TUBERCULOSE THORAX SCHOLING

Vergelijkbare documenten
TUBERCULOSE THORAX SCHOLING

HET ADEMHALINGSSTELSEL

Thema 4.2.1: Anatomie en fysiologie van de thorax, longen en het respiratoirsysteem

Ademhalingsorganen/luchtwegen. Ademhaling. De neus. De neus. De keelholte. De keelholte Bouw algemeen Van binnen naar buiten

Respiratie 1. Wat is respiratie. Respiratie bij de cel Functie en bouw van de luchtwegen

basisstof 1 gaswisseling bij dieren om te onthouden

aerobe dissimilatie gaswisseling ademhaling

Les 14 Ademhaling 1. Functie luchtwegen / neus. Ademhaling, luchtwegen, longen, inspiratie, expiratie, effectiviteit, Va/Q ratio, ademvolumina

Samenvatting Biologie Thema 3 Verbranding en ademhaling

Antwoorden door een scholier 1481 woorden 26 februari keer beoordeeld. Biologie voor jou

Herhalen anatomie art Cubiti: Elleboog

1 Techniek. 1.1 Inleiding

A. de hersenen en het ruggenmerg B. het hersenvlies en de hersenstam C. het cerebrospinaal vocht en de gevoelszenuwen D. de klieren en de lymfevaten

Respiratie NExCOB scholing december 2015 Ton Haans Verpleegkundig specialist

Gaswisseling. Samenvatting voor de toets

Thema: Transport HAVO. HENRY N. HASSENKHAN SCHOLENGEMEENSCHAP LELYDORP [HHS-SGL] Docent: A. Sewsahai

Voorwoord 1. Auteurs en leescommissie 3

Verbranding bij een kaars: kaarsvet + zuurstof --> water+ koolstofdioxide (+ energie)

Inleiding De longen Waarom een longoperatie?

Ademhalingsstelsel vmbo-b34. CC Naamsvermelding 3.0 Nederland licentie.

> waterdamp < zuurstof Aan ingeademde lucht = stikstof

1. We ademen om te leven

Ademhalingsstelsel vmbo-b34

Samenvatting Biologie Hoofdstuk 1

Fysiotherapie en ademhaling

Als het bloed uit de holle ader verder stroomt, in welk bloedvat komt het dan?

Inleiding De longen Waarom een longoperatie? Mediastinoscopie Mediastinotomie Thoracoscopie... 2

Longoperatie. Centrumlocatie

hart longen Werkboekje van...

5,9. Werkstuk door een scholier 2073 woorden 16 juli keer beoordeeld

LONGOPERATIE. Inleiding

PECTUS REVALIDATIE. De pectoralisspieren. De rugspieren

Luchtwegen en. ademhaling: hoe zit het ook alweer?

Samenvatting Biologie Verbranding en ademhaling

Thoracoscopie/ thoracotomie bij kinderen

ADEMHALING GAAT OVER INGAANDE LUCHT, VOORDAT JE ZINGT OF SPREEKT ADEMSTEUN IS DE CONTROLE OVER DE UITGAANDE LUCHT, TIJDENS HET ZINGEN OF SPREKEN

PATIËNTENBROCHURE. Kinesitherapie bij COPD

Fysiologie les 7. Herhalen Lymfestelsel:

Fysiotherapie bij COPD

adviezen na een hernia-operatie HYPERVENTILATIE ZorgSaam

Longvolumes en capaciteit

Samenvatting Biologie Hoofdstuk 2

Vrijmaken van geblokkeerde ademhalingswegen. of niet bij bewustzijn is Azië/Pacific

Thema 6 Gaswisseling en uitscheiding Basisstof 1

Oefenprogramma revalidatie linkerzijde

5,2. bs.1 Verbranding. bs 2 Ingeademde en uitgeademde lucht. Samenvatting door een scholier 1756 woorden 7 november keer beoordeeld

Oefenprogramma revalidatie rechterzijde

Chirurgie. Longoperatie. Afdeling: Onderwerp:

Thoracoscopie LONGGENEESKUNDE. Kijkoperatie in de borstholte

LONGOPERATIE Ligging en functie van de longen Een longoperatie Onderzoek

Transport door het lichaam. CC Naamsvermelding 3.0 Nederland licentie.

In balans door. centreren

Ga op de rug liggen. Buig de knieën en zet de voeten plat op de grond. Klap beide knieën naar één kant.

ADVIEZEN EN OEFENINGEN NA HALSKLIERDISSECTIE (VERWIJDEREN VAN LYMFEKLIEREN UIT DE HALS) Ontwikkeld door de :

De ademhaling. Wand van het haarvat Wand van het longblaasje. Rood bloedlichaampje. longblaasje. zuurstof kooldioxide

Yogales maart 2019!! Bewust staan

Hart anatomie en fysiologie

MODULE 3 Levensreddende handelingen

Rekoefeningen voor de Gehandicapte schutter

MyAirvo bij COPD: Hoge flow in combinatie met optimale bevochtiging, een ideale combinatie? Hoe werkt het: Theorie en Praktijk

Longoperatie. Ligging en functie van de longen

Longoperatie LONGGENEESKUNDE. U komt in aanmerking voor een longoperatie. Uw specialist zal de verder details met u bespreken.

