Thema Kinderen en school

Vergelijkbare documenten
Thema Kinderen en school

Thema Op zoek naar werk

VERLENGEN KOPEN RUILEN BETALEN

Thema Kinderen en school

Thema Op het werk. Lesbrief 16. Herhaling thema.

Thema Informatie vragen bij een instelling

Thema Informatie vragen bij een instelling

Les 6. Herhaling thema.

Thema Kinderen en school

Les 2. Naar het ziekenhuis.

Thema Gezondheid. Lesbrief 33. In gesprek met de leerkracht.

Thema Kinderen en school

Thema Op het werk. Lesbrief 15. Het functioneringsgesprek.

Thema In en om het huis

Beginnerslessen. Lesbrief 42. Het inburgeringsexamen

Thema Informatie vragen bij een instelling

Lesbrief 35. AOW aanvragen.

Les 4. Naar de apotheek.

Thema Op het werk. Lesbrief 12. In de pauze.

Thema Kinderen en school. Les 21. Herhaling thema

Thema Op zoek naar werk

Lesbrief 14. Naar personeelszaken.

Thema Nederlandse cultuur en gewoontes

Les 35. Een nieuw paspoort

Thema In en om het huis.

Thema Kinderen en school. Lesbrief 21. Herhaling thema

Les 34. Meedoen in het verpleeghuis

Les 1. Bij de huisarts

Thema Op het werk. Les 16. Herhaling thema. Wat leert u in deze les? Veel succes!

Thema Kinderen en school.

Thema In en om het huis

Pluslessen. Les 42. Contact met elkaar. Wat leert u in deze les? Succes! 0 Een praatje beginnen met onbekenden.

Thema Op zoek naar werk. Les 7. Naar het uitzendbureau.

Thema Kinderen en school. Lesbrief 20. Op het schoolplein

Lesbrief 6. Herhaling thema.

Thema Informatie vragen bij een instelling

Thema Gezondheid. Les 5. De tandarts

Thema Gezondheid. Lesbrief 2. Naar het ziekenhuis.

Thema Informatie vragen bij een instelling

Thema Informatie vragen bij een instelling

Thema In en om het huis

dat ouders vaak afspraken maken om hun kinderen bij elkaar thuis te laten spelen.

Thema Op zoek naar werk

Thema Gezondheid. Les 2. De wachtkamer

Thema Op zoek naar werk. Lesbrief 9. Het sollicitatiegesprek Antwoord geven op vragen

Thema Kinderen en school. Lesbrief 19. Samen naar de bibliotheek

Thema Kinderen en school. Les 17. De kinderopvang

Spreekopdrachten thema 3 Kinderen

Thema Gezondheid. Les 3. De huisarts

Thema Informatie vragen bij een instelling

Thema Op zoek naar werk. Lesbrief 6. Het sollicitatiegesprek Antwoord geven op vragen

Lesbrief 40. Een nieuwe woning zoeken

Thema Gezondheid. Lesbrief 3. De huisarts

Herhalingsles van het thema Gezondheid

Thema Kinderen en school. Demet TV. Lesbrief 9. De kinderopvang

Spreekopdrachten thema 3 Kinderen

Thema In en om het huis.

Thema Kinderen en school. Lesbrief 19. Samen naar de bibliotheek

Les 33. Zwangerschap

Les 3. Familie, vrienden en buurtgenoten

Les 5. In het ziekenhuis.

Thema Kinderen en school. Les 18. Voor het eerst naar school

werkbladen thema 7 DE BASISSCHOOL

Thema Gezondheid. Lesbrief 5. De tandarts

Thema Gezondheid. Lesbrief 5. De tandarts

CP3. Naar de basisschool

Achtergrondinformatie

Actielessen. Lesbrief 3. Leren in de bibliotheek. Wat leert u in deze les? Veel succes!

Huiswerk Spreekbeurten Werkstukken

Thema In en om het huis

Lesbrief 38. Aangifte doen van geboorte

Thema Op het werk. Lesbrief 16. Herhaling thema

Thema Op zoek naar werk. Les 10. Het sollicitatiegesprek Afspraken maken

Thema Kinderen en school. Lesbrief 18. Voor het eerst naar school

Les 4. De fysiotherapeut.

