Antwoorden stencils OPGAVE pond. (36,41%) 1,48 miljard als het BNP in procenten harder is gestegen dan het bedrag in ponden in procenten

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Antwoorden stencils OPGAVE 1 11.313 pond. (36,41%) 1,48 miljard als het BNP in procenten harder is gestegen dan het bedrag in ponden in procenten"

Transcriptie

1 Antwoorden stencils OPGAVE 1 1. Nominaal Inkomen 1996 = 25,34 miljard pond x 1,536 = 38,92224 miljard pond Bevolkingsomvang 1996 = x 1,03 = Nominaal Inkomen per hoofd = 38,92224 miljard pond / = pond. 2. Reëel BNP = Nominaal BNP / PIC x 100 = 153,6 / 112,6 x 100 = 136,41 (36,41%) 3. BNP 1995 = 25,34 miljard x 1,327 = 33,61618 miljard pond 0,044 x 33,61618 pond = 1,48 miljard 4. Dat kan als het BNP in procenten harder is gestegen dan het bedrag in ponden in procenten (noemer stijgt dus harder in procenten dan de teller, waardoor de uitkomst daalt) 5. Door onderwijs stijgt de arbeidsproductiviteit en leidt tot hogere kwaliteit van de productiefactor arbeid. Productiecapaciteit is wat we maximaal kunnen produceren gezien de hoeveelheid en kwaliteit van de productiefactoren. Door verhoogde arbeidsproductiviteit (verbetering kwaliteit) stijgt de productiecapaciteit. 6. Overheidsbestedingen stijgen, Effectieve Vraag stijgt, Inkomen stijgt, Consumptie stijgt, Effectieve vraag stijgt, Inkomen stijgt, Consumptie stijgt etc. OPGAVE 2 1. Voor 1977 geldt dat de 20% rijkste 36,9% van het inkomen verdienen (zie tabel; dus de armste 80% verdienen 100% - 36,9% = 63,1% van het inkomen. Punt B is dus (80%; 63,1%) 2. Verder verwijderd, want het aandeel in het inkomen van de armste 20% is gedaald (van 8,3% naar 7,1%), terwijl het aandeel in het inkomen van de rijkste 20% is gestegen (van 36,9% naar 38,2%); de inkomensverdeling is dus ongelijker geworden. OPGAVE 3 1. Je kunt beter vergelijken; het is overzichtelijker; geen eenheden. 2. ( ) / 138 x 100% = 6,5% 3. het reële inkomen per hoofd is gestegen (koopkracht is gestegen) bier is relatief minder in prijs gestegen dan het algemeen prijspeil 4. de behoefte naar bier is gestegen

2 ZELFTEST HOOFDSTUK 1 Kennisvragen: 1.F; 2.C; 3.B; 4. B; 5.B; 6.C; 7.B; 8.A; 9. Aan het bedrag dat de overheid betaalt aan ambtenarensalarissen. Inzichtvragen 1. Onder verkoopwaarde moet ingevuld worden: inkoopwaarde grondstoffen en hulpstoffen en diensten van derden. Boven winst moet staan: loon, pacht, huur, rente. 2. Primair inkomen is loon, huur, pacht, rente en winst (en dus niet overdrachtsinkomen zoals uitkeringen en subsidies): = per maand. 3. a. Inkomen = loon + rente = % van = b = a ( ) = b. Lonen Omzet Rente Pacht Winstsaldo c = d. Daarmee beloont hij de verschaffers van de productiefactoren: de lonen, de huu r, de pacht en de rente. Wat er overblijft is de winst die voor hemzelf is (= beloning voor zijn ondernemerschap). e. Hij hoefde geen grondstoffen en hulpstoffen in te kopen.. f. Toegevoegde waarde kweker toegevoegde waarde veiling toegevoegde waarde bloemenverkoper

3 ZELFTEST HOOFDSTUK 2 Kennisvragen: 1.C; 2.C; 3.A; 4.B; 5.D; 6.C. 7. a. Bij deflatie gaan consumenten hun bestedingen uitstellen omdat ze hopen hun spullen later goedkoper kunnen aanschaffen. Minder bestedingen kunnen op den duur tot onderbesteding leiden. b. Bij deflatie (prijsdaling) kun je voor hetzelfde (nominale) bedrag aan euro's meer kopen. De reële waarde euro stijgt dus. 8. a. CPI 95 = 110,4 + 3% van 110,4 = 1,03 110,4 = 113,7. b. Grafieken 3 en 4. Als de lonen in verhouding meer stijgen dan de prijzen stijgt de koopkracht. In grafiek 4 is de loonstijging steeds groter dan de inflatie. 9. D. Inzichtvragen 1. a. Als de bestedingen zo groot worden dat de productiecapaciteit volledig benut raakt (bestedingsinflatie) Als de (loon)kosten stijgen en deze stijging doorberekend wordt in de verkoopprijs (kosteninflatie) b. Verslechterd. Nederlandse goederen worden in verhouding met België duurder (l%). c. Alternatief A. Alleen bewering l is juist. d. Alternatief E. Als de lonen achterblijven bij de prijsstijging zullende consumenten minder kopen en zal dus de productie afnemen. Dat leidt op den duur tot werkloosheid. 2. a (= 100) b. (l 14/1 l l 100%) - 100% = 102,7027% - 100% = 2,7%gestegen. c. CPI 2004 = 104; CPI 2005 = ,85% van 104 = 104 1,0385 = 108,0. d. RIC 2006 = l 14/ = 101,8 e. Prijsstijging 2006 ten opzichte van 2005 = {( )/l 08} 100% = 3,7%. Stijging nominaal inkomen = {(114- l l l)/l l 1} 100% = 2,7%. De prijzen zijn in verhouding meer gestegen dan de nominale lonen: dan daalt de koopkracht. 3. a. Door het CPB. Het gaat om een voorspelling over lonen en prijzen (de onderhandelingen zijn in mei 2005 en de cijfers slaan op 2006) b. Ja. De lonen zijn in 2005 meer gestegen (4,3%) dan de prijzen (2,2%). c. Het indexcijfer van de arbeidsproductiviteit is in 2006 ten opzichte van 2005 gestegen van 102, l naar 103,6. Dat is (103,6/102, l 100%) - 100% = l,47%. De looneis mocht volgens de werkgevers niet meer dan l,47% bedragen. d. Als de koopkracht niet mag dalen moeten de lonen in verhouding evenveel stijgen als de prijzen. De prijzen stegen met (104,8-102,2)/l 02,2 100% = 2,54%. Volgens de vakbonden moest de looneis minimaal 2,54% zijn. 4. a. CPI 2005 = (30 l l )/100 = 107,0. b. De kosten van levensonderhoud zijn in 2006 met l,4% gestegen t.o.v c. Nominaal inkomen is gestegen met l.200, dat is l.200/ % = 6%. NIC= 106. RIC = NIC/PIC 100 = 106/ 101,4 100 = 104,54. Het reële besteedbare inkomen (= de koopkracht) is met 4,54% gestegen. d. 105,5 = NIC/101,4 x 100. NIC = ( 105,5 l O l,4)/l 00 = 106,977. Afgerond dus 106,98. Het nominale inkomen had met 6,98% moeten stijgen.

