- De site voor samenvattingen

Save this PDF as:
 WORD  PNG  TXT  JPG

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "http://www.schoolsamenvatting.nl/ - De site voor samenvattingen"

Transcriptie

1 Economie samenvatting havo lesbrieven eindexamen Inhoud: Lesbrief arbeidsmarkt Lesbrief Buitenland 2 Lesbrief Inkomen en groei Lesbrief De collectieve sector Economie samenvatting lesbrief arbeidsmarkt Hoofdstuk 1 Het aanbod van arbeid bestaat uit alles mensen tussen de 15 en 65 jaar die willen, kunnen en mogen werken. Deze mensen bieden zich aan als arbeidskracht op de arbeidsmarkt. Een ander woord voor het aanbod van arbeid is de beroepsbevolking. Maar het aanbod van arbeid (beroepsbevolking) bestaat niet alleen uit mensen die werk zoeken maar ook uit de mensen die al werk hebben, werknemers en zelfstandigen. En officiële werklozen die werk zoeken staan ingeschreven bij het CWI (Centrum voor Werk en Inkomen). Naast de beroepsbevolking heb je ook de niet-beroepsbevolking dat zijn de mensen tussen 15 en 65 jaar die niet werken en niet opzoek zijn naar werk. Dan heb je ook nog de beroepsgeschikte bevolking, dat is de beroepsbevolking + de niet-beroepsbevolking. Een ander woord voor beroepsgeschikte bevolking is de potentiële beroepsbevolking. Verder kun je ook het deelnemingspercentage (participatiegraad) berekenen dat doe je zo: (Beroepsbevolking / beroepsgeschikte bevolking) x 100%. De beroepsbevolking in Nederland groeit elk jaar dat heeft verschillende oorzaken namelijk: Demografische groei: - Er zijn steeds meer mensen in Nederland: de bevolking groeit. - En de bevolkingssamenstelling verandert (steeds meer mensen tussen de 15 en 65 jaar. Maatschappelijke opvattingen: meer vrouwen nemen deel aan het arbeidsproces dat komt doordat er steeds meer jonge vrouwen werk gaan zoeken en oudere vrouwen opnieuw werk gaan zoeken (herintreden). Stand van Economie: - de arbeidsmarkt trekt mensen die willen en kunnen werken aan zodat het aanbod van arbeid groter wordt. (aanzuigeffect). - De arbeidsmarkt trekt mensen niet/minder aan omdat mensen denken dat ze toch geen kans maken op een goede baan. (ontmoedigingseffect). Wetgeving: - zowel de man als de vrouw moet verplicht werken of werk zoeken, daardoor is het aanbod van vrouwen toegenomen. Organisatie van het arbeidsproces: - door betere kinderopvang en betere mogelijkheden deeltijdwerk, is de opvoeding van kinderen beter te combineren met betaald werk. De totale vraag naar arbeid bestaat uit werknemers, zelfstandigen en openstaande vacatures. De vraag naar arbeid groeit vanwege de groei van de economie, groei van technische ontwikkelingen (produceren nieuwe goederen + diensten). Maar de vraag naar arbeid daalt ook vanwege het mechanisme (meer machines minder arbeiders) en door hoge lonen, willen de werkgevers minder arbeiders (anders moeten ze teveel loon uitbetalen). Er zijn 2 soorten markten: De Abstracte markt: geheel van vraag en aanbod zonder dat er een plaats os waar de vragers (kopers) een aanbieders (verkopers) elkaar kunnen ontmoeten. (marktplaats) De Concrete markt: een plek waar vragers en aanbieders van een of meerdere producten elkaar kunnen ontmoeten. (effectenbeurs, weekmarkt op marktplein). De werkgelegenheid zijn de hoeveelheid mensen die daadwerkelijk arbeid verrichten. Dit kan je op de volgende manier berekenen: (werknemers + zelfstandigen). Voor de duidelijkheid: De vraag naar arbeid bestaat uit: werknemers, zelfstandigen en vacatures. Het aanbod van arbeid bestaat uit: werklozen, werknemers en zelfstandigen. De beroepsbevolking bestaat uit: werklozen, werknemers en zelfstandigen. De werkgelegenheid bestaat uit: werknemers en zelfstandigen. Zo kun je het dus ook bereken. Bijv. bereken de vraag naar arbeid uit: dan tel je de werknemers, zelfstandigen en de vacatures bij elkaar op. Behalve de omvang van de werkgelegenheid is ook de prijs van arbeid (loon) van belang. De hoogte van het loon is onder andere afhankelijk van de mate waarin vraag en aanbod op elkaar aansluiten. Daardoor kan het loon stijgen of dalen dat kan op de volgende manier: Loon stijgt = krappe arbeidsmarkt = vraag van arbeid is groter dan het aanbod van arbeid. Loon daalt = ruime arbeidsmarkt = vraag naar arbeid is kleiner dan het aanbod van arbeid. Als het loon stijgt spreek je dus van een krappe arbeidsmarkt en ook een economische groei. Als het loon daalt spreek je dus van een economische neerslag. Als je succes wil maken op de arbeidsmarkt spelen de volgende factoren een rol: Opleiding: welke opleiding heb je gedaan, (mbo-hbo-unieversiteit). Bevolkingsgroep: ben je vrouw of allochtoon, dan maak je minder kans dan een autochtone man. Dit ligt aan discriminatie op de arbeidsmarkt.

2 Hoofdstuk 2 Er zijn verschillende soorten ondernemingsvormen (rechtsvorm van een onderneming). De vier belangrijkste ondernemingsvormen zijn: eenmanszaak, vennootschap onder firma (Vof), besloten vennootschap (BV) en naamloze vennootschap (NV). Hier een beschrijving van de ondernemingsvormen: Eenmanszaak: er is maar 1 eigenaar, moet zelf voor startvermogen zorgen, je bent privé aan aansprakelijk voor schulden, dus als je failliet bent mogen ze jou persoonlijke bezittingen verkopen. Vennootschap onder firma (Vof): er zijn meerdere eigenaren, de mogelijkheden om geld te lenen zijn groter dan bij een Eenmanszaak (startvermogen), zijn met hun privé vermogen aansprakelijk. Als er maar 1 iemand een privé vermogen heeft moet hij alle schulden betalen. Besloten vennootschap (BV): er zijn meerdere eigenaren zijn, kunnen makkelijker geld lenen voor startvermogen dan eenmanszaak en Vof. De Bv is een rechtspersoon, juridisch zelfstandig. Je kunt bijvoorbeeld bedrijf voor rechter slepen zonder dat je de eigenaren aanklaagt. En de eigenaren zijn met hun privé vermogen niet aansprakelijk voor schulden. Aandeelhouders zijn de eigenaren (aandeelhouder ben je met aandeel, eigendomsbewijs van bedrijf). Bij een Bv staan de aandelen op naam, en kan de aandelen alleen maar verkopen aan familie. Naamloze vennootschap (NV): er zijn meerdere eigenaren zijn, kunnen makkelijker geld lenen voor startvermogen dan eenmanszaak en Vof. De Nv is een rechtspersoon, juridisch zelfstandig. Je kunt bijvoorbeeld bedrijf voor rechter slepen zonder dat je de eigenaren aanklaagt. En de eigenaren zijn met hun privé vermogen niet aansprakelijk voor schulden. Aandeelhouders zijn de eigenaren (aandeelhouder ben je met aandeel, eigendomsbewijs van bedrijf). Bij een Nv staan de aandelen niet op naam, en kunnen de aandelen aan iedereen verkocht worden. Soms zijn er een paar groot-aandeelhouders die zijn samen eigenaren van de Nv. Maar de meeste bemoeien zich nauwelijks met het bedrijf. Een keer per jaar komt er aandeelhouders vergadering daar heeft iedere aandeelhouder één stem. Verder zijn de aandelen in een Bv vrij handelbaar. Als het bedrijf winst maakt krijgen de aandeelhouders koerswinst. Een overeenkomst tussen werknemer en werkgever is een arbeidsovereenkomst. In een arbeidsovereenkomst staan alle arbeidsvoorwaarden zwart op wit, zodar er geen onduidelijkheid over komt. Er zijn verschillende soorten arbeidsovereenkomsten: individuele arbeidsovereenkomst en collectieve arbeidsovereenkomst (CAO). Individuele arbeidsovereenkomst: is een arbeidsovereenkomst tussen 1 werkgever en 1 werknemer waarbij het loon en de arbeidstijd wordt vastgelegd. Collectieve arbeidsovereenkomst (CAO): staan de rechten en plichten van de werknemers en werkgevers zwart op wit. Als een werkgever een werknemer in dienst neemt moeten zij zich allebei houden aan de CAO. In de CAO staan de volgende zaken: het minimale loon, aantal uren dat gewerkt mag worden per week, overuren,vakantie,pensioen en loonsverhoging. In de Cao worden afspraken gemaakt voor groepen werknemers. Meestal een bedrijfstak (alle bedrijven die zich bezighouden met een zelfde soort productie, bijv. bouw). De CAO is een overeenkomst tussen de werkgevers en vakbonden (ook wel werknemersbonden genoemd, die handelt over de CAO in het belang van de werknemers). Organisatiegraad is het percentage van werknemers dat is aangesloten bij een erkende vakbond, dat is in Nederland ongeveer 25%. Je kunt de organisatiegraad bereken op de volgende manier: (Aantal werknemers aangesloten bij een vakbond / aantal werknemers) x 100%. Verder staan in een individuele arbeidsovereenkomst en een CAO verschillende arbeidsvoorwaarden die kunnen we splitsen in 2 groepen namelijk primaire arbeidsvoorwaarden en secundaire arbeidsvoorwaarden. Primaire arbeidsvoorwaarden: loon en de (normale) arbeidstijd. Secundaire arbeidsvoorwaarden: alle andere arbeidsvoorwaarden denk hierbij aan vakantieregelingen, duur van pauze, reiskostenvergoeding, kinderopvang, scholing en auto van de zaak. De derde dinsdag van september presenteert de rijksoverheid de rijksbegroting (overzicht van alle inkomsten en uitgave van de overheid) voor het komende jaar. Ook wordt de miljoenennota (samenvatting van de rijksbegroting) gepresenteerd. Als de rijksbegroting bekend is gaan werknemers (vakbonden) en werkgevers met elkaar aan tafel zitten en overleggen over de arbeidsvoorwaarden. Maar omdat ze niet allemaal aan tafel kunnen gaan zitten, want dan is het te druk gaan ze zich verenigen in vakcentrales (samenvoeging van vakbonden, bijv. hout en bouw zijn bondgenoten). En van elke vakcentrale gaat een vertegenwoordiger overleggen met andere vertegenwoordigers van vakcentrales, dat samen wordt de werknemers centrale. (kan ook met werkgevers). dus even voor duidelijkheid: Vakbond vertegenwoordiger 1 Vakcentrale 1 Bouw + Vakbond Hout Vakbond winkel + vertegenwoordiger 2 vakcentrale 2 vakbond groothandel Vertegenwoordigers werknemers centrale. (zo gaat ook met werkgevers). samen Als de vertegenwoordigers van de werknemers gaan overleggen met de werkgevers noemen we dat het centraal overleg. Ze overleggen over de hoofdlijnen van de arbeidsvoorwaarden, het akkoord (Centraal akkoord) wordt vervolgens weer per bedrijfstak in de CAO verwerkt. Nog even voor de duidelijkheid: Centraal Akkoord: afgesloten door centrales werkgevers/werknemers op landelijk niveau. CAO: afgesloten door vakbonden en werkgevers per bedrijfstak. Individuele AO: afgesloten door werkgever + werknemer individueel niveau. Een CAO geld in eerste instantie alleen voor bedrijven die lid zijn van de werkgeversbond die de CAO heeft afgesloten. Maar er zijn ook bedrijven die geen lid zijn van de werkgeversbond dat kan tot ergernis lijden bij loonsverhoging want dan hoeven die bedrijven dat niet te doen. Om die ergernis te voorkomen kan een minister een CAO Algemeen verbindend verklaren dan geldt de CAO dus voor alle bedrijven in die bedrijfstak.

