Aansluitingsmonitor 2008 2009. Juni 2009. Jan Kamphorst (HG) Pieter Jansen (CHW) m.m.v. Paul Dulfer



Vergelijkbare documenten
Maatwerkrapportage bij Aansluitingsmonitor

Maatwerkrapportage bij Aansluitingsmonitor

Aansluitingsmonitor havisten en mbo ers in Noordoost Nederland. Vragenlijst december 2005

Factoren die van invloed zijn op de blijfkans van eerstejaarsstudenten noordoost Nederland. Werkgroep Aansluitingsmonitor noordoost Nederland.

Samenvatting. resultaten Aansluitingsmonitor havisten en mbo ers in noordoost Nederland Vragenlijst december 2004

Factoren die van invloed zijn op uitval van eerstejaarsstudenten noordoost Nederland. Werkgroep Aansluitingsmonitor noordoost Nederland.

Rapportage bij HBO aansluitingsmonitor

Rapportage bij HBO-aansluitingsmonitor

Samenvatting en conclusies

Feiten en cijfers. Studenttevredenheids onderzoek juni 2008

Rapportage bij HBO-aansluitingsmonitor

Factsheet. Samenvatting

Veranderen van opleiding

FACTSHEET. Instroom en succes in de opleiding tot leerkracht. Platform Beleidsinformatie Mei 2013

Resultaten NSE Resultaten Domein Gezondheid, Sport en Welzijn. Mei Institutional Research Afdeling Informatievoorziening en Technologie

Voor intern gebruik bij een opleiding wordt gerapporteerd over alle stellingen, vragen, toelichtingen enz.

Van mbo en havo naar hbo

Feiten en cijfers. Afgestudeerden en uitvallers in het hoger beroepsonderwijs. April 2016

Opzet en uitvoering onderzoek 'Motie Straus'

Enquêteresultaten QSK & studiekeuzetevredenheid

Draagvlakmonitor huisvesting vluchtelingen. Rapportage derde meting juni 2016

OW Resultaten Nameting Go no go cohort 2009/ 2010 Hogeschool Windesheim School of Education

Uitval en studiesucces van Avans studenten vergeleken met de landelijke cijfers in 2017

CvE-bijlage bij rapportage invoering centrale toetsing en examinering referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen

Samenvatting en rapportage Klanttevredenheidsonderzoek PPF 2011/2012

Leerlingtevredenheidsonderzoek

Uitval studenten. Sectorbeeld Onderwijs, Inspectie van het Onderwijs,

*) Dit is ook het aantal respondenten waarop de cijfers en grafieken in dit rapport zijn gebaseerd, tenzij anders aangegeven.

Factsheet. HBO-Monitor De arbeidsmarktpositie van hbo-afgestudeerden

De kwaliteit van educatieve activiteiten meten. Universiteitsmuseum Utrecht

Feiten en cijfers. Afgestudeerden en uitvallers in het hoger beroepsonderwijs. Mei 2015

Landelijk cliëntervaringsonderzoek

Analyse NSE 2016 opleiding ergotherapie. Inhoud. 1 Inleiding

Brug of kloof? De ervaringen van HAVO- en VWO-schoolverlaters over de aansluiting tussen VO en HO vóór en ná de invoering tweede fase VO

Factsheet. HBO-Monitor De arbeidsmarktpositie van hbo-afgestudeerden

Propedeuserapport Hbo Fryslân

Rapportage cliëntervaringsonderzoek WMO Gemeente Aalburg

ANALYSE PATIËNTERVARINGEN ELZ HAAKSBERGEN

Veranderen van opleiding

Feiten en cijfers. Studentenaantallen in het hoger beroepsonderwijs

Samenvatting. BS De Fontein/ Helden. Resultaten Oudertevredenheidspeiling (OTP) BS De Fontein. Ouders vinden 'Begeleiding' op school het belangrijkst

TEVREDEN WERKEN IN HET PRIMAIR ONDERWIJS. Onderzoek naar de tevredenheid en werkbeleving van personeel in het primair onderwijs.

Subsector politicologie en bestuurskundige opleidingen

O.G. Heldringschool Den Haag. Leerlingtevredenheidspeiling Basisonderwijs Haarlem, november 2018

RKBS Bocholtz Bocholtz. Leerlingtevredenheidspeiling Basisonderwijs Haarlem, mei 2018

Feiten en cijfers. Afgestudeerden en uitvallers in het hoger beroepsonderwijs. juni 2011

Subsector geografie. Sectorbeeld Gedrag & Maatschappij, Inspectie van het Onderwijs,

Subsector sociale wetenschappen

Onderzoek Passend Onderwijs

Rapportage Onderzoek naar de mening van ouder(s)/verzorger(s) van studenten (tot 23 jaar) van ROC Friese Poort 2015

Factsheet. HBO-Monitor De arbeidsmarktpositie van hbo-afgestudeerden

Samenvatting. SBO De Kring/ Rotterdam. Resultaten Oudertevredenheidspeiling (OTP) SBO De Kring

Cliëntervaringsonderzoek Wmo 2016

Benchmark Axisopleidingen

Werkbelevingsonderzoek 2013

4e Montessori Pinksterbloem Amsterdam. Leerlingtevredenheidspeiling Basisonderwijs Haarlem, oktober 2018

Samenvatting. BS De Petteflet/ Groningen. Resultaten Oudertevredenheidspeiling (OTP) BS De Petteflet

DAG VAN DE BEROEPSKOLOM 9 O K TO B E R

Gediplomeerden 2015 SOMA College

Vondelschool Bussum. Leerlingtevredenheidspeiling Basisonderwijs Haarlem, april 2016