4 e. Kleiner. Vakantie is relatief sterker in prijs gestegen. Omdat dit gezin nooit op vakantie gaat, heeft het niet te maken met de sterkere prijsstijging van vakantie en zijn de kosten van levensonderhoud minder gestegen dan bij een gemiddeld gezin. 5. a. Het algemeen prijspeil ligt in augustus ,9% hoger dan in augustus b. Met behulp van de consumentenprijsindex wordt de ontwikkeling van het gemiddelde prijspeil in Nederland berekend. Omdat niet elke prijsstijging even zwaar meetelt, gebruikt men wegingsfactoren. c. Via een budgetonderzoek. d. CPI aug2005 = 101,46 e. RIC 2006 = NIC/PIC 100 = l 10/103,9 100 = 105,87. De koopkracht is 5,87% gestegen. 6. a. Het NNP is nominaal met 20/ % = 4% gestegen. Dus NIC = 104. De reële stijging is dan: RIC = NIC/PIC 100 = 104/ = 101,96. Dat is een reële stijging van l,96%. b. De bevolking groeit met 0,5%, dus het bevolkingsindexcijfer is 100,5. De reële groei per hoofd is dan l0 l,96/100,5 100 = 101,45. Dat is een reële stijging per hoofd van l,45%. c. Indexcijfer reële waarde van het geld = 100/102 x 100 = 98,04 Geldontwaarding = ,04 = l,96% 7. a. Alleen b (100-1% = 99) ,495 (99 + 0,5% van 99 of: l,005 x 99) c. Goederen die wij uit Duitsland importeren, kunnen duurder worden. d. Als door toename van de overheidsbestedingen de bestedingen groter worden, kan de productiecapaciteit volledig benut raken en kan er bestedingsinflatie ontstaan. e. Verhoging van de prijzen van overheidsdiensten. Verhoging van btw, invoerrechten en/of accijns. f. De nominale waarde van de schuld blijft gelijk, terwijl de reële waarde van de schuld daalt door de inflatie. Men betaalt terug met euro's die minder koopkracht hebben dan de euro's die men aanvankelijk leende. Bijvoorbeeld: Iemand leent als hij een inkomen heeft van en betaalt die schuld terug als zijn inkomen (door de inflatie) is gestegen naar Hij leent dus een bedrag dat (nominaal) de helft van zijn inkomen vormt en betaalt terug als dat bedrag nog slechts 25% van zijn inkomen is.

5 ZELFTEST HOOFDSTUK 3 Kennisvragen: 1. C; 2. D; 3. A; 4. B; 5. C; 6. a. Lager. In geval van hoogconjunctuur is de feitelijke groei hoger dan de trendmatige groei. Als de feitelijke groei 3,5% is moet de trendmatige groei dus lager dan 3,5% zijn. b. Bij hoogconjunctuur kan de vraag naar goederen de productiecapaciteit gaan overtreffen. Er dreigt bestedingsinflatie. c. D. 7. C; 8. D; 9. C; 10. C; l l. B; 12. A; 13. D; 14. C; 15. A; 16. B. Inzichtvragen 1. a. Toename waarde vaste kapitaalgoederen: l l - l 0 = l miljoen. b. Voorraadinvesteringen + uitbreidingsinvesteringen = (3-2,5) + 1 = l,5 miljoen. c. Netto-investeringen + voorraadinvesteringen = l + 2,5 = 3,5 miljoen. 2. a. Als twee landen hetzelfde (nominale) nationale inkomen hebben maar land A heeft twee keer zoveel inwoners dan land B, dan is land B welvarender want het nationale inkomen per hoofd is hoger. b. Als twee landen hetzelfde (nominale) inkomen hebben maar in land A zijn de prijzen twee keer zo hoog als in land B dan is de welvaart in land B hoger want in land B kun je twee maal zoveel goederen kopen (de koopkracht is twee keer zo hoog). 3. De niet geregistreerde productie is 15% van de werkelijke productie (=geregistreerde + niet-geregistreerde productie) en bedraagt 68,6 miljard. De feitelijke productie bedraagt dan ,6/15 = 457,33 miljard. De geregistreerde productie = feitelijke productie - niet-geregistreerde productie = 457,33-68,60 = 388,73 miljard. Of: geregistreerde productie = 85/15 68,6 = 388,73 miljard. 4. a. Lagere rente maakt geld lenen aantrekkelijk (b. v. voor de aanschaf van duurzame consumptiegoederen) en sparen minder aantrekkelijk. Meer lenen en minder sparen betekenen meer consumptie. b. Overheidsbestedingen zijn niet erg gevoelig voor renteveranderingen. Bepalend voor de overheid is het budget dat ze heeft. Ook de export is niet erg rentegevoelig. De export van een land hangt (naast het prijsniveau in het land) vooral af van factoren in het buitenland. c. De bestedingsimpuls (van ƒ 132 miljard) doet de effectieve vraag en dus de productie en dus het nationaal inkomen in eerste instantie met ƒ 132 miljard toenemen. Deze toename van het inkomen wordt vervolgens weer voor een groot deel geconsumeerd. Daardoor neemt in tweede instantie het nationaal product en dus het nationaal inkomen wederom toe. Dit proces blijft zich herhalen. Steeds wordt een groot deel van het extra inkomen geconsumeerd: EV nationaal inkomen C EV nationaal inkomen C enz. d. Lagere loonbelasting leidt bij gelijkblijvend nettoloon tot lagere loonkosten voor de werkgever. Arbeid wordt dus goedkoper ten opzichte van kapitaal. Dit kan leiden tot meer arbeidsintensieve productie (arbeid vervangt kapitaal) of tot uitbreiding van het aantal arbeidsplaatsen. e. Een verbetering. Als het buitenland het meest heeft bijgedragen tot het Japanse economische herstel dan moet dat betekend hebben dat de export van Japan is gestegen. Dat leidt tot meer ontvangsten wat een verbetering van het saldo op de lopende rekening betekent.

