UNIVERSITEIT GENT FACULTEIT ECONOMIE EN BEDRIJFSKUNDE

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "UNIVERSITEIT GENT FACULTEIT ECONOMIE EN BEDRIJFSKUNDE"

Transcriptie

1 UNIVERSITEIT GENT FACULTEIT ECONOMIE EN BEDRIJFSKUNDE ACADEMIEJAAR Analyse van de boekhouding van een adellijke familie van 1750 tot De boekhouding van de hertogen van Arenberg Masterproef voorgedragen tot het bekomen van de graad van Master of Science in de Bedrijfseconomie Sander Berghmans onder leiding van Prof. Dr. Ignace De Beelde

2

3 UNIVERSITEIT GENT FACULTEIT ECONOMIE EN BEDRIJFSKUNDE ACADEMIEJAAR Analyse van de boekhouding van een adellijke familie van 1750 tot De boekhouding van de hertogen van Arenberg Masterproef voorgedragen tot het bekomen van de graad van Master of Science in de Bedrijfseconomie Sander Berghmans onder leiding van Prof. Dr. Ignace De Beelde

4 PERMISSION Ondergetekende verklaart dat de inhoud van deze masterproef mag geraadpleegd en/of gereproduceerd worden, mits bronvermelding. Sander Berghmans

5 Dankwoord Alvorens deze thesis aan te vatten, wil ik nog enkele mensen bedanken die mij geholpen hebben bij de totstandkoming van deze thesis. Eerst en vooral zou ik professor Ignace De Beelde willen bedanken voor het begeleiden van deze verhandeling. Zonder zijn hulp en aansporingen was er van deze thesis nooit sprake geweest. Ook zijn assistent, Xavier Walthoff-Borm, die mij hielp met de afwerking van deze verhandeling, wil ik bij deze bedanken. Uiteraard wil ik mijn dank uitspreken aan mijn ouders, grootvader en broers. Met het nalezen van dit werkstuk, hun raad en hun niet aflatende steun vervulden zij een belangrijke rol in het succesvol afronden van deze proef en mijn studies in het algemeen. Daarnaast mag ik ook de werknemers van het algemeen rijksarchief te Brussel en het Arenbergarchief te Edingen niet vergeten. Zij waren steeds bereid om mij te helpen zoeken naar het archiefmateriaal Tenslotte zou ik ook professor Erik Thoen van de vakgroep geschiedenis willen bedanken. Dankzij zijn hulp bij mijn verhandeling vorig jaar, groeide mijn interesse voor interdisciplinair onderzoek. I

6 Inhoudsopgave Dankwoord... I Gebruikte afkortingen... V Lijst van figuren... VI 1. Introductie Inleiding Vraagstelling Bronnen, methode en onderzoeksperiode Bronnen en methode Onderzoeksperiode Basisbegrippen De plaats van de boekhouding in de 18de en de 19de eeuw Enkel en dubbelboekhoudsysteem Enkel versus dubbelboekhoudsysteem De hybride boekhouding Management of financiële accounting De organisatie van de administratie De centrale administratie De rentmeesters Overige medewerkers De boekhouding van de hertogen van Arenberg in de periode 1750 tot Historische achtergrond De boekhouding van de centrale administratie De centrale administratie De boekhoudkundige documenten De boekhouding van de heerlijkheden en landerijen De hertogen en hun rentmeesters De rol van de rentmeester II

7 De rentmeesterboekhouding Conclusie voor de eerste onderzoeksperiode De boekhouding van de hertogen van Arenberg in de periode Historische achtergrond Doorbraak industrialisering en haar invloed op het boekhouden De boekhouding van de centrale administratie De centrale administratie De boekhoudkundige documenten De boekhouding van de landerijen De rentmeester De rentmeesterboekhouding Conclusie voor de tweede onderzoeksperiode De boekhouding van de hertogen van Arenberg in de periode Historische achtergrond De boekhouding van de centrale administratie De centrale administratie De boekhoudkundige documenten De boekhouding van de landerijen De rentmeesters De boekhoudkundige documenten van de rentmeesters Waarom geen organisatie in een vennootschap? Conclusie voor de derde onderzoeksperiode Het onderzoek getoetst aan het Weberiaanse rationaliteitconcept en de kapitalistische mentaliteitsthese van Bryer Het Weberiaanse rationaliteitsconcept De mentaliteitsthese van Bryer Conclusie Bronnenopgave... I III

8 9. Literatuuropgave... VIII 10. Bijlagen... XIV IV

9 Gebruikte afkortingen AAE: Arenberg archief Edingen AF: Arenbergfonds ARA: Algemeen Rijksarchief Brussel K&P: Kaarten en Plannen V

10 Lijst van figuren Afbeelding 1: Schema van de incorporatie van de diverse boekhoudkundige documenten bij de centrale administratie voor Afbeelding 2: Schema van de rapporteringverplichtingen bij het beheer van de activa van de hertogen van Arenberg (2 de helft 18 de eeuw).30 Afbeelding 3: Schema van de geldstromen bij het beheer van de activa van de hertogen van Arenberg (2 de helft 18 de eeuw) 31 Afbeelding 4: Schema van de incorporatie van de diverse boekhoudkundige documenten bij de centrale administratie na Afbeelding 5: Schema van de rapporteringverplichtingen bij het beheer van de activa van de hertogen van Arenberg omstreeks Afbeelding 6: Schema van de geldstromen bij het beheer van de activa van de hertogen van Arenberg omstreeks VI

11 1. Introductie 1.1. Inleiding Sedert eeuwen leggen boekhoudingen de transacties van bedrijven, organisaties en individuen vast. Een degelijke boekhouding wist en weet hierbij zowel de diverse activiteiten van een organisatie weer te geven als inzicht te verschaffen in het totaalplaatje (Michelsen, 1867). Hoewel deze info uiteraard bestemd was voor tijdgenoten, bieden historische boekhoudingen ook vandaag nog dezelfde voordelen. Want, wanneer een dergelijke boekhouding de tand des tijds overleefd heeft, kan deze vandaag bijdragen aan het onderzoek naar een breed scala van (historische) onderwerpen. Niet in het minste aan de studie van de boekhoudkundige structuren en technieken van de bewuste organisatie (Scorgie, 1997). Deze studie heeft daarom als doel een bijdrage te leveren aan de geschiedenis van de accounting, door middel van de analyse van de boekhouding van de hertogen van Arenberg binnen de periode We kozen specifiek voor deze grote adellijke familie, aangezien de boekhouding van de adel doorgaans een verwaarloosd studieobject is binnen een periode van industrialisering en opkomend kapitalisme. Industriële bedrijven, vormden namelijk de basis van boekhoudkundige vernieuwing (Boyns, Edwards en Nikitin, 2013). Deze vernieuwingen trekken wetenschappers aan en zouden reeds in de 19 de eeuw de grondslag van academische discussies vormen. Dit ten nadele van iets minder vooruitstrevende boekhoudingen (Johnson en Kaplan, 1987). Wanneer men dan vandaag onderzoek doet naar de boekhouding van adellijke families in de 18 de, 19 de en 20 ste eeuw, vindt men dus betrekkelijk weinig literatuur terug (Camfferman, 1997). Meestal wordt de boekhouding van de adel slechts sporadisch vermeld en beschouwt men hun boekhouding vooral als één die achterliep op deze van de industriëlen en handelaars (Britnell, 1993). Achterliepen is misschien een verkeerd woord, maar de studie van Backhaus (1888) zou inderdaad aantonen dat bijvoorbeeld de graven van Stolberg, een vrij eenvoudige (kas)boekhouding bijhielden. Een boekhouding die gedurende de 19 de eeuw slechts een beperkt aantal veranderingen had doorgemaakt. Ook Mee (1975), zou gelijkaardige conclusies trekken voor de landgoederen van de graaf van Fitzwilliam in Engeland. Hainsworth (1992), legde op zijn beurt het belang en de rol van de rentmeester binnen het adellijke patrimonium omstandig uit. Ook Turzińsky (2011), toonde het belang van de rentmeester aan; hij focuste echter meer op de rol van de boekhoudkundige documenten die de rentmeester produceerde. Omtrent de hertogelijke familie van Arenberg vinden we dan weer meer literatuur. Wegens het feit dat hun archieven (grotendeels) toegankelijk zijn, zijn er reeds diverse werken over de familie voorhanden. Zo beschreef Tytgat (2002), de opbouw en taken van de centrale administratie van de hertog in Brussel en Edingen. Neu (2001), zou met zijn boekenreeks een gigantische bijdrage leveren aan de geschiedschrijving omtrent de bezittingen van de hertogen in Duitsland. Tallier (2006) tenslotte 1

12 focust in zijn artikel op het belang van de bosbouw voor de hertogen. Samen met reeds eigen gevoerd onderzoek omtrent de rentmeesters (Berghmans, 2013; Berghmans en De Vijlder, 2014), vormt dit een solide basis om het beheer en haar structuren te begrijpen. De link met de boekhoudkundige technieken en structuur bleef echter tot op heden onderbelicht, hoewel de verhouding tussen het beheer en boekhouden, door veel auteurs zoals Oschinksy (1971), Scorgie (1997) of Turzińsky (2011) als logisch gezien werd. De kernvraag die we ons in deze thesis dan ook zullen stellen is hoe de boekhouding van de hertogen van Arenberg doorheen de periode evolueerde en waar de oorzaken voor deze veranderingen lagen. In dit kader, werd dan ook zoveel mogelijk boekhoudkundig bronmateriaal van de hertog en zijn administratie opgezocht. Vervolgens werd dit bronmateriaal geanalyseerd om daarna getoetst te worden aan de reeds bestaande literatuur. Deze combinatie van geschiedenis en accounting houdt in dat deze thesis in zekere mate als een interdisciplinair onderzoek gezien kan worden. Dit indachtig zal er vrij veel belang gehecht worden aan de uitleg van diverse begrippen, opdat zowel mensen met een (bedrijfs)economische, als geschiedkundige achtergrond het onderzoek kunnen begrijpen en kaderen. Met deze thesis beogen we dan ook twee zaken. Ten eerste willen we een houvast bieden aan vorsers, die een onderzoek willen voeren naar de archieven van de hertogen van Arenberg en hiervoor met boekhoudkundige bronnen in aanraking komen. Daarnaast wensen we ook een bijdrage te leveren aan de discussies omtrent de geschiedenis van het boekhouden in het algemeen en deze van boekhoudingen van grote adellijke families in het bijzonder. 2

13 1.2. Vraagstelling Uiteraard is het onmogelijk om een degelijk onderzoek te voeren zonder een duidelijke vraagstelling. Concreet betekent dit dat onze thesis zal draaien rond de vraag: Hoe evolueerde de boekhouding van de hertogen van Arenberg in de periode en waar lagen de mogelijke oorzaken van deze evolutie? Deze verhandeling zal zich daarmee in de eerste plaats richten op de evolutie van de boekhoudkundige technieken, structuren en rapporteringmethodes die gebruikt werden binnen de administratie van de hertogen van Arenberg tussen 1750 en Het is dus geenszins de bedoeling om bijvoorbeeld weer te geven hoeveel de hertogen verdienden of een gedetailleerde en exhaustieve lijst op te maken van al hun bezittingen doorheen de jaren. Toch is het onwenselijk om het onderzoek uitsluitend op de boekhoud technische aspecten te richten. Hoewel de boekhouding centraal staat in deze verhandeling, zullen we regelmatig connecties zoeken met o.a. beheersstructuren, wetenschappelijke evoluties, adelgeschiedenis, economische geschiedenis,. Het zou, naar onze mening, tekort doen aan de rijkdom en het potentieel van een boekhouding om ze louter als een geïsoleerd onderwerp te bestuderen. Daarom zullen we ook vaak terugkoppelen naar het geheel van de boekhoudkundige vernieuwingen. De voornaamste vraag die omtrent dit probleem gesteld zal worden is of de boekhouding doorheen de onderzoeksperiode sterk afweek van wat de handboeken uit die tijd predikten, of dat ze zich schikten en mee evolueerden. Met andere woorden: hinkte de boekhouding van de hertogen van Arenberg achterop of was ze juist een voortrekker? Had dit gevolgen voor het beheer, of moest men daarentegen de oorzaak van de evolutie in het beheer of ergens anders gaan zoeken? Een ander element dat nadrukkelijk naar voor zal komen bij het oplossen van onze onderzoeksvraag, is de dichotomie tussen de centrale administratie enerzijds en de rentmeesters anderzijds. Hier zal gekeken worden in welke mate de boekhoudingen en beheersstructuren op elkaar aansloten en of er eventueel agency-problemen aanwezig waren. Tenslotte zullen we onze onderzoeksresultaten toetsen aan Webers idee omtrent rationaliteit en de Bryers marxistische mentaliteitsthese. Hiermee willen we aantonen dat we met de antwoorden op onze onderzoeksvraag een wezenlijke bijdrage kunnen leveren aan bredere wetenschappelijke discussies. 3

14 1.3. Bronnen, methode en onderzoeksperiode Bronnen en methode We schrijven het jaar 1918, het Duitse Keizerrijk delft het onderspit in Wereldoorlog I. Een vloedgolf aan anti-duitse gevoelens overspoelde België, waardoor diverse Duitse onderdanen ten prooi vielen aan een sekwester. Ook een groot deel van de bezittingen van de belangrijke hertogelijke familie van Arenberg viel dit lot te beurt. Niet alleen gronden, kastelen, werden verkocht of overgenomen door de Belgische staat, ook een deel van het archiefmateriaal werd ondergebracht in de rijksarchieven (Triest en Van Poucke, 2013). Het gros hiervan zou uiteindelijk terecht komen in het Algemeen Rijksarchief te Brussel, hoewel nog een deel terug te vinden is in het Arenbergarchief te Edingen. 1 Voor dit onderzoek werden dan ook zeer uiteenlopende bronnen gebruikt. De ruggengraat werd echter gevormd door de boekhouding van de centrale administratie. Vooral de rekeningen van de algemene kas en de diverse journalen bleken van onschatbare waarde. Vanaf dit punt zakten we af naar de overige documenten die de informatie leverden aan de centrale administratie. We hebben het hier dan over betaalbewijzen, domeinrekeningen, registers, aandeelbewijzen, richtlijnen, kladboeken, brieven in verschillende maten en vormen. Elk van deze teruggevonden bronnen werd onderworpen aan een kritisch onderzoek, zodat niet alleen de gebruikte technieken aan het licht kwamen, maar ook de gelieerde personages en documenten bekend werden. De boekhoudhoudingen van bedrijven, banken, waarin de hertogen in investeerden zullen echter niet behandeld worden. Op deze boekhoudingen hadden de hertogen en zijn administratie namelijk weinig tot geen impact, los van het feit dat het niet eens medewerkers van de hertogen waren die ze opstelden. Dit wil niet zeggen dat al deze bronnen even goed toegankelijk waren. Zo vormde het gebrek aan een inventaris voor het Arenbergfonds in het Algemeen Rijksarchief te Brussel een stevige hindernis bij het zoeken. Dit betekent dat er geen duidelijke beschrijving bestaat van alle bronnen die aanwezig zijn in het Algemeen Rijksarchief. Daarnaast moet men er van bewust zijn dat veel materiaal verloren kan zijn gegaan. Echter, aan de hand van verwijzingen en reconstructies, gebaseerd op gelijkaardige bronnen in een eerdere of latere periode, hebben we geprobeerd deze gaten in het archiefmateriaal op te vullen. Op deze manier hebben we gepoogd een overzichtelijk beeld te reconstrueren van de boekhoudkundige technieken en structuren, opdat we een zo helder mogelijk antwoord konden formuleren op de gestelde vragen. Tenslotte nog een klein woordje over de bronvermelding van de archiefstukken. In deze verhandeling zal bij de bronvermelding steevast begonnen worden met de naam van het archief met daarna, eventueel het fonds, om tenslotte te eindigen met het archiefnummer. Indien er meerdere stukken 1 Bijkomend, evenwel minder belangrijk bronnenmateriaal, kan nog teruggevonden worden in lokale en buitenlandse archieven (Neu, 2001c). 4

15 eenzelfde nummer hebben, zal daarna tussen haakjes het begin van de naam van het archiefstuk meegedeeld worden. Hierdoor kan men de archiefstukken eenvoudig opzoeken in de bronnenopgave Onderzoeksperiode Uiteraard nauw verbonden met ons onderwerp is de onderzoeksperiode Zoals reeds eerder vermeld is, zal onze onderzoeksperiode lopen van het jaar 1750 tot 1914; een keuze die enigszins apart genoemd kan worden. Want doorgaans stoppen de onderzoeken met betrekking tot adellijke boekhoudingen op het einde van het ancien regime. Dit heeft vooral te maken met de minder belangrijke rol die de adel vervulde op het politieke toneel (Perry et al., 2009). Anderzijds bleef de adel in de vroegmoderne tijd ook vasthouden aan haar grondbezit, een onderdeel van de economie dat, omwille van de toenemende industrialisatie, aan belang verloor. Dit neemt niet weg dat diverse adellijke families (Perry et al. 2009), waaronder de Arenbergs, inspeelden op de opportuniteiten van de opkomende secundaire sector (Neu, 2001c). Juist omdat dit verhaal naar de achtergrond verdrongen wordt, ten voordele van de boekhoudingen en beheersstructuren van de industriëlen, hebben we deze periode uitgekozen. Concreet betekent dit dat we beginnen met de boekhouding op het einde van de 18 de eeuw, omwille van haar klassieke karakter en van haar aansluiting met de reeds bestaande literatuur. Het eerste deel eindigt in het jaar 1803; het jaar dat het hertogdom Arenberg-Meppen opgericht werd die de hertog zou verzekeren van ongeveer 70 jaar (semi)-soevereine rechten en bijhorende structuren (Neu, 2001c). 2 Tegelijkertijd verloor de hertog ook veel van zijn macht in zijn Belgische en Franse bezittingen (Tallier, 2006). De toename aan macht zou dan ook resulteren in bijkomende controlesystemen voor de Duitse domeinen (Neu, 2001c) De tweede periode, beginnende in 1804, zal eindigen in het jaar In dat jaar sloot hertog Engelbert August een belangrijke fideï-commis verdrag met Pruisen. Hiermee wist de hertog zijn nalatenschap in het Rijnland en Westfalen te vrijwaren van versnippering. Deze belangrijke beslissing luidde dan ook het begin in van een toenemende focus op het voornoemde Rijnland en Westfalen, die op dat moment onder controle van de Pruisische koning stonden (Goujon, 2010). De onderzoeksperiode eindigt tenslotte aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog, omwille van het feit dat deze oorlog voor diverse problemen binnen de hertogelijke administratie zou zorgen en uiteindelijk zelf zou uitmonden in een sekwester. Met dit sekwester eindigde de belangrijke rol, die de hertogen van Arenberg gedurende eeuwen in onze gewesten vervuld hadden (Triest en Van Poucke, 2013). 2 Het behoud van rechten in de Duitse gebieden zou er mede voor zorgen dat de hertogen later veel in de mijnbouw konden investeren. In diverse domeinen in het Rijngebied hadden ze namelijk het bezit van de mijnbouwrechten (Goujon, 2010). 5

16 Het kan misschien vreemd lijken dat de keuzes voor de periodegrenzen eerder door beheers- en beleidsveranderingen bepaald worden, dan door de veranderingen binnen de boekhoudkundige documenten. Echter doordat deze, zoals we verder zullen zien, vrij geleidelijk verliepen, zou het moeilijk zijn geweest om aan de hand hiervan periodes af te bakenen. 6

17 2. Basisbegrippen Alvorens aan het onderzoek te beginnen is het belangrijk om enkele concepten te duiden en kaders te schetsen. Zo kunnen ook lezers die minder vertrouwd zijn met boekhoudkundige begrippen en discussies of de geschiedenis en opbouw van de administratie van de hertogen van Arenberg, deze thesis aanvatten De plaats van de boekhouding in de 18de en de 19de eeuw Boekhoudingen namen in het verleden niet de plaats in, die ze heden ten dage in nemen. Een belangrijk verschil is dat deze niet zo sterk gereguleerd werden vanuit de staat. Er waren geen duidelijke regels over wat wel en niet in een boekhouding moest staan en bedrijven zouden sowieso niet echt gecontroleerd en gereguleerd worden door de 18 de en 19 de eeuwse staat (Hannes, 1995). Mede door het gebrek aan duidelijke regels, maar ook door een veelvoud aan ideeën over het boekhouden, is het onmogelijk om een archetypische boekhouding voor het ancien regime te definiëren. Pas vanaf de jaren 60 van de negentiende eeuw werd de leer van het boekhouden steeds meer verwetenschappelijkt (Vlaemminck, 1956). Hoewel men vanaf dan een zekere homogenisering van de boekhoudtechnieken kon waarnemen, mag dit zeker niet overschat worden. Zelfs heden ten dage kunnen we nog niet spreken van een perfect homogeen boekhoudsysteem (Ding, Lebas en Stolowy, 2013). Hoewel het dus niet verplicht was, was het bijhouden van boekhoudingen echter wel een wijdverspreid gegeven binnen de maatschappij. Koopmannen, kloosters, (grote) boeren, koningen, allen hielden wel een soort van boekhouding bij. Toch hadden deze groepen nooit echt precies dezelfde doelstellingen, gewoontes en technieken. Zelfs binnen deze groepen waren er geen eenduidige standaarden. Dit resulteerde in een amalgaam aan systemen en technieken, waarbij het dubbel en enkelboekhoudsysteem de meest belangrijke en besproken tweedeling vormde (Turzińsky, 2011; Napier, 1998) Enkel en dubbelboekhoudsysteem Enkel versus dubbelboekhoudsysteem Het is onmogelijk om over de geschiedenis van het boekhouden te schrijven, zonder de dichotomie van het enkel en het dubbelboekhoudsysteem te bespreken. Vanaf het moment dat het dubbelboekhoudsysteem in de middeleeuwen ontwikkeld werd, gingen de voor- en tegenstanders een eindeloze discussie voeren over welk systeem nu het betere was. Beide systemen hadden namelijk elk hun eigen voordelen en nadelen. Het grote verschil tussen beide was dat het enkele of enkelvoudig 7

18 boekhoudsysteem gebruik maakte van slechts één notering van transacties. Daar waar men bij een dubbelboekhoudsysteem elke transactie (minstens) twee maal ging neerschrijven; eenmaal aan de creditzijde en een tweede maal aan de debitzijde (Hanaford en Payson, 1867). Typisch voor de enkelvoudige boekhouding was dat deze dan ook (praktisch) altijd benut werd bij de opmaak van een kasboekhouding. Hierdoor is het in feite onmogelijk om een overzicht te krijgen op de winst of het verlies van de boekhoudkundige eenheid. Dit wordt veroorzaakt door het feit dat men een deel van de transacties niet gaat weergeven. Ook is een enkelvoudige boekhouding vrij foutgevoelig en is het zeer moeilijk om een correct overzicht te krijgen over de activa van de entiteit. Voordeel is echter wel, dat een enkele boekhouding vrij eenvoudig op te stellen is en bijgevolg ook goedkoop is. Wanneer een entiteit daarentegen, volgens een dubbelboekhoudsysteem beheerd wordt gaat men alle transacties dubbel noteren en is men wel degelijk in staat om na te gaan of men winst of verlies maakte. Dit type boekhouding is ook vrij volledig en minder foutgevoelig omdat men alle transacties twee maal noteerde. Nadeel aan dit systeem is dan weer dat het vrij complex en duur was (Hanaford en Payson, 1867). Feit is dat beide systemen eeuwenlang naast elkaar bestonden, totdat het dubbele boekhoudsysteem, toch voor de grote entiteiten, uiteindelijk de strijd won (Napier, 1998). Een strijd die volgens Weber gewonnen werd door de inherente superioriteit en moderniteit van het dubbelboekhoudsysteem (Weber, 1978). Een stelling waarvan men vanuit hedendaags oogpunt inderdaad toe verleid zou kunnen worden. Hierbij moet echter een kanttekening gemaakt worden. Zo stellen Carruthers en Espeland (1991) dat Webers uitspraak klopt en dat een dubbelboekhoudsysteem inderdaad superieur is. Volgens hen heerste er in die tijd zelfs een consensus dat het dubbelboekhoudsysteem een beter systeem was, maar dat dit vaak aan kwaliteit verloor omdat het zelden perfect werd uitgevoerd. Hierdoor konden beide systemen probleemloos naast elkaar bestaan. Ze legden eerder andere accenten, dan dat het ene een verbetering van de andere zou zijn geweest. Hierbij kon een enkelboekhoudsysteem zelfs veel dynamischer en correcter zijn dan een dubbel. Vooral omdat de kasstromen van een enkele boekhouding neutraler geacht worden dan wanneer deze vermengd werden met waarderingen van voorraden, die men vaak in dubbele boekhoudsystemen terug vond (Carruthers en Espeland, 1991). 3 Daarom zou pas vanaf de 19 de eeuw het dubbelboekhoudsysteem, de enkele boekhouding verdringen. Dit hoofdzakelijk onder impuls van beter geschoolde boekhouders en het besef dat een dubbele boekhoudsysteem, indien goed uitgevoerd, een meer flexibel beeld konden leveren (Lemarchand, 1995). In de literatuur wordt daarnaast ook de voortrekkersrol van de kooplieden en bedrijven binnen de ontwikkeling van het dubbelboekhoudsysteem benadrukt, daar waar de adel achterbleef. De redenen hiervoor zijn divers. Een eerste reden waarom beide systemen naast elkaar bestonden, kan gevonden 3 Toch mag men er niet vanuit gaan dat elke dubbele boekhouding waarderingen van voorraden of activa incorporeerde, het was perfect mogelijk dat deze enkel de kasstromen bijhield (Hanaford en Payson, 1867). 8