Samenvatting. SBO Focus/ Venray. Resultaten Oudertevredenheidspeiling (OTP) SBO Focus. Ouders vinden 'Kennisontwikkeling' op school het belangrijkst

Jaarlijkse Studenten Enquete (JSE) Behaalde resultaten en samenvatting. Studiejaar

Burgerpanel Horst aan de Maas - Meting 3

Aansluiting Engels Een onderzoek naar de aansluitingsproblematiek van het vwo-vak Engels met de universiteit

Feiten en cijfers. Afgestudeerden en uitvallers

Studenten aan lerarenopleidingen

1.1 Resultaten oudertevredenheidsonderzoek

Prestatie-indicatoren uit 1 cijfer ho en het algemeen studentenoordeel over de opleiding (nse).

Terugkoppeling monitor subsidieregeling Versterking samenwerking lerarenopleidingen en scholen

Feiten en cijfers. Studentenaantallen in het hoger beroepsonderwijs. februari 2010

(V)SO De Piramide Den Haag. Leerlingtevredenheidspeiling Basisonderwijs Haarlem, februari 2018

SELECTIE EN TOEGANKELIJKHEID VAN HET HOGER ONDERWIJS SAMENVATTING EERSTE 2 RAPPORTEN:

TOELICHTING INDICATOREN STUDIE IN CIJFERS HBO d.d. mei 2017

Aantal respondenten Aantal benaderd

Feiten en cijfers. HBO-Monitor 2014: De arbeidsmarktpositie van afgestudeerden van het hbo. April 2015

BS It Pertoer/ Weidum Samenvatting Resultaten Oudertevredenheidspeiling (OTP) BS It Pertoer Ouders vinden 'De leerkracht' op school het belangrijkst

Samenvatting. BS De Swoaistee/ Groningen. Resultaten Oudertevredenheidspeiling (OTP) BS De Swoaistee

Factsheet. Samenvatting

Studiekeuzecheck 2014/2015. Presentatie voor decanen VO/MBO 6 februari 2014 Geja Kinds

Meting tevredenheid werkgevers AANSLUITING MBO-ARBEIDSMARKT [ ]

Gemeente Roosendaal. Cliëntervaringsonderzoek Wmo over Onderzoeksrapportage. 26 juni 2017

Analyse instroom

Gap Year onderzoek. 1. Uitkomsten Jongeren

Beschrijving van de gegevens: hoeveel scholen en hoeveel leerlingen deden mee?

Ervaringen Wmo. Cliëntervaringsonderzoek Berg en Dal 2017

Instroom en inschrijvingen

Samenvatting. BS Benjamin/ Brunssum. Resultaten Oudertevredenheidspeiling (OTP) BS Benjamin. Ouders vinden 'Begeleiding' op school het belangrijkst

Cliëntenonderzoek Wet maatschappelijke ondersteuning Gemeente Zutphen 2015

Rapportage Kunsten-Monitor 2014

Clientervaringsonderzoek Wmo & Jeugd

Nominaal is Normaal bij FSW

De studieloopbaan van mbo-deelnemers

Subsector psychologie

Wijkbezoeken. persoonlijke contacten persoonlijke meningen

Factsheet Toelatingstoets PABO

Gemeente Moerdijk. Cliëntervaringsonderzoek Wmo over Onderzoeksrapportage. 20 juni 2017

Samenvatting. BS Het Kompas/ Ijmuiden. Resultaten Oudertevredenheidspeiling (OTP) BS Het Kompas

FACTSHEET MTO Villa Attent BV, Nijverdal 7,9

Samenvatting SBO2007. SBO A.J. Schreuderschool/ Rotterdam. Schoolgebouw. Omgeving van de school. Kennisontwikkeling. Begeleiding

Samenvatting. Samenvatting. Waardering en betrokkenheid

Transcriptie:

Aansluitingsmonitor 2008 2009 Juni 2009 Jan Kamphorst (HG) Pieter Jansen (CHW) m.m.v. Paul Dulfer

2

Inhoudsopgave Samenvatting... 5 1 Doel en opzet van de aansluitingsmonitor... 16 1.1 Inleiding... 16 1.2 Doel en gebruiksmogelijkheden van de monitor... 17 1.3 Theoretisch kader... 18 1.4 Opzet van de aansluitingsmonitor... 21 1.5 Voorbereidende schaal- en betrouwbaarheidsanalyse... 23 1.6 Respons... 27 2 Kenmerken van eerstejaarsstudenten... 32 2.1 Descriptieve kenmerken... 32 2.2 Kenmerken uit de vooropleiding... 33 2.3 Inhoudelijke voorbereiding tijdens de vooropleiding... 36 2.4 Vrijstellingen en studieduurverkorting van eerstejaarsstudenten... 39 3 De aansluiting naar vooropleiding en hbo-sector... 41 3.1 Inleiding... 41 3.2 Studielast per week... 43 3.3 Waardering onderwijsaspecten van het eerste studiejaar... 45 3.4 Belang en aansluiting van vakken/studieonderdelen voor de huidige opleiding... 47 3.5 Mate van aansluiting... 50 3.6 Dezelfde keuze weer... 56 4 Resultaten bij interventies... 58 5 Samenhang tussen variabelen... 61 5.1 Inleiding... 61 5.2 Tijdbesteding verklaard... 64 5.3 Waardering van de aansluiting wat betreft activerende werkvormen en basisvaardigheden en kennis verklaard.... 67 5.4 Waardering van de aansluiting wat betreft sociale en professionele/academische integratie en leven en studeren verklaard.... 70 5.5 Factoren die van invloed zijn op dezelfde keuze weer... 78 6 Conclusies, discussie en aanbevelingen... 80 6.1 Conclusies... 80 6.2 Discussie... 83 6.3 Aanbevelingen... 86 3