6 f. Toenemende bestedingen leiden alleen tot inflatie als de productiecapaciteit volledig benut is. Dus in een situatie van hoogconjunctuur/overbesteding.

7 ZELFTEST HOOFDSTUK 4 Kennisvragen: 1. D; 2. B; 3. D; 4. D; 5. D; 6. B; 7. C (Winst was = 20% van de productiewaarde. De productiewaarde wordt 1,06 2,5 miljoen = 2,65 miljoen. Het loon wordt 1,03 2 miljoen = 2,06 miljoen. De winst wordt 2,65-2,06 = 0,59 miljoen. Dat is 0,59/2,65 100% = 22,26%. Dat is een stijging t.o.v. 20%.) b. 1) De een-na-laagste 25%-inkomensgroep vormt het verschil tussen de laagste 50% en de laagste 25%. Die groep verdient: 25% - 8% = 17% 2) In de grafiek kun je de 40% hoogste inkomens aflezen bij 60% op de horizontale as. De laagste 60% inkomensontvangers verdienen ongeveer 35%. Dan verdienen de 40% hoogste inkomensontvangers ongeveer 100% - 35% = 65%. c. Totale inkomen = 300 miljard. De laagste 50%-inkomensgroep verdient daarvan 25% = 25% van 300 miljard = 75 miljard. Deze groep omvat 50% van 15 miljoen mensen = 7,5 miljoen mensen. Het gemiddelde inkomen (= totaal inkomen/aantal mensen) = 75 miljard /7,5 miljoen = a. B. b. 61%. De 90% armsten verdient ongeveer 39%, de rest (100% - 39% = 61 %) is voor de 10% rijksten.

8 Inzichtvragen 1. a. De tertiaire sector is de commerciële (= naar winst strevende) dienstensector. Daartoe behoren: transport en handel/horeca. b. Fout is 3% + 5% = 8% want de twee sectoren hebben een verschillend gewicht (zie 2 e kolom met netto toegevoegde waarde per sector: industrie / 90,3 miljard en transport/ 38,3 miljard. De gewogen gemiddelde bijdrage van de twee sectoren samen is: {(90,3 3%) + (38,3 5%) / (90,3 + 38,3)} 100% = 3,6%. c. De productie in de landbouw nam toe met 5% en de werkgelegenheid nam af met 1%. Met indexcijfers kun je dan het indexcijfer van de arbeidsproductiviteit berekenen: Indexcijfer arbeidsproductiviteit = indexcijfer productie/indexcijfer werkgelegenheid 100= 105/ = 106,1. De arbeidsproductiviteit is dus met 6,1 % gestegen. d. Kapitaalintensiever betekent dat een bedrijf meer kapitaal (machines) gebruikt in verhouding tot arbeid (werknemers) e. * door scholing: mensen kunnen dan hun taken beter uitvoeren en ook moeilijker taken uitvoeren; * door arbeidsverdeling/specialisatie: daardoor gaat het sneller en beter; * beloning naar prestatie: daardoor spant men zich meer in. f. De AIQ = beloning voor arbeid/toegevoegde waarde 100%. Gegeven is dat de beloning voor arbeid is gestegen met 5% per persoon (in ` guldens) maar de werkgelegenheid is met 1 % gedaald. Het totale bedrag aan beloning voor arbeid is dus met minder dan 5% gestegen (Indexcijfer: 0, = 103,95, is stijging met 3,95%). De toegevoegde waarde is met 5% gestegen (zie figuur). De AIQ is dus gedaald (teller stijgt minder dan de noemer). 2. a. Gestegen van 236,7 naar 246,8. Dat is een stijging van {(246,8-236,7)/236,7} 100% = 4,3%. b. Reëel betekent gecorrigeerd voor de prijsstijging. (Een reële stijging betekent dat de koopkracht stijgt.) Dus een stijging van 236,7 naar 237,2. Dat is {(237,2-236,7)/ 236,7} 100% = 0,2%. c. Loonquote van bedrijven = looninkomen bedrijven /toegevoegde waarde bedrijven = {246,8/ (246, ,1 )} 100% = 62,5%. d. De loonruimte bedraagt ongeveer 2% + 1 % = 3%. [Precies: 3,02%] Als de lonen met 3% stijgen zal de loonquote gelijk blijven. De lonen stijgen met slechts 2% (= prijsstijging), dus zal de loonquote dalen. 3. a. Inkomen dat verdiend wordt in het productieproces door het beschikbaar stellen van productiefactoren. b. Gerard, hij heeft een winstuitkering. Op aandelen wordt dividend (een deel van de winst) uitgekeerd. c 0, = d. Arbeidsinkomen is loon + tlz = = AIQ = / % = 76,7%. e. Laagste totale inkomen voorop zetten.

9 Personen pers. in % inkomen inkomen in % cum. pers. in % cum. ink. in % Truus , ,6 Gerard , ,2 Agnes , ,3 Piet , totaal f.