19 worden in het feit dat de boekhouding van een heer en een koopman andere doelstellingen hadden. Waar deze van de koopman vooral tot doel had om te zien hoe zijn investeringen rendeerden en zijn voorraden evolueerden (Carruthers en Espeland, 1991), wou de adellijke heer vooral controleren of zijn rentmeesters hem niet bedrogen (Turzińsky, 2011). Een andere reden voor de doorbraak van het dubbelboekhoudsysteem (inclusief opgave van activa en passiva) is volgens Earle (1989) de toename van het aantal krediettransacties. Dergelijk systeem had namelijk het voordeel dat men eenvoudig zijn kredietwaardigheid kon aantonen. Men kon namelijk vrij eenvoudig achterhalen aan de hand van de kasstromen, overige schulden, materiële vaste activa, voorraden, of een bedrijf in staat was zijn krediet enigszins terug te betalen. Dit kwam echter vooral voor in de handelarenmilieus, waar kopen en verkopen op krediet zeer ingeburgerd was en men tevens een chronisch tekort aan baargeld had (Earle, 1989). Arthur (1999) en Keenan (1996) daarentegen zagen voornamelijk voordelen in de structuur van het dubbel boekhouden. Zo merkte Arthur op dat een dubbelboekhoudsysteem er in slaagt om binnen een groter administratief geheel eenvoudig het precieze kaseffect van een transactie te traceren. Daarnaast wouden steeds meer eigenaars ook andere zaken weten dan kasstromen, hierbij kunnen we denken aan efficiëntie, capaciteit, productiviteit, van hun bezit. Dit zijn elementen die zeer moeilijk terug te vinden waren indien men enkel gebruik maakte van een eenvoudige kasboekhouding. Daartegenover stond dat dubbel boekhouden doorgaans impliceerde dat men alle activa moest omzetten naar monetaire waarden. 4 Bij een enkele boekhouding was dit niet perse het geval, aangezien enkel boekhouden vaak leidde tot veel minder nauwkeurig boekhouden, waarbij een precieze monetaire waardering vaak uitbleef (Arthur, 1999). Keenan geeft op zijn beurt aan dat een dubbelboekhoudsysteem niet per definitie beter was om grote hoeveelheden transacties te behandelen. Hij zag eerder voordelen bij de notering, verwerking en rapportering van de transacties, die met een dergelijk systeem veel duidelijker waren (Keenan, 1996). Napier tenslotte sluit zich eerder aan bij de consensushouding van Carruthers en Espeland. Hij beschouwt de (enkele) kasboekhouding, als complementair met het dubbele boekhoudsysteem, en niet als een rivaliserende techniek. Waar een kasboekhouding eerder een financiële rapportering is, is een dubbele boekhouding volgens hem vooral een opname van transacties. De uiteindelijke doorbraak van het dubbelboekhoudsysteem ligt daarom volgens Napier dan ook in de gedachtegang omtrent het systeem. De zweem van rationaliteit die rond het dubbelboekhoudsysteem hing, zorgde ervoor dat ze massaal aangenomen werd door de goed opgeleide koopmannen. Dit terwijl de aristocratische rentenier volgens hem, pas een dubbele boekhoudsysteem ging gebruiken bij de overschakeling naar een kapitalistisch landbouwsysteem (Napier, 1998). Een dergelijke focus op de filosofie achter het dubbel boekhouden vinden we ook bij Mattessich (2008) terug. Het zou volgens hem de opgang van 4 Dit is strikt genomen echter geen fundament van het dubbel boekhouden, maar een algemeen verspreide conventie (Arthur, 1999). 9

20 een personalistische visie met betrekking tot de boekhouding zijn, die ervoor zou zorgen dat het dubbelboekhoudsysteem doorbrak. In deze personalistische visie werd de boekhouding en daaruit voortvloeiend ook de activa, vereenzelvigd met haar eigenaar/administrator. Volgens Mattessich was het dubbel boekhouden dan ook de ultieme veruiterlijking van deze personalistische visie (Mattessich, 2008). Het mag dus duidelijk zijn dat er geenszins eenduidigheid is over de precieze rol en functie van het dubbelboekhoudsysteem. Deze onduidelijkheid is volgens Napier dan ook vooral het gevolg van de lacunes in de literatuur die er voor zorgen dat grote algemene conclusies met betrekking tot dit onderwerp onmogelijk te maken zijn (Napier, 1998). Anderzijds bestaat er uiteraard ook de mogelijkheid dat er diverse redenen naast elkaar bestonden die omwille van andere omstandigheden in verschillende mate meespeelden De hybride boekhouding Daar waar men meestal het dubbelboekhoudsysteem lijnrecht tegenover het enkelboekhoudsysteem plaatste, gingen Dobie en Oldroyd (2009) nog een derde systeem onderscheiden. Dit type boekhouding, die ze de hybride boekhouding noemen, vormde een brug tussen beide systemen. Deze hybride boekhouding was volgens hen sterk aanwezig bij de heren op het Engelse platteland. Deze gingen dergelijke geoptimaliseerde enkele boekhoudingen, wat de hybride boekhoudingen in feite waren, tot diep in de 19 de eeuw gebruiken. Deze enkele boekhouding had echter als nadeel dat men het moeilijk had om diverse transacties zoals kosten, productie, te noteren. Om deze problemen te omzeilen gingen vele Engelse landeigenaars additionele boeken met bijkomende info, over bijvoorbeeld het verloop van de voorraden, oogsten, leningen, bijhouden. Deze zorgden ervoor dat een overstap naar het dubbelboekhoudsysteem niet nodig was. Dergelijke hybride boekhoudingen bestonden doorgaans uit de bilaterale notering van inkomsten en uitgaven, tezamen met aanpassingen voor de debiteuren en crediteuren en eventuele voorraadwijzigingen. Ook ging men soms investeringen weergeven in deze boekhoudingen. Daarnaast ging men nog een veelheid aan andere boeken bijhouden. Deze hadden betrekking tot een zeer breed spectrum aan activiteiten, die eigen waren aan het landgoed (Dobie en Oldroyd, 2009). Uiteraard roept dit de vraag op waarom men dan niet gewoon overschakelde op een dubbele boekhouding? Ook hier zien we weer een veelheid aan redenen opduiken; het kan zijn dat belangen van bepaalde ondergeschikten in gevaar kwamen, de administratie die behoudsgezind was, de oude technieken die toch nog voordelen hadden, het te duur was, (Keenan, 1996). De voornoemde aanpassingen zorgden er dan ook voor dat men geen drastische veranderingen diende door te voeren. Dit concept vult daarmee een belangrijke leegte in de discussie over de evolutie van boekhoudtechnieken. Waar vele auteurs enkel focussen op de verschillen tussen het enkele en dubbele 10

21 boekhoudsysteem, en een overgang dus een heuse revolutie moet zijn geweest voor de betroffen organisatie, biedt het concept van Dobie en Oldroyd ons een tweede mogelijkheid. Een organisatie kon volgens hun langzaam groeien naar een dubbelboekhoudsysteem, zonder drastische veranderingen. (Dobie en Oldroyd, 2009) Management of financiële accounting Een tweede onderscheid dat besproken moet worden om de boekhouding van de hertogen te kunnen begrijpen, is dat tussen management en financiële accounting. Management accounting kan omschreven worden als het opmaken van interne documenten, die zowel intern gecontroleerd worden alsook gebruikt worden in het beheer en beleid van een boekhoudkundige entiteit. Terwijl financiële accounting hoofdzakelijk slaat op de externe rapportering van een organisatie. Financiële accounting zal zich daarmee vandaag vooral toeleggen op de opmaak van onder andere de balans, de resultatenrekening, met andere woorden hetgeen de boekhoudleek onmiddellijk te binnen schiet wanneer hij aan een boekhouding denkt. In de hedendaagse bedrijven gaat men zich dan ook met beide types accounting bezighouden (Moes, 2012). Voor de administratie van de hertog was dit niet het geval. De onderzochte bronnen zullen namelijk vooral te klasseren zijn als intern materiaal. Het voordeel is dat dit type boekhoudingen ons correctere info geven, aangezien de info binnenskamers bleef. Daar waar financiële accounting vaak het nadeel heeft/had om, wegens diverse redenen, een verkeerd beeld op te hangen. Daarnaast zal management accounting sterk bepaald worden door wat de eigenaars/bestuurders eisen, waardoor bepaalde elementen die volgens de administratie overbodig of te duur waren stevig ingeperkt werden (Moes, 2012). Met dit in ons achterhoofd zullen we eventueel bepaalde, ietwat, vreemde sprongen van de administratie kunnen verklaren De organisatie van de administratie Naast een basiskennis van de boekhouding is het ook onontbeerlijk, inzicht te hebben in de rol die de belangrijkste medewerkers van de hertogen vervulden. Hiervoor beschikken we gelukkig over het onderzoek dat Tytgat (2002) enkele jaren geleden verrichtte, aangevuld met de werken van Neu (2001) voor de Duitse bezittingen en bijkomend archiefmateriaal. Om het overzicht enigszins te bewaren zullen we enkel de personeelsleden bespreken die op de een of andere manier in aanraking kwamen met boekhoudingen of geld. Bijgevolg zal het gros van het personeel dat in dienst was niet of slechts beperkt aan bod komen; we hebben het dan over kamermeisjes, stalknechten, koks, boswachters,. Vanzelfsprekend komen we dan uit bij de hogere en beter betaalde echelons van de organisatie. Hieruit komen twee voorname groepen van personeelsleden naar voren. Enerzijds waren er de 11

22 rentmeesters die op het lokaal niveau de belangen van de hertogen dienden te verdedigen en anderzijds de verschillende medewerkers van de centrale administratie die hen superviseerden (Tytgat, 2002) De centrale administratie Aanvangen doen we met de belangrijkste medewerkers van de centrale administratie die in Edingen/Brussel zetelden. Deze reeks topmedewerkers stond de hertog van Arenberg, die feitelijk een vrij passieve rol vervulde in het beheer, bij met raad en daad. Het algemene dagdagelijks bestuur werd voornamelijk door de, in 1723 opgerichte, hertogelijke raad waargenomen. De raad zou in de late 18 de eeuw bestaan uit een directeur van de domeinen, drie raadsleden, een algemene schatbewaarder, een secretaris van de raad en een archivaris. Van al deze personen was de schatbewaarder (later hoofdkassier) het nauwst verbonden met de boekhouding; hij moest de inkomsten innen en de grootboeken samenstellen. Ook ging hij de renten uitbetalen en toezien op de aanwerving van nieuw personeel. De directeur van de domeinen moest de rentmeesters in het oog houden en controleerde samen met de algemeen beheerder en de hoofdkassier de rekeningen van de rentmeesters (AAE, 66/29/I/1). De raadsleden op hun beurt gingen de rentmeesters indien nodig op het matje roepen. De secretaris hield zich vooral bezig met het uitschrijven van volmachten, orders, voor de diverse medewerkers van de hertog. Boven de hertogelijke raad stond de algemeen beheerder, die bij aanvang van het onderzoek intendant-generaal genoemd werd en in de 19 de eeuw algemeen administrateur (Neu, 2001c). Deze hield zich bezig met het verdedigen van de belangen van de familie. Hij schreef niet enkel beleidsverslagen, maar zag ook toe op de lopende zaken, processen, consultaties, actieve en passieve schulden, de jaarlijkse renten en pensioenen, de lopende zaken van de afzonderlijke domeinen, benoemingen en patenten. Ook was hij ook belast met het controleren van de rekeningen van de rentmeesters. Zonder enige twijfel was hij hiermee de belangrijkste persoon binnen de administratie (Tytgat, 2002). In 1789 zou men in combinatie met een nieuw reglement een vrij drastische hervorming doorvoeren in het ambtenarenapparaat. De algemeen beheerder ging vanaf nu ook in de hertogelijke raad zetelen, en werden er drie bijkomende kassiers aangesteld (Tytgat, 2002). Er werd een kassier aangesteld voor renten, stichtingen en jaargelden; met andere woorden elke vorm van liefdadigheid. De kassier van de regie had de belangrijke taak de domeininkomsten te controleren en de kassier van de persoonlijke uitgaven zag toe op de financiële stromen binnen het dagelijks reilen en zeilen van de hertogelijke administratie (Tytgat, 2002). Waarschijnlijk zou deze situatie met drie kassiers echter niet lang bestaan hebben en zou de hoofdkassier doorheen de geschiedenis steeds de belangrijkste kassier blijven. Naast deze hoofdkassier waren er ook constant andere kassiers van familieleden van de hertog aanwezig in Brussel/Edingen (Neu, 2001c) 12

23 De algemeen beheerder werd in de loop van de periode meer en meer een soort van plaatsvervangende hertog, die vooral achter de veren van de rentmeesters zat (Tytgat, 2002). Dit mag geen wonder heten want reeds in de vroege 18 de eeuw verscherpte de controle op deze rentmeesters stelselmatig. De druk op de lokale rentmeesters werd opgedreven en de algemeen beheerder zou samen met de directeur van de domeinen een ware gesel voor malafide rentmeester worden (Berghmans en De Vijlder, 2014). De drie voornoemde raadsleden namen na verloop van tijd de rol van de directeur van domeinen over en kregen elk een gebied in de Zuidelijke Nederlanden/België of Frankrijk toegewezen dat ze dienden te controleren (AAE, 66/29/II/2). Ook dit verhoogde het toezicht en steeds vaker werd er effectief met ontslag gedreigd indien de rentmeesters zich niet hielden aan belangrijke afspraken (Tytgat, 2002). Thomas Stock, misschien wel de meest invloedrijkste algemeen beheerder, verhuisde met de administratie aan het begin van de 19 de eeuw van Edingen naar Brussel. Bij aanvang van de 20 ste eeuw tenslotte bestond de administratie uit een algemeen beheerder, een kassier, een bureauchef en een vijftal andere medewerkers (Tytgat, 2002). Tytgat (2002) geeft hiermee de indruk dat vanaf de jaren 90 van de 18 de eeuw er weinig verandering in de taken van de ambtenaren kwam. De administratie verkoos duidelijk continuïteit op radicale veranderingen, een politiek die reeds aanwezig was in het ancien regime (Berghmans en De Vijlder, 2014). Dit betekende uiteraard niet dat er nog geschoven kon worden met de posities, het zou ons echter te ver brengen om elke kleine verandering of ontdubbeling van positie in beeld te brengen. Kern van de zaak is dat het beheer, het uitvoeren en registreren van transacties en de controle van de rekeningen nooit door één en dezelfde persoon gebeurde. Vaak waren hier ook meerdere personen bij betrokken zodat de medewerkers elkaar controleerden. Het beheer van de administratie zou vooral georganiseerd worden door de algemeen beheerder, terwijl dat van de domeinen vooral bepaald werd door de directeur van de domeinen en later de inspecteurs, de algemeen beheerder en de raadslieden. De kastransacties werden uitgevoerd en genoteerd door de kassier(s). Deze transacties konden ze evenwel niet autonoom nemen en ze werden dan ook nauw in de gaten gehouden door de algemeen beheerder. De controle van de boekhouding, van zowel de centrale administratie als van de rentmeesters was een taak van de algemeen beheerder. Uiteraard gebeurde dit met hulp van de andere medewerkers; de kassiers in het bijzonder (AAE, 66/29/II/2). Naast de centrale administratie, die resideerde in de Zuidelijke Nederlanden/België, ging men in de 19 de eeuw ook een satellietadministratie in de Duitse ruimte ontwikkelen. Deze zou zowel het beheer/inspectie als de boekhoudkundige controle voor zijn rekening nemen. De belangrijkste rollen werden hier door de calculator in Recklinghausen en de algemeen ontvanger in Keulen gespeeld. De eerste controleerde de boekhoudingen van het gros van de Duitse medewerker. De algemeen ontvanger in Keulen was verantwoordelijk voor de overdracht van geld tussen Brussel en Keulen. Deze calculator en algemeen ontvanger waren echter ondergeschikt aan de administratie in Brussel en dienden dan ook verantwoording voor zijn daden af te leggen aan de administratie te Edingen/Brussel 13

24 (Neu, 2001c). Ook in Parijs was er een kassier aanwezig die vooral gedurende het begin van de 19 de eeuw een belangrijke rol zou spelen in het faciliteren van de kasstromen van en naar de centrale administratie (ARA, AF, sa1414). Voor transacties in andere steden, zoals bijvoorbeeld Wenen, werd gebruik gemaakt van gevolmachtigde personen (AAE, 65/12/I/2), of eventueel de medewerkers van familieleden (ARA, AF, sa1408) De rentmeesters Onder de centrale administratie opereerden medewerkers die doorgaans rentmeesters genoemd werden. Deze rentmeesters beheerden de hun toegewezen activa en verdedigden de lokale belangen van hun heer. Vooral de heerlijke rechten en titels dienden effectief met hand en tand verdedigd te worden (AAE, 66/29/I/1). Desondanks een duidelijke taakomschrijving, waren er regelmatig problemen met de rentmeesters. Zo gebeurde het al eens dat een rentmeester vergat dat zijn loyaliteit bij zijn heer moest liggen en niet bij zijn eigen portefeuille. Daarnaast wisten vele rentmeesters feitelijk niet hoe ze hun domein efficiënt moesten besturen (Tytgat, 2002). Om deze redenen was men reeds in de eerste helft van de 18 de eeuw begonnen met het inperken van de vrijheid van de rentmeesters en met het opdrijven van de instructies. De rentmeester moest zich meer en meer schikken naar de wil van de centrale administratie. Vooral het oprichten van de functie van de directeur van de domeinen had als doel de rentmeester beter in de pas te laten lopen. Dit bleek een succesvolle zet te zijn. De inkomsten stegen en de rentmeesters liepen steeds beter in de pas. Hiermee werd de rentmeester zijn takenpakket steeds verder gedegradeerd tot louter administratief werk, daar waar ze in de 17 de eeuw nog effectief het beleid van het domein konden bepalen (Berghmans en De Vijlder, 2014) Overige medewerkers Naast deze topmedewerkers waren er zowel bij het hof en de centrale administratie van de hertogen van Arenberg als bij de rentmeesters ondergeschikten aanwezig. Daar deze echter geen belangrijke rol speelden in het boekhoudkundig geheel zullen zij slechts beperkt aan bod komen. Vermeldenswaardig is wel dat iedereen, van hoog tot laag, binnen een bepaald keurslijf diende te opereren. De administratie werd namelijk gekenmerkt door een ware regelwoede. Iedereen werd gecontroleerd en de taakomschrijving werd zo duidelijk mogelijk afgelijnd. Zelfs de sommeliers, bakkers en ander huispersoneel werden onderworpen aan een rits strikte voorschriften (AAE, 66/29/II/1). 14

25 3. De boekhouding van de hertogen van Arenberg in de periode 1750 tot Historische achtergrond Na de woelige eeuwwisseling, was de tweede helft van de 18 de eeuw een periode van vrede. Deze toestand schiep de voorwaarden voor een tijd van relatieve groei binnen West-Europa. Toch zou de vrede een abrupt einde kennen met de Franse Revolutie en de daaropvolgende oorlogen en staatsgrepen, die Europa meezogen in een spiraal van geweld (Colton, Kramer en Palmer 2006). Als belangrijk adellijk geslacht trokken de hertogen van Arenberg in deze periode regelmatig mee ten strijde en speelden in zekere mate ook mee op het politieke toneel. Hierdoor sloegen ze er in 1803 dan ook in om heerser te worden over het hertogdom Arenberg-Meppen (Neu, 2001c). Ook op economisch gebied zou West-Europa veranderen. In Engeland werd de grondslag voor de industriële revolutie gelegd, met onder andere het verbeteren van de stoommachine in 1765 door James Watt. Deze nieuwigheden bleven niet beperkt tot de perfectionering van de stoommachines; ook de ontwikkeling van molens, nieuwe arbeidsverhoudingen, schiepen mede de voorwaarden voor het proces dat later bekend zou staan als de industriële revolutie (Musson en Robinson, 1969). Een interessant gegeven voor de hertogen, want deze beschikten vooral in de Duitse gebieden over diverse mijnbouwrechten. Deze zouden later nog van grote waarde blijken bij de industriële ontwikkeling in het Rijn-Ruhr gebied (Neu, 2001a) De boekhouding van de centrale administratie De centrale administratie Bij aanvang van onze onderzoeksperiode was de centrale administratie te Edingen/Brussel nog op een uiterst klassieke leest geschoeid. Hoofdzakelijk bestuurd door de algemeen beheerder en de hertogelijke raad poogde ze vooral de rentmeesters in de Zuidelijke Nederlanden en Frankrijk, maar ook de medewerkers van de centrale administratie onder de duim te houden (Berghmans en De Vijlder, 2014). Ook ging de centrale administratie zich bezighouden met het beheer van de voornaamste kastelen, enkele huizen (AAE, 65/23/4) en de aankoop en het beheer van diverse soorten effecten (AAE, 65/12/I/2). Daarnaast had de centrale administratie rechtstreeks gezag op de algemeen ontvanger in Duitsland en de kassier in Parijs (Neu, 2001a; Neu, 2001c). Opmerkelijk was dat deze algemeen ontvanger in Duitsland aanvankelijk geen medewerker was van de administratie. Sedert jaren had het Keulense bankiersgeslacht Meinertzhagen zich bezig gehouden met de overdracht van de gelden van de Duitse bezittingen en dit zou het geval blijven tot in

26 (Neu, 2001a). Dit impliceerde echter ook dat men in Edingen/Brussel enigszins moeilijkheden ondervond met de controle over deze figuur (AAE, 65/4/II/2). Op het eerste zicht lijkt het enigszins vreemd dat een buitenstaander tot in 1783 een dergelijke verantwoordelijke functie kon uitoefenen. Neu geeft aan dat dit vooral te maken had met het feit dat de financiën van Meinertzhagen en de hertog zeer sterk met elkaar verbonden waren. Het was voor de bankier namelijk zeer interessant om geld aan de hertog te lenen, terwijl hij tegelijkertijd de macht had om de geldstromen naar Brussel te dirigeren. 5 In geval van wanbetaling kon hij eenvoudigweg de gelden uit de Duitse domeinen voor zichzelf houden. Anderzijds betekende het dat de hertog altijd snel en eenvoudig aan krediet kon geraken (Neu, 2001a). Uiteindelijk werd het bankiersgeslacht vervangen door Regierungsrat Georg Peter Landschütz. Deze Landschütz en zijn collega s, die zich hoofdzakelijk bezig hielden met het uitoefenen van de soevereine rechten in en rond Arenberg en het controleren van de rekeningen van de Duitse rentmeesters (AAE, 65/4/II/2), hadden op dat moment reeds controle over de twee kassen van de hertog. Deze van het Hertogdom Arenberg en de landskas van Arenberg (Neu, 2001a). Deze waren eerder verplicht geweest eventuele overschotten over te dragen aan Meinertzhagen. (AAE, 65/4/II/2). Nadat de kas naar Arenberg verhuisd werd, ging men de landkas en de kas die voorheen door Meinertzhagen beheerd werd, samensmelten tot een algemene kas (Neu, 2001a). Later zou de kas over Düsseldorf naar Keulen verhuizen (Neu, 2001c), maar dit wordt in het volgende hoofdstuk verder besproken. Dat Meinertzhagen aan de kant geschoven werd, zou echter niet betekenen dat men geen gebruik meer zou maken van banken; veel feitelijke monetaire transacties bleven via bankhuizen lopen. Transport van geld impliceerde in die tijd namelijk hoge beveiligingskosten en veel tijdsverlies. Daarom bleven de meeste transacties via bankhuizen in Keulen, Brussel en Parijs 6 gaan (AAE, 65/29/II/1) De boekhoudkundige documenten a. De journalen De basis van de boekhouding van de centrale administratie te Edingen/Brussel werd gevormd door een reeks van journalen. Praktisch elke persoon die een aanzienlijke rol binnen de administratie vervulde diende een journaal bij te houden, waarin hij de door hem gerealiseerde kasstromen diende bij te houden. Van al deze journalen was het journal de la caisse (générale), vertaalt als het journaal van de algemene kas, de voornaamste. Het belang van deze kas werd bepaald door het feit dat alle geldstromen die naar of uit de centrale administratie vloeiden via dit journaal passeerden. Om deze 5 Vanuit de Duitse gebieden ontving men evenwel orders vanuit Brussel. Soms gebeurde het ook dat de plaatselijke verantwoordelijken zelf naar Brussel trokken. (AAE, D.1495) 6 Ook in Parijs was er een tijdje een kas van de hertogen van Arenberg, die evenwel na de val van Napoleon opgedoekt zou worden (Neu, 2001c) 16