3 Hoofdstuk 3 Een werknemer produceert nu meer dan een werknemer 100 jaar geleden. Deze stijging van de gemiddelde productie per werknemer per gewerkte tijdseenheid (bijv. per uur) noemen we stijging van de arbeidsproductiviteit. Er zijn verschillende oorzaken voor: Technische ontwikkeling: mechanisering, het meer gebruiken van machines en automatisering, het meer gebruiken van computers. Arbeidsverdeling en specialisatie: verdelen van taken zodat mensen zich steeds meer gaan storten op één deel van het productie proces en er zo gespecialiseerd in worden. Scholing: mensen worden beter opgeleid, geschoold en zijn dus slimmer en produceren meer. Door stijging van de arbeidsproductiviteit per werknemer betekend dat er meer geproduceerd wordt, dus stijgen de opbrengsten. Maar omdat de opbrengsten stijgen willen de werknemers loonsverhoging. Dat heet Initiële loonstijging (loonstijging die ontstaat door stijging van arbeidsproductiviteit). Je kan ook prijscompensatie krijgen dan krijgt de werknemer meer loon, maar kan hij niet meer kopen omdat de prijzen in dezelfde verhouding stijgen. Verder kan je ook nog incidentele loonstijging krijgen, die stijging krijg je bijv. bij promotie. Incidentele loonstijging staat in tegen stelling tot prijscompensatie en initiële loonstijging niet in de CAO, omdat dit niet voor iedereen gelijk is die andere 2 wel. Incidentele loonstijging is dus loonstijging die je incidenteel krijgt en niet van te voren is afgesproken en ook meestal niet in de CAO staat. Prijscompensatie en Initiële loonstijging gaan niet ten koste van de winst van een bedrijf. Kijk: omzet 2001 = 20 miljoen, lonen 16 miljoen, winst 4 miljoen. Winst als percentage van loon = (4 / 16) x 100 = 25 % 2002 omzet stijgt met 7% en lonen met 7%. Omzet 2002 = 20 x 1,07 = 21,4 miljoen lonen 2002 = 16 x 1,07 = 17,12 miljoen, winst = 4,28 miljoen. Winst als percentage van het loon = (4,28 / 17,12) x 100 = 25% dus winst op percentagen blijft gelijk bij loonstijging van 7% en Omzet stijging van 7%. Omzet van een bedrijf is (afzet (aantal verkochte producten) x verkoopprijs). Een andere term voor omzet is Totale opbrengst. Om de omzet te kunnen bereiken moeten allerlei kosten gemaakt worden, bijv. lonen en rentes over leningen, machinekosten, transportkosten en kosten van grondstoffen, hulpstoffen en energie. Als loonstijgingen groter zijn dan de stijging van de arbeidsproductiviteit, dan stijgen de loonkosten per product. De loonkosten per product kan je op de volgende manier berekenen: (Loonkosten per uur / aantal producten per uur). Als de loonkosten per product stijgen kan dit tot de volgende problemen/reacties leiden. Prijzen verhogen, minder uitbreiden, productie verplaatsen naar lagelonenlanden en arbeidssparende machines inzetten. Dit verslechterd de concurrentie positie van Nederlandse bedrijven ten opzichte van buitenlandse bedrijven. Even voor de duidelijkheid: prijzen STIJGEN Loonkosten per product STIJGEN concurrentie positie verslechterd - Export DAALT, Import STIJGT werkgelegenheid DAALT. Koopkracht Lonen stijgen sneller dan prijzen B Consumptie STIJGT gezinnen STIJGEN Productie STIJGT estedingen STIJGEN Werkgelegenheid STIJGT. Koopkracht: Besteding geld in verhouding tot loon. Stel je loon stijgt met 7% en de prijzen stijgen met 4% hoeveel ga je er dan in koopkracht op vooruit? Dat kun je op de volgende manier bereken: (NIC / CPI) x 100 = RIC NIC: Nominaal index cijfer CPI: Consumenten Prijs Indexcijfer RIC: Rieel index cijfer. je gaat er (107 / 103) x 100 = dus 3.88% in koopkracht op vooruit. Hoofdstuk 4 De werkgelegenheid wordt bepaald door 2 factoren: totale productie en productie per werknemer. Op de volgende manieren kun je werkgelegenheid, productie en arbeidsproductiviteit berekenen: Productie = werkgelegenheid x arbeidsproductiviteit Werkgelegenheid = productie / arbeidsproductiviteit Arbeidsproductiviteit = productie / werkgelegenheid En op de volgende manier kun je het berekenen als indexcijfer: Productie = (werkgelegenheid x arbeidsproductiviteit) / 100 Werkgelegenheid = (productie / arbeidsproductiviteit) x 100 Arbeidsproductiviteit = (productie / werkgelegenheid) x 100 Als de arbeidsproductiviteit stijgt, daalt het aantal banen, dat komt omdat ze dan met minder werknemers even veel produceren. Hierdoor worden automatisch ook de prijzen lager. Als een bedrijf producten of productieprocessen vernieuwd wordt dat ook wel innovatie genoemd. De arbeidsproductiviteit is hoger dan vroeger, een oorzaak daarvan is dat mensen nu slimmer zijn en dus sneller kunnen handelen, maar de belangrijkste oorzaak daarvan is dat bedrijven kapitaalintensiever worden, dat wil zeggen dat bedrijven meer met machines gaan werken. als een bedrijf kapitaalgoederen koopt noemt men dat ook wel investeren. Er zijn 2 soorten investeringen, je hebt diepte-investering en je hebt breedte-investering. Het verschil tussen die 2 is het volgende, bij diepte investering vervang je oude machines door nieuwe (betere) machines. In dat geval stijgt de arbeidsproductiviteit, maar daalt de werkgelegenheid. Bij breedte investering koopt een bedrijf meer machines, in dat geval blijft de arbeidsproductiviteit gelijk, maar stijgt de werkgelegenheid. Als een consument goederen en/of diensten koopt noemen we dit consumeren.

4 Bedrijven kunnen vaak kiezen uit verschillende combinaties tussen machines (kapitaalgoederen) en arbeiders (werknemers). De keuze die de bedrijven maken hangt af van de kosten van de arbeiders en kapitaalgoederen. Wordt er meer arbeid in plaats van kapitaalgoederen ingeschakeld dan noemen we dat arbeidsintensiever. Worden er meer kapitaalgoederen in plaats van arbeid ingeschakeld dan noemen we dat kapitaalintensiever. De vervanging van kapitaalgoederen door arbeid of andersom noemen we substitutie (vervanging). Vervanging van arbeid door machines economisch gezien beter, want je produceert beter en je hebt minder loonkosten. Maar maatschappelijk gezien is het niet goed, want er is minder arbeid, dus meer werkloosheid. Bij bedrijven draait het meestal om winst maken, als je winst wil maken moeten je loonkosten zo laag mogelijk zijn, je kan dan mensen ontslaan maar dan produceer je minder, wat je ook kan doen is het bedrijf in het buitenland (lagelonenlanden) te vestigen, dat kan je doen op 2 manieren: Vestiging in Nederland sluiten en in een lagelonenland tegelijkertijd te openen, of je kan in Nederland weggeconcurreerd worden door andere bedrijven. Als je meer winst maakt wordt je concurrentie positie ten opzichte van andere bedrijven beter, de definitie van concurrentiepositie is: het vermogen om beter en/of goedkoper te produceren dan concurrenten. Het belangrijkste wapen in de concurrentie positie is: de prijs wie de laagste prijs heeft verkoopt meer en maakt meer winst andere wapens in die strijd zijn kwaliteit (de kwaliteit van een product) en infrastructuur (hoe ziet het eruit, verzorgt, rommelig etc.) loonkosten per product stijgen concurrentie positie ten opzichte van het buitenland daalt prijzen stijgen werkgelegenheid afzet daalt, productie daalt export daalt, import stijgt daalt. koopkracht werknemers Lonen stijgen sneller dan de prijzen afzet en bestedingen stijgen consumptie door gezinnen stijgen stijgen wekgelegenheid stijgt. productie bedrijven stijgen Loonstijgingen hebben gevolgen, zowel op de korte als op de lange termijn, namelijk de volgende: meer werkloosheid Korte termijn: meer ontslagen Lange termijn: verschuiving werkgelegenheid De hoeveelheid goederen die een bedrijf in een land koopt hangt af van de totale vraag van goederen en diensten in een land. (vraag komt van gezinnen) (hoeveelheid = inkomen). Hoofdstuk 5 Je weet inmiddels wat werkeloosheid is en werkgelegenheid. Maar is ook verborgen werkloosheid, dat zijn werklozen die niet staan ingeschreven bij het CWI. Ook heb je verborgen werkgelegenheid, dat is vrijwilligerswerk en/of zwart werk. Maar behalve verborgen werkloosheid, zijn er nog verschillende soorten werkloosheid: frictiewerkloosheid, seizoenswerkloosheid, kwalitatieve seizoenswerkloosheid, kwantitatieve seizoenswerkloosheid en conjuctuur werkloosheid. Hier even een beschrijving van alle soorten. Frictiewerkloosheid: werkloosheid die ontstaat omdat het tijd kost voor een werknemer om een baan te vinden als je net van school af bent, of net bent ontslagen. Maatregelen hiertegen: betere arbeidsbemiddeling: openstaande vacatures worden sneller opgevuld. Seizoenswerkloosheid: werkloosheid die ontstaat als je een seizoen niks aan je baan hebt, bijv. een strandwachter, in de zomer zijn de stranden vol, in de winter is er niemand. Maatregelen hiertegen: activiteiten organiseren op die plaatsen, die ook in de winter leuk zijn. Kwalitatieve structuurwerkloosheid: werkloosheid die ontstaat als vraag en aanbod niet op elkaar aansluiten, er worden andere soorten arbeid gevraagd dan dat er wordt aangeboden. Maatregelen hiertegen: omscholing. Kwantitatieve structuurwerkloosheid: er zijn te weinig machines ten opzichte van de aangeboden arbeid. Maatregelen hiertegen: verlagen loonkosten, minder aantrekkelijk mensen te vervangen door machines. Conjuctuur werkloosheid: mensen besteden te weinig, dus hoeft er minder geproduceerd te worden, maatregelen hiertegen: Salarissen ambtenaren omhoog krikken, zo kunnen hun meer besteden en moet er weer meer geproduceerd worden. In de economie spreken we vaak over productiecapaciteit: hoeveel goederen en/of diensten er geproduceerd word als alles op volle toeren draait. De productiecapaciteit kun je op de volgende manier berekenen: (wekelijkse productie (effectieve vraag)/ bezettingsgraad) x 100. Hoeveel alle bedrijven in land samen produceren hangt af van de effectieve vraag (totale vraag van goederen en/of diensten die een land produceert bij elkaar opgeteld. Verder zijn er nog een aantal manieren om werkloosheid tegen te gaan: deeltijdmedewerkers, mensen werken niet het volledige aantal uren in een week, zo blijven er uren over die kunnen weer door andere mensen gedraaid worden. ATV, Arbeidstijdverkorting, iedereen in een bedrijfstak gaat minder werken, hierdoor komen ook weer dagen/ uren vrij die weer kunnen worden opgevuld. De laatste manier is flexibilisering, arbeiders flexibel inzetten hierdoor dalen de arbeidskosten en komen er weer plaatsen vrij. Economie samenvatting lesbrief Buitenland 2 Nederland is afhankelijk van handel. Waarde = prijs x Volume Uitvoer = export -> geld ontvangen Invoer = import -> geld uitgeven