4

Samenvatting In dit rapport is verslag gedaan van kenmerken van instromende studenten van zes hogescholen en van de factoren die van invloed zijn op verschillende aspecten die in verband met de instroom en aansluiting onderscheiden kunnen worden. De resultaten zijn representatief voor de kwaliteit van de aansluiting in het hbo in noordoost Nederland. Om de aansluiting tussen vooropleiding en het eerste jaar hbo in kaart te brengen is onderscheid gemaakt in een zevental factoren. Deze factoren zijn met elkaar in verbinding gebracht met behulp van het 3P-model van Biggs, Kember & Leung (2001): Presage Process Product 1 Hbo-opleiding: Sector Instelling 4 Waardering aansluiting: Waardering leeromgeving w.b. Activerende werkvormen en Basisvaardigheden en -kennis 8 2 Individuele factoren: Geslacht Leeftijd Vooropleiding Ex cijfers Profiel/sector Vrijstellingen Ervaringen leeromgeving vo/mbo 3 Tijdbesteding: Contacturen en Zelfstudie-uren 5 6 7 Waardering aansluiting: Belang en waardering vakken voor aansluiting Waardering aansluiting: Sociale integratie Academische Integratie Voorlichting vanuit vo/mbo en hbo Studeerbaarheid Combinatie leven en studeren Waardering aansluiting: Zelfde keuze weer? Studiesucces: Studiepunten Uitval ja/nee Switch ja/nee In dit rapport onderzochte factoren In Nieuwsbrief Aansluiting 2009/2010 Onderzoeksmodel werkgroep aansluiting 2009 De zeven groepen factoren zijn (zie ook 1.3): 1. Factoren in verband met kenmerken van de opleiding: de hbo-sector en de instelling waartoe de opleiding behoort 2. Individuele factoren: geslacht, leeftijd, vooropleiding, examencijfers, voprofiel/mbo-sector, verleende vrijstellingen en verkorting van de studieduur die bij aankomst in de opleiding zijn vastgesteld, ervaringen met de vroegere leeromgeving 5

in termen van voorbereiding op actieve leerstofverwerking en basisvaardigheden en kennis. 3. Studiegedrag van eerstejaarsstudenten: aantal gevolgde contacturen en bestede zelfstudie-uren (zoals gerapporteerd door respondenten). 4. Waardering van de aansluiting wat betreft activerende werkvormen en basisvaardigheden en kennis. 5. Het belang van vakken uit de vooropleiding voor de aansluiting en de waardering van de aansluiting wat betreft relevante vakken. 6. De mate van integratie, waarbij onderscheid gemaakt wordt in sociale en academische integratie, en een viertal factoren dat gerekend is tot een overkoepelend begrip leven en studeren. 7. De kans dat een student dezelfde keuze weer zal maken als hij (zij) daartoe in december van het eerste studiejaar gelegenheid zou hebben. De aansluitingsmonitor is anders opgezet dan in voorgaande jaren. Er is gezocht naar aansluiting bij beleid: organiseren van contact- en zelfstudie-uren, voortbouwen op basisvaardigheden en kennis (in sommige instellingen aangeduid met startvaardigheden) en inspelen op individuele eigenschappen van studenten. Er is meer aandacht besteed aan de diversiteit van de instroom. Voorheen had de rapportage alleen betrekking op eerstejaarsstudenten die in het jaar van instroom eindexamen havo, vwo of mbo hadden gedaan. Ook studenten die een jaar eerder instroomden zijn nu meegenomen. Een ander verschil met voorgaande jaren is dat dit jaar is gekeken naar verschillen tussen (doel-)groepen eerstejaarsstudenten, ten gevolge van interventies waarmee zij te maken hebben gehad of aan- of afwezigheid van bepaalde omstandigheden. Op deze wijze zijn effecten van Haco-scholen, Duitse onderwijsachtergrond, mate waarin vrijstellingen zijn verleend en direct of indirect (enkele jaren na beëindigen van de vooropleiding) instromen, op de waardering van de aansluiting (blok 4 in het model) in kaart gebracht. Een verder verschil met de werkwijze van voorgaande jaren is dat dit jaar is gekeken naar mogelijke (al dan niet causale) verbanden tussen factoren in het model. Het model is gevolgd van links naar rechts en (wat betreft blok 4) van boven naar onder. 6

