Radicaal (on)zichtbaar. Verkennend onderzoek naar omvang, kenmerken en oorzaken van mogelijke radicalisering onder Amsterdamse moslima s

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Radicaal (on)zichtbaar. Verkennend onderzoek naar omvang, kenmerken en oorzaken van mogelijke radicalisering onder Amsterdamse moslima s"

Transcriptie

1 Radicaal (on)zichtbaar Verkennend onderzoek naar omvang, kenmerken en oorzaken van mogelijke radicalisering onder Amsterdamse moslima s 1

2 VOORWOORD Het onderzoek Radicaal (on)zichtbaar is uitgevoerd in opdracht van de Informatie Huishouding van de Dienst Openbare Orde & Veiligheid van de Gemeente Amsterdam. We zijn onze opdrachtgevers erkentelijk voor het verstrekken van de opdracht en onze dank gaat uit naar alle betrokkenen bij het onderzoek. In het bijzonder willen we bedanken: De externe leden van de begeleidingscommissie: Professor Dr. T. Pels [Verwey Jonker instituut], dr. R. Witte [IVA, Universiteit van Tilburg] en drs. F. Venecourt [Spirit] voor het kritisch meelezen en de wetenschappelijke feedback en de heer dr. B. Amjarso voor zijn inspirerende hulp bij het samenstellen van de vragenlijst. Onze speciale dank gaat uit naar de twee veldwerkers Z. Madhdroume en N. Ramzi, die ontelbare uren in dit onderzoek hebben gestopt en zonder wiens vertrouwen en ervaring de doelgroep nooit bereikt had kunnen worden. Onze dank gaat dan ook uit naar alle respondenten die bereid zijn geweest tijd vrij te maken voor onze vragen en die ervoor gezorgd hebben dat deze groep vrouwen niet langer onzichtbaar is. Tot slot hopen we de lezer een nieuwe ervaring mee te kunnen geven die aanvullend is op reeds bestaand onderzoek op het terrein van radicalisering. 10 juni 2012 Drs. L. Wessels, hoofdonderzoeker, conflictanalysis360 Msc. A. Dijkman, onderzoekscoördinatie, Vizea 2

3 SAMENVATTING RADICAAL (ON)ZICHTBAAR Probleemverkenning en behoefte gemeente Amsterdam Recente signalen geven aan dat er nieuwe ontwikkelingen plaatsvinden over de rollen van vrouwen in radicale bewegingen. De gemeente Amsterdam geeft onder andere aan dat zij te weinig zicht heeft op moslima s die kampen met problemen die hen vatbaar kunnen maken voor radicalisering. Daar komt nog bij dat deze groep lastig te bereiken is. Hun problematiek is niet duidelijk en uit eerder oriënterend onderzoek blijkt dat deze groep een tendens vertoont om hun problemen te verinnerlijken. Dat velen hun emotionele, politieke en identiteitsontwikkeling mogelijk doormaken in een schaamte- en taboecultuur maakt het onderzoek en het duiden van de problematiek nog lastiger. Voor een compleet beeld van risico's van radicalisering is een goed beeld van deze groep essentieel. De gemeente is ervan overtuigd dat een onderzoek naar de omvang en kenmerken van kwetsbare, geïsoleerde en mogelijk radicaliserende moslima s helderheid kan verschaffen wat op zijn beurt kan resulteren in een oplossingsgerichte aanpak. Om een doelgerichte aanpak te verwezenlijken heeft de gemeente Amsterdam belang bij een onderzoeksteam dat toegang heeft tot deze lastig te benaderen doelgroep zodat op een effectieve manier het probleem in beeld gebracht kan worden. De Informatie Huishouding (IHH) van de bestuursdienst van de gemeente Amsterdam heeft daarom Vizea de opdracht verleend om dit onderzoek uit te voeren en daarbij gebruik te maken van haar specifieke netwerk en contacten. Doelstellingen Het Vizea-onderzoek naar radicalisering onder moslima's in Amsterdam heeft vijf doelstellingen: 1. Inzicht krijgen in de relatieve omvang van de groep kwetsbare, geïsoleerde en mogelijk radicaliserende moslima's in Amsterdam; 2. Inzicht krijgen in de oorzaken die leiden tot de problematiek van kwetsbare, geïsoleerde en mogelijke radicaliserende moslima's in Amsterdam; 3. Zicht krijgen op veel voorkomende kenmerken van kwetsbare, geïsoleerde mogelijk radicaliserende moslima's in Amsterdam; 4. Kennis verkrijgen over positieve en negatieve invloeden van buitenaf en de impact hiervan, zoals het aanbod van radicaal gedachtegoed; 5. Het doen van suggesties en aanbevelingen voor beleid en verder onderzoek. Aard en methode van het onderzoek Dit onderzoek is exploratief van aard. Er is weinig specifiek onderzoek naar de rol, positie en het gedrag van geradicaliseerde moslima's gedaan in Nederland en daarbuiten. Bestaand onderzoek gaat vaak over radicalisering onder moslims, ongeacht geslacht. Het behandelt vrouwen vaak niet als een groep met mogelijk aparte eigenschappen wat radicalisering betreft. Dit onderzoek is daarmee vernieuwend en exploratief en de eerste keer dat de gemeente Amsterdam zo specifiek onderzoek laat doen naar vrouwen en radicalisering. Om de beperkte tijd en middelen zo efficiënt mogelijk in te zetten is er voor gekozen om het onderzoek in te delen in twee fasen; een kwantitatief gedeelte en een kwalitatief gedeelte. Ten eerste het uitzetten van een vragenlijst onder 155 dames op basis van een doelgroepprofiel. Voor de vragenlijst is gebruik gemaakt van vragen uit eerder onderzoek van Van den Bos (2009) en op basis van de studie Salafisme in Nederland van 3

4 Roux et al (2010) Deze vragenlijst is op basis van eigen inzicht en expertise aangepast en aangevuld met additionele vragen die in de uiteindelijke vragenlijst verwerkt zijn. In fase twee zijn twaalf geselecteerde dames geïnterviewd met gebruikmaking van een narratief biografisch interviewmodel. Deze methode, ontwikkeld door de socioloog Schütze, vraagt de respondente om zelf het verhaal van haar leven te vertellen. Het voordeel hiervan is dat er volgens Schütze door de spontaniteit van het verhaal zogenaamde 'Zugzwänge' (letterlijk de dwang om een 'zet' te maken, denk aan het schaken) tot het verdichten en tot het detailleren. Vooral door deze Zugzwänge raken mensen verstrikt in hun verhaal en verliezen daarbij de controle over hun verhaal. De verteller wordt meegesleept door zijn eigen verhaal en produceert op die manier meer en andere informatie, een vollediger beeld over zich zelf dan hij of zij van plan was. Deze methode leidt daarmee vaker tot een eerlijker en duidelijker beeld van het leven van de respondent, dan reguliere vraag- en antwoord methodes. Toegang tot respondenten Elk onderzoek werkt met 'materiaal', de informatie waar we als onderzoekers toegang toe hebben. Bij dit onderzoek ligt er een grote uitdaging omdat de informatie over radicalisering en over de rol van vrouwen daarin niet voor het oprapen ligt en voor ons veelal onzichtbaar is: gedrag van veel moslimvrouwen en zeker mogelijk radicaliserende moslimvrouwen in het bijzonder, vindt achter de voordeur plaats. Zonder toegang tot deze vrouwen en relevante netwerken kun je niets zinnigs zeggen over het radicaliseringspotentieel van moslima's in Amsterdam. Wat dit onderzoek extra interessant en relevant maakt is de toegang die Vizea heeft tot sterk geïsoleerde moslima's. Een onderzoek naar niet- geïsoleerde moslima's is minder interessant omdat de meeste indicatoren dan automatisch wijzen op niet-radicalisering, niet-isolatie of minder kwetsbaarheid. Vizea heeft deze vrouwen kunnen bereiken en bevragen door eigen ervaring, netwerk en daarbij behorende toegang tot lezingen van conservatieve prekers en verschillende gesloten fora voor vrouwen (thuis, in de moskee, in praatgroepen, tijdens islamitische feesten). Dat betekent dat Vizea hiermee een 'biased steekproef', selecte steekproef doet in positieve zin, dieper de doelgroep in van mogelijk kwetsbare, geïsoleerde en mogelijk radicaliserende vrouwen. Omvang kwetsbare, geïsoleerde en mogelijk radicaliserende moslima's Op basis van dit onderzoek kan niet met zekerheid worden vastgesteld wat het aantal radicale moslima's in Amsterdam is. Elke poging om een omvang van deze doelgroep te bepalen is moeilijk. Zoals in hoofdstuk 6 Materiaal en Doelgroep is beschreven, levert een algemene schatting op basis van de gegevens van de Veiligheids- en Diversiteitsmonitor 2010 van de Dienst Onderzoek en Statistiek 1 op, dat er in de leeftijdscategorie 13 tot 30 jaar in Amsterdam maximaal moslima's zijn. We gaan uit van deze leeftijdscategorie omdat uit eerdere onderzoeken blijkt dat in deze leeftijdscategorie het radicaliseringpotentieel het grootst is. Bij een steekproefmarge van 7 procent, een betrouwbaarheidspercentage van 90% en een populatie van is een steekproef van 138 personen voldoende om representatief te zijn. 2 Met 155 ingevulde vragenlijsten is daarmee aan deze voorwaarde voldaan. Deze marges gelden echter voor een aselecte steekproef en gezien het feit dat het bij onderzoek Radicaal (on)zichtbaar om een selecte steekproef gaat, is het extrapoleren van de uitslag naar de gehele doelgroep van moslima's in Amsterdam in deze context weinigzeggend. De selecte steekproef bestaat 1 Dienst Onderzoek en statistiek: Veiligheids en Diversiteits Monitor, Steekproefcalculator (www.allesovermarktonderzoek.nl) 4

5 namelijk uit respondenten die voldoen aan een voor dit onderzoek vastgesteld profiel (Zie hoofdstuk 6 Materiaal en doelgroep pagina 37) met factoren die bij kunnen dragen aan het radicaliseringpotentieel. Ongeveer 1,3 procent (2 dames) van de 155 dames scoort meer dan 3,0 op de factor Directe geweldslegimatie (tegen 4 procent op exact 3.0). Het percentage dames dat daadwerkelijk aangeeft dat geweld gebruikt mag (4,2 procent) of moet (2.8 procent) worden om de islam te verdedigen is relatief klein. Een hoge score op geweldslegitimatie is echter niet voldoende om daadwerkelijk te radicaliseren en tot een geweldsdaad te komen. De onderzochte dames zijn niet allemaal noodzakelijkerwijs radicaal, maar in potentie wel het meest ontvankelijk voor radicalisering, gemeten aan de hand van de factor Directe geweldslegitimatie. Deze gegevens zijn gebaseerd op de uitslag van het kwantitatieve gedeelte van het onderzoek. Aan de hand van het kwalitatieve gedeelte blijken echter dat er meer factoren zijn die een rol kunnen spelen bij radicalisering van meiden en vrouwen (zie Hoofdstuk Resultaten Interviews pagina 61). Deze factoren zijn echter niet meegenomen in de vragenlijst omdat deze is gebaseerd op uitkomsten van eerder onderzoek. Nieuw kwantitatief onderzoek zou moeten uitwijzen in welke mate deze nieuwe aanvullende factoren van belang zijn bij een eventuele omvangsberekening. Resultaten en conclusies uit de vragenlijst Onrechtvaardigheid: Het gevoel van collectieve achterstelling, van onrechtvaardigheid is zeer wijd verbreid is onder de moslima's in Amsterdam: zij voelen zich als groep gediscrimineerd (61,5% procent), 72,5% procent is boos over deze discriminatie en een deel voelt zichzelf achtergesteld (18,1% procent). Er is geen verband tussen deze factor en geweldslegitimatie gevonden. Dreiging: het gevoel van dat bedreiging wijd verspreid is. Maar liefst 60,5 procent van de moslima s vindt dat de islam in Nederland bedreigd wordt. Slecht 11,6 procent vindt dat de islam niet bedreigd wordt. 14,5 procent van de moslima s voelt zich persoonlijk onveilig in Amsterdam. Ideologisch referentiekader: er is sprake van een sterke aanwezigheid van een ideologisch referentiekader bij de dames. Deze sterke aanwezigheid van inhoudelijk referentiekader staat (met inachtneming van bovengenoemde beperking) in verband met onrechtvaardigheidsgevoel, dreigingsgevoel, een lage betrokkenheid bij de Nederlandse samenleving; iets sterker in verband met superioriteitsgevoel en in zwak verband met indirecte geweldslegitimatie. Er kon geen verband bewezen worden met geweldslegitmatie of een lage betrokkenheid bij de samenleving. Er is dus geen verband aangetoond tussen orthodoxie, een sterke aanwezigheid van een ideologisch kader en geweldslegitimatie. Betrokkenheid bij de Nederlandse samenleving: Er is sprake van een grote groep moslima's die zich niet deel voelt van de Nederlandse samenleving. Ook al kan er geen verband met geweldslegitimatie gevonden worden, blijft dat wel zorgwekkend. Deze factor houdt namelijk wel verband met veel andere gemeten factoren. Daarnaast zou dit ook vergeleken kunnen worden met deze attitudes bij de algemene niet-moslim - populatie van Amsterdam om er meer relevants over te kunnen zeggen; voelen zij zich in vergelijking met de niet-moslimpopulatie van dezelfde leeftijdsen seksegroep meer betrokken bij de Nederlandse samenleving? 5

6 Legitimiteit Autoriteiten: Er zijn kleine maar belangrijke minderheden met weinig respect en vertrouwen in de verschillende autoriteiten. Opvallend is de hoge middenscore op veel van de vragen. Vaak houdt een derde van de respondenten zich op de vlakte en dat duidt niet op een hoge legitimiteit van autoriteiten. Opvallend genoeg is de hoogste vertrouwensscore tussen alle autoriteiten voor de politie van Amsterdam voorbehouden. Wat het stadsbestuur betreft houden de moslima s zich veel op de vlakte (63,9 procent), maar zijn er meer die het bestuur vertrouwen dan wantrouwen. Superioriteitsgevoel: Gevoelens van superioriteit zijn alom aanwezig in de populatie van moslima s, maar een lineair verband tussen die gevoelens en geweldslegitimiteit kan niet worden aangetoond. Wel staat deze factor in verband met andere factoren zoals (dreigingsgevoel-redelijk, ideologisch referentiekader-goed, een lage legitimiteit van autoriteiten en indirecte geweldslegitimatie). Geweldslegitimatie: Er is weinig sprake van geweldslegitimatie bij de moslima's. Bij de kleine groep moslima's die geweld wel legitiem vinden en bereid zouden zijn om geweld te gebruiken is er een samenhang gevonden met een lage ervaren legitimiteit van autoriteiten. Het meer kunnen verklaren van gewelddadig gedrag (zonder het noodzakelijkerwijs goed te keuren) houdt geen verband met geweldslegitimatie. Resultaten uit de narratief biografische interviews De zeven factoren die gemeten zijn in de vragenlijst komen terug in de interviews. Per factor wordt de meest opvallende uitkomst besproken: De meeste dames, een enkeling daargelaten, heeft het gevoel persoonlijk gediscrimineerd te worden en niet welkom te zijn in Nederland. Dat gevoel correspondeert met het gevoel van de gehele groep respondenten zoals blijkt uit de SPSS analyse van de vragenlijst. Voor een aantal dames is dat gevoel dermate sterk dat zij emigratie serieus overwegen. Overigens onderkennen de dames zelf dat emigreren nog niet zo eenvoudig is. Bedreiging van de islam en moslims wordt sterk gevoeld door veel dames. Ook al wordt het niet altijd als zodanig benoemd, de dames lijken het gevoel te hebben gevangen te zitten in een samenleving die hen niet als moslim accepteert. Het lijkt deze dames echter aan een reëel handelingsperpectief te ontbreken. Hierdoor wordt het risico steeds groter dat zij met de rug tegen de muur komen te staan. Interventies om betrokkenheid bij de samenleving te vergroten en maatregelen om de perceptie van de legitimiteit van de autoriteiten te vergroten (de twee factoren die het dichtst staan bij geweldslegitimatie) lijken daarom geboden. Bij alle dames is er sprake van een zeer sterke aanwezigheid van een ideologisch referentiekader. Religie, zingevingsvragen en praktiseren is voor alle dames zeer belangrijk. Zelfs in het geval dat een respondent in kwestie, vanuit de eigen optiek gezien, niet of nauwelijks praktiseert, is er wel een groot verlangen dit alsnog te doen. Er komt uit bestudering van de interviews van de dames geen eenduidige methode, plaats of religieuze studievorm naar voren die verklaart waarom deze dames vergeleken met de rest van de populatie relatief intensief praktiserend zijn. Het religieuze referentiekader van meeste dames, is vooral gericht op kleding en de omgang met mannen. Het religieuze refententiekader lijkt hiermee naast strikt (dichotoom, want zwart-wit idee of goed en fout) ook vrij beperkt te zijn. Opvallend hierbij is dat de onderwerpen die besproken worden gaan over de representatie naar de buitenwereld. Zowel op het gebied 6

7 van kleding als de omgang met mannen gaat het om de representatie naar de sociale omgeving. Conservatief gedachtegoed in termen van strikte (kleding)voorschriften, kan, naar het lijkt, niet goed verklaard worden door louter blootstelling aan geschriften en (radicale) medegelovigen. Het lijkt er eerder op dat veel van deze dames na een moeilijk socialiserinsgproces tot conservatieve interpretaties komen met religie als coping-mechanism voor (grote) problemen in het leven. Over de geïnterviewde dames zou voorzichtig gezegd kunnen worden dat zij redelijk betrokken zijn bij de Nederlandse samenleving. De meesten hebben werk of studeren. Een enkeling is wegens omstandigheden thuis. Een dame vindt werk echt leuk, maar de meeste dames zien werk als een noodzaak om het hoofd financieel boven water te houden. Behalve de betrokkenheid bij een aantal religieuze sociale organisaties (d.m.v. zelf lesgeven) van twee dames, spreekt geen van de andere dames over vrijwilligerswerk. De dames voelen zich vaak eerst moslim en dan Nederlander. Men identificeert zich niet als allochtoon. De meeste dames ervaren hun culturele achtergrond, bezien vanuit de islam, als problematisch. Daarnaast hebben ze het gevoel dat de Nederlandse samenleving niet bij hen betrokken is, dat ze uitgesloten worden en dat er aan hen extra eisen aan hun gesteld worden die niet gelden voor andere Nederlanders. Verder onderzoek naar factoren die meespelen bij de gevoelens van betrokkenheid van deze dames bij de Nederlandse samenleving verdiend aanbeveling. Het vertrouwen in de autoriteiten in termen van 'De Nederlandse politiek' is laag. 'Den Haag' heeft het specifiek op moslims gemunt, zo is het gevoel. Over de gemeente en de politie werd niets gezegd. Wel werd er in enkele gevallen met waardering gesproken over de sociaalpsychologische opvang in de stad, ook al was dat 'niet genoeg.' De indruk ontstaat dat veel dames de weg naar die instellingen niet weten te vinden of niet willen vinden. Er wordt soms een voorkeur uitgesproken voor behandeling in een (nog niet of onvoldoende bestaande) islamitische sociaal-maatschappelijke infrastructuur. Ook op deze factor moet meer onderzoek gedaan worden. De dames voelen zich vooral vaak superieur ten aanzien van familie, dan ten opzichte van 'de samenleving' of de dominante 'andere' cultuur. Ook worden ze vaak heen en weer geslingerd door gevoelens van 'niet goed genoeg' zijn in het algemeen, voor Allah, het ondergeschikt zijn aan familie, de eigen cultuur of man aan de ene kant, en de kracht en positie die aan de vroomheid van praktiseren wordt ontleend aan de andere kant. Het hebben van goed werk, een leidende functie (tijdelijk of anderszins) of een functie in een religieuze organisatie (bijvoorbeeld een religieuze vereniging) doet de dames zich goed voelen, maar is geen bron van superioriteitsgevoel. Velen willen vooral met rust gelaten worden in hun geloof. Dit met rust gelaten willen worden sluit aan bij het model van Van den Bos waarin de sociaalpsychologische gevoelens en de verschillende attitudes ofwel gecombineerd worden met angst (leidend tot isolatie) of met kwaadheid (bijdragend tot intenties tot gewelddadig gedrag). Deze dames vertonen een combinatie van verschillende emoties over hun leven: angst, soms berusting met humor of droefheid, kwaadheid, onzekerheid, soms onverschilligheid en vaak frustratie. Geen van de dames spreekt zich uit over geweld of geweldslegitimatie met uitzondering van één geïnterviewde, die deel uitmaakte van een radicaal-extremistische groep en in dat groepsverband radicaliseerde en sprak over een grote mate van superioriteitsgevoel bij de groep, het zich isoleren van familie en samenleving. De structuur van de groep doet denken aan die van een sekte met een hoge mate van groupthinking (het streven naar harmonie in denken binnen een groep met een intolerantie voor ideeën van binnen- of buitenaf die die harmonie kunnen verstoren of voor onzekerheid in denken of te volgen strategie kan veroorzaken). Het is onwaarschijnlijk dat dames die geweld zouden willen gebruiken dit 7

8 direct zouden willen vertellen. Dit is een exploratief onderzoek en hierop doorvragen zou misschien tot 'dichtklappen' hebben kunnen leiden. Dan zouden ze misschien niet zo openhartig hebben gesproken over de andere persoonlijke onderwerpen die ter sprake kwamen. Er kwam al zoveel nieuwe informatie naar boven in de interviews dat het in de afweging van de interviewers niet fatsoenlijk geweest zou zijn zonder onder psychologische begeleiding diep hierop na te vragen. Dat neemt niet weg dat bij het benaderen van heftige emoties men ook dichter komt bij die emoties die noodzakelijk zijn voor het zich zetten tot geweld. Het zou verstandig zijn om deze groep dames in de toekomst verder te bevragen onder welke omstandigheden ze bereid zouden zijn geweld te gebruiken anders dan de in de vragenlijst algemeen gegeven reden van 'verdedigen van de islam.' Nieuwe thema's en factoren uit de interviews De interviews met deze lastig bereikbare groep heeft een schat aan informatie, nieuwe factoren en thema's opgeleverd en daarmee nieuwe wegen van onderzoek naar radicalisering mogelijk gemaakt. Deze inzichten kunnen tot de meting van nieuwe factoren leiden en mogelijk tot aanpassingen in de behandeling van het probleem van radicalisering en wellicht ook in de omgang door andere publieke actoren. Er zijn zes thema's geïdentificeerd waaronder verschillende factoren kunnen worden gedefinieerd: Levensbeschouwelijke Zoektocht; Socialisering (primair en secundair; thuissituatie en sociale omgeving); Emancipatie, Gender & islam & Cultuur;' Ingrijpende Levensgebeurtenissen;' 'Psychosociale problematiek,' 'Behoefte aan Genegenheid' en 'Stapeling van problematiek.' Als we deze thema's in een duidelijker verband plaatsen ontstaat een beeld van een proces waarin deze zes thema's interactie met elkaar aangaan. Het lijkt erop dat deze dames onder enorme psychische druk leven of leefden. De dames zijn vaak kwetsbaar en emotioneel geïsoleerd en voelen zich aan hun lot overgelaten. Dit resulteert in een hypothese dat de vrouwen religie niet alleen gebruiken voor algemene zingeving maar ook als het belangrijkste coping mechanism om houvast te vinden in een (zeer) moeilijke situatie. Aanbevelingen Ondersteun de behoefte om vorm te geven aan zingeving: emanciperende werking; Opvoedingsondersteuning bij problematische gezinssituaties: constructieve communicatie; Aandacht voor identiteitsontwikkeling en burgerschap: regie op eigen toekomst in Nederland; Aandacht voor sociale kwetsbaarheid en isolement: risico op verslaving, ronseling jihad en seksueel geweld; Verbeter signaleringsvermogen professionals: effect van beeldvorming; Aansluiting reguliere hulpverlening: expertiseontwikkeling culturele en religieuze dynamiek; Publiek debat: niet belediging maar delegitimatie van autoriteiten vormt een risico; Versterking religieuze infrastructuur: veilige religieuze socialisatie. 8