27 reden werden de hoofdkassier ook scherp in de gaten gehouden door de algemeen beheerder (AAE, 66/29/II/2). Aan de hand van de hand van dit journaal van de algemene kas moest de hoofdkassier maandelijks zijn kastoestand bekendmaken aan de hertogelijke raad. Ook kon op elk moment geëist worden dat ze de toestand van hun kas moesten doorgeven (AAE, 66/29/I/1). Uit de journalen van de algemene kas komt tevens naar voren dat de administratie niet enkel verantwoordelijk was voor de transacties van de hertog, maar ook voor deze van enkele familieleden van de hertog, hetgeen de boekhouding iets gecompliceerder maakte(aae, 65/29/II/2). De overige journalen en registers waren een hele rits van vaak minder gecontroleerde en ook kleinere documenten. Het zou ons te ver brengen om alle types journalen die ooit gemaakt zijn geweest te bespreken, maar het journaal van de uitgaven voor het beheer van het stadspaleis te Brussel (AAE, 65/10/II/1), deze van het kasteel en park te Edingen, de persoon die toezag op de jachtuitrustingen en die van de medewerker die verantwoordelijk was voor de aankoop van de inboedel zijn maar enkele voorbeelden (AAE, 66/29/9). Dit type van journalen was vaak kleiner, maar werd volgens een gelijkaardige methode opgesteld (AAE, 65/10/II/1 en 66/29/9). Het waren deze kleinere journalen die soms bijgehouden werden door andere kassiers dan de hoofdkassier. Toch verwezen deze zeer vaak naar de journalen van de algemene kas, aangezien alle ingaande en uitgaande kasstromen hierin genoteerd werden (AAE, 65/10/II/1). Het is echter zeer moeilijk om een typevoorbeeld te geven van een journaal. Enerzijds omdat er zoveel veranderingen optraden gedurende de onderzoeksperiode en anderzijds omdat we er over vrij weinig beschikken. 7 We kunnen echter met zekerheid stellen dat de journalen volgens een enkelboekhoudsysteem werden samengesteld (zie bijlage 1.1.); getuige hiervan is een reglement inclusief voorbeeld uit 1789 (AAE, 66/29/II/2) b. De rekening van de algemene kas Het belangrijkste document voor de administratie was wat men de balans of rekening van de algemene kas noemde; een inventarisatie van alle inkomsten en uitgaven, opgesteld door de hoofdkassier (AAE, 66/29/II/2). Het was in feite dus een thematische bundeling van alle inkomsten en uitgaven van de centrale administratie. Bijgevolg kon men er enkel en alleen de ingaande en uitgaande kasstromen van de algemene kas in terugvinden (AAE, 64/1-7 en 66/17). In tegenstelling tot het journaal zou deze balans of compte de la caisse générale, afgehoord worden door de algemeen beheerder. Hiervoor diende men de nodige kwijtingen en toelichtingen te verzamelen, opdat het jaar afgesloten kon worden (AAE, 65/10/I/1). 7 Hier zijn verschillende oorzaken voor te vinden; enerzijds zullen er stukken verloren zijn gegaan, maar anderzijds speelde de gebrekkige ontsluiting van sommige delen van het algemeen rijksarchief ons parten. 17

28 De rekening van de algemene kas, die zich voor haar info voornamelijk baseerde op het journaal van de algemene kas, was opgebouwd uit diverse hoofdstukken met eerst alle soorten inkomsten en daarna alle soorten uitgaven. Het grote voordeel aan deze balans was dat ze snel en eenvoudig toeliet dat men de rekening met deze uit eerdere jaren kon vergelijken (zie bijlage 2.1. en 2.2.). Als men bijvoorbeeld de inkomsten uit Heverlee wou bestuderen, moest men eenvoudig weg dat hoofdstuk opzoeken in de opeenvolgende jaren. Men kon door de opdeling in inkomsten- of uitgavenposten, zeer snel nagaan welke posten dat jaar meer of minder inkomsten creëerden en waarom, een aanzienlijk voordeel dat men had in vergelijking met de journalen (AAE, 64/1-7). Aan deze balans werd uitermate veel aandacht gehecht. In die mate dat personen die de aanmaak ervan vertraagden, konden rekenen op het inhouden van hun loon. Hierdoor was dit het laatste document dat elk jaar aangemaakt werd binnen de centrale administratie. Dit betekende evenwel niet dat men afhing van de rentmeesters om dit document op te maken. De rekeningen van de rentmeesters die, doorgaans veel te laat waren, werden niet geïncorporeerd in deze of een andere rekening van de centrale administratie. Enkel de transacties met domeinen kon men in deze rekeningen terugvinden (AAE, 66/29/II/2) c. De rekeningen van de Duitse algemeen ontvanger en de kassier in Parijs Zoals reeds aangegeven had de centrale administratie een hulpadministratie in het Duitse gebied, die onder leiding stond van een algemeen ontvanger. Eerst werd deze rol vervuld door het bankiersgeslacht Meinertzhagen en later werd deze positie bemand door eigen werknemers (Neu, 2001a). Gedurende de periode dat de Meinertzhagens algemeen ontvanger waren, was de controle op de boekhouding echter niet optimaal. De centrale administratie had het namelijk moeilijk om de rekeningen van Meinertzhagen te controleren. Hiermee gaf de hertog een gigantische macht aan de man. De rekeningen van de algemeen ontvanger, de enige rekeningen uit Duitsland die men in Edingen en Brussel dus te zien kreeg, waren namelijk opgebouwd uit transacties aangetoond met kwijtingen die hij zelf uitschreef bij de inning van het geld. Hij kon gemakkelijk enkele van deze documenten wegmoffelen of aanpassen, zodat bepaalde inkomsten niet bekend waren in Brussel. Ook met de uitgaven waren er mogelijkheden tot fraude. Met andere woorden; de administratie in Edingen/Brussel kon de inkomsten die Meinertzhagen verkreeg, niet controleren omdat de bewijsstukken ofwel veel later aankwamen (AAE, D.1460), of zelfs nooit toekwamen. Veel bewijsstukken bleven namelijk achter bij Meinertzhagen zelf ofwel bij de stadhouder en zijn administratie in Arenberg, die daar de rekeningen van de Duitse rentmeesters controleerde (AAE, 65/4/II/2). Doordat de info van de Duitse rentmeesters achterbleef bij Meinertzhagen en de stadhouder van Arenberg, betekende dit dat de Brusselse administratie geen zicht had op de precieze inkomsten en 18

29 uitgaven van de lokale Duitse rentmeesters. Enkel de kasoverschotten, in de mate dat deze correct werden bijgehouden waren zichtbaar. Toch legde de Brusselse administratie zich hier niet bij neer en in 1780 eiste ze dat de toenmalige algemeen ontvanger zijn rekeningen liet afhoren bij de stadhouder en zijn raadsleden, die wel voltijdse medewerkers waren van de hertog. Deze waren ook verantwoordelijk voor de afhoringen van de Duitse rentmeesters en hadden, in tegenstelling tot de administratie in Brussel, wel zicht op de precieze inkomsten en uitgaven van de Duitse domeinen (AAE, 65/4/II/2). 8 Het is niet duidelijk of dit ooit uitgevoerd is geweest, want reeds in 1783 werd de functie van de algemeen ontvanger overgeheveld naar zo een raadslid van de stadshouder; Georg Peter Landschütz, die als voltijds medewerker van de administratie uiteraard beter te controleren was. Tegelijkertijd waren ook de laatste schulden aan het bankhuis afbetaald en had men er dus geen belang meer bij om de Meinertzhagens nog algemeen ontvanger te laten spelen (Neu, 2001a). Dergelijke problemen met de kassier in Parijs had men overigens niet, vooral omdat het in dit geval ging om een medewerker van de hertog zelf en omdat de kassier zeer regelmatig bezoek kreeg van de algemeen beheerder (Laloire, 1922). De rekeningen van deze buitenlandse ontvangers/kassiers waren doorgaans opgesteld in een journaal vorm, met een duidelijke scheiding tussen de inkomsten enerzijds en de uitgaven anderzijds. De precieze methode verschilde wel eens, soms ging men per maand één hoofdstuk inkomsten en daaronder één hoofdstuk uitgaven noteren. Op andere momenten gingen men dan weer alle inkomsten op de linkerbladzijde noteren en de uitgaven op de rechter. Toch zou het ook hier enkel en alleen gaan om een kasboekhouding (AAE, 65/4/II/2) d. Overige documenten Buiten de journalen en balansen ging men nog een reeks hulpdocumenten bijhouden, die het alledaagse beheer van de goederen mogelijk maakten. Zo ging men diverse registers aanmaken waarin de actieve en passieve schulden, aandelen, (toekomstige) verplichtingen met betrekking tot de hypotheken en pensioenen, de verschillende domeinen, personeel, in genoteerd werden. Deze dienden echter niet enkel om de journalen op te stellen, maar ook als herinnering aan de uitvoerdata van transacties, rentekoersen, en werden dus actief gebruikt doorheen het jaar. Het gros van deze documenten werd opgesteld door de hoofdkassier, maar het toezicht en beslissingen met betrekking tot deze documenten lag zoals verwacht grotendeels bij de hertogelijke raad en dan nog het vaakst bij de algemeen beheerder en de secretaris(aae, 66/29/I/1). In tegenstelling tot de journalen overlapten de meeste van deze hulpdocumenten vaak meerdere jaren. Vooral documenten met minder frequente en belangrijke inkomsten zoals onder andere inkomsten en uitgaven met betrekking tot reiskosten, inkoop 8 Anderzijds moet aangegeven worden dat deze problemen mede de fout waren van de Duitse rentmeesters, die hun rekeningen niet altijd op tijd doorstuurden (AAE, D.1495). 19

30 en verkoop van wijn, werken die plaats vonden over meerdere jaren besloegen meerder jaren. (AAE, D.1845 en D.1455). Daar de hoofdkassier in feite het gros van deze documenten diende aan te maken, bezat de man dus een veel belangrijkere positie dan men aanvankelijk zou verwachten. Aangezien hij de enige was die een grondige kennis van de financiën bezat, werd hij steeds geconsulteerd wanneer men grote uitgaven diende te realiseren. Daarnaast was hij ook nauw betrokken bij het afhoren en controleren van de rekeningen van de rentmeesters, uiteraard in nauwe samenwerking met de algemeen beheerder die steeds de eindverantwoordelijkheid behield (AAE, 66/29/I/1). 20

31 Afbeelding 1: Schema van de incorporatie van de diverse boekhoudkundige documenten bij de centrale administratie voor

32 3.3. De boekhouding van de heerlijkheden en landerijen De hertogen en hun rentmeesters Om hun administratie en hun adellijke levensstijl te bekostigen dienden de hertogen uiteraard over voldoende middelen te beschikken. De financiering ervan werd voor een groot deel verzorgd door de inkomsten uit een hele resem landgoederen en heerlijkheden. In onze gewesten zouden vooral de bezittingen in Heverlee, Edingen (Tallier, 2006) en later de Prosper en Hedwige polder (AAE, 66/15/(28)) zeer veel geld opbrengen. Maar ook in Duitsland en Frankrijk had de familie enkele uitgestrekte domeinen, waarvan de inkomsten (en waarde) zo hoog waren dat de hertogen tot de rijkste families van de Zuidelijke Nederlanden gerekend werden. (Triest en Van Poucke, 2013). Het mag evenwel niet verwonderen dat dergelijke domeinen de hoofdmoot van het hertogelijke bezit vormden. Het was namelijk de gewoonte van de aristocratie om hun patrimonium (gedeeltelijk) op te bouwen uit redelijk veilige investeringen. Landbezit was hier misschien wel het schoolvoorbeeld van (Moes, 2012). Daarenboven komt, dat men naast de inkomsten ook aanzien kon verwerven met de aanschaf van domeinen. Ze voorzagen de hertogen van titels, macht, rechten, kastelen en residenties en, niet onbelangrijk voor de Arenbergs, van uitgebreide jachtgronden. Daar het onmogelijk was voor de hertog en zijn centrale administratie om deze rechtstreeks te besturen, moesten er rentmeesters aangeduid worden. De rentmeester zijn taak bestond erin de hem toegewezen bezittingen te beheren, de hertog zijn belangen te verdedigen en orders van de centrale administratie uit te voeren. Via inspecties, briefwisseling en het controleren van de boekhoudingen poogde de centrale administratie dit alles in goede banen te leiden (Berghmans, 2013) De rol van de rentmeester In de literatuur werd doorgaans een lijn getrokken tussen de boekhouding van (industriële)bedrijven en koopmannen aan de ene kant en deze van landbouwgoederen aan de andere kant (Monginot, 1854). Dit betekent evenwel niet dat het beheer en de boekhouding van een domein van een grote heer en dat van een kleine boerderij gelijkaardig waren. Hoewel beiden uiteraard betrekking hadden tot agrarische activiteiten, gedroegen de heren en de kleine boeren zich anders. Waar kleine boeren hun bezit doorgaans zelf gingen uitbaten (Michelsen, 1867) lag dit bij de grote heren vaak anders. Deze heren waren renteniers en hun rentmeesters dienden in hun plaats meestal hun landgoederen te beheren. Dit was een logisch gevolg van de uitgestrektheid en geografische verspreiding van het bezit van de adel. Het overlaten van het beheer was bijgevolg vooral een zaak van efficiëntie (Oschinksy, 1971). Op hun beurt gingen ook de rentmeesters van de hertog uit efficiëntie overwegingen grote stukken van het domein verpachten. Slechts bepaalde onderdelen, die men vanwege hun karakter niet wou of kon verpachten, werden door de rentmeester en zijn medewerkers rechtstreeks uitgebaat. Het meest 22

33 typerende voorbeeld hiervan was de uitbating van de bosbouw. In verschillende van hun bezittingen zou de bosbouw zelfs alle andere inkomsten overvleugelen (Berghmans en De Vijlder, 2014; Neu, 2001c). Uiteraard probeerde men deze rentmeester in het gareel te houden. Hiervoor had de centrale administratie verschillende technieken tot haar beschikking. Om te beginnen moest de rentmeester een duidelijke taakomschrijving meekrijgen, zodat er geen discussie was over wat de rentmeester al dan niet mocht doen. Ook een degelijke inspectie, die de toestand van het toegewezen domein in de gaten hield, bleek onontbeerlijk (Berghmans en de Vijlder, 2014). Tenslotte mag men ook de aanwezigheid van gepaste boekhoudtechnieken en de afhoring; vandaag ook wel audit. genoemd (ARA, AF la177, la220, la332, la2539, la2540, la2529 en (Allemagne) la2622) niet vergeten. Deze uit de middeleeuwen stammende (Brown, 1968) controle door de algemeen beheerder en ontvanger van de Duitse gebieden, diende ervoor te zorgen dat de rentmeester niet verleid werd om fraude te plegen (Oschinksy, 1971). Toch volstonden al deze maatregelen niet en gedurende de geschiedenis zouden de hertogen en zijn administratie dan ook proberen de rentmeesters verder onder hun controle te krijgen. Zo had de centrale administratie aan het begin van de 18 de eeuw het idee opgevat om grote delen van de rentmeester zijn beslissingsmacht te ontnemen. De belangrijkste voorbeelden hiervan waren het nauwkeuriger controleren van de pachtcontracten (Tytgat, 2001) en de toenemende greep van de centrale administratie op de organisatie van de bosbouw (Berghmans en De Vijlder, 2014). Een andere veelgebruikte manier om de rentmeesters scherp te houden, was ze op tijd en stond vervangen, zodat de vanzelfsprekendheid van hun positie hen niet dreef tot fraude (Oschinsky, 1971). Deze laatste politiek kwam echter niet vaak voor bij de hertogen van Arenberg, die vaak dynastieën van rentmeesters en ambtenaren in dienst zouden houden (Neu, 2001c) Dit betekende uiteraard niet dat de rentmeesters van de hertog helemaal geen beslissingen meer konden nemen. Ze konden de specificaties van de pachtcontracten onderhandelen en hadden samen met de boswachter een groot aandeel in de verkoop van hout. (Tytgat, 2002; Berghmans, 2013) Bij belangrijke beslissingen, zoals pachten van zeer lange duur of van grote stukken grond, diende men evenwel de centrale administratie te consulteren. Zo kon de administratie haar voorwaarden meedelen en een duidelijke bezitsomschrijving laten opmaken. Op die manier waren er gedurende en op het einde van het pachtcontract minder discussies mogelijk met de pachter en vermeed men eventueel nadelige transacties (AAE, D.1474-D.1489). Uiteraard waren de voornoemde voorwaarden geen algemene en onverzettelijke regels. Het is namelijk belangrijk te beseffen dat er niet echt een stereotype relatie met de rentmeesters bestond. Deze hing af van de familie, de rol en het type van activa dat ze moesten beheren. Met andere woorden er waren eigenlijk nooit vaste regels of aanwijzingen van hoe deze relatie georganiseerd diende te worden (Oschinksy, 1971). Zelfs binnen de organisatie van de hertogen van Arenberg hadden bepaalde 23

34 rentmeesters of medewerkers een stapje voor op andere, omwille van hun positie of persoonlijke contacten met de hertog of zijn administrateurs (Neu, 2001c). Toch week de figuur van de rentmeester in de administratie van de hertogen van Arenberg, op één punt drastisch af van wat in de literatuur over het algemeen aangenomen wordt. Doorgaans waren rentmeesters ongeschoolde personen die slechts een eenvoudige boekhouding konden opstellen (Dobie en Oldroyd, 2009). Dit is, wat betreft de rentmeesters van de hertogen van Arenberg echter twijfelachtig, daar de rentmeesters vaak een zeer royaal loon ontvingen en al zeker niet van een laag allooi waren. Dit heeft te maken met het feit dat de domeinen die de rentmeesters toegewezen kregen, bijzonder veel waard waren. (Berghmans en De Vijlder, 2014; Neu, 2001c; Tytgat, 2002) De rentmeesterboekhouding a. De rekeningen van de rentmeesters en de rekeningen van de casuele rechten Het is zeer moeilijk om de rekeningen/boekhoudingen die de rentmeesters 9 opstelden te vergelijken met de administratie die de gewone boer bijhield. In de klassieke landbouwerboekhouding had men doorgaans winst gemaakt indien men genoeg voedsel overhad om te verkopen en verlies gemaakt wanneer niet alle magen gevuld waren. (Confino, 1961). Op deze manier werkten de boekhoudingen van de landerijen der Arenbergs echter niet. Enerzijds omdat de rentmeester of de hertog niet rechtstreeks dienden te leven van hun boerderijen en anderzijds omdat ze veel (de meeste) van hun inkomsten (pachten en houtverkoop) rechtstreeks wisten te innen in geld (ARA, AF, la220, la254, la27, la2539, la2540, la2529 en (Allemagne) la2622; AAE, D.2371 (Leuchterhof)). Dit in tegenstelling tot de adel in bijvoorbeeld het oosten van Europa waar men vaak nog met de hulp van horigen en landarbeiders zelf aan landbouw deed. In Oost-Europa kon men zich namelijk nog beroepen op de goedkope arbeid van lijfeigenen, terwijl het concept van lijfeigenschap in West-Europa praktisch volledig verdwenen was (Confino, 1961). Hierdoor begon men in West-Europa reeds vanaf de middeleeuwen een overschakeling te zien van de organisatie. Men ging steeds meer gronden in pacht uitgeven, hoewel er vaak nog een (kasteel)hoeve in handen van de adellijke heer bleef die het kasteel en haar personeel van voeding voorzag (Verriest, ). De overige gronden werden dan vaak met bomen beplant. Dit systeem vermeed administratieve rompslomp, waarbij men landarbeiders diende aan te nemen, controle op deze arbeiders te organiseren, grote hoeveelheden graan en vee te verkopen of op te slagen, Daarnaast was een kleine organisatie ook veel eenvoudiger te controleren door zowel de rentmeesters als door de 9 In de Engelstalige literatuur wordt naast de stewards (rentmeesters) ook gewag gemaakt van bailiff (baljuws) die een ondergeschikte of gelijkaardige rol als de rentmeesters hadden (Hainsworth 1992). Naast het feit dat de baljuws bij de Arenbergs eerder een gerechtelijke rol speelden, moesten deze ook geen boekhouding indienen (Berghmans, 2013). 24

35 administratie van de hertog in Brussel (Berghmans, 2013). 10 De boekhoudkundige documenten van de rentmeesters van de Arenbergs waren dus vooral gefocust op het traceren van geldstromen (Berghmans, 2013) en niet op het waarderen van graanvoorraden, veestapels, zoals men deze bijvoorbeeld bij een boer zou hebben teruggevonden (Michelsen, 1867). Uitgaande van de literatuur bestonden de boekhoudingen van dergelijke heerlijkheden normalerwijze uit drie boeken: het grootboek, de dagboeken en het waste-book. 11 (Carruthers en Espeland, 1991). Het is echter, wegens de specifieke verplichtingen van de rentmeesters onmogelijk te achterhalen of er ooit dergelijke boeken bijgehouden zijn geweest en hoe deze er precies uitzagen. We gaan er evenwel van uit dat er op zijn minst een soort van dagboek of waste-boek aanwezig was, afgaande op het feit dat de rentmeester maandelijks een kasstaat moesten kunnen geven (AAE, 66/29/I/1). De administratie te Brussel eiste namelijk enkel de rekeningen van de rentmeesters op, die qua vorm en functie gelijkaardig waren als de rekeningen van de algemene kas bij de centrale administratie. Ook hier vormde de rekening een compilatie van alle transacties doorheen het jaar, die uiteraard voorzien van de nodige uitleg (zie bijlage 3.1. en 3.2.), samen met de benodigde contracten, facturen, kwitanties, binnen geleverd moesten worden (ARA, AF, la2539, (Allemagne) la2622 en (Allemagne) la7996). Door het belang van de heerlijke rechten, werden de rekeningen van de rentmeesters soms ontdubbeld in een domeinrekening en in een rekening van de casuele rechten (AAE, 64/1-7). In de domeinrekening vond men dan vooral de inkomsten en uitgaven met betrekking tot verpachtingen, houtverkoop, terug. Dit terwijl men in de rekening van de casuele rechten de transacties kon terugvinden, met betrekking tot het uitoefenen van rechtsmacht (Berghmans, 2013). Opmerkelijk is dat er voor alle rekeningen, om het even waar ze zich bevonden en of het om rekeningen van de domeinen of van de casuele rechten ging, een gelijkaardige structuur geëist werd; eerst de notering van alle inkomsten en dan alle uitgaven. Bij de inkomsten ging men deze ordenen per plaats, terwijl ze bij de uitgaven thematisch behandeld werden (ARA, AF, la220, la254, la27, la2539, la2540, la2529 en (Allemagne) la2622; AAE, D.2371 (Leuchterhof)). In domeinen die verworven werden diende men bij de opmaak van de boekhouding dan ook deze volgorde te gebruiken. Dit zou dan ook vaak de enige verandering zijn, want in se verschilden de boekhoudkundige documenten van de rentmeesters van de hertog niet echt van deze van andere grote heren (ARA, AF, (Allemagne) la3187 en (Allemagne) la6944). Daarnaast was het enigszins de gewoonte dat de rentmeester over de jaren heen ongeveer dezelfde volgorde aanhield binnen de opeenvolgende posten, zodat vergelijken met eerdere jaren mogelijk was. Hierdoor zullen alle rekeningen in opeenvolgende jaren ongeveer even dik zijn (ARA, AF, la220, 10 Pachten bleven echter gevoelig voor fraude van de rentmeesters. Vaak werd er bij de uitgifte van de pachten geld onder tafel geschoven. (Tytgat, 2002). 11 Een waste-book was in feite een groot dagboek waarin men snel alles kon in noteren alvorens het in het net te schrijven (Carruthers en Espeland, 1991). 25