Fig De Leefstijlacademie

Assess & Correct ASSESS & CORRECT 7/07/17. Deel II

HENRY N. HASSENKHAN SCHOLENGEMEENSCHAP LELYDORP [HHS-SGL Docent: A. Sewsahai HAVO

Respiratie Functie en bouw van de luchtwegen. Een uitingsvorm van het gebruik van de hulpademhalingsspieren is neusvleugelen.

Tussentoets Long (TT-2) Hart en Long 8WA03. Woensdag 3 april

Aanvulling: Om de oefeningen wat uitdagender te maken kun je je handen op je borst leggen ipv naast je lichaam op de grond.

Extra: Ademhaling. Inleiding

Antwoorden Biologie Hoofdstuk 2, Verbranding en ademhaling

HET ADEMHALINGSSTELSEL

1. cilindrische bronchiëctasieën (de mildste vorm) : de bronchiën zijn vergroot en cilindrisch (zie plaatje 2).

Oefenprogramma revalidatie

10 OEFENINGEN VOOR THUIS

Naam: BLOEDSOMLOOP. Vraag 1. Waaruit bestaat bloed?

Adviezen na een open-hart-operatie. Afdeling Fysiotherapie

Samenvatting Biologie Ademhaling

Houdingscorrectie Hoofd-nek-schouders-rug

Samenvatting Biologie 1-1 tot 1-3

Ooit nagedacht over wat er gebeurt onder een halsband?

Mobiliserende oefeningen voor thuis

BASISSTOF 1 HET BLOED OM TE ONTHOUDEN

Versus, Tijdschrift voor Fysiotherapie, 7e jrg 1989, no. 4 (pp )

Longrevalidatie kan ook zinvol zijn voor patiënten die zich voorbereiden op een longoperatie of daarvan herstellen.

Longen histologie. 1. Trachea 2. Bronchiën 3. Bronchiolen 4. Terminale bronchiolen 5. Respiratoire bronchiolen 6. Alveoli

Core-stabilityoefeningen (oefeningen voor rompstabiliteit)

Patiënteninformatie. Bewegen bij gewrichtsklachten. Aanbevolen door de reumatoloog

kijkwijzers. De voortgezet onderwijs leefstijl cursus voor in de gymles!

3. Wat gebeurt er met het kernmembraan in de eerste fase van de celdeling?

Longgeneeskunde. Open tuberculose.

Röntgenstraling. Medische beeldvorming

COPD en longproblematiek. Angst voor inspanning Noodzaak voor inspanning

Ademhalingsoefeningen. neuromusculaire aandoeningen

Buikspieroefeningen (basis)

Onderzoek naar shunts

1. De Fiets De zijkant van de buikspieren worden nog wel eens vergeten bij workouts. Met deze oefening richt je je juist op deze groep spieren.

Cursus Ontspanningsmassage. Bijlage spieren. Trapezius

halvemaanvormige kleppen) Doordat de hartkamers het bloed met kracht wegpompen.

Vuist maken, binnekant en buitenkant arm bekloppen (losse polsen) Schedel bekloppen

Transcriptie:

TUBERCULOSE THORAX SCHOLING Tuberculose Thorax scholing 2015

Pagina 0 van 22 Inhoud Leerdoelen syllabus TBC... 1 Tuberculose... 2 Incidentie TBC-besmettingen... 3 Anatomie en Fysiologie... 4 Anatomie van de longen... 4 Mucustransport... 6 Fysiologie van de ademhaling... 6 Insteltechniek... 10 Positioneren van de cliënt... 10 Achter-voorwaartse opname (posterior- anterior; PA)... 11 Dwarse opname (laterale/zijdelingse opname)... 11 Lordose opname (anterior-posterior; AP)... 12 Opname van kinderen... 13 Richtlijn LRCB:... 13 Opname van zwangeren... 14 Omgang met de cliënt... 15 Aanraken of niet?... 15 Communicatie met mensen die de Nederlandse taal niet (goed) beheersen... 15 Beoordelen van de technische kwaliteit van de foto... 16 Bijlage 1:... 17 Insteltechniek en criteria... 17 Bijlage 2... 19 Verklarende woordenlijst:... 19