9 9

10 INHOUD VOORWOORD... 2 SAMENVATTING RADICAAL (ON)ZICHTBAAR... 3 INHOUD INLEIDING Huidige situatie in de gemeente Amsterdam Probleemverkenning en behoefte gemeente Amsterdam Aanpak Vizea Doelstellingen MODELLEN EN DEFINITIES Vijf fasenmodel: Moghhadam en Meertens Niet-lineair Vijf verdiepingen Centrale definities: 'Radicaal' Islamitisch Radicalisme en (Gewelddadig) Islamitisch Extremisme Verschil tussen orthodox en radicaal/extremist 'Radicaal' is nog niet problematisch Verschil tussen Islamitisch Radicalisme en Islamitisch Extremisme Deze twee definities corresponderen met de brede aanpak van de gemeente Amsterdam20 3. HET VIZEA-ONDERZOEK EN DE SOCIAAL PSYCHOLOGISCHE BENADERING Eerder radicaliseringsonderzoek Sociaalpsychologische invalshoek Radicaliseringsproces (Van den Bos 2009): Sociaalpsychologische factoren en attitudes Verklaring Van den Bos model Sociaalpsychologische Factoren: Onrechtvaardigheidsgevoel, Onzekerheidsgevoel en Groepsdreiging Onrechtvaardigheidsgevoel Onzekerheidsgevoel Groepsdreiging Attitude Factoren Inhoudelijk gedachtegoed Legitimiteit van de Nederlandse autoriteiten

11 3.5.3 Wij-Zij denken Superioriteitsgevoelens Betrokkenheid bij de Nederlandse samenleving Attitude ten aanzien van radicaal en terroristisch gedrag Belangrijke Uitkomsten van Van den Bos' Onderzoek Theoretische Opzet Vizea Studie Genderperspectief en onzekerheid Socialisatie Definities Vizea zeven factoren van Van den Bos aangepast Grafiek Radicaliseringsproces volgens Vizea Visualisering radicaliseringsproces volgens Vizea: Begripsbepaling voor deze studie Definities en theoretische aanpassingen op Van den Bos van de zeven factoren volgens Vizea Sociaalpsychologische factoren Factor 1 ervaren en waargenomen (politieke en sociale) onrechtvaardigheid Factor 2 bedreiging Attitudes Factor 3 ideologisch referentiekader (+methode van interpretatie) Ideologisch referentiekader Methode van Interpretatie Factor 5 betrokkenheid bij de Nederlandse samenleving Factor 6 legitimiteit van autoriteiten: Factor 7 superioriteitsgevoel Factor 8 legitimering van geweld EXPLORATIEVE METHODE Aard van het onderzoek Fase 1: Vragenlijsten Fase 2: Interviews Selectie voor interviews Narratief biografisch interviewmodel Vragen naar gender, socialisatie en methode van interpretatie

12 6.MATERIAAL EN DOELGROEP Toegang tot respondenten Doelstelling 1: omvang Sociaal wenselijke antwoorden en selectie van respondenten RESULTATEN VRAGENLIJST Vragenlijst analyse met SPSS Algemene demografische kenmerken Verdeling van respondenten over de stad Huwelijkse staat Thuis/Uitwonend Opleiding Werk Etnische verdeling Gemiddelden van alle factoren op een rijtje De Sociaalpsychologische Factoren: Onrechtvaardigheid, Bedreiging Factor 1: Onrechtvaardigheid Factor 2: Bedreiging Attitude Factoren Factor 3: Ideologisch Referentiekader en Methode van Interpretatie Factor 4: betrokkenheid bij de Nederlandse samenleving Factor 5: Legitimiteit Autoriteiten Factor 6: Superioriteitsgevoel Factor 7 Geweldslegitimatie Conclusie factoren RESULTATEN INTERVIEWS Selectie voor interviews Analysemethode en Stappen De zeven factoren in de interviews Onrechtvaardigheid Bedreiging Ideologisch kader/methode van interpretatie Betrokkenheid bij de Nederlandse samenleving Legitimiteit van autoriteiten

13 8.3.6 Superioriteitsgevoel Geweldslegitimering Nieuwe factoren en andere inzichten Levensbeschouwelijke zoektocht Socialisatie Problematische thuissituatie Problematische sociale omgeving Emancipatie, Gender & Islam en Cultuur Ingrijpende levensgebeurtenis Psychosociale problematiek Gebrek aan genegenheid Stapeling van problematiek De problemen van de dames verkort weergegeven Conclusie interviews Methodisch model: meerwaarde van het narratief biografische interview Theoretisch model Conclusies over de zeven factoren in de interviews Nieuwe thema's en factoren Zingeving Socialisering Ingrijpende levensgebeurtenissen Psychosociale problematiek Genegenheid Stapeling Sociaalpedagogische factoren en het sociaalpsychologische model Verschillen tussen mannen en vrouwen Oplossingen vanuit de interviews Omvang kwetsbare, geïsoleerde en mogelijk radicaliserende moslima's CONCLUSIES & AANBEVELINGEN Ondersteun de behoefte om vorm te geven aan zingeving: emanciperende werking Opvoedingsondersteuning bij problematische gezinssituaties: constructieve communicatie Aandacht voor identiteitsontwikkeling en burgerschap: regie op eigen toekomst in Nederland Aandacht voor sociale kwetsbaarheid en isolement: o.a. risico op verslaving, ronseling jihad en seksueel geweld

14 9.5 Verbeter signaleringsvermogen professionals: effect van beeldvorming Aansluiting reguliere hulpverlening: expertiseontwikkeling culturele en religieuze dynamiek Publiek debat: niet belediging maar delegitimatie van autoriteiten vormt een risico Versterking religieuze infrastructuur: veilige religieuze socialisatie Radicaliseringweegschaal Geraadpleegde Literatuur Bijlagen Bijlage 1: Werkwijze veldwerkers Bijlage 2 Religieuze kaart: Overzicht organisaties waar de vragenlijst afgenomen is Bijlage 3: Gebruikte vragen en Correlaties Bijlage 4A Vragenlijst & 4B Herkomst van de vragen Bijlage 5: Narratief-biografisch interviewprotocol Bijlage 6 Narratief biografisch interview respondent Bijlage 7 Narratief biografisch interview respondent Bijlage 8 Leden van de begeleidingscommissie

15 1. INLEIDING De gemeente Amsterdam wil een onderzoek doen naar de mogelijke radicalisering onder moslima s. Al eerder heeft zij zich met de vragen van radicalisering onder jongere moslims bezig gehouden en daar rapporten over geschreven. Sinds 2004 investeert de gemeente Amsterdam in preventie en aanpak van radicalisering. In 2007 heeft de gemeente haar actieplan Amsterdam tegen radicalisering gepresenteerd. 3 Daarin wordt beschreven dat de investering op drie niveaus plaatsvindt, te weten: (1) De voedingsbodem voor radicalisering verminderen door sociaal vertrouwen en wederzijdse tolerantie en acceptatie onder Amsterdammers te bevorderen, (2) Vatbare groepen, zoals jongeren die worstelen met hun identiteit en hun plaats in de samenleving, weerbaar maken tegen negatieve invloeden en radicaal gedachtegoed. 3) Personen die een proces van radicalisering doormaken, actief begeleiden om het radicaliseringsproces te keren en hen weer op een positieve manier aan de samenleving te binden. Het is van groot belang vatbare groepen, zoals jongeren die worstelen met hun identiteit en hun plaats in de samenleving, in een vroegtijdig stadium weerbaar te maken tegen negatieve invloeden en radicaal gedachtegoed. Ook is het zaak personen die een proces van radicalisering doormaken, actief te begeleiden om het radicaliseringsproces te keren en hen weer op een positieve manier aan de samenleving te binden. Deze aanpak richt zich op alle vormen van radicalisering: van linksradicalisering, rechtsradicalisering, dierenrechtenactivisme tot en met moslimradicalisering. Het streven van deze aanpak is om de reële risico s van maatschappelijke onrust in de stad als gevolg van radicale uitingen en gedrag van individuen en groepen te verkleinen en te minimaliseren. Op dit moment ligt de focus op de aanpak van moslimradicalisering omdat meldingen in Amsterdam nu vooral gaan over deze vorm van radicalisering. In 2006 presenteerde IMES, het Instituut voor Migratie en Etnische Studies van de Universiteit van Amsterdam, in opdracht van het College van B&W het onderzoeksrapport Processen van radicalisering; waarom sommige Amsterdamse moslims radicaal worden. 4 In dit onderzoek werden aanbevelingen gedaan om moslimradicalisering een halt toe te roepen. De belangrijkste aanbevelingen zijn: Het vergroten van maatschappelijk vertrouwen; Het vergroten van politiek vertrouwen; Het vergroten van religieuze weerbaarheid. 1.1 Huidige situatie in de gemeente Amsterdam Gedurende dit onderzoek heeft een heroriëntatie van het Amsterdamse radicaliseringsbeleid plaats gevonden. Hierin is de aanpak van radicalisering en polarisatie aangepast aan de huidige dreiging en wordt effectiever en efficiënter gewerkt. De aanpak focust zich op daadwerkelijk geconstateerde risico's (groepen, individuen die radicaliseren en polariseren) met als doel om problemen vroegtijdig te signaleren, te deradicaliseren en te de-escaleren. Netwerk- en expertiseopbouw zijn daarvoor randvoorwaarden. De belangrijkste activiteiten zijn: Het meld- en adviespunt, een pilotproject om organisaties zelf te leren om casussen af te handelen, opzetten van een pool met professionals op het gebied van de-radicalisering, doorontwikkeling van het draaiboek Vrede, onderzoek naar handelingsperspectieven om de risico s van 3 Gemeente Amsterdam: PAS, IHH en COT (Marco Zannoni) Slootman en Tillie,

16 single-issue bewegingen aan te pakken, en de uitvoering van interventies bij risicosituaties. 1.2 Probleemverkenning en behoefte gemeente Amsterdam Recente signalen geven aan dat er nieuwe ontwikkelingen plaatsvinden over de rollen van vrouwen in radicale bewegingen. De gemeente Amsterdam geeft onder andere aan dat zij te weinig zicht heeft op moslima s die kampen met problemen die hen vatbaar kunnen maken voor radicalisering. Daar komt nog bij dat deze groep lastig te bereiken is. Hun problematiek is niet duidelijk en uit eerder oriënterend onderzoek blijkt dat deze groep een tendens vertoont om hun problemen te verinnerlijken. Dat velen hun emotionele, politieke en identiteitsontwikkeling mogelijk doormaken in een schaamte- en taboecultuur maakt het onderzoek en het duiden van de problematiek nog lastiger. Voor een compleet beeld van risico's van radicalisering is een goed beeld van deze groep essentieel. De gemeente is ervan overtuigd dat een onderzoek naar de omvang en kenmerken van kwetsbare, geïsoleerde en mogelijk radicaliserende moslima s helderheid kan verschaffen wat op zijn beurt kan resulteren in een oplossingsgerichte aanpak. Om een doelgerichte aanpak te verwezenlijken heeft de gemeente Amsterdam belang bij een onderzoeksteam dat toegang heeft tot deze lastig te benaderen doelgroep zodat op een effectieve manier het probleem in beeld gebracht kan worden 1.3 Aanpak Vizea Vizea is een adviesbureau dat zich specialiseert in beleid, coaching en onderzoek en ondersteunt overheden en maatschappelijke organisaties bij het oplossen van complexe sociale en culturele vraagstukken. Vizea doet een onderzoek in opdracht van de gemeente betreffende de omvang en kenmerken van kwetsbare, geïsoleerde en mogelijk radicaliserende moslima s. Deze doelgroep is eerder deels in kaart gebracht door de IHH. Hieruit bleek dat moslima s tijdens hun zoektocht naar eigen identiteit regelmatig worstelden met hun ontwikkelingsproces in de Nederlandse maatschappij. Daarnaast valt op dat zij in deze worsteling nogal eens alleen staan waardoor de doelgroep moeilijk te bereiken is. De gemeente Amsterdam heeft aangegeven bovengenoemde aanknopingspunten graag in kaart te willen brengen door middel van dit onderzoek zodat een aanpak erop gericht kan wordende betreffende moslima s weer op een positieve manier bij de samenleving te betrekken. Vizea gebruikt bij dit onderzoek een sociaalpsychologische benadering en voert het onderzoek in twee fases uit door middel van een vragenlijst (fase 1) en interviews (fase 2) zoals later in dit document nader wordt uitgezet. Vizea beschikt over een groot netwerk en contacten met sleutelfiguren binnen de diverse islamitische gemeenschappen waardoor het mogelijk is om de doelgroep van het onderzoek te kunnen bereiken. 1.4 Doelstellingen Het Vizea-onderzoek naar radicalisering onder moslima's in Amsterdam wil onderzoeken hoe groot het radicaliseringspotentieel bij deze groep is en heeft daarom vijf doelstellingen: 1. Inzicht krijgen in de relatieve omvang van de groep kwetsbare, geïsoleerde en mogelijk radicaliserende moslima's in Amsterdam; 2. Inzicht krijgen in de oorzaken die leiden tot de problematiek van kwetsbare, geïsoleerde en mogelijke radicaliserende moslima's in Amsterdam; 3. Zicht krijgen op veel voorkomende kenmerken van kwetsbare, geïsoleerde mogelijk radicaliserende moslima's in Amsterdam; 4. Kennis verkrijgen over positieve en negatieve invloeden van buitenaf en de impact hiervan, zoals het aanbod van radicaal gedachtegoed; 5. Het doen van suggesties en aanbevelingen voor beleid en verder onderzoek. 16

17 2. MODELLEN EN DEFINITIES In deze studie zullen we ons primair bedienen van een sociaalpsychologische benadering van radicalisering met het gebruik van factoren van radicalisering (als indicatoren en kenmerken) in plaats van een zogeheten stappen- of fasen model. Hierbij laten we ons leiden door een eerdere studie van Van den Bos, Loseman en Doosje (hierna aangeduide als 'Van den Bos'). Maar voordat we onze keuze voor deze benadering toelichten en uitleggen in hoofdstuk drie, is het belangrijk om deze stappen modellen te bespreken om een beeld te scheppen van mogelijke factoren binnen een radicaliseringsproces. Ook bieden deze modellen goede aanknopingspunten voor het vaststellen van de centrale definities van radicalisering. In dit hoofdstuk bespreken we daarom het vijf fasen model van Mogghadam, de 'ontwikkelingsstadia' van radicalisme van Buijs en daarna de centrale definities van radicalisering (islamitisch radicalisme en islamitisch extremisme) voor het onderzoek. 2.1 Vijf fasenmodel: Moghhadam en Meertens Een veelgebruikt model om radicalisering te duiden is het 5-verdiepingenmodel (ook wel traptredemodel) van Fathali Moghhadam. Omdat dit model heel gangbaar is, wordt het hier besproken in de vorm van de sociaalpsychologische interpretatie van Roel Meertens Niet-lineair Het is belangrijk te vermelden dat uit onderzoek niet blijkt dat jongeren die uiteindelijk terrorisme plegen, netjes al deze vijf stappen van één tot en met vijf doorlopen. Het radicaliseringsproces verloopt soms heel snel en niet lineair. Omdat niet elke 'verdieping' netjes aan één indicator verbonden is, is het ook niet eenvoudig om dit model als theoretisch werkmodel te gebruiken. De uiteindelijke weg die iemand aflegt naar radicalisering is dynamischer dan dit relatief statische model. Wel biedt het model een beeld van radicalisering dat visueel aantrekkelijk is en verschillende factoren duidelijk introduceert Vijf verdiepingen In 2007 presenteert Roel Meertens een sociaalpsychologisch fasemodel geïnspireerd op dit vijf verdiepingen model van Moghaddam. Het geeft een los verband aan tussen sommige van de indicatoren die we gebruiken zoals onrechtvaardigheidsgevoel, onzekerheidsgevoel, superioriteitsgevoel en het fasenmodel. 5 Op de begane grond leven in Nederland enige duizenden moslims die op allerlei gebied onrecht ervaren, die zich achtergesteld voelen in vergelijking met anderen en daar kwaad over zijn. Bovendien zijn zij onzeker over hun positie in de maatschappij. Een aantal van hen klimt naar de eerste verdieping in de hoop op meer gerechtigdheid, op middelen om hun situatie te verbeteren en op een positieve persoonlijke en sociale identiteit. Zij doen dit door hard te werken, goed te studeren en door aansluiting te vinden met de Nederlandse samenleving. Zij die niet slagen gaan vol wrok naar de tweede verdieping. Daar lopen zij de kans om beïnvloed te worden door rekruteurs of leidersfiguren van allerlei signatuur, die oorzaken aanwijzen van hun woede en onzekerheid, veelal de westerse wereld in het algemeen en de Verenigde Staten in het bijzonder; vijanden die uiteindelijk met fysiek geweld moeten worden verslagen. De meeste bezoekers van de tweede verdieping zullen deze opvattingen van de hand wijzen. Een aantal zal zich er door aangesproken voelen en doorlopen naar de derde verdieping. Eenmaal daar aangekomen treden zij sekten binnen of vormen er zelf een, waarin in een notendop het volgende gebeurt. Hun geestelijk leiders betogen dat zij als groep oneindig veel beter zijn dan de buitenwereld. Hierin gaan de leden steeds meer geloven en dat geeft hun een 5 Moghaddam, F. M. & Marsella, A. J. (Eds.). Understanding terrorism: Psychological roots, consequences, and interventions. Washington, DC: American Psychological Association,

18 nieuwe uiterst positieve sociale identiteit. De macht van de leiders over de nieuwe leden wordt voortdurend sterker en de volgelingen gaan steeds meer op in de groep. Zij overtuigen elkaar steeds opnieuw van hun gelijk en zij geven zelfs hun baan of studie op om zich volledig te kunnen wijden aan hun nieuwe missie. Contacten met collega s, vrienden of familie worden steeds minder, of zelfs geheel verbroken. Dit leidt er weer toe dat de binding aan de groep steeds sterker wordt. Twijfel aan de juistheid van de doelen van de groep of aan de waarde van de groep leidt tot grote spanning en wordt zoveel mogelijk onderdrukt. Hoe langer de groepsleden met elkaar omgaan en hoe meer zij zich van de buitenwereld afzonderen, des te sterker is de druk om elkaars opvattingen over te nemen, om te conformeren. De meningen worden radicaler en de bereidheid tot het nemen van risico s wordt groter. Dit leidt tot extreme beslissingsprocessen waarin afwijkende meningen worden veroordeeld. Deze spiraal van elkaar steeds versterkende krachten leidt naar de vierde verdieping. Eenmaal daar aangekomen is het radicaliseringsproces vrijwel onomkeerbaar. Er resteert slechts op de vijfde verdieping een terroristische aanslag als het ultieme doel van het leven Ontwikkelingsstadia van radicalisme Buijs, Demant en Hamdy stellen in 'Strijders van eigen bodem: Radicale en democratische moslims' dat er drie algemene ontwikkelingsstadia van radicalisme zijn die onderscheiden kunnen worden. Zij zijn meer gefocust op vertrouwen en legitimiteit van autoriteiten als centrale thema s: De eerste fase is die van een vertrouwensbreuk, waarin het vertrouwen in de bestaande overheid sterk uitgehold wordt en er een conflict ontstaat tussen een groep of beweging en specifieke machthebbers over een specifiek beleid. Er is dan nog geen sprake van een ideologische breuk, maar wel van wantrouwen ten aanzien van het establishment. In een volgend stadium wordt niet meer het beleid, maar de legitimiteit van het politieke systeem zelf ter discussie gesteld; er is dan een legitimiteitsconflict. De oppositie ontwikkeld een alternatief ideologisch en cultureel systeem, dat het heersende regime en zijn sociale normen in diskrediet brengt ten gunste van betere. In het laatste stadium, dat van de legitimiteitscrisis, wordt de kritiek op de maatschappij uitgebreid naar de personen die er mee verbonden zijn. Die personen worden ontmenselijkt en de oppositionele radicalen beginnen zichzelf te beschouwen als de strijders van het licht die de duisternis bestrijden. De sociaalpsychologische factoren en attitude factoren zoals beschreven in Van den Bos zullen in deze studie niet direct gecombineerd worden met het fasemodel van Moghhadam en Meertens en de ontwikkelingsstadia zoals beschreven door Buijs, Demant en Hamdy (2006). Daarvoor bieden die fases en stadia te weinig aanknopingspunten. Wel kunnen ze ons helpen om een onderscheid te maken tussen radicalisering en problematische radicalisering hieronder. 2.3 Centrale definities: 'Radicaal' Islamitisch Radicalisme en (Gewelddadig) Islamitisch Extremisme Voordat we ons eigen model presenteren op basis van Van den Bos, is het belangrijk om duidelijke definities te geven van wat wel of niet problematische radicalisering is Verschil tussen orthodox en radicaal/extremist Er is een verschil tussen iemand die praktiserend is, orthodox (rechtzinnig in de leer 7 ) en een islamitisch radicaal of islamitisch extremist. Het is belangrijk om deze drie vormen niet op één hoop te gooien. Zo kan 6 Meertens. pp. 35, H. Moors en M. Jacobs definiëren Orthodoxie als het [vasthouden] aan beginselen die vast staan, die een waarheidsclaim inhouden en die met historische autoriteitsargumenten (tradities) zijn omkleed.(..) Orthodoxie bevat per definitie een boodschap en het argument dat die boodschap stevig wortelt in het verleden. Moors, H en Jacobs, M. Aan de hand van de imam, integratie en participatie van orthodoxe moslims in Tilburg-Noord, IVA beleidsonderzoek en Advies, Tilburg. 18