ALGEMENE ECONOMIE /03

ALGEMENE ECONOMIE /03 HBO Algemene economie Raymond Reinhardt 3R Business Development raymond.reinhardt@3r-bdc.com 3R 1 M Productiefactoren: alle middelen die gebruikt worden bij het produceren: NOKIA: natuur, ondernemen, kapitaal,

Nadere informatie

Eindexamen economie havo I

Eindexamen economie havo I Opgave 1 Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. 1 Voorbeeld van een juiste berekening: 47,5 27,5 100% = 72,73% 27,5

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2006-II

Eindexamen economie 1-2 havo 2006-II Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Voorbeelden van een juist antwoord zijn: kosten van politie-inzet

Nadere informatie

Domein E: Ruilen over de tijd. fransetman.nl

Domein E: Ruilen over de tijd. fransetman.nl Domein E: Ruilen over de tijd Rente : prijs van tijd Nu lenen: een lagere rente Nu sparen: een hogere rente Individuele prijs van tijd: het ongemak dat je ervaart Algemene prijs van tijd: de rente die

Nadere informatie

DOMEIN E: RUILEN OVER DE TIJD. Module 4 Nu en later

DOMEIN E: RUILEN OVER DE TIJD. Module 4 Nu en later DOMEIN E: RUILEN OVER DE TIJD Module 4 Nu en later Inflatie Definitie: stijging van het algemeen prijspeil Gevolgen van inflatie koopkracht neemt af Verslechtering internationale concurrentiepositie Bij

Nadere informatie

Eindexamen economie havo I

Eindexamen economie havo I Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 Een antwoord waaruit blijkt dat

Nadere informatie

4.1 De collectieve arbeidsovereenkomst

4.1 De collectieve arbeidsovereenkomst 4.1 De collectieve arbeidsovereenkomst De arbeidsvoorwaarden van veel werknemers zijn vastgelegd in een collectieve arbeidsovereenkomst. Dit is een overeenkomst die per bedrijf of bedrijfstak wordt afgesloten

Nadere informatie

20.1 Wat is economische groei?!

20.1 Wat is economische groei?! 20.1 Wat is economische groei? Om te beoordelen of er geproduceerd is, moet het BBP worden gecorrigeerd voor de inflatie. BBP is de totale product door binnenlandse sectoren. We vinden dan de toename van

Nadere informatie

Examen HAVO. Economie 1

Examen HAVO. Economie 1 Economie 1 Examen HAVO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Tijdvak 2 Woensdag 21 juni 13.30 16.00 uur 20 00 Dit examen bestaat uit 31 vragen. Voor elk vraagnummer is aangegeven hoeveel punten met een goed

Nadere informatie

CPI = 122,5 Wat zegt dit? Hoe bereken je dit? Categorieën Aandeel Prijsstijging Optelling. Voeding 40% 10% Kleding 35% -5% Overig 0 CPI 102,25

CPI = 122,5 Wat zegt dit? Hoe bereken je dit? Categorieën Aandeel Prijsstijging Optelling. Voeding 40% 10% Kleding 35% -5% Overig 0 CPI 102,25 CPI = 122,5 Wat zegt dit? Hoe bereken je dit? Categorieën Aandeel Prijsstijging Optelling Voeding 40% 10% Kleding 35% -5% Overig 0 CPI 102,25 ConsumentenPrijsIndexcijfer Consumenten Prijsindexcijfer in

Nadere informatie

Eindexamen economie havo II

Eindexamen economie havo II Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 import: 250 + 29 + 139 + 415 460

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2007-I

Eindexamen economie 1-2 havo 2007-I 4 Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 twee van de volgende voorbeelden

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 havo 2000-I

Eindexamen economie 1 havo 2000-I Opgave 1 Meer mensen aan de slag Het terugdringen van de werkloosheid is in veel landen een belangrijke doelstelling van de overheid. Om dat doel te bereiken, streeft de overheid meestal naar groei van

Nadere informatie

Rente de prijs van tijd. Als rente hoger is dan de opofferingskosten individuele prijs van tijd niet lenen maar sparen

Rente de prijs van tijd. Als rente hoger is dan de opofferingskosten individuele prijs van tijd niet lenen maar sparen Rente de prijs van tijd. Als rente hoger is dan de opofferingskosten individuele prijs van tijd niet lenen maar sparen Ruilen over de tijd Intertemporele substitutie Bedrijven lenen geld om te investeren

Nadere informatie

Door arbeidsverdeling werd ruil noodzakelijk en daarmee het hebben van een ruilmiddel.

Door arbeidsverdeling werd ruil noodzakelijk en daarmee het hebben van een ruilmiddel. LESBRIEF INKOMEN EN GROEI Hst. 1 De vorming van inkomen Door arbeidsverdeling werd ruil noodzakelijk en daarmee het hebben van een ruilmiddel. Directe ruil: Indirecte ruil: ruil van goed tegen goed. ruil

Nadere informatie

Als de lonen dalen, dalen de loonkosten voor de producent. Hetgeen kan betekenen dat de producent niet overgaat tot mechanisatie/automatisering.

Als de lonen dalen, dalen de loonkosten voor de producent. Hetgeen kan betekenen dat de producent niet overgaat tot mechanisatie/automatisering. Top 100 vragen. De antwoorden! 1 Als de lonen stijgen, stijgen de productiekosten. De producent rekent de hogere productiekosten door in de eindprijs. Daardoor daalt de vraag naar producten. De productie

Nadere informatie

Eindexamen economie havo I

Eindexamen economie havo I Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 1 van het aanbod van arbeid

Nadere informatie

Welvaart en groei. 1) Leg uit wat welvaart inhoudt. 1) De mate waarin mensen in hun behoefte kunnen voorzien. 2) Waarmee wordt welvaart gemeten?

Welvaart en groei. 1) Leg uit wat welvaart inhoudt. 1) De mate waarin mensen in hun behoefte kunnen voorzien. 2) Waarmee wordt welvaart gemeten? 1) Leg uit wat welvaart inhoudt. 2) Waarmee wordt welvaart gemeten? 3) Wat zijn negatief externe effecten? 4) Waarom is deze maatstaf niet goed genoeg? Licht toe. 1) De mate waarin mensen in hun behoefte

Nadere informatie

Bruto binnenlands product

Bruto binnenlands product Bruto binnenlands product Binnenlands = nationaal Productie bedrijven Individuele goederen Omzet Inkoop van grond- en hulpstoffen - Bruto toegevoegde waarde Afschrijvingen- Netto toegevoegde waarde = Beloningen

Nadere informatie

H2: Economisch denken

H2: Economisch denken H2: Economisch denken 1 : Produceren Produceren: Het voortbrengen van goederen en diensten met behulp van de productiefactoren door bedrijven en de overheid. Alleen bedrijven en de overheid kunnen produceren

Nadere informatie

Goede tijden, slechte tijden. Soms zit het mee, soms zit het tegen

Goede tijden, slechte tijden. Soms zit het mee, soms zit het tegen Slides en video s op www.jooplengkeek.nl Goede tijden, slechte tijden Soms zit het mee, soms zit het tegen 1 De toegevoegde waarde De toegevoegde waarde is de verkoopprijs van een product min de ingekochte

Nadere informatie

H1: Economie gaat over..