5 Landen handelen omdat ze: -een product zelf niet hebben. - een ander land het goedkoper kan produceren. - Betere kwaliteit heeft. Lage productie kosten komen door innovatie - hoge scholinggraad - goedkope arbeiders Lage productie kosten en hoge kwaliteit zorgen voor een sterke concurrentie positie in en land. Internationale arbeidsverdeling = een land dat zich specialiseren in een product wat het goedkoop en goed kan maken, leid tot meer handel Belangrijke oorzaken dat landen verschillen in concurrentie positie -Natuurlijke omstandigheden. -Loonkosten per product Hierbij kijk je naar hoe hoog is de arbeidsproductiviteit, Loonkosten per product = loonkosten per werknemer/ apt -kwaliteit v/h product een kwalitatief goed product zal beter verkopen, door innovatie modernisering en goed scholing kan dit geberuen. Tevens moet er een goede verhouding zijn tussen prijs en kwaliteit. -infrastructuur -Stabiliteit Veel stakingen, grote maatschappelijke tegenstellingen, oorlogen zijn slecht voor een bedrijf. Open economie relatief veel handel met een ander land. Gesloten economie relatie weinig handel met een ander land. Om te kijken of een land veel handelt kijk je naar de exportquote of importqoute. Export quote = waarde export/ nationaal inkomenx 100% Waarde export = pxq Nationaal inkomen = bbp Hoge export_ en importquote geven aan dat een economie open is. Kleine landen hebben vaak een open economie omdat : - vaak maar één soort klimaat waardoor ze niet veel verschillende goederen kunnen produceren. - Ontbreken van schaalvoordeel bij sommige productie processen. Door hoge constante kosten is iets soms te duur om te produceren (bv vliegtuigen) Factoren die de mate van openheid van een economie bepalen : -Slechte infrastructuur, slechte vervoersmogelijkheden, ruig landschap(bv Afganistan) - land met regering die onafhankelijkheid wil (bv Noord-Korea) Betalingsbalans: -goederen rekening - diensten rekening -Inkomens rekening -kapitaal rekening (-Diviezen rekening ) Saldo van 4 rekeningen noemen we materieelsaldo. Materieel overschot = meer ontvangen dan uitgegeven op de betalings balans. Het materiaaloverschot wordt gezet op de goud en diviezen rekening als reserve. Multinationals Sterke groei van multinationals wordt gestimuleerd door het steeds vrijere handels en betalings verkeer. Inrternationalisering = kosten besparend Schaal vergroting = kosten besparend Er ontstaat een nieuwe afzet markt door : - nieuwe vestigingen - meerderheid van aandelen in een buitenlands bedrijf. Voordeel v/h bedrijf: internationale handelsbelemeringen (zoals invoerheffingen) ontlopen. Voordeel v/h land: meer werkgelegenheid. Nadeel v/h land: machines concurreren arbeid weg. Bedrijven verzekeren zich van grondstof toevoer door toeleveringsbedrijven overtenemen.

6 Wisselkoers Wisselkoersen komen tot stand op de valutamarkt, waar vraag en aanbod elkaar treffen. Als de stijgt t.o.v $: - export slecht met V.s - Weinig touristen vanuit de Vs - Veel touristen vanuit nl naar de vs - Veel import vanuit de vs Er is niet maar één wisselkoers voor iedere buitenlandse munt is er een wisselkoers. Vragers v/d zijn Nederlandse exporteurs en buitenlandse importeurs Aanbieders v/d zijn Europese bedrijven die met andere valuta s moeten afrekenen en buitenlandse bedrijven die producten in hebben gekocht. Appreciatie: Als de vraag naar de munt stijgt of het aanbod daalt zal de wisselkoers stijgen. Deapreciatie: Als de vraag naar de munt daalt of de vraag stijgt zal de wisselkoers dalen. Export -- vraag Concurrentie positie wisselkoers Import -- vraag Koersveranderingen hebben gevolgen voor de hoeveelheid (volume) v/d export en import. Koersstijgingen maken export duurder en de export daalt. Flexibele wisselkoers = er is een schommeling door de vraag en aanbod. Voordelen : tekort en overschot op de betalings balans lost zichzelf op. Bij een land met een tekort op de betalingsbalans de export wordt kleiner dan de import; vraag naar de munt ; Wisselkoers ; concurrentie postitie ;export. Nadelen: onzekerheid en risico voor exporteurs en importeurs. Vaste wisselkoers = de wisselkoers is dan vastgekoppeld aan een of meerdere munten door de regering. Voordelen : meer zekerheid omdat er geen schommeling is van wisselkoersen. Nadelen : betalingsbalans lost zichzelf niet op.. als er een tekort is en de diviezen rekening is ook op, zal de wisselkoers moeten worden aangepast. Devaluatie = wisselkoers verlagen Revaluatie = wisselkoers verhogen Devaluatie en revaluatie staan altijd tegenover elkaar omdat het ene land de koers moet verlagen en het andere land hem moet verhogen. Als de betalingsbalans dan nog steeds niet positief is zal de regering toch moeten besluiten om de flexibele wisselkoers te hanteren. Soepele internationale handel is een gezamelijke munt Voordelen: - prijzen zijn makkelijker te vergelijken. - Geen omwisselkosten - Geen koersrisico s Nadelen - niet meer via daling wisselkoersen de concurrentie postie verbeteren - geen onderlingen devaluatie hoge inflatie & dalende export hoge werkloosheid Afhankelijkheid van de markten : Goederen_ en diensten markt : Vraag en aanbod bepalen de prijs. Stijging van de prijzen heet inflatie en daling van de prijzen heet deflatie. Arbeidsmarkt: Prijs op arbeidsmarkt = loon. Krappe arbeidsmarkt weinig aanbod werknemers lonen stijgen. Vermogensmarkt (=Geld dat wordt uitgeleend kan worden en geld wat mensen en bedrijven willen uitlenen.) Prijs op de vermogensmarkt = rente Geldmarktrente = rente voor een lening TOT 2 jaar Kapitaalmarktrente = rente voor een lening VANAF 2 jaar Valuta markt ( = omwisseling van munteenheden) Prijs op de valuta markt is wisselkoers. Inflatie beïnvloed wisselkoers: Inflatie ; internationale concurrentiepositie ;export ;vraag munten ; wisselkoers. Landen met lage inflatie hebben vaak een sterke munt dus veel export en veel vraag naar de munt op de valutamarkt.

7 Wisselkoers beïnvloed inflatie: Inflatie ; internationale concurrentie postie ; export ; vraag munt ; wisselkoers. Economie samenvatting lesbrief Inkomen en Groei Productie en ruilen. Als je zelfvoorzienend bent dan produceer je goederen die je zelf gebruikt. Door zelfvoorziening is er minder sprake van ruilen aangezien men niet afhankelijk van elkaar is. Aangezien dat steeds minder handig werd gingen steeds meer mensen zich specialiseren op 1 gebied. Er werd hierdoor steeds sneller geproduceerd in een kortere tijd(arbeidsproductiviteit stijgt). Ook was er door het gebruik van specialisatie steeds meer behoefte om te ruilen. Goederen ruilen tegen andere goederen noemen we directe ruil of ruil in natura. Daar was alleen vroeger sprake. Langzamerhand is men steeds meer met geld gaan ruilen aangezien dat veel makkelijker te gebruiken is dan directe ruil, want het is deelbaar en het kan niet bederven. Indirecte ruil is het ruilen van goederen voor geld of voor een ander algemeen aanvaard ruilmiddel. Vroeger waren er veel meer mensen nodig om in de landbouw te werken dan tegenwoordig. Dat komt door de mechanisatie,automatisatie,specialisatie en omdat men nu van een betere technologie gebruik maakt. Als gevolg leidt het tot meer arbeid in de industrie/dienstensector en minder in de landbouw. Primair inkomen en de 4 productiefactoren. Door mee te werken in de productie krijg je een inkomen. Dit noemen we het Primair inkomen. Primair inkomen kun je onderverdelen in 4 soorten die worden verdiend door de 4 productiefactoren: Loon: dat je krijgt in ruil voor het leveren van arbeid. Rente: de beloning die je krijgt voor het ter beschikking stellen van bepaalde kapitaal. Pacht: Als je een stuk natuur ter beschikking stelt van producenten. Winst:De beloning die je krijgt voor ondernemersactiviteit(ondernemerschap). Omzet. Wat een bedrijf totaal binnen krijgt door producten te verkopen wordt de omzet genoemd Dit reken je uit door middel van de afzet maal de verkoopprijs te doen.. De omzet kun je verdelen in de toegevoegde waarde en in de inkoopwaarde van het bedrijf. De toegevoegde waarde van een bedrijf is de totale omzet - de inkoopwaarde. Dit geld wordt dan weer verdeeld onder de vier productiefactoren De lonen van de arbeiders,de pacht als huur en de rente van bepaalde leningen. De rest is winst voor het bedrijf. Productiecapaciteit. De maximale productie van een land wordt de Productiecapaciteit genoemd. Als er meer producten gevraagd worden dan de productiecapaciteit(aanbod) dan noemen we dat overbesteding en dat leid weer tot bestedingsinflatie en een stijging van de vraag naar arbeiders. Nationaal Product en Nationaal Inkomen. Het Nationaal product krijg je door alle inkomenscategorieën (loon, winst, huur, pacht en rente) bij elkaar op te tellen. De primaire inkomens van alle gezinnen in een land in een jaar bij elkaar opgeteld noemen we het Nationaal inkomen. De twee factoren die het nationaal inkomen bepalen zijn de productiecapaciteit en de bestedingen. De productiecapaciteit geeft aan hoe hoog er maximaal geproduceerd kan worden. De omvang van de productiecapaciteit wordt bepaald door de kwaliteit en kwantiteit van de productiefactoren arbeid, kapitaal, natuur en ondernemerschap. Je hebt ook nog het Nominaal inkomen. Dat is het inkomen gemeten in geld. Het Nationaal inkomen wordt bepaald door de vier sectoren: Consumptie, Investeringen, Overheidsbestedingen en het saldo van Export en Import. Nationaal Inkomen(Y) = C + I + O + E M