36 la254, la27, la2539, la2540 en la2529), hoewel de inkomsten en uitgaven sterk konden verschillen over de jaren heen (Berghmans, 2013; Neu, 2001a). De grootte van een boekhouding hing namelijk niet af van wat er verdiend of uitgegeven werd, maar van de diversiteit van de bedrijfsactiviteiten (Michelsen, 1867), die in het geval van de rentmeesters van de hertogen over de jaren heen doorgaans hetzelfde bleven. Wat hier aan bijdroeg was het feit dat alle mogelijk te innen inkomsten of uitgaven genoteerd werden, 12 ongeacht of ze daadwerkelijk geïnd of uitgegeven werden (ARA, AF, la177, la5494 en la4685). Net als de centrale administratie werd het gros van de rentmeesterrekeningen trouwens opgesteld in het Frans (ARA, AF, la177, la5494 en la4685). Behalve in de Duitse bezittingen waar men, op enkele uitzonderingen na in het Duits rapporteerde (AAE, D.2371 (Leuchterhof)). Enkel de ontvanger in Duitsland produceerde regelmatig een vrij groot aantal bronnen in het Frans (AAE, 65/4/II/2). Ook de stijl van schrijven is gelijkaardig aan de manier waarop men de journalen in de centrale administratie opstelde; namelijk een narratief vorm waarin men vrij omstandig de inkomsten en uitgaven besprak (ARA, AF, la2529 en (Allemagne) la2622). Op het eerste zicht lijkt dit misschien een beetje vreemd, maar deze schrijfstijl was in die tijd een vrij wijdverspreid gebruik (Carruthers en Espeland, 2001). Het grootste probleem met de rekening van de domeinen en, indien van toepassing, deze van de casuele rechten, was dat het eerder een gewoonte dan een uitzondering was dat deze te laat toekwamen bij de administratie in Brussel/Edingen (AAE, D.1495). Zo had men bij de stadhouder van Arenberg in het jaar 1769, nog geen enkele rentmeesterrekening uit het jaar 1768 ontvangen en ontbraken er zelfs nog enkele uit het jaar Dit was uiteraard een doorn in het oog van de algemeen beheerder en zijn administratie. Want pas nadat de rentmeesters hun rekeningen hadden opgemaakt, konden men eventuele overschotten bij de rentmeesters (laten) innen (ARA, AF, la27, la220 en la254). Ook de kastoestanden kenden regelmatig vertraging, zeker in periodes van oorlog of andere perikelen, wanneer rentmeesters vaak te druk bezig waren om hun administratie op orde te krijgen. Wanneer men toch kon rekenen op een duidelijke kassituatie werden deze domeinen niet alleen belast met de overdracht aan de hertog, maar ook aan andere instanties. Hieronder kunnen we allerlei schuldeisers, pensioenen of liefdadigheidsinstellingen verstaan. Hierdoor kon men in Brussel de eigen kassen sparen in tijden van moeilijkheden, maar er ook voor zorgen dat het geld minder grote afstanden moest afleggen (AAE, D.1845; ARA, la27). Om de rentmeester enigszins te motiveren om zijn toegewezen domein goed te beheren en zijn boekhouding op tijd binnen te leveren, ging men het gros van de rentmeesters variabele lonen toekennen, die gebaseerd waren op de gerealiseerde opbrengsten (AAE, 66/29/II/10). Wou de rentmeester dit geld snel hebben, dan moest hij ook snel zijn rekening laten afhoren. 12 Hiermee bedoelen we alle inkomsten die ooit ontvangen zijn geweest of waarop men dacht recht te hebben. Voor de uitgaven gaf men steeds deze weer die de rentmeester op regelmatige basis inde (ARA, AF, la177, la5494 en la4685). 26

37 3.3.3.b. Doel van de rentmeesterboekhouding Het rentmeesterschap was dus een wijdverspreid concept in Europa (Hainsworth, 1992). En desondanks de verschillen in organisatie binnen Europa hadden de boekhoudingen overal ongeveer eenzelfde doel. In een studie van Turzińsky (2011) komen de drie voornaamste benaderingen naar voor waarop we een boekhouding van dergelijke rentmeesters volgens hem kunnen interpreteren: 1) Als een opheldering van de gemaakte beheersbeslissingen 2) Registratie van rekeningen en het afrekenen met de rentmeesters 3) Registratie van geldstromen en financiële winsten of verliezen Naast een gebrek aan een homogene taakomschrijving, zien we dus ook dat het beheer en de doelstellingen van verantwoordelijkheid van dergelijke boekhoudingen ver uiteen lagen. Iedere familie had zijn eigen systeem en vormgeving, aangezien er van hogerhand geen wetgeving opgelegd werd. De redenen waarom men dergelijke boekhoudkundige documenten afhoorde vormden evenzeer een uitgebreide groep. Toezicht op de beschikbare middelen, registratie van de opbrengsten van het land, controle op de rentmeesters, zijn slechts een bloemlezing uit de vele mogelijkheden die een boekhouding in die tijd bood (Turzińsky, 2011). Toegepast op de boekhouding van de rentmeesters van de hertogen van Arenberg blijkt dat deze hoofdzakelijk benaderd werd volgens de 3 de categorie: als een registratie van geldstromen en financiële winsten of verliezen (ARA, AF, la220, la254 en la27). Het eerste punt; het uitleggen van gemaakte beheersbeslissingen werd namelijk vooral via de inspectie geregeld (Berghmans en De Vijlder, 2014; Tytgat, 2002). Daarenboven komt nog dat de rentmeester steeds meer moest gehoorzamen aan de centrale administratie te Brussel en bijgevolg steeds minder beslissingen had uit te leggen (Berghmans en De Vijlder, 2014). Het tweede punt, het registreren van rekeningen en het afrekenen is slechts gedeeltelijk van toepassing. Een groot deel van contracten werd slechts getekend onder toeziend oog van een inspecteur, maar dienden uiteindelijk toch als het nodige bewijs samen met de rest van de boekhouding doorgegeven te worden (Tytgat, 2002). Ook het loon van de rentmeester werd slechts in beperkte mate bepaald door de inkomsten die hij realiseerde waardoor uiteindelijk ook het belang van dit tweede punt beperkt bleef (AAE, 66/29/II/10). De hoofdbenadering was echter deze van registratie van geldstromen en financiële winsten of verliezen. Belangrijkste reden om dit aan te nemen is de uitdrukkelijke verplichting die bestond om maandelijkse kasstaten op te stellen, zodat men wist bij welke rentmeester men geld kon opeisen. Daarnaast waren deze kasstromen ook de voornaamste verbinding tussen de boekhouding van de rentmeesters en deze van de administratie (AAE, 64/1-7 en 66/29/8). 27

38 3.3.3.c. Aparte entiteit of boekhoudkundige geheel? Hoewel de boekhouding van de rentmeester ook kon dienen als gerechtelijk bewijs (Dobie en Oldroyd, 2009), was haar voornaamste taak de informatieoverdracht, in dit geval dus de geldstromen, van rentmeester naar het centrale niveau faciliteren (AAE, 64/1-7). Juist om deze redenen geeft Hainsworth (1992) aan dat we de rekeningen van de rentmeester effectief moeten beschouwen als deze van de rentmeester en niet als een onderdeel van de boekhouding van de centrale administratie. Inkomsten moeten dan ook als een schuld gezien worden die de rentmeester had ten opzichte van de heer, terwijl de uitgaven die hij maakte krediet aan zijn heer waren (Hainsworth, 1992). 13 Deze scheiding neemt echter niet weg dat de rentmeesters gebonden waren aan het huis van zijn heer en deze dienden te gehoorzamen. Met andere woorden de boekhouding van de rentmeester diende een onafhankelijke boekhoudkundige entiteit te vormen om hem te kunnen controleren en geen conflicten binnen de centrale administratie te veroorzaken (Hainsworth, 1992). Doordat hun boekhouding een aparte entiteit vormde waren de rentmeesters ook verantwoordelijk voor de belastingen die ze, ten gevolge van de inkomsten en stukken land die ze beheerden, dienden te betalen (AAE, AF, la2529). Daaruit volgt dan ook zijn taak om ervoor te zorgen dat de belastingen die hij moest betalen zo laag mogelijk waren. Dat was trouwens iets waarin de rentmeesters zich, met de hulp van de centrale administratie, schijnbaar in gespecialiseerd hadden (Berghmans, 2013; Guyot, 1781; Hainsworth, 1992). Hoewel de boekhouding van de rentmeesters dus als onafhankelijk beschouwd moet worden, werden er, zeker gedurende het ancien regime enkele inbreuken op gemaakt. Zo ging men in het land van Edingen bijvoorbeeld boompjes aanplanten, die afkomstig waren uit een plantage in een naburig domein van de hertogen. Hierbij werden enkel de transportkosten op de rekening van de Edingse rentmeester geplaatst. Dit terwijl de kosten voor het onderhoud, van de plantage volledig voor de andere rentmeester waren. Eenzelfde probleem kunnen we ook terugvinden voor de leveringen van voedsel aan het kasteel van Edingen. Hier resideerde de hertog en zijn administratie zeer vaak, en werd in feite ook door de centrale administratie beheerd (ARA, AF, la49, la147, la173, la220, la332, la1028, la1076, la1181, la2534, la4188, la5495 en la8049), maar toch werden een deel van de kosten op het conto van de rentmeester gezet (ARA, AF, la220). Deze situatie maakt dat we vandaag kunnen spreken over het feit dat men gedurende de 18 de eeuw een kostenallocatie probleem had. Deze uitspraak is wel enigszins een anachronisme, want de wetenschappelijke discussie over kostenallocatie zou pas losbarsten aan het begin 19 de eeuw (Johnson en Kaplan, 1987). 13 Een voorbeeld hiervan is het gebruik van kwijtingen wanneer de rentmeester geld bezorgde aan de kassier. (Bijvoorbeeld: AAE, 65/4/II/ 2 Gaillard ) 28

39 3.3.3.d. Overige documenten Waren er dan nog andere documenten die de rentmeester in zijn bezit had of diende op te sturen? Uiteraard; zo moest de rentmeester maandelijks een kasstaat opmaken die doorgestuurd diende te worden naar Edingen/Brussel. Op deze manier wist men in Edingen of Brussel bij welke rentmeesters men geld kon afhalen (AAE, 66/29/I/1). Daarnaast gingen de rentmeesters meehelpen met de aanmaak van allerlei andere documenten die voor ofwel een preciezere omschrijving van het bezit zorgden, ofwel het potentieel van het domein dienden mede te delen. Zo gingen sommige rentmeesters in de jaren 80 van de 18 de eeuw denombrementen uitschrijven in de hoop meer info te verkrijgen over de oppervlaktes van de eigendommen (AAE, D.1450 en D.1451). In sommige gevallen ging men ook over tot het doorsturen van bevolkingscijfers, dewelke onder andere info konden geven over het potentieel van inkomsten uit heerlijke rechten en het algemene economische potentieel van het gebied. (AAE, D.1450). Onder invloed van de voortschrijdende cartografische kennis, gingen de Arenbergs ook kaarten laten opmaken van hun bezittingen (ARA, AF, K&P, nr.2566 en nr.2572). Hoewel men hieruit niet onmiddellijk de waarde kon afleiden, had men voor het eerst een duidelijk zicht op de precieze omvang van de domeinen. Hiermee samenhangend ging men in de jaren 80 van de 18 de eeuw vragen aan de rentmeesters en de inspecteurs om de bosbestanden door te geven; zodat men vanuit de centrale administratie de bosbouw beter kon organiseren (AAE, 66/29/II/2). Het is niet verwonderlijk dat de bosbouw door de Arenbergs verkozen werd; de bosbouw was zowat de enige economische activiteit die de rentmeesters nog zelf dienden te organiseren, aangezien het gros van de overige bezittingen verpacht werd (Berghmans, 2013). Naast documenten die het economisch potentieel van de bezittingen gingen weergeven, ging men ook documenten opmaken die gebruikt werden om de belangen van de heer te verdedigen. Een mooi voorbeeld hiervan zijn de leenboeken. In deze boeken ging men alle lenen zorgvuldig oplijsten, opdat men een idee had welke lenen (potentieel) onderhevig waren aan bepaalde belastingen (Berghmans, 2013). Tenslotte is er uiteraard nog de officiële briefwisseling met Edingen/Brussel. Deze briefwisseling is eenvoudig te traceren via de boeken van de hertogelijke kanselarij. We dienen evenwel te benadrukken dat het hier niet gaat over privécorrespondentie tussen de rentmeester en medewerkers van de centrale administratie. Met andere woorden we hebben enkel zicht op de officiële communicatie. Deze officiële communicatie hield voornamelijk orders en toelatingen in die naar de rentmeesters werden gestuurd en onderzoekers inzichten kunnen leveren in hoe en op welke manier de communicatie met de rentmeester gevoerd werd (AAE, 66/22). 29

40 Afbeelding 2: Schema van de rapporteringverplichtingen bij het beheer van de activa van de hertogen van Arenberg (2 de helft 18 de eeuw) 30

41 Afbeelding 3: Schema van de geldstromen bij het beheer van de activa van de hertogen van Arenberg (2 de helft 18 de eeuw) Dit is de normale gang van zaken, het is evenwel mogelijk dat de inkomsten van bepaalde bezittingen, zeker de perifere bezittingen, geïnd werden door andere medewerkers of buitenstaanders. Daarnaast gebeurde het ook dat bepaalde inkomsten van de rentmeesters rechtstreeks toegewezen werden aan derden door de centrale administratie (AAE, 64/1-7 en 66/17). 31

42 3.4. Conclusie voor de eerste onderzoeksperiode De boekhouding van de hertogen van Arenberg kan in de periode dus getypeerd worden als een vrij eenvoudige enkele boekhouding. Op het centrale niveau ging men met de journalen, de kasstaten en de rekeningen van de algemene kas, een vrij beperkt aantal boekhoudkundige bronnen bijhouden. Een sleutelrol werd hier gespeeld door de hoofdkassier, die zowel de rekeningen als de journalen van de algemene kas, diende op te maken en hiermee alle inkomsten en uitgaven ging noteren. Daarnaast was deze verplicht om de rekeningen van de algemene kas te laten afhoren.. Net als bij de overige journalen en de rekeningen van de rentmeesters, waren deze documenten er uitsluitend op gericht om kastransacties te registreren. Dit systeem vormde een vrij goed werkende geheel en volstond voor de doelstelling die men met de boekhouding voorhad; namelijk de correctheid van de geldtransacties controleren. Toch dook er evenwel een probleem op aan de periferie van de administratie. Namelijk het feit dat de rekeningen van de Duits algemeen ontvanger, de bankier Meinertzhagen, die de geldtransacties van en naar de Duitse gebieden regelde, niet gecontroleerd konden worden. In het kader van een betere uitoefening van deze controle, zou men hem dan ook vervangen door een lokale medewerker. Naast de rekeningen van het centrale niveau maakten ook de rekeningen van de rentmeester een wezenlijk onderdeel uit van de boekhouding van de hertogelijke organisatie. De belangrijkste rekeningen werden gevormd door respectievelijk de domeinrekeningen en rekeningen van de casuele rechten. Deze twee rekeningen van de rentmeester werden, net als alle documenten trouwens opgesteld in een enigszins narratieve stijl, die verder bouwde op de middeleeuwse tradities. Doordat we de boekhoudingen van de rentmeester als een onafhankelijke entiteit moeten zien binnen de gehele boekhoudstructuur werden de rentmeesterrekeningen niet vermengd met rekeningen van andere rentmeesters of deze van het centraal niveau. In de praktijk zouden hierop evenwel enkele inbreuken plaatsvinden. De functie van deze rekeningen bestond dan ook in het controleren van de transacties die de rentmeester had uitgevoerd. Dit omdat de rentmeester zijn beleid niet alleen rechtstreeks bepaald werd door de hertogelijke raad, maar ook geïnspecteerd werd door medewerkers van de centrale administratie (Berghmans en De Vijlder, 2014). Het is dan ook geen wonder dat de rentmeester zijn boekhouding een eenvoudige kasboekhouding was. 32

43 4. De boekhouding van de hertogen van Arenberg in de periode Historische achtergrond De 18 de eeuw was geëindigd in een revolutionair bloedbad. Grote delen van continentaal West-Europa hadden zwaar geleden onder de exploten van de Franse republikeinen en zouden aan het begin van de 19 de eeuw nog te maken krijgen met de legers van Napoleon Bonaparte. Voor het gros van de adel en vooral de geestelijkheid was het een periode waarin ze aanzienlijke delen van hun macht en bezit verloren zagen gaan. Na de val van Napoleon in 1815 werd de macht van de adel gedeeltelijk hersteld. In vele gevallen wisten ze hun oude titels en landgoederen opnieuw te claimen. Ook hun politieke macht wisten sommigen (gedeeltelijk) terug te vorderen. Wat echter wel verloren was gegaan in de kruitdampen van de Franse revolutie waren het gros van de diverse (voor)rechten die de adel eeuwenlang hadden kunnen genieten in Frankrijk en de Nederlanden (Palmer et al., 2006). De positie van de oude landadel kreeg hiermee een stevige knauw. Daarbij kwam nog dat ze op economisch vlak bijgehaald werden door een nieuwe elite van industriëlen. De leden van deze nieuwe sociale elite zouden er soms zelf in slagen een adellijke titel te verkrijgen; uiteraard tot ongenoegen van deze oude landadel (Janssens, 2005). Eigenlijk was in de volledige eerste helft van de 19 de eeuw het revolutionaire spook nooit veraf. Op diverse momenten kwam het in Europa tot stevige onlusten. In hun Duitse bezittingen zouden de hertogen zelfs rechtstreeks te maken krijgen met zo een opstand in het revolutionaire jaar De hertogen werden er, omwille van hun rechten en landerijen, het mikpunt van processen en regelrechte vernielingen van woedende burgers. Deze waren echter niet zozeer gericht tegen de hertogen zelf als tegen de algemene economische toestand (Neu, 2001b). Ook zou de rol van de hertogen van Arenberg drastisch veranderen op het Europese toneel. In de Nederlanden en in Frankrijk zouden ze een groot deel van hun rechten kwijtspelen gedurende Napoleonistische oorlogen, terwijl ze in Duitsland, een tijdje soeverein van het Hertogdom Arenberg- Meppen waren om na de val van Napoleon slechts nog wat semi-soevereine rechten uit te oefenen in Meppen. Ook in Recklinghausen was er een regering aanwezig die bepaalde rechten kon uitoefenen (Neu, 2001c) Toch bleven de Arenbergs een belangrijke familie in Europa en zeker in onze gewesten. Toen in 1830 alle grootmachten hun kandidaten voor de Belgische troon naar voren schoven, kon de hertog van Arenberg, uiteraard niet ontbreken. Als exemplarische katholieke familie was de hertog de kandidaat van de Heilige Stoel (d Arenberg, 1991). Ook de opgang van de natiestaat wist het de hertogen knap lastig te maken. De adel werd namelijk gedwongen om een bepaalde nationaliteit aan te nemen (Triest en Van Poucke, 2013). Een lastige keuze voor de hertogen aangezien ze contacten onderhielden met de Oostenrijkse keizer, de koningen 33

44 van Hannover en Pruisen, maar ook met de Belgische en Franse staat. Het bleef echter vooral schipperen tussen België en Pruisen, waar de voornaamste bezittingen van de Arenbergs zich, ook na de revolutionaire periode, bevonden (Neu, 2001b) Doorbraak industrialisering en haar invloed op het boekhouden Ook op economisch vlak bewoog er wat in West-Europa. Overal in West-Europa begon men aan het begin van de 19 de eeuw met de bouw van fabrieken, spoorwegen en mijnen (Palmer et al., 2006). Om deze industrialisering door te zetten had men uiteraard handen vol geld nodig. Aanvankelijk waren het vooral kooplui en burgers die zich in de, vaak risicovolle, vennootschappen engageerden. Ook een deel van de adellijke families ging zich inkopen in de industriële ondernemingen (Lemarchand, 1995). Toch bleef er een wezenlijk verschil bestaan tussen beide groepen. Doorgaans bezaten de adellijke families geen meerderheidsbelangen in de bedrijven waarin ze investeerden. Desondanks bleken ze in de meeste gevallen onontbeerlijk in de aandeelhoudersvergaderingen van grote bedrijven waar men de edellieden plaatste om de vergadering wat cachet bij te brengen. Men kon deze bevolkingsgroep dan ook vaak in de raden van steenkoolmijnen, de banksector en de spoor- en wegenbouw terugvinden. (Janssens, 2009). Hoeveel de adel ook investeerde in industriële vennootschappen, aan hun kastelen, landerijen en bossen raakten ze doorgaans niet. Deze werden doorgaans ook verder beheerd zoals dit in de 18 de eeuw gebeurde. Pas in de 20 ste eeuw ging de adel zijn landbezit langzaam beginnen organiseren in diverse soorten vennootschappen (Janssens, 2009). De industrialisering van West-Europa had uiteraard ook zijn invloed op de ontwikkeling van het boekhouden. Zo kende het dubbel boekhouden zijn definitieve doorbraak door het toenemende aantal industriële vennootschappen (Dobie en Oldroyd, 2009). Doch werden nog steeds niet alle grote ondernemingen beheerd volgens het dubbel boekhoudingsysteem. Meestal hing dit af van de aandeelhouders: doorgaans, maar niet altijd, gebruikten handelaars het dubbelboekhoudsysteem. Daartegenover stonden de grootgrondbezitters/adel die in de meeste gevallen een enkelvoudige boekhouding voerden. Bijgevolg hadden de vennootschappen die beide groepen gingen oprichten meestal een boekhoudkundig systeem dat vrij nauw aansloot bij dat van de (grootste groep) aandeelhouders (Lemarchand, 1995). Ondanks het feit dat het enkelboekhoudsysteem niet volledig ten onder ging, drong het idee dat het dubbelboekhoudsysteem superieur was aan het enkele systeem steeds verder door in de literatuur. Sommige auteurs uit die tijd, zoals Beckmann (1829) gingen zelfs zo ver om andere vormen van boekhoudingen volledig te verwerpen. Een radicale stelling die afgaande op ons onderzoek zeker niet door iedereen gevolgd zou worden. Toch gingen de wetenschappelijke discussies aan het begin van de 19 de eeuw niet enkel over het gebruik van het dubbel boekhouden. Ook andere onderwerpen kwamen aan bod. Vooral de vraag hoe men verdere administratieve controle kon implementeren in de boekhouding zou leiden tot diverse 34

45 discussies. Kern van het debat zouden de kosten van arbeid en hun verdeling over de geproduceerde producten zijn. Men hoopte dat wanneer deze kosten beter weer gegeven werden, men eventueel maatregelen kon nemen om deze te verlagen (Johnson en Kaplan, 1987; Zeff, 2010) De boekhouding van de centrale administratie De centrale administratie Met al deze veranderingen op sociaal, politiek en economisch gebied, mag het dan ook niet verwonderen dat zowel de boekhouding als de administratie van de hertogen enkele veranderingen doormaakten in de 19 de eeuw. Een eerste punt dat we kunnen constateren is de tendens tot het verzamelen van steeds meer info over het bezit bij de centrale administratie. Men wou zich steeds meer vergewissen van wat het potentieel was van de bezittingen. Opnieuw zou de bosbouw een belangrijk punt van het beheer vormen. Zo zette de administratie in Brussel zich volop in om bosplantages op te richten in de verschillende domeinen. Dit met de hulp van rondreizende boswachters, die hiermee definitief aantoonden dat ook de feitelijke controle van de landgoederen bij de centrale administratie lag (Tallier, 2006). In 1850 ging men zelfs alle bossen in België zeer precies laten opmeten. Via deze intensivering hoopte men om de verliezen die het gevolg waren van de revolutie en erfenissen op te vangen (Tallier, 2006). Doordat men zo sterk focuste op het beheer van de bossen mag het dan ook niet verwonderen dat het gros van de algemeen beheerders na 1825 bekend stonden als onderwezen of zelfs expert in de sylvicultuur. Dergelijke algehele toewijding van de administratie aan de bosbouw noopte Tallier de hertogen tot Gentlemen forestiers te benoemen (Tallier, 2006, pg.13). Toch waren al deze evoluties slechts een exponent van de hervormingen die de centrale administratie reeds was gestart in de 18 de eeuw. Hierbij probeerde de administratie kennis op het lokale niveau te accumuleren en te verspreiden over haar bezittingen. Hiermee beoogde ze niet alleen de rentmeesters beter te beteugelen, maar de domeinen ook beter te doen renderen (Berghmans en De Vijlder, 2014). In het kader van daarvan ging men trouwens ook af en toe een poging ondernemen om een bezitswaardering uit te voeren aan de hand van de inkomsten van de domeinen (AAE, 66/10-14/3). 15 De vroege 19 de eeuw zou ook het moment zijn dat het Paleis aan de Zavel te Brussel de definitieve uitvalsbasis van de centrale administratie zou worden. Dit gebeurde nadat de centrale kas in 1822 van Parijs naar het paleis aan de Zavel te Brussel werd overgebracht (Neu, 2001c). 15 Dit werd echter op een vrij eenvoudige manier gedaan; via het vermenigvuldigen van de jaarlijkse inkomsten, maal 25 (AAE, 66/10-14/3). 35

