelijke beperking niet enkel passieve ontvangers zijn van zorg, maar ook actieve participanten zijn die keuzes maken over hun eigen leven. 144

146 In de toekomst zal VMG moeten stilstaan bij welke doelstellingen ze willen vooropstellen en aan wiens noden en belangen ze willen tegemoet komen. Afhankelijk van het perspectief kan de vorming aangepast worden. Hierbij kunnen inzichten uit de wetenschappelijke literatuur en de ervaringen en tips van de verschillende betrokken actoren een leidraad vormen. Uit dit onderzoek kwam de meerwaarde van de individuele vorming naar voor. De respondenten hadden het gevoel dat er diepgaander, persoonlijker en meer op maat kon gewerkt worden rond de kinderwens. Ook wetenschappelijke literatuur rond trainingsprogramma s voor ouders met een beperking stellen dat een geïndividualiseerde vorming meer ondersteuning op maat kan bieden en daarom effectiever blijkt dan groepsprogramma s (Feldman, 2010). De resultaten gaven aan dat de mensen met een verstandelijke beperking vooral wilden voor kinderen leren zorgen. Ook Feldman (2010) en McConnell et al. (1997) stellen dat mensen met een verstandelijke beperking de kans moeten krijgen om te leren door ervaringen en oefening. Wel blijkt uit onderzoek dat de beste plaats om vaardigheden te oefenen bij de cliënten thuis is of in een huiselijke setting (Feldman, 2010). De vaardigheden worden gemakkelijker aangeleerd in de context waarin men ze later zal moeten gebruiken. De transfereerbaarheid van de aangeleerde vaardigheden is groter in een huiselijke context dan in een klinische of klascontext. Ook een begeleider uit de groepsvorming gaf reeds deze bemerking. Hier kan VMG in de toekomst rekening mee houden, door deelnemers de mogelijkheid te bieden ervaringen op te doen in hun thuiscontext. Deze oefenmogelijkheden in de thuiscontext zijn naar onze mening het best realiseerbaar in nauwe samenwerking met de thuisbegeleider. Het groepsprogramma bleek niet te verlopen zoals gedacht door de verschillende actoren. VMG en enkele deelnemers vonden dat er een groot gebrek aan continuïteit was in het verloop van de vorming en in de samenstelling van de groep. Uit onderzoek blijken ook ouderschapstrainingen minder effectief wanneer ze onregelmatig en weinig frequent werden georganiseerd (Booth & Booth, z.d.) Uit onderzoek naar trainingsprogramma s voor ouders met een verstandelijke beperking komt naar voor dat deze minder effectief zijn wanneer de ouders ook andere problemen hebben, zoals bijvoorbeeld schulden (Booth & Booth, z.d.). Dit kunnen wij uit onze resultaten niet afleiden. Sommige respondenten bleken ook persoonlijke problemen te hebben. Bij de ene verhinderde dit voor een stuk een goede werking van de vorming, bij de ander beïnvloedde dit de vorming niet. 145

147 Het groepsaspect had volgens VMG niet de gewenste meerwaarde, hoewel deelnemers aangaven dat ze het wel fijn vonden om met lotgenoten te praten over hun wens. Het groepsaspect van de vorming zou in het vervolg wel kunnen gebruikt worden als vorm van belangenbehartiging. Advocacy-groepen toonden reeds hun nut bij het inlichten van mensen met een verstandelijke beperking over hun rechten en het bespreken van zaken met lotgenoten (Department of Health & Department for Education and Skills UK, 2007) Advocacy-groepen kunnen mensen aanzetten om voor hun noden uit te komen en het kan hen helpen de bezorgdheden van hulpverleners te begrijpen (Department of Health & Department for Education and Skills UK, 2007). Ook kan dit het zelfvertrouwen van de deelnemers verhogen en hun stemmen bundelen om de buitenwereld te sensibiliseren. Wanneer men de samenleving sensibiliseert voor de ondersteuningsnoden van mensen met een beperking, kan men de attitudes tegenover mensen met een verstandelijke beperking veranderen (Tarleton et al., 2006). In de groepsvorming werd door VMG en de begeleiders aangegeven dat ze in het vervolg een grotere samenwerking zouden willen. Ook Conder et al. (2011) benadrukken het streven naar een samenwerking tussen verschillende betrokken actoren wanneer men jonge mensen met een verstandelijke beperking goed wil informeren over seksualiteit en het ouderschap. Volgens hen zou een samenwerking de bespreekbaarheid van het onderwerp kunnen bevorderen. Tijdens het onderzoek werden door de verschillende actoren onderwerpen aangegeven die nog verder in de vorming zouden mogen verwerkt worden. Cliënten hadden het vooral over onderwerpen zoals de ontwikkelingsstadia van een kind, erfelijkheid, de zwangerschap en de bevalling. Begeleiders wilden vooral nog extra informatie over anticonceptie, zwangerschap en de link naar oudere kinderen en pubers. Volgens Conder et al. (2011) zijn volgende onderwerpen relevant om te bespreken bij het nemen van de beslissing voor een kind: informatie over anticonceptie, het aanleren van ouderlijke vaardigheden en het belang van ondersteuning uit de omgeving. De twee eerste zaken werden door verschillende actoren aangegeven als een interessante aanvulling op het bestaande pakket. Aan het laatste item, ondersteuning uit de omgeving, werd minder aandacht besteed. In het vormingspakket werden wel vragen gesteld naar de ondersteuningsmogelijkheden in het netwerk, maar verder werd het netwerk niet actief betrokken. Het betrekken van of zoeken naar een ondersteunend sociaal netwerk zou nuttig kunnen zijn voor mensen met plannen om zwanger te worden, gezien de 146

148 aanwezigheid van een kwaliteitsvol ondersteunend sociaal netwerk wordt gezien als één van dé protectieve factoren bij uitstek (Feldman et al., 2002; Willems et al., 2007). VMG had ook het idee om in het vervolg meer aandacht te schenken aan de relatie met de eigen familie en de kijk op de eigen jeugd en opvoeding. In alle individuele trajecten werden hier zijsprongen rond gemaakt. In de wetenschappelijke literatuur vinden we dat ouders bij de opvoeding uit ervaringen putten uit de eigen kindertijd. Attitudes, overtuigingen en opvoedingspraktijken van het gezin van herkomst beïnvloeden sterk de opvoedingspraktijk van de volgende generatie (Goodnow & Collins, 1990, in Llewellyn & McConnell, 2010). We kunnen stellen dat de wetenschappelijke literatuur het idee van VMG ondersteunt. 1.5 Het ondersteunen van de beslissing Zoals eerder vermeld, hadden vele deelnemers reeds vóór de vorming de beslissing genomen een kind te willen. Slechts enkelen moesten hun beslissing nog nemen, één iemand verkoos uiteindelijk geen kinderen te krijgen. We kunnen ons de vraag stellen of deze vorming moet draaien rond de beslissing om al dan niet voor kinderen te kiezen of, of dat VMG eerder een voorbereidingscursus moet aanbieden op het ouderschap. Dit hangt zoals gezegd af van het ingenomen perspectief. Wanneer VMG de doelstelling wil behouden om mensen te ondersteunen bij hun keuze voor het al dan niet krijgen van kinderen, dan kan men zich beter richten op een doelgroep die de keuze nog niet heeft gemaakt. Joha et al. (2006) stellen dat er best met seksuele voorlichting en voorlichting over het ouderschap gestart wordt, nog voor er een kinderwens is. Ze gaan ervan uit dat er op dat moment bij de cliënten nog meer openheid is om rond deze onderwerpen te spreken. Vanuit dit idee zou de mogelijkheid er kunnen in bestaan de vorming aan te bieden aan tieners i.p.v. aan mensen bij wie het besluit al vaststaat. 1.6 Het maken van een bewust afgewogen keuze Uit de resultaten konden we afleiden dat de begeleiders hoopten dat hun cliënten een meer realistische blik zouden krijgen op het ouderschap. Ook VMG wou een genuanceerd beeld brengen door zowel de positieve als mindere kanten van het ouderschap te belichten. De verwachting zou bij begeleiders kunnen ontstaan dat mensen een rationele keuze zullen maken voor het ouderschap, waarbij ze de positieve en de negatieve zaken tegen elkaar afwegen. Nu stonden begeleiders soms versteld dat, ondanks grote financiële 147

149 of andere persoonlijke problemen, mensen toch resoluut voor kinderen kiezen. Het idee rijst dat mensen met een verstandelijke beperking geen doordachte keuze kunnen maken bij het kiezen voor een kind. Uit de wetenschappelijke literatuur blijkt echter dat koppels zonder verstandelijke beperking hun keuze voor een eerste kind niet laten beïnvloeden door de verwachte nadelen of kosten (Van Balen & Trimbos-Kemper, 1995). We kunnen dit dus ook niet verwachten van mensen met een verstandelijke beperking. Wanneer in de vorming de voor- en nadelen van een leven met een kind op een rijtje worden gezet, kan dit hoogstens een overzicht bieden. Deze methodiek zal mensen geen rationele afweging doen maken voor of tegen de komst van een kind. Kiezen voor een kind blijkt uit onderzoek ook vooral een emotionele beslissing te zijn (Stöbel-Richter et al., 2005). 1.7 Zichzelf overschatten Naast het idee van begeleiders dat hun cliënten zich geen realistisch beeld kunnen vormen van het ouderschap, horen we direct en indirect het verhaal dat cliënten zichzelf overschatten. Volgens Finucane (1998) onderschatten mensen met een beperking, net zoals tieners, de draaglast die het zorgen voor een kind met zich mee brengt. Daarnaast geeft ze aan dat mensen met een verstandelijke beperking hun vaardigheden om voor een kind te zorgen overschatten. We kunnen ons de vraag stellen of de deelnemers zichzelf overschatten en hun eigen situatie positiever inzien dan de omgeving of, of dat ze zichzelf beter willen voordoen om zich te bewijzen tegenover mensen die negatief staan tegenover hun kinderwens. Het zichzelf overschatten zou ook een masker en verdedigingsmechanisme kunnen zijn tegen de weerstand uit de omgeving. Traustadóttir en Sigurjónsdóttir (2010) pleiten ervoor om de weerstand van deze ouders te begrijpen als een belangrijk wapen tegen onderdrukkingsmechanismen. 1.8 Relatie cliënt-begeleider Doorheen de resultaten viel het verschil op tussen de cliënt-begeleider-relatie in de individuele vorming en deze in de groepsvorming. Er bleek veel minder wederzijds vertrouwen te zijn tussen cliënten en begeleiders die deelnamen aan de groepsvorming. We kunnen ons de vraag stellen of de relatie bemoeilijkt werd door de kinderwens of, of dat de moeilijke relatie ervoor zorgde dat het lastig werd om rond de kinderwens te spreken 148