Thema In en om het huis

Thema Op het werk. Les 15. Vrij vragen

Thema Op het werk. Demet TV. Lesbrief 8. De eerste werkdag

Opstartlessen. Les 2. Wonen. Wat leert u in deze les? Veel succes! Een gesprek voeren over wonen. Zeggen hoe u woont.

Herhalingsles van het thema Op zoek naar werk

Thema In en om het huis

Lesbrief 3. De fysiotherapeut.

Lesbrief 39. Vrije tijd en vakantie

Alles onder de knie? 1 Herhalen. Intro. Met de docent. 1 Werk samen. Lees het begin van de gesprekjes. Maak samen de gesprekjes af.

Thema Op zoek naar werk. Les 9. Het sollicitatiegesprek Antwoord geven op vragen

Thema Op zoek naar werk

Thema Gezondheid. Lesbrief 2. De huisarts

Thema Gezondheid. Lesbrief 2. De wachtkamer

Thema Kinderen en school. Lesbrief 10. Voor het eerst naar school

Thema Op zoek naar werk

Thema Op het werk. Lesbrief 12. De eerste werkdag

Melkweg. Naar welke school? Lezen van Alfa B naar Alfa C. Taal en ouders: Het voortgezet onderwijs

Nieuws uit CBS Het Kompas. Toetsen

Opstartlessen. Les 1. Kennismaken

Thema Gezondheid. Lesbrief 2. De wachtkamer

Thema Op zoek naar werk. Demet TV. Lesbrief 7. Het sollicitatiegesprek Afspraken maken

Lesbrief 37. Aangifte doen bij politie

Spreken. Les 6: Wat zeg je? Telefoon OPDRACHTKAART.

Thema Op het werk. Lesbrief 15. Vrij vragen

Actielessen. Lesbrief 1. Nederlands leren. Wat leert u in deze les? Veel succes!

Transcriptie:

http://www.edusom.nl Thema Kinderen en school Lesbrief 21. Herhaling thema. Wat leert u in deze les? De woorden uit les 17, 18, 19 en 20. Veel succes! Deze les is ontwikkeld in opdracht van: Gemeente Den Haag en DWI Amsterdam

Opdracht 1. De woorden van les 17. Kijk naar de letters. Welke woorden kunt u vinden? 1. Zet lijnen of een kring om de woorden. Kijk naar het voorbeeld. 2. Maak daarna een woord van de letters die overblijven. Bekijk nu de antwoorden op p. 14. 2

Opdracht 2. De woorden van les 18. Lees de woorden en kijk naar de plaatjes. Wat hoort bij elkaar? Trek een lijn. Aardrijkskunde -- Geschiedenis -- Taal - Rekenen - Rapport -- Begrijpend lezen Bekijk nu de antwoorden op p. 15. 3

Opdracht 3. De woorden van les 19. Zoek de volgende woorden: Van boven naar beneden Van links naar rechts Schuin ZWEMBAD CONTRIBUTIE SPORT WORDEN WEDSTRIJD CLUB METEEN TRAINEN LEEFTIJD GOEDKOOP MAANDKAART TRAINING VERENIGING Bekijk nu de antwoorden op p. 16. 4

Opdracht 4. De woorden van les 20. Welk woord moet er staan? maak woorden uit de les. Zet de letters in de goede volgorde. Kijk eerst naar het voorbeeld. Voorbeeld: B M O V Vmbo Nu zelf: 1. A V E S I D. 2. O E R S C. 3. O A V H. 4. Z K I E E N. 5. L D R E O F. Taalpuzzel: 1. Neem de derde letter van het eerste woord:. 2. Neem de tweede letter van het derde woord:. 3. Neem de eerste letter van het vierde woord:. Welk woord krijgt u:. Bekijk nu de antwoorden op p. 16. 5