19 iemand erg orthodox zijn, zonder radicaal te zijn. En zo hoeft een radicaal of extremist niet per se ook orthodox in de leer te zijn. Dat kan doordat de islamitisch radicaal of islamitische extremist selectief shopt in het geloof. Hij kan door andere moslims als niet orthodox of traditiegetrouw worden gezien 'Radicaal' is nog niet problematisch Bij de bestrijding van radicalisering moeten we niet alle vrouwen die een afwijkende of radicale mening hebben (veel jongeren hebben in hun jeugd afwijkende of door andere als radicaal bestempelde opvattingen) wegzetten als problematische radicalen. Volgens Marion van San et al in 'Idealen op drift' 8 is dat wegzetten' een manier van de gevestigde politiek om iedereen die vijandig staat tegen de gevestigde politiek buitenspel te zetten. De vrijheid van gedachten en vrijheid van meningsuiting is echter een belangrijk onderdeel van onze democratie. We moeten ervoor waken in naam van terrorismebestrijding mensen, de mond te snoeren. De samenleving kan zich, door mensen als 'radicalen' weg te zetten, ontslaan van de plicht open te staan voor de dialoog over problemen die deze groep misschien aankaart. Zo kunnen milieuactivisten, linkse anti-discriminatieplatforms, rechtse protestgroeperingen en mensen die protesteren tegen het Nederlands buitenlandbeleid problemen aankaarten of onderliggende behoeften representeren die wel legitiem zijn. Een goed voorbeeld is Greenpeace. Deze organisatie overtreedt bij tijd en wijle de wet (zonder geweld tegen personen). Maar dit betekent niet dat er geen milieuproblematiek is die belangrijk is om onder de aandacht te brengen, zo erkennen inmiddels veel Nederlanders. Naast mogelijkheden tot constructieve dialoog snijden we onszelf af van 'early warning' signalen en mogelijkheden tot interventie door niet in dialoog te gaan met deze groepen. Tenslotte weten we uit de geschiedenis dat veel groepen die voor onrecht zijn opgekomen eerst werden weggezet als radicalen. De 'prijs' die deze 'radicalen' moeten betalen in onze democratie is echter wel dat zij het geweldsmonopolie van de staat respecteren. Daarom ligt de grens van problematische radicalisering ook juist daar zoals we hieronder zullen toelichten, bij islamitisch extremisme, waar gebruik van geweld wordt gelegitimeerd. 2.4 Verschil tussen Islamitisch Radicalisme en Islamitisch Extremisme Hierboven hebben we radicalen feitelijk gedefinieerd als mensen met (sterk) afwijkende politieke ideeën en als een term die in de samenleving gebruikt kan worden om mensen een negatief stempel op te drukken. Dit zijn echter wel jongeren waarmee we in dialoog moeten blijven over hun ideeën en opvattingen zonder hen uit te sluiten. Het zijn immers democratische burgers zolang zij met vreedzame middelen deelnemen aan het politieke proces. In Processen van Radicalisering 9 geven Slootman en Tillie definities van problematische radicalisering met hun definitie van islamitisch radicalisme en islamitisch extremisme. Een islamitische radicaal, zo is de veronderstelling, is sterker vatbaar voor gedachtegoed dat aanzet tot geweld dan een gewone gelovige die praktiserend is of orthodox. Dit omdat er sprake is van een veel duidelijker en samenhangende gevoelens en visies bij niet-radicale gelovigen. In deze studie zullen we de volgende definitie gebruiken voor islamitisch radicalisme en islamitisch extremisme aan de hand van de kenmerken zoals door Slootman en Tillie hieronder beschreven. Overtuigingen die islamitisch radicalisme kenmerken: 1. De islam ligt onder vuur en wordt bedreigd; 2. Burgerlijke machthebbers hebben bijgedragen aan deze dreiging/marginalisering en moetendaarom 8 Van San et al, De argumentatie van deze alinea is geïnspireerd op eenzelfde argumentatie in dit boek. 9 Processen van Radicalisering, Slootman en Tillie, 2006, p

20 gewantrouwd worden; verzet tegen hen is gerechtvaardigd; 3. Religieuze gezagsdragers berusten in deze situatie en plegen daarom verraad aan het geloof; 4. De grondslagen van het geloof moeten worden hersteld door een terugkeer naar de echte religieuze normen en waarden en door een letterlijke interpretatie van de koran; 5. De eigen religie is superieur en zou de grondslag moeten vormen voor de samenleving en de leidraad moeten zijn voor de politiek; 6. De ware gelovige moet een actieve rol spelen bij het verwezenlijken van deze samenleving, wat gezien wordt als een urgente zaak. Overtuigingen die islamitisch extremisme kenmerken: 1. Het verwezenlijken van de ideale, goddelijke, samenleving is het hoogste doel (utopisme); 2. Het nastreven hiervan is een plicht voor elke gelovige, wat alle middelen heiligt, inclusief geweld; 3. Tegenstellingen worden verabsoluteerd en de vijand wordt gedemoniseerd, doordat de activisten zichzelf zien als de strijders van het goede die het kwaad bestrijden. We maken in deze studie een keuze om een onderscheid te maken tussen niet-radicale gelovigen, waaronder orthodoxe gelovigen, en de aanhangers van islamitisch radicalisme ( radicalen ) en islamitisch extremisme ( extremisten ). Die laatste groep wordt gekenmerkt door legitimering en gebruik van geweld, zoals gedefinieerd door Slootman en Tillie. Naarmate een individu meer naar islamitisch radicalisme en islamitisch extremisme neigt, neemt de noodzaak tot interventie toe. 10 Dit onderscheid tussen de reguliere vorm van het praktiseren en orthodoxie aan de ene kant en islamitisch radicalisme en islamitisch extremisme aan de andere kant sluit ook aan bij de derde tot en met vijfde verdieping van het fasemodel van Meertens en Moghhadam (aansluiting bij sekten die geweld als oplossing zien voor het bestrijden van onrecht) en de legitimiteitscrisis (demonisering van de vijand en bestrijding van de 'duisternis' als 'strijder van het licht') van het model van Buijs, Demant & Hamdy. Wanneer wij in deze studie de termen radicalisering en extremisme alsmede radicalen en extremisten gebruiken, dan doen wij dat aan de hand van bovenstaande kenmerken Deze twee definities corresponderen met de brede aanpak van de gemeente Amsterdam Het de-radicaliseren van radicaliserende (moslim)jongeren is sterk gericht op (acute) interventie bij hen die geweld legitimeren en gebruiken (islamitische extremisten). Het vergroten van de weerbaarheid tegen radicalisering, bestaat uit preventiemaatregelen bij groepen die mogelijk kunnen radicaliseren of die op basis van indicatoren uit eerder onderzoek vatbaar worden geacht voor radicalisering (islamitische radicalen). Het verkleinen van de risico s voor radicalisering kan gebeuren door allerhande maatregelen en dialoog met een brede groep moslims, waaronder ook orthodoxen. 10 In Slootman en Tillie 2006, Processen van Radicalisering, pp. 17,18. 20

21 3. HET VIZEA-ONDERZOEK EN DE SOCIAAL PSYCHOLOGISCHE BENADERING In dit hoofdstuk wordt het Vizea-onderzoek in de context van eerder radicaliseringsonderzoek geplaatst en wordt de primaire keuze voor de sociaalpsychologische benadering onderbouwd. Daarna wordt de opzet van een recent sociaalpsychologisch onderzoek besproken die we gedeeltelijk overnemen, te weten: Waarom jongeren radicaliseren en sympathie krijgen voor terrorisme: Onrechtvaardigheid, onzekerheid en bedreigde groepen, van Kees van den Bos, Annemarie Loseman en Bertjan Doosje (2009). De Vizea-aanpak bouwt hier verder op voort en een aantal fundamentele definities worden gepresenteerd. 3.1 Eerder radicaliseringsonderzoek In het buitenland wordt sinds de aanslagen van elf september2001, en in Nederland na de moorden op Pim Fortuyn door een dierenrechtenactivist en op Theo van Gogh door Mohammed Bouyeri, er veel meer onderzoek gedaan naar radicalisering. Dit gebeurt vanuit het idee dat radicalisering een reële bedreiging vormt voor de veiligheid van de Nederlandse samenleving (onder andere) door het risico van aanslagen. De benadering van de studie van radicalisering verschilt en wordt door verscheidene organisatie uitgevoerd. Zo zijn er studies die vooral politiek-sociologisch van aard zijn, zoals Buijs, Demant en Hamdy (2006) 'Strijders van eigen bodem' Roux, Stiphout en Tillie (2010) 'Salafisme in Nederland; Aard, omvang en dreiging' en Martijn de Koning (2008) 'Zoeken naar een zuivere Islam.' Er is een journalistieke case studie van een specifieke groep geradicaliseerde vrouwen 'Strijdsters van Allah. Radicale moslima's en het Hofstadnetwerk van Groen en Kranenborg (2006). Daarnaast zijn er veel studies die een politicologische en sociaalpsychologische benadering combineren zoals Slootman en Tillie's (2006) 'Processen van Radicalisering'. Dan zijn er studies die vooral een sociaalpsychologische benadering hebben zoals Meertens, Prins, Doosje (2006) 'In iedereen schuilt een terrorist' en de al genoemde studie van Van den Bos, Loseman en Doosje (2009) ( Van den Bos ) 'Waarom jongeren radicaliseren en sympathie krijgen voor terrorisme: Onrechtvaardigheid, onzekerheid en bedreigde groepen.' Er is een (sociaal) pedagogische studie van Van San, Siecelinck, de Winter 'Idealen op drift' en ten slotte zijn er veel inventariserende politicologische studies zoals de rapportages van de AIVD (beginnend met: Van Dawa tot Jihad 2004), Moors, Balogh, Van Donselaar & De Graaff (2009) Polarisatie en radicalisering in Nederland. Een verkenning van de stand van zaken in 2009 en Rodrigues en Donselaar: (2010) 'Monitor Racisme en Extremisme. Negende Rapportage. Van San, Siecelink en de Winter vatten in 'Idealen op drift' 11 de huidige stand van onderzoek samen aan de hand van de drie verklaringsmodellen die door de verschillende benaderingen gebruikt wordt: het fasenmodel, het indicatoren-model en het interventie/'effect-model'. Helaas blijkt geen van deze modellen op zichzelf alles zaligmakend voor het voorspellen van radicalisering. De Britse binnenlandse veiligheidsdienst MI5 vatte het zo samen: Crucially the research has revealed that those who become terrorists are a diverse collection of individuals, fitting no single demographic profile, nor do they all follow a typical pathway to violent extremism (...) It also concludes that the research results have important lessons for the government program to tackle the spread of violent extremism, underlining the need for attractive alternatives to terrorist involvement but also warning that traditional law enforcement tactics could backfire if handled badly or used against people who are not seen as legitimate targets. Travis Van San et al, 2010, pp Geciteerd in idem, p

22 Deze constatering levert natuurlijk een uitdaging op als het gaat om de keuze van benadering voor radicaliseringsonderzoek. Centraal hierbij is het inzicht dat radicalisering een niet-lineair proces is. We hebben daarom niet gekozen voor een 'fase-model' van radicalisering maar een sociaalpsychologische invalshoek die gebruik maakt van een 'indicatoren-model'. Deze keuze willen we nu toelichten. 3.2 Sociaalpsychologische invalshoek Het Vizea-onderzoek is primair gebaseerd op een sociaalpsychologische benadering. In de wetenschap van de sociaal-psychologie staan verklaringsmodellen centraal die gaan over emoties, zingevingsbehoeftes en identiteitsontwikkeling. Precies die onderwerpen die spelen bij jongeren in deze fase van hun leven, de adolescentie. De officiële definitie van sociaalpsychologie is: de studie naar hoe (menselijke) gedachten, gevoelens en gedragingen worden beïnvloed door werkelijke of ingebeelde anderen. 13 Menselijk gedrag wordt dan verklaard door de interactie van persoonlijke factoren met de sociale omgeving. In zijn studie Radicaliserende moslims en moslima's sociaalpsychologische bekeken spitst Roel Meertens (2007) de definitie van de sociaalpsychologie i.v.m. radicalisering als volgt toe: Sociaalpsychologen bestuderen hoe de gedachten, de gevoelens, de emoties en het gedrag van individuen worden beïnvloed door de sociale omgeving. Bij omgeving kan men denken aan een partner, andere mensen, groepen, organisaties, maatschappelijke instellingen en collectieve kennis. Een voorbeeld is de vraag: welke rol speelt de sociale omgeving bij de radicalisering tot terreurdaden? Het omgekeerde onderzoeken sociaalpsychologen ook: hoe individuen de sociale omgeving kunnen veranderen. Een pregnant voorbeeld is de invloed van Mohammed B., de moordenaar van Theo van Gogh, op de verhoudingen tussen niet-moslims en moslims in Nederland. 14 Die verhouding en de wederzijdse percepties zijn immers sterk beïnvloed door zijn terroristische daad. Deze benadering past ook het beste bij het verzoek van de gemeente. In het verzoek van de gemeente wordt gevraagd naar de omvang en kenmerken van vatbare/kwetsbare, geïsoleerde moslima's die mogelijk radicaliseren. Er wordt in de aanvraag gewag gemaakt van initieel onderzoek en ervaringen bij de gemeente van signalen van moslima's waar er sprake is van psychosociale problemen in combinatie met onzichtbaarheid van die problematiek, mede door schaamte- en taboe cultuur. Er wordt gesproken over een groep jonge vrouwen die in hun zoektocht naar identiteit onder invloed van sociale en religieuze factoren worstelen met hun ontwikkelingsproces in de Nederlandse maatschappij en daarin alleen staan. Daaruit spreekt primair een problematiek van sociaalpsychologische en sociaalpedagogische aard. Omdat eerder onderzoek niet heeft aangetoond dat jongeren die radicaliseren en sympathie ontwikkelen voor terroristisch geweld een typisch demografische achtergrond hebben anders dan dat het vooral jonge mannen zijn die kunnen radicaliseren, moet er naar andere soorten factoren gekeken worden om hun gedrag en denkwijze te verklaren. 15 En wel door te kijken naar hoe de interpretatie van mensen van wat er om hen heen gebeurt, hun percepties, handelen en voelen beïnvloedt. De eerder genoemde studie van Van den Bos, Loseman en Doosje (2009) 16 vond al sterke verbanden tussen bepaalde sociaalpsychologische factoren en de vatbaarheid voor radicaal gedachtegoed. Maar de studie werd o.a. bij een algemene groep 13 Allport, G. W. (1985). The historical background of social psychology. In G. Lindzey & E. Aronson (Eds.), The handbook of social psychology. New York: McGraw Hill. 14 Meertens. Roel W,. Radicaliserende moslims en moslima's sociaalpsychologische bekeken Van den Bos. 2009, i., Idem. 22

23 van voornamelijk mannelijke moslims gedaan, niet exclusief bij moslima's. De Vizeastudie zal veel elementen van de aanpak van dit onderzoek gebruiken om drie redenen: het is een recente studie, het bouwt voort op eerder belangrijk leidend onderzoek zoals Slootman en Tillie (2006) en het is het meest uitgebreide sociaalpsychologische onderzoek dat tot nu toe in Nederland is gedaan. 3.3 Radicaliseringsproces (Van den Bos 2009): Sociaalpsychologische factoren en attitudes Van den Bos vat het radicaliseringsproces als volgt schematisch samen: Grafiek Radicaliseringsproces Van den Bos 2009 Boosheid Intenties tot Gewelddadig gewelddadig gedrag Demografische Sociaal- Attitude factoren: gedrag factoren psychologische Opleiding Sekse Leeftijd factoren Waargenomen onrechtvaardig- Inhoudelijke aspecten van radicaal gedachtegoed Angst Intenties tot afwenden van samenleving Isolerend gedrag Religie heid Etniciteit Legitimeit van Woonomgeving Ervaren autoriteiten Baan etc. onzekerheid Wij-Zij denken Van den Bos 2009, p.9. Groepsdreiging Superioriteitsgevoelens over subcultuur Betrokkenheid bij Verklaring Van den Bos model de Nederlandse De sociaalpsychologische factoren vormen samenleving de kern van het onderzoek. Van den Bos bestudeert drie sociaalpsychologische factoren, te weten: onrechtvaardigheidsgevoel, onzekerheid en groepsdreiging. In het sociaalpsychologische model van Van den Radicaal Bos geweld beïnvloeden en interageren deze met attitudes ten aanzien van inhoudelijke aspecten van radicalisering: radicaal gedachtegoed, de legitimiteit van Nederlandse en terroristisch autoriteiten en de legitimering van gewelddadig gedrag. Deze combinatie van sociaalpsychologische gedrag factoren en daaruit voortvloeiende houdingen leiden óf tot een in zichzelf gekeerde reactie (angst) en isolatie-gedrag óf tot een primair door boosheid gekenmerkte reactie en mogelijk gewelddadig gedrag. 17 De logica, die ten grondslag ligt aan dit model, begint met de aanname dat de drie psychosociale factoren onrechtvaardigheid, ervaren onzekerheid en groepsdreiging de sturende factoren zijn (sturende dimensie) en de oorzaken van radicalisering. De houdingen die hier uit voortvloeien zijn het resultaat van de perceptie en ervaring van deze drie factoren. Deze combinatie van houdingen (attitude-factoren) noemen Van den 17 Eerder onderzoek wees uit dat isolement wel een kenmerk is van radicalisering, maar ook van veel andere psychologische processen die niet tot geweld leiden en daarom minder interessant als losse factor. 23

24 Bos de 'ideologische dimensie' van radicalisering. 18 Beide deze dimensies kunnen als ze sterk aanwezig zijn in het radicaliseringsproces bij een klein deel van de mensen leiden tot een zodanig grote boosheid dat legitimering van gewelddadig gedrag ontstaat evenals de gedachte dat ze zelf willen of moeten meedoen. 3.4 Sociaalpsychologische Factoren: Onrechtvaardigheidsgevoel, Onzekerheidsgevoel en Groepsdreiging We bespreken nu in het kort de onderliggende logica van de drie sociaalpsychologische factoren samen met de zes attitudes uit het model van Van den Bos: Onrechtvaardigheidsgevoel Het onrechtvaardigheidsgevoel wordt volgens Van den Bos gedefinieerd als daadwerkelijke of vermeende achterstelling 19 ten opzichte van andere in dit geval niet-moslim groepen. Eerder onderzoek van Meertens (2005), Slootman en Tillie (2006), Corens 2008 en ook later onderzoek van Van San et al (2010) stellen dat ervaren en waargenomen politieke en sociale onrechtvaardigheid een sterke factor is in radicalisering. 20 Al eerder is vastgesteld bij onderzoek naar vooral mannelijke moslimradicalen dat de meeste geradicaliseerde moslims een relatief normale jeugd hebben gehad en een normale of goede opleiding hebben genoten. Ook is er geen sprake van psychische ziektes. Met andere woorden; ze zijn niet gek. Waarin geradicaliseerde moslims wel verschillen met de meeste andere moslims is de mate waarin ze kwaad zijn. En dat gevoel komt voort uit het idee dat de eigen groep (waaronder zijzelf) onrechtvaardig behandeld wordt. En dat gevoel, en vooral het gevoel van groepsdeprivatie (nog boven een perceptie van persoonlijke achterstelling) is een sterke motivatie om zaken desnoods op illegitieme, dus ook in sommige gevallen op gewelddadig wijze, te veranderen. 21 De gepercipieerde onrechtvaardigheid moet immers worden opgeheven of rechtgezet. Volgens Van den Bos beginnen radicaliseringsprocessen vaak met daadwerkelijke of vermeende achterstelling (perceived relative deprivation). Jongeren hebben het gevoel dat ze minder krijgen of dat hun hooggespannen verwachtingen niet uitkomen. Dat kan betrekking hebben op materiële zaken zoals werk, behuizing, geld/loon of een stageplek, maar ook op immateriële zaken. Zo is de manier waarop mensen worden behandeld bij die waargenomen onrechtvaardigheid belangrijk. Een grote mate van (waargenomen) disrespect kan radicalisering in de hand werken. Er zijn twee vormen van (waargenomen) deprivatie, te weten: persoonlijke en collectieve. Volgens de relatieve deprivatietheorie zijn het vooral collectief gevoelde achterstellings-gevoelens die in de perceptie (die overigens reëel kan zijn) veroorzaakt wordt door de geprivilegieerde groep, die tot boosheid en collectieve actie kunnen leiden. Vooral als die achterstelling als belangrijk obstakel gezien wordt voor het behalen van 'wezenlijke doelen' in het leven, zoals werk, enige status etc. 22 Volgens de theorieën over sociale conflicten van Lewis A. Coser gaat dat gepaard met hechting aan de eigen groep 'ingroup' en toekennen van algemene positieve eigenschappen aan deze groep (ingroup bias genoemd) en het toekennen van negatieve kwalificaties en negatieve generalisaties aan de andere groep, de 'outgroup.' Van den Bos, 2009, p Van den Bos p Meertens 2005, pp , Slootman en Tillie 2006, pp , San et al 2010, pp, Corens 2008, pp Meertens 2005, p Van den Bos, p Lewis A. Coser, The Functions of Social Conflict,

25 3.4.2 Onzekerheidsgevoel De tweede sociaalpsychologische factor die Van den Bos bespreekt is onzekerheid. Volgens de sociaalpsycholoog Michael Hogg hebben mensen een fundamentele behoefte aan een gevoel van zekerheid over de wereld en hun plaats daarin. 24 De mate waarin de moslims zich zeker voelen over hun plaats in de wereld, hun rol en identiteit, is de definitie van zekerheid in dit verband. Nederlandse moslims worden bijna per definitie heen en weer geduwd tussen twee werelden: een islamitische, 'buitenlandse' identiteit aan de ene kant en een Nederlandse aan de andere kant. Dit leidt tot frictie in de beantwoording van twee vragen: wie ben ik? (de persoonlijke identiteit) en 'tot welke groep behoor ik? (de sociale identiteit). Naarmate die onzekerheid groter is, wordt de behoefte om bij een hechte groep te horen en om een duidelijke ideologie te hebben, groter. Door de psycholoog Hogg wordt dit de 'subjective uncertainty reduction' (subjectieve onzekerheidsreductie) behoefte genoemd. 25 Die onzekerheid moet gecompenseerd worden. Een methode daarvoor is het horen bij of zich aansluiten bij een groep. Het doel van die groepsidentificatie en ideologie is om jezelf een positieve eigen identiteit te verschaffen, een basisbehoefte van elk mens. Van den Bos meldt dat onze verregaande geïndividualiseerde samenleving deze onzekerheid vergroot en de hang naar sociale verbanden van vroeger of algemene hang naar gemeenschap doet toenemen. Mensen hebben immers een basale drang om zich verbonden te voelen en sociaal geaccepteerd te zijn. 26 Bij jongeren spelen deze processen extra sterk omdat ze als adolescenten per definitie al in een zoektocht naar identiteit zitten. Wat de potentie voor radicalisering betreft, stelt Van den Bos dat onzekerheid de aansluiting bij groepen die potentieel ook extremistisch kunnen zijn bevordert: ''Hoe groter de onzekerheid, hoe sterker de motivatie om het zelfconcept te construeren in termen van [. ]groepen die orthodox zijn, onderscheidend, hiërarchisch gestructureerd, consensusgericht, intolerant van interne meningsverschillen/onenigheid en verscheidend en hoog xenofoob en etnocentrisch (de eigen groep is superieur) Groepsdreiging De derde sociaalpsychologische variabele die Van den Bos presenteert is groepsdreiging; een factor die verwant is aan groepsachterstelling (groepsdeprivatie). Bij deze factor voelt het individu dat de groep fysiek of symbolisch (door stigmatisering van de groep) bedreigd wordt. Van den Bos definieert groepsdreiging als de mate waarin jongeren de groep waar zij lid van zijn (b.v. de moslims) bedreigd worden door andere groepen in de samenleving (bijvoorbeeld niet-moslims). 28 Volgens de geïntegreerde dreigingstheorie verergeren waargenomen bedreigingen door de ingroup de negatieve attitudes tussen de (in en out-) groepen. 29 Als het individu weinig andere contacten heeft buiten de eigen groep, zal deze dreiging door de outgroup (of die nou reëel of irreëel is, economisch of symbolisch) veel erger zijn en meer invloed hebben op percepties, emoties en gedrag. 30 Het individu heeft dan drie mogelijkheden volgens de zogeheten 'sociale identiteitstheorie': (1) de groep verlaten om bij een hogere status groep te komen, (2) zich vergelijken met nog meer ondergeschikte groepen (om een positief zelfconcept te behouden) of (3) door collectief te strijden, de confrontatie aangaan met de dominante groep. 31 Het is deze laatste stap die voor 24 Van den Bos, p. 14 en Slootman, Tillie 2006, pp Meertens 2005, p Maslow, Motivation and personality, 1970, 2 nd edition en Baumeister and Leary, The Need to belong: desire for interpersonal attachments as a fundamental human motivation, Psychological Bulletin, 1995, in Van den Bos, p Van den Bos, p Idem p Stephan et al in Van den Bos, p Idem. 31 Idem, p