150 In ieder geval zorgde deze cliënt-begeleider-relatie ervoor dat sommigen opteerden voor de groepsvorming. In wetenschappelijke literatuur wordt gepleit voor langdurige ondersteuning aan ouders (in spe) met een verstandelijke beperking (Booth & Booth, 1995; Feldman, 2010). Vanuit de individuele vorming kan deze lange termijn ondersteuning verzekerd worden, gezien de persoonlijke begeleider de vorming zelf in handen neemt. Vanuit de groepsvorming echter laat de begeleider de ondersteuning van de kinderwens over aan VMG. Wanneer de ondersteuning van de kinderwens door de moeilijke relatie niet of weinig kan verder gezet worden in de persoonlijke begeleiding, kan geen basis gelegd worden voor een langdurige ondersteuning van de kinderwens en het ouderschap bij deze deelnemers. We stoten hierbij op het probleem dat deze begeleiders de keuze van hun cliënten voor een kind niet aanvaarden en dat er weinig vertrouwen is. Ondersteuning op lange termijn vraagt wederzijds vertrouwen en respect tussen de cliënten en de ondersteuner (Booth & Booth, 1995). Positieve attitudes van de hulpverlener tegenover het gezin en een vertrouwensrelatie tussen de ouders (in spe) en ondersteuner blijken van cruciaal belang voor een effectieve ondersteuning en succesvol ouderschap (Booth & Booth, 1995). Een gebrek aan morele ondersteuning en respect wegen daarentegen op de uitdagingen van het ouderschap. Er zou misschien een mogelijkheid kunnen zijn voor VMG om als neutrale gesprekspartner, met de cliënten én de begeleider samen te zitten en verdere stappen te ondernemen in de ondersteuning van de kinderwens. De groepsvorming diende nu immers als eerste aanzet tot gesprek en ook Joha (2004) geeft aan dat de ondersteuning begint bij het bespreekbaar stellen van de wens. Verdere stappen in de ondersteuning dienen echter genomen te worden om diepgaander en langdurig te werken rond de kinderwens en het ouderschap. VMG zou ook in overweging kunnen nemen om eerder de begeleiders te ondersteunen in hun relatie met hun cliënten en in het opnemen van het gesprek over kinderwens, dan met de cliënten zelf aan de slag te gaan. 1.9 Kijk op de kinderwens De deelnemers rapporteerden veel verscheiden motieven voor hun kinderwens: van een gevoelsmatige, instinctieve wens tot wensen uit alle categorieën van Van Balen en Trimbos-Kemper (1995). De categorie geluk werd het meest aangegeven als motivatie voor de kinderwens. Dit stemt overeen met onderzoek dat er op wijst dat mensen met een 149

151 verstandelijke beperking gelijkaardige motieven hebben voor hun kinderwens als mensen zonder verstandelijke beperking (Finucane, 1998; Keehnen et al., 2006). Vanuit de omgeving en de begeleiding wordt zeer vaak met een negatieve bril naar de kinderwens van mensen met een verstandelijke beperking gekeken. Er worden vooral bezorgdheden geuit rond sociaal-emotionele en psychiatrische problemen, omgevingsfactoren en een vertekend beeld van het ouderschap. Deze eerste twee bezorgdheden worden ook in onderzoek aangeduid als risicofactoren voor kwaliteitsvol ouderschap (o.a. Aunos et al., 2003; Booth & Booth, 1994, 1998; Bray, 1999; Llewellyn & McConnell, 2005; McGaw, Shaw & Beckley, 2007; Pixa-Kettner, 1998; Stenfert Kroese et al., 2002; Tymchuk, 1992). Daarnaast nemen hulpverleners vaak een ambivalente houding aan tegenover de kinderwens. Enerzijds zijn er bezorgdheden, anderzijds willen ze de rechten van hun cliënten respecteren. Zou dit kunnen wijzen op het gegeven dat hulpverleners wel in het opkomende burgerschapsparadigma willen stappen, maar zich nog in een overgangsfase bevinden? Of zou deze negatieve bril kunnen voortvloeien uit de verantwoordelijkheid die begeleiders voelen voor hun cliënten, en bijgevolg ook voor het toekomstige kind? Het was opvallend dat de deelnemers uit de groepsvorming, in tegenstelling tot deze uit de individuele vorming, niet konden inschatten hoe hun begeleiders over hun kinderwens dachten. Dit zou kunnen te verklaren zijn door de moeilijke relatie. Ook in onderzoek van Keehnen et al. (2006) gaven de helft van de mensen met een verstandelijke beperking aan dat ze niet wisten hoe hun begeleiders dachten over hun kinderwens. De omgeving van de deelnemers staat heel verschillend en vaak ook negatief tegenover de komst van een kind. Dit is geen verbazend resultaat. Ook Llewellyn et al. (2010) geven aan dat, hoewel het ouderschap over het algemeen een sterk gewaardeerde sociale rol is in onze samenleving, de omgeving vaak weerstand toont tegen het ouderschap van mensen met een verstandelijke beperking. De komst van een kind wordt vaak gezien als een probleem (Booth & Booth, 1992, 1995; Llewellyn & McConnell, 2005; Mayes et al., 2006; Pixa-Kettner, 1998; Reinders, 2008; Stenfert Kroese et al., 2002). Uit onderzoek van Traustadóttir en Sigurjónsdóttir (2010) blijkt dat de omgeving soms subtiele of minder subtiele druk legt op de persoon met een verstandelijke beperking om zich te laten steriliseren. Ook in enkele gevallen hoorden wij dit verhaal in ons onderzoek. Tot slot konden we uit de resultaten afleiden dat de deelnemers weerstand toonden tegen begeleiders en personen uit de omgeving waarvan ze dachten dat ze negatief naar de 150

152 kinderwens keken en de zorg van hen zouden overnemen. Mayes et al. (2006) toonden aan dat moeders in spe ondersteuning zochten bij diegenen die hen waardeerden in hun moederrol. Ze moesten echter niets weten van mensen waarvan ze dachten dat zij de zorg van hen zouden overnemen Tot slot De vorming bleek een methodiek waar flexibel kan mee omgesprongen worden. Het is een instrument, naast andere methodieken, om aan de slag te gaan rond kinderwens met mensen met een verstandelijke beperking. 2. Conclusie Hoewel vele respondenten tevreden bleken, verliep de vorming voor alle betrokkenen niet zoals verwacht. De vorming Kinderwens van VMG is bruikbaar gebleken om de kinderwens van mensen met een verstandelijke beperking bespreekbaar te maken. Het onderzoek bracht evenwel veel tips en inzichten ter optimalisering van de vorming, zowel naar inhoud als naar vorm. Over de groepsvorming kwamen meer opmerkingen ter verandering dan vanuit het individuele traject. De visie op de kinderwens van mensen met een verstandelijke beperking bleek sterk te verschillen bij de deelnemers, begeleiders en omgeving. 3. Implicaties voor verder onderzoek In de toekomst kan er verder onderzoek ondernomen worden naar de vorming Kinderwens van VMG, gezien het hier een formative evaluation betrof en de vorming nog veranderd en geoptimaliseerd kan worden. Vanuit VMG zou een tweede onderzoek kunnen verricht worden na het doorlopen van een hernieuwde versie van hun vorming. Men zou ook kunnen nagaan hoe de vorming ervaren wordt bij andere doelgroepen, bijvoorbeeld bij tieners met een verstandelijke beperking of mensen die wonen in een residentiële voorziening. Er zou verder onderzoek kunnen gehouden worden naar hoe mensen met een kinderwens en een verstandelijke beperking ondersteund willen worden in hun kinderwens. 151

153 Daarnaast zou verder onderzoek kunnen gevoerd worden naar hoe begeleiders willen ondersteund worden in het begeleiden van cliënten met een kinderwens. Het zou interessant zijn om andere ondersteuningsvormen voor het begeleiden van een kinderwens bij mensen met een verstandelijke beperking wetenschappelijk te onderzoeken. Er zou ook onderzoek kunnen verricht worden naar hoe eerstelijns hulpverlening, bij een kinderwens, de zwangerschap en het ouderschap, toegankelijker kan worden gemaakt voor mensen met een verstandelijke beperking. Nu zette VMG de kinderwens van personen met een verstandelijke beperking op de agenda, maar dit deden ze door een gespecialiseerde dienstverlening uit te werken. Volgens Tarleton et al. (2006) is er ook in de reguliere gezondheidszorg nood aan toegankelijke informatie en ondersteuning voor mensen met een verstandelijke beperking. Uit deze studie bleek dat alle begeleiders van de individuele vorming vrouwen waren en dat de meeste begeleiders van de groepsvorming mannen waren. Met dit gegeven hebben wij niets gedaan in dit onderzoek. Verdere studies zouden kunnen nagaan of vrouwelijke en mannelijke begeleiders anders staan tegenover de kinderwens van hun cliënten, want uit onderzoek blijkt dat vrouwen toch nog steeds anders kijken naar het ouderschap dan mannen (Van Balen & Trimbos-Kemper, 1995). Zouden mannen zich bijvoorbeeld rationeler opstellen t.o.v. de kinderwens van hun cliënten dan vrouwen? Zouden vrouwen zich bijvoorbeeld meer emotioneel betrokken voelen bij het verlangen naar een kind? 4. Beperkingen van het onderzoek In het onderzoeksopzet van deze studie werden een aantal keuzes gemaakt, die achteraf gezien enkele vooringenomenheden vervatten en een laag emancipatorisch gehalte hadden. Zo werd er gedoeld op deelnemers uit Begeleid of Beschermd wonen omdat werd gedacht dat daar de kinderwens een heter hangijzer zou zijn. We sloten hierbij mensen uit die wonen in een meer beschermde omgeving, terwijl ook zij een sterke kinderwens kunnen hebben. We richtten ons ook eerst op koppels, terwijl we in eerste instantie niet nadachten over het feit dat het hebben van een relatie geen voorwaarde is om een kinderwens te hebben. 152

154 Het feit dat we organisaties aanschreven in plaats van de mensen met een beperking zelf, maakt dat we eerder organisaties i.p.v. cliënten lieten beslissen over een deelname, terwijl het toch om hun kinderwens gaat. We besloten in het onderzoeksopzet tussentijdse feedback te vragen aan de begeleiders en niet aan de deelnemers, omdat we ervan uitgingen dat de deelnemers minder gemakkelijk feedback zouden kunnen geven langs de telefoon of via . Michael Bérubé, vader van een zoon met Down syndroom, zegt echter dat it might be a good idea for all of us to treat other humans as if we do not know their potential, as if they might in fact surprise us, as if they might defeat or exceed our expectations (Van Hove, persoonlijke communicatie, 5 mei, 2011). Naast deze beperkingen van emancipatorische aard, moeten we ook stellen dat in deze studie gewerkt werd met een relatief klein aantal respondenten. 153

155 DEEL 6. REFERENTIES American Association on Intellectual and Developmental Disabilities (2010). Definition of intellectual disability. Geraadpleegd op 12 maart 2010, op Appelbaum, P.S., & Grisso, T. (1995). The MacArthur Treatment competence study: I. Mental illness and competence to consent to treatment. Law and Human Behavior, 19(2), Aunos, M., & Feldman, M.A. (2002). Attitudes toward sexuality, sterilisation, and parenting rights of persons with intellectual disabilities. Journal of Applied Research in Intellectual Disability, 15(4), Aunos, M., Feldman, M., & Goupil, G. (2008). Mothering with intellectual disabilities: Relationship between social support, health and well-being, parenting and child behaviour outcomes. Journal of Applied Research in Intellectual Disabilities, 21(4), Aunos, M., Goupil, G., & Feldman, M.A. (2003). Les mères présentant une déficience intellectuelle: revue de littérature. Handicap: Revue de sciences humaines et sociales, 97(janvier-mars), Aunos, M., Goupil, G., & Feldman, M.A. (2004). Mothers with an intellectual disability who do and not have custody of their children. Journal on Developmental Disabilities, 10(2), Aunos, M., Pacheco, L., & Moxness, K. (2010). Turning rights into realities in Québec, Canada. In G. Llewellyn, R. Traustadóttir, D. McConnell & H.B. Sigurjónsdóttir (Eds.), Parents with intellectual disabilities: Past, present and futures (pp. 1-14). Chichester, UK: John Wiley & Sons, Ltd. Belsky, J., Melhuish, E., Barnes, J., Leyland, A.H., & Romaniuk, H. (2006). Effects of Sure Start local programmes on children and families: Early findings from a quasiexperimental, cross sectional study. British Medical Journal, 332(7556), Bogdan, R., & Biklen, S. (1998). Qualitative research for education: An introduction to theory and methods. Bosten/Londen: Allyn Bacon. 154