Opdracht 5. De woorden van les 17, 18, 19 en 20. Maak een woordketting. Kijk naar het voorbeeld: Voorbeeld: Ouders Schoolkamp P Ziet u het? Elke laatste letter van een woord is de eerste letter van het volgende woord. Zo maak je een ketting. Het eerste woord is VMBO. Zoek nu een woord dat begint met een O. Twee voorbeeld zijn al gegeven, probeer de rest in te vullen. Kies uit de woorden: LEEFTIJD RAPPORT - TAAL STRIPPENKAART OUDERS GOEDKOOP -- NASCHOOLSE OPVANG TOETS -- TRAINEN.......VMBO......... DUUR..... Bekijk nu de antwoorden op p. 17. 6

Opdracht 6. Maak van 2 woorden 1 lang woord. Zoek bij elkaar! Kijk naar het voorbeeld. 1. School avond 2. Informatie formulier 3. Identiteits training 4. Zwem bewijs 5. Voetbal wedstrijd 6. Inschrijf kamp Schrijf nu de woorden helemaal op. Kijk naar het voorbeeld. 1.. 2.. 3.. 4.. 5. Voetbaltraining 6.. Bekijk nu de antwoorden op p. 17. 7

Opdracht 7. Beantwoord de vragen. Streep de foute antwoorden door. 1 Wanneer moet u contributie betalen? - Als uw kind lid is van een vereniging. - Als uw kind een rapport krijgt. - Als u naar een informatieavond gaat. 2 Waar kan uw kind overblijven? - Op school. - Op de bibliotheek. - In het zwembad. 3 Aan wie vraagt u informatie vragen over hoe het met uw kind op school gaat? - Aan uw chef. - Aan de leraar. - Aan een ouder. 4 Wat staat er in een rapport? - Hoe laat uw kind op school moet zijn. - Hoe uw kind heeft gewerkt op school. - Wanneer de vakanties zijn. Bekijk nu de antwoorden op p. 17. 8

Opdracht 8. SPREKEN. Vragen stellen op school. Wat kunt u zeggen? 1. Uw kind gaat op schoolreisje. U wilt weten hoeveel u moet betalen voor het schoolreisje. Dit kunt u allemaal aan de leerkracht vragen: Hoeveel moet ik betalen voor het schoolreisje? Wat kost het schoolreisje? Hoe duur is het schoolreisje? 2. U wilt weten wanneer uw kind op school kan leren zwemmen. Dit kunt u aan de leerkracht vragen: Wanneer kan mijn kind leren zwemmen? Wanneer begint het schoolzwemmen? In welke groep is er schoolzwemmen? 3. U werkt de hele dag. U wilt weten of uw kind op school kan eten. Dit kunt u aan de leerkracht vragen: Kan mijn kind op school eten? Kun je op school overblijven? Is er ook een overblijf? 4. De juffrouw zegt dat het goed gaat op school. U wilt weten of dat echt zo is. Dit kunt u aan de leerkracht vragen: Gaat het echt goed op school? Vindt u echt dat het goed gaat op school? Gaat alles goed, of zijn er ook dingen die minder goed gaan? 5. Uw kind kan niet zo goed lezen. U wilt hem helpen. Dit kunt u aan de leerkracht vragen: Kan ik thuis met mijn kind oefenen? Hoe kan ik mijn kind helpen? 6. U wilt lid worden van de bibliotheek. Maar u weet niet hoe dat moet. Dit kunt u aan de leerkracht vragen:? Hoe kan ik lid worden van de bibliotheek? Wat moet ik doen om lid te worden? 9

Opdracht 9. SPREKEN. Wat kunt u zeggen? De leerkracht maakt een praatje met u. Lees de vragen. Geef antwoord. 1. Hallo, hoe gaat het met u? U kunt bijvoorbeeld zeggen: Het gaat goed. Prima. Niet zo goed. 2. Heeft uw kind zijn zwemdiploma gehaald? U kunt bijvoorbeeld zeggen: Ja, hij heeft het zwemdiploma gehaald. Nee, hij heeft zijn zwemdiploma niet gehaald. 3. Wat vindt hij leuker, aardrijkskunde of taal? U kunt bijvoorbeeld zeggen: Hij vindt taal leuker. Hij vindt aardrijkskunde leuker. 4. Heeft u het opstel van uw kind gelezen? U kunt bijvoorbeeld zeggen: Ja, ik heb het gelezen. Nee, ik heb het niet gelezen. 5. Heeft u zich al ingeschreven bij de bibliotheek? U kunt bijvoorbeeld zeggen: Ja, vorige week. Nee, ik ga me volgende week inschrijven. 6. Vindt u deze school leuk? Of vond u de vorige school leuker? U kunt bijvoorbeeld zeggen: Ik vind deze school leuk. Ik vond de vorige school leuker. 10