8 C= consumptie I= investeringen O= overheidsbestedingen E= export M= import Als laatste heb je nog het Reëel inkomen dat wordt gemeten in goederen of je kunt het de koopkracht noemen. Als het nominaal inkomen(lonen) stijgen hoeft dit nog niet te betekenen dat het reëel inkomen(koopkracht) ook stijgt aangezien men ook rekening moet houden met de inflatie. Nominaal inkomen Reëel inkomen(koopkracht) = X 100 Prijs -Hierbij moet je gebruik maken van indexcijfers. Het Consumentenprijsindex(CPI). Het consumentenprijsindex geeft informatie over de inflatie en over de huidige prijspeil. Met behulp van gegevens over prijzen en uitgaven berekent het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) elk jaar dit prijsindexcijfer. Het CBS houdt bij hoe de prijze zich ontwikkelen zodat ze de CPI goed kunnen berekenen. Dit doet het CBS door prijsindexcijfers van allerlei artikelen met behulp van prijspeilingen vast te stellen. Met behulp van de prijzen van de artikelen kunnen dan weer gewogen prijsindexcijfers voor de hoofdgroep berekend worden. Het CPI speelt een rol bij de cao-onderhandelingen. Als de prijzen stijgen daalt de koopkracht. Daarom eisen werknemers meestal Prijscompensatie(Lonen omhoog vanwege inflatie). Geldontwaarding betekend dat de koopkracht daalt. De Loon- prijs spiraal. Bij de meeste gevallen zullen werknemers indien hun koopkracht daalt een loonsverhoging eisen om hun koopkracht weer op te bouwen. Hierdoor zullen de productiekosten stijgen. Aangezien de bedrijven hun winst willen behouden zullen ze de loonsverhogingkosten doorberekenen naar de producten waardoor dus de prijzen stijgen. Dit blijft oneindig doorgaan en noemen we dus ook de loon- prijs spiraal. Door het loon- prijs spiraal verslechterd de concurrentie positie van een land. Het is dus voordelig om de Loon-Prijs Spiraal af te remmen. Dit kan bijvoorbeeld belastingverlaging waardoor de werknemers geen loonsverhoging hoeven te eisen. Hierdoor zullen dan de productiekosten ook niet stijgen en de prijzen gelijk blijven. Welvaart tussen 2 landen meten. Als je wilt weten van 2 landen welke het welvarendste moet je het nationaal inkomen per hoofd van de bevolking berekenen voor elk land en deze met elkaar vergelijken.een nadeel hiervan is dat het informele circuit hier niet mee wordt gerekend. Een ander nadeel is als dat als er grote verschillen in inkomen zijn tussen de bevolking dit helemaal niks zegt. Het productie Circuit. Je kunt de totale productie circuit verdelen in 2 delen namelijk:het formele circuit en het informele circuit. Alleen het formele circuit (witwerk) wordt geregistreerd en kan dus gebruikt worden voor berekeningen. Het Informele circuit (grijs- en zwartwerk) wordt niet geregistreerd hoewel zij wel meewerken aan de productie. Investeringen. Er zijn 2 soorten investeringen namelijk breedte en diepte investeringen. Door breedte investeringen blijft de arbeidsproductiviteit gelijk maar de totale productie neemt toe(investeringen in kwantiteit). Bij diepte investeringen stijgt de arbeidsproductiviteit en de totale productie stijgt hierdoor dus ook(investeringen in kwaliteit). Hoog- en Laag conjunctuur. De schommelingen in de hoogte van het nationaal inkomen als gevolg van schommelingen in de bestedingen noemen we conjunctuur of conjunctuurgolf Laagconjunctuur = wanneer de groei van het reële nationaal inkomen lager is dan de trendmatige groei(gemiddelde groei gerekend over lange periode). Hoogconjunctuur = wanneer de groei van het reële nationaal inkomen bovengemiddeld is.

9 Men spreekt van een Recessie als er 2 opeenvolgende kwartalen van afnemende economische groei plaatsvinden. Men spreek van een Depressie als er nog langer dan 2 kwartalen een negatieve economische groei plaatsvindt. Laagconjunctuur en hoogconjunctuur hebben invloed op de bezettingsgraad en de vraag naar arbeid. Aanhoudende hoogconjunctuur kan leiden tot overbesteding, aanhoudende laagconjunctuur tot onderbesteding. De overheid probeert verloop van conjunctuur te beïnvloeden door: - zelf meer uit te geven - belastingen verlagen (gezinnen gaan zo meer consumeren) Bij overbesteding moet de overheid op de rem gaan staan en de vraag verminderen: - overheidsbestedingen verlagen - of door belastingen te verhogen De Balans. Balans is een overzicht van de bezittingen(inclusief vorderingen), het eigen vermogen en de schulden van een onderneming op een bepaald moment. Rechts is de creditzijde, en links is de debetzijde. De linkerkant is de activazijde en daar staan alle bezittingen op. De rechterkant is de passivazijde en daar staat het vermogen op waarmee het bedrijf wordt gefinancierd. Balans van een onderneming is altijd in evenwicht. Beneden zie je een voorbeeld van een Balans: De balans is op tijd gesorteerd waarbij bovenaan de langst meegaande middelen(vaste Activa) staan,in het midden de middelen die minder dan een jaar meegaan(vlottende Activa) en onderaan de middelen die het bedrijf nu heeft(liquide middelen). Het geld dat de eigenaar of de eigenaars aan het bedrijf hebben besteed noemen we het Eigen vermogen. Dit geld blijft beschikbaar voor het bedrijf en is dus deel van de passivazijde. Als het bedrijf winstof verlies leidt neemt het eigen vermogen toe of af. Het Lang vreemd vermogen zijn schulden die langer dan een jaar duren voor ze worden terugbetaald. Hieronder komt het Kort vreemd vermogen en die moeten binnen een jaar worden terugbetaald. Crediteuren daar moet het bedrijf nog geld aan betalen(schulden). Het bedrijf krijgt nog geld van Debiteuren dus de debiteurs zijn geld schuldig aan het bedrijf. In de Kas zit al het geld van het bedrijf dat bestaat uit munten en biljetten. Het Inventaris is de waarde van alle machines en meubelen die het bedrijf bezit. De Kosten en Opbrengsten van een onderneming staan niet op de balans maar op de resultatenrekening. (winst en verliesrekening.) De Resultatenrekening. Het verschil tussen een balans en een resultatenrekening is dat op een balans bezittingen, eigen vermogen en vreemd vermogen staan en op een resultatenrekening kosten en opbrengsten. Het tweede verschil is dat een balans de stand van zaken op een bepaald moment laat zien en een resultatenrekening de winst of het verlies over een bepaalde periode De Bedrijfskolom. Bedrijfskolom is een schematisch overzicht van de belangrijkste productiefasen die een product doorloopt. Een productiefase is een bewerking die een product ondergaat. De bedrijfskolom laat de productieweg zien van beginproduct tot eindproduct. Tussen de verschillende fasen van de bedrijfskolom vinden we markten. De totale productie van een bedrijfskolom bereken je door de productiewaarde van afzonderlijke bedrijven bij elkaar op te tellen. Belangrijk is dat de consument geen bedrijfskolom is aangezien zij niet produceert. Alle bedrijven die eenzelfde soort product voortbrengen, of een gelijke productieve handeling verrichten noemen we een bedrijfstak. Het Multipliereffect. Meestal wordt het multipliereffect veroorzaakt door een investering van de overheid. Het kan zo zijn dat een extra besteding van de overheid een toename van het bruto binnenlands product tot gevolg kan hebben van meer dan het geld dat de overheid in besteed heeft. Het multipliereffect ontstaat omdat er investeringen gedaan worden wat leidt tot extra inkomen en dus extra consumptie. Dit kan weer tot meer werkgelegenheid en extra inkomen leiden. Wanneer je de lonen uitdrukt als percentage van het nationaal inkomen bereken je de loonquote. Op dezelfde manier is de winstquote, pachtquote, huurquote en rentequote te berekenen, samen vormen ze weer 100% en dus het nationaal inkomen. De Lorenzkromme. Op de horizontale as van de Lorenzkromme staat het cumulatieve aantal mensen met een inkomen in procenten van het totale aantal mensen. Op de verticale as staat cumulatief hoeveel procent van het totale inkomen deze mensen verdienen. De lorenzkromme is een afbeelding van ongelijkheid van de personele inkomensverdeling.

10 Dat is de verdeling van het inkomen over personen of huishoudens. Als inkomens precies gelijk verdeeld zijn noemen we dat de lorenzcurve. De Lorenz-curve geeft alleen info over de verdeling van het inkomen, niet over de hoogte. Economie samenvatting lesbrief De Collectieve Sector Belastinginkomsten. Je hebt twee soorten belastingen namelijk de directe en de indirecte belastingen: Directe: Wordt direct door de belastingbetaler aan de overheid betaald De belangrijkste is loon-en inkomstenbelasting die wordt automatisch op brutoloon ingehouden Loonbelasting is een voorheffing op de inkomstenbelastingen. Deze wordt verrekend met de vooraf betaalde loonbelasting. Bij uitkering wordt deze automatisch afgehouden. Ook betaal je over de spaarrekening, de aandelen, onroerend goed en inkomsten uit vermogen belasting. Overige belastingen: kansspelbelastingen,successierechten en vennootschapbelastingen. Indirecte: Dit zijn er heel veel enkele voorbeelden zijn: BTW, accijnzen, invoerrechten en milieuheffing. Kostprijsverhogende belasting De belangrijkste is belasting op de toegevoegde waarde. Dit wordt bijna over alle goederen en diensten betaald. Een voorbeeld is: btw. Daarbij is er nog extra inkomstenbelasting op bezine,alcohol en sigaretten. Deze heet Accijnsbelasting en heeft 2 doelen namelijk: 1)Overheidsinkomsten vergroten 2)Het gebruik van schadelijke producten afremmen. -Je hebt ook nog belastingen op milieu. Hierbij wordt er een belasting op schadelijke stoffen betaald. Met dit geld betaald met subsidies uit opbrengsten. Invoerrechten is belasting op ingevoerde producten. Ook heb je nog belasting voor als je een motorrijtuig gebruikt: motorrijtuigbelasting. Andere inkomsten voor de overheid. De winsten van staatsbedrijven zoals de Nederlandse aardoliemaatschappij en de Nederlandse bank. Mensen betalen voor diensten van de overheid. Die betalingen heten retributies. Hierbij is tegenprestatie bijvoorbeeld: Paspoort. Boetes Uitgaven en bestedingen van de overheid. overdrachtsuitgaven Overheidsuitgaven overheidsinvesteringen overheidsbestedingen personele overheidsconsumptie overheidsconsumptie materiële overheidsconsumptie Begroting van de overheid Troonrede: Overzicht van de plannen van de regering voor het komende jaar. Rijksbegroting: Overzicht van verwachte uitgaven en inkomsten van de overheid. Miljoenennota: Toelichting op de begroting. Het financieringstekort kan kleiner worden door belastingmeevallers. Als de uitgaven groter zijn dan de inkomsten van de overheid zijn dan is er een begrotingstekort. Dan moet de overheid geld lenen hierdoor neemt de staatschild toe. De rijksoverheid in Nederland leent geld meestal door staatsobligaties. Staatobligaties bieden een gunstige rente voor een aantal jaar en zekerheid van ontvangst. De overheid moet elk jaar rente over die staatsobligaties betalen hoe meer leningen hoe meer kosten, hoe grote de staatschuld. Het Begrotingsbeleid Nadelen van een hoog financieringstekort: de overheid moet veel geld lenen en over die leningen moet overheid elk jaar veel rente te betalen. Daarom vormen rentelasten nu een vrij grote uitgavenpost op de begroting. Dat