156 Booth, T., & Booth, W. (1992). Practice in sexuality. Mental Handicap, 20(2), Booth, T., & Booth, W. (1993). Parenting with learning difficulties: Lessons for practitioners. British Journal of Social Work, 23(5), Booth, T., & Booth, W. (1994). Parenting under pressure: Mothers and fathers with learning difficulties. Buckingham: Open University Press. Booth, T., & Booth, W. (1995). Unto us a child is born: The trials and rewards of parenthood for people with learning disabilities. Australia and New Zealand Journal of Developmental Disabilities, 20(1), Booth, T., & Booth, W. (1998). Growing up with parents who have learning difficulties. London: Routledge. Booth, T., & Booth, W. (2000). Against the odds: Growing up with parents who have learning difficulties. Mental Retardation, 38(1), Booth, T., & Booth, W. (2002). Men in the lives of mothers with intellectual disabilities. Journal of Applied Research in Intellectual Disabilities, 15(3), Booth, T., & Booth, W. (z.d.). Supported parenting for mothers and fathers with learning difficulties. Support: Key lessons from research. Geraadpleegd op 17 maart 2011, Booth, T., Booth, W., & McConnell, D. (2004). Parents with learning difficulties, care proceedings and the family courts: Threshold decisions and the moral matrix. Child and Family Law Quarterly, 16(4), Booth, T., Booth, W., & McConnell, D. (2005a). The prevalence and outcomes of care proceedings involving parents with learning difficulties in the family courts. Journal of Intellectual Disability Research, 18(1), Booth, T., Booth, W., & McConnell, D. (2005b). Care proceedings and parents with learning difficulties: Comparative prevalence and outcomes in an English and Australian Court sample. Child and Family Social Work, 10(4),

157 Bos, H.M.W., Van Balen, F., & Van der Boom, D.C. (2003). Planned lesbian families: Their desire and motivation to have children. Human Reproduction, 18(10), Brantlinger, E.A. (1995). Sterilization of people with mental retardation: Cases, issues, and perspectives. Wesport, CT: Auburn House (Greenwood Press). Bray, A. (1999). Parents who have intellectual disabilities: Challenges to systems of child protection. Dunedin, New Zealand: Donald Beasly Research Institute. Claes, C., Van Hove, G., Van Loon, J. Vandevelde, S., & Schalock R.L. (2009). Evaluating the inter-respondent (consumer vs. staff) reliability and construct validity (SIS vs. Vineland) of the Supports Intensity Scale on a Dutch sample. Journal of Intellectual Disability Research, 53(4), Colpin, H., De Munter, A., & Vandemeulebroecke, G. (1998). Parenthood motives in IVFmothers. Journal of psychosomatic obstetrics and gynecology, 19(1), Conder, J., Mirfin-Veitch, B., Sanders, J., & Munford, R. (2011). Planned pregnancy, planned parenting: Enabling choice for adults with a learning disability. British Journal of Learning Disabilities, 39(2), Dawkins, R. (1976). The selfish gene. Oxford: Oxford University Press. Deens Ministerie van Sociale Zaken (1996). Parenting with intellectual disability. Copenhagen: auteur. Department of Health & Department for Education and Skills UK (2007). Good practice guidance on working with parents with a learning disability. Geraadpleegd op 18 maart 2011, documents/digitalasset/dh_ pdf De Vries, J.N., Willems, D.L., Isarin, J, & Reinders, J.S. (2005). Samenspel van factoren. Inventariserend onderzoek naar de ouderschapscompetenties van mensen met een verstandelijke beperking. Amsterdam: Universiteit van Amsterdam. 156

158 Dye L., Hendy S., Hare, D.J., & Burton, M. (2004). Capacity to consent to participate in research a recontextualization. British Journal of Learning Disabilities, 32(3), Edgerton, R.B. (2001). The hidden majority of individuals with mental retardation and developmental disabilities. In A.J. Tymchuk, C.K. Lakin & R. Luckasson (Eds.), The forgotten generation: The status and challenges of adults with mild cognitive limitations (pp. 3-19). Baltimore: Paul H Brookes. Ehlers-Flint, M. (2002). Parenting perceptions and social support of mothers with cognitive disabilities. Sexuality and Disability, 20(1), Emerson, E., & Hatton, C. (2007). Poverty, socio-economic position, social capital and the health of children and adolescents with intellectual disabilities in Britain: A replication. Journal of Intellectual Disability Research, 51(11), Espe-Sherwindt, M., & Crable, S. (1993). Parents with mental retardation: Moving beyond the myths. Topics in Early Childhood Special Education, 13(2), Espe-Scherwindt, M., & Kerlin, S. (1990). Early intervention with parents with mental retardation: Do we empower or impair? Infants and Young Children, 2(1), Faureholm, J. (2010). Children and their life experiences. In G. Llewellyn, R. Traustadóttir, D. McConnell & H.B. Sigurjónsdóttir (Eds.), Parents with intellectual disabilities: Past, present and futures (pp ). Chichester, UK: John Wiley & Sons, Ltd. Federale overheid België (1965). Wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming. Geraadpleegd op 8 april 2010, op Feldman, M.A. (1994). Parenting education for parents with intellectual disabilities: A review of outcome studies. Research in Developmental Disabilities, 15(4), Feldman, M.A. (2002). Parents with intellectual disabilities and their children: Impediments and supports. In D. Griffiths & P. Federoff (Eds.), Ethical issues in sexuality of people with developmental disabilities. Kingston: NADD Press. 157

159 Feldman, M.A. (2010). Parenting education programs. In G. Llewellyn, R. Traustadóttir, D. McConnell & H.B. Sigurjónsdóttir (Eds.), Parents with intellectual disabilities: Past, present and futures (pp ). Chichester, UK: John Wiley & Sons, Ltd. Feldman, M.A., & Case, L. (1997). The effectiveness of audiovisual self-instructional materials in teaching child-care skills to parent with intellectual disabilities. Journal of Behavioral Education, 7(2), Feldman, M.A., & Case, L. (1999). Teaching child-care and safety skills to parents with intellectual disabilities through self learning. Journal of Intellectual and Developmental Disability, 24(1), Feldman, M.A., Varghese, J., Ramsay, J., & Rajska, D. (2002). Relationship between social support, stress and mother-child interactions in mothers with intellectual disabilities. Journal of Applied Research in Intellectual Disability, 15(4), Feldman, M.A., & Walton-Allen, N. (1997). Effects of maternal mental retardation and poverty on intellectual, academic, and behavioral status of school-age children. American Journal of Mental Retardation, 101(4), Finucane, B. (1998). Acculturation in women with mental retardation and its impact on genetic counselling. Journal of Genetic Counseling, 7(1), Gerson, M. (1983). A scale of motivation for parenthood: The index of parenthood motivation. The Journal of Psychology, 113, Gillberg, C., & Geijer-Karlsson, M. (1983). Children born to mentally retarded women: A 1 21 year follow-up study of 41 cases. Psychological Medicine, 13, Goderie, M., Steketee, M., & Plemper, E. (2005). Kinderen van ouders met een verstandelijke beperking: pilootstudie preventie voor de Raad van de Kinderbescherming. Utrecht, Nederland: Verwey-Jonker Instituut. Goodringe, S. (2000). A jigsaw of services: Inspection of service to support disabled adults in their parenting role. London: DH. 158

160 Grewal, R.P., & Uschel, J.D. (1994). Why women want children: A study during phases of parenthood. The journal of Social Psychology, 134(4), Guinea, S. (2001). Parents with a learning disability and their views on support received: A preliminary study. Journal of Learning Disabilities, 5(1), Hayman, R.L. (1990). Presumptions of justice: Law, politics, and the mentally retarded parent. Harvard Law Review, 103(6), Het Universitair Centrum voor Onderzoek en Training met betrekking tot Inclusie en de Kwaliteit van het Bestaan (2003). Nieuwe paradigma. Geraadpleegd op 16 maart 2011, op Hoffman, A. (2003). Teaching decision making to students with learning disabilities by promoting self-determination. Geraadpleegd op 14 maart 2011, op Holden, G.W., Nelson, P.B., Velasquez, J., & Ritchie, K.L. (1993). Cognitive, psychosocial and reported sexual behavior differences between pregnant and nonpregnant adolescents. Adolescence, 28(111), Hur, J. (1997). Review of research on parent training for parents with intellectual disability: Methodological issues. International Journal of Disability, Development and Education, 44(2), IASSID Special Interest Research Group on Parents and Parenting with Intellectual Disabilities (2008). Parents labelled with intellectual disability: Position of the IASSID SIRG on parents and parenting with intellectual disabilities. Journal of Applied Research in Intellectual Disabilities, 21(4), James, H. (2004). Promoting effective working with parents with learning disabilities. Child Abuse Review, 13(1), Janssen, C., Van de Laar, E., & Van Loon, J. (2007). Handelingsprotocol Een kinderwens en dan? Helmond: Stichting ORO. Geraadpleegd op 12 augustus 2010, op 159

161 Janssens, F. (1985). Betrouwbaarheid en validiteit in interpretatief onderzoek. Pedagogisch Tijdschrift, 10(3), Joha, D. (2004). Ouders met een verstandelijke beperking. Een praktijkstudie. Utrecht: Landelijk Kennis Netwerk Gehandicaptenzorg (LKNG). Joha, D., Gerards, G., Nas, M., van Gendt, J., & Kersten, M. (2006). Ondersteuning van ouders met een verstandelijke beperking. Een overzicht van methodieken. Den Haag: Uitgerverij LEMMA. Keehnen, N., Koppers, P., Reitsma, M., & van Willegen, D. (2006). Een kind om mee te krijten. Academisch proefschrift, Universiteit van Amsterdam. Kelly, J.F., Morisset, C.E., Barnard, K.E., & Patterson, D. (1996). Risky beginnings: The effects of low maternal IQ on children s development. Infants and Young Children, 8(3), Kvale, S. (1996). The social construction of validity. In Interviews. Thousand Oaks, CA: Sage Publications. Langdridge, D., Connolly, K., & Sheeran, P. (2000). Reasons for wanting a child: A network analytic study. Journal of Reproductive and Infant Psychology, 18(4), Levering, B., & Smeyers, P. (1999). Opvoeding en onderwijs leren zien. Een inleiding in interpretatief onderzoek. Amsterdam: Boom Llewellyn, G. (1990). People with intellectual disability as parents: Perspectives from the professional literature. Australian and New Zealand Journal of Developmental Disabilities, 16(4), Llewellyn, G. (1997). Parents with intellectual disability. Learning to parent: The role of experience and informal learning. International Journal of Disability, Development and Education, 44(3),

162 Llewellyn, B., & Gustavsson, M. (2010). Understanding community in the lives of parents with intellectual disabilities. In G. Llewellyn, R. Traustadóttir, D. McConnell & H.B. Sigurjónsdóttir (Eds.), Parents with intellectual disabilities: Past, present and futures (pp ). Chichester, UK: John Wiley & Sons, Ltd. Llewellyn, G., Mayes, R., & McConnell, D. (2008). Towards acceptance and inclusion of people with intellectual disability as parents. Journal of Applied Research in Intellectual Disabilities, 21(4), Llewellyn, G., & McConnell, D. (2002). Home-based programmes for parents with intellectual disabilities: Lessons from practice. Journal of Applied Research in Intellectual Disabilities, 15(4), Llewellyn, G., & McConnell, D. (2005). You have to prove yourself all the time: People with learning disabilities parenting. In G. Grant, P. Goward, M. Richardson & P. Ramcharan (Eds.), Learning disability: A life cycle approach to valuing people (pp ). Maidenhead: Open University Press. Llewellyn, G., & McConnell, D. (2010). Looking back on their own upbringing. In G. Llewellyn, R. Traustadóttir, D. McConnell & H.B. Sigurjónsdóttir (Eds.), Parents with intellectual disabilities: Past, present and futures (pp ). Chichester, UK: John Wiley & Sons, Ltd. Llewellyn, G., McConnell, D., & Bye, R. (1998). Perception of service needs by parents with intellectual disability, their significant others and their service workers. Research in Developmental Disabilities, 19 (3), Llewellyn, G., McConnell, D., & Ferronato, L. (2003). Prevalence and outcomes for parents with disabilities and their children in an Australian court sample. Child Abuse and Neglect, 27(3), Llewellyn, G., McConnell, D., Grace-Dunn, R., & Dibden, M. (1999). Parents with intellectual disability and older children: Strategies for support workers. Melbourne, Victoria: Disability Services Division, Victoria Government, Department of Human Services. 161

