Wat eten we vanavond? 6+8 huishoudshop A: Wat eten we vanavond? Spaghetti? A: Wat eten we vanavond? Spaghetti? B: Wat! Weer spaghetti? B: Wat! Weer spaghetti? A: Even kijken, is er nog pasta? A: Even kijken, is er nog pasta? B: Nee, er is geen pasta meer. De pasta is op! B: Nee, er is geen pasta meer. De pasta is op! A: Is er nog saus? A: Is er nog saus? B: Nee, er is geen saus meer. De saus is op! B: Nee, er is geen saus meer. De saus is op! A: Zijn er nog tomaten? A: Zijn er nog tomaten? B: Nee, er zijn geen tomaten meer. De tomaten zijn op! B: Nee, er zijn geen tomaten meer. De tomaten zijn op! A: Is er nog kaas? A: Is er nog kaas? B: Nee, er is geen kaas meer. De kaas is op! B: Nee, er is geen kaas meer. De kaas is op! A: Dan maar frietjes halen of een pizza laten komen. A: Dan maar frietjes halen of een pizza laten komen. Uit: Riedel en Ritme: Vlaamse s.
Dag Clara 8 hoe is het? Goed! A: Dag Clara, hoe is het? A: Dag Clara, hoe is het? B: Goed, en met jou? B: Goed, en met jou? A: Ook goed. Dank je. A: Ook goed. Dank je. Uit: Riedel en Ritme: Vlaamse s.
Hoe is het? A: Dag Eva, hoe is het? A: Dag Eva, hoe is het? B: Goed, en met jou? B: Goed, en met jou? A: Ook goed. Dank je wel. A: Ook goed. Dank je wel. A: En met je man? A: En met je man? B: Dat gaat. B: Dat gaat. A: En met de kinderen? A: En met de kinderen? B: Alles goed. B: Alles goed. 8 hoe is het? Goed! A: En met het werk? A: En met het werk? B: Niet te doen! Veel te druk! B: Niet te doen! Veel te druk! Uit: Riedel en Ritme: Vlaamse s.
Ik heb wel tijd, maar ik heb geen zin 8 hoe is het? Goed! A: Ga je meer naar de markt? Heb je tijd vandaag? A: Ga je meer naar de markt? Heb je tijd vandaag? B: Ik heb wel tijd, maar ik heb niet veel zin. B: Ik heb wel tijd, maar ik heb niet veel zin. A: Ga je mee naar de stad? Ben je vrij vandaag? A: Ga je mee naar de stad? Ben je vrij vandaag? B: Ik ben wel vrij, maar ik heb niet veel zin. B: Ik ben wel vrij, maar ik heb niet veel zin. A: Gaan we samen iets eten? En iets drinken daarna? A: Gaan we samen iets eten? En iets drinken daarna? B: Ik heb wel zin, maar ik heb geen geld. B: Ik heb wel zin, maar ik heb geen geld. A: Geen probleem, ik trakteer. A: Geen probleem, ik trakteer. Uit: Riedel en Ritme: Vlaamse s.
Ik bel voor het appartement A: Hallo, met Peeters. A: Hallo, met Peeters. B: Ik bel voor het appartement. B: Ik bel voor het appartement. A: Ja, dat is nog vrij. A: Ja, dat is nog vrij. B: Op welke verdieping ligt het? B: Op welke verdieping ligt het? 8+9 verhuiswinkel A: Op de derde verdieping. U hebt zicht op het park. A: Op de derde verdieping. U hebt zicht op het park. B: En is er een lift? B: En is er een lift? A: Nee, er is geen lift. A: Nee, er is geen lift. B: Dat is spijtig. Hoeveel slaapkamers zijn er? B: Dat is spijtig. Hoeveel slaapkamers zijn er? A: Twee grote en een kleine. A: Twee grote en een kleine. B: Is er een bad? B: Is er een bad? A: Nee, er is alleen een douche. A: Nee, er is alleen een douche. B: Wanneer kan ik eens komen kijken? B: Wanneer kan ik eens komen kijken? A: Morgen om 10 uur? A: Morgen om 10 uur? Uit: Riedel en Ritme: Vlaamse s.
Ik voel me niet zo goed 8+18 pijntjes en kwaaltjes A: Ik voel me niet zo goed. A: Ik voel me niet zo goed. B: Wat scheelt er? B: Wat scheelt er? A: Ik ben zo misselijk. A: Ik ben zo misselijk. A: En mijn spieren doen pijn. A: En mijn spieren doen pijn. A: En ik heb koorts. A: En ik heb koorts. A: En ik voel me zo moe. A: En ik voel me zo moe. B: Ik denk dat je griep hebt. B: Ik denk dat je griep hebt. B: Ga maar naar huis. B: Ga maar naar huis. B: en kruip in je bed. B: en kruip in je bed. Uit: Riedel en Ritme: Vlaamse s.