26 problematische radicalisering kan zorgen als deze met geweld gepaard gaat. Het strijden voor gelijke rechten tegen achterstelling- is immers een democratisch recht. Daarnaast kan geweld tegen homo s als voorbeeld gegeven worden voor de tweede mogelijkheid (zich vergelijken met of afzetten tegen een vermeende mindere groep). 3.5 Attitude Factoren Van den Bos bespreekt een aantal houdingen (attitudes) die indicatoren zijn van radicalisering. We bespreken ze hier omdat ze terugkomen in onze eigen studie later. In het model van het radicaliseringsproces zijn het de bovengenoemde drie sociaalpsychologische variabelen die het intrinsieke motivatie-mechanisme vormen voor de attitudes, de sturende factoren. Van den Bos geeft zes houdingen aan die kunnen samenhangen met radicalisering of voortvloeien uit de sociaalpsychologische factoren: Inhoudelijk gedachtegoed ( ideologische aspecten van radicaal gedachtegoed ), legitimiteit van Nederlandse autoriteiten, de mate van wij-zij denken, superioriteitsgevoel van de subcultuur, betrokkenheid bij de Nederlandse samenleving en de houding ten aanzien van het gebruik van geweld (geweldslegitimatie) Inhoudelijk gedachtegoed Radicaal gedachtegoed voorziet in een behoefte aan houvast en zingeving. Van den Bos testte of de mate waarin het radicaal gedachtegoed wordt aangehangen correspondeert met geweldslegitimering en andere gemeten factoren. Inhoudelijk gedachtegoed, zo zegt de definitie van Van den Bos, omvat de specifieke ideologische of religieuze elementen van radicalisering: Daarmee kan de definitie van inhoudelijk gedachtegoed als mogelijke radicaliseringsfactor het beste als volgt worden samengevat: De mate waarin een jongere inhoudelijk radicaal gedachtegoed aanhangt geeft de mate aan waarin de jongere is geradicaliseerd Legitimiteit van de Nederlandse autoriteiten Van den Bos testte of een lage legitimiteit voor de Nederlandse autoriteiten in verband gebracht kan worden met radicalisering. Legitimiteit van die autoriteiten is immers een obstakel op de weg naar radicalisering. Een geradicaliseerde moslim moet eerst een delegitimatieproces doorlopen waarbij deze de Nederlandse autoriteiten (bij Van den Bos is dat de politie en de Nederlandse regering in het bijzonder) steeds minder is gaan erkennen. Voordat de persoon in kwestie geweld goedkeurt moet er sprake zijn van een afwijzing van de legitimiteit van het Nederlandse gezag, vooral de Nederlandse regering en politie. 33 Legitimiteit wordt daarmee gedefinieerd als: de mate waarin de maatschappelijke autoriteiten als legitiem worden gezien of juist niet Wij-Zij denken Wij-zij denken betreft een ontwikkeling in de manier waarop een jongere zichzelf en de wereld om zich heen waarneemt: Naarmate een jongere verder radicaliseert, zal deze steeds meer in termen van wij-zij gaan denken en de andere groep in steeds monolithischer vorm percipiëren. 34 Als de 'wij' groep zich als slachtoffer ziet is er een 'zij' groep nodig die daarvoor verantwoordelijk is. Samen met de volgende factor 'superioriteitsgevoel' kan dat leiden tot dehumanisering van de ander, de 'vijand' en dat is een mogelijke 32 Van den Bos, p Bos, Loseman, Doosje 2009, p Van den Bos p

27 voorbode voor geweldsgebruik. 35 De definitie van wij-zij denken bij Bos kan worden samengevat als: De mate waarin de jongere de wereld om zich heen percipieert en beschrijft in termen van wij-zij is een indicatie van wij-zij denken Superioriteitsgevoelens Van den Bos heeft ook getest of superioriteitsgevoelens sterk in verband te brengen zijn met radicalisering. Dit superioriteitsgevoel zou dan blijken door uitspraken die aangeven dat de eigen groep wordt gezien als beter dan de andere en dat iedereen eigenlijk zou moeten denken als zijzelf. Van den Bos, Loseman en Doosje (2009) en Slootman en Tillie (2006) geven aan dat superioriteitsgevoel een belangrijke voorspeller van radicalisering en radicaal gedrag is. Superioriteitsgevoelens omvat zowel de mate waarin jongeren vinden dat iedereen zo zou moeten denken zoals zij zelf als ook de mate waarin ze hun groep of cultuur superieur achten ten opzichte van andere groepen en culturen Betrokkenheid bij de Nederlandse samenleving Deze factor wordt ook beschreven en getest in de studie van Van den Bos, uitgaande van het idee dat mensen die zich sterk afzonderen van de Nederlandse samenleving mogelijk meer geradicaliseerd kunnen zijn. 37 Deze betrokkenheid uit zich door het zich Nederlander voelen, zich thuis voelen in Nederland, zich betrokken voelen bij de Nederlandse samenleving en zich verbonden voelen met andere Nederlanders. Betrokkenheid bij de Nederlandse samenleving behelst daarmee: de mate waarin jongeren zich verbonden voelen aan de Nederlandse samenleving en andere Nederlanders Attitude ten aanzien van radicaal en terroristisch gedrag Van den Bos testte ook hoe jongeren denken over het gebruik van geweld en terroristische aanslagen en stelt dat het vooral de combinatie van de houdingen met het tonen van bepaalde emoties is, die een voorspellende waarde heeft voor radicalisering. Vooral de combinatie met boosheid zou dan meer bepalend zijn (i.p.v. angst). 39 De aanname hierbij is dat angst een grote rol speelt in het begin van het radicaliseringsproces en naarmate het radicaliseringsproces voortschrijdt boosheid de overhand krijgt en dat daarmee de emotie meer extern gericht wordt. De beschrijving van Van den Bos van de attitude ten aanzien van radicaal en terroristisch gedrag laat zich het best samenvatten als: de mate waarin de jongere sympathie heeft voor geweldsgebruik en in zijn houding tot de andere groepen sporen van boosheid vertoont. 3.6 Belangrijke Uitkomsten van Van den Bos' Onderzoek Met het oog op onze studie is het interessant om de meest in het oog springende resultaten van het Van den Bos onderzoek kort te melden: Er bleek een sterkere samenhang tussen geweldslegitimatie en een lage legitimiteit van de Nederlandse autoriteiten. Ook tussen superioriteitsgevoelens en geweldslegitimatie werd een sterke correlatie gevonden. 40 Legitimering van het gebruik van geweld had geen of nauwelijks samenhang met het aanhangen van een specifiek politiek islamitisch gedachtegoed. Wij-zij gevoelens werden door Van den Bos gemeten in termen van contact met niet-moslims en ook daar werd geen verband gevonden met mogelijke gewelddadige 35 Bos, Loseman, Doosje 2009, Waarom jongeren radicaliseren en sympathie krijgen voor terrorisme: Onrechtvaardigheid, onzekerheid en bedreigde groepen, pp. 9, 20, 28, Slootman en Tillie 2006, pp. 27, Idem. 37 Isolatie hoeft niet altijd tot radicalisering te leiden. Men kan er ook voor kiezen zich geweldloos van de samenleving af te keren. 38 Van den Bos p Van den Bos, pp Van den Bos, pp

28 radicalisering. Betrokkenheid bij de Nederlandse samenleving blijkt ook geen verband met sympathie voor gewelddadig gedrag te hebben Theoretische Opzet Vizea Studie De studie van Vizea heeft dezelfde sociaalpsychologische benadering als Van den Bos en onderzoekt grotendeels dezelfde factoren, maar verschilt wezenlijk op een aantal punten. In dit gedeelte willen we uitleggen waar onze opzet verschilt met die van Van den Bos. De sociaalpsychologische factoren en attitude factoren worden gedeeltelijk overgenomen, maar de definitie van sommige factoren wordt aangepast en 'socialisatie' wordt als factor toegevoegd aan het model (Zie de grafiek radicalisingsmodel volgens Vizea onder) Genderperspectief en onzekerheid In tegenstelling tot Van den Bos' studie is ons onderzoek louter gericht op vrouwelijke moslims. Dat vergt een andere benadering. We willen dus specifiek kijken naar de sekse-identiteit en sekse-rollen van moslima's en welke rol deze gender gerelateerde identiteit speelt bij hun eventuele radicaliseringsproces. Wat dit genderperspectief betreft vroeg de sociaalpsycholoog Meertens zich al af of moslima s vanwege hun sekse-rol en sekse-identiteit (die in veel moslimculturen op veel punten verschilt van de dominante Nederlandse sekse-rollen en identiteiten voor vrouwen) meer onzekerheid ervaren dan mannen. 42 Aangenomen kan worden dat behoefte aan sociale verbanden en gemeenschap bij vrouwen, en dus ook bij moslima's, groter is dan bij mannen. Die behoefte speelt daarmee een versterkende rol bij de onzekerheid van moslima's en is een factor die aansluiting bij groepen die mogelijk radicaliseren zou kunnen bevorderen. Onzekerheid definiëren we hiermee als De mate waarin de moslima zich zeker voelt over haar plaats in de wereld, haar rol en identiteit 43 Deze vragen naar gender en onzekerheid leken te gecompliceerd om zoals bij de Van den Bos studie in een vragenlijst te vervatten, daarom worden de hierop betrokken vragen alleen in de interviews behandeld. Zie daarvoor hieronder Vragen naar gender, socialisatie en methode van interpretatie onder het hoofdstuk Interviews Socialisatie Naast sociaalpsychologische factoren die betrekking hebben op de gevoelens en percepties van de dames en de attitude factoren die daaruit voortvloeien, leek ons de vraag belangrijk wat de mogelijke diepere achtergronden zijn van de gevoeligheid voor die percepties. Pels en de Ruyter geven aan dat er een gebrek is aan onderzoek naar de invloed van opvoeding in familie en schoolomgeving in radicaliseringsonderzoek. 44 We vragen ons af of de gevoeligheid voor onrechtvaardigheid, onzekerheid en bedreiging (en bepaalde daarmee samenhangende houdingen) sociaalpedagogische grondoorzaken in hun opvoeding en het opgroeien hebben. Met andere woorden, zijn ervaringen in het leven van de moslima's tijdens hun opvoeding die mogelijk meespelen die we nog niet bekeken hebben? Ook liggen bepaalde vragen over opvoeding en persoonlijke ervaringen misschien te gevoelig om in een vragenlijst te stoppen. Denk aan fenomenen als misbruik, geweld en informatie over relaties. Ook wordt de vragenlijst dan te breed om te proberen alle mogelijke invloeden te 'vangen'. Daarom maken we ook gebruik van het narratief-biografisch 41 Er zijn uiteraard meer uitkomsten in de studie van Van den Bos, maar voor de opzet van de studie van Vizea zijn dit de belangrijke conclusies. 42 Onzekerheid is lastig te meten een te gevoelig onderwerp om te bespreken in een vragenlijst, daarom meten we deze factor op basis van resultaten van de interviews. 43 Dit is in feite de definitie van Van den Bos waarin het woord 'jongere' door 'moslima' is vervangen. 44 Pels, Trees en Doret J. de Ruyter The influence of education ans socialization on Radicalization: An exploration of theoretical presumptions and emperical research, 24 Nov. 2011, Springerlink.com. Zie ook Van San Idealen op Drift

29 interview model (zie onder). Tot nu toe werd aangenomen dat moslims die radicaliseren een relatief normale jeugd hadden gehad en dat er geen sprake was van psychische ziektes. De focus op opvoeding en opgroeien, geeft ons een mogelijkheid om te kijken of dat nu wel of juist geen rol speelt bij dames die mogelijk radicaliseren Definities De factor socialisatie gaat uit van het idee dat de opvoeding en specifieke socialisatie van een vrouw veel invloed heeft op de sociaalpsychologische factoren die hierboven bij van den Bos en hieronder in onze aanpak zijn aangegeven. Deze factor is exploratief en komt uit het veld van de sociaalpedagogiek (de studie van opvoeding en socialisatie). Socialisatie wordt gedefinieerd als: de manier waarop de persoon is gesocialiseerd. Er zijn twee soorten socialisatie: de primaire (familie) en secundaire socialisatie (vrienden, school, omgeving). Aangezien er nog geen specifieke indicatoren zijn gedefinieerd voor socialisatie en radicalisering binnen deze studie, worden deze op een andere manier onderzocht, namelijk door middel van interviews en niet in de vragenlijsten. Dit gender en socialisatieperspectief is nieuw en een aanpak die wezenlijk verschilt van andere studies (m.u.v. Idealen op drift ). Voor de rest volgt de aanpak de factoren van Van den Bos Vizea zeven factoren van Van den Bos aangepast In deze Vizea-studie onderzoeken we zeven factoren (indicatoren en kenmerken) van radicalisering bij een speciale doelgroep. Uit verschillende studies blijkt dat radicalisering vaak niet een lineair proces is en er niet altijd duidelijke indicatoren per fase of stap zijn te definiëren Grafiek Radicaliseringsproces volgens Vizea De setup van het Vizea-onderzoek kent deels dezelfde opzet als de opzet van Van den Bos. Naast de demografische factoren worden veelal dezelfde sociaalpsychologische factoren en attitude factoren gebruikt; zij het in een soms iets andere vorm, voortbouwend op nieuwe vragen en voortschrijdend inzicht. Schuingedrukt zijn de factoren aangegeven verschillen met de Van den Bos benadering hieronder aangegeven. 29

30 3.8 Visualisering radicaliseringsproces volgens Vizea: Demografische variabelen Sociaalpsychologische variabelen: Ervaren en waargenomen onrechtvaardigheid Onzekerheid en Gender identiteit (alleen d.m.v. interviews) Attitudes t.a.v: Ideologisch kader + Methode van interpretatie (alleen d.m.v interviews) Betrokkenheid bij de Nederlandse samenleving Legitimiteit van autoriteiten Boosheid (Legitimatie van) Gewelddadig gedrag Groeps en +individuele dreiging Superioriteitsgevoel Angst Isolerend niet gewelddadig gedrag Wij-zij denken (vervalt) Legitimering van geweld Sociaalpedagogische factor + Socialisatie (alleen d.m.v. interviews) De schuingedrukte tekst geeft een verandering/toevoeging aan, aan in vergelijking met het model van Van den Bos. Deze worden onder besproken. 3.9 Begripsbepaling voor deze studie Negen radicaliseringsfactoren worden onderzocht: onrechtvaardigheidsgevoel, onzekerheid (in interviews), bedreiging, ideologisch referentiekader (+methode van interpretatie, in interviews), betrokkenheid bij de Nederlandse samenleving, legitimiteit van autoriteiten, superioriteitsgevoel, legitimering van geweld en socialisatie (in interviews). Zeven van deze factoren zijn reguliere factoren die ook eerder algemeen onderzocht zijn. Twee factoren (socialisatie en methode van interpretatie) zijn nieuw of bewerkingen van eerdere factoren. De zeven andere factoren worden in de literatuur al besproken als mogelijke indicatoren van vatbaarheid voor radicalisering. 45 Hiermee bedoelen we dan de radicalisering van moslims in termen van islamitisch radicalisme en islamitisch extremisme, zoals in hoofdstuk 2 beschreven. Alle factoren zijn indicatoren van mogelijke radicalisering, maar de factor legitimering van geweld is een direct kenmerk (en dus niet slechts een 'indicator') van islamitisch extremisme, en daarmee de belangrijkste factor. Daarom zal bij de analyse deze factor meer nadruk krijgen dan de andere factoren. Een zeer duidelijke begripsbepaling is nodig voor helderheid van discussie en om recht te doen aan de reeds verkregen inzichten in de studie van radicalisering. Hier volgen de negen factoren, hun definities en hoe deze eventueel verschillen van de eerdere definities zoals bij Van den Bos gegeven. 45 Zie onder en 'geraadpleegde literatuur'. 30

31 3.10 Definities en theoretische aanpassingen op Van den Bos van de zeven factoren volgens Vizea 3.11 Sociaalpsychologische factoren Factor 1 ervaren en waargenomen (politieke en sociale) onrechtvaardigheid Deze factor staat ook wel bekend als deprivatie of groepsdeprivatie. Deze definitie van de factor komt overeen met die van Van den Bos. Definitie: De mate waarin het gevoel bestaat dat ofwel de persoon dan wel de moslimgemeenschap waarvan de persoon zich deel voelt, wordt achtergesteld Factor 2 bedreiging Deze definitie van de factor komt ook overeen met die van Van den Bos. Bij deze factor echter hebben we enkele vragen toegevoegd die gaan over de beleving van de persoonlijke veiligheid. Dit doen we omdat we veronderstellen dat deze persoonlijke en groeps-veiligheidsbeleving in elkaars verlengde liggen. We willen onderzoeken of er net zoals in het rapport 'De sociale staat van Nederland 2011' van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) sprake is van een met mij gaat het goed, maar met Nederland gaat het slecht tendens. 46 In dit geval zou het gaat om een ik voel me veilig, maar de moslims worden bedreigd -analyse. Definitie: De mate waarin moslima het gevoel heeft dat de groep waar zij lid van zijn (de moslims) bedreigd worden door andere groepen in de samenleving (bijvoorbeeld niet-moslims) Attitudes Factor 3 ideologisch referentiekader (+methode van interpretatie) In vergelijking met Van den Bos zijn er twee aanpassingen: de benoeming van de factor zelf en de toevoeging van de vraag naar de methode van interpretatie van het gedachtegoed: Definitie: de aanwezigheid van een ideologisch referentiekader Ideologisch referentiekader Bij Van den Bos heette deze factor Inhoudelijke aspecten van radicaal gedachtegoed. Wij definiëren het als ideologisch kader omdat dit duidelijker aangeeft dat er bij mogelijke radicalisering sprake moet zijn van een coherente ideologie. In Processen van radicalisering, (2006) noemen Slootman en Tillie, een orthodoxe geloofsinvulling (aangeduid als de religieuze dimensie) een aangrijpingspunt voor radicalisering. Bos, Loseman en Doosje (2009) 47 stellen op basis van Buijs (2002) 48 dat elke ideologie of elk ideologisch kader in beginsel gebruikt kan worden als voertuig voor radicalisering. Radicalisering vindt immers niet plaats in een ideologisch vacuüm, maar altijd op basis van een ideologie, een samenhangende filosofie over hoe de wereld eruit ziet of uit zou moeten zien. Meertens definieert ideologie als volgt: een geïntegreerd, coherent en intern consistent systeem van opvattingen en overtuigingen die de wereld en de plaats die mensen daarin innemen, kunnen verklaren. 49 In die ideologie kan dan geweld tegen anderen worden gelegitimeerd. De aanwezigheid van een dergelijk ideologisch kader is een noodzakelijke voorwaarde voor radicalisering, maar op zichzelf nog geen bewijs van radicalisering Bos, Loseman, Doosje 2002, p. 7, Buijs, Frank, Democratie en terreur: de uitdaging van het islamitisch extremisme, SWP, Amsterdam Roel Meertens 2007, p

32 Maar met deze definitie zijn we er nog niet. De afgelopen 10 jaar is in veel studies gekeken naar religiositeit, de mate van orthodoxie of het aanhangen van een specifiek politieke-islamitische stroming als indicator voor radicalisering. Dit blijkt echter een lastige manier om vast te stellen of een individu mogelijk vatbaar is voor islamitische radicalisering of islamitisch extremisme. Het overgrote deel van de onderzochte populaties die (streng) orthodox waren vertonen te weinig tekenen van extremisme of sympathie of bereidheid tot geweld. Zo vond ook Van den Bos dat er geen directe samenhang was tussen het aanhangen van politiekislamitisch gedachtegoed en bijvoorbeeld geweldslegitimatie. 50 Tegelijkertijd weten we wel dat islamitische extremisten natuurlijk hun gedrag baseren op een ideologisch kader. Vandaar dat we deze factor anders definiëren; niet specifiek als orthodoxie of politiek islamitisch gedachtegoed, maar allereerst als 'ideologisch kader'. Wel zullen we in de analyse een onderscheid maken tussen slechts de aanwezigheid van een ideologisch kader en de mate van orthodoxie. Deze meting is nog niet eerder bij deze groep moslima s gedaan en dus is het interessant om te kijken hoe deze moslima s hierop scoren. Maar omdat we verwachten dat ook hier te weinig duidelijke resultaten uit komen, willen we kijken naar een verwante vraag, namelijk niet alleen of de dame in kwestie een ideologisch kader aanhangt en bijvoorbeeld orthodox is, maar of de manier waarop ze tot haar interpretatie komt nieuwe inzichten oplevert Methode van Interpretatie Eerder onderzoek naar radicalisering geeft aan dat dus niet religiositeit of orthodoxie, of het losse feit van de beschikbaarheid van islamitisch extremistisch gedachtegoed alleen bepalend is voor radicalisering. Radicaal gedachtegoed is immers te ruim voor handen om niet mee in aanraking te komen en daarom is de vraag hoe een vrouw, gezien alle verschillende mogelijke interpretaties, tot juist die radicale uitleg komt. We weten bijvoorbeeld dat veel radicalisering en interpretatie plaatsvindt in kleine groepen 51 of via het internet (websites/chatrooms). 52 Hoe komen deze groep moslima s tot hun interpretatie en ook eventueel een islamitisch extremistische interpretatie? Deze vraag naar de 'methode van interpretatie' is nieuw en anders als bij Van den Bos. 53 Deze vraag naar methode van interpretatie stellen we in de interviews Factor 5 betrokkenheid bij de Nederlandse samenleving Inhoudelijk is er geen verschil met de definitie en beschrijving zoals bij Van den Bos. Definitie: De mate waarin de moslima zich verbonden voelt met de Nederlandse samenleving en andere Nederlanders Factor 6 legitimiteit van autoriteiten: Deze factor kent dezelfde definitie en onderbouwing als bij Van den Bos. Wel hebben we in deze studie, omdat deze in Amsterdam plaatsheeft, naast de legitimiteit van politici en de regering ook naar de legitimiteit van Amsterdamse politie en haar stadsbestuur gekeken. Definitie: De mate waarin de moslima de legitimiteit van de (Amsterdamse) politiek en politie erkent Factor 7 superioriteitsgevoel Ook hier verschillen de theoretische onderbouwing en definitie niet met die van Van den Bos. Definitie: de mate waarin de moslima vindt dat iedereen zo zou moeten denken zoals zij en ook de mate waarin ze haar groep of cultuur superieur acht ten opzichte van andere groepen en culturen. 50 Van den Bos, p Janny Groen en Annemieke Kranenberg, Strijdsters van Allah. Radicale moslima's en het Hofstadnetwerk', Amsterdam tegen Radicalisering, p. 20. en Radicalisering in het Hoger Onderwijs, p Marion San et al Idealen op Drift, pp.44-55, pp.85-87, Slootman en Tillie 2006, pp In de vragenlijst echter kunnen we slechts zeer beperkt methodes van interpretatie (vraag 90-92) meten en leggen de focus op mate van praktiseren en orthodoxie. De methode van interpretatie komt vooral bij de interviews ruim aan bod. 32