Pagina 1 van 22 Leerdoelen syllabus TBC Na het lezen van de syllabus: Onthoudt de MTM er de factoren die een rol spelen bij het maken van een thorax opname Onthoudt de MTM er de criteria voor een PA-opname Onthoudt de MTM er hoe een PA-opname insteltechnisch gemaakt moet worden zodat deze aan de bijbehorende criteria voldoet. Onthoudt de MTM er de criteria voor een laterale opname Onthoudt de MTM er hoe een PA-opname insteltechnisch gemaakt moet worden zodat deze aan de bijbehorende criteria voldoet. Onthoudt de MTM er de criteria voor een Lordose opname Onthoudt de MTM er hoe een Lordose opname insteltechnisch gemaakt moet worden zodat deze aan de bijbehorende criteria voldoet Onthoudt de MTM er de richtlijnen die gelden voor het maken van een AP - opname van kinderen tot en met de leeftijd van 5 jaar. Onthoudt de MTM er de richtlijnen die gelden voor het maken van een Pa-opname van kinderen vanaf de leeftijd van 6 jaar. Onthoudt de MTM er de richtlijnen die gelden voor het maken van zowel een PA-als een laterale opname van zwangere vrouwen. Onthoudt de MTM er dat er sociale en communicatieve vaardigheden nodig zijn om een Thorax-opname volgens de geldende criteria te maken. Onthoudt de MTM er de anatomische en fysiologische aspecten van de tractus respiratorius en de tractus circulatorius. Onthoudt de MTM er hoe de ziekte Tuberculose ontstaat en zich kan ontwikkelen.

Pagina 2 van 22 Tuberculose Tuberculose is een infectieziekte en wordt veroorzaakt door een bacterie (Mycobacterium Tuberculosis). De meest voorkomende vorm is longtuberculose, maar de bacterie kan ook voorkomen in andere organen van het lichaam (hart, lymfeklieren, wervels, etc.). Bij niet of niet goed behandelen kan de ziekte dodelijk zijn. Bij besmetting met tuberculosebacteriën komt de bacterie binnen via de longen. Op de plaats van binnenkomst in de long, vermenigvuldigt de bacterie zich en laat zich via de lymfe naar het regionale lymfklierstation transporteren. Dit is vaak in de longhilus *. In de lymfklieren in de hilus of elders in het mediastinum*, treedt een afweerreactie op waardoor de lymfklier groter wordt. Dit kan zichtbaar zijn op een longfoto. Hierna volgt een verspreiding van de tuberculosebacterie via lymfe en bloed door het hele lichaam. Na ongeveer 6 weken heeft het lichaam doorgaans genoeg afweer ontwikkeld om de infectie te weerstaan. Wel blijven overal in het lichaam nog latente ('slapende') tuberculosebacteriën achter. Bij ongeveer 1% van de mensen zal aansluitend aan de besmetting tuberculose ontstaan. Bij ongeveer 10% zal de 'slapende' tuberculosebacterie op een later moment weer actief worden en de ziekte tuberculose veroorzaken. Dit is de zogenaamde postprimaire tuberculose. Hierbij bestaat een voorkeur voor de bovenste longkwabben (met name voor het apico-dorsale segment*) maar tuberculose kan overal in het lichaam ontstaan. Tuberculose is daarom een systeemziekte, het * Zie Bijlage 2 TBC-haard in rechter bovenste longkwab

Pagina 3 van 22 verwijderen van alleen het deel waar de tuberculose tot uiting komt (bijvoorbeeld een longkwab) is niet voldoende. Incidentie TBC-besmettingen Het aantal gevallen van tuberculose (tbc) in Europa is de afgelopen jaren gedaald, maar de medicijnresistentie onder patiënten neemt toe. Dat blijkt uit een uitgebracht rapport (maart 2017) van de Wereldgezondheidsorganisatie Europa (WHO Europe) en het European Centre for Disease Prevention and Control (ECDC). Het aantal patiënten nam tussen 2011 en 2015 met 4,3 procent per jaar af. Ook eiste de ziekte jaarlijks 8,5 procent minder dodelijke slachtoffers. Ondanks deze daling blijft het aantal medicijnresistente patiënten in Europa stijgen. Geschat wordt dat één op de vijf nieuwe gevallen van medicijnresistente tuberculose (MDR-tbc) wereldwijd zich voordoet in onze regio. In Nederland nam het aantal tbc-besmettingen juist wat toe. Volgens cijfers van het RIVM werd in 2016 bij 889 patiënten tuberculose vastgesteld. Dat is 3 procent meer dan in 2015 toen er 861 patiënten waren en 9 procent meer dan in 2014 (815). Multiresistente tuberculose (MDR-tbc) werd in 2016 bij 13 patiënten vastgesteld (tien in 2015).

Pagina 4 van 22 Anatomie en Fysiologie De longen zijn de organen waarin gaswisseling plaatsvindt tussen lucht en bloed ten behoeve van de stofwisseling (metabolisme * ). In rust haalt een volwassen mens per minuut ongeveer twaalf tot zestien keer adem. Per dag passeert zo'n 10.000 liter lucht de luchtwegen, op weg naar de longen. In een gemiddeld mensenleven vullen de longen zich zo'n 500 miljoen keer. Anatomie van de longen In de longen (pulmones), die zich in de borstholte bevinden, vindt de gaswisseling plaats tussen de ingeademde lucht en het bloed. De ingeademde lucht komt via de luchtwegen (bronchiën) in de longen. De longen bestaan uit verschillende structuren, die door bindweefsel zijn verbonden en overtrokken worden door de pleura. De luchtpijp vertakt in de linker en rechter bronchus. In de long vertakt de bronchus zich in secundaire en tertiaire bronchiën en deze weer verder in bronchioli. De bronchioli vertakken zich verder in alveoli (longblaasjes). De longen vullen het grootste gedeelte van de borstholte. Ze worden opengehouden door oppervlaktespanning die ontstaat door vloeistof. Deze vloeistof wordt geproduceerd door een dunne bekleding die zich rond de longen en borstkas bevindt. In de longen bevinden zich twee soorten longvliezen (pleura): de binnenste laag (viscerale pleura) en de buitenste laag (pariëtale pleura). Bij de longhilus worden ze met elkaar verbonden. De viscerale Figuur 1 * Zie Bijlage 2