Opdracht 10. Beantwoord de vragen. 1. Wat zegt u als de leerkracht vraagt hoe het op school gaat? 2. Wat zegt u als u wilt weten wat het schoolreisje kost? 3. Wat zegt u als u wilt weten op welke dag u moet trainen? 4. Wat zegt u als u wilt weten naar welke school uw kind het beste kan gaan? 5. Wat zegt u als u aan de leerkracht vraagt hoe uw kind de toets heeft gemaakt? Bekijk nu de antwoorden op p. 17. 11

PRAKTIJK Opdracht 11. Kijk in de praktijk. EEN PRAATJE MAKEN Heeft u kinderen op school? Doe dan opdracht 1. Maak een praatje met een andere ouder op het schoolplein. Praat Nederlands. Groet de ander en vraag hoe het gaat. Kies een onderwerp om over te praten: het overblijven het schoolreisje het rapport het voortgezet onderwijs Heeft u geen kinderen op school? Doe dan opdracht 2. Als u geen kind heeft, of geen kind op school, stel dan vragen aan iemand die wel een kind op school heeft. Praat Nederlands. Groet de ander en vraag hoe het gaat. Kies een onderwerp om over te praten: de scholen in de buurt grote scholen en kleine scholen wat is een goede school? het voortgezet onderwijs 12

MEER WOORDEN LEREN Lees de onderstaande woorden. Zoek de woorden op in het woordenboek. U kunt bijvoorbeeld het Basiswoordenboek Nederlands of het Nederlands als tweede taal - woordenboek gebruiken. Schrijf de betekenis van de woorden op de stippellijn. Les 17 De informatieavond... Het zwemdiploma... Les 18 Vragen beantwoorden... Plezier... Les 19 Natuurlijk... Graag gedaan... Les 20 Prima... De cito-toets... Bekijk de antwoorden op p. 18. 13

ANTWOORDBLAD Opdracht 1. Het woord dat overblijft is: schoolzwemmen. 14

Opdracht 2. aardrijkskunde, geschiedenis, taal, rekenen, rapport, begrijpend lezen. 15

Opdracht 3. Opdracht 4. 1. Advies 2. Score 3. HAVO 4. Kiezen 5. Folder Taalpuzzel: 1. Neem de derde letter van het eerste woord: V 2. Neem de tweede letter van het derde woord: A 3. Neem de eerste letter van het vierde woord: K Welk woord krijgt u: Vak 16

Opdracht 5. GOEDKOOP...NASCHOOLSE OPVANG......VMBO.... TRAINEN. OUDERS. RAPPORT STRIPPENKAART.. DUUR.. TOETS. LEEFTIJD. SPORT. TAAL. Opdracht 6. 1. Als uw kind lid is van een vereniging. 2. Op school. 3. Aan de leraar. 4. Hoe uw kind heeft gewerkt op school. Opdracht 6. 1. Schoolkamp 2. Informatieavond 3. Identiteitsbewijs 4. Zwemwedstrijd 5. Voetbaltraining 6. Inschrijfformulier Opdracht 10. 1. Hoe gaat het op school? Of: Gaat het goed op school? 2. Hoe duur is het schoolreisje? Of: Wat kost het schoolreisje? 3. Wanneer is de training? Of: Op welke dag is de training? 4. Wat vindt u het beste? Of: Wat is uw advies? Of: Welke school vindt u het beste? 5. Heeft ze de toets goed gemaakt? Of: Hoe is de toets gegaan? 17