33 Factor 8 legitimering van geweld Deze factor komt grotendeels overeen met 'Attitude ten aanzien van radicaal en terroristisch gedrag' bij Van den Bos. In tegenstelling tot de andere factoren is deze factor niet slechts een indicatie van radicalisering maar een direct kenmerk van radicalisering. Definitie: De mate waarin de geïnterviewde vindt dat geweld gebruikt mag worden om de islam te verdedigen. Wel zijn er enige aanpassingen gemaakt op deze factor in vergelijking met Van den Bos: Van den Bos vraagt vooral naar sympathie voor gebruik van geweld door andere moslims en sympathie voor ordeverstoring, naast vragen over de houding t.a.v. moslimradicalisme, de moord op Theo van Gogh en de bedreiging van mensen die als anti-islam te boek staan. In onze vragenlijst maken we een extra onderscheid tussen verklaringsgedrag aan de ene kant ( Ik begrijp het gedrag maar in dit geval ben ik het er niet mee eens. ) 54 en sympathie voor gebruik van geweld ( Ik begrijp het gedrag en ik ben het er niet mee eens ) of de bereidheid om deel te nemen aan geweld aan de andere kant. 55 Dit onderscheid is erg belangrijk. Mensen die een verklaring proberen te vinden voor islamitisch extremisme wordt immers vaak sympathie voor het eens zijn met- geweldsgebruik verweten. Maar evenmin als een politierechercheur verweten wordt dat hij de motieven en achtergronden van een moordenaar probeert te doorgronden, zou dit het geval moeten zijn bij onderzoek naar islamitisch extremisme en -radicalisme. Onderzoekers naar de achtergronden van rechtsradicalisme wordt ook minder vaak dit verwijt gemaakt dan onderzoekers van islamitische radicalisering. Daarnaast worden in dit onderzoek extra vragen gesteld over begrip voor frustratie bij moslims, hun houding t.a.v. mensen als Geert Wilders en worden de vragen over geweldslegitimatie ook direct aan de persoon gesteld in deze vragenlijst; is zij zelf ook bereid tot ordeverstoring en geweld? Dit zijn vragen die verder bouwen op Van den Bos en mogelijk dieper inzicht geven in de (directe/indirecte) omstandigheden die bijdragen tot geweldslegitimatie Vraag 169 en 170 in de vragenlijst. Zie vragenlijst. 55 Vraag 165, 166 en 171. Zie vragenlijst. 56 Factor Wij-Zij denken vervalt in onze studie. Van den Bos meet deze factor d.m.v. twee vragen, maar in dit exploratieve onderzoek beperken wij ons tot de factoren superioriteitsgevoel en betrokkenheid bij de Nederlandse samenleving die deze factor gedeeltelijk dekken. 33

34 5. EXPLORATIEVE METHODE In dit hoofdstuk worden de exploratieve aard van het onderzoek toegelicht, als ook de verschillende fases van het onderzoek en de methodes die in elke fase gebruikt worden. 5.1 Aard van het onderzoek Dit onderzoek is exploratief van aard. De bedoeling is om de kenmerken en oorzaken van radicalisering bij vrouwen, evenals de positieve en negatieve invloeden van buitenaf beter in kaart te brengen; doelstellingen 3, 4 en 5 van het onderzoek (zie de inleiding). Daarnaast resteren de doelstelling van omvangbepaling (het maken van een schatting van hoeveel vrouwen er zijn met een hoog radicaliseringspotentieel, doelstelling 1 van het onderzoek) en de doelstelling van interventie (doelstelling 5). We kunnen niet in de hoofden kijken van een groep geradicaliseerde vrouwen die al geweld heeft gebruikt om te zien hoe zij geradicaliseerd zijn. Ook is er weinig specifiek onderzoek naar de rol, positie en het gedrag van geradicaliseerde moslima's gedaan in Nederland en daarbuiten. Bestaand onderzoek gaat vaak over radicalisering onder moslims, ongeacht geslacht. Het behandelt vrouwen vaak niet als een groep met mogelijk aparte eigenschappen wat radicalisering betreft. Dit onderzoek is daarmee vernieuwend en exploratief en de eerste keer dat de gemeente Amsterdam zo specifiek onderzoek laat doen naar vrouwen en radicalisering. Om de beperkte tijd en middelen zo efficiënt mogelijk in te zetten is ervoor gekozen om op basis van de eerdere vragenlijsten van Van den Bos (2009) en op basis van de studie Salafisme in Nederland van Roux et al (2010) een vragenlijst samen te stellen. Deze vragenlijst is op basis van eigen inzicht en expertise aangepast en aangevuld met additionele vragen die in de uiteindelijke vragenlijst verwerkt zijn Fase 1: Vragenlijsten Op basis van theorie over radicalisering, die voornamelijk uit de sociale psychologie komt, zoeken we op 7 factoren van radicalisering in de vragenlijsten. Daarvoor hebben we sterk gebruik gemaakt van eerdere enquêtes en vragen waaronder die vervat in van Bos, Loseman, Doosje Waarom jongeren radicaliseren en sympathie krijgen voor terrorisme: Onrechtvaardigheid, onzekerheid en bedreigde groepen (2009) en Roex, Stiphout, Tillie Salafisme in Nederland: Aard, omvang en dreiging Er is een vragenlijst van met 181 vragen opgesteld. Die vragenlijst is inmiddels door twee veldwerkers bij meer dan 150 moslima's afgenomen. De steekproef is groot genoeg is voor de bevolking van de Amsterdamse moslima s bevolking in dit leeftijdssegment. Er is geprobeerd bij uit de verschillende etnische moslimgroepen respondenten te vinden en ook dat is gelukt. Die vragenlijst bevat voornamelijk vragen die bipolair van karakter zijn. De respondente kan het in meer of mindere mate eens zijn met een bepaalde stelling ('helemaal oneens' tot 'helemaal eens') en er zijn open vragen bij. 57 Zie bijlage 4a Vragenlijst en 4b 'Herkomst alle vragen' 34

35 5.3 Fase 2: Interviews Selectie voor interviews Op basis van de verwerking van deze vragenlijsten, en een bepaling van de vrouwen die een hoog radicaliseringspotentieel hebben, zal een selectie van vrouwen gemaakt worden voor een interview. Ook wordt in overleg met de veldwerkers op basis van dit theoretisch model een selectie van vrouwen gemaakt worden. In totaal zullen dat er 12 zijn. Daarbij wordt allereerst gekeken naar factor 7, legitimering van geweld. Is er sprake van een hoge mate van legitimering van geweld dan is dat niet slechts een indicatie, maar een kenmerk van radicalisering, het betreden van mogelijk de hoogste twee trappen van het fase model van Mogghadam en toetreding tot het derde ontwikkelingsstadium van radicalisering, namelijk de legitimiteitscrisis. Geweldslegitimering is dus de zwaarstwegende factor en voldoende reden tot selectie voor een interview. Daarnaast weten we op basis van o.a. het onderzoek van Van den Bos dat lage legitimiteit van Nederlandse autoriteiten en de aanwezigheid van superioriteitsgevoelens sterke indicatoren kunnen zijn voor radicalisering. Dus is daar bij de selectie van kandidates voor de interviews ook rekening mee gehouden. Een hoge score op deze factoren vergroot de kans op uitnodiging voor een interview Narratief biografisch interviewmodel In fase twee zullen de geselecteerde dames worden geïnterviewd met gebruikmaking van een narratief biografisch interviewmodel. Deze methode, ontwikkeld door de socioloog Schütze, vraagt de respondente om zelf het verhaal van haar leven te vertellen. Het voordeel hiervan is dat er volgens Schütze door de spontaniteit van het verhaal zogenaamde 'Zugzwänge' (letterlijk de dwang om een 'zet' te maken, denk aan het schaken) tot het verdichten en tot het detailleren. Vooral door deze Zugzwänge raken mensen verstrikt in hun verhaal en verliezen daarbij de controle over hun verhaal. De verteller wordt meegesleept door zijn eigen verhaal en produceert op die manier meer en andere informatie, een vollediger beeld over zich zelf dan hij of zij van plan was. Deze methode leidt daarmee vaker tot een eerlijker en duidelijker beeld van het leven van de respondente, dan reguliere vraag- en antwoord methodes Vragen naar gender, socialisatie en methode van interpretatie Na het afsluiten van deze fase van het interview is er aan het einde van het interview is er alsnog ruimte om specifieke vragen te stellen die niet in de vragenlijst gesteld zijn of niet gesteld konden worden: socialisatie en methode van interpretatie, respectievelijk factor 3 en 8 zoals boven in het radicaliseringsproces volgens deze Vizea- studie aangegeven. Er wordt een aparte vragenlijst opgesteld voor dit onderdeel van het interview. Onderstaande vragen zullen vervat worden in die vragenlijst: 1. Socialisatieproces: 59 de sociale context van de respondenten: de leefsferen waarin de respondenten zich bevinden/bevonden. De ervaringen die ze in de verschillende leefsferen hebben opgedaan (bv discriminatie) en de democratische of de autoritaire 58 Zie bijlage 5 Narratief-biografisch interviewprotocol voor meer uitleg. 59 Socialisatie is het proces waarbij iemand, bewust en onbewust, de waarden, normen en andere cultuurkenmerken van zijn groep krijgt aangeleerd. De familie doet de zogeheten primaire socialisatie. De invloed van andere delen van de omgeving, zoals vrienden en school vormen de secundaire socialisatie. 35

36 opvoedingsstijl in de thuissituatie. Wat is de gezins-/thuissituatie? 2. Morele aspect/superioriteitsgevoel: wanneer treedt wij/zij denken op, wanneer treedt het gevoel van superioriteitsgevoel op? 3. Zoektocht: hoe ziet de zingevingszoektocht van de respondente eruit? Welke kansen en belemmeringen hebben ze ervaren? Wat zouden ze als tip meegeven? 4. methode van interpretatie: welke bronnen heeft de respondente tot haar beschikking en hoe interpreteert zij deze bronnen? Wat doet zij met de context bij de interpretatie van de bronnen. Welke weging geven zij aan de informatie die ze krijgen? Is er sprake van opvoeding tot interpretatie? 60 Hoeveel groepsdruk, 'peer pressure' is er in de groep(en) waarvan de moslima deel uitmaakt? 5. Gender aspect: kan er iets gezegd worden over haar gender rol en identiteit in haar (belevings-)wereld? 60 Ouders en imams hebben ook niet altijd de juiste informatie voor handen (qua interpretatie) en mede daarom is het Internet als bron zo populair. Wat is de rol van peer pressure, het groepsproces? 36

37 6.MATERIAAL EN DOELGROEP In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de vraag naar de toegang tot de doelgroep, de berekening van de omvang van het aantal potentieel radicaliserende moslima's, de toegang tot de doelgroep, het fenomeen van het sociaal wenselijk antwoorden en hoe geprobeerd wordt dit tegen te gaan. 6.1 Toegang tot respondenten Elk onderzoek werkt met 'materiaal', de informatie waar we als onderzoekers toegang toe hebben. Bij dit onderzoek ligt er een grote uitdaging omdat de informatie over radicalisering en over de rol van vrouwen daarin niet voor het oprapen ligt en voor ons veelal onzichtbaar is: gedrag van veel moslimvrouwen en zeker mogelijk radicaliserende moslimvrouwen in het bijzonder, vindt achter de voordeur plaats. Zonder toegang tot deze vrouwen en relevante netwerken kun je niets zinnigs zeggen over het radicaliseringspotentieel van moslima's in Amsterdam. Wat dit onderzoek extra interessant en relevant maakt is de toegang die Vizea heeft tot sterk geïsoleerde moslima's. Een onderzoek naar niet- geïsoleerde moslima's is minder interessant omdat de meeste indicatoren dan automatisch wijzen op niet-radicalisering, niet-isolatie of minder kwetsbaarheid. Vizea heeft deze vrouwen kunnen bereiken en bevragen door hun ervaring, netwerk en daarbij behorende toegang tot lezingen van conservatieve prekers en verschillende gesloten fora voor vrouwen (thuis, in de moskee, in praatgroepen, tijdens islamitische feesten). Dat betekent dat Vizea hiermee een 'biased steekproef' (selecte steekproef) doet in de positieve zin, dieper de doelgroep in van mogelijk kwetsbare, geïsoleerde en mogelijk radicaliserende vrouwen. De werkwijze die de veldwerkers gebruikt hebben om de dames te bereiken is bijgesloten in bijlage 1 'Werkwijze van Veldwerkers'. De locaties die bezocht zijn voor het onderzoek staan in bijlage 2 'Religieuze kaart van Amsterdam.' 6.2 Doelstelling 1: omvang Het bepalen van de omvang van het potentieel van mogelijk radicaliserende moslima's (doelstelling 1 van het onderzoek) is geen eenvoudige opgave. Een algemene schatting op basis van de gegevens van de Veiligheids en Diversiteits Monitor 2010 van de Dienst Onderzoek en Statistiek 61 levert op dat er in de leeftijdscategorie (waar het radicaliseringspotentieel uit onderzoek blijkt veruit het grootste te zijn) in Amsterdam maximaal moslima's zijn. Bij een steekproefmarge van 7 procent, betrouwbaarheidspercentage van 90%, een populatie van is een steekproef van 138 personen voldoende. 62 Met 155 ingevulde vragenlijsten verkregen uit moeilijk bereikbare en mogelijk kwetsbare plekken is daarmee aan deze voorwaarde voldaan voor dit exploratieve onderzoek.63 Belangrijk is dat deze marges gelden voor een aselecte steekproef. Vizea heeft haar best gedaan om zeer geïsoleerde moslima's te bevragen en doet daarmee een selectieve steekproef. Zestig van de 155 dames komen gezien de aangegeven radicaliseringsfactoren uit deze meest interessante/geïsoleerde groep en de hypothese is dat het radicaliseringspotentieel bij deze groep van 155 samengenomen hoger uitvalt dan bij de gehele populatie van moslima's. Hiermee zal rekening worden gehouden bij de uiteindelijke berekening van de omvang. Omdat de studie niet gebaseerd is op een aselecte steekproef is 61 Dienst Onderzoek en statistiek: Veiligheids en Diversiteits Monitor, Steekproefcalculator (www.allesovermarktonderzoek.nl) 63 Om het betrouwbaarheidspercentage naar 95% en steekproefmarge naar 5% te tillen zouden 377 ingevulde enquêtes moeten worden verzameld en het is onwaarschijnlijk dat het mogelijk is zoveel geïsoleerde dames makkelijk te vinden. 37

38 voorzichtigheid geboden voor interpretatie naar de hele groep moslima s. 6.3 Sociaal wenselijke antwoorden en selectie van respondenten Een probleem bij elk onderzoek, en zeker bij een moeilijk onderzoek als dit, is dat geïnterviewden niet het achterste van hun tong laten zien of sociaal wenselijke antwoorden geven. Sociaal wenselijk is in dit geval vooral het onderschrijven van het statelijk geweldsmonopolie. Er zijn indicaties dat het onderzoek hier en daar de irritatie- grenzen bij de geïnterviewden al opzoekt in door haar diepgravendheid. Zo zijn er al verschillende vrouwen die weigerden de complete vragenlijst in te vullen of überhaupt weigerden om de lijst in te vullen. Een moslima die leest dat haar gevraagd wordt of ze niet-statelijk geweld (geweld door niet statelijke actoren) legitimeert zal immers (als ze er even over nadenkt) inzien dat dit geen vrijblijvende vraag is. Tegelijkertijd kunnen sommige moslima's juist vanuit een gevoel van belijdenis en uitdragen van het geloof (Dawa) heel open zijn over deze houding ten aanzien van geweld om de islam of de eigen groep te verdedigen. 64 In ons onderzoek willen we de kans op sociaal wenselijk antwoorden zoveel mogelijk tegengaan. Daarom zijn factoren die mogelijkerwijs indirect tot geweld kunnen leiden ook opgenomen in de vragenlijst. Daarnaast is het belangrijk dat de vrouwen zich veilig voelen om te zeggen wat ze echt vinden. De keuze van veldwerkers (met een voorheen radicale of nog steeds conservatieve of belijdende achtergrond), de reputatie van Vizea, de anonimiteit (alleen de veldwerkers kennen de geïnterviewden) en de vrijheid om veel te schrijven (open vragen), alsmede de inclusie van onderwerpen waarover moslims in het algemeen en mogelijk radicaliserende moslims in het bijzonder zich druk maken (o.a. het Nederlandse buitenlandbeleid en discriminatie) moeten dit risico verkleinen. Ook de narratief-biografische interview methode in de interviews is gekozen zodat de vrouwen zo eerlijk mogelijk kunnen spreken en om sociaal wenselijke antwoorden te vermijden. Maar dan nog is sociaal wenselijk gedrag niet uit te sluiten. 64 Groen en Kranenberg 2006, 'Strijdsters van Allah', nawoord. 38

39 7. RESULTATEN VRAGENLIJST 7.1 Vragenlijst analyse met SPSS In de vragenlijst analyse kijken we allereerst naar de algemene demografische kenmerken van de geïnterviewde dames, daarna wat de gemiddelden van alle zeven gemeten factoren zeggen over de groep in zijn geheel. Dan kijken we factor per factor naar het verband tussen de verschillende sociaalpsychologischeen attitude factoren en tenslotte kijken we naar het eventuele verband van de verschillende factoren specifiek met de houding ten aanzien van gebruik van geweld. Daarbij kijken we ook wat de overeenkomst of het verschil is met de uitkomsten ten aanzien van geweldslegitimatie in de studie van Van den Bos (die primair op mannen was gericht). Zo kunnen we de mogelijke verschillen tussen moslimvrouwen en moslimmannen in het radicaliseringsproces, inzichtelijk maken. De getallen tussen haakjes verwijzen naar het nummer van de vraag in de vragenlijst en voor de berekening van de vragenlijst verwijzen we naar bijlage 3 'Gebruikte vragen en Correlaties'. 7.2 Algemene demografische kenmerken Leeftijdsverdeling: er is een goede verdeling van de leeftijdscategorieën bereikt. 85,8 procent van de dames zijn tussen de 16 en 26 jaar zoals blijkt uit onderstaand histogram. Radicalisering treedt voornamelijk op bij mensen van onder de 30. De leeftijd staat op de horizontale as en het aantal dames op de verticale as: Verdeling van respondenten over de stad Er is een goede spreiding van respondentes over de stad Amsterdam. Deze komt goed overeen met de concentratie van moslims in de betreffende stadsdelen, zo is er bijvoorbeeld een hogere concentratie van moslims in Nieuw- West en Oost en dus ook in de steekproef. 39

40 7.2.2 Huwelijkse staat 81,1 procent is ongehuwd, 16,2 procent is getrouwd en 2,6 procent is gescheiden Thuis/Uitwonend 30,3 procent woont op zichzelf, 69,7 procent woont bij de ouders Opleiding 73,5 procent volgt een opleiding, 26,5 procent volgt geen opleiding. 36,1 procent volgt een HBO opleiding, 23,2 procent het MBO, VWO 3,2 procent het VWO en 10,3 procent doet volgt een WO-studie. 68,8 procent heeft al een opleiding afgerond, 31,2 procent nog niet Werk 34,4 procent heeft een bijbaan, 24,7 procent heeft een part time baan, 12,3 procent heeft een fulltime baan. 23,4 procent heeft geen baan en 5,2 procent heeft een uitkering Etnische verdeling 72,9% procent van de dames heeft een Marokkaanse achtergrond, 12,3% procent heeft een Turkse achtergrond, 5,8 procent is allochtoon en 9% procent valt in de categorie overig. Dat de verdeling hier scheef loopt is begrijpelijk omdat beide veldwerkers van Marokkaanse afkomst zijn en er vanuit hun netwerk vooral Nederlands-Marokkaanse dames bereikt zijn. Aantal Percentage Valid 1 Autochtoon 9 5,8 2 Turks 19 12,3 3 Marokkaans ,9 4 Overig 14 9,0 Total , Gemiddelden van alle factoren op een rijtje In deze studie meten we via de vragenlijst zeven factoren. Deze factoren zijn bipolair. Dat wil zeggen dat de scores of boven of onder een omslagpunt zitten. Omdat de respondentes konden antwoorden met een score tussen de 1 en 5 ligt het gemiddelde altijd op 3. Dat gemiddelde staat meestal voor niet oneens/niet eens. Moslima's konden typisch een van de volgende antwoorden aankruisen: 40

41 helemaal oneens oneens niet oneens/eens mee eens helemaal eens Als we de scores van de moslima s van de verschillende factoren op een rijtje zetten krijgen we de volgende gemiddelde resultaten: Onrechtvaardigheid: 2,96 Onrechtvaardigheid van de groep (moslims in het algemeen): 3,48 Dreiging: 3,56 Ideologisch referentiekader 3,84 Betrokkenheid bij de Nederlandse: 3,06 Legitimiteit van de autoriteiten: 2,48 Superioriteitsgevoel: 3,70 Geweldslegitimatie direct: 1,90 Geweldslegitimatie indirect: 3,58 Als we naar de grafiek kijken kunnen we het volgende als gemiddelde voorlopig concluderen: Gemiddeld is het onrechtvaardigheidsgevoel vrij dicht bij de 3. Dat wil zeggen dat gemiddeld de gehele groep zich en haar groep noch onrechtvaardig noch rechtvaardig behandeld voelt, met een score van 2,96. Dat verandert echter als we het gemiddelde van gevoelde groepsonrechtvaardigheid zien, hoe de moslima's voelen dat de groep moslims behandeld worden, die is 3,48. Ook voelt de groep zich gemiddeld behoorlijk bedreigd met een score van 3,56. Ook is de groep sterk praktiserend (er is sprak van een sterk ideologisch kader) met een score van 3,48 uit vijf. Er is net wat meer respect dan disrespect voor de autoriteiten met een score van 2,84. Bij de groep is sprake van een algemeen redelijk groot superioriteitsgevoel met een score van 3,7. Het 41