Bij deze werkwijze kan soms de vraag worden gesteld of de richting van een causaal verband altijd de juiste is. Bijvoorbeeld, zal de mate waarin een student zich academisch geïntegreerd voelt (blok 4) niet ook van invloed zijn op de mate waarin hij tijd besteedt aan de studie (blok 3)? Ons antwoord op deze vraag is dat dit zeker het geval kan zijn, maar dat in de gekozen aanpak, met één meting waarin over alle factoren tegelijk informatie is verzameld, een helder en eenduidig antwoord onmogelijk is. Een beter antwoord is pas mogelijk wanneer er op verschillende tijdstippen vervolgvragen voorgelegd zouden worden aan studenten. In dat geval zou het mogelijk worden om vast te stellen of de mate van academische integratie gemeten op tijdstip T1 effect heeft op de tijdbesteding van studenten op tijdstip T2 of T3. Een dergelijke aanpak is om verschillende, vooral praktische, redenen niet haalbaar. In plaats daarvan maakt de aansluitingsmonitor gebruik van één meting en is gekozen voor een variant op het 3Pmodel die ons, binnen de begrenzingen van dat model, in staat stelt om uitspraken te doen over de mate waarin een variabele verder naar rechts in het model voorspelt kan worden uit één of meer variabelen meer aan de linker zijde van het model. Soms, maar niet in alle gevallen, geeft dat ook meer zicht op oorzaak- en gevolgfactoren die een rol spelen in de aansluiting. Voor het doen van meer definitieve uitspraken is verder onderzoek gewenst. De opbouw van dit verslag is als volgt. Hoofdstuk één geeft, naast het theoretische kader, een uiteenzetting van gebruikersmogelijkheden, praktische opzet, voorbereidende analyses en beschrijving van de steekproef en de populatie van de monitor. De rapportage bestaat verder uit een beschrijvend gedeelte (hoofdstukken/paragrafen 1.6, 2 en 3), waarin net zoals voorgaande jaren enkele kengetallen in verband met aansluiting worden gepresenteerd, en een analytisch gedeelte (hoofdstukken 4 en 5), waarin effecten van factoren links in het model op factoren rechts in model zijn geïnventariseerd. De conclusies, discussie en aanbevelingen volgen in hoofdstuk 6. Hier noemen we enkele van de opvallendste uitkomsten, onder verwijzing naar de betreffende hoofdstukken: 1. Grote groepen studenten stromen in een opleiding of hbo-sector in met het juiste vo-profiel of de juiste mbo-sector als achtergrond ( 3.1). Opvallend is de enorme diversiteit van de eerstejaarspopulatie naar kenmerken als type vooropleiding, afwijkende vo-profielen of mbo-sectoren als achtergrond, 7

ervaringen in de vooropleiding, niveau (eindexamencijfers), leer/werkervaringen in periode tussen vooropleiding en hbo-opleiding, culturele achtergrond (Duitstalige vooropleiding), vooropleiding waarin in het bijzonder aandacht is besteed aan aansluiting (Haco-scholen). De diversiteit is zichtbaar gemaakt in hoofdstuk 2 en 3.1. 2. Om op deze diversiteit in te spelen, voeren instellingen beleid, hetgeen onder andere tot uiting komt in het verlenen van vrijstellingen en studieduurverkorting ( 2.4). Dit beleid varieert per hogeschool. Op de vraag of dit beleid alleen verschilt als gevolg van verschillen tussen populaties waar de hbo-instellingen mee te maken hebben, of dat het ook te maken heeft met verschillen in wervingsbeleid van studenten met EVC s (elders verworven competenties) geeft deze monitor geen antwoord. Op dit punt is meer onderzoek gewenst. 3. Eerstejaarsstudenten besteden gemiddeld ongeveer 16 uur aan contacturen en 14 uur aan zelfstudie per week. Contacturen komen meer voor in de hbo-sectoren onderwijs, techniek en landbouw. Zelfstudie komt meer voor in de hbo-sectoren economie, gedrag en maatschappij en gezondheidszorg. Totaal studeren studenten gemiddeld 30 uur in de week. Meer contacturen leiden op het niveau van hbo-sectoren niet tot meer zelfstudie. Eerder lijken de uren besteed aan beide werkvormen communicerende vaten. Meer contacturen betekent minder zelfstudie en vice versa (zie verder 3.2). 4. Ruim de helft van de eerstejaarsstudenten geeft aan dat zij in hun vooropleiding voldoende voorbereiding hebben gehad wat betreft actieve leerstofverwerking (daaronder wordt verstaan het geheel van werkvormen waarbij studenten actief bezig zijn met de leerstof, bijvoorbeeld werken in groepen, maken van een probleemanalyse, logboek of portfolio bijhouden). Driekwart van de eerstejaarsstudenten is van mening dat zij in hun vooropleiding voldoende voorbereiding hebben gehad wat betreft basisvaardigheden en kennis. De keerzijde van dit positieve nieuws is dat de helft van de studenten niet voldoende voorbereid is wat betreft actieve leerstofverwerking en een kwart niet voldoende voorbereid is wat betreft basisvaardigheden en kennis. In 2.3 en tabellen 9 en 10 zijn deze conclusies verder onderbouwd. 5. Tweederde van de studenten (66%) waardeert de aansluiting wat betreft activerende werkvormen met een voldoende en viervijfde (79%) is voldoende 8