46 4.3.1.a. De hervormingen binnen de Duitse administratie Toch was het de Duitse administratie die de grootste verandering meemaakte bij de aanvang van de 19 de eeuw. Zo werd er een administratie ingesteld die het soevereine hertogdom Arenberg-Meppen ging besturen. Deze bleef tot 1875 bestaan. Ook in Recklinghausen was er een tijdje een regering aanwezig. Het zou ons te ver brengen om deze volledig te bespreken, maar de geïnteresseerde lezer verwijzen we verder naar het werk van Neu (2001c). Daarnaast hadden de hertogen, om het verlies van goederen na de Franse revolutie op te vangen (Tallier, 2006), enkele grote landgoederen aangekocht in de Duitse ruimte. Met deze uitbreiding volstond het systeem van de Regierungsrat te Arenberg niet meer. Daarom installeerde men een inspectie in Recklinghausen onder leiding van een algemeen domeininspecteur. Zijn taak bestond erin de hertogelijke bezittingen in en rond Meppen, Dülmen en Recklinghausen zelf te controleren. Het duurde echter niet lang eer de algemeen domeininspecteur en zijn medewerkers in Recklinghausen moeilijkheden zouden krijgen met de hoeveelheid werk. Na verloop van tijd zouden deze daarom bijgestaan worden door de hulpstations te Schleiden (later Keulen) en Meppen 16 (Neu, 2001c). De reden waarom deze twee er bij kwamen was het feit dat de Duitse bezittingen vrij verspreid lagen. Schleiden en Meppen bijvoorbeeld liggen ongeveer 300 kilometer van elkaar verwijderd, met Recklingshausen daar ergens tussenin (Neu, 2001c). Indien men alle bezittingen vanuit slechts één plaatsje had moeten controleren hadden de inspecteurs veel te grote afstanden moeten overbruggen en was het moeilijk geweest om regelmatig toe te zien op de lokale rentmeesters. Ook de grootte van de nieuwe domeinen verantwoordde enigszins de oprichting van deze hulpadministraties. Aan het hoofd van deze inspectie stond, gedurende de periode de voornoemde algemene domeininspecteur. Later werd deze functie afgeschaft (Neu, 2001c) en vervangen door een raad, naar analogie met de hertogelijke raad die de Belgische en Franse bezittingen beheerden (AAE, 66/29/II/2). Daarnaast bevonden er zich in Recklinghausen nog klerken, overige inspecteurs en een calculator, die verantwoordelijk was voor het berekenen en controleren van de domeinrekeningen (Neu, 2001c), een taak die in Brussel vervuld werd door de algemeen beheerder, de domeininspecteurs en de hoofdkassier (AAE, 66/29/II/2). Zelfs stond de inspectie via een intensieve briefwisseling in contact en onder controle van de administratie te Brussel (Neu, 2001c), maar ook met een algemeen ontvanger die eerst in Düsseldorf en later in Keulen de geldstromen tussen Brussel en de Duitse bezittingen zou faciliteren 17 (AAE, D.1845). Hiermee nam hij feitelijk de plaats in van Meinertzhagen die een twintigtal jaar voordien aan 16 In Meppen bestond er eveneens een rekenkamer, een regeringsraad, justitiekanselarij en een soort van gebouwenbeheerder. Ook in Recklinghausen bestond er een gelijkaardige structuur. De meeste van deze instituties dienden specifiek de correcte inning van de semi-soevereine rechten te controleren. Allen werkten nauw samen met de plaatselijke afdeling van de domeininspectie en zouden er stilletjes in opgaan onder druk van de toenemende macht van Pruisen die de rechten van de Arenbergs steeds verder usurpeerde (Neu, 2001c). 17 Bij aanvang van de 19 de eeuw, zou hij nog rechtstreeks de overschotten van enkele domeinen innen. Dit was dan vaak het geval bij de wijngoederen van de hertog, die hun overschot in wijn gingen leveren (AAE, D.1845) 36

47 de deur gezet was. Naar analogie met de rentmeesters moest deze algemene ontvanger in Keulen, de kastoestand van verschillende kassen berichten aan de centrale administratie te Brussel (AAE, D.1844 en D.1845). De algemeen ontvanger ging zo aan het begin van de 19 de eeuw een 3-tal kasstaten opmaken. Een kas van de domeinen, waarin alle overschotten van de domeinen vloeiden, een militaire kas en een kas waarin uitgegeven kapitaal en rentes in werden verzameld (AAE, D.1844). In Brussel was men zich terdege bewust van de ondergeschikte positie van hun man in Keulen en ze hielden zich dan ook niet in, wanneer ze onregelmatigheden bespeurden. Zo stuurde algemeen beheerder Stock in het jaar 1809 bijvoorbeeld enkele opmerkingen omtrent het gebruik van een foute wisselkoers die resulteerden in verliezen (AAE, D.1843). Deze muntproblematiek bleef voor discussies zorgen met de Duitse medewerkers. Zo kampte men in Duitsland in 1807 met de omloop van slecht geld; dit is geld dat onderhevig was geweest aan de frauduleuze daad van het afschrapen of eenvoudigweg ontwaard was geweest door de uitgever. Ook het Franse papiergeld zorgde voor heel wat verwarring op de financiële markten (Neu, 2001c). Op zulke momenten was het onmiddellijk ingrijpen van de plaatselijke verantwoordelijken en controlesystemen zeer hard nodig om grote verliezen te vermijden De boekhoudkundige documenten a. De journalen Net zoals in de eerdere perioden werd er bij de centrale administratie te Brussel een uitermate groot belang gehecht aan de journalen en dan vooral aan deze van de algemene kas. Opmerkelijk is dat deze journalen ook de transacties incorporeerden van de kassier te Parijs, zolang deze kas uiteraard nog bestond. Niet onlogisch aangezien de algemeen beheerder zich op regelmatige tijdstippen naar daar zou begeven (ARA, AF, sa1414). Daarnaast zien we ook enkele nieuwigheden. Want hoewel een journaal uiteraard een journaal bleef en zijn rol dus niet zou veranderen, zou de vormgeving van deze documenten aanzienlijk veranderen. Qua inhoud werden er echter geen nieuwigheden geïntroduceerd; de journalen bleven zich enkel richten op de kasstromen (AAE, 64/15). Wat betreft de nieuwigheden zien we de eerste kleine evoluties vanaf Augustus 1815 in de journalen van de algemene kas. Eerst ging men gebruik beginnen maken van een transport 19, enkele dagen later begon men met de nummers van de specifieke betaal- of ontvangstbewijzen neer te pennen naast de specifieke inkomst of uitgave. Het stelde de hoofdkassier in staat om eenvoudiger en sneller 18 Om toch enigszins overweg te kunnen met de vele soorten geld die in de Duitse ruimte aanwezig waren, moest men in de journalen van de algemeen ontvanger werken met twee muntkoersen; de Gemeiner Kurs en een Frankfurter Kurs (AAE D2373). 19 Dit wil zeggen een overdracht van de laatste som van de groep inkomsten of uitgaven naar de volgende pagina (ARA, AF, sa1418). 37

48 problematische transacties op te sporen en daarbij ook nog eens om zo orde op zake te stellen (ARA, AF, sa1418). Ook qua schrijfstijl zouden de journalen evolueren. Dit van een uitvoerige narratieve opbouw naar een meer secure en eenvoudige stijl. Dit is vooral op te merken vanaf het jaar 1819 (AAE, 64/15). In feite zou deze stijlevolutie niet enkel plaatsvinden bij de journalen, maar voor alle rekeningen en boekhoudingen die gemaakt werden binnen de administratie. Dit was het gevolg van de massale verspreiding van handboeken boekhouden (Evans, 2010). Hierin werd gepredikt dat dergelijk taalgebruik veel objectiever en duidelijker overkwam dan het oude narratieve discours dat de boekhouder voerde (Carruthers en Espeland, 1991). In dit kader werden de journalen steeds meer in speciaal voorgedrukte boeken bijgehouden (ARA, AF, sa1418). Op het eerste zicht misschien triviaal, maar het belang hiervan mag niet onderschat worden, daar men hiermee de uniformiteit versterkte. Door al deze hervormingen kregen de journalen dan ook een veel moderner uitzicht (AAE, 64/15; ARA, AF, sa1404). Als we er vanuit gaan dat de grootboeken, die verder besproken zullen worden, opgebouwd waren uit de verschillende journalen, moeten er buiten de journalen van de algemene kas in die periode een stevig aantal journalen bijgehouden zijn geweest. Alles samen moeten dit er minstens 28 zijn geweest, voor de periode Uiteraard bleven deze net als in de eerdere periodes klein en verwezen vooral naar transacties van de algemene kas (ARA, AF, sa1396). 20 De grootste verandering zou evenwel ten laatste plaats vinden rond het jaar 1822; dan ging men het dubbelboekhoudsysteem invoeren bij de journalen van de algemene kas (ARA, AF, sa1412). Hiermee zouden alle transacties van de kas uitdrukkelijk verbonden worden aan de personen die bepaalde inkomsten en uitgaven realiseerden. Eveneens werd er bij vermeld in welke mate de transactie een inkomst of uitgave was voor de rekening van de hertog. Het was uiteraard ook mogelijk dat bepaalde transacties geen invloed hadden op de geldbuidel van de hertog; wanneer de algemene kas bijvoorbeeld als transit gebruikt werd. Iets dat bijvoorbeeld vaak het geval was bij transacties die in naam van familieleden van de hertog uitgevoerd werden. (ARA, AF, sa1384, sa1412 en sa1418). De administratie van de hertog en dan vooral de hoofdkassiers beheerden namelijk ook de goederen van enkele familieleden. Dit is dan ook zeer waarschijnlijk de reden dat deze rekeningen van de algemene kas opgesteld werden volgens het dubbelboekhoudsysteem. Dit gaf de mogelijkheid om de inkomsten en uitgaven van deze familieleden enigszins te filteren uit het journaal en overzichtelijk weer te geven welke inkomsten en uitgaven betrekking hadden op de hertogen (zie bijlage 4.1.). Uiteraard bleef het journaal van de algemene kas, de naam zegt het feitelijk al, enkel de kastransacties registreren. 20 Daarnaast bestond er nog, nauw verwant met de journalen, een kasboek van de kassier, dewelke feitelijk een vereenvoudigde versie was van het journaal van de algemene kas (ARA, AF, sa1444) 38

49 4.3.2.b. De rekening van de algemene kas Voor deze periode beschikken we jammer genoeg slechts over één rekening van de algemene kas en dan bevindt deze zich nog bij de aanvang van de 19 de eeuw. Aangezien we wel nog één teruggevonden hebben voor het jaar 1870, die qua inhoud analoog was met deze van de 18 de eeuw; gaan we er evenwel van uit dat er niet veel veranderde in de opbouw (AAE, 66/9/II/4). Doch zien we ook hier gelijkaardige veranderingen optreden die we ook terugzagen bij de journalen; alles werd secuurder en de narratieve beschrijvingen van inkomsten en/of uitgaven verdwenen stilaan uit de bronnen. (AAE, 66/9/II/4). Wat we ook terugvinden voor deze periode zijn afgeleide bronnen van deze rekening van de algemene kas, waarin één aspect in de schijnwerpers wordt geplaatst. Dit waren dan vooral documenten met betrekking tot de domeininkomsten (AAE, 66/9/II/3 en 66/10). Dit mag evenwel niet verwonderen, aangezien de administratie zich steeds meer ging inspannen om hogere inkomsten te verkrijgen uit haar domeinen, o.a. aan de hand van dergelijke bronnen (Berghmans en De Vijlder, 2014; Tallier, 2006) c. De grootboeken Een andere nieuwigheid binnen de boekhouding van de centrale administratie was de introductie van het grootboek. Hoewel we niet zeker kunnen zijn over het moment dat deze boeken geïntroduceerd werden was dit, afgaand op de reglementen, waarschijnlijk niet het geval voor het begin van de 19 de eeuw (AAE, 66/29/I/1, 66/29/II/2, 66/29/4, 66/29/8, 66/29/9 en 66/30). Dit grootboek werd bijgehouden volgens een bilaterale notering, doch evenwel geen dubbelboekhoudsysteem. 21 Deze bilaterale notering was nodig om de verschillende journalen te kunnen incorporeren. Anderzijds gaf dit het gigantische voordeel om interne transacties binnen de ruime boekhoudkundige structuur (overzichtelijk) weer te geven. Zo waren er in de periode ongeveer een 16-tal personen binnen de centrale administratie die op regelmatige basis geld naar elkaar doorstuurden (ARA, AF, sa1396). Deze bilaterale kasboekhouding slaagde er daarmee in om meer weer te geven dan uitsluitend de inkomsten en uitgaven; namelijk de geldstromen binnen de organisatie. Naar ons oordeel is er wel één zinnetje dat de efficiëntie van het grootboek drastisch naar beneden haalde. Namelijk het gebruik van A/par divers pour divers dat een bundeling van kasstromen indiceert. Deze bundeling zorgt ervoor dat we zeer moeilijk kunnen achterhalen waar nu juist de gedebiteerde of 21 Dit mag niet verward worden met een dubbelboekhoudsysteem, waar men gebruik maakt van twee parallelle kolommen op eenzelfde bladzijde en daarmee tegelijkertijd ook een bilateraal is. In dit geval had men echter geen parallelle notering, maar een gescheiden, bilaterale notering, verspreid over meerdere pagina s (Glick, 2011 en ARA, AF, sa1396). 39

50 gecrediteerde opgave aanwezig was. 22 Uiteraard bleef het mogelijk om deze info te achterhalen in de bewijsstukken of journalen, maar dit maakte het er uiteraard niet eenvoudiger op (ARA, AF, sa1396). De vraag is natuurlijk waaraan we deze vernieuwingen moeten toeschrijven: aan een overtuiging dat een grootboek een oneindige verrijking is voor de administratie? Dat men bij de introductie van een grootboek tot inzichten komt die men anders niet ziet? Het plotse besef dat een bilaterale formulering superieur is? De antwoorden hierop zijn in de drie gevallen negatief. De eerste twee kunnen onmiddellijk geschrapt worden omwille van het feit dat het grootboek niet veel nieuwigheid bracht. Reeds in de balans en de journalen van de 18 de eeuw kon men achterhalen, wie betrokken was bij bepaalde transacties. Ook de mogelijkheid dat men de superioriteit van de voorloper van het dubbelboekhoudsysteem (=de bilaterale formulering) inzag, is naar onze mening betrekkelijk klein. Dit veronderstellen we omdat men anders ook aan de rentmeesters gevraagd zou hebben om grootboeken op te stellen, hetgeen niet gebeurde. Daarom kunnen we de introductie van het grootboek volgens ons plaatsen in de tendens tot vereenvoudiging en opheldering, die we terugzien in de overige boeken van deze periode. Het grootboek had als doel vooral te synthetiseren en was in dat opzicht vergelijkbaar met de rekening van de algemene kas. Waar deze vooral een synthese van de inkomsten en uitgaven per thema zou zijn (AAE, 64/1-7), was het grootboek van de centrale administratie vooral een synthese van de kasstromen (ARA, AF, sa1396). Al deze veranderingen in de boekhoudkundige documenten brengen ons bij de vraag van wie of wat verantwoordelijk was voor deze evolutie. Opvallend is dat de belangrijkste van deze veranderingen plaats vond tussen 1810 en 1825, de periode dat Abbé Tiron de hoofdkassier van de administratie was (ARA, AF, sa1396 en sa1412). Dit betekent evenwel niet dat deze vernieuwingen zijn idee zouden zijn geweest. De centrale administratie bestond uit een 8-tal personen (Tytgat, 2002), die allemaal betrokken werden bij het opstellen van regels (AAE, 66/29/I/1, 66/29/II/2, 66/29/4, 66/29/8, 66/29/9 en 66/30). Daarenboven is er geen document terug gevonden van wie, wat of om welke reden deze veranderingen doorgevoerd zijn geweest. Toch geven deze vernieuwingen aan dat de kassiers en eventueel andere medewerkers van de hertogen een zekere kennis hadden van het boekhouden en enigszins vertrouwd waren met de nieuwere handboeken die de ideeën van eenvoud en duidelijkheid gingen verspreiden (Carruthers en Espeland, 1991; Evans, 2010) d. De rekeningen van de algemeen ontvanger en calculator in Recklinghausen Met de hervormingen binnen de Duitse administratie werden er ook een hele reeks nieuwe bronnen opgemaakt. Wat betreft de boekhouding zouden vooral de rekening van de calculator in 22 Normaal werd er namelijk een naam en een reden opgegeven, tezamen met de corresponderende folio, dit was echter niet het geval wanneer men A/par divers pour divers gebruikte (ARA, AF, sa1396). 40

51 Recklinghausen, en de algemeen ontvanger voor vernieuwing zorgen. Deze waren zowel voor de lokale inspecteurs als de centrale administratie in Brussel interessant. Concreet betekende dit dat de algemeen ontvanger voor de 3 kassen (domein, kapitaal en militaire kas) een rekening diende op te stellen. Aangezien de man betrekkelijk weinig, maar grote transacties uitvoerde, waren zijn rekeningen zeer eenvoudig opgesteld met enerzijds een chronologisch verloop van de inkomsten en anderzijds een chronologische verloop van de uitgaven (AAE, D.1845). De rekeningen van de calculator te Recklinghausen, die veel meer transacties gingen omvatten, waren daarom opgemaakt volgens de vorm van de rekening van de algemene kas te Brussel. Met andere woorden eerst alle inkomsten die thematisch opgedeeld werden en vervolgens alle uitgaven, die eveneens thematisch opgedeeld waren. In deze rekeningen kon men dan ook alle overschotten terug vinden die men bij de Duitse rentmeesters verzamelde. De uitgaven betroffen voornamelijk de kosten van de inspectie. De overschotten die de calculator dan nog had stuurde hij naar de algemeen ontvanger in Keulen door. Uiteraard werden deze rekeningen jaarlijks afgehoord in Brussel (AAE, D.2369, D.2371 (Rechnung ) en D.2374). Net als in Brussel werden er ook afgeleide boeken bijgehouden, die gebruikt konden worden om de domeinen te beheren. Ook hier vormden de domeininkomsten de focus. Het meest opvallende voorbeeld is een boek van de inkomsten en uitgaven in en rondom Meppen (ARA, cos151). Volgens Neu (2001c) kwam met dit boek aan het licht dat de verliezen die de hertogen in Meppen, te wijten waren aan een gebrekkige inning van de pachten. Een andere verandering was dat de administratie in Brussel van beiden wist te bekomen dat er (effectief) maandelijks kasstaten doorgestuurd werden, waardoor men een veel beter zicht had op de financiële situatie in de Duitse gebieden (AAE, D.1844). Om de nodige kasstaten op te maken, maakte de calculator gebruik van journalen (AAE, D.2373). De opmaak van deze journalen zou overigens zeer sterk gelijken op deze in Brussel (AAE, D.2373; ARA, AF, sa1414). Dat het gros van de bronnen qua vorm opgesteld werd zoals in Brussel, betekende dat men in Brussel zeer sterk invloed kon uitoefenen op de opmaak van deze bronnen. Dit kon ook, aangezien de calculator en de algemeen ontvanger in Recklinghausen duidelijk ondergeschikt waren aan de algemeen beheerder te Brussel (AAE, D.1843). Doordat men de boekhoudkundige documenten in Brussel kreeg zoals de centrale administratie wenste zouden ook veel minder agency problemen ondervinden. Zo zorgde de verhoging van het aantal kasstaten (AAE, D.1844; ARA, Cos660 (Belege)) en de uitbouw van een inspectienetwerk (Neu, 2001c) ervoor dat de problemen, die men met de familie Meinertzhagen gekend had, vermeden werden (AAE, 65/4/II/2). 41

52 4.3.2.e. Overige documenten Naast de grote boekhoudkundige documenten kenden ook de maandelijkse kasstaten kleine aanpassingen. Binnen de maandelijkse kasstaten ging men ook steeds meer de veranderingen van de aandelen, obligaties en overige portefeuilles weergegeven, inclusief de uitgereikte dividenden of rentes. Aangezien deze financiële producten vrij eenvoudig opvraagbaar of doorverkoopbaar waren en zich eveneens in de kas van de hertogen bevonden, droegen ze mede bij aan de liquiditeit van het geheel en waren dan ook een nuttige aanvulling (ARA, AF, cos2369, sa1266 en sa2670) De boekhouding van de landerijen De rentmeester Ook de rol van de rentmeester zou met de aanvang van de 19 de eeuw stilaan veranderen. Eerst en vooral veranderde de taak van sommige rentmeesters drastisch met het afschaffen van het gros van de rechten die de familie had. In de Nederlanden en Frankrijk kwam daarmee een einde aan de rekeningen van de casuele rechten (AAE, 66/20). Daarnaast zou onder de toenemende controle bijkomende info geëist worden. Want waar de rentmeesters zich in de vroegmoderne tijd, enkel zorgen moesten maken om één inspecteur, moest deze zich in de 19 de eeuw hoeden voor een hele reeks (tijdelijke) commissies, die de rentmeester constant het vuur aan de schenen zouden leggen. (AAE, 66/32/I, (Commission)). Daarnaast ging de centrale administratie zich ook steeds vaker wenden tot de ondergeschikten van de rentmeesters en ging men bijvoorbeeld rechtstreeks de boswachters aanschrijven (AAE, 66/32/I, (Commission)). Eigenlijk werd het volledige personeelsbeheer vanaf de eerste helft van de 19 de eeuw steeds meer gedomineerd door de administratie in Brussel en Recklinghausen. De rentmeester opereerde dan ook steeds meer als een uitvoerende kracht en boekhouder, eerder dan als een beleidsmaker. Bijgevolg intensiveerde de informatieoverdracht tussen de administratie en de rentmeesters verder, tot op het moment dat men zelfs stormen, die evenwel geen schade hadden aangericht, ging melden (AAE, 66/15 (Extraits)). Uiteraard werden alle nieuwe reglementen, verzoeken en omzendbrieven, niet altijd even goed ontvangen door de rentmeesters zelf. Na bijna elke verzending, zeker wanneer financiële elementen ter sprake kwamen, kwam er een stroom aan klachten, excuses, uitvluchten, vragen, voorgestelde verbeteringen, op gang. Sommige van deze brieven tonen duidelijk aan dat de rentmeesters het liefst hun eigen zin verder deden. Echte tekenen van vijandigheid kan men uiteraard niet terug vinden in de briefwisseling; de brieven bleven tenslotte een zeker officieel karakter hebben (AAE, 66/32/1; ARA, AF, (Allemagne) la6026). Toch moeten we ervan uitgaan dat sommige rentmeesters en de leden van de commissies door de toenemende controle op zeer gespannen voet hebben geleefd (Tytgat, 2002). 42