42 gebruik van geweld wordt gemiddeld afgekeurd in deze groep met een score van 1,90 voor legitimiteit van geweld. Bij het begrijpen of verklaren van geweld is echter sprake een gemiddelde indirecte geweldslegitimatie en -verklaring van 3, Om meer te kunnen zeggen over de groep en groepen binnen en haar score is het belangrijk ze één voor één te behandelen De Sociaalpsychologische Factoren: Onrechtvaardigheid, Bedreiging Factor 1: Onrechtvaardigheid Het meten van het gevoel van onrechtvaardigheid bij de moslima's gebeurde aan de hand van 18 stellingen over gepercipieerde individuele en collectieve achterstelling. Voorbeelden hiervan zijn Ik word boos als ik denk aan hoe ik word behandeld vergeleken met anderen. (vraag 37), 67 Ik heb het gevoel dat ik gediscrimineerd word (40), Ik word wegens mijn geloof gediscrimineerd (41), Ik word boos als ik denk aan hoe moslims worden behandeld vergeleken met andere groepen in Nederland (44) en In Nederland worden moslims gediscrimineerd (47). 68 Gemiddelde: Alle stellingen zijn samengenomen tot één gemiddelde score komen we tot een onrechtvaardigheidsgevoelscore van 2,96. Het gemiddelde onrechtsvaardigheidsgevoel ligt dus dicht bij het neutrale punt van 3.0. Maar daar moeten we nader naar kijken om een duidelijker beeld te krijgen. Als we alleen de vragen nemen die betrekking hebben op de individuele achterstelling (vraag 36-42) zoals Ik word normaal gesproken met respect behandeld (36) en Ik heb het gevoel dat ik gediscrimineerd word (40), komt de score op 2,35,. Gemiddeld vindt de moslima in deze groep dus dat ze zelf niet onrechtvaardig behandeld wordt. De percepties van de moslima van de achterstelling van de groep waar ze bij hoort is echter anders. Het gevoel van collectieve onrechtvaardigheid ten aanzien van moslims is 3,48. Gemiddeld voelt deze groep dat de moslims sterk worden gediscrimineerd. Het doet in eerste instantie denken aan de kreet over veel rapporten van het Sociaal en Cultureel Planbureau over de vraag aan de Nederlander over hoe het gaat met het land: Met mij gaat het goed maar met de samenleving niet. Voorbeelden: Hieronder is bijvoorbeeld te zien dat 18,1 procent van de dames boos is over de manier waarop ze zelf worden behandeld (staaf 4 en 5 hieronder): 65 Indirecte geweldslegitimatie heeft echter geen direct verband met directe geweldslegitimatie/bereidheid om gewelddadig gedrag te vertonen, zullen we zien bij de conclusies van de vragenlijst. Voor de scores zie ook bijlage 3 Gebruikte Vragen en Correlaties. 66 Zie bijlage 4 Gebruikte Vragen en Correlaties. 67 Het getal tussen haakjes is het vraagnummer in dit hoofdstuk. 68 Voor de gebruikte vragen zie bijlage 3: Gebruikte vragen en Correlaties 42

43 Vraag 37: Ik word er boos over als ik denk aan hoe ik word behandeld vergeleken met anderen. Nog interessanter wordt het als gekeken naar hoe de dames naar de gehele populatie van moslims kijken. Daar is de uitslag maar liefst 72,5 procent. Driekwart van de dames is dus boos over de behandeling van moslims in Nederland (staaf 4 en 5 hieronder). Vraag 44: Ik word er boos over als ik denk aan hoe moslims worden behandeld vergeleken met andere groepen in Nederland. Ook bij de vraag naar discriminatie van moslims bevestigd 61,5 procent van de moslima s dit (staaf 4 en 5): Vraag 47: In Nederland worden moslims gediscrimineerd De factor onrechtvaardigheidsgevoel blijkt samen te hangen met verschillende andere factoren. De volgende conclusies kunnen getrokken worden: Sociaal psychologische factor Moslima's voelen zich onrechtvaardiger behandeld naarmate ze meer dreiging ervaren. 69 Dat is niet verbazingwekkend omdat deze factoren in elkaars verlengde liggen. Een moslima die zich bedreigd voelt zal zich daarmee ook onrechtvaardig behandeld voelen. Attitudefactoren Moslima's hebben een sterker ideologisch referentiekader naarmate zij een sterker onrechtvaardigheidsgevoel hebben. 70 Een keuze voor religie is logisch als compensatie voor dat onrechtvaardigheidsgevoel. Religies hebben immers een verhaal over recht en rechtvaardigheid en bieden typisch troost bij onrechtvaardigheid. Moslima's hebben een lagere betrokkenheid bij de samenleving naarmate zij meer 69 Sterke correlatie,56 bij een significantie van, Redelijke correlatie,31 bij een significantie van,002. Dit verband is logischer dan andersom. 43

44 onrechtvaardigheidsgevoel hebben. 71 Moslima s vertonen geen lagere legitimiteit voor autoriteiten of meer superioriteitsgevoel naarmate zij meer onrechtvaardigheidsgevoel ervaren. Gebruik van geweld De bereidheid van moslima s om gewelddadig gedrag te vertonen blijkt niet direct samen te hangen met onrechtvaardigheidsgevoel. Onrechtvaardigheidsgevoel is zeer breed aanwezig maar varieert dus teveel in de antwoorden (dames met en zonder groot onrechtvaardigheidsgevoel kunnen hoog scoren op geweldslegitimatie). Dat lijkt aan te geven dat onrechtvaardigheidsgevoel geen prime, onderscheidende of bepalende drive is in geweldslegimatie. De moslima's die hoog scoren op geweldslegitimatie kunnen wel hoog op onrechtvaardigheidsgevoel scoren, maar dat doen veel andere dames ook. De factor is immers te breed aanwezig in de doelgroep. Dat betekent niet dat deze factor niet van belang is. Daarnaast liggen er, zoals we later zullen zien in dit hoofdstuk, indirecte verbanden met andere factoren die kunnen bijdragen tot geweldslegitimatie. Moslima's zijn eerder in staat geweld te kunnen verklaren naarmate zij meer onrechtvaardigheid ervaren. 72 Dat is logisch omdat het gebruik van geweld een verklaring of excuus nodig heeft. Hoe groter het onrechtvaardigheidsgevoel hoe groter de kans het kunnen verklaren van geweld, overigens zonder noodzakelijkerwijs het radicaal islamitisch geweld goed te keuren. Dit is belangrijk om te noteren omdat het idee dat het kunnen verklaren van geweld automatisch leidt tot geweldslegitimatie of gewelddadig gedrag uit deze studie niet blijkt (Zie factor 7: Geweldslegitimatie onder) Factor 2: Bedreiging Het meten van het dreigingsgevoel gebeurt op basis van 17 vragen. Voorbeelden hiervan zijn De Islam wordt bedreigd in Nederland (63), De Wetten in Nederland zijn eerlijk voor zowel moslims als nietmoslims (53) of gaan over de vrijheid van godsdienst (54,56), bejegening van moslims in de media (56). Daarnaast worden er dus ook vragen gesteld over de perceptie van persoonlijke veiligheid (68,69). Gemiddelde: De gemiddelde perceptie van dreiging is 3,56 voor de gehele groep en ligt flink boven de 3. Er is dus een grote perceptie van dreiging bij de groep als gemiddelde. Gemiddeld genomen voelen de dames zich persoonlijk overigens wel veilig (de persoonlijke dreiging berekend op basis van vraag 68 en 69 is 2,48, dus flink onder 3), maar er is zoals hieronder zal blijken, een kleinere groep die zich wel onveilig voelt. Voorbeelden: Maar liefst 60,5 procent van de moslima s vindt dat Islam in Nederland bedreigd wordt (staaf 4 en 5). Slechts 11,6 procent vindt dat de Islam niet bedreigd wordt (staaf 1 en 2). 71 Redelijke correlatie,37 bij een significantie van, Redelijke correlatie,30 bij een significantie van,

45 Vraag 63: De Islam wordt bedreigd in Nederland Over de eigen veiligheid in Amsterdam (vraag 68) zeggen de dames het volgende. 14,5 procent van de ondervraagde moslima s (staaf 4 en 5) voelt zich onveilig en 78,8 procent voelt zich (zeer) veilig. Vraag 68: Ik voel me als moslima veilig in Amsterdam Wat de veiligheid op straat betreft durft 50,3 procent 's avonds over straat te lopen en 28,6 procent niet: Vraag 69: Ik voel me wel veilig genoeg om 's avonds laat op straat te lopen. De factor dreiging blijkt samen te hangen met verschillende andere factoren. De onderstaande conclusies kunnen getrokken worden. Sociaalpsychologische factor Moslima's voelen zich meer bedreigd naarmate ze meer onrechtvaardigheid ervaren Sterke correlatie,56 bij een significantie van,

46 Attitude Factoren Moslima's ervaren meer dreiging naarmate zij een sterker ideologisch referentiekader hebben. 74 Moslima's ervaren meer dreiging als zij een lagere betrokkenheid bij de samenleving hebben. Er is geen verband tussen ervaren dreiging en lage legitimiteit van de autoriteiten. Moslima's hebben een grotere dreigingsperceptie naar mate zij een hoger superioriteitsgevoel hebben. Gebruik van geweld De bereidheid van moslima's om gewelddadig gedrag te vertonen blijkt niet (direct) samen te hangen met geweldslegitimatie. Een grotere dreiging leidt er dus niet automatisch toe dat zij gewelddadig worden. Daarvoor is de factor te breed in de doelgroep aanwezig. Dat betekent zoals ook bij onrechtvaardigheidsgevoel dat deze factor wel een indirecte rol kan spelen via andere factoren maar dat het geen onderscheidende, bepalende factor is. Blijkbaar zijn er andere factoren in het spel. Naarmate moslima's meer dreiging ervaren zijn ze meer in staat om gewelddadig gedrag te verklaren (zonder het noodzakelijkerwijs goed te keuren). 7.4 Attitude Factoren Factor 3: Ideologisch Referentiekader en Methode van Interpretatie Bij de berekening van aanwezigheid van ideologisch kader zijn 13 vragen geselecteerd die niet alleen op de aanwezigheid van een ideologisch kader, maar ook vragen die wijzen op orthodoxie. De methode en omstandigheden van interpretatie die ons relevanter voor problematisch gedachtegoed lijken dan louter de aanwezigheid van een ideologisch kader - onderzoeken we later in de interviews. In de vragenlijst richten we op ons aanwezigheid van een ideologisch kader en orthodoxie. De vragen die meegenomen zijn in de overweging zijn: Beschouw je jezelf als een salafiste? (vraag 15). Beschouw je jezelf als een praktiserende moslima (16), Bid je (17). Houd je je veel bezig met het geloof?(21); Draag je een hoofddoek? (25), Hoe belangrijk is het dragen van een hoofddoek voor een moslima? (26) Hoe denk je over gemengde evementen (bv een bruiloft)? (28). Ga je zelf wel eens naar gemengde evenementen? (31), Het is voor mij belangrijk om moslim te zijn. (93). Ik en er trots op om moslim te zijn. (94), Er moeten meer islamitische scholen in Nederland komen. (98). Er moeten meer Islamitische leraren komen in Nederland. (102) en Moslims moeten terugkeren naar de oorspronkelijke islam.(116) 75 Gemiddelde: De gemiddelde score van ideologisch referentiekader voor de gehele groep is 3,84. Dat betekent dat er sprake is van een sterke aanwezigheid van een ideologisch referentiekader gemiddeld bij de gehele groep zoals met deze vragen gemeten. Dat is niet verbazingwekkend omdat geprobeerd is vrome, 74 Redelijk correlatie, 33 bij een significantie van, Er zijn in totaal 31 vragen over de aanwezigheid van een ideologisch kader gesteld. De reden waarom slecht een beperkt aantal vragen zijn meegenomen is dat de variatie in antwoorden te groot was als we directe en indirect vragen over dit onderwerp meenamen. De onderlinge samenhang (m.a.w. 'wordt hier hetzelfde fenomeen gemeten') van de vragen (in statistische termen 'Cronbach's alfa') kwam te laag uit. Eerder onderzoek naar vormen van religiebeleving, mate van praktiseren en geweldslegitimatie kon ook al geen goed verband vinden tussen de verschillende vormen van deze factor en radicalisering. Toekomstig onderzoek zou verdere distincties binnen de factor van ideologisch referentiekader kunnen aanbrengen en testen, maar vooralsnog lijkt dat geen vruchtbare onderzoeksweg. Als voorbeeld hebben we in deze studie het voorbeeld het wel of niet zijn van salafiste een als conservatief bekend staande vorm van islam - opgenomen en ook daar kunnen we geen verband vinden. 46

47 geïsoleerde moslima's te vinden op plekken waarbij de kans daarop groter is deze tegen te komen. 76 Voorbeelden: 84,5 procent van de dames beschouwt zichzelf als praktiserende moslima (vraag 16), 11,6 procent niet (met 3,9 procent die geen antwoord gaf). 94,8 Procent van de dames bidt, 4,5 procent niet (0.6% procent gaf geen antwoord). 91,6 Procent houdt zich veel bezig met het geloof (21), 5,8 procent niet (non respons, 2,6% procent). 73,5 Procent draagt een hoofddoek (25), 23,2 procent niet (non-respons 3,2% procent). 39 Procent gaat niet naar gemengde evenementen. (31). Voor 97,3 Procent is het belangrijk om moslim te zijn. (93) 98 Procent is daar trots op. (94). 66,5 Procent vindt dat er meer islamitische leraren moeten komen, 25,2 procent is noch voor noch tegen. 71,5 Procent vindt dat moslims moeten terugkeren naar de oorspronkelijke islam (116). 16,8 procent (26 op 155) van de ondervraagden noemt zichzelf salafiste. Percentage salafisten: Een opmerking vooraf bij bespreking van de correlaties van factoren met ideologische referentiekader: religieuze beleving en praktiseren is er in veel vormen. Om een statistisch samenhangende serie vragen te krijgen is besloten om slechts 13 van de 31 vragen die gaan over de aanwezigheid van een ideologisch referentiekader (die veel over praktiseren en enigszins over orthodoxie) mee te nemen in de overweging. Dat betekent dat de verbanden die zijn aangetoond slechts op basis zijn van bovengenoemde vragen en de verbanden die genoemd zijn in de realiteit van verscheidenheid van praktiserendheid (beschreven in de andere stellingen) waarschijnlijk nog zwakker zijn. Met inachtneming van deze opmerking kan het volgende geconcludeerd worden: Sociaalpsychologische factor Moslima's hebben een sterker ideologisch referentiekader naarmate ze meer onrechtvaardigheid ervaren. Moslima's hebben een sterker ideologisch referentiekader naarmate ze meer dreiging ervaren. Attitudefactoren Moslima's hebben een iets sterker ideologisch referentiekader naarmate zij een lage betrokkenheid bij de samenleving hebben. Het hebben van minder respect voor autoriteiten houdt geen verband met een sterker ideologisch referentiekader en andersom. Moslima's hebben een sterker ideologisch referentiekader naarmate zij meer superioriteitsgevoel hebben. 76 Zie bijlage 2 Werkwijze van Veldwerkers en bijlage 3 Religieuze Kaart. 47

48 Gebruik van geweld De bereidheid van moslima's om gewelddadig gedrag te vertonen en te legitimeren hang niet samen met ideologisch referentiekader. Met andere woorden, wanneer moslima's een sterker ideologisch referentiekader hebben zorgt dit er niet voor dat zij gewelddadiger worden. Uit eerder onderzoek zoals dat van Van den Bos blijkt dat dit verband niet aangetoond kan worden. Nu kunnen we stellen dat dat voor vrouwen ook geldt. Moslima's met een sterker ideologisch referentiekader kunnen gebruik van geweld enigszins beter verklaren Factor 4: betrokkenheid bij de Nederlandse samenleving Stellingen: De betrokkenheid bij de Nederlandse samenleving is gemeten aan de hand van 19 stellingen, directe en indirecte vragen over het zich Nederlander voelen, zich thuis voelen in Nederland, zich betrokken voelen bij de Nederlandse samenleving en zich verbonden voelen met andere Nederlanders. Vragen die meewogen zijn zijn o.a: Hoe denk je over Nederland (vraag 72), of men zich meer Nederlander dan iets anders voelt (73), hoe belangrijk het is om Nederlander te zijn (74), Hoe trots men is op het Nederlanderschap (75), Dat moslims zich niet Nederlands hoeven te voelen (104), Contact met Nederlanders (132), opinies over contact met Nederlanders (145,146), Verbondenheid met andere Nederlanders (151), Het zich thuisvoelen in Nederland (152), Een directe vraag naar het gevoel van betrokkenheid bij de Nederlandse samenleving (153), Deelname aan activiteiten voor buurt of stad (154) en het zichzelf als actief betrokken burger beschouwen (155). Gemiddelde: het gemiddelde van de gestelde vragen onder betrokkenheid bij de Nederlandse samenleving levert een resultaat op van gemiddeld 3,06. Dat ligt vrijwel precies in het midden tussen de uitersten betrokken (1-3) en niet betrokken (3-5). Gemiddeld is de groep dus noch betrokken noch niet-betrokken bij de samenleving. We zullen kijken hoe groot de groepen uitschieters zijn beide kanten op aan de hand van illustratie van vragen hieronder. Voorbeelden: Er blijkt een redelijk hoge betrokkenheid bij de Nederlandse samenleving als we er direct naar vragen: Slechts 17,1 procent voelt zich niet betrokken bij de samenleving, 33,6 procent noch eens/oneens en bijna de helft (49,3 procent) voelt zich betrokken bij de Nederlandse samenleving. Vraag 153: Ik voel mij betrokken bij de Nederlandse samenleving in het algemeen Bij de vraag over zich thuis voelen in Nederland (152) blijkt dat 51,1 procent zich thuisvoelt in Nederland. 31,5 procent stemt neutraal en slechts 17,5 procent geeft aan zich niet thuis te voelen. Op de vraag of men zich verbonden voelt met andere Nederlanders (151) zegt 37,2 procent nee, 34,5 48

49 procent is het daar noch mee eens noch oneens en 28,2% procent voelt zich wel verbonden met andere Nederlanders. 37,4 Procent beschouwt zich actief betrokken burger, 33,1 procent is neutraal en 29,5 procent ziet zichzelf niet als betrokken burger. 87,4 procent vindt dat ze contact heeft met niet-islamitische Nederlanders (132), 12,6% procent niet; en wat betreft het belangrijk vinden om contact te hebben met andere Nederlanders is 29 procent neutraal, zegt 55,5 ja en zegt 16,6% procent nee. De rol van het buitenlandbeleid in het zich thuis voelen in Nederland: Op de vraag 'Als er oorlog tussen Nederland en een islamitisch land zou zijn, dan zou ik Nederlands steunen (vraag 79) antwoordde 74,9 procent 'nee' en bleef 25,2 procent neutraal. Opvallend is dat geen enkele moslima Nederland zou steunen. Dat zou geïnterpreteerd kunnen worden als het hebben van weinig vertrouwen in de morele juistheid van zo'n oorlog, wellicht met de oorlogen in Irak en Afghanistan in gedachten, en als loyaliteit aan andere moslims. Dat correspondeert met vraag 89 Ik word boos van als ik zie hoe Nederlandse politici het Israëlisch-Palestijnse conflict behandelen, die 57,8 met 'ja' beantwoordden, met 33,3 procent op 'niet eens/oneens' laat en 2,9 procent niet kwaad maakt. Het buitenlandbeleid ten aanzien van islamitische landen (80, een vraag die niet meegewogen is voor de score van deze factor) is opvallenderwijs een belangrijke factor in het zich thuis voelen in Nederland stelt 56,4 procent van de moslima's ('heel belangrijk' voor 15 procent, belangrijk voor 41,4 procent 'belangrijk'). Voor 36,4 procent is het niet onbelangrijk/niet belangrijk, en voor maar 7,1 procent van de moslima's is dat onbelangrijk. Geen van de dames antwoordde 'heel onbelangrijk.' Over de rol van het buitenlandbeleid is nog weinig onderzoek gedaan, maar deze vragen tonen aan dat dit een interessante avenue van onderzoek kan zijn voor de toekomst. De factor betrokkenheid blijkt samen te hangen met verschillende andere factoren. De volgende conclusies kunnen getrokken worden: Sociaalpsychologische factoren Moslima's voelen zich iets minder betrokken bij de samenleving naarmate zij meer onrechtvaardigheid ervaren. Moslima's voelen zich enigszins minder betrokken bij de samenleving naarmate zij meer dreiging ervaren. Attitudefactoren Moslima's voelen zich iets minder betrokken bij de samenleving naarmate hun ideologisch referentiekader steker is. Moslima's voelen zich iets minder betrokken bij de samenleving naarmate hun legitimiteit van autoriteiten lager is. Superioriteitsgevoel speelt voor moslima's geen rol in het verklaren van betrokkenheid bij de samenleving. 49

50 Gebruik van geweld Een lage betrokkenheid bij de samenleving speelt geen rol bij geweldslegitimatie. Ook Van den Bos kon geen verband vinden tussen deze twee factoren. Moslima's zijn iets eerder bereid tot indirecte geweldslegitimatie als ze minder betrokken zijn bij de samenleving Factor 5: Legitimiteit Autoriteiten De meting van legitimiteit van autoriteiten is gebaseerd op 13 stellingen. Vragen die gebruikt zijn kijken naar respect voor verschillende autoriteiten: de Nederlandse regering (vraag 119 en 123, 124), de Amsterdamse politie (120) en het stadsbestuur (128). Indirecte vragen gaan o.a. over de vraag of Nederlandse politici en politie moslims met respect behandelen (121, 122 respectievelijk); en het juist voorkomen van negatieve emoties bij het niet respecteren van politie (126) of de regering. Gemiddelde: het gemiddelde van de score van de gehele groep ligt op 2,83. Dat wil zeggen dat over het algemeen in de groep de verschillende autoriteiten meer gerespecteerd dan niet gerespecteerd worden. Maar er is zoals onder zal blijken een grote middengroep die zich positief noch negatief uitlaat en een relevante minderheid die weinig respect voor en weinig vertrouwen heeft in verschillende autoriteiten. Voorbeelden: Uit vraag 119 valt op te maken dat 14,5 procent van de moslima s de Nederlandse regering niet respecteert (staaf 4 en 5 hieronder van vraag 119), 31,7 procent staat er onverschillig tegenover (noch eens/noch eens met het respecteren van de regering) en 53,7 procent respecteert de Nederlandse regering. Belangrijk hierbij op te merken is dat deze enquêtes afgenomen werden op een moment dat Geert Wilders' partij, de PVV, met een sterk anti-islam standpunt in een gedoogconstructie zat met een CDA en VVD regering en dat dit de mate van respect voor de regering waarschijnlijk negatief beïnvloedt heeft. Vraag 119: Ik respecteer de Nederlandse regering 42,3 Procent vindt niet dat moslims de Nederlandse regering moeten vertrouwen (staaf 4 en 5 hieronder). Dus de mate van respect (vraag 119) is groter dan het percentage vertrouwen (vraag 124). Dat is logisch, vertrouwen is immers een diepere verbintenis dan respect, dus dit resultaat ligt in de lijn der verwachting. 50

51 Vraag 124: Moslims moeten de Nederlandse regering vertrouwen Respect voor de politie in Amsterdam (120): 10,3 procent van de respondenten heeft geen respect voor de politie in Amsterdam (4 en 5 hieronder). 26 procent staat neutraal en 63,7 procent respecteert de politie wel. Vraag 120: Ik heb respect voor de politie van Amsterdam Interessant is daarbij te zien dat 22,4 Procent van de moslima s vindt dat de Amsterdamse politie moslims niet met respect behandelt (122). 50,7 procent is neutraal, 23,3 procent van de moslima's vindt dat moslims wel met respect behandeld worden. Slechts 2,8 procent is het daar helemaal mee eens. 51