163 Llewellyn, G., McConnell, D., Honey, A., Mayes, R., & Russo, D. (2003). Promoting health and home safety for children of parents with intellectual disability: A randomised controlled trial. Research in Developmental Disabilities, 24(6), Llewellyn, G., McConnell, D., & Mayes, R. (2003). Health of mothers with intellectual limitations. Australian and New Zealand Journal of Public Health, 27(1), Llewellyn, G., Traustadóttir, R., McConnell, D., & Sigurjónsdóttir, H.B. (2010). Introduction. In G. Llewellyn, R. Traustadóttir, D. McConnell & H.B. Sigurjónsdóttir (Eds.), Parents with intellectual disabilities: Past, present and futures (pp. 1-15). Chichester, UK: John Wiley & Sons, Ltd. Marriott, A., & Tarleton, B. (2009). The parent trap. Learning Disability Today, Augustus/September 2009, Maso, I., & Smaling, A. (1998). Kwalitatief onderzoek: praktijk en theorie. Amsterdam: Boom. Mayes, R., & Llewellyn, G. (2009). What happens to parents with intellectual disability following removal of their child in child protection proceedings? Journal of Intellectual & Developmental Disability, 34(1), Mayes, R., Llewellyn, G., & McConnell, D. (2006). Misconception: The experience of pregnancy for women with intellectual disabilities. Scandinavian Journal of Disability Research, 8(2-3), Mayes, R., Llewellyn, G., & McConnell, D. (2008). Active Negotiation: Mothers with intellectual disabilities creating their social support networks. Journal of Applied Research in Intellectual Disabilities, 21(4), Mayes, R., & Sigurjónsdóttir, H.B. (2010). Becoming a mother becoming a father. In G. Llewellyn, R. Traustadóttir, D. McConnell & H.B. Sigurjónsdóttir (Eds.), Parents with intellectual disabilities: Past, present and futures (pp ). Chichester, UK: John Wiley & Sons, Ltd. 162

164 McCarthy, M. (2010). Exercising choice and control - women with learning disabilities and contraception. British Journal of Learning Disabilities, 38(4), McConnell, D., & Llewellyn, G. (2000). Disability and discrimination in statutory child protection proceedings. Disability and Society, 15(6), McConnell, D., & Llewellyn, G. (2002). Stereotypes, parents with intellectual disability and child protection. Journal of Social Welfare and Family Law, 24(3), McConnell, D., & Llewellyn, G. (2005). Social inequality, the deviant parent and child protection practice. Australian Journal of Social Issues, 40(4), McConnell, D., Llewellyn, G., & Bye, R. (1997). Providing services for parents with intellectual disability: Parent needs and service constraints. Journal of Intellectual and Developmental Disability, 22(1), McConnell, D., Llewellyn, G., & Ferronato, L. (2000a). Disability and decision-making in Australian care proceedings. International Journal of Law, Policy and the Family, 16(2), McConnell, D., Llewellyn, G., & Ferronato, L. (2000b). Parents with a disability and the NSW Children s Court. Sydney: University of Sydney. McConnell, D., Llewellyn, G., & Ferronato, L. (2003). Prevalence and outcomes for parents with disabilities and their children in an Australian court sample. Child Abuse and Neglect, 27(3), McConnell, D., Llewellyn, G., Mayes, R., Russo, D., & Honey, A. (2003). Developmental profiles of children born to mothers with intellectual disability. Journal of Intellectual & Developmental Disability, 28 (2), McConnell, D., Mayes,R., & Llewellyn, G. (2008). Prepartum distress in women with intellectual disabilities. Journal of Intellectual & Developmental Disability, 33(2),

165 McGaw, S., & Candy, S. (2010). Supported decision making for women with intellectual disabilities. In G. Llewellyn, R. Traustadóttir, D. McConnell & H.B. Sigurjónsdóttir (Eds.), Parents with intellectual disabilities: Past, present and futures (pp ). Chichester, UK: John Wiley & Sons, Ltd. McGaw, S., & Newman, T. (2005). What Works for Parents With Learning Disabilities? Ilford: Barnardo s. McGaw, S., Shaw, T., & Beckley, K. (2007). Prevalence of psychopathology across a service population of parents with intellectual disabilities and their children. Journal of Policy and Practice in Intellectual Disabilities, 4(1), McGaw, S., & Sturmey, P. (1994). Assessing parents with learning disabilities: The parental skills model. Child Abuse Review, 3(1), Mickelson, P. (1947). The feeble-minded parent: A study of 90 family cases. American Journal of Mental Deficiency, 51(4), Mirfin-Veitch, B. (2010). Citizenship and community participation. In G. Llewellyn, R. Traustadóttir, D. McConnell & H.B. Sigurjónsdóttir (Eds.), Parents with intellectual disabilities: Past, present and futures (pp ). Chichester, UK: John Wiley & Sons, Ltd. Montgomery, K.S. (2002). Planned adolescent pregnancy: What they wanted. Journal of Pediatric Health Care, 16(6), Mørch, W.-T., Jens, S., & Andersgard, A. (1997). Mentally retarded persons as parents: Prevalence and the situation of their children. Scandinavian Journal of Psychology, 38(4), Morgan, S.P., & Berkowitz King, R. (2001). Why have children in the 21st century? Biological predisposition, social coercion, rational choice. European Journal of Population, 17(1), Morse, J.M. (2000). Determining Sample Size. Qualitative Health Research, 10(1),

166 Newton, C.R., Heam, M.T., Yuzpe, A.A., & Houle, M. (1992). Motives for parenthood and response to failed IVF: Implications for counseling. Journal of Assisted Reproductions and Genetics, 9(1), O Connor, J. (2011). Literature review on provision of appropriate and accessible support to people with an intellectual disability who are experiencing crisis pregnancy. Geraadpleegd op 6 maart 2011, Perkins, T.S., Holburn, S., Deaux, K., Flory, M.J., & Vietze, P.M. (2002). Children of mothers with intellectual disability: Stigma, mother-child relationship and self-esteem. Journal of Applied Research in Intellectual Disability, 15(4), Pixa-Kettner, U. (1998). Parents with intellectual disability in Germany: Results of a nationwide study. Journal of Applied Research in Intellectual Disabilities, 11(4), Reinders, H.S. (2008). Persons with Disabilities as Parents: What is the Problem? Journal of Applied Research in Intellectual Disabilities, 21(4), Scheerenberger, R.C. (1983). A history of mental retardion. Baltimore: Brookes. Sellars, C. (2002). Risk assessment in people with learning disabilities. Oxford: Blackwell Publishing. Servais, L. (2006). Sexual health care in persons with intellectual disabilities. Mental Retardation and Developmental Disabilities Research Reviews, 12(1), Sigurjónsdóttir, H.B., & Traustadóttir, R. (2010). Family within a family. In G. Llewellyn, R. Traustadóttir, D. McConnell & H.B. Sigurjónsdóttir (Eds.), Parents with intellectual disabilities: Past, present and futures (pp ). Chichester, UK: John Wiley & Sons, Ltd. Smith, J.A., Harré, R., & Van Langenhove, L. (1995). Rethinking methods in psychology. London: Sage Publications. 165

167 Soyez, V., Van Hove, G., & Vanderplasschen, W. (2009). Kinderen van ouders met een beperking. In G.A. Bakker, D.M. Van Zeben, J. Dewispelaere, R. Vecht, M. Van der Meulen & V. Soyez. Handboek Kinderen en Adolescenten: Problemen en Risicosituaties (pp. F170-1 F170-16). Houten: Bohn-Stafleu Van Loghum. Stenfert Kroese, B., Hussein, H., Clifford, C., & Ahmend, N. (2002). Social support networks and psychological wellbeing of mothers with intellectual disabilities. Journal of Applied Research in Intellectual Disabilities, 15(4), Stöbel-Richter, Y., Beutel, M.E., Finck, C., & Brähler, E. (2005). The 'wish to have a child', childlessness and infertility in Germany. Oxford University Press on behalf of the European Society of Human Reproduction and Embryology, 20(10), Suto, W.M., Clare, C.H., Holland, A.K., & Watson, P.C. (2005). Capacity to make financial dicisions among people with mild intellectual disabilities. Journal of Intellectual Disability Research, 49(3), Swaans-Joha, B.C., & Hox, J.H. (1989). Praktijkgericht onderzoek: debat, design, data. Amersfoort: Acco. Tarleton, B. (2006). Finding the right support. Disability, Preganancy and Parenthood International, 53/54(Spring/Summer), 8-9. Tarleton, B., & Ward, L. (2007). Parenting with support : The views and experiences of parents with intellectual disabilities. Journal of Policy and Practice in Intellectual Disabilities, 4(3), Tarleton, B., Ward, L., & Howarth, J. (2006). Finding the right support. A review of the issues and positive practice in supporting parents with learning difficulties and their children. London: The Baring Foundation. Taylor, C.G., Norman, D.K., Murphy, J.M., Jellinek, M., Quinn, D., Poitrast, F.G., & Goshko, M. (1991). Diagnosed intellectual and emotional impairment among parents who seriously mistreat their children: Prevalence, type, and outcome in a court sample. Child Abuse & Neglect, 15(4),

168 Taylor, S.J. (1995). Children s division is coming to taka pictures : Family life and parenting in a family with disabilities. In S.J. Taylor, R. Bogdan & Z.M. Lutfiyya (Eds.), The variety of community experiences: Qualitative studies of family and community life (pp ). Baltimore: Paul H. Brookes. Taylor, S.J. (2010). Foreword. In G. Llewellyn, R. Traustadóttir, D. McConnell & H.B. Sigurjónsdóttir (Eds.), Parents with intellectual disabilities: Past, present and futures (pp. xiii-xv). Chichester, UK: John Wiley & Sons, Ltd. Thompson, B. (2002). Multiracial Feminism: Recasting the chronology of second wave feminism. Feminist Studies, 28(2), Traustadóttir, R., & Sigurjónsdóttir, H.B. (2008). The mother behind the mother: Three generations of mothers with intellectual disabilities and their family support networks. Journal of Applied Research in Intellectual Disabilities, 21(4), Traustadóttir, R., & Sigurjónsdóttir, H.B. (2010). Parenting and resistance: strategies in dealing with services and professionals. In G. Llewellyn, R. Traustadóttir, D. McConnell & H.B. Sigurjónsdóttir (Eds.), Parents with intellectual disabilities: Past, present and futures (pp ). Chichester, UK: John Wiley & Sons, Ltd. Tucker, M.B., & Johnson, O. (1989). Competence promoting versus competence inhibiting social support for mentally retarded mothers. Human Organization, 48(2), Tymchuk, A.J. (1990). Parents with mental retardation: a national strategy. Journal of Disability Policy Studies, 1(4), Tymchuk, A.J. (1992). Predicting adequacy of parenting by people with mental retardation. Child Abuse and Neglect, 16(2), Tymchuk, A.J. (1999). Moving towards integration of services for parents with intellectual disabilities. Journal of Intellectual and Developmental Disability, 24(1), Tymchuk, A., & Andron, L. (1990). Mothers with mental retardation who do or do not abuse or neglect their children. Child Abuse and Neglect, 14(3),