11 geld kan niet aan andere zaken als onderwijs, zorg of milieubeleid uitgegeven worden. Een ander nadeel is dat een hoog financieringstekort de rente stand kan opdrijven. Dat maakt lenen duurder dus word er minder geld geleend door bedrijven en consumenten zo word er minder geïnvesteerd door bedrijven. Nationaal inkomen lager Slecht met de economie Werkeloosheid Faillissementen komen meer voor Bedrijven maken minder winst omhoog > Uitgaven aan uitkeringen omhoog Belastinginkomen omlaag Financieringstekort omhoog Inkomensverdeling Personele inkomen is de verdeling van het inkomen over personen of gezinnen De overheid beinvloedt dit door: 1)Het bepalen van wettelijk minimumloon:garandeert de werknemers een minimumloon. 2)Verklaart CAO-Afspraken algemeen verbindend. 3)Gebruik maken van loonmaatregel:je moet je aan de richtlijnen van de overheid houden met betrekking tot loonstijgingen en andere arbeidersvoorwaarden(noodmaatregel). 4)De overheid heeft invloedt op alle vrije beroepen en ambtenaren omdat zij zelf werkgever is. 5)Belastingheffing. 6)Sociale premie heffing. 7)Sociale uitkeringen. 1 t/m 4: Primair inkomen 5 t/m 7: Secundair inkomen Secundair inkomen: inkomen na herverdeling door de overheid en de sociale fondsen. Progressief belastingstelsel Nivelleren: Het in verhouding kleiner maken van de inkomensverschillen Denivelleren: De inkomensverschillen relatief groter maken. 3 Soorten belastingstelsels: 1) Progressief: Iemand moet een hoger percentage belasting betalen als het inkomen hoger is: draagkracht beginsel. 2)Proportioneel: Hetzelfde tarief aan belasting over het inkomen. 3) Degressief: Als het inkomen stijgt dan daalt de belasting. De 3 boxen Box 1: Hieronder vallen de inkomensheffing op werk en woning. -Op loon voor werknemers, winst voor zelfstandigen,pensioenen en uitkeringen. -Maandelijkse loonheffing, voortrekking op inkomstenheffing bestaat beide uit belastingen en premies(volksverzekeringen) Aftrekposten: Rente die je betaald over de hypotheek van je 1ste huis. Een deel van reiskosten die je maakt naar je werk. Bepaalde kosten voor studie. Giften aan goede doelen. De kosten voor kinderopvang 3 Schijven: Hoe hoger je inkomen hoe hoger positie in de schijven. Per schijf ga je steeds meer betalen. Het gaat hier dan om het Belastbaarinkomen. Als je belastbaarinkomen bijvoorbeeld is dan betaal je over de eerst % belasting over de daarop volgende moet je 41.45% belasting betalen. Over de overgebleven moet 42% belasting betaald worden. In totaal heb je dan aan belasting en premies betaald. Belastbaarinkomen:Bruto inkomen-aftrekposten. Netto inkomen:bruto inkomen-inkomensheffing. Marginaal tarief: Het hoogste tarief dat geldt voor een bepaald inkomen. Gemiddelde tarief: Werkpercentage van het brutoinkomen dat iemand moet afdragen aan arbeidersinkomensheffing. Box 2 Hier wordt de winst belast van de aandeelhouders die meer dan 5% van de aandelen van een nv en bv hebben. Over het dividend wordt 15% belasting geheven Box 3 Hier zitten de inkomens die voortvloeien uit sparen en beleggen zoals: Rente,dividend en huur. Hierbij is er sprake van dividend als je minder dan 5% van de aandelen hebt.deze heffing noemt men de

12 vermogensrendementsheffing, fiscus krijgt niet hele bedrag. Geschiedenis van de sociale zekerheid 19e eeuw: lonen van de arbeiders waren laag, er waren ook geen cao s werknemers konden doen wat ze wilde, maar vanaf de 2de helft van de vorige eeuw kwam daar verandering in. 1847: 1ste sociale wetgeving, kinderwetje van: van Houten. Na wereldoorlog II bouwt de overheid een verzorgingsstaat op. Sociale wetgeving: scherpe kantjes van vrije markt weg. VS: de rol van vrije markt is er met inkomensverschillen groter de overheid is veel kleiner dan in Nederland. Verzorgingsstaat: voor elke burger een bestaansminimum verzekeren om ervoor te zorgen dat burgers toegang hebben tot onderwijs en ziekenzorg. Verplicht of vrijwillig Iedere werkgever is verplicht verzekerd te zijn tegen arbeidsongeschiktheid en werkeloosheid. Vrijwillig, voorbeeld: reisverzekering. Premie: Gelijk Premie hoger ondanks risico. Inkomen hoger VS heeft alles vrijwillig hierdoor ontstaan veel problemen Verplicht: Solidariteit speelt een rol, niet gekeken naar risico en zorgt ervoor dat er bescherming is en het is betaalbaar. Werkgevers betalen meer premie doordat mensen onverantwoordelijk zijn. Door meer premie te betalen hoopt men dat het aantal zieken afneemt. Sociale zekerheid: Hoe wordt het geregeld? 1) Werknemersverzekeringen: alleen voor werknemers deze worden betaald door de sociale premies. Je hebt verschillende soorten verzekeringen voor werknemers namelijk: Werkeloosheidswet(WW). -vangt inkomensverlies op. -laatste 36 weken,26 gewerkt. -zelf ontslag > geen WW. -70% van laatst verdiende loon. Ziektewet(ZW). -opvang inkomensverlies. -minimaal 2 jaar betaald door werknemer, 70% van het loon. De wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen(wia). -na 2 jaar ZW. -bv: arbeidsongeschikt worden. Zorgverzekeringswet(ZVW). -vanaf 18: verzekeren tegen basisziektekosten. 2) Volksverzekeringen: voor iedereen worden betaald uit de premies voor volksverzekeringen. Dan heb je ook nog wat verzekeringen die voor iedere Nederlandse burger zijn namelijk: Algemene ouderdomswet(aow). -voor inkomensverlies. -je betaald premies. -vanaf 65 recht op. -aanvullend pensioen. Algemene nabestaandewet(anw). -inkomenverlies opvangen. Algemene kinderbijslagwet(akw). Algemene wet bijzondere ziektekosten(awbz) Sociale voorzieningen Deze worden betaald met belastinginkomsten. Belangrijkste: Wet werk bijstand > als je voor niets anders in aanmerking komt. WAJONG: Wet arbeid ongeschiktheid voorziening jonggehandicapten. Waardevaste uitkering: Om koopkracht verlies te vermijden zijn de uitkeringen te koppelen aan de hoogte van de prijsstijgingen. Welvaartsvaste uitkering: Uitkering die gekoppeld is aan stijging CAO lonen. Kosten van de sociale zekerheid

13 Iedereen met een inkomen betaald belastingen en sociale premies voor volksverzekeringen. Dit noemen we de collectieve lasten. Loonkosten Premieswerkgever - Brutoloon Loonheffing Premies volksverzekeringen - Nettoloon Wig: Loonkosten - Nettoloon Groter beroep op de sociale verhoudingen tussen inactieve en actieve (I/A Ratio) voorzieningen meer relatief meer mensen die werken dan mensen met uitkering verslechterd looneisen koopkracht actieve omlaag Netto loon omlaag belasting + premies export omlaag concurrentiepositie omlaag prijzen omhoog omhoog werkloosheid omhoog. Iedereen aan het werk. Stelsel van sociale zekerheid is te duur. Uitgaven terug te dringen door: -Uitkeringen te verlagen. -Het aantal mensen dat er beroep op doet verminderen. -Regelingen privatiseren. De belangrijkste redenen om te privatiseren zijn: verlagen collectieve uitgaven. particulieren kunnen goedkoper produceren. mensen nu veel mondiger en zelfstandiger. Vergrijzing: oorzak stijgende wig, dit komt door omslagstelsel, er zou een spaarfonds moeten komen. Meer mensen moeten gaan werken: verschil loon en uitkering 1)Aantrekkelijk maken te werken groter maken. 2)Al aangeboden mensen te laten werken. Het markmechanisme. De vormen van invloed: 1) -Vrije spel van vraag en aanbod bepaald wat,waar en door wie er geproduceerd wordt. -Prijzen spelen een belangrijke rol informatie op grond waarvan productie en consumptie beslissingen genomen worden. Vraag omhoog prijs omlaag = aanbod omhoog productie omhoog winst omhoog prijs omhoog evenwicht op de markt. 2) Arbeidsmarkt: -prijs = loon -werkeloosheid meer mensen dus vraag omhoog = aanbod omhoog = neerwaartse druk op lonen evenwicht. 3) Manier van produceren: Door de hoge landen wordt het voor bedrijven gunstiger op kapitaalintensiever te worden of het trekken naar lage loonlanden. Vrijemarkteconomie: economie via prijsmechanisme. rol van overheid is klein, alleen zaken zoals : bestuur,rechtspraak,defensie en milieubeleid. productie = indirect. het nadeel is weinig kansen laagopgeleiden. hard werken + initiatief wordt beloond. inkomensverschillen groot bij ons door belasting laag. Planeconomie: overheid bepaalt alles. Het budgetmechanisme. De productie wordt geregeld door de overheid. Begroting waarin wordt vastgesteld wat, waar en door wie er geproduceerd wordt: heffen van belastingen. Planeconomie: economie met budgetmechanisme. Nu Noord-Korea + Cuba > Alles door de staat voor alles een guota + officieel geen werkeloosheid. Lokt corruptie uit > zwarte markt > niet veel in zit want lonen. Meeste zijn vervangen maar beste is vrijemarkt met duidelijke regels. Een gemengde economie. Een vrijemarkteconomie met veel overheidsinvloed: gemengde economie

14 bedrijven bepalen zelf hoe of wat, er worden voorwaarden gestrekt door de overheid. Nadelen: geen rekening met negatieve externe effecten grote onaanvaardbare inkomenschillen. slechte woonomstandigheden etc. Er zijn dus beschermregels en gaat monopolievorming/kartelvorming tegen en geeft subsidies. En grijpt in voor Nadelen hiervan: minder prikkels om initiatieven te concurrentie door nma. ontplooien. Voordeel: blijven producten beschikbaar gelijkmatige verdeeldheid welvaart. Economische politiek. 3 overheidsfuncties: 1) Toedelings/allocatiefunctie = omvang en de samenstelling van de productiebeinvloed = om ervoor te zorgen dat milieu aangetast wordt etc = d.m.v technische vernieuwen te stimuleren en streven naar duurzame groei. 2) Stabilisatiefunctie = de overheid de groei van de productie wil stabiliseren zonder heftige schaven of arbeidsonrust = conjunctuurschommelingen = veel onzekerheid zonder ingrijp (geen risico s durven nemen) = willen graag zekerheid. 3) Herverdelingsfunctie = beinvloeden van inkomensverdeling = als er te lage zijn kan tweedeling ontstaan = negatief = onrechtwaardig en algemene daling van de welvaart. 5 doelen : actief Evenwichtige arbeidsmarkt = streven naar volledige werkgelegenheid conjunctuur beleid en beinvloeden van de bestedingen Prijsstabiliteit = bepalen van de inflatie in verband met concurrentiepositie Rechtvaardige inkomensverdeling = gelijker maken door progressieve belastingheffing en sociale uitkering en subsidies. Evenwichtige betalingsbalans: import = export Evenwichtige groei = beinvloedt productie

Welvaart en groei. 1) Leg uit wat welvaart inhoudt. 1) De mate waarin mensen in hun behoefte kunnen voorzien. 2) Waarmee wordt welvaart gemeten?