53 Ook het opstellen van de boekhouding kwam af en toe naar voren in deze communicatie; maar beperkte zich hoofdzakelijk tot details, zoals het samenvoegen of splitsen van bepaalde inkomsten of uitgaven (AAE, 66/29/II/2 en 66/32/1, (Circulaire 1841)). Aangezien deze niet echt in gingen tegen de belangen van de rentmeesters, was hierover meestal minder discussie De rentmeesterboekhouding a. De rekeningen van de rentmeester Hoewel we bij de rekeningen van de rentmeesters, net als bij deze van de centrale administratie, kunnen spreken van een zekere continuïteit, vond men ook hier enkele nieuwigheden terug. Net als bij de rekeningen van de centrale administratie zou de narratieve weergave geleidelijk aan verdwijnen na het eerste decennium van de 19 de eeuw (ARA, AF D76 en mg5732) en ging men zich toeleggen op een uniforme en secure opbouw van de bronnen. Een andere nieuwigheid was de introductie van achterstallige inkomsten en uitgaven, en dit zowel in het Duitse gebied (ARA, AF, cos104), als bij de Franco-Belgische rentmeesters (ARA, AF, D76 en mg5789). Ze gaven de administratie hiermee inzicht in welke mate de rentmeesters erin slaagden om geld op te halen en krediet los te weken. In de 18 de eeuw werden niet geïnde inkomsten namelijk bij de uitgaven geplaatst, en konden dan in een volgend jaar terug bij de inkomsten gevoegd worden. Dit 18 de eeuwse systeem had echter het nadeel dat men het moeilijk had de specifieke inkomsten (en eventueel ook uitgaven) te linken aan een bepaalde jaar. Want men moest dan in de rekening zelf gaan uitzoeken in welke mate de inkomsten bepaald werden door verdiensten die eigenlijk het vorige jaar gerealiseerd hadden moeten worden. (ARA, AF, mg5789). Ook zouden de rentmeesters met behulp van de nieuwe meeteenheden duidelijke en definitieve oppervlaktes voor de bezittingen in hun rekeningen kunnen weergeven; eventueel aangevuld met verwijzingen naar (kadastraal) kaartmateriaal. Hiermee kon men zeer eenvoudig vergelijkingen trekken tussen en binnen de verschillende domeinen (ARA, AF, D76). Hoewel men in eerdere rekeningen wel aandacht schonk aan de omschrijving van de pachtgronden, waren er amper kaarten en plannen beschikbaar om de beschrijvingen te verifiëren. Men kon hoogstens inschatten waar de gronden ongeveer lagen (ARA, AF, la139, la337, la364 en (Allemagne) la2622). Daarnaast was er ook een tendens om steeds minder transacties in naturagoederen uit te voeren (ARA, AF, D76) een evolutie die feitelijk reeds in de 18 de eeuw was begonnen (AAE, 66/29/II/11; Berghmans, 2013). Indien dit omwille van bepaalde redenen niet het geval was, poogde men om hier een monetair bedrag op te plakken. Hetgeen uiteraard reeds van in de 18 de eeuw gereglementeerd en omschreven werd (ARA, AF, la49, la816, la2539 en D76). Misschien wel de belangrijkste verandering zou echter de complete ommekeer van de opdeling van de rekeningen zijn. Waar aanvankelijk alle inkomsten per plaats ingedeeld zouden worden en de uitgaven 43

54 per specifieke uitgavensoort, zouden de rentmeesters vanaf het 3 de decennium van de 19 de eeuw, alle inkomsten en uitgaven per specifieke inkomsten- of uitgavensoort ordenen. Dit betekende concreet dat men in plaats van een reeks hoofdstukken met plaatsnamen men nu hoofdstukken met de inkomsten uit de bosbouw, uit pachten, zou krijgen. De rekeningen van de rentmeesters moesten geen reeksen inkomsten uit de dorpjes weergeven. Neen, ze moesten een weergave worden van de verschillende activiteiten van het domein (ARA, AF, la139, la337, la364, (Allemagne) la2622 en (Allemagne) la2887). Vanuit beleidsoogpunt was het waarschijnlijk interessanter om alle gelijkaardige inkomsten samen te voegen. Aangezien men in Brussel reeds in de 18 de eeuw was beginnen denken in termen van bosbouwbeleid, pachtbeleid, (Berghmans en De Vijlder, 2014) en niet meer in termen van de inkomsten uit dorp A, dorp B en dorp C (zie bijlage 5.1. en 5.2.). Ondanks al deze vernieuwingen bleven de rekeningen een eenvoudige kasboekhouding zonder al teveel franjes. 23 Op het eerste zicht vrij opmerkelijk, want de eerste helft van de 19 de eeuw was juist het moment dat men zich bewust werd van bezitswaarderingen binnen de landbouw. Daaruit volgde dat men in de literatuur een dubbelboekhoudsysteem ging prediken (Hartstein, 1851). Toch is het in dit geval logisch dat men de rekeningen van de rentmeesters volgens een enkele (kas)boekhouding bleef voeren. We dienen dit namelijk te kaderen in de toenemende greep van de centrale administratie op de rentmeesters. Het ware namelijk contradictorisch geweest om de rentmeesters, wiens macht men probeerde te beknotten, de mogelijkheid te geven om hun cijfers op te krikken met waarderingen. Dit wil niet zeggen dat men niet geïnteresseerd was in de waarde van de domeinen. Enkele ruwe schattingen werden bijvoorbeeld door de centrale administratie verzameld, binnen aparte documenten (AAE, 66/10-14/3). Hierbij zou, uiteraard, vooral gefocust worden op de bosbouw (Tallier, 2006). Doordat men deze echter gescheiden hield, werden de kasstromen niet gecontamineerd door dergelijke waarderingen. Daarnaast moet ook in herinnering gebracht worden dat de waarderingen van het bezit ook niet het doel van de boekhouding van de rentmeester. De boekhouding, diende nog steeds hoofdzakelijk om de juistheid van de transacties na te gaan. Een kleine opmerking dient gemaakt te worden voor de Duitse domeinen, waar de organisatie van de bosbouw in sommige gebieden enigszins anders verliep dan bij de overige domeinen. Zo werd de bosbouw rondom Recklinghausen rechtstreeks geleid vanuit Recklinghausen (Neu, 2001c). De inkomsten uit de bosbouw kwamen vervolgens dan ook terecht in rekeningen van de Forstkasse (ARA, AF cos 660 (Rechnung); Neu, 2001c). Een andere belangrijke kas zou de Zinsen-und Kapitalkasse zijn, waarin intresten en dergelijke in verzameld werden (ARA, AF, cos ). De administratie maakt het ons echter eenvoudig daar men enkel de overschotten of tekorten uit deze 23 Anderzijds was er met het beëindigen van de Franse revolutie ook de adellijke positie verandert. Ze bleven uiteraard wel hun titels bewaren, maar het feodale karakter van de samenleving bestond niet meer. Hierdoor was het meer dan voldoende om bijvoorbeeld in een bijgevoegde brief de heer aan te spreken met zijn titels, maar werden het gros van de plechtstatigheden steeds meer achterwege gelaten (ARA, AF, la49, la816 en la2539 en D76). 44

55 rekeningen gaat incorporeren en hun rekeningen dus behandelt zoals deze van de rentmeesters. Met andere woorden deze kassen werden behandeld als onafhankelijke entiteiten, die hiërarchisch gelijk waren aan de rekeningen van de rentmeesters en moeten volgens ons dan ook zo behandelt worden. We mogen er dan ook niet van uitgaan dat de rentmeesters uitsluitend landbouwgoederen zouden mogen beheren (ARA, AF, cos ) b. Overige documenten De overige documenten bestonden nog steeds vooral uit briefwisseling en kasstaten van de boekhouders. Vanuit beheersmatig oogpunt zijn de aanwezige briefboeken zeer interessant. Ze geven de lezer snel een overzicht van bevelen en correspondentie van en naar de rentmeesters (ARA, AF, Cos114). Uit deze boeken kunnen we afleiden dat vooral gedurende periodes van oorlog de interactie tussen de rentmeesters en de centrale administratie zeer sterk zou intensiveren. En zowel de rentmeesters als de centrale administratie liet niet na om de boekhouding van de rentmeester te benutten als bewijs binnen het betoog (AAE, 66/32/1 (Reglements)). 24 Dergelijke intensieve contacten en besprekingen omtrent de boekhoudingen duiden er trouwens op dat de rentmeesters hun papierwerk veel beter gingen bijhouden. Het stond de centrale administratie dan ook toe om veel korter op de bal te spelen, wanneer de kasstaten van de rentmeesters maandelijks toe kwamen (AAE, 66/32/1 (Reglements) en D.1843; ARA, AF, cos660 (Belege)). 24 Zo gebruikte een rentmeester in Zottegem in het jaar 1814 extracten van het door hem bijgehouden dagboek om aan te tonen dat hij in de onmogelijkheid verkeerde om bijdragen te leveren aan de familie omdat zijn pachters hem niet konden betalen. In Heverlee kloeg de rentmeester dan weer over de constante troepenpassages en het feit dat zijn rekeningen niet in orde waren (AAE, 66/32/1 (Reglements)). 45

56 4.5. Conclusie voor de tweede onderzoeksperiode De tweede onderzoeksperiode werd getypeerd door een hele reeks vernieuwingen binnen zowel de structuur als de technieken van de boekhouding. Zo ging de hoofdkassier van de hertog steeds meer boekhoudkundige documenten produceren. Vooral het aantal journalen ging drastisch stijgen, waardoor men bijkomende maatregelen diende nemen. Zo werden er met de introductie van het grootboek en de invoering van het dubbel boekhouden binnen het journaal van de algemene kas, extra hulpmiddelen gecreëerd om deze toevloed te beheersen en het overzicht over de inkomsten en uitgaven van de hertog te bewaren. Anderzijds ging men onder druk van de toenemende verspreiding van boekhoudkundige handboeken, de opmaak van de documenten onder handen nemen (Evans, 2010; Carruthers en Espeland, 1991). Toch veranderden al deze vernieuwingen de manier van boekhouden feitelijk niet fundamenteel. Hoewel er uiteraard voordelen lagen in deze technieken, zoals een beter overzicht over de transacties, bleef de boekhouding in essentie een kasboekhouding, waarvan overigens enkel de rekening van de algemene kas en de kasstaten afgehoord werd. Daarnaast zag de centrale administratie zich ook genoodzaakt om voor de Duitse gebieden een algemeen domeininspecteur aan te duiden, die het beheer van de Duitse landerijen in de hand zou nemen. Deze zou zich met de hulp van de drie bijkomende inspecteurs, een calculator en de algemene ontvanger (Neu, 2001c), ontwikkelen tot een aparte satelliet van de administratie te Brussel. Dit betekende dat men zich in Brussel steeds meer kon focussen op de Franse en Belgische bezittingen. Om dit beheer te optimaliseren ging men dan ook de rekeningen van de rentmeester hervormen. De inkomsten moesten vanaf nu thematisch weergegeven worden en niet meer per dorpje. Daarnaast verdween het narratieve karakter van de rekening steeds meer. Ook zou men steeds meer en beter verwijzen naar kaartmateriaal, opdat de algemeen beheerder of andere medewerkers een beter beeld hadden waar de verpachte stukken land, bossen, lagen. Toch ging ook hier de rol van deze boekhouding niet fundamenteel veranderen. Ze bleef enkel de kasstromen weergeven, zodat de algemeen beheerder aan de hand van bewijzen kon nagaan in welke mate de transacties correct waren uitgevoerd. Daarnaast werd de boekhouding, in combinatie met inspecties, steeds meer gebruikt om het beleid voor bijvoorbeeld de bosbouw verder uit te stippelen (Tallier, 2006). Het mag dus duidelijk zijn dat de boekhouding in de eerste helft van de 19 de eeuw onderhevig was aan een reeks vernieuwingen, maar toch geen revolutie zou doormaken. De administratie liet namelijk geen fundamentele veranderingen in de boekhoudkundige technieken en structuren toe. 46

57 5. De boekhouding van de hertogen van Arenberg in de periode Historische achtergrond Ook na 1850 zou het al (West)-Europa zijn dat de klok sloeg in de wereldpolitiek. Via de voortschrijdende industrialisering en kolonisering wisten de Europese grootmachten de onbetwiste wereldleiders te worden. Ook de interne Europese politiek bleef niet stilstaan. Pruisen kreeg ondertussen de overhand in Centraal-Europa en maakte zich stilaan op voor een leidende rol binnen de Duitse ruimte. De macht van Pruisen resulteerde ook in toenemende spanningen tussen de Pruisische koning/keizer en Frankrijk. Dit leidde uiteindelijk ondermeer tot de Frans-Pruisische oorlog van 1870 en zou uiteindelijk ook mee aan de grondslag van de Eerste Wereldoorlog liggen (Palmer et al., 2006) In dit gehele proces van opkomende (natie)staten verloren vooral de mindere goden van de Europese politiek terrein. Voor de hertogen van Arenberg betekende dit concreet, dat ze in de jaren 70 van de 19 de eeuw definitief ontdaan werden van enige soevereine bestuurlijke macht in het Duitse Rijk. Desondanks dit verlies, bleef de familie Arenberg haar bezittingen in het Westen van dit rijk verder uitbouwen, net als in de Nederlanden. Want waar ze aan politiek belang verloor, wist de hertog zich namelijk economisch te verbeteren (Neu, 2001c). Economisch ging het de familie namelijk voor de wind, met verschillende bijkomende investeringen in de Duitse bezittingen en mijnbouwbedrijven in het Rijn-Ruhrgebied (Neu, 2001c), België en Frankrijk (Sabbe, 1937). Vooral in het Rijn-Ruhrgebied investeerde de familie stevig. Deze focus op het Duitse Rijk werd niet alleen bepaald door de mijnbouwrechten die de hertog er bezat (Neu, 2001c). Een andere belangrijke gebeurtenis; namelijk het oprichten van een fideï-commis in de Pruisische gebieden in het jaar 1852 speelde ook een uitermate belangrijke rol. De jarenlange pogingen om versplintering van het bezit onder erfgenamen tegen te gaan werden hiermee gedeeltelijke beloond. In België en Frankrijk bestond er evenwel geen fideï-commis structuur, waardoor het bezit van de familie verder kon versnipperen (Neu, 2001c). Dit betekende ook dat investeren in de Duitse bezittingen steeds interessanter werd voor de hertogen. Want door de aanwezigheid van de fideï-commis kon men veel meer goederen binnen de Pruisische gebieden overdragen aan één erfgenaam. Hiermee zou de jarenlange focus op de Zuidelijke Nederlanden/België die de familie eerder had, tot een einde komen (Goujon, 2004). Wegens het gewicht van deze gebeurtenis werd deze dan ook aangeduid als het begin van de laatste onderzoeksperiode. Dit betekende evenwel niet dat de hertog zijn administratie ging verhuizen. Deze bleef zoals in de eerste helft van de 19 de eeuw aanwezig in Brussel (Neu, 2001c). Uiteindelijk zouden de hertogen gedwongen worden om zich terug te plooien op hun Duitse bezittingen, met het sekwester na de Eerste Wereldoorlog (Triest en Van Poucke, 2013). 47

58 5.2. De boekhouding van de centrale administratie De centrale administratie De administratie kende na de grote hervormingen van het begin van de 19 de eeuw eigenlijk betrekkelijk weinig veranderingen. De beheersstructuren bleven min of meer dezelfde, hoewel er uiteraard kleine verschuivingen in de posities van de medewerkers plaatsvonden (Tytgat, 2002; Neu, 2001c; Neu, 2001d). 25 Uit de brief/beslissingsboeken die we tot onze beschikking hebben, blijkt er in de tweede helft van de 19 de eeuw een kleine verschuiving in het dagdagelijkse bestuur plaats te hebben gevonden. Steeds vaker werd een vergadering van medewerkers geconsulteerd. Dit betekende op zijn minst dat de algemeen beheerder zijn beslissingen steeds meer diende te overleggen met andere medewerkers (AAE, 66/15 (Décisions)). Het gebrek aan wezenlijke hervormingen liet echter ruimte om zich bezig te houden met het beleid en de bestaande structuren te optimaliseren. Zo zette de centrale administratie met de toenemende industrialisering steeds meer in op de aanschaf van aandelen in het Rijngebied. Hierbij werd steeds eenzelfde politiek gevolgd; ze gingen zich steeds inkopen totdat ze tot de groep van belangrijkste aandeelhouders behoorden. Toch zouden ze (bijna) nooit de grootste worden in de allergrootste bedrijven (Neu, 2001d). Ondanks deze voorzichtigheid wierpen de investeringen hun vruchten af. Zo stegen de dividenden afkomstig uit investeringen in het Rijnland gestaag. Het waren echter de bergregaliën die tegen de eeuwwisseling voor gigantische inkomsten zouden zorgen; ze stegen van iets meer dan mark in 1880, naar ongeveer mark in Voor die tijd een waanzinnig hoog bedrag (Neu, 2001d, pg. 77 ; Sabbe, 1937). Toch bleven de hertogen hun investeringen spreiden om hun blootstelling aan risico s te verminderen. Zo zouden ze verder staatsbons opkopen, investeren in verzekeringsmaatschappijen en landgoederen aanschaffen (ARA, AF, sa1275). Ze gingen in België en gedeeltelijk ook Nederland meedoen aan de inpoldering van grote stukken land, ten koste van de Schelde (Triest en Van Poucke, 2013). Uiteraard hield de administratie zich niet enkel bezig met nieuwe investeringen, ook de reeds bestaande bezittingen probeerde men efficiënter te beheren. Vooral de bosbouw zou een steeds grote bezorgdheid worden van de centrale administratie. Op allerlei manieren poogden ze de bosbouw verder te optimaliseren (Tallier, 2006), niet in het minst via de introductie van nieuwe boekhoudkundige documenten (ARA, AF, sa424). De optimalisering zou zich echter niet enkel beperken tot de inkomstenzijde, ook over de uitgaven zou de centrale administratie steeds beter waken. Tot in het absurde toe, want zelfs voor de bijdrage aan de offergang zou men vanaf nu de nodige bewijsstukken moeten leveren (ARA, AF, sa2889). In de Duitse gebieden kreeg men door de politieke evolutie evenwel met enkele grote veranderingen te maken. Zo verloren de hertogen in Meppen omstreeks 1875 hun laatste rechtgevende macht en daarbij 25 In het Duitse Rijk zouden in Meppen nog enkele controle organen opgedoekt worden in 1875 onder druk van de voortschrijdende Pruisische macht (Neu, 2001c). 48

59 dan ook de bijhorende administratieve structuren (ARA, cos660 (Rechnung); Neu, 2001c). In 1903 werd in Recklinghausen de hertogelijke hof- en rekenkamer opgericht en een jaar later verplaatst naar Dusseldorf. Deze veranderingen hadden alles samen echter vrij weinig impact op het functioneren van de administratie in zijn geheel. (Neu, 2001c) De boekhoudkundige documenten a. De journalen Gedurende deze laatste onderzoeksperiode, kenden de journalen betrekkelijk weinig verandering. Net als in de vorige eeuwen bleven de journalen de werkpaarden van de boekhouding. Steeds meer ging men echter eisen dat de posten in deze journalen voorzien waren van de nodige kwijtingen, facturen en ander bewijsmateriaal. Dit om eventuele fraude of slordigheden uit de journalen te weren. De belangrijkste journalen, deze van de algemene kas, zouden echter qua vormgeving en inhoud sterk gelijken op deze van de vorige periode. Het bleven echter enkel de journalen van de algemene kas die volgens een dubbelboekhoudsysteem bijgehouden werden. (ARA, AF, sa1275, sa1408, sa1413 en sa1471; AAE, 64/15/21/21). De overige journalen, vaak afgeleid van transacties van dit journaal van de algemene kas, bleef men bijhouden volgens een zeer eenvoudig enkelboekhoudsysteem (ARA, AF, sa1383, sa2908) b. De journalen van de bezittingen in onverdeeld eigenaarschap Een speciaal journaal was dat van de bezittingen die in onverdeeld eigenaarschap aangehouden werden. Want de hertogen zouden niet alleen geld investeren in aandelen; ze participeerden ook in het onverdeelde eigenaarschap van enkele bedrijven en mijnen (AAE, 66/20). Dit betekende feitelijk dat ze zich, in tegenstelling tot aandelen, niet konden terugtrekken uit de onderneming zonder goedkeuring van de andere eigenaars (Romero, 2012). Net als bij de aandelen werden de jaarrekeningen van deze bedrijven buiten de administratie van de hertog gevormd en vormen ze daarom ook geen onderzoeksonderwerp van deze thesis (AAE, 66/20; ARA, AF, sa1267). Door deze nauwe verwevenheid, werden er echter binnen de administratie wel journalen met betrekking tot de verdeling van de inkomsten van deze bedrijven bijgehouden in de archieven van de hertog. Deze werden gevoerd volgens een eenvoudig enkelboekhoudsysteem, aangezien het aantal transacties doorgaans beperkt bleef (ARA, AF, sa1267) c. Grootboeken Ook de grootboeken kenden in vergelijking met de eerdere periode slechts een kleine evolutie. Vooral de opmaak zou evolueren. Met vanaf nu ook een effectieve opdeling tussen de debit- en creditzijde, 26 Het lijkt er evenwel sterk op dat ze volgens een dubbelboekhoudsysteem bijgehouden worden aangezien alle inkomsten ook steeds uitgegeven worden. Er werden evenwel geen specifieke rekeningen gecrediteerd of gedebiteerd, waardoor we dit als een enkel boekhoudsysteem moeten beschouwen (ARA, AF, sa1267) 49

60 die respectievelijk op de linker- en rechterbladzijde te vinden waren en niet meer door elkaar. Ook werd er veel minder gebruik gemaakt van groepering van transacties met de fameuze A/par divers pour divers. Hierdoor werden de transacties veel duidelijker. De impact van deze veranderingen was echter beperkt, aangezien men zich bleef focussen op de kasstromen en dus ongeveer dezelfde info mededeelde als de journalen van de algemene kas (ARA, AF, sa2145). Om deze reden kunnen we aannemen dat de opmaak van het grootboek hoogstens een bijkomende controle was. Daar de grootboeken, net als de journalen overigens nooit echt afgehoord werden, hadden ze ook niet echt het belang van de rekeningen van de algemene kas d. De rekeningen van de algemene kas Hoewel we over slechts een exemplaar uit deze periode beschikken, gaan we er aan de hand van dit exemplaar, vanuit dat ook deze rekeningen geen grote hervormingen meer kennen (zie bijlage 6.1. en 6.2.). Het belang van de correctheid van deze rekening ging er echter op vooruit daar de nieuwe rapporten van de algemene administratie der goederen de rekeningen van de algemene kas en deze van de rentmeesters (gedeeltelijk) gingen incorporeren (AAE, 66/20). Dat de hertogen een dergelijke kasboekhouding tot diep in de 19 de en zelfs de vroege 20 ste eeuw zouden voeren is niet echt een uitzondering. Zo hielden de graven van Stolberg een gelijkaardige boekhouding bij, die feitelijk eenzelfde evolutie volgde als deze van de Arenbergs. Net als bij de hertogen werd de boekhouding slechts geleidelijk hervormd, en dan vooral met de bedoeling een helderdere en duidelijkere voorstelling te geven (Backhaus, 1888) e. De rapporten van de algemene administratie der goederen en de doorbraak van de waarderingen van de bezittingen Hoewel de reeds bestaande rekeningen, weinig vernieuwingen kenden, betekende dit niet dat de boekhouding stilstond. Omstreeks het begin van de 20 ste eeuw waagde de administratie zich aan een heel nieuw concept van jaarafsluiting. In plaats van enkel de jaarlijkse kasstromen weer te geven, ging men beginnen om grote rapporten op te stellen, waarin alle bezittingen in Frankrijk, België en Nederland besproken werden. Dit betekende dat men voor het eerst de bezittingen beheerd door de rentmeesters, samen met deze van de centrale administratie in een en hetzelfde document zou plaatsen (AAE, 66/15/(28)). Daarnaast introduceerde men ook enkele nieuwe boekhoudkundige concepten in deze rekeningen. Een eerste belangrijk element was de introductie van waardeverminderingen of vermeerderingen van de portefeuilles aandelen en rechten. Binnen deze documenten vinden we ook de eerste serieuze waarderingen van de landgoederen en gebouwen terug. Deze waren rond 1898 uitgevoerd geweest door experts en werden jaarlijks aangevuld met nieuwe gegevens (AAE, 66/15/(28)). 27 Het is evenwel 27 Dit was evenwel niet de eerste keer dat men waarderingen ging doorvoeren. In Duitsland schatte men de bezittingen in het jaar 1870 op ongeveer 59 miljoen Mark en een omzet van 2,6 miljoen mark inkomst per jaar. 50