169 Tymchuk, A., & Andron, L. (1992). Project parenting: Child interactional training with mothers who are mentally handicapped. Mental Handicap Research, 5(1), Van Balen, F. (1991). Een leven zonder kinderen. Assen: Uitgeverij Koninklijke Van Gorcum. Van Balen, F. (2005). Late parenthood among subfertile en fertile couples: Motivations and educational goals. Patiens Education and Counseling, 59(3), Van Balen, F., & Gerrits, T. (2001). Kinderwens in context. In S. De Joode (Ed.), Zwanger van de kinderwens (pp ). Den Haag: Rathenau Instituut. Van Balen, F., & Inhorn, M.C. (2002). Interpreting infertility: A view from the social sciences. In M.C., Inhorn & F. Van Balen (Eds.), Infertility around the globe: New thinking about childlessness, gender, and reproductive technologies (pp. 3-32). Los Angeles, CA: University of California Press. Van Balen, F., & Trimbos-Kemper, T.C.M. (1995). Involuntary childless couples: Their desire to have children and their motives. Journal of psychosomatic obstetrics and gynaecology, 16(3), Van der Laan, G. (1990). Legitimatieproblemen in het maatschappelijk werk. Utrecht: SWP. Van Gennep, A. (1997). Paradigma-verschuiving in de visie op zorg voor mensen met een verstandelijke handicap. Maastricht: Universiteit van Maastricht. Van Hove, G., & Van Loon, J. (2005). Personen met een verstandelijke beperking. In E. Broekaert & G. Van Hove (Eds.), Handboek Bijzondere Orthopedagogiek (pp ). Antwerpen-Apeldoorn: Garant. Van Hove, G., & Wellens, V. (1995). Ouders met een mentale handicap: realiteit en begeleiding. Orthopedagogische Reeks Gent, 5, 4-7. Veenhoven, R. (1977). Is er een aangeboren behoefte aan kinderen? In R. Veenhoven & E. Van der Wolk (Eds.), Kiezen voor kinderen (pp. 7-12). Amsterdam: Van Gorcum. 168

170 Veenhoven, R. (1985). Ouderschap, motivatie en consequenties. In C.L. Corver, W., Dumon & J.M. Jonker (Eds.). Primaire Leefvormen: Ontwikkelingen in theorieën, onderzoek en problemen in de jaren zestig. Amsterdam: SISWO. Verenigde Naties (1989). Internationaal verdrag inzake de rechten van het kind. Geraadpleegd op 20 maart 2011, op Verenigde Naties (2006). Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. Geraadpleegd op 5 april 2010, op Wade, C., Llewellyn, G., & Matthews, J. (2008). Review of parent training interventions for parents with intellectual disability. Journal of Applied Research in Intellectual Disabilities, 21(4), Wade, C., Mildon, R.L., & Matthews, J.M. (2007). Service delivery to parents with an intellectual disability: Family-centred or professionally centred? Journal of Applied Research in Intellectual Disabilities, 20(2), Willems, D.L., De Vries, J.-N., Isarin, J., & Reinders, J.S. (2007). Parenting by persons with intellectual disability: An explorative study in the Netherlands. Journal of Intellectual Disability Research, 51(7), Wong, J.G., Clare, I.C.H., Holland, A.J., Watson, P.C., & Gunn, M. (2000). The capacity of people with a 'mental disability' to make a health care decision. Psychological Medicine, 30(2),

171 DEEL 7. BIJLAGEN 1. Samenspel van factoren Korte inhoud vorming Kinderwens Brief met verzoek tot deelname van de organisaties Geïnformeerde schriftelijke toestemming Richtvragen pre-interview deelnemers en begeleiders Richtvragen post-interview deelnemers, begeleiders en vormingswerkster

172 1. Samenspel van factoren Figuur 2: Samenspel van factoren van De Vries, Willems, Isarin & Reinders (2005). 171

12/4/2014. Het belang van een eigen keuze: óók voor (toekomstige) ouders met een verstandelijke beperking

12/4/2014. Het belang van een eigen keuze: óók voor (toekomstige) ouders met een verstandelijke beperking pagina 1 4 december 2014 pagina 2 Het belang van een eigen keuze: óók voor (toekomstige) ouders met een verstandelijke beperking Drs. M. (Marja) W. Hodes ASVZ Capelle a/d IJssel VU Amsterdam Oktober 2014

Nadere informatie

Stimuleren van eigen kracht en sociale netwerken. Ervaringen uit het veld

Stimuleren van eigen kracht en sociale netwerken. Ervaringen uit het veld Stimuleren van eigen kracht en sociale netwerken Ervaringen uit het veld Overzicht programma Wie ben ik: - Philip Stein - masterstudent sociologie - afgerond A&O-psycholoog Programma: - half uur presentatie,

Nadere informatie

De psychiatrische cliënt in beeld Terugkeer in de maatschappij Psychiatrisch stigma bekeken vanuit client, familie en samenleving Job van t Veer Wat is het psychiatrisch stigma? Psychiatrisch stigma Kennis

Nadere informatie

INFORMATIEBROCHURE BINNENLANDSE

INFORMATIEBROCHURE BINNENLANDSE INFORMATIEBROCHURE BINNENLANDSE A D O P T I E 1 INLEIDING Wie in zijn praktijk geconfronteerd wordt met een vrouw die ongewenst zwanger is en overweegt haar kind af te staan voor adoptie vindt in deze

Nadere informatie

Onderzoek naar het cluster 4 onderwijs: kinderen en hulpverlening. Drs. R. Stoutjesdijk & Prof. Dr. E.M. Scholte M.m.v. drs. H.

Onderzoek naar het cluster 4 onderwijs: kinderen en hulpverlening. Drs. R. Stoutjesdijk & Prof. Dr. E.M. Scholte M.m.v. drs. H. Onderzoek naar het cluster 4 onderwijs: kinderen en hulpverlening Drs. R. Stoutjesdijk & Prof. Dr. E.M. Scholte M.m.v. drs. H. Leloux-Opmeer Voorwoord Inhoudsopgave Een tijd geleden hebben Stichting Horizon

Nadere informatie

Samenvatting onderzoek Bejegening van pleegouders in Zeeland Door Veerle de Leede In opdracht van Stichting Pleegoudersupport Zeeland

Samenvatting onderzoek Bejegening van pleegouders in Zeeland Door Veerle de Leede In opdracht van Stichting Pleegoudersupport Zeeland Samenvatting onderzoek Bejegening van pleegouders in Zeeland Door Veerle de Leede In opdracht van Stichting Pleegoudersupport Zeeland Beste pleegouder, U heeft aangegeven graag op de hoogte gehouden te

Nadere informatie

Echtscheiding en nieuw samengestelde gezinnen. Invloeden op ouderschap en kinderontwikkeling

Echtscheiding en nieuw samengestelde gezinnen. Invloeden op ouderschap en kinderontwikkeling Echtscheiding en nieuw samengestelde gezinnen Invloeden op ouderschap en kinderontwikkeling Cruciale vragen Verschillen in psychisch welbevinden ts. personen uit gescheiden en nietgescheiden gezinnen?

Nadere informatie

Interviews: - interview: vragen gast - vragen pleeggezin - vragen aan begeleider van Open Thuis - Interview met de dienst VMG :

Interviews: - interview: vragen gast - vragen pleeggezin - vragen aan begeleider van Open Thuis - Interview met de dienst VMG : Bijlage Interviews: - interview: vragen gast - vragen pleeggezin - vragen aan begeleider van Open Thuis - Interview met de dienst VMG : Interview: vragen gast : Levensgeschiedenis: Zie dossier Hoe vind

Nadere informatie

Onderlegger Licht Diagnostisch Instrument tbv bepaling van het gezinsprofiel. 1. Psychische en/of psychiatrische problemen van de ouder(s)

Onderlegger Licht Diagnostisch Instrument tbv bepaling van het gezinsprofiel. 1. Psychische en/of psychiatrische problemen van de ouder(s) A. Ouderfactoren: gegeven het feit dat de interventies van de gezinscoach en de nazorgwerker gericht zijn op gedragsverandering van de gezinsleden, is het zinvol om de factoren te herkennen die (mede)

Nadere informatie

Inclusief onderwijs? beno.schraepen@ap.be

Inclusief onderwijs? beno.schraepen@ap.be Inclusief onderwijs? beno.schraepen@ap.be Nieuwe inzichten Kennis, rechten, beeldvorming 21 ste eeuw: Andere beeldvorming Vn-verdrag Gelijke rechten van personen in een handicapsituatie Apart zetten =

Nadere informatie

Buna Tetu (kort overzicht)

Buna Tetu (kort overzicht) Buna Tetu (kort overzicht) Kinderen met een handicap tellen ook mee! Stichting Joni Social Education Project Voor een samenleving waarin iedereen zich thuis kan voelen Achtergrond project Ouders van gehandicapte

Nadere informatie

Ervaringsdeskundigheid in de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking. Petri Embregts

Ervaringsdeskundigheid in de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking. Petri Embregts Ervaringsdeskundigheid in de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking Petri Embregts Inhoud Waarom een kans in de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking? Inzetbaarheid en effectiviteit

Nadere informatie

Inleiding. Familiale kwetsbaarheid en geslacht. Samenvatting

Inleiding. Familiale kwetsbaarheid en geslacht. Samenvatting Inleiding Depressie en angst zijn veel voorkomende psychische stoornissen. Het ontstaan van deze stoornissen is gerelateerd aan een breed scala van risicofactoren, zoals genetische kwetsbaarheid, neurofysiologisch

Nadere informatie

De Nederlandse doelgroep van mensen met een LVB 14-12-2011. Van Basisvragenlijst LVB naar LVB-screeningsinstrument (screener LVB)

De Nederlandse doelgroep van mensen met een LVB 14-12-2011. Van Basisvragenlijst LVB naar LVB-screeningsinstrument (screener LVB) Zwakzinnigheid (DSM-IV-TR) Code Omschrijving IQ-range Van Basisvragenlijst LVB naar LVB-screeningsinstrument (screener LVB) Xavier Moonen Orthopedagoog/GZ-Psycholoog Onderzoeker Universiteit van Amsterdam

Nadere informatie

Slecht nieuws goed communiceren

Slecht nieuws goed communiceren Slecht nieuws goed communiceren M A N U K E I R S E F A C U L T E I T G E N E E S K U N D E, K U L E U V E N Waarheid is een van de meest krachtige medicamenten waarover men beschikt, maar men moet nog

Nadere informatie

Vraag 4 Wat vind jij de meest geschikte houding? Vergelijk je antwoord met dat van je medestudenten. Typ het antwoord in in het antwoordformulier.