Welvaart en groei. 1) Leg uit wat welvaart inhoudt. 1) De mate waarin mensen in hun behoefte kunnen voorzien. 2) Waarmee wordt welvaart gemeten? 1) Leg uit wat welvaart inhoudt. 2) Waarmee wordt welvaart gemeten? 3) Wat zijn negatief externe effecten? 4) Waarom is deze maatstaf niet goed genoeg? Licht toe. 1) De mate waarin mensen in hun behoefte

Nadere informatie

H1: Economie gaat over..

H1: Economie gaat over.. H1: Economie gaat over.. 1: Belangen Geld is voor de economie een smeermiddel, door het gebruik van geld kunnen we handelen, sparen en goederen prijzen. Belangengroep Belang = Ze komen op voor belangen

Nadere informatie

Economie Pincode klas 4 vmbo-gt 6 e editie Samenvatting Hoofdstuk 4: Aan het werk! Exameneenheid: Arbeid en productie

Economie Pincode klas 4 vmbo-gt 6 e editie Samenvatting Hoofdstuk 4: Aan het werk! Exameneenheid: Arbeid en productie 4.1 Werk je voor loon of voor winst? Werknemer Werkgever zzp = je werkt in loondienst in opdracht van een werkgever en je ontvangt loon = je werkt als zelfstandige met werknemers in dienst en de nettowinst

Nadere informatie

Ruilen over de tijd (havo)

Ruilen over de tijd (havo) 1. Leg uit dat het sparen door gezinnen een voorbeeld is van ruilen in de tijd. 2. Leg uit waarom investeren door bedrijven als ruilen over de tijd beschouwd kan worden. 3. Wat is intertemporele substitutie?

Nadere informatie

Domein E: Ruilen over de tijd. fransetman.nl

Domein E: Ruilen over de tijd. fransetman.nl Domein E: Ruilen over de tijd Rente : prijs van tijd Nu lenen: een lagere rente Nu sparen: een hogere rente Individuele prijs van tijd: het ongemak dat je ervaart Algemene prijs van tijd: de rente die

Nadere informatie

1. Leg uit dat het sparen door gezinnen een voorbeeld is van ruilen in de tijd. 2. Leg uit waarom investeren door bedrijven als ruilen over de tijd beschouwd kan worden. 3. Wat is intertemporele substitutie?

Nadere informatie

4.1 Klaar met de opleiding

4.1 Klaar met de opleiding 4.1 Klaar met de opleiding 1. Werken in loondienst - Bij een bedrijf of bij de overheid (gemeente, provincie, ministerie); - Je krijgt loon/salaris; - Je hebt een bepaalde zekerheid, dat je werk hebt,

Nadere informatie

Domein GTST havo. 1) Gezinnen, bedrijven, overheid en buitenland; of anders geformuleerd: (C + I + O + E M)

Domein GTST havo. 1) Gezinnen, bedrijven, overheid en buitenland; of anders geformuleerd: (C + I + O + E M) 1) Geef de omschrijving van trendmatige groei. 2) Wat houdt conjunctuurgolf in? 3) Noem 5 conjunctuurindicatoren. 4) Leg uit waarom bij hoogconjunctuur de bedrijfswinsten zullen stijgen. 5) Leg uit waarom

Nadere informatie

5.1 Wie is er werkloos?

5.1 Wie is er werkloos? 5.1 Wie is er werkloos? Volgens het CBS behoren mensen tot de werkloze beroepsbevolking als ze een leeftijd hebben van 15 tot en met 64 jaar, minder dan 12 uur werken, actief op zoek zijn naar betaald

Nadere informatie

DOMEIN E: RUILEN OVER DE TIJD. Module 4 Nu en later

DOMEIN E: RUILEN OVER DE TIJD. Module 4 Nu en later DOMEIN E: RUILEN OVER DE TIJD Module 4 Nu en later Inflatie Definitie: stijging van het algemeen prijspeil Gevolgen van inflatie koopkracht neemt af Verslechtering internationale concurrentiepositie Bij

Nadere informatie

Als de lonen dalen, dalen de loonkosten voor de producent. Hetgeen kan betekenen dat de producent niet overgaat tot mechanisatie/automatisering.

Als de lonen dalen, dalen de loonkosten voor de producent. Hetgeen kan betekenen dat de producent niet overgaat tot mechanisatie/automatisering. Top 100 vragen. De antwoorden! 1 Als de lonen stijgen, stijgen de productiekosten. De producent rekent de hogere productiekosten door in de eindprijs. Daardoor daalt de vraag naar producten. De productie

Nadere informatie

Rente de prijs van tijd. Als rente hoger is dan de opofferingskosten individuele prijs van tijd niet lenen maar sparen

Rente de prijs van tijd. Als rente hoger is dan de opofferingskosten individuele prijs van tijd niet lenen maar sparen Rente de prijs van tijd. Als rente hoger is dan de opofferingskosten individuele prijs van tijd niet lenen maar sparen Ruilen over de tijd Intertemporele substitutie Bedrijven lenen geld om te investeren

Nadere informatie

H2: Economisch denken

H2: Economisch denken H2: Economisch denken 1 : Produceren Produceren: Het voortbrengen van goederen en diensten met behulp van de productiefactoren door bedrijven en de overheid. Alleen bedrijven en de overheid kunnen produceren

Nadere informatie

Examen HAVO. Economie 1

Examen HAVO. Economie 1 Economie 1 Examen HAVO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Tijdvak 2 Woensdag 21 juni 13.30 16.00 uur 20 00 Dit examen bestaat uit 31 vragen. Voor elk vraagnummer is aangegeven hoeveel punten met een goed

Nadere informatie

4.1 De collectieve arbeidsovereenkomst

4.1 De collectieve arbeidsovereenkomst 4.1 De collectieve arbeidsovereenkomst De arbeidsvoorwaarden van veel werknemers zijn vastgelegd in een collectieve arbeidsovereenkomst. Dit is een overeenkomst die per bedrijf of bedrijfstak wordt afgesloten

Nadere informatie

1)Waaruit bestaat de vraag op de Werkenden en arbeidsmarkt? (openstaande)vacatures. 2)Noem een ander woord voor Werkenden werkgelegenheid.

1)Waaruit bestaat de vraag op de Werkenden en arbeidsmarkt? (openstaande)vacatures. 2)Noem een ander woord voor Werkenden werkgelegenheid. 1 1)Waaruit bestaat de vraag op de arbeidsmarkt? 2)Noem een ander woord voor werkgelegenheid. 3)Wie vragen arbeid? 4)Met welk woord wordt het aanbod van arbeid ook aangeduid? 5)Geef de omschrijving van

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2006-II

Eindexamen economie 1-2 havo 2006-II Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Voorbeelden van een juist antwoord zijn: kosten van politie-inzet

Nadere informatie

5.2 Wie is er werkloos?

5.2 Wie is er werkloos? 5.2 Wie is er werkloos? Volgens het CBS behoren mensen tot de werkloze beroepsbevolking als ze een leeftijd hebben van 15 tot en met 64 jaar, minder dan 12 uur werken, actief op zoek zijn naar betaald

Nadere informatie

Eindexamen economie vwo II

Eindexamen economie vwo II Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 Voorbeelden van een

Nadere informatie

Arbeid = arbeiders = mensen

Arbeid = arbeiders = mensen Vraag van en aanbod naar arbeid Arbeid = arbeiders = mensen De vraag naar mensen = werkenden Het aanbod van mensen = beroepsbevolking Participatiegraad Beroepsbevolking / beroepsgeschikte bevolking * 100%

Nadere informatie

Rendement = investeringsopbrengst/ investering *100% Reëel rendement = Nominaal rendement / CPI * 100-100 Als %

Rendement = investeringsopbrengst/ investering *100% Reëel rendement = Nominaal rendement / CPI * 100-100 Als % Inflatie Stijging algemene prijspeil Consumenten Prijs Indexcijfer Gewogen gemiddelde Voordeel: Mensen met schulden Nadeel: Mensen met loon, spaargeld Reële winst bedrijven daalt Rentekosten bedrijven

Nadere informatie

ALGEMENE ECONOMIE /03

ALGEMENE ECONOMIE /03 HBO Algemene economie Raymond Reinhardt 3R Business Development raymond.reinhardt@3r-bdc.com 3R 1 M Productiefactoren: alle middelen die gebruikt worden bij het produceren: NOKIA: natuur, ondernemen, kapitaal,

Nadere informatie

Goede tijden, slechte tijden. Soms zit het mee, soms zit het tegen

Goede tijden, slechte tijden. Soms zit het mee, soms zit het tegen Slides en video s op www.jooplengkeek.nl Goede tijden, slechte tijden Soms zit het mee, soms zit het tegen 1 De toegevoegde waarde De toegevoegde waarde is de verkoopprijs van een product min de ingekochte

Nadere informatie

Verboden woord Lesvoorbereiding kaartjes kaartjes achterkant Spelregels Afronding

Verboden woord Lesvoorbereiding kaartjes kaartjes achterkant Spelregels Afronding Verboden woord Lesvoorbereiding Maak de kaartjes (print eerst het (word)document kaartjes op dik papier en vervolgens het (powerpoint)document kaartjes achterkant op de achterzijde. U kunt ook gebruik

Nadere informatie

Antwoorden stencils OPGAVE 1 11.313 pond. (36,41%) 1,48 miljard als het BNP in procenten harder is gestegen dan het bedrag in ponden in procenten

Antwoorden stencils OPGAVE 1 11.313 pond. (36,41%) 1,48 miljard als het BNP in procenten harder is gestegen dan het bedrag in ponden in procenten Antwoorden stencils OPGAVE 1 1. Nominaal Inkomen 1996 = 25,34 miljard pond x 1,536 = 38,92224 miljard pond Bevolkingsomvang 1996 = 3.340.000 x 1,03 = 3.440.200 Nominaal Inkomen per hoofd = 38,92224 miljard

Nadere informatie

Aanpassingen lesbrieven havo

Aanpassingen lesbrieven havo Aanpassingen lesbrieven havo 2012-2013 Lesbrief Vervoer blz. 5, na 5 e regel onder foto:..is aangesloten bij TCA. Toevoegen: Vanwege het grote marktaandeel mag TCA de marktleider genoemd worden. blz. 5,

Nadere informatie

Netto toegevoegde waarde: loon + huur + rente + winst Bruto toegevoegde waarde: waarde van verkopen waarde van productiebenodigdheden

Netto toegevoegde waarde: loon + huur + rente + winst Bruto toegevoegde waarde: waarde van verkopen waarde van productiebenodigdheden Paragraaf 1 Nationaal inkomen en welvaart Economie samenvatting H8 Om de welvaart in een land te meten gebruik je het bbp (bruto binnenlands product). Dat is de omvang van de totale productie in het hele

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2006-II

Eindexamen economie 1-2 vwo 2006-II 4 Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Een voorbeeld van een juiste berekening

Nadere informatie

Economie Pincode klas 3 vmbo-gt 6 e editie Samenvatting Hoofdstuk 5: Aan de slag! Exameneenheid: Arbeid en productie