tevreden over over de aansluiting wat betreft basisvaardigheden en kennis (zie verder 3.3). 6. Van de onderzochte studenten is 85% tevreden over de mate van sociale integratie in het eerste jaar (nieuwe contacten met medestudenten, nieuwe vrienden maken, de aansluiting met het type student op de opleiding en het contact met medestudenten); 66% van de studenten is tevreden over hun mate van professionele/academische integratie (de manier van werken, het contact met docenten, de studiebegeleiding). Gemiddeld is 52% van de studenten tevreden over de factor leven en studeren. Daar staat tegenover dat slechts 4% ontevreden is over hun mate van sociale integratie 12% ontevreden is over hun mate van professionele/academische integratie en 17% ontevreden is over leven en studeren. De rest, respectievelijk 11%, 22% en 31%, is niet tevreden maar ook niet ontevreden over deze drie indicatoren voor de kwaliteit van de aansluiting (zie 3.5). 7. Gemiddeld is 81% van de eerstejaarsstudenten vasthoudend wat betreft de gemaakte studiekeuze. Opvallend is echter dat ruim drie maanden na de start van het eerste jaar hbo al 19% van de studenten aangeeft dat zij een andere studiekeuze zouden maken als zijn daartoe op dat moment de gelegenheid zouden hebben zie 3.6). In het analytische deel van deze rapportage is gekeken naar verschillen in voorbereiding, waardering van de aansluiting en vasthoudendheid ten gevolge van enkele diversiteitskenmerken (hoofdstuk 4), en naar onderlinge verbanden tussen de factoren uit blokken 1, 2 3, 4a, 4b en 4c van het onderzoeksmodel (hoofdstuk 5): 8. Wat betreft verschillen die te maken hebben met diversiteit is geconstateerd dat studenten afkomstig van een haco-school het aspect leven en studeren lager waarderen dan havisten die niet op een haco-school zaten. Dit heeft vooral te maken met minder tevredenheid over de tijd voor activiteiten naast hun studie en de studeerbaarheid van de opleiding. Duitstalige studenten die een Nederlandstalige hbo-opleiding volgen, waarderen activerende werkvormen hoger, maar hebben hieraan minder voorbereidingstijd besteed. Hun mate van sociale integratie, en zowel het belang als hun waardering van de aansluiting van 9

het vak Nederlands scoren lager. Bij deze groep geldt ook dat de tijd voor activiteiten naast de studie en de ondersteuning door de school van de vooropleiding bij de studiekeuze lager scoren. Het belang van Engels en economie en M&O schatten Duitstalige studenten hoger in, en hun waardering van de aansluiting bij het vak Engels is eveneens hoger. Studenten met gemiddeld veel vrijstellingen zijn positiever over de voorbereiding op actieve leerstofverwerking, de aansluiting op dit punt en het belang van het profielwerkstuk/praktijkopdracht. Wat betreft de vakaansluiting zijn zij gemiddeld minder positief dan de overige studenten. Indirecte instromers waarderen de studeerbaarheid van de opleiding hoger dan directe instromers. Voorbereiding op actieve leerstofverwerking, op kennis en vaardigheden scoren bij de groep met een vertraagde instroom van minimaal 2 jaar lager, evenals de aansluiting op dit laatste punt. Beide groepen vertraagde instromers waarderen de sociale integratie lager (zie hoofdstuk 4 en bijbehorende tabel) 9. Verschillen in tijdbesteding van studenten aan contacturen wordt mede verklaard door de hbo-sector waarin zijn studeren ( 5.2) en verschillen in de tijdbesteding van studenten aan zelfstudie-uren wordt mede verklaard door geslacht (vrouwen meer), leeftijd (ouderen meer), vo-profiel (NT-profiel meer) en de voorbereiding op basisvaardigheden en kennis in de vooropleiding. Er zijn enkele verschillen in tijdbesteding naar vooropleiding, waarbij vooral opvalt dat mbo ers die afkomstig zijn uit de mbo-sectoren techniek en economie minder studeren. Opvallend is tevens dat mbo ers die in de hbo-sectoren gedrag en maatschappij en onderwijs studeren, minder aan zelfstudie doen dan gemiddeld. Op derde plaats is het opvallend dat studenten met een grotere mate van voorbereiding in basisvaardigheden en kennis tijdens de vooropleiding meer aan zelfstudie doen (zie verder 5.2). 10. Een hogere waardering van de aansluiting wat betreft activerende werkvormen wordt mede bepaald door meer voorbereiding van studenten wat betreft actieve leerstofverwerking tijdens de vooropleiding. Het gaat om een groot en reëel effect (zie 5.3 en tabel 22). De waardering van de aansluiting wat betreft basisvaardigheden en -kennis wordt mede bepaald door de voorbereiding van studenten aan kennis en vaardigheden. Het belang van deze factor is echter 10

relatief klein. Het is opvallend, hoewel misschien niet vreemd, dat havisten zich gemiddeld minder goed voorbereid voelen dan vwo ers ( 5.3, tabel 23). 11. Of studenten drie maanden na de start in het hbo een andere keuze overwegen hangt af van een veelheid aan factoren. De drie belangrijkste daarvan zijn in volgorde van afnemend gewicht: a. de mate van professionele/academische integratie: hoe hoger, hoe hoger de kans op vasthoudendheid; b. de mate van sociale integratie: hoe meer sociaal geintegreerd, hoe beter voor de vasthoudendheid. Studenten in de hbo-sector onderwijs zijn meer vasthoudend dan andere studenten; c. de hbo-sectoren economie en gedrag en maatschappij: studenten in deze sector lijken minder vasthoudend; Bij de overige factoren die vasthoudendheid mede voorspellen, valt op dat: een mindere mate van voorbereiding tijdens de vooropleiding in basisvaardigheden en kennis leidt tot meer vasthoudendheid (een onvoorzien een effect dat vraagt om een verdere verklaring in vervolgonderzoek); de tijd besteed aan zelfstudie een gunstig effect heeft op vasthoudendheid;meer (minder) voorbereiding wat betreft actieve leerstofverwerking leidt tot een afname (toename) van de kans op vasthoudendheid (zie voor een verdere toelichting 5.5 en bijlage 4). 11