Pagina 5 van 22 pleura bekleedt de buitenkant van de long en de pariëtale pleura bekleedt de binnenkant van de borstkas. Bij gezonde mensen staan beide pleura met elkaar in contact, ze glijden bij de ademhalingsbeweging over elkaar heen. De zeer smalle ruimte tussen de pleura is de pleuraholte. Omdat het hart aan de linkerkant ligt, is de linkerlong iets kleiner dan de rechterlong. De volumina van de rechter- en linkerlong verhouden zich hierdoor ongeveer als 4:3. Elke long wordt door diepe spleten (fissura interlobares) in kwabben verdeeld. De rechterlong bestaat uit drie kwabben en de linkerlong uit twee (figuur 2). De rechterlong heeft een boven-, een midden- en een onderkwab. Deze worden gescheiden door een schuin (van achter-boven naar voor-onder) lopende fissuur *. Deze fissuur wordt de fissura obliqua genoemd. Ook worden de kwabben gescheiden door de fissura horizontales, een tweede van voren horizontaal lopende fissuur. De linkerlong wordt eveneens door een schuin van achter-boven naar voor-onder lopende fissuur verdeeld in een boven- en een onderkwab. De fissuren worden, net als de buitenkant van de longen, bekleed door de viscerale pleura. Figuur 2 * Zie Bijlage 2

Pagina 6 van 22 Bronchiën en bronchiolen De wand van de bronchiolen bestaat bijna geheel uit glad spierweefsel, met uitzondering van het uiterste deel van de bronchiolen. Dit deel bevat niet veel glad spierweefsel meer. Veel obstructieve longziekten (COPD) zijn het resultaat van het nauwer worden van de bronchi en bronchiolen. Dit komt vaak door samentrekking van het gladde spierweefsel. De grootste luchtweerstand is in de grote bronchi te vinden. Dit komt omdat lucht zich beter kan verdelen in de kleiner bronchiolen. Bij longziekten spelen de kleine bronchiolen om twee redenen een belangrijke rol voor de luchtweerstand: (1) door de kleine omvang kunnen kleine bronchiolen makkelijk verstopt raken, (2) doordat de kleine bronchiolen relatief veel glad spierweefsel bevat kan het makkelijk samentrekken Mucustransport Mucus (slijm)van de luchtwegen en cilia(trilharen) en hun functie Alle luchtwegen worden bevochtigd door een laag slijm (Mucus). De mucus wordt afgescheiden door kubuscellen in het epitheel. De mucus houdt de luchtwegen vochtig en vangt stofdeeltjes uit de ingeademde lucht op. De mucus wordt middels de trilhaartjes (Cilia) verwijderd. In alle delen van de luchtwegen zijn cilia te vinden. De cilia slaan continue richting de pharynx *. Het mucus komt uiteindelijk in de pharynx terecht, waar het doorgeslikt wordt. Het mucustransport in de luchtwegen is één van de verdedigingsmechanismen die de longen bezitten. Tweefase-gas-vloeistofstroming Met tweefase-gas-vloeistofstroming wordt de interactie bedoeld tussen de luchtstroom in de luchtwegen en de mucuslaag die de luchtwegen bekleedt. Deze interactie draagt bij tot het transport van mucus van perifeer naar centraal. Ook de dikte van de mucuslaag is van belang bij het overbrengen van de energie van de luchtstroom op de mucuslaag. Een dikkere mucuslaag veroorzaakt een afname van de diameter van de luchtweg. Daardoor ondervindt de luchtstroom meer weerstand en wordt eerder turbulent en dus effectief bij het verplaatsen van mucus. Het hoesten en huffen*zijn dan ook bij overmatige mucusproductie belangrijke middelen voor het mucustransport. Fysiologie van de ademhaling Gaswisseling Zoals eerder genoemd is de belangrijkste functie van de long de gaswisseling: de uitwisseling van zuurstof (O 2 ) uit de ingeademde lucht en koolstofdioxide (CO 2 ) uit het bloed. Deze gaswisseling komt tot stand door passieve diffusie ter plaatse van de zogenaamde alveocapillaire membraan*en is * Zie Bijlage 2