Economie Pincode klas 3 vmbo-gt 6 e editie Samenvatting Hoofdstuk 5: Aan de slag! Exameneenheid: Arbeid en productie 5.1 Aan de slag! Arbeid = werk Vacature = een advertentie voor een baan geplaatst door een werkgever Solliciteren = jezelf voorstellen / presenteren aan een werkgever Sollicitatiebrief = jezelf voorstellen

Nadere informatie

Economie Pincode klas 4 VMBO-GT 5 e editie Samenvatting Hoofdstuk 7 De overheid en ons inkomen Exameneenheid: Overheid en bestuur

Economie Pincode klas 4 VMBO-GT 5 e editie Samenvatting Hoofdstuk 7 De overheid en ons inkomen Exameneenheid: Overheid en bestuur Paragraaf 7.1 Groeit de economie? BBP = Bruto Binnenlands Product, de totale productie in een land in één jaar Nationaal inkomen = het totaal van alle inkomens in een land in één jaar Inkomen = loon, rente,

Nadere informatie

Eindexamen economie havo I

Eindexamen economie havo I Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 Een antwoord waaruit blijkt dat

Nadere informatie

> betaald > formele sector: wit > informele sector: zwart > onbetaald > informele sector

> betaald > formele sector: wit > informele sector: zwart > onbetaald > informele sector Paragraaf 3.1 Betaalde en onbetaalde arbeid Je kunt werken bij de overheid en bij ondernemingen. Als je werkt verdien je geld hiermee kun je goederen en diensten kopen. Als je werkt krijg je geld voor

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2007-I

Eindexamen economie 1-2 vwo 2007-I Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 q v = 200 1,25 + 450 = 200 q a

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 havo 2000-I

Eindexamen economie 1 havo 2000-I Opgave 1 Meer mensen aan de slag Het terugdringen van de werkloosheid is in veel landen een belangrijke doelstelling van de overheid. Om dat doel te bereiken, streeft de overheid meestal naar groei van

Nadere informatie

Economie Samenvatting M4

Economie Samenvatting M4 Economie Samenvatting M4 Hoofdstuk 1 De prijs van tijd Ruilen over tijd is een belangrij onderdeel van economisch handelen. Dat geldt voor huishoudens, bedrijven en de overheid. Gezinnen sparen voor hun

Nadere informatie

Kleurpagina vraagkaartjes beginner Ruilen over de tijd Quiz. Deze pagina 2 keer printen daarna op de achterkant de vraagkaartjes Ruilen over de tijd

Kleurpagina vraagkaartjes beginner Ruilen over de tijd Quiz. Deze pagina 2 keer printen daarna op de achterkant de vraagkaartjes Ruilen over de tijd Kleurpagina vraagkaartjes beginner Ruilen over de tijd Quiz. Deze pagina 2 keer printen daarna op de achterkant de vraagkaartjes Ruilen over de tijd quiz beginner printen en uitsnijden of knippen. Bijlage

Nadere informatie

Module 8 havo 5. Hoofdstuk 1 conjunctuurbeweging

Module 8 havo 5. Hoofdstuk 1 conjunctuurbeweging Module 8 havo 5 Hoofdstuk 1 conjunctuurbeweging Economische conjunctuur hoogconjunctuur Reëel binnenlands product groeit procentueel sterker dan gemiddeld. laagconjunctuur Reëel binnenlands product groeit

Nadere informatie

3.2 De omvang van de werkgelegenheid

3.2 De omvang van de werkgelegenheid 3.2 De omvang van de werkgelegenheid Particuliere bedrijven en overheidsbedrijven nemen mensen in dienst. Collectieve sector = Semicollectieve sector = De overheden op landelijk, provinciaal en lokaal

Nadere informatie

Arbeidsmarkt Vraag naar arbeid Werkgelegenheid Aanbod van arbeid: b Marktmechanisme Loonkosten per product

Arbeidsmarkt Vraag naar arbeid Werkgelegenheid Aanbod van arbeid: b Marktmechanisme Loonkosten per product Arbeidsmarkt Vraag naar arbeid = mensen Door werkgevers: bedrijven en overheid Werkgelegenheid Hoe lager het loon, hoe groter de vraag naar arbeid Aanbod van arbeid: beroepsbevolking (iedereen tussen de

Nadere informatie

Totale bevolking. Jonger dan 15 jaar 15 tot 65 (= beroepsgeschikte 65+-ers bevolking of potentiële beroepsbevolking) (= aanbod van arbeid)

Totale bevolking. Jonger dan 15 jaar 15 tot 65 (= beroepsgeschikte 65+-ers bevolking of potentiële beroepsbevolking) (= aanbod van arbeid) DE ARBEIDSMARKT Hoofdstuk 1 Arbeidsmarkt: De arbeidsmarkt op het geheel van vraag naar en aanbod van arbeid. Het aanbod van arbeid bestaat uit alle mensen tussen de 15 en 65 die willen, kunnen en mogen

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2003-II

Eindexamen economie 1-2 vwo 2003-II 4 Antwoordmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Een voorbeeld van een juist antwoord

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2007-II

Eindexamen economie 1-2 havo 2007-II Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 Een antwoord waaruit blijkt dat

Nadere informatie

Boek 4 Hoofdstuk 7: De overheid en ons inkomen

Boek 4 Hoofdstuk 7: De overheid en ons inkomen Boek 4 Hoofdstuk 7: De overheid en ons inkomen Valt het mee of tegen? a Als Yara een appartement koopt moet ze een hypotheek afsluiten. Hiervoor betaalt ze iedere maand een bepaald bedrag. Dit zijn haar

Nadere informatie

Keuzeonderwerp. Keynesiaans model. Gesloten /open economie zonder/met overheid met arbeidsmarkt. fransetman.nl

Keuzeonderwerp. Keynesiaans model. Gesloten /open economie zonder/met overheid met arbeidsmarkt. fransetman.nl Keuzeonderwerp Keynesiaans model Gesloten /open economie zonder/met overheid met arbeidsmarkt Vraag op de goederenmarkt Alleen gezinnen en bedrijven kopen op de goederenmarkt. C = 0,6 Y Aa = 4 mln mensen

Nadere informatie

Iedereen betaalt btw. Daarnaast betaalt iedereen die werkt ook loon- of inkomstenbelasting.

Iedereen betaalt btw. Daarnaast betaalt iedereen die werkt ook loon- of inkomstenbelasting. Hoofdstuk 7: De overheid en ons inkomen Valt het mee of tegen? a b c Als Yara een appartement koopt moet ze een hypotheek afsluiten. Hiervoor betaalt ze iedere maand een bepaald bedrag. Dit zijn haar vaste

Nadere informatie

20.1 Wat is economische groei?!

20.1 Wat is economische groei?! 20.1 Wat is economische groei? Om te beoordelen of er geproduceerd is, moet het BBP worden gecorrigeerd voor de inflatie. BBP is de totale product door binnenlandse sectoren. We vinden dan de toename van

Nadere informatie

Inhoud. 1 Inleiding. Markt of overheid. 1 wat is economie? 11 Productiefactoren 11 Schaarste en welvaart 12 2

Inhoud. 1 Inleiding. Markt of overheid. 1 wat is economie? 11 Productiefactoren 11 Schaarste en welvaart 12 2 Inhoud 1 Inleiding 1 wat is economie? 11 Productiefactoren 11 Schaarste en welvaart 12 2 modellen 12 2 Markt of overheid 1 de vraag 14 Prijzen en gevraagde hoeveelheid 14 D De vraagfunctie 14 D Verschuiving

Nadere informatie

Hoofdstuk 1: Waar produceren

Hoofdstuk 1: Waar produceren Hoofdstuk 1: Waar produceren Open economie - Een land handeld veel met het buitenland, importeert & exporteert veel Er is meer keuze aan goederen of diensten dan in een gesloten economie Concurrentiepositie

Nadere informatie

Eindexamen economie havo I

Eindexamen economie havo I Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 1 van het aanbod van arbeid

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2008-II

Eindexamen economie 1-2 havo 2008-II Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 De werkgelegenheid verandert met

Nadere informatie

ANTWOORDEN HOOFDSTUK 5

ANTWOORDEN HOOFDSTUK 5 ANTWOORDEN EINDTOETS HOOFDSTUK 5 RONDKOMEN ANTWOORDEN HOOFDSTUK 5 TOETS 1 RONDKOMEN 1 Prioriteiten stellen. 2 B 3 2,55 + 2,80 = 5,35 4 52 27 : 12 + 95 : 2 + 40,50 : 3 + 25 = 203. 5 A 3; B 4; C 2; D 1.

Nadere informatie

Eindexamen havo economie oud programma 2012 - I

Eindexamen havo economie oud programma 2012 - I Opgave 1 Beleggingen leiden tot inkomensverschillen Aangetrokken door voorspoedige ontwikkelingen op de effectenbeurs, zijn in een land de mensen steeds meer gaan beleggen in aandelen en obligaties. Mede

Nadere informatie

Economische conjunctuur

Economische conjunctuur Economische conjunctuur hoogconjunctuur Reëel binnenlands product groeit procentueel sterker dan gemiddeld. Ontstaat door veel vraag naar producten Trend (Gemiddelde groei over groot aantal jaren) laagconjunctuur

Nadere informatie

Groei of krimp? bij Pincode 5e ed. 4GT Hoofdstuk 7 en 4K Hoofdstuk 5 aanvullend lesmateriaal n.a.v. vernieuwde syllabus EC/K/5A: 2

Groei of krimp? bij Pincode 5e ed. 4GT Hoofdstuk 7 en 4K Hoofdstuk 5 aanvullend lesmateriaal n.a.v. vernieuwde syllabus EC/K/5A: 2 Groei of krimp? bij Pincode 5e ed. 4GT Hoofdstuk 7 en 4K Hoofdstuk 5 aanvullend lesmateriaal n.a.v. vernieuwde syllabus EC/K/5A: 2 Als je moet kiezen welk plaatje je op je cijferlijst zou willen hebben,

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2008-I

Eindexamen economie 1 vwo 2008-I Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 vergemakkelijken van het ontslaan

Nadere informatie

Domein Goede Tijden, Slechte Tijden

Domein Goede Tijden, Slechte Tijden Domein Goede Tijden, Slechte Tijden Zie steeds de eenvoud!! havo Frans Etman Hoog- of laagconjunctuur Het Centraal Bureau van de Statistiek (CBS) heeft 2 filmpjes gemaakt over de indicatoren van de economie.

Nadere informatie

Ruilen over de tijd. Zie steeds de eenvoud!! Frans Etman

Ruilen over de tijd. Zie steeds de eenvoud!! Frans Etman Ruilen over de tijd Zie steeds de eenvoud!! vwo Frans Etman Bedenk dat bij ruilen er altijd twee dingen gedaan worden. Je geeft wat en je krijgt wat terug. Als je twee keer ruilt - ruilen over de tijd

Nadere informatie

Domein Welvaart en Groei

Domein Welvaart en Groei Domein Welvaart en Groei Zie steeds de eenvoud!! vwo Frans Etman Welvaart Welvaart Hoe je jouw wensen kan vervullen met producten. Dat is thuistaal. Voor een toets schrijf je op: de mate van behoeftebevrediging

Nadere informatie

Proeftoets Economische Bedrijfsomgeving

Proeftoets Economische Bedrijfsomgeving Proeftoets Economische Bedrijfsomgeving 1. Schaarste heeft in de economie een andere betekenis dan in het normale spraakgebruik. We spreken in de economie van schaarste als: a. De behoeften beperkt en

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2007-I

Eindexamen economie 1-2 havo 2007-I 4 Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 twee van de volgende voorbeelden

Nadere informatie

Domein Goede Tijden, Slechte Tijden

Domein Goede Tijden, Slechte Tijden Domein Goede Tijden, Slechte Tijden Zie steeds de eenvoud!! vwo Frans Etman Hoog- of laagconjunctuur Het Centraal Bureau van de Statistiek (CBS) heeft 2 filmpjes gemaakt over de indicatoren van de economie.