H1: Economie gaat over.. H1: Economie gaat over.. 1: Belangen Geld is voor de economie een smeermiddel, door het gebruik van geld kunnen we handelen, sparen en goederen prijzen. Belangengroep Belang = Ze komen op voor belangen

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2007-II

Eindexamen economie 1-2 havo 2007-II Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 Een antwoord waaruit blijkt dat

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo I

Eindexamen economie 1-2 vwo I Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 1 nivellering 38,2 : 9,6 = 3,98 : 1 2 maximumscore

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2002-II

Eindexamen economie 1 vwo 2002-II 4 Antwoordmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 van prijsdifferentiatie Een toelichting waaruit

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2004-I

Eindexamen economie 1-2 havo 2004-I 4 Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Een voorbeeld van een juist antwoord

Nadere informatie

Ruilen over de tijd (havo)

Ruilen over de tijd (havo) 1. Leg uit dat het sparen door gezinnen een voorbeeld is van ruilen in de tijd. 2. Leg uit waarom investeren door bedrijven als ruilen over de tijd beschouwd kan worden. 3. Wat is intertemporele substitutie?

Nadere informatie

Economie Samenvatting M4

Economie Samenvatting M4 Economie Samenvatting M4 Hoofdstuk 1 De prijs van tijd Ruilen over tijd is een belangrij onderdeel van economisch handelen. Dat geldt voor huishoudens, bedrijven en de overheid. Gezinnen sparen voor hun

Nadere informatie

Netto toegevoegde waarde: loon + huur + rente + winst Bruto toegevoegde waarde: waarde van verkopen waarde van productiebenodigdheden

Netto toegevoegde waarde: loon + huur + rente + winst Bruto toegevoegde waarde: waarde van verkopen waarde van productiebenodigdheden Paragraaf 1 Nationaal inkomen en welvaart Economie samenvatting H8 Om de welvaart in een land te meten gebruik je het bbp (bruto binnenlands product). Dat is de omvang van de totale productie in het hele

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2008-II

Eindexamen economie 1-2 havo 2008-II Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 De werkgelegenheid verandert met

Nadere informatie

1. Leg uit dat het sparen door gezinnen een voorbeeld is van ruilen in de tijd. 2. Leg uit waarom investeren door bedrijven als ruilen over de tijd beschouwd kan worden. 3. Wat is intertemporele substitutie?

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2002-I

Eindexamen economie 1-2 havo 2002-I 4 Antwoordmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Voorbeelden van een juist antwoord zijn:

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2007-II

Eindexamen economie 1-2 vwo 2007-II Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 1 0,15 0,12 100% = 25%

Nadere informatie

Domein GTST havo. 1) Gezinnen, bedrijven, overheid en buitenland; of anders geformuleerd: (C + I + O + E M)

Domein GTST havo. 1) Gezinnen, bedrijven, overheid en buitenland; of anders geformuleerd: (C + I + O + E M) 1) Geef de omschrijving van trendmatige groei. 2) Wat houdt conjunctuurgolf in? 3) Noem 5 conjunctuurindicatoren. 4) Leg uit waarom bij hoogconjunctuur de bedrijfswinsten zullen stijgen. 5) Leg uit waarom

Nadere informatie

Examen HAVO. economie. tijdvak 2 woensdag 23 juni 13.30-16.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage.

Examen HAVO. economie. tijdvak 2 woensdag 23 juni 13.30-16.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage. Examen HAVO 2010 tijdvak 2 woensdag 23 juni 13.30-16.00 uur economie tevens oud programma economie 1,2 Bij dit examen hoort een bijlage. Dit examen bestaat uit 27 vragen. Voor dit examen zijn maximaal

Nadere informatie

Eindexamen economie havo II

Eindexamen economie havo II Opgave 1 Buitenland en overheid in de kringloop In de economische wetenschap wordt gebruikgemaakt van modellen. Een kringloopschema is een model waarmee een vereenvoudigd beeld van de economie van een

Nadere informatie

Keuzeonderwerp. Keynesiaans model. Gesloten /open economie zonder/met overheid met arbeidsmarkt. fransetman.nl

Keuzeonderwerp. Keynesiaans model. Gesloten /open economie zonder/met overheid met arbeidsmarkt. fransetman.nl Keuzeonderwerp Keynesiaans model Gesloten /open economie zonder/met overheid met arbeidsmarkt Vraag op de goederenmarkt Alleen gezinnen en bedrijven kopen op de goederenmarkt. C = 0,6 Y Aa = 4 mln mensen

Nadere informatie

Examen HAVO en VHBO. Economie

Examen HAVO en VHBO. Economie Economie Examen HAVO en VHBO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Vooropleiding Hoger Beroeps Onderwijs HAVO Tijdvak 2 VHBO Tijdvak 3 Dinsdag 22 juni 13.30 16.30 uur 19 99 Dit examen bestaat uit 37 vragen.

Nadere informatie

Vraag Antwoord Scores

Vraag Antwoord Scores Opgave 1 1 maximumscore 2 Uit de uitleg moet blijken dat het tarief per keer legen de inwoners stimuleert om de containers minder vaak aan te bieden om daarmee lasten te besparen 1 het tarief per kilo

Nadere informatie

4.1 Klaar met de opleiding

4.1 Klaar met de opleiding 4.1 Klaar met de opleiding 1. Werken in loondienst - Bij een bedrijf of bij de overheid (gemeente, provincie, ministerie); - Je krijgt loon/salaris; - Je hebt een bepaalde zekerheid, dat je werk hebt,

Nadere informatie

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1 EXAMEN: 2002-I

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1 EXAMEN: 2002-I TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1 NIVEAU: HAVO EAMEN: 2002-I De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen die

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2007-I

Eindexamen economie 1-2 vwo 2007-I Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 q v = 200 1,25 + 450 = 200 q a

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2008-I

Eindexamen economie 1 vwo 2008-I Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 vergemakkelijken van het ontslaan