Pagina 7 van 22 mogelijk dankzij enerzijds de ventilatie (luchtverversing) en anderzijds perfusie (bloeddoorstroming) van de long. Bij de ademhaling wordt het thoraxvolume afwisselend vergroot en verkleind. Het diafragmafout! Bladwijzer niet gedefinieerd. is verantwoordelijk voor rustig ademen. Tijdens inademen (=inspiratiefout! Bladwijzer niet gedefinieerd.), veroorzaakt contractiefout! Bladwijzer niet gedefinieerd. van het diafragma voor het neerwaarts bewegen van de longen. Tijdens expiratiefout! Bladwijzer niet gedefinieerd. (uitademing), ontspant het diafragma en veroorzaakt de elasticiteit van de longen, de druk van de borstwand en de buikinhoud voor het terug bewegen van de longen. Ventilatie De ademhaling heeft tot doel de regelmatige verversing van de alveolaire lucht *, zodat door diffusie het bloed maximaal wordt geoxygeneerd* en een belangrijk deel van de CO 2 wordt verwijderd. De inademing komt tot stand door contractie van het middenrif en de ademhalingsspieren van de thoraxwand, wat resulteert in een toename van het volume van de thoraxholte en uitzetten van de long. De uitademing is onder normale omstandigheden voornamelijk een passief proces, bewerkstelligd door de zwaartekracht en de elastische eigenschappen van long en thoraxwand. Perfusie Het bloed stroomt vanuit de rechter ventrikel(kamer) van het hart naar de alveolaire capillairen (haarvaten), alwaar de uitwisseling van zuurstof en koolstofdioxide plaatsvindt (figuur 3). Figuur 3 Hierna bereikt het zuurstofrijke bloed via de longvenen* en de linker harthelft de arteriëlefout! Bladwijzer niet gedefinieerd.zijde van de grote circulatie, waar vandaan het bloed naar de rest van het lichaam wordt gepompt. Zuurstofarm, koolstofdioxiderijk bloed stroomt via twee grote aderen, de * Zie Bijlage 2

Pagina 8 van 22 onderste en bovenste holle ader, terug naar de rechter harthelft. Vervolgens wordt dit via de longslagader naar de longen gepompt, waar het opnieuw zuurstof opneemt en koolstofdioxide afstaat. Diffusie De uitwisseling van O 2 en CO 2 tussen enerzijds de alveolaire lucht en anderzijds tussen bloed en weefselvloeistof, is een passief proces en berust op partiële spanningsverschillen tussen de compartimenten. Deze diffusie * vindt plaats in de alveolaire septa (het longparenchym). Het totale oppervlak van de bloed-luchtbarrière in de long bedraagt meer dan 200 m2. De diffusie van O 2 en CO 2 (figuur 4) vindt zeer snel en effectief plaats; CO 2 diffundeert nog iets sneller dan O 2. Borst (rib) ademhaling Figuur 4 Bij inspiratie wordt de borstkas actief opgetild en, omdat de ribben schuin verlopen, ook verwijd. Het borstbeen, dat via kraakbeen met de ribben is verbonden, zorgt ervoor dat de ribuiteinden parallel verschuiven. Bij rustige ademhaling keert de elastische borstkas na de inspiratie passief in de rustpositie terug. Bij geforceerde expiratie kan de borstkas actief, tegen de elastische krachten in, nog kleiner worden gemaakt. Bij rustige borstademhaling zijn de spieren mm. intercostales externi en de mm. serrati posteriores de inspiratoren'. De mm. intercostales interni zijn de uitademingspieren'. Spieren die mee kunnen helpen bij de inademing zijn de m. trapezius, m. sternocleidomastoideus, m. levator scapulae en de mm. scalenii. De intercostaalspieren zorgen voor het opvangen van wisselingen in luchtdruk en de druk in de borstkas. Bij geforceerde borstademhaling werken de spieren van de schoudergordel mee als inspiratoren. De buikwandspieren en de musculus latissimus dorsi werken dan als expiratoren. Figuur 5 Diafragmaal ademen Bij de middenrifademhaling zijn de buikingewanden en de buikwandspieren belangrijke factoren; de lever wordt hier als zuiger' op en neer bewogen. Bij inspiratie worden de spieren van het middenrif korter, de afstand tussen diafragma en borstkaswand wordt groter. De long vult door volumetoename de complementaire ruimte op. Ook het hart verplaatst' zich, deze komt bij middenrifademhaling lager te liggen. * Zie Bijlage 2

Pagina 9 van 22 Bij expiratie worden de lever en het diafragma, door de contractie van de buikwand-musculatuur, de borstkas ingeduwd en vervolgens door de elasticiteit van de longen ingezogen. Bij rustige ademhaling zorgt het diafragma voor ongeveer 75% van de intra thoracale volumeveranderingen. Costodiafragmale mechanisme Bij volwassenen werken de twee bovengenoemde ademhalingstechnieken samen. Voorwaarde voor een goede borstademhaling is dat het diafragma tegelijkertijd contraheert en niet de borstkas wordt ingezogen. Omgekeerd vraagt een goede middenrifademhaling een stabiele spanning van de intercostaal * spieren. * Zie Bijlage 2