In de discussie wordt ingegaan op enkele opvallende resultaten. Studenten afkomstig van scholen die hebben deelgenomen aan het haco-project waarderen de aansluiting nagenoeg in gelijke mate als de andere havisten. De hacostudenten zijn minder tevreden over de tijd naast hun studie en over de studeerbaarheid van de opleiding. Het aspect leven en studeren krijgt dan ook een lagere waardering van deze groep studenten. Niet onderzocht is, in welke mate de student daadwerkelijk heeft deelgenomen (kunnen deelnemen) aan de specifieke onderdelen van het haco-traject. Bij de analyse van effecten van Haco-scholen in deze monitor is uitgegaan van het instrumentarium dat de onderzoekers tot hun beschikking hadden. Bij een echte evaluatie zouden de doelen van Haco-scholen explicieter meegenomen moeten worden. De bevindingen van deze monitor zouden daarbij als één van de aanleidingen beschouwd kunnen worden. Mbo ers vallen in deze monitor op als een groep die aangeeft meer dan gemiddeld goed voorbereid te zijn wat betreft actieve leerstofverwerking. Wat betreft hun voorbereiding in basisvaardigheden en kennis zijn er geen verschillen met havisten en vwo ers. Echter, de tijdbesteding van mbo ers aan zelfstudie is relatief gering wanneer zij afkomstig zijn uit de mbo-sectoren economie en techniek. Hebben voorbereiding in actieve leerstofverwerking en voorbereiding in basisvaardigheden en kennis met zelfstudie te maken? Is er bij mbo ers sprake van een juiste inschatting of een overschatting van hun voorbereiding in actieve leerstofverwerking? Beschikken mbo ers die uit de mbo-sectoren techniek en economie afkomstig zijn over minder adequate zelfstudievaardigheden waardoor zij (zoals tabel 22 suggereert) minder aan zelfstudie doen, of zijn er andere, bijvoorbeeld motivatie factoren (niet onderzocht in deze monitor) in het spel? Kan het potentieel van deze groep, gezien de voorsprong die ze mogelijk hebben wat betreft actieve leerstofverwerking, beter worden benut? De monitor geeft geen antwoorden op deze vragen; nader onderzoek zou opheldering kunnen bieden. De waardering van de aansluiting wat betreft basisvaardigheden en kennis is voor havisten en vwo ers een verklarende factor voor hun waardering van de mate van professionele/academische integratie. Voor mbo ers is dat ook het geval, zij het in mindere mate. Naast deze factor is voor mbo ers de voorbereiding tijdens de 12

vooropleiding op actieve leerstofverwerking een verklaring voor de mate van professionele/academische integratie. Dit leidt tot de suggestie dat mbo ers bij het beoordelen van hun mate van academische integratie vanuit hun mbo-achtergrond mogelijk een ander referentiekader hebben. Tot slot komen enkele assumpties van de onderwijsvormgeving van hogescholen aan de orde. Veel hogescholen benadrukken het belang van contacturen. Of contacturen, via een aantal intermediërende factoren, uiteindelijk leiden tot meer rendement is een vraag die in deze monitor niet wordt opgelost, maar wel meer aandacht verdient. Het is opmerkelijk dat juist zelfstudie-uren, en niet contacturen, een verklaring vormen voor vasthoudendheid van studenten aan de gemaakte keuze. Een tweede punt betreft het belang van de voorbereiding wat betreft basisvaardigheden en kennis als factor: studenten die aangeven beter voorbereid te zijn op dit punt, zijn minder vasthoudend. De vraag die dit resultaat oproept is of een goede voorbereiding tijdens de vooropleiding leidt tot meer studiesucces in het eerste jaar. Tot slot valt het op dat de waardering van aansluiting wat betreft activerende werkvormen voor de vasthoudendheid van de studiekeuze iets belangrijker is dan de waardering van de aansluiting wat betreft basisvaardigheden en kennis. We zijn benieuwd of deze effecten ook zichtbaar zullen zijn wanneer de hier uitgevoerde analyses worden herhaald wanneer het behaalde aantal studiepunten in het eerste jaar de verklarende variabele is. Na afloop van het eerste studiejaar zullen deze analyses worden uitgevoerd. Overigens zijn er meer assumpties die liggen onder onderwijsvernieuwingen, die niet in deze monitor aan de orde zijn gekomen. Bijvoorbeeld de assumptie dat studieloopbaanbegeleiding bijdraagt aan studiesucces of de rol van goede voorlichting, ongeacht het type student en ongeacht de mate van diversiteit van de eerstejaarspopulatie. Deze monitor geeft derhalve niet antwoord op alle vragen die leven rond aansluiting en het eerste jaar hbo. Meer onderzoek is gewenst, waarbij de resultaten van deze monitor als uitgangspunt genomen kunnen worden. 13

De aanbevelingen die worden gedaan op het niveau van onderwijs en coördinatie van het eerste jaar luiden: Per opleiding meer gedetailleerd nagaan waarin de voorbereiding van studenten op actieve leerstofverwerking en kennis/vaardigheden heeft bestaan. Veel studenten zijn over deze aspecten niet tevreden (zie conclusie 1 en 2). Meer inzicht in het wat van deze factoren is van belang, omdat ze doorwerken in kenmerken van de studieloopbaan in het eerste jaar, zoals tijdbesteding van studenten en diverse aspecten van hun waardering van de aansluiting (tabellen 21 tot en met 30 en bijlage 4). Bevorderen van professionele/academische integratie, omdat deze factor voor studenten belangrijk is voor de afweging of zij al dan niet vasthouden aan de gemaakte keuze ( 5.5 en conclusie 19). Deelname aan contacturen en waardering van de aansluiting wat betreft actieve leerstofverwerking en basisvaardigheden /kennis zijn hierbij ook belangrijke factoren die aandacht verdienen (tabel 26). Meer zicht krijgen op tijdbesteding van eerstejaarsstudenten naar hbo-sector en naar vooropleidingkenmerken is gewenst. Tabellen 21 en 22 geven handvaten voor individuele factoren die op tijdbesteding doorwerken. Meer zicht krijgen in motivatie van eerstejaarsstudenten, met name van studenten die opvallen door afwijkend tijdbesteding (bijvoorbeeld mbo ers in de hbo-sectoren economie en techniek). Deze factor is weinig onderzocht. Meer zicht krijgen in wat er gebeurt in contacturen van het eerste jaar. Deze uren zouden een trigger kunnen/moeten zijn voor meer zelfstudie. Bij de hbo-sector techniek is het omgekeerde het geval en bij economie is zowel het aantal contacturen als zelfstudie-uren relatief laag (grafieken 5 en 6). En op het niveau van instellingen: Meer inzicht krijgen in maatstaven die gelden voor het verlenen van vrijstellingen en studieduurverkorting (zie tabel 11 en 12). 14