Nadere informatie

Aanpassingen lesbrieven havo

Aanpassingen lesbrieven havo Aanpassingen lesbrieven havo 2012-2013 Lesbrief Vervoer blz. 5, na 5 e regel onder foto:..is aangesloten bij TCA. Toevoegen: Vanwege het grote marktaandeel mag TCA de marktleider genoemd worden. blz. 5,

Nadere informatie

Economie module 4 Ruilen in de tijd. goederen kopen

Economie module 4 Ruilen in de tijd. goederen kopen Economie module 4 Ruilen in de tijd 27 blz. werkboek = 1 ½ blz. per les H1 par 1 & 2 vb.1 O O sparen om tijd storting + rente iets te kopen goederen kopen vb.2 O O geld lenen om tijd aflossing + rente

Nadere informatie

Domein Goede Tijden, Slechte Tijden

Domein Goede Tijden, Slechte Tijden Domein Goede Tijden, Slechte Tijden Zie steeds de eenvoud!! havo Frans Etman Hoog- of laagconjunctuur Het Centraal Bureau van de Statistiek (CBS) heeft 2 filmpjes gemaakt over de indicatoren van de economie.

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2001-I

Eindexamen economie 1 vwo 2001-I Opgave 1 Hoge druk op de arbeidsmarkt Gedurende een aantal jaren groeide de economie in Nederland snel waardoor de druk op de arbeidsmarkt steeds groter werd. Het toenemende personeelstekort deed de vrees

Nadere informatie

4 Toon met twee verschillende berekeningen aan dat het ontbrekende gemiddelde inkomen (a) in de tabel gelijk moet zijn aan 70 000 euro.

4 Toon met twee verschillende berekeningen aan dat het ontbrekende gemiddelde inkomen (a) in de tabel gelijk moet zijn aan 70 000 euro. Grote opgave personele inkomensverdeling Blz. 1 van 4 personele inkomensverdeling Inkomensverschillen tussen personen kunnen te maken hebben met de verschillende soorten inkomen. 1 Noem drie soorten primair

Nadere informatie

M * V = P * T (T kan ook Y (reëel inkomen zijn)

M * V = P * T (T kan ook Y (reëel inkomen zijn) Centrale bank leent aan banken geld. Banken kunnen geld uitlenen aan gezinnen en bedrijven. Gezinnen consumeren meer, bedrijven investeren meer. De bedrijven gaan meer produceren. (Er ontstaat meer welvaart

Nadere informatie

Domein E: Concept Ruilen over de tijd

Domein E: Concept Ruilen over de tijd 1. Het bruto binnenlands product is gestegen met 0,9%. Het inflatiepercentage bedraagt 2,1%. Bereken de reële groei van het BBP. 2. Waarmee wordt het inflatiepercentage gemeten? 3. Lees de onderstaande

Nadere informatie

Hoofdstuk 1 Inkomen verdienen 1.1 productiefactoren vorm van inkomen

Hoofdstuk 1 Inkomen verdienen 1.1 productiefactoren vorm van inkomen Hoofdstuk 1 Inkomen verdienen 1.1 productiefactoren vorm van inkomen arbeid loon kapitaal rente en huur ondernemerschap winst 1.2 a. 480.000 165.000 32.000 = 283.000. b. (39.000/283.000) 100% = 13,8 %.

Nadere informatie

Eindexamen economie pilot havo II

Eindexamen economie pilot havo II Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 Een antwoord waaruit blijkt dat

Nadere informatie

Ruilen over de tijd. Zie steeds de eenvoud!! Frans Etman

Ruilen over de tijd. Zie steeds de eenvoud!! Frans Etman Ruilen over de tijd Zie steeds de eenvoud!! vwo Frans Etman Bedenk dat bij ruilen er altijd twee dingen gedaan worden. Je geeft wat en je krijgt wat terug. Als je twee keer ruilt - ruilen over de tijd

Nadere informatie

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1,2

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1,2 TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1,2 NIVEAU: EXAMEN: VWO 2001-II De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen

Nadere informatie

pdf18 MACRO-VRAAG EN MACRO-AANBOD

pdf18 MACRO-VRAAG EN MACRO-AANBOD pdf18 MACRO-VRAAG EN MACRO-AANBOD De macro-vraaglijn of geaggregeerde vraaglijn geeft het verband weer tussen het algemeen prijspeil en de gevraagde hoeveelheid binnenlands product. De macro-vraaglijn

Nadere informatie

Examen VWO. Economie 1 (nieuwe stijl)

Examen VWO. Economie 1 (nieuwe stijl) Economie 1 (nieuwe stijl) Examen VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Donderdag 17 mei 13.30 16.30 uur 20 01 Voor dit examen zijn maximaal 65 punten te behalen; het examen bestaat uit

Nadere informatie

Rendement = investeringsopbrengst/ investering *100% Reëel rendement = Nominaal rendement / CPI * 100-100 Als %

Rendement = investeringsopbrengst/ investering *100% Reëel rendement = Nominaal rendement / CPI * 100-100 Als % Inflatie Stijging algemene prijspeil Consumenten Prijs Indexcijfer Gewogen gemiddelde Voordeel: Mensen met schulden Nadeel: Mensen met loon, spaargeld Reële winst bedrijven daalt Rentekosten bedrijven

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2002-II

Eindexamen economie 1-2 havo 2002-II 4 Antwoordmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Een voorbeeld van een juiste berekening is: 1,5

Nadere informatie

Werkboek Werk Ver 2. Week Opgaven Bijzonderheden 5 Toetsbespreking 1.1 t/m 1.12. Dit boekje elke les meenemen! 6 1.13 t/m 1.20 2.1 t/m 2.