61 niet zeker dat deze bronnen vanaf dan reeds opgesteld werden, aangezien het vroegste rapport dat we teruggevonden hebben van 1906 is 28 (AAE, 66/15/(28)). Daarnaast ging men ook de waarde van de huizen, die door de centrale administratie beheerd werden, afschrijven. 29 Deze werden over maar liefst 80 jaar afgeschreven (AAE, 66/15/(28)), hetgeen opnieuw, naar onze hedendaagse maatstaven onwaarschijnlijk lijkt (Ding et al., 2013). Deze vreemde handelswijze kan echter verklaard worden door het feit dat de boekhouding een intern document was en niet publiek diende gemaakt te worden. Daartegenover doorbreken dergelijke handelswijzen toch gedeeltelijk ons hedendaagse matching principe (Ding et al., 2013). Dit toepassen op deze situatie zou echter een anachronisme zijn en bijgevolg intellectueel oneerlijk. Een andere nieuwigheid was dat men ook dieper inging op de specifieke soorten inkomsten en uitgaven die de rentmeesters maakten. 30 Op dergelijke wijze had men zeer snel een overzicht over wat nu de sterkte- of zwaktepunten van een bepaald domein waren. Doordat men ook de bezitting zelf ging waarderen ging men ook de bezittingen vergelijken aan de hand van een ratio. Alle netto-inkomsten per domein werden gedeeld door de geschatte verkoopwaarde van de vaste activa van de domeinen. Al deze cijfers gingen trouwens gepaard met een uitgebreid rapport over de veranderingen en gebeurtenissen die zich voltrokken hadden in het bewuste domein (AAE, 66/15/(28)). Dit document zou echter nooit de Duitse gebieden bespreken. 31 Ook inkomsten of uitgaven die niet rechtstreeks iets met de bezittingen zoals aandelen, gebouwen, domeinen, te maken hadden werden niet vermeld (AAE, 66/15/(28)). Dit betekent dat dit rapport geenszins gezien mag worden als een jaarrekening of balans, maar eerder als een document dat gebruikt kon worden bij het beheer van de activa. Het is jammer genoeg, moeilijk om na te gaan welke impact dit document uiteindelijk op het beleid had. De periode is namelijk te kort om te zien in welke mate deze hervormingen een effect hebben gehad op de investeringen, want reeds in 1914 zouden de Duitse troepen zich een weg banen door België, richting Frankrijk (Triest en Van Poucke, 2014). We kunnen er echter van uitgaan dat dit beperkt bleef; de recentste investeringen net voor de introductie van de rapport, vonden plaats in de recent drooggelegde polders. Dat deze polders veel winstgevender waren dan de overige bezittingen Het blijft echter moeilijk om dit activa goed in te schatten omdat de Arenbergs zeer actief waren op de grondmarkt; in 1892 was hun landbezit in Duitsland al aangegroeid tot iets minder als 250 km² en nog zou het verder aangroeien. (Neu, 2001c; Neu, 2001d). Ook in de Belgische en Franse bezittingen kunnen voor deze periode waarderingen terugvinden (ARA, AF, sa905). 28 Doch zijn er individuele rapporten gevonden vanaf 1900, die ons doen aannemen dat er reeds voor 1906 dergelijke rapporten opgesteld werden (ARA, AF, sa1785). 29 Deze afschrijvingen mogen niet verward worden met de, aan het begin van de 19 de eeuw opgerichte, amortisatie kas. Deze ging namelijk niet afschrijven, maar provisies aanleggen voor verwachte vervangings- of herstelkosten (AAE, 65/21/II/13). 30 De rapporten waren zeer uitgebreid en bespraken de populatie en toestand van het gebied, net als alle gebeurtenissen. Doorgaans was dit een opdeling van inkomsten uit huur, verkoop van graasrechten en de verkoop van diverse soorten hout. Individuele transacties kon men hier niet terugvinden, tenzij deze van die aard waren dat ze een zeer grote invloed hadden op dit jaarverslag. 31 Op dit moment hebben we geen weet van gelijkaardige Duitse bronnen. De waarde van het gros van de Duitse bezittingen zouden normaal gezien via de documenten van de fideï-commis achterhaald moeten kunnen worden (Schweinitz, 1904). 51

62 duidt erop dat de administratie weet had wat de beste investeringsopportuniteiten waren, reeds voor men deze rapporten ging invoeren (AAE, 66/15/(28)). 32 Toch gaf het rapport een mooi overzicht over de aard van de bezittingen en toonde het aan dat de centrale administratie in staat was om via haar inspecties voldoende info te verkrijgen over de aard van het domein en haar opbrengsten (AAE, 66/15/(28)) f. De rekeningen van de Duitse algemeen ontvanger en zijn inspecteurs Ook in het Duitse rijk veranderde er al bij al weinig qua boekhoudkundige bronnen. Bij de Duitse administratie ging men bij de inspecties, met de Forstkulturplanne und Rechnung, inspelen op de toenemende nood aan extra info over de bosbouw. Deze waren gelijkaardig aan de rekeningen die de bosbestanden beter in beeld moesten brengen in bijvoorbeeld België of Frankrijk. Hier ging men mogelijke verbeteringen voor de bosbouw maken, tezamen met de feitelijke uitgaven. Ook dit bewijst nogmaals dat de bosbouw, ook in Duitsland, een grote zorg was (ARA, AF, (Allemagne) mg5277 2). Voor het overige werden er uiteraard wat inkomsten verwijderd en verplaatst (Neu, 2001c), maar zouden er geen fundamentele veranderingen plaats vinden (ARA, AF, cos ). 32 De vier aanwezige polders waren in 1914 de Prosperpolder (+/-1090 ha, nettowinstpercentage van 5,59%), de Emmapolder (+/-71 ha, nettowinstpercentage van 7,35%), de Hedwigepolder (+/-314ha, nettowinstpercentage van 5,85%) en de Noordlandpolder (+/-32 ha, nettowinstpercentage van 3,04) daarmee bleven de 3 grootsten ruim boven het gemiddelde van 4,05%. Deze percentages verschilden niet wezenlijk van deze een jaar eerder. (AAE, 66/15/(28)) 52

63 Afbeelding 4: Schema van de incorporatie van de diverse boekhoudkundige documenten bij de centrale administratie na

Inhoud in vogelvlucht

Inhoud in vogelvlucht Inhoud in vogelvlucht Over de auteur... xiii Inleiding... 1 Deel I: Waarom boekhouden? De basis... 5 Hoofdstuk 1: Boekhouden moet je doen... 7 Hoofdstuk 2: Een duik in de basisbegrippen... 17 Hoofdstuk

Nadere informatie

Het begin van staatsvorming en centralisatie. Onderzoeksvraag; Hoe vond de staatsvorming van Engeland, Frankrijk en het hertogdom Bourgondië plaats?

Het begin van staatsvorming en centralisatie. Onderzoeksvraag; Hoe vond de staatsvorming van Engeland, Frankrijk en het hertogdom Bourgondië plaats? Onderzoeksvraag; Hoe vond de staatsvorming van Engeland, Frankrijk en het hertogdom Bourgondië plaats? Voorbeeld 1: Engeland De bezittingen van de Engelse koning Hendrik II in Frankrijk rond 1180 zijn

Nadere informatie

De klassieke tijdlijn

De klassieke tijdlijn De klassieke tijdlijn In de lessen geschiedenis heb je waarschijnlijk al gehoord over de tijdlijnen, of de historische periodes en waarschijnlijk ook over exacte datums zoals 476. In dit documentje kom

Nadere informatie

TA3290 Life-Cycle Modeling and Economic Evaluation 2009-2010

TA3290 Life-Cycle Modeling and Economic Evaluation 2009-2010 TA3290 Life-Cycle Modeling and Economic Evaluation 2009-2010 CiTG, minor Mining and Resource Engineering Economie college 1: Grip op Geldstromen Dr.ir. Gerard P.J. Dijkema Energy & Industry Group December

Nadere informatie

COMMISIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN

COMMISIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN COMMISIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN CBN-advies 2013/13 - Het gebruik van de verbindingsrekening tussen een buitenlandse vennootschap en haar Belgisch bijkantoor Advies van 4 september 2013 1 I. Inleiding

Nadere informatie

COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN. CBN-advies 1-6 Europese economische samenwerkingsverbanden en economische samenwerkingsverbanden

COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN. CBN-advies 1-6 Europese economische samenwerkingsverbanden en economische samenwerkingsverbanden COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN CBN-advies 1-6 Europese economische samenwerkingsverbanden en economische samenwerkingsverbanden De Europese Ministerraad hechtte op 25 juli 1985 zijn goedkeuring

Nadere informatie

Bestaat volgend jaar jouw bedrijf nog?

Bestaat volgend jaar jouw bedrijf nog? Bestaat volgend jaar jouw bedrijf nog? Stichting Economiteit INDEX Voorwoord aan de lezer 1. Samenvatting 2. Ontstaansgrond van dit boekje 3. Het economiteitsdenken 3.1 Introductie Economiteitscijfer 3.2

Nadere informatie

De kasstromentabel. Een onderscheid moet worden gemaakt tussen kasuitgaven en kosten, tussen kasinkomsten en opbrengsten.

De kasstromentabel. Een onderscheid moet worden gemaakt tussen kasuitgaven en kosten, tussen kasinkomsten en opbrengsten. 14 De kasstromentabel Tot nog toe hebben we kennis gemaakt met de balans en de resultatenrekening. Alleen de kasstromentabel is nog niet uit de doeken gedaan. Alvorens hierover uit te weiden, nog enkele

Nadere informatie

COMMISIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN. Het gebruik van de verbindingsrekening tussen een buitenlandse vennootschap en haar Belgisch bijkantoor

COMMISIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN. Het gebruik van de verbindingsrekening tussen een buitenlandse vennootschap en haar Belgisch bijkantoor COMMISIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN Het gebruik van de verbindingsrekening tussen een buitenlandse vennootschap en haar Belgisch bijkantoor Ontwerpadvies I. Inleiding 1. Wat betreft de boekhoudkundige

Nadere informatie

Als bij een vraag een verklaring of uitleg gevraagd wordt, worden aan het antwoord geen punten toegekend als deze verklaring of uitleg ontbreekt.

Als bij een vraag een verklaring of uitleg gevraagd wordt, worden aan het antwoord geen punten toegekend als deze verklaring of uitleg ontbreekt. Examen VWO 2009 tijdvak 2 woensdag 24 juni 9.00-12.00 uur geschiedenis Bij dit examen hoort een bijlage. Dit examen bestaat uit 28 vragen. Voor dit examen zijn maximaal 76 punten te behalen. Voor elk vraagnummer

Nadere informatie

1 De inventarislijst en de balans

1 De inventarislijst en de balans 1 Beginbalans Verlies- en winstrekening en eindbalans Financiële feiten Proef- en saldibalans Journaal Grootboek Op de hoogte zijn van je financiële situatie: je weet zelf wel hoe belangrijk dat is. Wat

Nadere informatie

1 De inventarislijst en de balans

1 De inventarislijst en de balans 1 Beginbalans Verlies- en winstrekening en eindbalans Financiële feiten Proef- en saldibalans Journaal Grootboek Elke ondernemer is verplicht een boekhouding of bedrijfsadministratie te voeren. In de eerste

Nadere informatie

geschiedenis geschiedenis

geschiedenis geschiedenis Examen HAVO 2009 tijdvak 1 woensdag 20 mei 9.00-12.00 uur tevens oud programma geschiedenis geschiedenis Bij dit examen hoort een bijlage. Dit examen bestaat uit 30 vragen. Voor dit examen zijn maximaal

Nadere informatie

GIDS M.B.T. DE GEWONE ALGEMENE VERGADERING VAN SOLVAY NV OP 8 MEI 2012

GIDS M.B.T. DE GEWONE ALGEMENE VERGADERING VAN SOLVAY NV OP 8 MEI 2012 GIDS M.B.T. DE GEWONE ALGEMENE VERGADERING VAN SOLVAY NV OP 8 MEI 2012 Deze Gids is opgesteld met als doel om bepaalde nieuwe bepalingen toe te lichten die van toepassing zijn op de volgende gewone algemene

Nadere informatie

praktijkseminarie de operationele aanpak valorisatieproblematiek

praktijkseminarie de operationele aanpak valorisatieproblematiek praktijkseminarie de operationele aanpak valorisatieproblematiek SBO maatschappelijke finaliteit Prof. Dr. Ann Jorissen (UA) IWT, 11 januari 2010 1 Effective Governance of Private Enterprises: the influence

Nadere informatie

Hoeveel geld zit er in de bedrijfsvoering?

Hoeveel geld zit er in de bedrijfsvoering? Hoeveel geld zit er in de bedrijfsvoering? Een simpele vraag met een simpel en nuttig antwoord. Deze vraag is de eerste stap bij het opstellen van kristalheldere financiële overzichten. Hoeveel geld zit

Nadere informatie

VERSLAG BOEKJAAR 2013

VERSLAG BOEKJAAR 2013 VERSLAG BOEKJAAR 2013 Pagina 1 Geacht bestuur, In het onderstaande brengen wij u verslag uit omtrent de door u verstrekte opdracht tot het samenstellen van de jaarrekening over het boekjaar 2013. Deze

Nadere informatie

Avondopleiding Basis Dubbel Boekhouden. Koen Vanlommel JCI Office

Avondopleiding Basis Dubbel Boekhouden. Koen Vanlommel JCI Office Avondopleiding Basis Dubbel Boekhouden Koen Vanlommel JCI Office 1 Agenda Kasboekhouding vs. Dubbele Boekhouding Activa en Passiva Kosten en Opbrengsten Balans en Resultaatrekening Grootboekrekeningen

Nadere informatie

REGULERINGSCOMMISSIE VOOR ENERGIE IN HET BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST

REGULERINGSCOMMISSIE VOOR ENERGIE IN HET BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST REGULERINGSCOMMISSIE VOOR ENERGIE IN HET BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST ADVIES (BRUGEL-ADVIES-20150424-204) betreffende het voorontwerp van besluit van de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Nadere informatie

Tussentijds bericht Staalbankiers Beleggingsfondsen Beheer B.V. per 30-06-2013

Tussentijds bericht Staalbankiers Beleggingsfondsen Beheer B.V. per 30-06-2013 Tussentijds bericht Staalbankiers Beleggingsfondsen Beheer B.V. per 30-06-2013 Inhoudsopgave 1. Verslag van de directie 3 2. Jaarrekening 5 Balans per 30 juni 2013 Winst- en verliesrekening over 26 april

Nadere informatie

In dit document geven we je een aantal praktische tips voor het gebruik van dit kasboek. In deze uitleg vind je volgende onderdelen:

In dit document geven we je een aantal praktische tips voor het gebruik van dit kasboek. In deze uitleg vind je volgende onderdelen: Richtlijnen bij het gebruik van het KLJkasboek Inleiding Hallo kassier! Dit kasboek is kant en klaar voor gebruik, je hoeft niet veel (of niets) van excel te kennen om er onmiddellijk mee aan de slag te

Nadere informatie

de basis van bedrijfsadministratie

de basis van bedrijfsadministratie hoofdstuk 1 de basis van bedrijfsadministratie In het eerste hoofdstuk wordt inzicht gegeven in het voeren van een administratie. Hierbij worden de basisbegrippen zoals de balans, resultatenrekening en

Nadere informatie

FAILLISSEMENTSVERSLAG Nummer: 1. Datum: 19 november 2013

FAILLISSEMENTSVERSLAG Nummer: 1. Datum: 19 november 2013 FAILLISSEMENTSVERSLAG Nummer: 1. Datum: 19 november 2013 In dit verslag worden de werkzaamheden en de stand van de boedel beschreven over de afgelopen periode. De curator baseert zich op aangetroffen gegevens

Nadere informatie

INBRENG IN de besloten vennootschap: UNIVÉ HET ZUIDEN BEMIDDELING B.V. gevestigd te Wouw (gemeente Roosendaal)

INBRENG IN de besloten vennootschap: UNIVÉ HET ZUIDEN BEMIDDELING B.V. gevestigd te Wouw (gemeente Roosendaal) Blad 1 INBRENG IN de besloten vennootschap: UNIVÉ HET ZUIDEN BEMIDDELING B.V. gevestigd te Wouw (gemeente Roosendaal) Heden, ***, verscheen voor mij, mr. **, notaris te **: **, te dezen handelend als schriftelijk

Nadere informatie

De vragenlijst van de openbare raadpleging

De vragenlijst van de openbare raadpleging SAMENVATTING De vragenlijst van de openbare raadpleging Tussen april en juli 2015 heeft de Europese Commissie een openbare raadpleging gehouden over de vogel- en de habitatrichtlijn. Deze raadpleging maakte

Nadere informatie

Eindexamen geschiedenis havo 2009 - I

Eindexamen geschiedenis havo 2009 - I Ten oorlog! Europese oorlogen 1789-1919. Oorlog als maatschappelijk fenomeen In de Coalitieoorlogen voerde de Franse regering de dienstplicht in. 2p 1 Leg uit dat zij hiermee de betrokkenheid van Franse

Nadere informatie

Tijd van pruiken en revoluties 1700 1800

Tijd van pruiken en revoluties 1700 1800 Onderzoeksvraag: Hoe probeerde men tijdens de Franse Revolutie enkele Verlichtingsidealen in praktijk te brengen? Kenmerkende aspect: De democratische revoluties in westerse landen met als gevolg discussies

Nadere informatie

De Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer,

De Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, KONINKRIJK BELGIE 1000 Brussel, Zetel : Ministerie van Justitie Poelaertplein 3 Tel. : 02/504.66.21 tot 23 Fax : 02/504.70.00 COMMISSIE VOOR DE BESCHERMING VAN DE PERSOONLIJKE LEVENSSFEER O. ref. : 10

Nadere informatie

Statuten. Diensten van de Eerste minister

Statuten. Diensten van de Eerste minister Statuten Diensten van de Eerste minister 3 maart 2000. Ministerieel besluit tot vaststelling van het statuut, de opdrachten en de wijze van beheer van het Studie- en Documentatiecentrum "Oorlog en Hedendaagse

Nadere informatie

Stichting Nederlands Debat Instituut. Rapport inzake de Jaarrekening 11 januari 2013 tot en met 31 augustus 2014

Stichting Nederlands Debat Instituut. Rapport inzake de Jaarrekening 11 januari 2013 tot en met 31 augustus 2014 Stichting Nederlands Debat Instituut Rapport inzake de Jaarrekening 11 januari 2013 tot en met 31 augustus 2014 Inhoudsopgave Pagina Financieel verslag Samenstellingsverklaring 2 Algemeen 4 Jaarrekening

Nadere informatie

SOLVAY NV HUISHOUDELIJK REGLEMENT VAN HET AUDITCOMITE. De leden van het Auditcomité worden benoemd voor een hernieuwbare termijn van twee jaar.

SOLVAY NV HUISHOUDELIJK REGLEMENT VAN HET AUDITCOMITE. De leden van het Auditcomité worden benoemd voor een hernieuwbare termijn van twee jaar. SOLVAY NV HUISHOUDELIJK REGLEMENT VAN HET AUDITCOMITE I. SAMENSTELLING VAN HET AUDITCOMITÉ 1. Aantal leden - Duur van de mandaten Het Auditcomité telt minstens vier leden. De leden van het Auditcomité

Nadere informatie

KAS BANK N.V. OVEREENKOMST VAN BEHEER EN BEWARING INZAKE BELEGINGSFONDS

KAS BANK N.V. OVEREENKOMST VAN BEHEER EN BEWARING INZAKE BELEGINGSFONDS KAS BANK N.V. OVEREENKOMST VAN BEHEER EN BEWARING INZAKE BELEGINGSFONDS INHOUDSOPGAVE Artikel Pagina Artikel 1 Algemeen...3 Artikel 2 Bewaring...4 Artikel 3 Belangenbehartiging houders van deelnemersrechten...4

Nadere informatie

STICHTING BEWAARDER BOUWFONDS GERMANY RESIDENTIAL FUND. Amsterdam, Nederland JAARVERSLAG 2013

STICHTING BEWAARDER BOUWFONDS GERMANY RESIDENTIAL FUND. Amsterdam, Nederland JAARVERSLAG 2013 Amsterdam, Nederland JAARVERSLAG 2013 ADRES: Herikerbergweg 238 1101 CM Amsterdam Zuidoost Kamer van Koophandel Inschrijvingsnummer: 32108448 Inhoudsopgave Bestuursverslag Page 1 Balans Page 3 Staat van

Nadere informatie

Inhoud. Voorwoord. Deel I: Krachtlijnen van de vernieuwing 1. Hoofdstuk 1: Situering van het OCMW naar vernieuwende aspecten 3

Inhoud. Voorwoord. Deel I: Krachtlijnen van de vernieuwing 1. Hoofdstuk 1: Situering van het OCMW naar vernieuwende aspecten 3 Inhoud Voorwoord V Deel I: Krachtlijnen van de vernieuwing 1 Hoofdstuk 1: Situering van het OCMW naar vernieuwende aspecten 3 1. Inleiding 3 2. Structuur van het Organieke Decreet 3 3. Krachtlijnen van

Nadere informatie

geschiedenis geschiedenis

geschiedenis geschiedenis Examen HAVO 2009 tijdvak 2 woensdag 24 juni 9.00-12.00 uur tevens oud programma geschiedenis geschiedenis Bij dit examen hoort een bijlage. Dit examen bestaat uit 29 vragen. Voor dit examen zijn maximaal

Nadere informatie

Stichting Bibliotheca Philosophica Hermetica, Amsterdam. Jaarrapport 2014

Stichting Bibliotheca Philosophica Hermetica, Amsterdam. Jaarrapport 2014 Stichting Bibliotheca Philosophica Hermetica, Amsterdam Jaarrapport 2014 Amsterdam, 31 december 2014 Inhoudsopgave 1 Balans per 31 december 2014 4 2 Exploitatierekening over 2014 6 3 Toelichting op de

Nadere informatie

De logica achter de ISA s en het interne controlesysteem

De logica achter de ISA s en het interne controlesysteem De logica achter de ISA s en het interne controlesysteem In dit artikel wordt de logica van de ISA s besproken in relatie met het interne controlesysteem. Hieronder worden de componenten van het interne

Nadere informatie

Openbaar faillissementsverslag rechtspersoon (ex art. 73A Fw.)

Openbaar faillissementsverslag rechtspersoon (ex art. 73A Fw.) Openbaar faillissementsverslag rechtspersoon (ex art. 73A Fw.) Nummer: 2 Datum: 28 augustus 2015 Gegevens onderneming: 3C Clinics Holding B.V. (KvK nr. 32130060), gevestigd te (9728 BM) Groningen aan de

Nadere informatie

Inhaalbeweging economie

Inhaalbeweging economie Inhaalbeweging economie Inleiding Voor de inhaalbeweging economie bestaan er vijf documenten 1 Dit algemeen document dat een volledige beschrijving geeft van wat van leerlingen verwacht wordt als ze beslissen

Nadere informatie

RESEARCH CONTENT. Loïs Vehof GAR1D

RESEARCH CONTENT. Loïs Vehof GAR1D RESEARCH CONTENT Loïs Vehof GAR1D INHOUD Inleiding ------------------------------------------------------------------------------------------------------------------ blz. 2 Methode -----------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Nadere informatie

Boekhouding OFP / IBP

Boekhouding OFP / IBP Boekhouding OFP / IBP 27 maart 2014 Harold François Agenda Algemene boekhouding Boekhouding OFP/IBP 2 Agenda Algemene boekhouding Boekhouding OFP/IBP 3 Boekhoudkundige verplichtingen Wet dd. 17/07/1975

Nadere informatie

OPLOSSING OEFENINGEN REEKS 2

OPLOSSING OEFENINGEN REEKS 2 OPLOSSING OEFENINGEN REEKS 2 Oefening 1 (= oefening 4 van reeks 1): Open het grootboek en het journaal. Stel voor elke transactie het algoritme op, registreer elke verrichting in het grootboek en in het

Nadere informatie

Rol van vrouwen in het oprichten van vermogensfondsen in Nederland Draagt de filantroop ook een rokje?

Rol van vrouwen in het oprichten van vermogensfondsen in Nederland Draagt de filantroop ook een rokje? Rol van vrouwen in het oprichten van vermogensfondsen in Nederland Draagt de filantroop ook een rokje? Dit is een kort onderzoeksrapport uitgevoerd in 2010 door adviesbureau Philian in opdracht van Stichting

Nadere informatie

Adviesrapport Decentralisatie Jeugdzorg Wageningen 2013

Adviesrapport Decentralisatie Jeugdzorg Wageningen 2013 Adviesrapport Decentralisatie Jeugdzorg Wageningen 2013 Jongerenraad Wageningen Adviesnr. : 1 Datum : 29-05-2013 Colofon De Jongerenraad, een adviesorgaan van de gemeente Wageningen, is geïnstalleerd in

Nadere informatie

Abnormale of goedgunstige voordelen toch geen minimale belastbare basis?