Pagina 10 van 22 Insteltechniek De volgende factoren spelen een cruciale rol bij het maken van een thorax opname: de instelling van het röntgenapparaat; de positionering van de cliënt; de omgang met de cliënt. Deze factoren en hun invloed op de kwaliteit van de opname, worden achtereenvolgens toegelicht. Positioneren van de cliënt Om te beoordelen of er afwijkingen, zoals cavernes *, in de longen zijn, moet de gehele thorax goed zijn afgebeeld. Waarbij zowel de longtoppen (waar de tuberculoseafwijkingen vaak voorkomen) als de sinussen (onderste delen) zijn afgebeeld. Dit betekent onder andere dat er nauwkeurig moet worden gediafragmeerd. Dat is vaak lastig, omdat van buitenaf niet te zien is hoe groot de longen zijn. Er zijn echter wel een aantal punten waarop gelet kan worden Deze worden hieronder besproken. * Zie Bijlage 2

Pagina 11 van 22 Achter-voorwaartse opname (posterior- anterior; PA) Standaard wordt van cliënten, die in aanmerking komen voor een longfoto, een achtervoorwaartse opname gemaakt. Belangrijk is dat de cliënt goed diep inademt en de schouderbladen wegdraait. Door goed weg te draaien, worden de longvelden beter zichtbaar. Positionering: de cliënt staat met de borst tegen het scherm (ook wel wandbucky genoemd); de kin is naar voren gericht, in de uitsparing van het scherm (stel zo nodig de hoogte van het röntgensysteem in); de handruggen liggen laag op de heupen; de schouders zijn laag; de ellebogen duwen tegen het scherm; de bovenarmen drukken tegen het scherm. Diafragma: de verticale zwarte streep van het lichtvizier valt gelijk met de wervelkolom; de bovengrens van het lichtvizier valt op halswervel 7 (op de overgang van schouders en nek); naast de cliënt is nog een kleine lichtstreep op het scherm zichtbaar; diafragmeer de onderzijde tot 3 à 4 vingerbreedten boven de heupen. Dwarse opname (laterale/zijdelingse opname) De arts kan vragen deze opname, als aanvulling op de achter-voorwaartse opname, te laten maken. Met de dwarse opname kan beter worden nagegaan of er een afwijking aan de voor/achterzijde in de longen of mediastinum zit. Positionering: de cliënt staat met de linkerzijde tegen het scherm (soms wordt een opname van rechts gemaakt; maar dan wordt het hart groter afgebeeld); de cliënt houdt de beide ellebogen vast en tilt de armen boven het hoofd (of houdt de stang boven het hoofd vast); het bovenlichaam is iets voorover gekanteld en de kin is recht naar voren gericht. Diafragma: het lichtvizier is ingesteld zoals bij een achter-voorwaartse opname (bovengrens op de overgang van schouders en nek, onderkant 3 à 4 vingerbreedten boven de heupen, zijkant een dunne streep licht op het scherm).

Pagina 12 van 22 Lordose opname (anterior-posterior; AP) Ook de lordose foto wordt als aanvulling op de achter-voorwaartse opname gemaakt. Deze opname maakt het mogelijk om de longtoppen beter te bekijken, omdat de sleutelbenen omhoog geprojecteerd worden. Positionering: de cliënt staat met de schouders tegen het scherm en met een holle onderrug (PA); de handruggen liggen op de heupen en de ellebogen zijn naar voren gedraaid, waardoor de schouderbladen wegdraaien van de longen. Diafragma: doe het lichtvizier aan en stel in als bij een achter-voorwaartse opname. Aangezien het hierbij voornamelijk om de longtoppen gaat, kan het onderste deel van de longen met behulp van het diafragma worden afgeschermd. Let wel op dat de meetvelden zich achter de longtoppen bevinden en geheel binnen het lichtvizier (anders heeft dit een nadelig effect op de belichtingskwaliteit).

Titel van het rapport Pagina 13 van 22 Opname van kinderen De hierboven genoemde opnamen kunnen ook van kinderen worden gemaakt. Het fotograferen van met name kleine kinderen vraagt echter wel extra aandacht. Hierbij een aantal algemene richtlijnen: Stel het kind en eventuele begeleider(s) gerust. Neem de tijd voor uitleg en het maken van de röntgenopname; Als het kind tegenwerkt, beoordeel dan de kans van slagen. Bedenk dat een bewogen foto waardeloos is en dus zonde van de toegediende dosis. Als je van mening bent dat het geen zin heeft om in de gegeven situatie een röntgenfoto te maken, overleg dit dan met de arts; Moet het kindje vastgehouden worden, laat dat dan door de ouder/ begeleider doen. Doe het niet zelf; Diafragmeer goed; Kies, indien mogelijk, voor het kinderprotocol: de opname wordt met een lager kv gemaakt dan bij een volwassen belichting. Ook wordt het middelste meetveld gebruikt in plaats van de buitenste twee. Richtlijn LRCB: Verwijder het strooistralenrooster, waar mogelijk, bij kinderen tot en met 5 jaar. Voor deze groep geldt ook dat de foto AP gemaakt moet worden. Het kind kan dan zien wat er gebeurt en is dan vaak minder angstig. Ook wordt er dan uniform gewerkt waardoor de opname goed te beoordelen is door de arts. Let er wel op dat voor het juiste opnameprotocol wordt gekozen en dat de L-R-markering juist is. Voor kinderen vanaf 6 jaar geldt dat het strooistralenrooster wel gebruikt moet worden en dat de opname PA gemaakt wordt Zodra de meetvelden links en rechts geheel zichtbaar zijn op de cliënt en er geen licht van het lichtvizier daar buiten valt, kan een volwassen belichting gebruikt worden: Belichtingsautomaat - 125 kv. Indien kleding gedragen wordt (niet gewenst) let goed op of de zij-meetvelden binnen het lichaam van de cliënt vallen. Leeftijd Strooistralenrooster Meetveld Voorschuiflamel Stralenrichting Opnameprotocol t/m 5 jaar Nee Midden Ja AP Kind Vanaf 6 jaar Ja Midden Indien nodig PA Kind Zodra de zijmeetvelden geheel binnen de cliënt vallen (Let op evt. kleding). Ja Links en rechts Nee PA Volwassen