15

1 Doel en opzet van de aansluitingsmonitor 1.1 Inleiding Over een reeks van jaren, vanaf 2002, zijn jaarlijks gegevens verzameld over de aansluiting tussen vooropleiding en hbo-opleiding voor zes tot negen hogescholen. De functie van het onderzoek is het verstrekken van inzicht in aansluitingsprocessen en de factoren die hierop van invloed zijn. De monitor heeft de afgelopen jaren meer inzicht opgeleverd in de kwaliteit van de aansluiting. Met het oog op doorlopende veranderingen in vooropleidingen (andere opzet van de tweede fase havo/vwo vanaf 2008, invoering van competentiegericht onderwijs in alle mbo-instellingen vanaf 2010) zal de aansluitingsmonitor ook in de toekomst nuttig zijn voor evaluatie en kwaliteitszorg. Op basis van de evaluatie die in het cursusjaar 2007/2008 is uitgevoerd, is gekozen voor een andere opzet met als kenmerken: Afname eenmaal in de twee jaar. Koppeling met studieresultaten (studiepunten en uitval) in de tussenliggende jaren. Meer aandacht voor studenten die op een andere wijze dan rechtstreeks via havo, vwo of mbo het eerste jaar van een hbo-opleiding instromen. Meer aandacht voor interventies of bijzondere omstandigheden die bedoeld of onbedoeld van invloed zijn op de kwaliteit van de aansluiting. In december 2008 januari 2009 is de aansluitingsmonitor afgenomen onder studenten van zes hogescholen die in september 2008 met een hbo-studie zijn begonnen. De deelnemende hogescholen waarover we rapporteren zijn: Hanzehogeschool Groningen (HG) Stenden Hogeschool, met als locaties Emmen (SHD) en Leeuwarden (SHL) Hogeschool Van Hall Larenstein, locatie Leeuwarden (VHL) Noordelijke Hogeschool Leeuwarden (NHL) Christelijke Hogeschool Windesheim (CHW) Saxion Hogescholen, met als locaties Deventer (SDev) en Enschede (SEns) 1. 1 Over Saxion Enschede en Saxion Deventer en Stenden Emmen en Leeuwarden wordt (nog) wel apart gerapporteerd. 16

1.2 Doel en gebruiksmogelijkheden van de monitor Het doel van de aansluitingsmonitor is hbo en vo/mbo een spiegel voor te houden, die hen in staat stelt de kwaliteit van de aansluiting in het hbo te bewaken en te verbeteren. De aansluitingsmonitor brengt in beeld hoe studenten de aansluiting tussen vooropleiding of voortraject ervaren en geeft informatie over de factoren die van invloed zijn op een goede aansluiting. Er zal gerapporteerd worden op drie aggregatieniveaus: 1. Instellingen. Een rapportage waarin een algemeen beeld wordt geschetst van de waardering van studenten over diverse aspecten van de aansluiting in het hbo. Deze rapportage levert het kader voor interpretatie van resultaten door management van instellingen, hbo-opleidingen en toeleverende scholen. 2. HBO-opleidingen. Een rapportage per hbo-opleiding, waarin een vergelijking met de andere opleidingen van de eigen hogeschool, dezelfde opleidingen van de andere hogescholen en het totaal is opgenomen. Iedere hbo-opleiding met voldoende respons (minimaal tien respondenten) ontvangt deze specificatie van de resultaten, die benut kan worden in het kader van interne kwaliteitszorg en accreditatie. 3. Toeleverende scholen. Een rapportage voor toeleverende scholen. Deze rapportage heeft als invalshoek de vraag hoe oud-leerlingen de aansluiting tussen vooropleiding en hbo ervaren. Tevens biedt het de toeleverende school aanknopingspunten voor verbetering van de vooropleiding met het oog op een goede aansluiting op het hbo. De rapportage wordt na overleg geleverd, met als voorwaarde dat er voldoende respons van oud-leerlingen is. De organisatie van deze rapportage ligt bij de werkgroep Aansluitingsmonitor. De monitor kan gebruikt worden voor de volgende doelen: PR en voorlichting naar scholen voor voortgezet onderwijs (decanen, leerlingen). Informatievoorziening, mentoraat en studieloopbaanbegeleiding van hbo-opleidingen. Onderwijsontwikkelaars en coördinatoren in scholen voor vo en hbo. Kwaliteitszorg, evaluatie, visitatie en accreditatie. Een toelichting op deze mogelijkheden is opgenomen in eerdere rapportages (in te zien via: www.lica.nl). 17