Abnormale of goedgunstige voordelen toch geen minimale belastbare basis? Abnormale of goedgunstige voordelen toch geen minimale belastbare basis? Aan de hand van bepaalde transacties wordt binnen groepen van vennootschappen soms gepoogd om winsten te verschuiven naar de vennootschappen

Nadere informatie

Reglement Raad van Toezicht. Stichting Hogeschool Leiden CONCEPT 140331 ALGEMEEN

Reglement Raad van Toezicht. Stichting Hogeschool Leiden CONCEPT 140331 ALGEMEEN Reglement Raad van Toezicht Stichting Hogeschool Leiden ALGEMEEN Artikel 1. Algemene bepalingen 1. Dit reglement is het Huishoudelijk Reglement van de Raad van Toezicht, bedoeld in artikel 15 van de Statuten

Nadere informatie

VOLMACHTFORMULIER VOOR DE GEWONE ALGEMENE VERGADERING

VOLMACHTFORMULIER VOOR DE GEWONE ALGEMENE VERGADERING VOLMACHTFORMULIER VOOR DE GEWONE ALGEMENE VERGADERING Ondergetekende: naam en voornaam / (vennootschaps)naam: adres / zetel: eigenaar van: aandelen op naam 1 ; en/of eigenaar van: gedematerialiseerde aandelen

Nadere informatie

x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x

x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x x Jaarplan GESCHIEDENIS Algemene doelstellingen Eerder gericht op kennis en inzicht 6 A1 A2 A3 A4 A5 Kunnen hanteren van een vakspecifiek begrippenkader en concepten, nodig om zich van het verleden een wetenschappelijk

Nadere informatie

Verhandelingsreglement Regels ter voorkoming van marktmisbruik

Verhandelingsreglement Regels ter voorkoming van marktmisbruik Verhandelingsreglement 2015 Verhandelingsreglement Regels ter voorkoming van marktmisbruik update 12 januari 2015 Inhoud I. Beleidsverklaring... 3 II. Gedragscode... 3 1. Naleving van de Wet... 4 2. Compliance

Nadere informatie

Controletechnische functiescheiding

Controletechnische functiescheiding Controletechnische functiescheiding A3040^1. Controletechnische functiescheiding drs. A.J.A. Hassing RE RA 1 1 Inleiding A3040 ^ 3 2 Functies A3040 ^ 4 2.1 Beschikken A3040 ^ 4 2.2 Bewaren A3040 ^ 4 2.3

Nadere informatie

Lokaal Financieel Management Boekhoudpraktijk beleids- en beheerscyclus. Woord vooraf I / 1

Lokaal Financieel Management Boekhoudpraktijk beleids- en beheerscyclus. Woord vooraf I / 1 INHOUDSOPGAVE I. Woord vooraf I / 1 II. De algemene boekhouding voor lokale en provinciale besturen II / 1 Inleiding II / 1 II.1. Uitgangspunten, krachtlijnen en toepassingsgebied II.1 / 1 1. Studieronde

Nadere informatie

Inhoud VII. 1. De balans 1. 2. Veranderingen in de balans 15. 3. Grootboekrekeningen 33. 4. Hulprekeningen van het eigen vermogen 61. Voorwoord...

Inhoud VII. 1. De balans 1. 2. Veranderingen in de balans 15. 3. Grootboekrekeningen 33. 4. Hulprekeningen van het eigen vermogen 61. Voorwoord... ELEMENTAIR BOEKHOUDEN VII Inhoud Voorwoord...................................... V 1. De balans 1 1.1 Doel van het boekhouden.............................2 1.2 De eenmanszaak...................................2

Nadere informatie

INTERN REGLEMENT VAN HET AUDITCOMITÉ

INTERN REGLEMENT VAN HET AUDITCOMITÉ BIJLAGE 2. INTERN REGLEMENT VAN HET AUDITCOMITÉ Dit intern reglement maakt integraal deel uit van het Corporate Governance Charter van de Vennootschap. Deze bijlage is een aanvulling op de toepasselijke

Nadere informatie

Vlajorapportering: De vereffening 1 Oproep voor de Algemene Vergadering ter vereffening

Vlajorapportering: De vereffening 1 Oproep voor de Algemene Vergadering ter vereffening Vlajorapportering: De vereffening 1 Oproep voor de Algemene Vergadering ter vereffening De datum van de Algemene Vergadering moet bepaald worden in samenspraak met de coördinator van Vlajo (kies een dag

Nadere informatie

Internetopgaven hoofdstuk 3

Internetopgaven hoofdstuk 3 Internetopgaven hoofdstuk 3 IO.3.1 De boekhouder van de eenmanszaak Carel Castello heeft op 31 december 013 een aantal posten op de volgende gedeeltelijke kolommenbalans samengevat: Grootboekrekeningen

Nadere informatie

Voor wat dividenduitkeringen uit vennootschappen betreft, zijn er verregaande wijzigingen aan het fiscaal regime dat die ondergaan.

Voor wat dividenduitkeringen uit vennootschappen betreft, zijn er verregaande wijzigingen aan het fiscaal regime dat die ondergaan. Beste klant, Voor wat dividenduitkeringen uit vennootschappen betreft, zijn er verregaande wijzigingen aan het fiscaal regime dat die ondergaan. 1. De belangrijkste wijziging betreft de roerende voorheffing

Nadere informatie

Syllabus. Algemene boekhouding voor lokale en provinciale besturen volgens de beleids- en beheerscyclus. Rubrieken en waarderingsregels.

Syllabus. Algemene boekhouding voor lokale en provinciale besturen volgens de beleids- en beheerscyclus. Rubrieken en waarderingsregels. Syllabus Algemene boekhouding voor lokale en provinciale besturen volgens de beleids- en beheerscyclus Rubrieken en waarderingsregels Editie 2011 Slideshow Christophe Vanhee UGent 2011 pag. 1 Opdeling

Nadere informatie

ADVIES. over DE IMPACTANALYSE VAN EEN EVENTUELE HERVORMING VAN DE REGELS INZAKE DE VERJARING VAN VORDERINGEN VAN EN TEGEN CONSUMENTEN

ADVIES. over DE IMPACTANALYSE VAN EEN EVENTUELE HERVORMING VAN DE REGELS INZAKE DE VERJARING VAN VORDERINGEN VAN EN TEGEN CONSUMENTEN N HAND PRAKT - Verjaring vorderingen cons. A2 Brussel, 12 februari 2013 MH/TM/AS 692-2012 ADVIES over DE IMPACTANALYSE VAN EEN EVENTUELE HERVORMING VAN DE REGELS INZAKE DE VERJARING VAN VORDERINGEN VAN

Nadere informatie

FAILLISSEMENTSVERSLAG Nummer: 1 Datum: 21 juli 2008

FAILLISSEMENTSVERSLAG Nummer: 1 Datum: 21 juli 2008 FAILLISSEMENTSVERSLAG Nummer: 1 Datum: 21 juli 2008 Gegevens onderneming : de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Interflexa B.V., gevestigd te (6921 EX) Duiven aan het adres Stenograaf

Nadere informatie

Goede zorg van groot belang. Nederlanders staan open voor private investeringen

Goede zorg van groot belang. Nederlanders staan open voor private investeringen Goede zorg van groot belang Nederlanders staan open voor private investeringen Index 1. Inleiding p. 3. Huidige en toekomstige gezondheidszorg in Nederland p. 6 3. Houding ten aanzien van private investeerders

Nadere informatie

EERSTE OPENBAAR VERSLAG EX ART. 73A FAILLISSEMENTSWET. : Ubiks B.V., voorheen genaamd Beagle Creative Marketing Agency B.V.

EERSTE OPENBAAR VERSLAG EX ART. 73A FAILLISSEMENTSWET. : Ubiks B.V., voorheen genaamd Beagle Creative Marketing Agency B.V. EERSTE OPENBAAR VERSLAG EX ART. 73A FAILLISSEMENTSWET Naam gefailleerde : Ubiks B.V., voorheen genaamd Beagle Creative Marketing Agency B.V. Faillissementsnummer : 08/431 F Datum uitspraak : 2 september

Nadere informatie

Duifhuisstraat 75, 9000 GENT Ondernemingsnummer 450.728.613 http://www.gamagent.be/

Duifhuisstraat 75, 9000 GENT Ondernemingsnummer 450.728.613 http://www.gamagent.be/ Duifhuisstraat 75, 9000 GENT Ondernemingsnummer 450.728.613 http://www.gamagent.be/ 19/06/2013 Titel I: Benaming Zetel Doel Duur Artikel 1: De vereniging draagt als naam Gentse Amateurtheaters vereniging

Nadere informatie

HOOFDSTUK 1 BASISBEGINSELEN VAN HET DUBBEL BOEKHOUDEN

HOOFDSTUK 1 BASISBEGINSELEN VAN HET DUBBEL BOEKHOUDEN WOORD VOORAF... OVER DE AUTEURS... v vii HOOFDSTUK 1 BASISBEGINSELEN VAN HET DUBBEL BOEKHOUDEN 1 INLEIDING... 2 2 DE BALANS... 3 2.1 Ondernemingsmiddelen of activa... 4 2.2 Ondernemingsbronnen of passiva...

Nadere informatie

NEDERLAND IN DE 16e EEUW

NEDERLAND IN DE 16e EEUW NEDERLAND IN DE 16e EEUW In de 16e eeuw vielen de Nederlanden onder de Spaanse overheersing. Er bestonden grote verschillen tussen de gewesten (= provincies), bv: - dialect - zelfstandigheid van de gewesten

Nadere informatie

Openbaar faillissementsverslag rechtspersoon (ex art. 73A Fw.)

Openbaar faillissementsverslag rechtspersoon (ex art. 73A Fw.) Openbaar faillissementsverslag rechtspersoon (ex art. 73A Fw.) Nummer: 4 (eindverslag). Datum: 20 januari 2015. Gegevens onderneming: Putters Nest Beheer B.V. Faillissementsnummer: C/01/13/736 F Datum

Nadere informatie

OPENBAAR FAILLISSEMENTSVERSLAG (EX ART. 73A TW)

OPENBAAR FAILLISSEMENTSVERSLAG (EX ART. 73A TW) OPENBAAR FAILLISSEMENTSVERSLAG (EX ART. 73A TW) In het faillissement van : Faillissementsnummer : Verslagnummer : 1 Datum uitspraak : 21 mei 2013 Curator Rechter Commissaris Activiteiten onderneming :

Nadere informatie

Sectoraal Comité van de Sociale Zekerheid en van de Gezondheid Afdeling «Sociale Zekerheid»

Sectoraal Comité van de Sociale Zekerheid en van de Gezondheid Afdeling «Sociale Zekerheid» Sectoraal Comité van de Sociale Zekerheid en van de Gezondheid Afdeling «Sociale Zekerheid» SCSZ/09/001 BERAADSLAGING NR 09/001 VAN 13 JANUARI 2009 MET BETREKKING TOT DE MEDEDELING VAN DIMONA-PERSOONSGEGEVENS

Nadere informatie

Beleid inzake het beheer van belangenconflicten in de VMOB «Ziekenfonds voor Hospitalisatiekosten»

Beleid inzake het beheer van belangenconflicten in de VMOB «Ziekenfonds voor Hospitalisatiekosten» Department Legal Affairs Beleid inzake het beheer van belangenconflicten in de VMOB «Ziekenfonds voor Hospitalisatiekosten» 1. Inleiding Overeenkomstig de bepalingen van de wet van 30 juli 2013 tot versterking

Nadere informatie

Boekhoudplan. KLASSEN en ONDERKLASSEN

Boekhoudplan. KLASSEN en ONDERKLASSEN Boekhoudplan KLASSEN en ONDERKLASSEN Balansrekeningen KLASSE 1 KLASSE 2 KLASSE 3 KLASSE 4 FONDSEN EN PROVISIES VAN DE MAATSCHAPPELIJKE ZEKERHEID VASTGELEGDE MIDDELEN FINANCIELE REKENINGEN REKENINGEN VAN

Nadere informatie

REGULERINGSCOMMISSIE VOOR ENERGIE IN HET BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST

REGULERINGSCOMMISSIE VOOR ENERGIE IN HET BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST REGULERINGSCOMMISSIE VOOR ENERGIE IN HET BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST BESLISSING (BRUGEL-BESLISSING-20151117-28) betreffende de aanstelling van de boekhouder, de vervangende boekhouder, de boekhouder-schatbewaarder

Nadere informatie

S T A T U T E N TITEL I: DE VERENIGING. 1 De feitelijke vereniging draagt de naam Alumni Gentse Filosofen en Moraalwetenschappers (AGFM).

S T A T U T E N TITEL I: DE VERENIGING. 1 De feitelijke vereniging draagt de naam Alumni Gentse Filosofen en Moraalwetenschappers (AGFM). S T A T U T E N TITEL I: DE VERENIGING ARTIKEL 1: naam 1 De feitelijke vereniging draagt de naam Alumni Gentse Filosofen en Moraalwetenschappers (AGFM). ARTIKEL 2: zetel 1 De zetel van de vereniging is

Nadere informatie

RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN

RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN U I T S P R A A K Nr. i n d e k l a c h t nr. 2003.5489 (144.03) ingediend door: hierna te noemen 'klager, tegen: hierna te noemen de tussenpersoon. De Raad van Toezicht

Nadere informatie

KAS BEWAARDER KLANTENVERMOGEN BND B.V.

KAS BEWAARDER KLANTENVERMOGEN BND B.V. KAS BEWAARDER KLANTENVERMOGEN BND B.V. OVEREENKOMST VAN BEHEER EN BEWARING INZAKE BELEGGINGSFONDS INHOUDSOPGAVE Artikel Pagina Artikel 1 Algemeen... 3 Artikel 2 Bewaring... 3 Artikel 3 Belangenbehartiging

Nadere informatie

Eindexamen geschiedenis vwo 2009 - I

Eindexamen geschiedenis vwo 2009 - I Ten oorlog! Europese oorlogen 1789-1919. Oorlog als maatschappelijk fenomeen In de landen die Napoleon veroverde, voerde hij een beleid dat: enerzijds paste binnen het gelijkheidsideaal van de Franse Revolutie

Nadere informatie

Pink Fee. Bureau voor financieel en organisatie advies. Stichting Het Dagelijks Bestaan Jaarrekening 2012/2013

Pink Fee. Bureau voor financieel en organisatie advies. Stichting Het Dagelijks Bestaan Jaarrekening 2012/2013 Pink Fee Bureau voor financieel en organisatie advies Stichting Het Dagelijks Bestaan Jaarrekening 2012/2013 Inhoudsopgave Pagina Opdracht 3 Balans per 31 augustus 2013 4 Winst- en verliesrekening over

Nadere informatie

De Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer,

De Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, KONINKRIJK BELGIE 1000 Brussel, Zetel : Ministerie van Justitie Poelaertplein 3 Tel. : 02/504.66.21 tot 23 Fax : 02/504.70.00 COMMISSIE VOOR DE BESCHERMING VAN DE PERSOONLIJKE LEVENSSFEER O. ref. : A /

Nadere informatie

Hierbij doe ik u de antwoorden op de vragen van het lid Van Hijum (CDA) over het Nederlandse goud toekomen.

Hierbij doe ik u de antwoorden op de vragen van het lid Van Hijum (CDA) over het Nederlandse goud toekomen. > Retouradres Postbus 20201 2500 EE Den Haag Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA Den Haag Korte Voorhout 7 2511 CW Den Haag Postbus 20201 2500 EE Den Haag www.rijksoverheid.nl

Nadere informatie

Bewaartermijn van boeken en documenten

Bewaartermijn van boeken en documenten Bewaartermijn van boeken en documenten Een praktisch overzicht Waarover gaat het? Aan de hand van deze brochure proberen wij een antwoord te geven op volgende vragen: Wat moet er bijgehouden worden? Hoe

Nadere informatie

Verdieping Management en Organisatie (M&O) 3havo/vwo

Verdieping Management en Organisatie (M&O) 3havo/vwo Sectie economie 2012-2013 1 Verdieping Management en Organisatie (M&O) 3havo/vwo In de bovenbouw kunnen jullie in de vrije ruimte het vak M&O opnemen. Het is daarom handig om dit jaar al een aantal lessen

Nadere informatie

Bedrijfsadministratie

Bedrijfsadministratie Bedrijfsadministratie Opgaven Niveau 5 MBA Peter Kuppen Frans van Luit Bedrijfsadministratie MBA Niveau 5 Opgaven Opgaven Bedrijfsadminstratie MBA Niveau 5 P. Kuppen F. van Luit Eerste druk Noordhoff

Nadere informatie

HANDBOEK BOEKHOUDEN CONSOLIDATIE TWEEDE EDITIE

HANDBOEK BOEKHOUDEN CONSOLIDATIE TWEEDE EDITIE HANDBOEK BOEKHOUDEN CONSOLIDATIE TWEEDE EDITIE HANDBOEK BOEKHOUDEN CONSOLIDATIE Em. Prof. dr. Erik De Lembre Lic. Sadi Podevijn Tweede editie Antwerpen Cambridge Handboek Boekhouden. Consolidatie. Tweede

Nadere informatie

Artikel 406.21 Criteria toegepast door het Licentiedepartement voor het opstellen van haar verslag gericht aan de Licentiecommissie

Artikel 406.21 Criteria toegepast door het Licentiedepartement voor het opstellen van haar verslag gericht aan de Licentiecommissie Artikel 406.21 Criteria toegepast door het Licentiedepartement voor het opstellen van haar verslag gericht aan de Licentiecommissie Artikel 406.21 Publicatie Licentiedepartement DATUM 14/10/2015 AUTEUR

Nadere informatie

Kasverslag 2011 Ten behoeve van de Jaarlijkse Algemene Vergadering d.d. 18 april 2012 1

Kasverslag 2011 Ten behoeve van de Jaarlijkse Algemene Vergadering d.d. 18 april 2012 1 Kasverslag 2011 Ten behoeve van de Jaarlijkse Algemene Vergadering d.d. 18 april 2012 1 Geachte leden, Op zaterdag 17 maart jl. heeft er een kascontrole plaatsgevonden waarbij aanwezig waren: namens de

Nadere informatie

1. Het begrip kan weg, omdat de overgebleven begrippen. Het begrip kan ook weg, omdat de overgebleven begrippen

1. Het begrip kan weg, omdat de overgebleven begrippen. Het begrip kan ook weg, omdat de overgebleven begrippen Welk Woord Weg Dynamiek en Stagnatie Aanloop 1. commerciële landbouw moedernegotie malthusiaanse spanning - nijverheid 2. waterschappen feodaliteit gilden - Hanze 3. stapelmarkt nijverheid Nederlanden

Nadere informatie

VERSLAG. van het Rekenhof. over de controle van de rekeningen 2004-2005 van Gimvindus nv

VERSLAG. van het Rekenhof. over de controle van de rekeningen 2004-2005 van Gimvindus nv Stuk 37-K (2007-2008) Nr. 1 Zitting 2007-2008 8 augustus 2008 VERSLAG van het Rekenhof over de controle van de rekeningen 2004-2005 van Gimvindus nv 4596 REK Stuk 37-K (2007-2008) Nr. 1 2 3 Stuk 37-K (2007-2008)

Nadere informatie

Examen Geschiedenis. Geef de 7 tijdsvakken: Mintiens Quintin

Examen Geschiedenis. Geef de 7 tijdsvakken: Mintiens Quintin Examen Geschiedenis Geef de 7 tijdsvakken: Prehistorie :... 3500 v.c Stroomculturen : 3500 v.c 800 v.c Klassieke Oudheid : 800 v.c 500 n.c Middeleeuwen : 500 n.c 1450 n.c Nieuwe tijd : 1450 n.c 1750 n.c

Nadere informatie

A R R E S T. samengesteld uit voorzitter F. Debaedts en de rechters-verslaggevers L.P. Suetens en P. Martens, bijgestaan door de griffier L.

A R R E S T. samengesteld uit voorzitter F. Debaedts en de rechters-verslaggevers L.P. Suetens en P. Martens, bijgestaan door de griffier L. Rolnummer 520 Arrest nr. 31/93 van 1 april 1993 A R R E S T In zake : het beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 12 juni 1992 tot bekrachtiging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen

Nadere informatie

Een overzicht van veel voorkomende gebeurtenissen en van de vastlegging daarvan:

Een overzicht van veel voorkomende gebeurtenissen en van de vastlegging daarvan: De balans opmaken De boekhouding kan worden gedefinieerd als een informatieverzameling, waarin de omvang en de samenstelling van het vermogen en van de mutaties daarin zijn vastgelegd. Boekhouden houdt

Nadere informatie

IAB-Info. Inhoud. Beroep. Economie

IAB-Info. Inhoud. Beroep. Economie Nummer 4 16 29 februari 2004 IAB-Info Inhoud 16e jaargang Beroep c Bestuur en aandeelhouderschap van erkende professionele vennootschappen Deze bijdrage strekt ertoe een overzicht te bieden van zowel de

Nadere informatie

BELGIAN FINANCE CLUB - STATUTEN

BELGIAN FINANCE CLUB - STATUTEN BELGIAN FINANCE CLUB - STATUTEN Ondergetekenden Marc Lambrechts Comequi Integrale Raymond James Fédérale Past President BIRA Banque Transatlantique P&V Gdf-Suez L'Echo AB Inbev CMI (France) Dexiam Zijn

Nadere informatie

Internetopgaven hoofdstuk 3

Internetopgaven hoofdstuk 3 Internetopgaven hoofdstuk 3 IO.3.1 IO.3.2 IO.3.3 IO.3.4 Y. van de Voort wil periodiek informatie uit de boekhouding halen. Daarbij maakt zij gebruik van een kolommenbalans. Welke uitspraak over de kolommenbalans

Nadere informatie

Jaarrekening 2015. Stichting Chabad Central Amsterdam Dr. Eijkmanstraat 1 1181 WG Amstelveen

Jaarrekening 2015. Stichting Chabad Central Amsterdam Dr. Eijkmanstraat 1 1181 WG Amstelveen Jaarrekening 2015 Stichting Chabad Central Amsterdam Dr. Eijkmanstraat 1 1181 WG Amstelveen INHOUD JAARREKENING 1 Samenstellingsverklaring 4 2 Balans 5 3 Winst en verliesrekening 6 4 Toelichting op de

Nadere informatie

INBRENG IN de naamloze vennootschap: N.V. UNIVÉ HET ZUIDEN SCHADEVERZEKERINGEN, gevestigd te Wouw (gemeente Roosendaal)

INBRENG IN de naamloze vennootschap: N.V. UNIVÉ HET ZUIDEN SCHADEVERZEKERINGEN, gevestigd te Wouw (gemeente Roosendaal) Blad 1 INBRENG IN de naamloze vennootschap: N.V. UNIVÉ HET ZUIDEN SCHADEVERZEKERINGEN, gevestigd te Wouw (gemeente Roosendaal) Heden, ***, verscheen voor mij, mr. **, notaris te **: **, te dezen handelend

Nadere informatie

INFORMATIE OVER AANDEELHOUDERSRECHTEN 23 MAART 2012

INFORMATIE OVER AANDEELHOUDERSRECHTEN 23 MAART 2012 Delhaize Groep NV Osseghemstraat 53 1080 Brussel, België Rechtspersonenregister 0402.206.045 (Brussel) www.delhaizegroep.com INFORMATIE OVER AANDEELHOUDERSRECHTEN 23 MAART 2012 Deze nota tracht de belangrijkste

Nadere informatie

Mak de gesjiechte van ós sjtreek lebendig. Jaarverslag Sjtichting Genealogiek Sjènne 2009

Mak de gesjiechte van ós sjtreek lebendig. Jaarverslag Sjtichting Genealogiek Sjènne 2009 Mak de gesjiechte van ós sjtreek lebendig Jaarverslag Sjtichting Genealogiek Sjènne 2009 Inhoud Voorwoord pag. 3 Voortgang De Bokkerijders met de dode hand, een nieuwe visie pag. 4 Website www.sjtigs.eu

Nadere informatie

Stichting Cultuur in Enschede Verkort jaarrapport 2014

Stichting Cultuur in Enschede Verkort jaarrapport 2014 Inhoudsopgave pagina Verslag Opdracht en uitgevoerde werkzaamheden 3 Verslag over het boekjaar 2014 4 Jaarrekening Balans 31 december 2014 5 Grondslagen voor waardering en resultaatbepaling 6 Toelichting

Nadere informatie

Jaarrekening 2015 van. Stichting De Volharding Steun en Toeverlaat. Den Haag

Jaarrekening 2015 van. Stichting De Volharding Steun en Toeverlaat. Den Haag Jaarrekening 2015 van Stichting De Volharding Steun en Toeverlaat Den Haag 1 Inhoud 1 Bestuursverslag Algemene gang van zaken 3 Verwachte gang van zaken 4 2 Jaarrekening Balans per 31 december 2015 5 Staat

Nadere informatie

Samenvatting onderzoek: Diversificatiestrategieën van accountantskantoren

Samenvatting onderzoek: Diversificatiestrategieën van accountantskantoren UNIVERSITEIT GENT FACULTEIT ECONOMIE EN BEDRIJFSKUNDE ACADEMIEJAAR 2010 2011 Samenvatting onderzoek: Diversificatiestrategieën van accountantskantoren Frederik Verplancke onder leiding van Prof. dr. Gerrit

Nadere informatie