Titel van het rapport Pagina 14 van 22 Opname van zwangeren De zwangere cliënten zijn een speciale groep binnen de screeningspopulatie. Er moet dan ook zorgvuldig omgegaan worden met deze groep. Volgens de wet moeten moet aan de volgende regels worden voldaan: 1. Indien mogelijk, dient de radiologische verrichting te worden uitgesteld. 2. Als dit om medische redenen niet mogelijk is, dient specifieke aandacht uit te gaan naar de rechtvaardiging en dosis beperkende maatregelen voor de vrouw en het ongeboren kind. Dat betekent dat als het noodzakelijk is dat de X-thorax gemaakt moet worden, de uterus 9 zich niet in de stralenbundel bevindt en binnen 10 cm van de rand van de bundel. Zeker bij zwangeren is het belangrijk goed te diafragmeren. Zorg dat er niet meer afgebeeld wordt dan strikt noodzakelijk is en de onderstaande (bekende) richtlijn voor de PA-thorax nageleefd wordt. Diafragma: de verticale zwarte streep van het lichtvizier valt gelijk met de wervelkolom; de bovengrens van het lichtvizier valt op halswervel 7 (op de overgang van schouders en nek); naast de cliënt is nog een kleine lichtstreep op het scherm zichtbaar; diafragmeer de onderzijde tot 3 à 4 vingerbreedten boven de heupen. Wat altijd belangrijk is tijdens het maken van een röntgenfoto: ALARA-principe `As Low As Reasonably Achievable`. Dit is het principe dat de blootstelling van mens en milieu aan ioniserende straling zo laag als redelijkerwijs mogelijk is! 9 Zie Bijlage 2

Titel van het rapport Pagina 15 van 22 Omgang met de cliënt Het maken van röntgenfoto s vereist niet alleen technische kennis, het vraagt ook goede sociale en communicatieve vaardigheden. Sommige cliënten zijn bang om een röntgenfoto te laten maken, anderen beheersen het Nederlands niet of nauwelijks, waardoor het lastig is uit te leggen wat ze moeten doen. In deze paragraaf staan we kort stil bij een aantal zaken, waar je als medischtechnische medewerker tegenaan kunt lopen en op kunt letten als je röntgen- foto s maakt. Aanraken of niet? Bij het positioneren van een patiënt kan dit een dilemma zijn: doe je voor hoe de cliënt moet gaan staan of zet je hem zelf in de vereiste positie? Het beste is naast de cliënt te gaan staan en voor te doen hoe hij moet gaan staan, zodat je de cliënt niet hoeft aan te raken. Dit gaat echter niet altijd goed. De cliënt draait de schouders niet genoeg weg of gaat niet goed tegen het scherm staan, waardoor de kans bestaat, dat de foto mislukt. Je moet dan ook steeds afwegen: is het voldoende om het alleen voor te doen of moet je de cliënt helpen om in de juiste positie te gaan staan? Belangrijk is dat je je steeds bewust bent van het feit, dat mensen het vervelend kunnen vinden dat je ze aanraakt. Vertel de persoon dan ook dat je hem in de juiste positie wilt zetten. Communicatie met mensen die de Nederlandse taal niet (goed) beheersen Als medisch-technische medewerker werk je veel met mensen die uit andere culturen komen en het Nederlands niet (goed) beheersen. Zowel de cultuurverschillen als de taalproblemen leiden af en toe tot communicatieproblemen. Wat kun je doen om deze problemen te verkleinen? Een folder kan helpen zodat ze weten wat hen te wachten staat; Maak gebruik van illustraties. Wijs ze op de plaatjes wanneer je vraagt of iemand zwanger is of wanneer je uitlegt dat ze zich (gedeeltelijk) moeten uitkleden; Doe dingen voor; Probeer mensen met een aantal woorden in hun eigen taal aan te spreken (soms is er een lijst met vertalingen). Dit kan geruststellend werken en vergemakkelijkt de instellingen; Gebruik eenvoudige en heldere taal. Maak korte zinnen en vermijd moeilijke woorden; Bedenk dat de betekenis van gebaren en bepaalde gezichtsuitdrukkingen tussen landen kan verschillen. Het Nederlandse ja-knikken betekent in sommige landen nee; Blijf tegen mensen praten, ook als ze je niet verstaan. Het feit dat je tegen hen praat, kan rustgevend werken.