Proficiat! 8+19 19-80, 90 of 2000? A: Proficiat! A: Proficiat! B: Dank je wel. B: Dank je wel. A: Ik heb iets voor jou. A: Ik heb iets voor jou. B: Dat had je niet moeten doen. B: Dat had je niet moeten doen. A: Toch wel, en nog eens gefeliciteerd! A: Toch wel, en nog eens gefeliciteerd! Uit: Riedel en Ritme: Vlaamse s.
Ik hou heel veel van jou 8+20 dit doe ik graag A: Zwem jij graag? B: Nee, dat doe ik niet graag. A: Dans jij graag? B: Nee, dat doe ik niet graag. A: Fiets jij graag? B: Nee, dat doe ik niet graag. A: Hou je van lezen? B: Ja, ik hou wel van lezen. A: En hou je van eten? B: Ja, ik hou ook van eten. A: En hou je van mij? B: Ja, ja, ik hou heel veel van jou! Uit: Riedel en Ritme: Vlaamse s.
Lekker weer, hé! 8+22 koud hé! A: Lekker weer, hé! A: Lekker weer, hé! B: Ja zalig, maar straks misschien niet meer. B: Ja zalig, maar straks misschien niet meer. A: Wat voorspellen ze? A: Wat voorspellen ze? B: Regen, regen en nog eens regen. B: Regen, regen en nog eens regen. A: Typisch Belgisch. A: Typisch Belgisch. Uit: Riedel en Ritme: Vlaamse s.
Wablieft? 8+23 wat horen we? A: Hoe heet u? A: Hoe heet u? B: Wablieft? B: Wablieft? A: Ik vraag hoe u heet. A: Ik vraag hoe u heet. A: Waar woont u? A: Waar woont u? B: Wablieft? B: Wablieft? A: Ik vraag waar u woont. A: Ik vraag waar u woont. A: Bent u getrouwd? A: Bent u getrouwd? B: Ik versta u niet goed. B: Ik versta u niet goed. A: Ik vraag of u getrouwd bent. A: Ik vraag of u getrouwd bent. A: Hebt u kinderen? A: Hebt u kinderen? B: Wablieft? B: Wablieft? A: Ik vraag of u kinderen hebt. A: Ik vraag of u kinderen hebt. A: Hoeveel kinderen hebt u? A: Hoeveel kinderen hebt u? B: Excuseer? B: Excuseer? A: Ik vraag hoeveel kinderen u hebt. A: Ik vraag hoeveel kinderen u hebt. A: Goed, u mag daar even wachten. A: Goed, u mag daar even wachten. B: Wat zegt u? B: Wat zegt u? A: Ik zeg dat u daar mag wachten. A: Ik zeg dat u daar mag wachten. A: U moet hier nog even tekenen. A: U moet hier nog even tekenen. B: Kan u dat even herhalen? B: Kan u dat even herhalen? A: Ik zeg dat u hier nog moet tekenen. A: Ik zeg dat u hier nog moet tekenen. A: Zo, dat is in orde. A: Zo, dat is in orde. Uit: Riedel en Ritme: Vlaamse s.
Waar liggen mijn sokken? A: Waar liggen mijn sokken? A: Waar liggen mijn sokken? B: Kijk eens bij je schoenen. B: Kijk eens bij je schoenen. A: Waar staan mijn schoenen? A: Waar staan mijn schoenen? B: Kijk eens onder je bed. B: Kijk eens onder je bed. A: Waar liggen mijn boeken? A: Waar liggen mijn boeken? B: Die zitten in je tas. B: Die zitten in je tas. A: Waar hangt mijn jas? A: Waar hangt mijn jas? B: Daar! Voor je neus! B: Daar! Voor je neus! 8+28 mijn huisje B: Vertrek maar gauw, of je mist de bus. B: Vertrek maar gauw, of je mist de bus. B: Maar eerst nog een kus. B: Maar eerst nog een kus. Uit: Riedel en Ritme: Vlaamse s.
Excuseer, meneer 8+32 naar waar is t? A: Excuseer mevrouw, waar is de post? A: Excuseer mevrouw, waar is de post? B: Het spijt me, meneer, dat weet ik niet. B: Het spijt me, meneer, dat weet ik niet. A: Dat is niks. Toch bedankt. A: Dat is niks. Toch bedankt. Uit: Riedel en Ritme: Vlaamse s.