Werkboek Werk Ver 2. Week Opgaven Bijzonderheden 5 Toetsbespreking 1.1 t/m 1.12. Dit boekje elke les meenemen! 6 1.13 t/m 1.20 2.1 t/m 2. Werkboek Werk Ver 2 Week Opgaven Bijzonderheden 5 Toetsbespreking 1.1 t/m 1.12 Dit boekje elke les meenemen! 6 1.13 t/m 1.20 2.1 t/m 2.9 7 2.10 t/m 2.14 Afmaken beleggen Inleveren handelingsdeel bij docent

Nadere informatie

Economie. Boekje Conjunctuur Samenvattingen + overige voorbereiding voor de toets. Inhoud:

Economie. Boekje Conjunctuur Samenvattingen + overige voorbereiding voor de toets. Inhoud: Boekje Conjunctuur Samenvattingen + overige voorbereiding voor de toets Economie Inhoud: Wat? blz. h1 & h2 samengevat 2 h3 samengevat 3 h4 samengevat 4 wat moet weten 5 Begrippen 6 & 7 Links 7 Test je

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2000-I

Eindexamen economie 1-2 havo 2000-I 4 Antwoordmodel Opgave 1 Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. 1 voorbeelden van juiste antwoorden: Een antwoord

Nadere informatie

Kleurpagina vraagkaartjes beginner Ruilen over de tijd Quiz. Deze pagina 2 keer printen daarna op de achterkant de vraagkaartjes Ruilen over de tijd

Kleurpagina vraagkaartjes beginner Ruilen over de tijd Quiz. Deze pagina 2 keer printen daarna op de achterkant de vraagkaartjes Ruilen over de tijd Kleurpagina vraagkaartjes beginner Ruilen over de tijd Quiz. Deze pagina 2 keer printen daarna op de achterkant de vraagkaartjes Ruilen over de tijd quiz beginner printen en uitsnijden of knippen. Bijlage

Nadere informatie

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1,2

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1,2 TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1,2 NIVEAU: EXAMEN: HAVO 2001-II De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen

Nadere informatie

bruto inkomen (per persoon)

bruto inkomen (per persoon) Opgave 1 Lorenzcurve en economische kringloop Definities: Bruto inkomen Loon/pensioen, interest, winst/dividend, huur/pacht Netto inkomen Bruto inkomen inkomstenbelasting (IB) Netto besteedbaar inkomen

Nadere informatie

Eindexamen economie vwo 2010 - I

Eindexamen economie vwo 2010 - I Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 Een antwoord waaruit

Nadere informatie

Examen HAVO. Economie 1 (nieuwe stijl)

Examen HAVO. Economie 1 (nieuwe stijl) Economie 1 (nieuwe stijl) Examen HAVO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Tijdvak 1 Vrijdag 18 mei 13.30 16.00 uur 20 01 Voor dit examen zijn maximaal 63 punten te behalen; het examen bestaat uit 34 vragen.

Nadere informatie

Groei of krimp? bij Pincode 5e ed. 4GT Hoofdstuk 7 en 4K Hoofdstuk 5 aanvullend lesmateriaal n.a.v. vernieuwde syllabus EC/K/5A: 2

Groei of krimp? bij Pincode 5e ed. 4GT Hoofdstuk 7 en 4K Hoofdstuk 5 aanvullend lesmateriaal n.a.v. vernieuwde syllabus EC/K/5A: 2 Groei of krimp? bij Pincode 5e ed. 4GT Hoofdstuk 7 en 4K Hoofdstuk 5 aanvullend lesmateriaal n.a.v. vernieuwde syllabus EC/K/5A: 2 Als je moet kiezen welk plaatje je op je cijferlijst zou willen hebben,

Nadere informatie

Eindexamen economie vmbo gl/tl 2006 - II

Eindexamen economie vmbo gl/tl 2006 - II BEOORDELINGSMODEL Aan het juiste antwoord op een meerkeuzevraag wordt één punt toegekend. HET GROTE ONDERNEMERSSPEL 1 B 2 A 3 maximumscore 2 Voorbeeld van een juiste berekening: Loonkosten in twee jaar:

Nadere informatie

Dumpjehuiswerk.nl 2009

Dumpjehuiswerk.nl 2009 Algemene Economie hoofdstuk 2 Vraag Bij de analyse van het consumentengedrag zijn ondernemingen op zoek naar de oorzaken die ten grondslag liggen aan de vraag naar hun producten. Deze oorzaken worden ook

Nadere informatie

Antwoorden Lesbrief Waar voor je geld

Antwoorden Lesbrief Waar voor je geld Antwoorden Lesbrief Waar voor je geld Deze lesbrief (derde druk, 2015) is een uitgave van De Nederlandse Bank en tot stand gekomen met medewerking van Gerrit Gorter en Han van Spanje (VECON). 1. Prijzen

Nadere informatie

1)Waaruit bestaat de vraag op de Werkenden en arbeidsmarkt? (openstaande)vacatures. 2)Noem een ander woord voor Werkenden werkgelegenheid.

1)Waaruit bestaat de vraag op de Werkenden en arbeidsmarkt? (openstaande)vacatures. 2)Noem een ander woord voor Werkenden werkgelegenheid. 1 1)Waaruit bestaat de vraag op de arbeidsmarkt? 2)Noem een ander woord voor werkgelegenheid. 3)Wie vragen arbeid? 4)Met welk woord wordt het aanbod van arbeid ook aangeduid? 5)Geef de omschrijving van

Nadere informatie

3.2 De omvang van de werkgelegenheid

3.2 De omvang van de werkgelegenheid 3.2 De omvang van de werkgelegenheid Particuliere bedrijven en overheidsbedrijven nemen mensen in dienst. Collectieve sector = Semicollectieve sector = De overheden op landelijk, provinciaal en lokaal

Nadere informatie

Proeftoets Economische Bedrijfsomgeving

Proeftoets Economische Bedrijfsomgeving Proeftoets Economische Bedrijfsomgeving 1. Schaarste heeft in de economie een andere betekenis dan in het normale spraakgebruik. We spreken in de economie van schaarste als: a. De behoeften beperkt en

Nadere informatie

Domein Goede Tijden, Slechte Tijden

Domein Goede Tijden, Slechte Tijden Domein Goede Tijden, Slechte Tijden Zie steeds de eenvoud!! vwo Frans Etman Hoog- of laagconjunctuur Het Centraal Bureau van de Statistiek (CBS) heeft 2 filmpjes gemaakt over de indicatoren van de economie.