Titel van het rapport Pagina 16 van 22 Beoordelen van de technische kwaliteit van de foto Op het werkstation kan worden gekeken of de röntgenopname technisch goed is en ter beoordeling aan de arts kan worden gegeven. Het beoordelen van de technische kwaliteit vereist veel oefening en afstemming met de arts. Door regelmatig de gemaakte röntgenopnamen te bespreken en te evalueren, wordt geleerd welke technische afwijkingen een goede beoordeling van de foto lastig of onmogelijk maken. Naarmate men meer ervaring krijgt is het ook makkelijker om in de toekomst beter om te gaan met technische afwijkingen en moeilijke omstandigheden waaronder een foto gemaakt moet worden. Uiteindelijk wordt door meer ervaring de kwaliteit van de röntgenfoto s verbeterd.

Titel van het rapport Pagina 17 van 22 Bijlage 1: Insteltechniek en criteria X-thorax PA Positionering Centreren Cliënt zit/ staat rechtop met borst tegen statief aan (PA, minder vertekening van hartlongen) Kin recht naar voren, omhoog Schouders en ellebogen naar voren gedraaid (scapulae* wegdraaien) Handruggen liggen op de heupen Inspiratie (bij pneumo thorax ook expiratie) Stralenrichting horizontaal Ff/ Fd afstandfout! Bladwijzer niet gedefinieerd. is 140-200 cm Centreerpunt Th7-Th8* Bovengrens C7 10 Ondergrens, onderrand ribbenboog Zijgrenzen halverwege schouderkoppen (caput humerifout! Bladwijzer niet gedefinieerd.) Beoordelingscriteria Complete identificatie en R-L markering Volledige afbeelding longen, inclusief randen van de ribben Symmetrische afbeelding Boven de claviculafout! Bladwijzer niet gedefinieerd. in de longtoppen zijn de 2 bovenste ribbenparen afgebeeld Scapulae niet in de longvelden Sinus pleurae scherp afgebeeld Goede inspiratie: tenminste 10 ribbenparen te zien Door het mediastinum heen zijn de structuren van de wervelkolom en trachea* nog te zien Longvaattekening zichtbaar Thorax lateraal Positionering Cliënt zit/ staat in laterale positie tegen statief aan Kin recht naar voren Handen en ellebogen boven het hoofd Bovenlichaam iets voorover laten kantelen waardoor de sinussen pleurae in 1 lijn worden afgebeeld Linker zijde tegen statief (vergroting van het hart minimaal) Inspiratie 10 Zie Bijlage 2

Titel van het rapport Pagina 18 van 22 Stralenrichting horizontaal Ff/ Fd afstand is 140-200 cm Centreren Centreren Th7-Th8, midden van de thorax Bovengrens door de schouder (humerus 11 ) kop Ondergrens, onderrand ribbenboog Zijgrenzen dorsaal net achter wervelkolom en voor net voorbij het borstbeen (sternum) Beoordelingscriteria Complete identificatie en R-L markering Volledige afbeelding van de longen Symmetrische afbeelding van het thorax skelet Laterale afbeelding van de wervelkolom Goede inspiratie 11 Zie Bijlage 2

Titel van het rapport Pagina 19 van 22 Bijlage 2 Verklarende woordenlijst: Alveocapillaire membraan Alveolaire lucht overgangszone van de alveoli naar het bloed in de capillairen. Dit is de zogenaamde bloed-gas barrière lucht in de longblaasjes Apico-dorsale segment achterste deel van de longtop Arterieel slagaderlijk C7 Caput humeri Caverne Cilia Clavicula Contractie Costa Diafragma Diffusie cervicale wervel 7 (nekwervel) schouderkop holte in weefsel, ontstaat door o.a. tuberculose trilharen sleutelbeen samentrekken van organen of spieren ribben middenrif passief transport van deeltjes door de wand van cellen Expiratie uitademing Ff/ fd afstand focus-film / focus- detector afstand Fissuur spleet die de totale long onderverdeelt in kwabben Huffen Humerus Inspiratie Longhilus Mediastinum Metabolisme Mucus Oesophagus Oxygeneren Vene Pharynx Pleura Pulmones Scapula Sternum een geforceerde uitademing met - in tegenstelling tot hoesten - open stembanden bovenarm inademing de poort in de long waar de bronchus, de bloedvaten en de zenuwen hierin overgaan gebied tussen longvelden in (hart/grote bloedvaten/ trachea etc.) stofwisseling slijm slokdarm verzadiging met zuurstof ader bovenste deel van het ademhalings- en spijsverteringsstelsel van veel gewervelden. Volgt direct na de neus en mond, vlak voor de slokdarm. longvliezen longen schouderblad borstbeen

Titel van het rapport Pagina 20 van 22 Th 7-8 Trachea Uterus thoracale wervel 7-8 (borstwervel) luchtpijp baarmoeder