Vraag 4 Wat vind jij de meest geschikte houding? Vergelijk je antwoord met dat van je medestudenten. Typ het antwoord in in het antwoordformulier. Open vragen bij Casus Marco Vraag 1 Bekijk scène 1 nogmaals. Wat was jouw eerste reactie op het gedrag van Marco in het gesprek met de medewerker van Bureau HALT? Wat roept zijn gedrag op aan gedachten,

Nadere informatie

Welkom. Pedagogische verwaarlozing anno 2013. Het Kind Eerst (juni 2013) www.hetkindeerst.nl

Welkom. Pedagogische verwaarlozing anno 2013. Het Kind Eerst (juni 2013) www.hetkindeerst.nl Welkom Pedagogische verwaarlozing anno 2013 Bron: Haren de Krant d.d. 22 april 2010 1 2 Het Kind Eerst (juni 2013) www.hetkindeerst.nl Vraagstelling n.a.v. twitterbericht d.d. 12-06-2013 van Chris Klomp

Nadere informatie

Kinderen met een handicap op de schoolbanken

Kinderen met een handicap op de schoolbanken Kinderen met een handicap op de schoolbanken Ouders van een kind met een handicap moeten vaak een moeilijke weg bewandelen met veel hindernissen en omwegen om voor hun kind de geschikte onderwijsvorm of

Nadere informatie

Workshop. Drughulpverlening voor verslaafde ouders met kinderen

Workshop. Drughulpverlening voor verslaafde ouders met kinderen Workshop Drughulpverlening voor verslaafde ouders met kinderen 1 Verloop Voorstelling Tipi-werking Follow-up onderzoek Een uitwisseling over de uitdagingen voor de toekomst 2 Vzw De Kiem RESIDENTIEEL AMBULANT

Nadere informatie

Dokter, voelt U mijn pijn?! Over yellow flags en psychologische behandeling Tamara Sinnaeve, klinisch psychologe AZ Monica

Dokter, voelt U mijn pijn?! Over yellow flags en psychologische behandeling Tamara Sinnaeve, klinisch psychologe AZ Monica Dokter, voelt U mijn pijn?! Over yellow flags en psychologische behandeling Tamara Sinnaeve, klinisch psychologe AZ Monica 2 Geef me de kalmte om te accepteren wat ik niet kan veranderen, De moed om te

Nadere informatie

DE TIPI Onderzoek naar de leefsituatie en huidige kwaliteit van leven van ouders en kinderen die het Tipi-programma hebben doorlopen

DE TIPI Onderzoek naar de leefsituatie en huidige kwaliteit van leven van ouders en kinderen die het Tipi-programma hebben doorlopen DE TIPI Onderzoek naar de leefsituatie en huidige kwaliteit van leven van ouders en kinderen die het Tipi-programma hebben doorlopen Jachna Beck Evelien Van Rompaye Promotor: Prof. Dr. Wouter Vanderplasschen

Nadere informatie

Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling

Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling Inhoudsopgave Overeenkomst meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling 2 Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling 3 Toelichting meldcode huiselijk

Nadere informatie

Eigen regie bij LVB cliënten. Brigitte Althoff

Eigen regie bij LVB cliënten. Brigitte Althoff Eigen regie bij LVB cliënten Brigitte Althoff Voorstellen Onderzoek gedaan naar de ethische dilemma's in de ambulante zorg voor volwassen cliënten met een licht verstandelijke beperking (LVB) die alcohol

Nadere informatie

Wat werkt bij licht verstandelijk beperkte ouders?

Wat werkt bij licht verstandelijk beperkte ouders? Wat werkt bij licht verstandelijk beperkte ouders? Nienke Foolen Nederlands Jeugdinstituut Mariska Zoon Infolijn t (030) 630 65 64 December 2012 e infojeugd@nji.nl i www.nji.nl Mensen met een licht verstandelijke

Nadere informatie

Centrum Bergkristal Studieplan Deelopleiding Holistisch Integratief Coach en/of Counsellor

Centrum Bergkristal Studieplan Deelopleiding Holistisch Integratief Coach en/of Counsellor Centrum Bergkristal Studieplan Deelopleiding Holistisch Integratief Coach en/of Counsellor Modules Holistisch Integratief Coach en/of Counsellor 1. Psychologie en Psychopathologie 2. Sociale psychologie

Nadere informatie

Ouders met een verstandelijke beperking

Ouders met een verstandelijke beperking Ouders met een verstandelijke beperking Conclusies en aanbevelingen In deze studie is eerst in de literatuur nagegaan welke factoren beschermend dan wel belemmerend zijn in de opvoedingssituatie van mensen

Nadere informatie

Proefschrift Girigori.qxp_Layout 1 10/21/15 9:11 PM Page 129 S u m m a r y in Dutch Summary 129

Proefschrift Girigori.qxp_Layout 1 10/21/15 9:11 PM Page 129 S u m m a r y in Dutch Summary 129 S u m m a r y in Dutch Summary 129 Gedurende de geschiedenis hebben verschillende factoren zoals slavernij, migratie, de katholieke kerk en multinationals zoals de Shell raffinaderij de gezinsstructuren

Nadere informatie

3. Rouw en verliesverwerking

3. Rouw en verliesverwerking 3. Rouw en verliesverwerking 29 Voor de trainer De belangrijkste begrippen van dit gedeelte zijn: Grote verschillen tussen verschillende getroffenen Breuk in de levenslijn Rouw/Verliesverwerking/chronische

Nadere informatie

EUROPEAN DISABILITY FORUM...

EUROPEAN DISABILITY FORUM... Deïnstitutionalisering en de rechten van personen met een handicap perspectief van Europese Unie... An-Sofie Leenknecht, EDF Human Rights Officer, Brussel, 26 november 2014 EUROPEAN DISABILITY FORUM Vertegenwoordigen

Nadere informatie

De (h)erkenning van jongeren met een lichte verstandelijke beperking Dr. M. van Nieuwenhuijzen

De (h)erkenning van jongeren met een lichte verstandelijke beperking Dr. M. van Nieuwenhuijzen De (h)erkenning van jongeren met een lichte verstandelijke beperking Dr. M. van Nieuwenhuijzen ISBN 978 90 8850 154 8 NUR 847 2010 B.V. Uitgeverij SWP Amsterdam Rede (in verkorte vorm) uitgesproken bij

Nadere informatie

Adoptie van kinderen door paren van gelijk geslacht

Adoptie van kinderen door paren van gelijk geslacht Advies Adoptie van kinderen door paren van gelijk geslacht Commissie Justitie, Kamer van Volksvertegenwoordigers Wetsvoorstel tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek teneinde adoptie door koppels van

Nadere informatie

218 SAMENVATTING De prevalentie van overgewicht en obesitas bij kinderen is de laatste jaren sterk toegenomen. In Nederland hebben 12.8% van de jongen

218 SAMENVATTING De prevalentie van overgewicht en obesitas bij kinderen is de laatste jaren sterk toegenomen. In Nederland hebben 12.8% van de jongen Samenvatting 217 218 SAMENVATTING De prevalentie van overgewicht en obesitas bij kinderen is de laatste jaren sterk toegenomen. In Nederland hebben 12.8% van de jongens en 14.8% van de meisjes overgewicht,

Nadere informatie

Ervaren problemen door professionals

Ervaren problemen door professionals LVG en Verslaving Lectoraat GGZ-Verpleegkunde Ervaren problemen door professionals Kennisdeling 11 november 2010, Koos de Haan, deel 2 1 Wat komt aan bod? Onderzoek naar problemen door professionals ervaren

Nadere informatie

A c. Dutch Summary 257

A c. Dutch Summary 257 Samenvatting 256 Samenvatting Dit proefschrift beschrijft de resultaten van twee longitudinale en een cross-sectioneel onderzoek. Het eerste longitudinale onderzoek betrof de ontwikkeling van probleemgedrag

Nadere informatie

NAH bij Kinderen en Jongeren. Dr. Eric Hermans

NAH bij Kinderen en Jongeren. Dr. Eric Hermans NAH bij Kinderen en Jongeren Dr. Eric Hermans Vilans Kennisinstituut voor de langdurende zorg (Vooral: gehandicaptenzorg, ouderenzorg, chronisch zieken) Ontwikkelen van vernieuwende, praktijkgerichte kennis

Nadere informatie

Leren/coachen van meisjes - Dingen om bij stil te staan

Leren/coachen van meisjes - Dingen om bij stil te staan De ontwikkeling van vrouwen en meisjes in het rugby heeft de afgelopen jaren flink aan momentum gewonnen en de beslissing om zowel heren als dames uit te laten komen op het sevenstoernooi van de Olympische

Nadere informatie

Verbinden vanuit diversiteit

Verbinden vanuit diversiteit Verbinden vanuit diversiteit Krachtgericht sociaal werk in een context van armoede en culturele diversiteit Studievoormiddag 6 juni 2014 Het verhaal van Ahmed Een zoektocht met vele partners Partners De

Nadere informatie

Omdat uit eerdere studies is gebleken dat de prevalentie, ontwikkeling en manifestatie van gedragsproblemen samenhangt met persoonskenmerken zoals

Omdat uit eerdere studies is gebleken dat de prevalentie, ontwikkeling en manifestatie van gedragsproblemen samenhangt met persoonskenmerken zoals Gedragsproblemen komen veel voor onder kinderen en adolescenten. Als deze problemen ernstig zijn en zich herhaaldelijk voordoen, kunnen ze een negatieve invloed hebben op het dagelijks functioneren van

Nadere informatie

Dr. Greta Noordenbos, Klinische Psychologie, Universiteit Leiden

Dr. Greta Noordenbos, Klinische Psychologie, Universiteit Leiden Na een vlotgeschreven en informatief eerste hoofdstuk van Els Verheyen waarin de belangrijkste kenmerken, gevolgen en behandelingen van eetstoornissen worden behandeld, gaat Karolien Selhorst uitvoerig

Nadere informatie

Aseksualiteit. ellen.vanhoudenhove@ugent.be

Aseksualiteit. ellen.vanhoudenhove@ugent.be ellen.vanhoudenhove@ugent.be Inhoud Wat is aseksualiteit? als seksuele oriëntatie? Kenmerken van aseksuele personen Identiteitsontwikkeling en coming-out Vooroordelen en moeilijkheden Hulpbehoefte Aseksuele

Nadere informatie

Ambulante begeleidingsdienst ZigZag

Ambulante begeleidingsdienst ZigZag Ambulante begeleidingsdienst ZigZag Gestichtstraat 4 9000 Gent 09/2401325 Ambulante begeleidingsdienst ZigZag Binnen ambulante begeleidingsdienst ZigZag onderscheiden wij twee types van ondersteuning in

Nadere informatie

INHOUD. Woord vooraf 11. Inleiding 15. Hoofdstuk 1: Orthopedagogische werkvelden in beweging: nieuwe uitdagingen vragen aangepaste antwoorden

INHOUD. Woord vooraf 11. Inleiding 15. Hoofdstuk 1: Orthopedagogische werkvelden in beweging: nieuwe uitdagingen vragen aangepaste antwoorden Woord vooraf 11 Inleiding 15 Hoofdstuk 1: Orthopedagogische werkvelden in beweging: nieuwe uitdagingen vragen aangepaste antwoorden 19 1. Inleiding 19 2. De organisatie van de zorg onder vuur 21 3. Het

Nadere informatie

Gedragenheid binnen de organisatie

Gedragenheid binnen de organisatie Gedragenheid binnen de organisatie Het inbedden van ICHV binnen een reguliere werking op voorwaarde dat deze als hefboom dient om de integrale werking te voorzien van een breed gedragen interculturalisering.

Nadere informatie

Geven en ontvangen van steun in de context van een chronische ziekte.

Geven en ontvangen van steun in de context van een chronische ziekte. Een chronische en progressieve aandoening zoals multiple sclerose (MS) heeft vaak grote consequenties voor het leven van patiënten en hun intieme partners. Naast het omgaan met de fysieke beperkingen van

Nadere informatie

RUZIE MET VRIENDEN, LIEFDESVERDRIET EN DE RELATIE TOT DE OUDERS AAN DE LIJN OF OP HET SCHERM BIJ AWEL.