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2001-II

Eindexamen economie 1 vwo 2001-II Opgave 1 CAO-overleg: loon of werk? Bij de CAO-onderhandelingen voor een komend jaar in de industrie wordt uitgegaan van de volgende prognose: inflatie 2,3% stijging arbeidsproductiviteit in de industrie

Nadere informatie

1. Lees de vragen goed door; soms geeft een enkel woordje al aan welke richting je op moet.

1. Lees de vragen goed door; soms geeft een enkel woordje al aan welke richting je op moet. AANVULLENDE SPECIFIEKE TIPS ECONOMIE VWO 2007 1. Lees de vragen goed door; soms geeft een enkel woordje al aan welke richting je op moet. : Leg uit dat loonmatiging in een open economie kan leiden tot

Nadere informatie

HOOFDSTUK 14: OEFENINGEN

HOOFDSTUK 14: OEFENINGEN 1 HOOFDSTUK 14: OEFENINGEN 1. Antwoord met juist of fout op elk van de onderstaande beweringen. Geef telkens een korte a) Indien een Amerikaans toerist op de Grote Markt van Brussel een Deens bier drinkt,

Nadere informatie

5.1 Wie is er werkloos?

5.1 Wie is er werkloos? 5.1 Wie is er werkloos? Volgens het CBS behoren mensen tot de werkloze beroepsbevolking als ze een leeftijd hebben van 15 tot en met 64 jaar, minder dan 12 uur werken, actief op zoek zijn naar betaald

Nadere informatie

Vraag Antwoord Scores. Aan het juiste antwoord op een meerkeuzevraag wordt één punt toegekend.

Vraag Antwoord Scores. Aan het juiste antwoord op een meerkeuzevraag wordt één punt toegekend. Beoordelingsmodel Aan het juiste antwoord op een meerkeuzevraag wordt één punt toegekend. Bankzaken 1 maximumscore 1 Voorbeeld van een juiste verklaring: De inflatie van 1,6% is een gemiddelde waarin de

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 havo 2002-I

Eindexamen economie 1 havo 2002-I Opgave 1 Nationaal inkomen en welvaart Een van de belangrijkste economische grootheden is het nationale inkomen. Economen hanteren het nationale inkomen als een maatstaf voor de welvaart. Een groei van

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2006-II

Eindexamen economie 1-2 vwo 2006-II 4 Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 Een voorbeeld van een juiste berekening

Nadere informatie

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2001-I

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2001-I UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2001-I VAK: ECONOMIE 1 NIVEAU: VWO EXAMEN: 2001-I De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen.

Nadere informatie

1 De economische kringloop

1 De economische kringloop 1 De economische kringloop Wat is Marco-economonie? Studie van het verband tussen Gezinnen Bedrijven Overheid Buitenland Welke soorten economische vraagstukken hebben we? Productie Werkloosheid Inflatie

Nadere informatie

Arbeid = arbeiders = mensen

Arbeid = arbeiders = mensen Vraag van en aanbod naar arbeid Arbeid = arbeiders = mensen De vraag naar mensen = werkenden Het aanbod van mensen = beroepsbevolking Participatiegraad Beroepsbevolking / beroepsgeschikte bevolking * 100%

Nadere informatie

Eindexamen economie vwo I

Eindexamen economie vwo I Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 Uit het antwoord moet

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2009 - I

Eindexamen economie 1-2 vwo 2009 - I Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 Een voorbeeld van een juiste verklaring

Nadere informatie

Economie. Arbeidsmarkt. Domein markt en domein goede tijden, slechte tijden

Economie. Arbeidsmarkt. Domein markt en domein goede tijden, slechte tijden Economie Arbeidsmarkt Domein markt en domein goede tijden, slechte tijden ETMF, STAI oktober 2014 Opgave 1 (havo 2002-1 ec1 opg 6) Kunnen de premies lager? Alle werknemers betalen verplicht premies voor

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2002-II

Eindexamen economie 1-2 vwo 2002-II 4 Antwoordmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 0,15 Een voorbeeld van een juiste verklaring

Nadere informatie

Eco samenvatting H16 t/m H23

Eco samenvatting H16 t/m H23 Eco samenvatting H16 t/m H23 Hoofdstuk 16: Beleggen Beleggen houd in dat je geld vastzet in een beleggingsobject in de hoop hier een financieel voordeel uit te halen (een nadeel is ook een reëel mogelijkheid)

Nadere informatie

Eindexamen economie vwo I

Eindexamen economie vwo I Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave maximumscore 2 Door de vermindering van

Nadere informatie

Kaarten module 4 derde klas

Kaarten module 4 derde klas 1. Uit welke twee onderdelen bestaan de totale kosten? 2. Geef 2 voorbeelden van variabele kosten. 3. Geef 2 voorbeelden van vaste (of constante) kosten. 4. Waar is de totale winst gelijk aan? 5. Geef

Nadere informatie

Module 8 havo 5. Hoofdstuk 1 conjunctuurbeweging

Module 8 havo 5. Hoofdstuk 1 conjunctuurbeweging Module 8 havo 5 Hoofdstuk 1 conjunctuurbeweging Economische conjunctuur hoogconjunctuur Reëel binnenlands product groeit procentueel sterker dan gemiddeld. laagconjunctuur Reëel binnenlands product groeit

Nadere informatie

Uitwerkingen rekenvaardigheden

Uitwerkingen rekenvaardigheden 1 Basisgetal Getal 2 Factor Getal 2 is % van Getal 1 Getal 2 is % groter/kleiner dan Getal 1 (-) = kleiner a1 200 210 1,0500 105 5,00 a2 210 200 0,9524 95,24-4,76 b1 350 410 1,1714 117,14 17,14 b2 410

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 havo 2000-II

Eindexamen economie 1-2 havo 2000-II 4 Antwoordmodel Opgave voorbeeld van een juiste berekening: 84.760.000 4 = 2.080 uur 63.000 2 voorbeeld van een juist antwoord: Een antwoord waaruit blijkt dat uitzendkrachten in deeltijd werken. 3 voorbeelden

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo II

Eindexamen economie 1-2 vwo II Beoordelingsmodel Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 Voorbeelden van een

Nadere informatie

Statistisch Magazine Internationale economische ontwikkelingen in de periode 2010 tot en met 2012

Statistisch Magazine Internationale economische ontwikkelingen in de periode 2010 tot en met 2012 Internationale economische ontwikkelingen in de periode 2010 tot en met 2012 Inleiding Lorette Ford De economische ontwikkeling van een land kan door middel van drie belangrijke economische indicatoren

Nadere informatie