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2004-I

Eindexamen economie 1-2 havo 2004-I 4 Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Een voorbeeld van een juist antwoord

Nadere informatie

Werkboek Werk Ver 2. Week Opgaven Bijzonderheden 5 Toetsbespreking 1.1 t/m 1.12. Dit boekje elke les meenemen! 6 1.13 t/m 1.20 2.1 t/m 2.

Werkboek Werk Ver 2. Week Opgaven Bijzonderheden 5 Toetsbespreking 1.1 t/m 1.12. Dit boekje elke les meenemen! 6 1.13 t/m 1.20 2.1 t/m 2. Werkboek Werk Ver 2 Week Opgaven Bijzonderheden 5 Toetsbespreking 1.1 t/m 1.12 Dit boekje elke les meenemen! 6 1.13 t/m 1.20 2.1 t/m 2.9 7 2.10 t/m 2.14 Afmaken beleggen Inleveren handelingsdeel bij docent

Nadere informatie

Domein E: Concept Ruilen over de tijd

Domein E: Concept Ruilen over de tijd 1. Het bruto binnenlands product is gestegen met 0,9%. Het inflatiepercentage bedraagt 2,1%. Bereken de reële groei van het BBP. 2. Waarmee wordt het inflatiepercentage gemeten? 3. Lees de onderstaande

Nadere informatie

Economie. Boekje Conjunctuur Samenvattingen + overige voorbereiding voor de toets. Inhoud:

Economie. Boekje Conjunctuur Samenvattingen + overige voorbereiding voor de toets. Inhoud: Boekje Conjunctuur Samenvattingen + overige voorbereiding voor de toets Economie Inhoud: Wat? blz. h1 & h2 samengevat 2 h3 samengevat 3 h4 samengevat 4 wat moet weten 5 Begrippen 6 & 7 Links 7 Test je

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2007-II

Eindexamen economie 1-2 vwo 2007-II Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 1 0,15 0,12 100% = 25%

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2000-I

Eindexamen economie 1-2 havo 2000-I 4 Antwoordmodel Opgave 1 Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. 1 voorbeelden van juiste antwoorden: Een antwoord

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2006-I

Eindexamen economie 1-2 havo 2006-I 4 Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 Maximumscore 1 1 Uit het antwoord moet blijken

Nadere informatie

Eindexamen economie vwo I

Eindexamen economie vwo I Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 Uit het antwoord moet

Nadere informatie

Opgave koppeling ambtenaren particuliere sector

Opgave koppeling ambtenaren particuliere sector Opgave koppeling ambtenaren particuliere sector In 1990 werden ambtenarensalarissen gekoppeld aan de gemiddelde stijging van de lonen in het bedrijfsleven. Een argument voor deze koppeling houdt verband

Nadere informatie

Bruto binnenlands product

Bruto binnenlands product Bruto binnenlands product Binnenlands = nationaal Productie bedrijven Individuele goederen Omzet Inkoop van grond- en hulpstoffen - Bruto toegevoegde waarde Afschrijvingen- Netto toegevoegde waarde = Beloningen

Nadere informatie

Examen HAVO. economie. tijdvak 1 woensdag 16 mei 13.30-16.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage.

Examen HAVO. economie. tijdvak 1 woensdag 16 mei 13.30-16.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage. Examen HAVO 2012 tijdvak 1 woensdag 16 mei 13.30-16.00 uur oud programma economie Bij dit examen hoort een bijlage. Dit examen bestaat uit 28 vragen. Voor dit examen zijn maximaal 60 punten te behalen.

Nadere informatie

De overheid. Uitgaven: uitkeringen en subsidies. De overheid. Ontvangsten: belasting en premies. De grote herverdeler van inkomens

De overheid. Uitgaven: uitkeringen en subsidies. De overheid. Ontvangsten: belasting en premies. De grote herverdeler van inkomens Overheid H2 De overheid De grote herverdeler van inkomens Ontvangsten: belasting en premies De overheid Uitgaven: uitkeringen en subsidies De grote herverdeler van inkomens 2 De Nederlandse overheid Belangrijke

Nadere informatie

Eindexamen economie vwo I

Eindexamen economie vwo I Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave maximumscore 2 Door de vermindering van

Nadere informatie

Hoofdstuk 1. Lesbrief Kopen en werken

Hoofdstuk 1. Lesbrief Kopen en werken Hoofdstuk 1 arbeid budgetlijn categoriale huishouden kapitaal kapitaalgoederen loonquote natuur ondernemerschap overdrachtsinkomens overig-inkomensquote participatiegraad primair inkomen productiefactoren

Nadere informatie

2.1 De keuze tussen werk en vrije tijd

2.1 De keuze tussen werk en vrije tijd 2.1 De keuze tussen werk en vrije tijd Mensen moeten steeds de keuze maken tussen werken en vrije tijd: 1. Werken * Je ontvangt loon in ruil voor je arbeid; * Langer werken geeft meer loon (en dus kun

Nadere informatie

Eindexamen economie havo I

Eindexamen economie havo I Opgave 1 Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. 1 Voorbeeld van een juiste berekening: 47,5 27,5 100% = 72,73% 27,5

Nadere informatie

Door arbeidsverdeling werd ruil noodzakelijk en daarmee het hebben van een ruilmiddel.

Door arbeidsverdeling werd ruil noodzakelijk en daarmee het hebben van een ruilmiddel. LESBRIEF INKOMEN EN GROEI Hst. 1 De vorming van inkomen Door arbeidsverdeling werd ruil noodzakelijk en daarmee het hebben van een ruilmiddel. Directe ruil: Indirecte ruil: ruil van goed tegen goed. ruil

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2005-I

Eindexamen economie 1-2 vwo 2005-I 4 Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Een voorbeeld van een juist antwoord is: Een

Nadere informatie

4 Toon met twee verschillende berekeningen aan dat het ontbrekende gemiddelde inkomen (a) in de tabel gelijk moet zijn aan 70 000 euro.

4 Toon met twee verschillende berekeningen aan dat het ontbrekende gemiddelde inkomen (a) in de tabel gelijk moet zijn aan 70 000 euro. Grote opgave personele inkomensverdeling Blz. 1 van 4 personele inkomensverdeling Inkomensverschillen tussen personen kunnen te maken hebben met de verschillende soorten inkomen. 1 Noem drie soorten primair

Nadere informatie

Eindexamen economie havo II

Eindexamen economie havo II Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 import: 250 + 29 + 139 + 415 460

Nadere informatie

Economie module 4 Ruilen in de tijd. goederen kopen

Economie module 4 Ruilen in de tijd. goederen kopen Economie module 4 Ruilen in de tijd 27 blz. werkboek = 1 ½ blz. per les H1 par 1 & 2 vb.1 O O sparen om tijd storting + rente iets te kopen goederen kopen vb.2 O O geld lenen om tijd aflossing + rente

Nadere informatie

bruto inkomen (per persoon)

bruto inkomen (per persoon) Opgave 1 Lorenzcurve en economische kringloop Definities: Bruto inkomen Loon/pensioen, interest, winst/dividend, huur/pacht Netto inkomen Bruto inkomen inkomstenbelasting (IB) Netto besteedbaar inkomen

Nadere informatie

1)Waaruit bestaat de vraag op de Werkenden en (openstaande)vacatures. arbeidsmarkt? Werkenden 2)Noem een ander woord voor

1)Waaruit bestaat de vraag op de Werkenden en (openstaande)vacatures. arbeidsmarkt? Werkenden 2)Noem een ander woord voor 1)Waaruit bestaat de vraag op de arbeidsmarkt? 2)Noem een ander woord voor werkgelegenheid. 3)Wat houdt het arbeidsvolume in? 4)Met welk woord wordt het aanbod van arbeid ook aangeduid? 5)Geef de omschrijving

Nadere informatie

Lesbrief Jong en Oud 3 e druk

Lesbrief Jong en Oud 3 e druk Hoofdstuk 1. 1.16 C. School of baantje 1.17 a. 200/ 10 = 20 keer. b. Zie figuur. c. Zie figuur. d. 15 keer naar de bioscoop kost hem 150. Er blijft dan nog 50 over voor tijdschriften. Hij kan nog 50/5

Nadere informatie

Examen HAVO en VHBO. Economie

Examen HAVO en VHBO. Economie Economie Examen HAVO en VHBO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Vooropleiding Hoger Beroeps Onderwijs HAVO Tijdvak 2 VHBO Tijdvak 3 Dinsdag 22 juni 13.30 16.30 uur 19 99 Dit examen bestaat uit 37 vragen.

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2002-II

Eindexamen economie 1-2 vwo 2002-II 4 Antwoordmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 0,15 Een voorbeeld van een juiste verklaring

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo I

Eindexamen economie 1-2 vwo I Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 1 nivellering 38,2 : 9,6 = 3,98 : 1 2 maximumscore

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 havo 2001-II

Eindexamen economie 1 havo 2001-II Eindexamen economie havo 2-II 4 Antwoordmodel Opgave Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Maximumscore dalen 2

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo II

Eindexamen economie 1-2 vwo II Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 Voorbeelden van een

Nadere informatie

Domein Welvaart en Groei

Domein Welvaart en Groei Domein Welvaart en Groei Zie steeds de eenvoud!! havo Frans Etman Welvaart Welvaart Hoe je jouw wensen kan vervullen met producten. Dat is thuistaal. Voor een toets schrijf je op: de mate van behoeftebevrediging

Nadere informatie

Eindexamen economie vmbo gl/tl 2006 - II

Eindexamen economie vmbo gl/tl 2006 - II BEOORDELINGSMODEL Aan het juiste antwoord op een meerkeuzevraag wordt één punt toegekend. HET GROTE ONDERNEMERSSPEL 1 B 2 A 3 maximumscore 2 Voorbeeld van een juiste berekening: Loonkosten in twee jaar:

Nadere informatie

Examen HAVO. economie. tijdvak 2 woensdag 23 juni 13.30-16.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage.

Examen HAVO. economie. tijdvak 2 woensdag 23 juni 13.30-16.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage. Examen HAVO 2010 tijdvak 2 woensdag 23 juni 13.30-16.00 uur economie tevens oud programma economie 1,2 Bij dit examen hoort een bijlage. Dit examen bestaat uit 27 vragen. Voor dit examen zijn maximaal

Nadere informatie

Economie. Arbeidsmarkt. Domein markt en domein goede tijden, slechte tijden

Economie. Arbeidsmarkt. Domein markt en domein goede tijden, slechte tijden Economie Arbeidsmarkt Domein markt en domein goede tijden, slechte tijden ETMF, STAI oktober 2014 Opgave 1 (havo 2002-1 ec1 opg 6) Kunnen de premies lager? Alle werknemers betalen verplicht premies voor

Nadere informatie