RUZIE MET VRIENDEN, LIEFDESVERDRIET EN DE RELATIE TOT DE OUDERS AAN DE LIJN OF OP HET SCHERM BIJ AWEL. RUZIE MET VRIENDEN, LIEFDESVERDRIET EN DE RELATIE TOT DE OUDERS AAN DE LIJN OF OP HET SCHERM BIJ AWEL. HALLO Hallo. Ik ben een meisje van 12, mijn ouders zijn gescheiden en mijn moeder heeft nu een nieuwe

Nadere informatie

Marrit-10-H10 24-06-2008 11:05 Pagina 131. chapter 10 samenvatting

Marrit-10-H10 24-06-2008 11:05 Pagina 131. chapter 10 samenvatting Marrit-10-H10 24-06-2008 11:05 Pagina 131 chapter 10 samenvatting Marrit-10-H10 24-06-2008 11:05 Pagina 132 Marrit-10-H10 24-06-2008 11:05 Pagina 133 Zaadbalkanker wordt voornamelijk bij jonge mannen vastgesteld

Nadere informatie

Vraag 3 Bekijk scène 1, scène 2 en scène 3 nogmaals en lees de tekst De ontdekking.

Vraag 3 Bekijk scène 1, scène 2 en scène 3 nogmaals en lees de tekst De ontdekking. Feedbackvragen Casus Doortje Vraag 1 Lees de tekst De ontdekking en bekijk scène 2 en scène 3 nogmaals. Beantwoord daarna de vraag. Nemen de moeder en vader van Doortje voldoende afstand tot Doortje? a.

Nadere informatie

Liefde, relaties en seksualiteit 17 april Nieuwegein

Liefde, relaties en seksualiteit 17 april Nieuwegein Liefde, relaties en seksualiteit 17 april Nieuwegein Inhoud Wat is seksualiteit? Seksuele vorming in de school? Draagvlak bij school, ouders en leerlingen De rol van de leerkracht Vaardigheden van de leerkracht

Nadere informatie

De paradox van de burger als uitgangspunt

De paradox van de burger als uitgangspunt GEMEENTE WINTERSWIJK De paradox van de burger als uitgangspunt De dialoog als methodiek Rhea M. Vincent 1-11-2013 In het nieuwe zorgstelsel staat de vraag van de burger centraal. De professional en de

Nadere informatie

Methoden van het Wetenschappelijk Onderzoek: Deel II Vertaling pagina 83 97

Methoden van het Wetenschappelijk Onderzoek: Deel II Vertaling pagina 83 97 Wanneer gebruiken we kwalitatieve interviews? Kwalitatief interview = mogelijke methode om gegevens te verzamelen voor een reeks soorten van kwalitatief onderzoek Kwalitatief interview versus natuurlijk

Nadere informatie

Positie van meerzijdige partijdigheid als hulpverlener. Hilde Delameillieure Foton

Positie van meerzijdige partijdigheid als hulpverlener. Hilde Delameillieure Foton Positie van meerzijdige partijdigheid als hulpverlener Hilde Delameillieure Foton Begrip uit contextuele therapie Meerzijdige partijdigheid of meerzijdig gerichte partijdigheid, of veelzijdige partijdigheid

Nadere informatie

EMOTIONELE INTELLIGENTIE

EMOTIONELE INTELLIGENTIE EMOTIONELE INTELLIGENTIE drs. S. van den Eshof 1 SITUATIE Wat zijn emoties en welke invloed hebben ze op ons leven? Sommige mensen worden bestempeld als over-emotioneel, terwijl anderen van zichzelf vinden

Nadere informatie

Developmental Coordination Disorder. Miriam Verstegen Kinderrevalidatiearts

Developmental Coordination Disorder. Miriam Verstegen Kinderrevalidatiearts Developmental Coordination Disorder Miriam Verstegen Kinderrevalidatiearts 11-06-2015 Inhoud Developmental Coordination Disorder Criteria Kenmerken Comorbiditeiten Pathofysiologie Behandeling Prognose

Nadere informatie

Gewoon opvoeden in Groningen

Gewoon opvoeden in Groningen Gewoon opvoeden in Groningen Voorbeeld : gewoon opvoeden, alledaags opvoeden, alledaagse opvoedvragen Wat is dit? Start: Eigen voorbeeld geven. Voor iedereen verschillend, afhankelijk van de situatie van

Nadere informatie

Federaal Plan Armoedebestrijding. Reactie van BAPN vzw. Belgisch Platform tegen Armoede en Sociale Uitsluiting EU2020 30/11/2012

Federaal Plan Armoedebestrijding. Reactie van BAPN vzw. Belgisch Platform tegen Armoede en Sociale Uitsluiting EU2020 30/11/2012 Belgisch Platform tegen Armoede en Sociale Uitsluiting EU2020 30/11/2012 Federaal Plan Armoedebestrijding Reactie van BAPN vzw BAPN vzw Belgisch Netwerk Armoedebestrijding Vooruitgangstraat 333/6 1030

Nadere informatie

Het onderwijsprogramma van de opleidingen Pedagogiek mei 2013

Het onderwijsprogramma van de opleidingen Pedagogiek mei 2013 Bijlage 7: Het onderwijsprogramma van de opleidingen Pedagogiek mei 2013 Visie opleidingen Pedagogiek Hogeschool van Amsterdam Wij dragen als gemeenschap en daarom ieder van ons als individu, gezamenlijk

Nadere informatie

Gerechtelijke jeugdhulp, ervaringen en vragen van ouders. oudergroep Gent maart 2007

Gerechtelijke jeugdhulp, ervaringen en vragen van ouders. oudergroep Gent maart 2007 1 Vzw Roppov Martelaarslaan 212 9000 Gent tel 09/224.09.15 fax 09/233.35.89 e-mail info@roppov.be web www.roppov.be Gerechtelijke jeugdhulp, ervaringen en vragen van ouders. oudergroep Gent maart 2007

Nadere informatie

Nederlandse samenvatting

Nederlandse samenvatting Nederlandse samenvatting 134 Nederlandse samenvatting De inleiding van dit proefschrift beschrijft de noodzaak onderzoek te verrichten naar interpersoonlijk trauma en de gevolgen daarvan bij jongeren in

Nadere informatie

narratieve zorg Elder empowering the elderly

narratieve zorg Elder empowering the elderly narratieve zorg Elder empowering the elderly huisbezoek 1: KENNISMAKING - 2 - KENNISMAKING - huisbezoek 1- a kennismaking huisbezoek 1: KENNISMAKING a vertrouwelijkheid individueel in teamverband naar

Nadere informatie

tekst voor voorbereiding forum visie

tekst voor voorbereiding forum visie + Vlaams Netwerk van verenigingen waar armen het woord nemen vzw Aromagebouw / Vooruitgangstraat 323 bus 6 (3 de verdieping) / 1030 Brussel / tel. 02-204 06 50 / fax : 02-204 06 59 info@vlaams-netwerk-armoede.be

Nadere informatie

MEE Utrecht, Gooi & Vecht. Ondersteuning bij leven met een beperking. Omgaan met mensen met een licht verstandelijke beperking.

MEE Utrecht, Gooi & Vecht. Ondersteuning bij leven met een beperking. Omgaan met mensen met een licht verstandelijke beperking. MEE Utrecht, Gooi & Vecht Ondersteuning bij leven met een beperking Omgaan met mensen met een licht verstandelijke beperking Voor verwijzers Omgaan met mensen met een licht verstandelijke beperking Veel

Nadere informatie

Introductie Methoden Bevindingen

Introductie Methoden Bevindingen 2 Introductie De introductie van e-health in de gezondheidszorg neemt een vlucht, maar de baten worden onvoldoende benut. In de politieke en maatschappelijke discussie over de houdbaarheid van de gezondheidszorg

Nadere informatie

Kennisdeling in lerende netwerken

Kennisdeling in lerende netwerken Kennisdeling in lerende netwerken Managementsamenvatting Dit rapport presenteert een onderzoek naar kennisdeling. Kennis neemt in de samenleving een steeds belangrijker plaats in. Individuen en/of groepen

Nadere informatie

EASPD 02 februari 2011 Interdisciplinair werken en inclusie

EASPD 02 februari 2011 Interdisciplinair werken en inclusie EASPD 02 februari 2011 Interdisciplinair werken en inclusie Lectoraat Interdisciplinair werken Lector Hans Schuman Filmfragment Sterre Reflectie op Sterre Inter professionele, interdisciplinaire en interinstitutionele

Nadere informatie

Moederschap bij LVB cliënten Cordaan/Jeugd/Amsterdam. hebben het recht ouder te zijn.

Moederschap bij LVB cliënten Cordaan/Jeugd/Amsterdam. hebben het recht ouder te zijn. Moederschap bij LVB cliënten Cordaan/Jeugd/Amsterdam Mensen met een lichtverstandelijke beperking hebben het recht ouder te zijn. 1 Moederschap bij LVB cliënten Workshop Programma Stellingen Wie zijn wij?

Nadere informatie

Klinische behandelingen voor volwassenen met ASS

Klinische behandelingen voor volwassenen met ASS Klinische behandelingen voor volwassenen met ASS Bram Sizoo psychiater Jasper Wagteveld ervaringsdeskundige Centrum voor ontwikkelingsstoornissen Dimence cos@dimence.nl Disclosure belangen spreker (potentiële)

Nadere informatie

Inclusie van mensen met een verstandelijke beperking: Reële mogelijkheden zelfbepaling en participatie. Petri Embregts

Inclusie van mensen met een verstandelijke beperking: Reële mogelijkheden zelfbepaling en participatie. Petri Embregts Inclusie van mensen met een verstandelijke beperking: Reële mogelijkheden zelfbepaling en participatie Petri Embregts Participatie Geplande ratificatie VN verdrag voor rechten van mensen met beperking

Nadere informatie

Kansarme moeders en de eerste voedingskeuze voor hun kind. Rudy De Cock, Hannie Serlet en Sofie Mestdagh

Kansarme moeders en de eerste voedingskeuze voor hun kind. Rudy De Cock, Hannie Serlet en Sofie Mestdagh Kansarme moeders en de eerste voedingskeuze voor hun kind Rudy De Cock, Hannie Serlet en Sofie Mestdagh Opbouw workshop Schets van het project Aanleiding Doelgroep Doelstellingen Fasen Fase 1: vooronderzoek

Nadere informatie

BETEKENIS EN OORZAKEN VAN EETSTOORNISSEN: OPVATTINGEN VAN PATIËNTEN EN HUN OUDERS

BETEKENIS EN OORZAKEN VAN EETSTOORNISSEN: OPVATTINGEN VAN PATIËNTEN EN HUN OUDERS BETEKENIS EN RZAKEN VAN EETSTRNISSEN: VATTINGEN VAN ATIËNTEN EN HUN UDERS Walter Vandereycken & Dafne Bollen In de onderzoeksliteratuur blijkt er de laatste jaren wel een groeiende belangstelling voor

Nadere informatie

Lezing, 10 december 2004. Relatie tussen sociaal isolement en psychiatrische ziekte

Lezing, 10 december 2004. Relatie tussen sociaal isolement en psychiatrische ziekte Lezing, 10 december 2004 Relatie tussen sociaal isolement en psychiatrische ziekte Dr. Ludwien Meeuwesen, Sociaal psychologe verbonden aan de Universiteit Utrecht, Afdeling Algemene Sociale Wetenschappen,

Nadere informatie

Seksuele vorming en seksuele ontwikkeling van kinderen. Marianne Cense (Rutgers WPF) & Jos Poelman (Soa Aids Nederland)

Seksuele vorming en seksuele ontwikkeling van kinderen. Marianne Cense (Rutgers WPF) & Jos Poelman (Soa Aids Nederland) Seksuele vorming en seksuele ontwikkeling van kinderen Marianne Cense (Rutgers WPF) & Jos Poelman (Soa Aids Nederland) Programma 1. Seksuele ontwikkeling van kinderen en jongeren 2. Criteria om normaal

Nadere informatie

Samenvatting (summary in Dutch)

Samenvatting (summary in Dutch) Samenvatting (summary in Dutch) 149 Samenvatting (summary in Dutch) Één van de meest voorkomende en slopende ziektes is depressie. De impact op het dagelijks functioneren en op de samenleving is enorm,

Nadere informatie

Criminele meisjes: Specifieke zorg en aandacht of niet?