52 Vraag 122: De politie van Amsterdam behandelt moslims met respect (122), Wat Nederlandse politici betreft (121) vindt 42,7 procent van de moslima s vindt dat ze in Nederland moslims niet met respect behandelen. Dat correspondeert met het achterstellingsgevoel van factor 1, namelijk: onrechtvaardigheid. Slechts 12,6 procent van de moslima s vindt dat moslims wel met respect behandeld worden. Aangaande het Amsterdamse stadsbestuur stelt slechts 7,6 procent van de moslima s dat ze geen of weinig vertrouwen in het Amsterdams stadsbestuur te hebben (4 en 5 hieronder). 63,9 Procent is neutraal en 27,5 procent heeft vertrouwen in het stadsbestuur. Vraag 128: In welke mate vertrouw je het stadsbestuur van Amsterdam Er is samenhang tussen een lage legitimiteit van autoriteiten en slechts twee andere, maar relevante, factoren. (geweldslegitimatie en betrokkenheid bij de Nederlandse samenleving). De volgende conclusies kunnen worden getrokken: Sociaalpsychologische factoren De mate van onrechtvaardigheids- en dreigingsgevoel heeft geen invloed op de legitimiteit van autoriteiten. Meer dreigingsgevoel en onrechtvaardigheidsgevoel leidt dus niet tot een lagere 52

53 legitimiteit van autoriteiten bij deze moslima's. Attitudefactoren Naarmate de betrokkenheid bij de samenleving lager is neem de legitimiteit van de autoriteiten bij de moslima's enigszins af. Gebruik van geweld. Naarmate de legitimiteit van de autoriteiten afneemt neemt de geweldslegitimatie de moslima toe. Dit is de enige factor van alle factoren die een verband vertoond vertoont met geweldslegitimatie. 77 Van den Bos had bij een gemengde groep van mannen en vrouwen dit verband tussen lage legitimiteit en (directe) geweldslegitimatie ook al gevonden. Een lage legitimiteit van autoriteiten leidt niet tot meer indirecte geweldslegitimatie bij moslima's. Er is geen verband gevonden Factor 6: Superioriteitsgevoel Superioriteitsgevoel is gemeten aan de hand van 13 stellingen die gaan over trots over moslim zijn/voelen (vraag 94-97), een aantal indirecte vragen zoals het minder belangrijk vinden van het Nederlander zijn (vraag ) en het stellen dat islam een betere godsdienst is, moslims betere mensen zijn dan anderen en het gevoel dat iedereen moslim zou moeten zijn ( ). 78 Gemiddelde: met een gemiddelde score van de gehele groep van 3,71 kan gesteld worden dat de groep zich over het algemeen als moslim flink superieur voelt. Voorbeelden: In vraag 110 is te zien dat 9,1 procent van de moslima s negatief of zeer negatief denkt over niet- moslims (staaf 4 en 5 hieronder), 67,4 procent is neutraal, 23,6 denkt positief over niet-moslims. Vraag 110: Hoe denk je over mensen die een ander geloof aanhangen dan de islam? Superioriteit van de religie valt af te lezen in het antwoord op vraag 112: 79,6 procent vindt de islam superieur, 14,1 procent vindt de Islam noch beter of noch slechter dan andere religies. 6,3 procent van de moslima's is het met de stelling dat de islam beter is niet eens. 77 Correlatie,281 bij een significantie van, Zie vragenlijst. 53

54 Vraag 112: Is islam beter dan andere geloven? Uit vraag 113 valt af te lezen dat 23,8 procent van de moslima's vindt dat moslims betere mensen zijn dan andere gelovigen. Vraag 113: Mensen die moslim zijn, zijn betere mensen dan die een ander geloof hebben? Tussen superioriteitsgevoel en een aantal factoren zijn verbanden gevonden. De volgende conclusies kunnen getrokken worden: Sociaalpsychologische factoren Er is geen verband tussen de mate van onrechtvaardigheidsgevoel en superioriteitsgevoel. Naarmate de moslima's zich meer bedreigd voelen, voelen ze zich ook meer superieur. Dat zou een compensatie-reactie, een 'coping mechanism' kunnen zijn. Attitudefactoren Naarmate de moslima's een sterker ideologisch referentiekader hebben, voelen ze zich meer superieur. Trots op de eigen religie zou hiervoor een goede verklaring zijn. Naarmate de moslima's zich minder betrokken voelen bij de samenleving voelen, hebben ze meer superioriteitsgevoel. Dit is een verband dat we niet goed kunnen verklaren. Gebruik van geweld. De bereidheid van moslima's om geweld te legitimeren blijkt niet samen te hangen met hun superioriteitsgevoel. Dat is opvallend omdat dit verband tussen superioriteitsgevoel en bereidheid om aan gewelddadig gedrag deel te nemen in de studie van Van den Bos wél werd gevonden. 54

55 Naarmate het gevoel van superioriteit bij moslima' s toeneemt, neemt de indirecte geweldslegitimatie toe Factor 7 Geweldslegitimatie Stellingen: Geweldslegitimatie is een kenmerk van radicalisering en de belangrijkste variabele die in de vragenlijst gemeten wordt. Aan de hand van 8 vragen over directe geweldslegitimatie wordt deze factor gemeten. Dat zijn vragen zoals Een moslim mag (165)/moet (166) geweld gebruiken tegen mensen die de islam bedreigen ; Ik zou zelf bereid zijn om de orde te verstoren (177) /geweld te gebruiken (178) als de islam is beledigd en Ik ben het eens met moslims die geweld tegen andere mensen gebruiken. Gemiddelde: De gemiddelde score op geweldslegitimatie van de gehele groep is 1,91. Er is dus gemiddeld sprake van een grote mate van afkeuren van geweld door deze groep dames. Het blijkt dat zes van de 155 dames 3.0 scoort en twee dames die meer dan 3.0 scoren. Achttien dames vulden te weinig vragen in om deze afweging te kunnen maken. Gemiddelde indirecte geweldslegitimatie: Als we ter vergelijking kijken naar het aantal dames dat aangeeft het gebruik van geweld wel te kunnen verklaren, maar dat afkeurt, dan zie we dat het groepsgemiddelde opeens 3,58 is. Blijkbaar kan deze groep gemiddeld zich goed voorstellen dat er geweld gebruikt wordt. Voorbeelden: 4,2 procent (6 van de 155 respondenten) vindt dat een moslim geweld mag gebruiken ter verdediging van de islam. Vraag 165: Een moslim mag geweld gebruiken tegen mensen die de islam bedreigen Een zelfde soort antwoordverdeling vinden we bij de vraag naar 'noodzaak' van geweld: 2,8 procent (4 dames) vindt dat er geweld gebruikt móet worden om de islam te verdedigen. Vraag 166: Een moslim moet geweld gebruiken tegen de mensen die de islam bedreigen. 55

Samenvatting. Het onderzoek is gericht op het beantwoorden van de volgende hoofdvragen:

Samenvatting. Het onderzoek is gericht op het beantwoorden van de volgende hoofdvragen: In dit rapport worden de resultaten gepresenteerd van een studie naar de onderzoeksliteratuur over islamitische en extreem-rechtse radicalisering in Nederland. Deze twee vormen van radicalisering worden

Nadere informatie

Fort van de Democratie

Fort van de Democratie Fort van de Democratie Stichting Vredeseducatie / peace education projects Het Fort van de Democratie WERKT! Samenvatting van een onderzoek door de Universiteit van Amsterdam naar de effecten van de interactieve

Nadere informatie

De rol van de school

De rol van de school De rol van de school Bij het omgaan met polarisatie en radicalisering van jongeren Maatschappelijke opdracht van de school De school staat midden in de samenleving Leidt op tot burgers met een startkwalificatie

Nadere informatie

2513AA22XA. De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1 A 2513 AA S GRAVENHAGE

2513AA22XA. De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1 A 2513 AA S GRAVENHAGE . > Retouradres Postbus 90801 2509 LV Den Haag De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1 A 2513 AA S GRAVENHAGE 2513AA22XA Postbus 90801 2509 LV Den Haag Anna van Hannoverstraat

Nadere informatie

Aanpak van Radicalisme

Aanpak van Radicalisme Aanpak van Radicalisme Aanpak van Radicalisme Wetenschappelijk gefundeerde succesfactoren die kunnen bijdragen aan deradicalisering/disengagement. Inleiding Radicalisering is een enorme bedreiging voor

Nadere informatie

Pedagogische uitdagingen voor het onderwijs Omgang met diversiteit en radicalisering

Pedagogische uitdagingen voor het onderwijs Omgang met diversiteit en radicalisering Pedagogische uitdagingen voor het onderwijs Omgang met diversiteit en radicalisering Trees Pels Vrije Universiteit/Verwey-Jonker Instituut MBO-raad Platformdag Sociale Veiligheid; Veiligheid Verbinden

Nadere informatie

De rol van de school. bij polarisatie en radicalisering van jongeren

De rol van de school. bij polarisatie en radicalisering van jongeren De rol van de school bij polarisatie en radicalisering van jongeren Haagse Hogeschool 11 november 2015 Stichting School & Veiligheid ondersteunt scholen bij het bevorderen van een sociaal veilig klimaat.

Nadere informatie

SOCIALE EN BURGERSCHAPSCOMPETENTIE

SOCIALE EN BURGERSCHAPSCOMPETENTIE Vlaams Verbond van het Katholiek Secundair Onderwijs Guimardstraat 1, 1040 Brussel SOCIALE EN BURGERSCHAPSCOMPETENTIE Algemene vorming op het einde van de derde graad secundair onderwijs Voor de sociale

Nadere informatie

De Rotterdamse burgerschapscode

De Rotterdamse burgerschapscode De Rotterdamse burgerschapscode Wanneer is een stedelijke samenleving echt een samenleving? Als de burgers die er wonen verantwoordelijkheid nemen voor zichzelf en voor hun stad. Als ze een aantal fundamentele

Nadere informatie

Hoe staat de islam tegenover andere religies. revisie: Yassien Abo Abdillah. Kantoor voor da'wa Rabwah (Riyad) 2013-1434. Islam voor iedereen

Hoe staat de islam tegenover andere religies. revisie: Yassien Abo Abdillah. Kantoor voor da'wa Rabwah (Riyad) 2013-1434. Islam voor iedereen Hoe staat de islam tegenover andere religies ] لونلدية - dutch [ nederlands - revisie: Yassien Abo Abdillah Kantoor voor da'wa Rabwah (Riyad) 2013-1434 Islam voor iedereen لاقة الا سلام مع ادلنيات الا

Nadere informatie

Discriminatie in Rotterdam: de resultaten van de Omnibusenquête 2014

Discriminatie in Rotterdam: de resultaten van de Omnibusenquête 2014 Discriminatie in Rotterdam: de resultaten van de Omnibusenquête 214 In het kort: de uitkomsten De Omnibusenquête 214 die jaarlijks door de gemeente Rotterdam wordt uitgevoerd, bevat een aantal vragen over

Nadere informatie

Radicalisering van (moslim)jongeren: Herkenning en handeling. Presentatie voor Veiligheidsnetwerk Grote Steden. Bertjan Doosje 20 november 2014

Radicalisering van (moslim)jongeren: Herkenning en handeling. Presentatie voor Veiligheidsnetwerk Grote Steden. Bertjan Doosje 20 november 2014 Radicalisering van (moslim)jongeren: Herkenning en handeling Presentatie voor Veiligheidsnetwerk Grote Steden Bertjan Doosje 20 november 2014 1 Overzicht 1. Wat is radicalisering? 2. Hoe ontstaat het?

Nadere informatie

Inhoudsopgave. Voorwoord 5. Inleiding 11

Inhoudsopgave. Voorwoord 5. Inleiding 11 Inhoudsopgave Voorwoord 5 Inleiding 11 1 Eerste verkenning 15 1.1 Waarom is kennis van religie belangrijk voor journalisten? 16 1.2 Wat is religie eigenlijk? 18 1.2.1 Substantieel en functioneel 18 1.2.2

Nadere informatie

Annette Koops: Een dialoog in de klas

Annette Koops: Een dialoog in de klas Annette Koops: Een dialoog in de klas Als ondersteuning bij het houden van een dialoog vindt u hier een compilatie aan van Spreken is zilver, luisteren is goud : een handleiding voor het houden van een

Nadere informatie

WERELDBEELDEN EN WEERBAARHEID VAN TURKS-NEDERLANDSE JONGEREN. F. Geelhoed (VU) en R. Staring (EUR)

WERELDBEELDEN EN WEERBAARHEID VAN TURKS-NEDERLANDSE JONGEREN. F. Geelhoed (VU) en R. Staring (EUR) 18 2 2016 WERELDBEELDEN EN WEERBAARHEID VAN TURKS-NEDERLANDSE JONGEREN F. Geelhoed (VU) en R. Staring (EUR) 2014 2015 1 Asscher (Nu.nl) "Het is nieuw dat er zo veel steun is onder Turkse jongeren voor

Nadere informatie

Preventie van radicalisering. Aanbod en expertise

Preventie van radicalisering. Aanbod en expertise Preventie van radicalisering Aanbod en expertise Inleiding RadarAdvies is al ruim 10 jaar expert op het gebied van radicalisering en de preventie daarvan. Inleiding Wij geloven dat radicalisering een proces

Nadere informatie

RADICALISERING Proces, Preventie, Nieuwe Sociale Media

RADICALISERING Proces, Preventie, Nieuwe Sociale Media RADICALISERING Proces, Preventie, Nieuwe Sociale Media Twee projecten De preventievan radicaliseringin België 2010-2011 Gefinancierd door: Directie veiligheid en preventie Binnenlandse Zaken Promotoren:

Nadere informatie

Methoden van het Wetenschappelijk Onderzoek: Deel II Vertaling pagina 83 97

Methoden van het Wetenschappelijk Onderzoek: Deel II Vertaling pagina 83 97 Wanneer gebruiken we kwalitatieve interviews? Kwalitatief interview = mogelijke methode om gegevens te verzamelen voor een reeks soorten van kwalitatief onderzoek Kwalitatief interview versus natuurlijk

Nadere informatie

Is een klas een veilige omgeving?

Is een klas een veilige omgeving? Is een klas een veilige omgeving? De klas als een vreemde sociale structuur Binnen de discussie dat een school een sociaal veilige omgeving en klimaat voor leerlingen moet bieden, zouden we eerst de vraag

Nadere informatie

Meedoen& Meetellen. Wat betekent het voor mensen met een verstandelijke beperking? Trainingsmodules voor professionals

Meedoen& Meetellen. Wat betekent het voor mensen met een verstandelijke beperking? Trainingsmodules voor professionals Meedoen& Meetellen Wat betekent het voor mensen met een verstandelijke beperking? Trainingsmodules voor professionals Samenstelling trainingsmodule Eline Roelofsen Roel Schulte www.verwondering.nu Illustratie

Nadere informatie

Een toekomstverkenning van de invloed van brede maatschappelijke trends op radicaliseringsprocessen Juni 2010

Een toekomstverkenning van de invloed van brede maatschappelijke trends op radicaliseringsprocessen Juni 2010 Een toekomstverkenning van de invloed van brede maatschappelijke trends op radicaliseringsprocessen Juni 2010 Samenvatting Dit onderzoek verkent de mogelijke toekomstige invloed van brede maatschappelijke

Nadere informatie

Hoofdstuk 8 Samenvatting en conclusies

Hoofdstuk 8 Samenvatting en conclusies Hoofdstuk 8 Samenvatting en conclusies 8.1 Het onderzoek Dit rapport beschrijft het onderzoek naar behoefte en aanbod betreffende geestelijke verzorging in detentie vanuit het perspectief van de gedetineerden.

Nadere informatie

27/01/2016. Identiteit en radicaliteit en de opdracht van de school. Het verhaal van Walid. Sint-Niklaas 27 januari 2016

27/01/2016. Identiteit en radicaliteit en de opdracht van de school. Het verhaal van Walid. Sint-Niklaas 27 januari 2016 Identiteit en radicaliteit en de opdracht van de school Sint-Niklaas 27 januari 2016 Een verhaal van kaders in een perspectief van verbondenheid. 2 Het verhaal van Walid Walidpubert. Heeft het financieel

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal Vergaderjaar 009 00 9 754 Terrorismebestrijding Nr. 89 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Nadere informatie

Tevredenheidsonderzoek schooljaar 2011/2012: een inspectiebreed beeld

Tevredenheidsonderzoek schooljaar 2011/2012: een inspectiebreed beeld Tevredenheidsonderzoek schooljaar 2011/2012: een inspectiebreed beeld 1. Inleiding De Inspectie van het Onderwijs voert al lange tijd tevredenheidsonderzoeken uit onder besturen en scholen in de sectoren

Nadere informatie

6. Project management

6. Project management 6. Project management Studentenversie Inleiding 1. Het proces van project management 2. Risico management "Project management gaat over het stellen van duidelijke doelen en het managen van tijd, materiaal,

Nadere informatie

22 januari 2015. Onderzoek: Jouw vrijheid, mijn vrijheid

22 januari 2015. Onderzoek: Jouw vrijheid, mijn vrijheid 22 januari 2015 Onderzoek: Jouw vrijheid, mijn vrijheid 1 Over het EenVandaag Opiniepanel Het EenVandaag Opiniepanel bestaat uit ruim 45.000 mensen. Zij beantwoorden vragenlijsten op basis van een online

Nadere informatie

Voorwoord 4. Leeswijzer 6. Inleiding 8. 2. Wat gaan we de leerlingen leren? Hoe weten we of de leerlingen de leerstof geleerd hebben?

Voorwoord 4. Leeswijzer 6. Inleiding 8. 2. Wat gaan we de leerlingen leren? Hoe weten we of de leerlingen de leerstof geleerd hebben? Inhoud Voorwoord 4 Leeswijzer 6 Inleiding 8 1. Focus op leren: een helder en overtuigend doel 13 2. Wat gaan we de leerlingen leren? Hoe weten we of de leerlingen de leerstof geleerd hebben? 29 3. Wat

Nadere informatie

KLEURRIJKE EMOTIES psychologie en kleur

KLEURRIJKE EMOTIES psychologie en kleur KLEURRIJKE EMOTIES psychologie en kleur Iedere ouder zal het volgende herkennen: de blauwe en rode potloden uit de kleurdozen van kinderen zijn altijd het eerst op. Geel roept aanvankelijk ook warme gevoelens

Nadere informatie

Families onder druk. Huiselijk geweld binnen Marokkaanse en Turkse gezinnen. Drs. Ibrahim Yerden. Probleemstelling

Families onder druk. Huiselijk geweld binnen Marokkaanse en Turkse gezinnen. Drs. Ibrahim Yerden. Probleemstelling Families onder druk Huiselijk geweld binnen Marokkaanse en Turkse gezinnen Drs. Ibrahim Yerden Probleemstelling Hoe gaan Marokkaanse en Turkse gezinsleden, zowel slachtoffers als plegers om met huiselijk

Nadere informatie

STIJLEN VAN BEÏNVLOEDING. Inleiding

STIJLEN VAN BEÏNVLOEDING. Inleiding STIJLEN VAN BEÏNVLOEDING Inleiding De door leidinggevenden gehanteerde stijlen van beïnvloeding kunnen grofweg in twee categorieën worden ingedeeld, te weten profileren en respecteren. Er zijn twee profilerende

Nadere informatie

De maatschappelijke stage als onderdeel van burgerschapsvorming

De maatschappelijke stage als onderdeel van burgerschapsvorming De maatschappelijke stage als onderdeel van burgerschapsvorming Jeroen Bron en Minke Bruning, 27 november 2014 27-11-2014 SLO projectgroep burgerschap; Jeroen Bron CPS Onderwijsontwikkeling en advies;

Nadere informatie

Helder zicht: meet het verandervermogen van uw organisatie

Helder zicht: meet het verandervermogen van uw organisatie Helder zicht: meet het verandervermogen van uw organisatie Zou het niet heerlijk zijn als: veranderingen soepeler verlopen, medewerkers er minder weerstand tegen hebben, projecten eerder klaar zijn en

Nadere informatie

HET FENOMEEN TERRORISME

HET FENOMEEN TERRORISME TERRORISME Sinds de 11 september 2001, is het fenomeen terrorisme nog steeds brandend actueel en geniet steeds van een permanente aandacht vanwege de overheden. Hij werd trouwens als prioriteit in het

Nadere informatie

Toeleg Meedoen & Samenwerken in Breda

Toeleg Meedoen & Samenwerken in Breda Toeleg Meedoen & Samenwerken in Breda 2012-2013 Inleiding M&S Breda bestaat uit acht organisaties die er voor willen zorgen dat de kwetsbare burger in Breda mee kan doen. De deelnemers in M&S Breda delen

Nadere informatie

Psychosocial Problems in Cancer Genetic Counseling: Detecting and Facilitating Communication W. Eijzenga

Psychosocial Problems in Cancer Genetic Counseling: Detecting and Facilitating Communication W. Eijzenga Psychosocial Problems in Cancer Genetic Counseling: Detecting and Facilitating Communication W. Eijzenga Nederlandse samenvatting INLEIDING Mensen met een mogelijk verhoogde kans op kanker kunnen zich

Nadere informatie

Wat is realiteit? (interactie: vraagstelling wie er niet gelooft en wie wel)

Wat is realiteit? (interactie: vraagstelling wie er niet gelooft en wie wel) Wat is realiteit? De realiteit is de wereld waarin we verblijven met alles wat er is. Deze realiteit is perfect. Iedere mogelijkheid die we als mens hebben wordt door de realiteit bepaald. Is het er, dan

Nadere informatie

Tools voor gemeenten: Zelfdiagnose en samenwerken met partners. Deel 2: Tegengaan radicalisering

Tools voor gemeenten: Zelfdiagnose en samenwerken met partners. Deel 2: Tegengaan radicalisering Tools voor gemeenten: Zelfdiagnose en samenwerken met partners Deel 2: Tegengaan radicalisering Tools voor gemeenten: Zelfdiagnose en samenwerken met partners Deel 2: Tegengaan radicalisering Inhoudsopgave

Nadere informatie

waardoor een beroerte kan worden gezien als een chronische aandoening.

waardoor een beroerte kan worden gezien als een chronische aandoening. amenvatting Elk jaar krijgen in Nederland zo n 45.000 mensen een beroerte, ook wel CVA (Cerebro Vasculair Accident) genoemd. Ongeveer 60% van hen keert na opname in het ziekenhuis of revalidatiecentrum

Nadere informatie

DE ONTWIKKELING VAN EEN ISLAMITISCHE, FUNDAMENTALISTISCHE GELOOFSIDEOLOGIE ONDER JONGEREN ACOV WERKSTUK

DE ONTWIKKELING VAN EEN ISLAMITISCHE, FUNDAMENTALISTISCHE GELOOFSIDEOLOGIE ONDER JONGEREN ACOV WERKSTUK FUNDAMENTALISTISCHE GELOOFSIDEOLOGIE ONDER JONGEREN ACOV Rob Gommans robgommans@msn.com Radboud Universiteit Nijmegen, oktober 2008 Inleiding In 2004 waarschuwt de inlichtingendienst AIVD dat steeds meer

Nadere informatie

Actuele trends en ontwikkelingen van het salafisme in Nederland. Weerstand en tegenkracht

Actuele trends en ontwikkelingen van het salafisme in Nederland. Weerstand en tegenkracht Actuele trends en ontwikkelingen van het salafisme in Nederland Weerstand en tegenkracht Voorwoord Het rapport Weerstand en tegenkracht van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) belicht

Nadere informatie

Database wetenschappelijke onderzoeken & deskundigen

Database wetenschappelijke onderzoeken & deskundigen Database wetenschappelijke onderzoeken & deskundigen Februari 2012 Religie Opdracht is uitgevoerd door Religie Jongeren en hun Islam Jongeren over hun ondersteuning als moslim in Nederland Verwey-Jonker

Nadere informatie

Uitwisseling tussen teamleden in sociale teams cruciaal voor prestatie

Uitwisseling tussen teamleden in sociale teams cruciaal voor prestatie Uitwisseling tussen teamleden in sociale teams cruciaal voor prestatie Voorlopige resultaten van het onderzoek naar de perceptie van medewerkers in sociale (wijk)teams bij gemeenten - Yvonne Zuidgeest

Nadere informatie

Aanpak: Bemoeizorg. Beschrijving

Aanpak: Bemoeizorg. Beschrijving Aanpak: Bemoeizorg De gemeente heeft de vragenlijst betreffende deze aanpak ingevuld en relevante documentatie toegestuurd. Een beperktere vragenlijst over deze aanpak is ingevuld door: GGD West-Brabant

Nadere informatie

Verbinden vanuit diversiteit

Verbinden vanuit diversiteit Verbinden vanuit diversiteit Krachtgericht sociaal werk in een context van armoede en culturele diversiteit Studievoormiddag 6 juni 2014 Het verhaal van Ahmed Een zoektocht met vele partners Partners De

Nadere informatie

KONING ARTHUR visie en organisatieprincipes

KONING ARTHUR visie en organisatieprincipes KONING ARTHUR visie en organisatieprincipes Ed Knies Koning Arthur; visie en organisatieprincipes Welkom Dit boek is een moreel boek voor professionals. Met moreel bedoelen we dat er binnen organisaties

Nadere informatie

Datum 1 september 2015 Onderwerp Antwoord op schriftelijke vragen met kenmerk 2015Z13940 over het bericht 'Terrorist sprak in moskee'

Datum 1 september 2015 Onderwerp Antwoord op schriftelijke vragen met kenmerk 2015Z13940 over het bericht 'Terrorist sprak in moskee' Ministerie van Veiligheid en Justitie 1 > Retouradres Postbus 20301 2500 EH Den Haag Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Turfmarkt 147 2511 DP Den Haag

Nadere informatie

Waarom jongeren radicaliseren en sympathie krijgen voor terrorisme:

Waarom jongeren radicaliseren en sympathie krijgen voor terrorisme: Waarom jongeren radicaliseren en sympathie krijgen voor terrorisme: Onrechtvaardigheid, onzekerheid en bedreigde groepen Prof. dr. Kees van den Bos Universiteit Utrecht Drs. Annemarie Loseman Universiteit

Nadere informatie

Samenvatting. De volgende onderzoeksvragen zijn geformuleerd:

Samenvatting. De volgende onderzoeksvragen zijn geformuleerd: Samenvatting In Westerse landen vormen niet-westerse migranten een steeds groter deel van de bevolking. In Nederland vertegenwoordigen Surinaamse, Turkse en Marokkaanse migranten samen 6% van de bevolking.