MEER WOORDEN LEREN Lees de onderstaande woorden. Zoek de woorden op in het woordenboek. U kunt bijvoorbeeld het Basiswoordenboek Nederlands of het Nederlands als tweede taal - woordenboek gebruiken. Schrijf de betekenis van de woorden op de stippellijn. Les 17 De informatieavond Een avond waarop gegevens en inlichtingen geven worden zodat je ergens meer over weet. Het zwemdiploma Een bewijs dat je geslaagd bent voor een zwemtest. Les 18 Vragen beantwoorden Antwoord geven op vragen. Plezier Het feit dat je blij bent of iets leuk vindt. Les 19 Natuurlijk Iets wat gewoon is of natuurlijk is. Graag gedaan Zonder moeite gedaan. Ik vond het niet erg om te doen. Ik heb het met plezier gedaan. Les 20 Prima Iets wat prima is, is helemaal goed. De cito-toets De eindtoets van de basisschool. 18

Hoe leer je Nederlands? Door veel te oefenen in de praktijk. Door de lessen van Edusom te volgen op radio, tv en internet. Door met deze lesbrieven te werken. En met Station Nederlands. Kijk ook eens op Oefenen.nl. Daar vindt u programma s over taal, maar ook over rekenen, gezondheid en nog veel meer. Kijk naar AT5 en Leef & Leer. Zoek een taalvriend om spreken en schrijven te oefenen. En zoek een taalcursus om nog meer te leren. U kunt ook naar het Taalspreekuur van de OBA gaan. Veel leerplezier! OEFENEN Dit thema ging over Kinderen en school. Als u kinderen heeft is dit allemaal belangrijk: een tienminutengesprek kunnen voeren, een gesprek met de leerkracht kunnen voeren over een vraag of probleem, meedoen aan ouderactiviteiten op school, een informatiebijeenkomst bijwonen, informatie van school begrijpen, een gesprek voeren met een sportclub, je kunnen inschrijven bij een club, een gesprek met de leerkracht kunnen voeren over het vervolgonderwijs. 19

Opdracht 1. Kunt u het? Goed Gaat wel Niet zo goed... Ik kan een tienminutengesprek voeren. Ik kan een gesprek met de leerkracht voeren over een vraag of probleem. Ik kan meedoen met ouderactiviteiten op school. Ik kan een informatiebijeenkomst bijwonen. Ik kan informatie van school begrijpen. Ik kan een gesprek voeren met een sportclub. Ik kan mij of mijn kind inschrijven bij een club. Ik kan een gesprek met de leerkracht voeren over het vervolgonderwijs. 20

Opdracht 2. Lees de zinnen en probeer ze te gebruiken. WAT KUNT U ZEGGEN? Als u wilt weten hoe het op school gaat, vraag dan bijvoorbeeld: Hoe gaat het op school? Gaat het goed op school? Bent u tevreden? Als u advies vraagt, zeg dan bijvoorbeeld: Wat vindt u? Wat is het beste? Wat is uw advies? Wat moet ik doen? Als u wilt weten wat iets kost, zeg dan bijvoorbeeld: Hoeveel kost het schoolreisje? Hoe duur is het boek? Wat kost het overblijven? Als u iemand wilt bedanken, zeg dan bijvoorbeeld: Bedankt voor de informatie. Hartelijk dank voor de informatie. Dank u wel. Als iets niet mag, zeg dan bijvoorbeeld: Dat mag niet. Dat is verboden. Als iets moet, zeg dan bijvoorbeeld: Je moet op tijd op school zijn. Het is verplicht. 21

Opdracht 3. Lees de zinnen en probeer ze te gebruiken. HOE GAAT HET MET UW NEDERLANDS? Lees de zinnen. Kunt U dat in het Nederlands zeggen? 1 U praat met de leraar van uw kind. U wilt weten of het echt goed gaat. Wat zegt u? 2 U bent op een informatieavond op school. De informatie avond gaat over een schoolreisje. U wilt weten wat het schoolreisje kost. Wat vraagt u? 3 U belt een vereniging op. U wilt weten op welke dagen er trainen is. Wat vraagt u? 4 U wilt weten naar welke school uw kind het beste kan gaan. U vraagt advies aan de leraar. Wat vraagt u? 5 U praat met de leerkracht van uw kind. U wilt weten hoe hij de toets heeft gemaakt. Wat zegt u? 22