Criminele meisjes: Specifieke zorg en aandacht of niet? Stijging criminaliteit meisjes Criminele meisjes: Specifieke zorg en aandacht of niet? Anne-Marie Slotboom Vrije Universiteit Amsterdam 1 BRISBANE 2010 - Steeds meer jonge meisjes tussen tien en veertien

Nadere informatie

Effectieve samenwerking met ketenpartners

Effectieve samenwerking met ketenpartners Nieuwe inzichten Huiselijk geweld is een veiligheidsprobleem Grote omvang en veel verschijningsvormen Zorgwekkende stapeling van problemen Van opvang naar aanpak Geweldspiraal en overdacht tussen generaties

Nadere informatie

Het effect van doelstellingen

Het effect van doelstellingen Het effect van doelstellingen Inleiding Goalsetting of het stellen van doelen is een van de meest populaire motivatietechnieken om de prestatie te bevorderen. In eerste instantie werd er vooral onderzoek

Nadere informatie

doordat er op dat moment geen leeftijdsgenootjes aanwezig zijn. Als ze iets mochten veranderen gaven ze aan dat de meeste kinderen iets aan de

doordat er op dat moment geen leeftijdsgenootjes aanwezig zijn. Als ze iets mochten veranderen gaven ze aan dat de meeste kinderen iets aan de SAMENVATTING Er is onderzoek gedaan naar de manier waarop kinderen van 6 8 jaar het best kunnen worden geïnterviewd over hun mening van de buitenschoolse opvang (BSO). Om hier antwoord op te kunnen geven,

Nadere informatie

Au-tomutilatie. Een groot probleem, een grote uitdaging. Carmen van Bussel Orthopedagoog/GZ-psycholoog

Au-tomutilatie. Een groot probleem, een grote uitdaging. Carmen van Bussel Orthopedagoog/GZ-psycholoog Au-tomutilatie Een groot probleem, een grote uitdaging Carmen van Bussel Orthopedagoog/GZ-psycholoog Inhoud Waarom verwonden cliënten zichzelf? Handelingsverlegenheid en machteloosheid bij begeleiders

Nadere informatie

Hoofdstuk 4 Hoofdstuk 5

Hoofdstuk 4 Hoofdstuk 5 Hoofdstuk 1 Algemene inleiding De algemene inleiding beschrijft de context en de doelen van de huidige studie. Prenatale screening op aangeboren afwijkingen wordt sinds 2007 in Nederland aan alle zwangere

Nadere informatie

Wetenschap en praktijk: door co-creatie verbonden. Petri Embregts

Wetenschap en praktijk: door co-creatie verbonden. Petri Embregts Wetenschap en praktijk: door co-creatie verbonden Petri Embregts 11 april 2013 Kwaliteit van zorg- en hulpverlening vindt in de meest wezenlijke vorm plaats in een betekenisvolle relatie tussen de cliënt

Nadere informatie

Van gunsten naar rechten voor leerlingen met beperkingen. Het VN-Verdrag over de rechten van personen met een handicap en onderwijs

Van gunsten naar rechten voor leerlingen met beperkingen. Het VN-Verdrag over de rechten van personen met een handicap en onderwijs Van gunsten naar rechten voor leerlingen met beperkingen Het VN-Verdrag over de rechten van personen met een handicap en onderwijs Feiten New York 13 december 2006 Verdrag + Optioneel Protocol (rechtsbescherming)

Nadere informatie

Competenties verbonden aan het ComPas

Competenties verbonden aan het ComPas Competenties verbonden aan het ComPas 5 kerncompetenties en 8 erg waardevol competenties 1. Kunnen samenwerken... 2 2. Contactvaardig zijn... 3 3. Inlevingsvermogen/empathie bezitten... 4 4. Zelfreflectie...

Nadere informatie

Manifest voor vrijheid, gelijkheid en menselijkheid Een modern pleidooi met een knipoog naar de Franse revolutie

Manifest voor vrijheid, gelijkheid en menselijkheid Een modern pleidooi met een knipoog naar de Franse revolutie Manifest voor vrijheid, gelijkheid en menselijkheid Een modern pleidooi met een knipoog naar de Franse revolutie Wij staan op! 16 mei 2015 1 Inleiding Wij staan op! is een beweging van jongvolwassenen

Nadere informatie

De geestelijke gezondheidszorg als complex adaptief systeem. Anja Declercq

De geestelijke gezondheidszorg als complex adaptief systeem. Anja Declercq De geestelijke gezondheidszorg als complex adaptief systeem Anja Declercq Inhoud 1. Wat zijn complexe adaptieve systemen? 2. Waarom zou dat toepasbaar zijn op de geestelijke gezondheidszorg? 2 Chaos en

Nadere informatie

Seksualiteit en ASS. Presentatie symposium pleegzorg 19 juni 2014. presentatie symposium pleegzorg

Seksualiteit en ASS. Presentatie symposium pleegzorg 19 juni 2014. presentatie symposium pleegzorg Seksualiteit en ASS Presentatie symposium pleegzorg 19 juni 2014 programma Opfrissen van informatie over ASS (heel kort het spectrum toelichten). ASS en seksualiteit belichten. Seksuele en relationele

Nadere informatie

Een Eigen Gezicht. Een onderzoek naar stigmatisering, sociale steun en eenzaamheid bij mensen met een gezichtsafwijking. Door Maaike van Dam

Een Eigen Gezicht. Een onderzoek naar stigmatisering, sociale steun en eenzaamheid bij mensen met een gezichtsafwijking. Door Maaike van Dam Een Eigen Gezicht Een onderzoek naar stigmatisering, sociale steun en eenzaamheid bij mensen met een gezichtsafwijking Door Maaike van Dam Rijksuniversiteit Groningen Wetenschapswinkel Geneeskunde en Volksgezondheid

Nadere informatie

Inhoud van de presentatie

Inhoud van de presentatie De overgang van het basis- naar het secundair onderwijs vanuit ontwikkelingspsychologisch perspectief Annelies Somers i.s.m. Prof. Hilde Colpin Prof. Karine Verschueren ~ Centrum voor Schoolpsychologie

Nadere informatie

Jaargang 2 nummer 1 16 dec 2010

Jaargang 2 nummer 1 16 dec 2010 Jaargang 2 nummer 1 16 dec 2010 Inhoudsopgave: Inleiding Minisymposium LVG en Verslaving De belangrijkste problemen volgens hulpverleners De ervaringen van cliënten De ervaringen van verwanten Vervolgstappen

Nadere informatie

Richtlijn JGZ-richtlijn Seksuele ontwikkeling

Richtlijn JGZ-richtlijn Seksuele ontwikkeling Richtlijn JGZ-richtlijn Seksuele ontwikkeling 5. Determinanten van seksuele gezondheid-aanbevelingen Om kinderen en jongeren te kunnen ondersteunen in hun seksuele ontwikkeling is het van belang om de

Nadere informatie

Verstandelijke beperkingen

Verstandelijke beperkingen 11 2 Verstandelijke beperkingen 2.1 Definitie 12 2.1.1 Denken 12 2.1.2 Vaardigheden 12 2.1.3 Vroegtijdig en levenslang aanwezig 13 2.2 Enkele belangrijke overwegingen 13 2.3 Ernst van verstandelijke beperking

Nadere informatie

Als niet alleen de ziekte zich kwaadaardig toont. Frustraties van de partner. Dr AC Brouwer-Dudok de Wit, klin psycholoog/psychotherapeut

Als niet alleen de ziekte zich kwaadaardig toont. Frustraties van de partner. Dr AC Brouwer-Dudok de Wit, klin psycholoog/psychotherapeut Als niet alleen de ziekte zich kwaadaardig toont. Frustraties van de partner Dr AC Brouwer-Dudok de Wit, klin psycholoog/psychotherapeut De komende 3 kwartier Wie staat er tegenover jullie? Op welke vragen

Nadere informatie

Het Brugse Model de flow chart

Het Brugse Model de flow chart Het Brugse Model de flow chart De flowchart is een nuttig instrument dat in de eerste plaats ontwikkeld werd om te gebruiken in een therapeutische situatie. Uiteraard kan je dit ook gebruiken tijdens een

Nadere informatie

Onderzoeksopzet. Marktonderzoek Klantbeleving

Onderzoeksopzet. Marktonderzoek Klantbeleving Onderzoeksopzet Marktonderzoek Klantbeleving Utrecht, september 2009 1. Inleiding De beleving van de klant ten opzichte van dienstverlening wordt een steeds belangrijker onderwerp in het ontwikkelen van

Nadere informatie

Scheiding en kinderen

Scheiding en kinderen Scheiding en kinderen Dat ik van mijn vader hou, Doet moeder soms verdriet En dat ik van mijn moeder hou Dat weet mijn vader niet. Zo draag ik mijn geheimen mee En loop van hier naar daar. Nog altijd hou

Nadere informatie

VK+ Zelfrapportage. Vragenlijst over veerkracht. Henk Smit

VK+ Zelfrapportage. Vragenlijst over veerkracht. Henk Smit VK+ Zelfrapportage Vragenlijst over veerkracht ID 255-17 Datum 26.05.2015 VK+ Inleiding 2 / 9 INLEIDING De VK+ is een vragenlijst die op basis van zelfrapportage de mentale veerkracht van volwassenen in

Nadere informatie

Opvoeden in andere culturen

Opvoeden in andere culturen Opvoeden in andere culturen Bevorderen en versterken: competenties vergroten Een betere leven DVD 1 Bevolkingsgroepen aantal Allochtoon3.287.706 Autochtoon13.198.081 Europese Unie (exclusief autochtoon)877.552

Nadere informatie

koppel geboorte Familie bemiddeling huwelijk uit elkaar gaan scheiding wettelijk samenwonen opvang voor kinderen zwangerschap

koppel geboorte Familie bemiddeling huwelijk uit elkaar gaan scheiding wettelijk samenwonen opvang voor kinderen zwangerschap uit elkaar gaan huwelijk geboorte wettelijk samenwonen bemiddeling opvang voor kinderen koppel zwangerschap scheiding Familie We wonen samen maar willen niet trouwen. Kan dat? Ja. In België leven vele

Nadere informatie

Methodisch werken binnen Lang Verblijf. woonzorg en dagbesteding

Methodisch werken binnen Lang Verblijf. woonzorg en dagbesteding Methodisch werken binnen Lang Verblijf woonzorg en dagbesteding 1 Inhoudsopgave 1. Inleiding 3 2. Gentle Teaching 4 Middelen 5 Voor wie is Gentle Teaching? 5 3. Competentievergrotend werken 6 Middelen

Nadere informatie

Triple P (Positive Parenting Program): effectief bij gedragsproblemen?

Triple P (Positive Parenting Program): effectief bij gedragsproblemen? 21/11/11 Triple P (Positive Parenting Program): effectief bij gedragsproblemen? Inge Glazemakers Dirk Deboutte Inhoud Het probleem Oplossingen: de theorie Triple P Het project De eerste evaluatie - - -

Nadere informatie

De rechten van het kind als moreel, juridisch en politiek kompas voor de verhouding tussen kinderen, ouders en overheid

De rechten van het kind als moreel, juridisch en politiek kompas voor de verhouding tussen kinderen, ouders en overheid De rechten van het kind als moreel, juridisch en politiek kompas voor de verhouding tussen kinderen, ouders en overheid Jan Willems Maastricht 31 mei 2005 Het voor alle kinderen in de wereld na te streven

Nadere informatie