Nadere informatie

Notitie. Onderwerp. Van: Diana Piek Aan: College van B&W Datum: 29-1-2014 Doorkiesnummer: (0411) 65 5590

Notitie. Onderwerp. Van: Diana Piek Aan: College van B&W Datum: 29-1-2014 Doorkiesnummer: (0411) 65 5590 Van: Diana Piek Aan: College van B&W Datum: 29-1-2014 Doorkiesnummer: (0411) 65 5590 Onderwerp Bijlage 1: Model- Meldcode Huiselijk geweld en Kindermishandeling gemeente Boxtel Het College van Burgemeester

Nadere informatie

: G. Wilders Parketnummer : 13/425046-09 Officieren van justitie : mr. P. Velleman en mr. B. van Roessel Datum : 15 oktober 2010 (Samenvatting deel 2)

: G. Wilders Parketnummer : 13/425046-09 Officieren van justitie : mr. P. Velleman en mr. B. van Roessel Datum : 15 oktober 2010 (Samenvatting deel 2) Parket Amsterdam Zaak : G. Wilders Parketnummer : 13/425046-09 Officieren van justitie : mr. P. Velleman en mr. B. van Roessel Datum : 15 oktober 2010 (Samenvatting deel 2) Requisitoir G. Wilders (deel

Nadere informatie

Teamkompas voor Zelfsturing

Teamkompas voor Zelfsturing Teamkompas voor Zelfsturing Wat is het teamkompas: Met dit instrument kun je inzicht krijgen in de ontwikkeling van je team als het gaat om effectief samenwerken: Waar staan wij als team? Hoe werken wij

Nadere informatie

VALT HIER NOG WAT TE LEREN? EEN EDUCATIEF PERSPECTIEF OP DUURZAAMHEID Gert Biesta Universiteit Luxemburg. een populair recept

VALT HIER NOG WAT TE LEREN? EEN EDUCATIEF PERSPECTIEF OP DUURZAAMHEID Gert Biesta Universiteit Luxemburg. een populair recept VALT HIER NOG WAT TE LEREN? EEN EDUCATIEF PERSPECTIEF OP DUURZAAMHEID Gert Biesta Universiteit Luxemburg een populair recept een maatschappelijk probleem add some learning opgelost! deze bijdrage een perspectief

Nadere informatie

Verbeelding van de samenleving

Verbeelding van de samenleving Verbeelding van de samenleving denken, dromen en doen na de verzorgingsstaat 11. extra bijeenkomst: vragen & discussie http://zorgenparticipatie.wordpress.com/ Verbeelding van de samenleving in 10 colleges

Nadere informatie

Onderzoeksopzet. Marktonderzoek Klantbeleving

Onderzoeksopzet. Marktonderzoek Klantbeleving Onderzoeksopzet Marktonderzoek Klantbeleving Utrecht, september 2009 1. Inleiding De beleving van de klant ten opzichte van dienstverlening wordt een steeds belangrijker onderwerp in het ontwikkelen van

Nadere informatie

MINISTERIE VAN DEFENSIE WERKGROEP STAAL EERSTE DRUK, NOVEMBER 2007 VISIE LEIDINGGEVEN

MINISTERIE VAN DEFENSIE WERKGROEP STAAL EERSTE DRUK, NOVEMBER 2007 VISIE LEIDINGGEVEN MINISTERIE VAN DEFENSIE WERKGROEP STAAL EERSTE DRUK, NOVEMBER 2007 VISIE LEIDINGGEVEN INLEIDING Voorwoord Commandant der Strijdkrachten CONTEXT De complexe omgeving waarin bij Defensie leiding wordt gegeven

Nadere informatie

Daar zouden we het vaker over moeten hebben. Inleiding Simultaan

Daar zouden we het vaker over moeten hebben. Inleiding Simultaan Daar zouden we het vaker over moeten hebben. Onderzoek naar interculturele competenties van onderwijsmedewerkers (Judith de Beer. Erasmus Universiteit Rotterdam. april 2006) Inleiding De titel daar zouden

Nadere informatie

Moral Misfits. The Role of Moral Judgments and Emotions in Derogating Other Groups C. Wirtz

Moral Misfits. The Role of Moral Judgments and Emotions in Derogating Other Groups C. Wirtz Moral Misfits. The Role of Moral Judgments and Emotions in Derogating Other Groups C. Wirtz Mensen die als afwijkend worden gezien zijn vaak het slachtoffer van vooroordelen, sociale uitsluiting, en discriminatie.

Nadere informatie

Actieplan Slotervaart: Het tegengaan van radicalisering

Actieplan Slotervaart: Het tegengaan van radicalisering Actieplan Slotervaart: Het tegengaan van radicalisering Februari 2007 1. Inleiding 1 2. Aanleiding 2 2.1 Definitie: wat is radicalisering 2 2.2 Radicaal gedachtegoed 3 3. Huidige situatie in Slotervaart

Nadere informatie

Nederlandse Samenvatting

Nederlandse Samenvatting Nederlandse Samenvatting De Protestantse Kerk in Nederland (PKN) onderhoudt middels de organisaties Kerk in Actie (KiA) en ICCO Alliantie contacten met partners in Brazilië. Deze studie verkent de onderhandelingen

Nadere informatie

ACTIEPLAN VERBORGEN VROUWEN

ACTIEPLAN VERBORGEN VROUWEN ACTIEPLAN VERBORGEN VROUWEN gemeente Den Haag September 2015 Conceptversie 2.0 1 Inleiding In november jl. is door de Haagse gemeenteraad Motie 86 Geïsoleerde Vrouwen aangenomen. Om uitvoering te geven

Nadere informatie

Samenvatting onderzoek Bejegening van pleegouders in Zeeland Door Veerle de Leede In opdracht van Stichting Pleegoudersupport Zeeland

Samenvatting onderzoek Bejegening van pleegouders in Zeeland Door Veerle de Leede In opdracht van Stichting Pleegoudersupport Zeeland Samenvatting onderzoek Bejegening van pleegouders in Zeeland Door Veerle de Leede In opdracht van Stichting Pleegoudersupport Zeeland Beste pleegouder, U heeft aangegeven graag op de hoogte gehouden te

Nadere informatie

Universiteit Opleiding Cursus Beschrijving Link. Vaardigheidsonderwijs 2e jaar

Universiteit Opleiding Cursus Beschrijving Link. Vaardigheidsonderwijs 2e jaar Overzicht bachelorcursussen Dit overzicht geeft een groot aantal bachelorcursussen weer die aandacht besteden cultuur en/of gender op het gebied van gezondheidszorg. Het overzicht betreft cursussen uit

Nadere informatie

IOD Crayenestersingel 59, 2101 AP Heemstede Tel: 023 5283678 Fax: 023 5474115 info@iod.nl www.iod.nl. Leiding geven aan verandering

IOD Crayenestersingel 59, 2101 AP Heemstede Tel: 023 5283678 Fax: 023 5474115 info@iod.nl www.iod.nl. Leiding geven aan verandering Leiding geven aan verandering Mijn moeder is 85 en rijdt nog auto. Afgelopen jaar kwam ze enkele keren om assistentie vragen, omdat haar auto in het verkeer wat krassen en deuken had opgelopen. Ik besefte

Nadere informatie

Management Potentieel Index (MPI)

Management Potentieel Index (MPI) (MPI) deelnemer opdrachtgever HFM 07-11-2014 Dit rapport is gegenereerd met het HFMtalentindex Online Assessmentsysteem. De gegevens in dit rapport zijn gebaseerd op de antwoorden die de deelnemer op één

Nadere informatie

Samenvatting (Summary in Dutch)

Samenvatting (Summary in Dutch) Samenvatting (Summary in Dutch) Het aantal eerste en tweede generatie immigranten in Nederland is hoger dan ooit tevoren. Momenteel wonen er 3,2 miljoen immigranten in Nederland, dat is 19.7% van de totale

Nadere informatie

Radicalisering van jongeren en onderwijs

Radicalisering van jongeren en onderwijs 7 oktober 2015 Radicalisering van jongeren en onderwijs Bezorgdheid Meer en meer ouders maken zich zorgen over de mogelijke tekenen van radicalisering op scholen. Welke rol kan de school hierin spelen?

Nadere informatie

Achtergrondinformatie. Man 2.0. Programma ter bevordering van emancipatie en participatie van sociaal geïsoleerde mannen

Achtergrondinformatie. Man 2.0. Programma ter bevordering van emancipatie en participatie van sociaal geïsoleerde mannen Achtergrondinformatie Man 2.0 Programma ter bevordering van emancipatie en participatie van sociaal geïsoleerde mannen April 2010 1 Inleiding Het is het Oranje Fonds gebleken dat veel maatschappelijke

Nadere informatie

Rapport Kindermishandeling en Huiselijk Geweld. Peiling bij Fysiotherapeuten, Oefentherapeuten en Ergotherapeuten

Rapport Kindermishandeling en Huiselijk Geweld. Peiling bij Fysiotherapeuten, Oefentherapeuten en Ergotherapeuten Rapport Kindermishandeling en Huiselijk Geweld Peiling bij Fysiotherapeuten, Oefentherapeuten en Ergotherapeuten Stichting STUK Door Nicole de Haan en Lieke Popelier 2013 Algemene informatie Uit recent

Nadere informatie

Zelfdiagnostische vragenlijst verandercompetenties

Zelfdiagnostische vragenlijst verandercompetenties Zelfdiagnostische vragenlijst verandercompetenties Het gaat om de volgende zeven verandercompetenties. De competenties worden eerst toegelicht en vervolgens in een vragenlijst verwerkt. Veranderkundige

Nadere informatie

Introductie cultuursensitief werken: een kwestie van kennis én houding

Introductie cultuursensitief werken: een kwestie van kennis én houding Introductie cultuursensitief werken: een kwestie van kennis én houding Cor Hoffer cultureel antropoloog en socioloog Info: www.corhoffer.nl 1 Onderwerpen: migratie cultuursensitief werken korte oefening

Nadere informatie

Juist in het openbaar onderwijs

Juist in het openbaar onderwijs Juist in het openbaar onderwijs Over de aandacht voor levensbeschouwing op de openbare school Legitimatie MARLEEN LAMMERS Wie denkt dat het openbaar onderwijs geen aandacht mag besteden aan levensbeschouwing,

Nadere informatie

Lezing, 10 december 2004. Relatie tussen sociaal isolement en psychiatrische ziekte

Lezing, 10 december 2004. Relatie tussen sociaal isolement en psychiatrische ziekte Lezing, 10 december 2004 Relatie tussen sociaal isolement en psychiatrische ziekte Dr. Ludwien Meeuwesen, Sociaal psychologe verbonden aan de Universiteit Utrecht, Afdeling Algemene Sociale Wetenschappen,

Nadere informatie

Leiderschap in Turbulente Tijden

Leiderschap in Turbulente Tijden De Mindset van de Business Leader Leiderschap in Turbulente Tijden Onderzoek onder 175 strategische leiders Maart 2012 Inleiding.. 3 Respondenten 4 De toekomst 5 De managementagenda 7 Leiderschap en Ondernemerschap

Nadere informatie

Alliantie. Alliantie tegen polarisatie & radicalisering. tegen polarisatie en radicalisering EEN PEDAGOGISCHE ALLIANTIE

Alliantie. Alliantie tegen polarisatie & radicalisering. tegen polarisatie en radicalisering EEN PEDAGOGISCHE ALLIANTIE Alliantie Alliantie tegen polarisatie & radicalisering tegen polarisatie en radicalisering EEN PEDAGOGISCHE ALLIANTIE http://radicaalanders.com Radicalisering raakt aan een algemeen gevoel van onbehagen

Nadere informatie

Actieplan radicalisering en polarisatie

Actieplan radicalisering en polarisatie Actieplan radicalisering en polarisatie gemeente Eindhoven VB - Veiligheid en Bestuur, VH - Veiligheid Sociaal Domein Support, Programmering, Ontwikkeling & Kwaliteit mei 2015 Colofon Uitgave Gemeente

Nadere informatie

SKPO Profielschets Lid College van Bestuur

SKPO Profielschets Lid College van Bestuur SKPO Profielschets Lid College van Bestuur 1 Missie, visie SKPO De SKPO verzorgt goed primair onderwijs waarbij het kind centraal staat. Wij ondersteunen kinderen om een stap te zetten richting zelfstandigheid,

Nadere informatie

(potentiële) Belangenverstrengeling Voor bijeenkomst mogelijk relevante relaties met bedrijven. Geen

(potentiële) Belangenverstrengeling Voor bijeenkomst mogelijk relevante relaties met bedrijven. Geen (potentiële) Belangenverstrengeling Voor bijeenkomst mogelijk relevante relaties met bedrijven Sponsoring of onderzoeksgeld Honorarium of andere (financiële) vergoeding Aandeelhouder Andere relatie, namelijk

Nadere informatie

Homoseksuelen in Amsterdam

Homoseksuelen in Amsterdam Homoseksuelen in Amsterdam Projectnummer 9150 In opdracht van de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling Marlon Nieuwenhuis drs. Marcel Janssen dr. Willem Bosveld Oudezijds Voorburgwal 300 Postbus 658 1012

Nadere informatie

10 onmisbare vaardigheden voor. de ambtenaar van de toekomst. 10 vaardigheden. Netwerken. Presenteren. Argumenteren 10. Verbinden.

10 onmisbare vaardigheden voor. de ambtenaar van de toekomst. 10 vaardigheden. Netwerken. Presenteren. Argumenteren 10. Verbinden. 10 vaardigheden 3 Netwerken 7 Presenteren 1 Argumenteren 10 Verbinden Beïnvloeden 4 Onderhandelen Onderzoeken Oplossingen zoeken voor partijen wil betrekken bij het dat u over de juiste capaciteiten beschikt

Nadere informatie

BEÏNVLOEDINGSSTIJLEN. Tegenbewegende stijlen. Meebewegende stijlen. = duwen = trekken. evalueren aansporen en onder druk zetten

BEÏNVLOEDINGSSTIJLEN. Tegenbewegende stijlen. Meebewegende stijlen. = duwen = trekken. evalueren aansporen en onder druk zetten BEÏNVLOEDINGSSTIJLEN Er zijn verschillende beïnvloedingsstijlen te onderscheiden. De stijlen kunnen worden onderverdeeld in: TEGENBEWEGENDE STIJLEN MEEBEWEGENDE STIJLEN = duwen = trekken Tegenbewegende

Nadere informatie

Nederlandse samenvatting

Nederlandse samenvatting Docenten in het hoger onderwijs zijn experts in wát zij doceren, maar niet noodzakelijk in hóe zij dit zouden moeten doen. Dit komt omdat zij vaak weinig tot geen training hebben gehad in het lesgeven.

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2009 2010 24 515 Preventie en bestrijding van stille armoede en sociale uitsluiting Nr. 186 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID Aan

Nadere informatie

IVO onderzoek De kaarten op tafel. Rapport juni 2010. Samenvatting en conclusies. o Onderzoeksvraag 1: In welke mate is poker verslavend?

IVO onderzoek De kaarten op tafel. Rapport juni 2010. Samenvatting en conclusies. o Onderzoeksvraag 1: In welke mate is poker verslavend? IVO onderzoek De kaarten op tafel Rapport juni 2010 Samenvatting en conclusies o Onderzoeksvraag 1: In welke mate is poker verslavend? Poker bevat onmiskenbaar elementen van een verslavend spel. Het kan

Nadere informatie

Rapportgegevens Marketing en sales potentieel test

Rapportgegevens Marketing en sales potentieel test Rapportgegevens Marketing en sales potentieel test Respondent: Jill Voorbeeld Email: voorbeeld@testingtalents.nl Geslacht: vrouw Leeftijd: 39 Opleidingsniveau: wo Vergelijkingsgroep: Normgroep marketing

Nadere informatie

Gedragenheid binnen de organisatie

Gedragenheid binnen de organisatie Gedragenheid binnen de organisatie Het inbedden van ICHV binnen een reguliere werking op voorwaarde dat deze als hefboom dient om de integrale werking te voorzien van een breed gedragen interculturalisering.

Nadere informatie

5 Samenvatting en conclusies

5 Samenvatting en conclusies 5 Samenvatting en conclusies In 2008 werden in Nederland bijna 5,2 miljoen mensen het slachtoffer van criminaliteit (cbs 2008). De meeste van deze slachtoffers kregen te maken met diefstal of vernieling,

Nadere informatie

Opgave 1 Jeugdwerkloosheid in Europa

Opgave 1 Jeugdwerkloosheid in Europa Opgave 1 Jeugdwerkloosheid in Europa 1 maximumscore 4 Het verrichten van flexibele arbeid kan een voorbeeld zijn van positieverwerving als de eigen keuze van de jongeren uitgaat naar flexibele arbeid in

Nadere informatie

Signaalkaart Jongeren

Signaalkaart Jongeren Signaalkaart Jongeren Naam: Mike de Boer Inhoudsopgave Inleiding... 3 Signaalkaart Mike... 5 Toelichting op de uitslag... 6 Pagina 2 van 8 Inleiding Op 14 maart 2014 heeft Mike de Boer de Signaalkaart

Nadere informatie

OPDRACHTVERKLARING WZC Leiehome (Actualisering 12.06.2015)

OPDRACHTVERKLARING WZC Leiehome (Actualisering 12.06.2015) OPDRACHTVERKLARING WZC Leiehome (Actualisering 12.06.2015) Woonzorgcentrum Leiehome is een woonplaats met ruime verzorgingsmogelijkheden voor ouderen. Wij verlenen een deskundige en actuele zorg op maat.

Nadere informatie

STABLE LOVE, STABLE LIFE?

STABLE LOVE, STABLE LIFE? STABLE LOVE, STABLE LIFE? De rol van sociale steun en acceptatie in de relatie van paren die leven met de ziekte van Ménière Oktober 2011 Auteur: Drs. Marise Kaper Master Sociale Psychologie, Rijksuniversiteit

Nadere informatie

N. Buitelaar, psychiater en V. Yildirim, psycholoog. Beiden werkzaam bij Altrecht Centrum ADHD Volwassenen.

N. Buitelaar, psychiater en V. Yildirim, psycholoog. Beiden werkzaam bij Altrecht Centrum ADHD Volwassenen. ADHD Wachtkamerspecial Onderbehandeling van ADHD bij allochtonen: kinderen en volwassenen N. Buitelaar, psychiater en V. Yildirim, psycholoog. Beiden werkzaam bij Altrecht Centrum ADHD Volwassenen. Inleiding

Nadere informatie

Pedagogische Begeleidingsdienst Basisonderwijs GO! wereldoriëntatie

Pedagogische Begeleidingsdienst Basisonderwijs GO! wereldoriëntatie & Pedagogische Begeleidingsdienst Basisonderwijs GO! wereldoriëntatie E HO DIT T RK AL E W ITA? G I D IER H CA mens & maatschappij specifieke visie van leerlijn naar methodiek van methodiek naar leerlijn

Nadere informatie

HET NIEUWE WERKEN IN RELATIE TOT PERSOONLIJKE DRIJFVEREN VAN MEDEWERKERS. Onderzoek door TNO in samenwerking met Profile Dynamics

HET NIEUWE WERKEN IN RELATIE TOT PERSOONLIJKE DRIJFVEREN VAN MEDEWERKERS. Onderzoek door TNO in samenwerking met Profile Dynamics HET NIEUWE WERKEN IN RELATIE TOT PERSOONLIJKE DRIJFVEREN VAN MEDEWERKERS Onderzoek door TNO in samenwerking met Profile Dynamics 1 Inleiding Veel organisaties hebben de afgelopen jaren geïnvesteerd in

Nadere informatie

Daidalos vzw. Veiligheidsondersteunend beleid

Daidalos vzw. Veiligheidsondersteunend beleid Daidalos vzw Veiligheidsondersteunend beleid Daidalos vzw: Situering Voorziening Bijzondere Jeugdbijstand Mobiele/ semi-ambulante hulpverlening bij Problematische opvoedingssituaties (POS): hoofdzakelijk

Nadere informatie

Scholen herdenken vermoorde leraar

Scholen herdenken vermoorde leraar ANALYSE MAATSCHAPPELIJK VRAAGSTUK: ZINLOOS GEWELD tekst 26 NOS-nieuws van 16 januari 2004: Scholen herdenken vermoorde leraar Scholen in het hele land hebben om 11.00 uur één minuut stilte in acht genomen

Nadere informatie

Logopedie en Kindermishandeling. Toelichting op de Meldcode en het Stappenplan

Logopedie en Kindermishandeling. Toelichting op de Meldcode en het Stappenplan Logopedie en Kindermishandeling Toelichting op de Meldcode en het Stappenplan Nederlandse Vereniging voor Logopedie en Foniatrie (NVLF) Juni 2009 Inleiding Omgaan met (vermoedens van) kindermishandeling

Nadere informatie