1.3 Theoretisch kader Aansluiting is het proces dat studenten gedurende het eerste jaar in een nieuwe opleiding in het hbo doormaken. De kwaliteit van aansluiting betreft de mate waarin studenten van een eerdere naar een volgende fase in de leerloopbaan kunnen doorgaan zonder dat zij daarbij belemmeringen ervaren. Van Asselt en Leenheer 2 definiëren een goede aansluiting als de fit tussen studentkenmerken en door de hbo-opleiding gewenste deelnemerskenmerken. De fit heeft betrekking op de volgende vier factoren: De leeromgeving. Hoeveel tijd besteden studenten aan diverse werkvormen in het eerste jaar hbo, en hoe verhoudt zich dat tot de bestede tijd in de laatste jaren van de vooropleiding? De pedagogisch-didactische benadering. Hoe vaak komen verschillende pedagogisch-didactische aspecten voor in de nieuwe opleiding en hoe waarderen studenten deze aspecten? De inhoud van programma s. Stromen studenten in het eerste jaar hbo vanuit hun vo-profiel of mbo-sector door naar een al dan niet verwante opleiding? Welke vakken volgden zij tijdens de vooropleiding en wat is het belang van en de waardering voor deze vakken met het oog op een goede aansluiting? De verwachtingen en aspiraties van de student. Hoe beoordelen studenten de voorlichting die zij in het jaar van de keuze ontvingen? Studenten hebben in de vooropleiding op een bepaalde manier geleerd te studeren. Bij het maken van de overstap naar de nieuwe (hbo-) leeromgeving, zullen ze in meer of mindere mate merken dat het onderwijs op bepaalde aspecten anders is en een oordeel hebben over hun aansluiting. Ook zullen zij voor zichzelf vaststellen in welke mate vakken uit de vooropleiding relevant zijn voor de nieuwe opleiding en hoe zij de aansluiting, wat betreft deze vakken, waarderen. Studenten zullen ook vaststellen of de voorlichting in het jaar van keuze, waarop zij hun verwachtingen mede hebben gebaseerd, adequaat was. De vier factoren vormen ook dit jaar de basis voor de vragenlijst. In figuur 1 zijn de verschillende elementen en hun onderlinge samenhang weergegeven. 2 Roel van Asselt en Pieter Leenheer (2006) Over leerloopbanen, onderwijsketen en aansluiting. Handreiking voor de vormgeving en verbeteringen van aansluitingen binnen het onderwijsstelsel. MESOfocus 61. Kluwer, Alphen aan de Rijn. 18

Figuur 1: onderzoeksmodel aansluiting Presage Process Product 1 Hbo-opleiding: Sector Instelling 4 Waardering aansluiting: Waardering leeromgeving w.b. Activerende werkvormen en Basisvaardigheden en -kennis 8 2 Individuele factoren: Geslacht Leeftijd Vooropleiding Ex cijfers Profiel/sector Vrijstellingen Ervaringen leeromgeving vo/mbo 3 Tijdbesteding: Contacturen en Zelfstudie-uren 5 6 7 Waardering aansluiting: Belang en waardering vakken voor aansluiting Waardering aansluiting: Sociale integratie Academische Integratie Voorlichting vanuit vo/mbo en hbo Studeerbaarheid Combinatie leven en studeren Waardering aansluiting: Zelfde keuze weer? Studiesucces: Studiepunten Uitval ja/nee Switch ja/nee In dit rapport onderzochte factoren In Nieuwsbrief Aansluiting 2009/2010 Onderzoeksmodel werkgroep aansluiting 2009 Het model (figuur 1) is geïnspireerd door het 3P-model van Biggs, Kember & Leung 3. De drie P s staan voor presage ( vooraf factoren ), process (gedrag en ervaringen) en product (uitkomsten van vooraf factoren en proces). Studiesucces vormt in termen van behaald aantal studiepunten of uitval, de te verklaren variabele (blok 8). De verklarende variabelen worden gevormd door: Individuele kenmerken (blok 1) Kenmerken hbo-opleiding (blok 2) Tijdbesteding (blok 3) Waardering aansluiting (blok 4, 5, 6 en 7) Er wordt vanuit gegaan dat opleidings- en individuele kenmerken (blok 1 en 2) elkaar beïnvloeden. Studenten en opleidingen vinden elkaar op basis van de aantrekkelijkheid van de opleiding (gezien vanuit het perspectief van de student) of op basis van het opleidingsaanbod, de aan instromende studenten gestelde eisen en de voorwaarden 3 J.Biggs, D.Kember, D.Y.P Leung (2001). The revised two-factor Study Process Questionnaire: R-SPQ- 2F. In: British Journal of Educational Psychology, 2001, 71, 133-149. 19

waaronder de opleiding gevolgd kan worden (gezien vanuit het perspectief van de opleiding). Dat bij het vinden van een match twee actoren betrokken zijn, is aangegeven met een pijl die twee richtingen uitgaat zoals tussen blok 1 en 2 in figuur 1. De verwachting is dat sommige opleidingen selectiever zijn bij het toelaten van studenten dan andere. Andere opleidingen zullen wat soepeler zijn bij de toelating van studenten uit de categorie anders (anders dan havo, vwo of mbo). Individuele en opleidingfactoren en de interactie tussen beide, zijn van invloed op de hoeveel tijd (blok 3) die een student aan de studie zal besteden (de pijlen 1 3, 2 3, en 1*2 3). In de aansluitingsmonitor 2008/2009 is uitgegaan van twee belangrijke pijlers onder de totaal gerealiseerde studielast, namelijk de contacttijd en de zelfstudietijd. Vervolgens zullen individuele factoren, opleidingfactoren en tijdbesteding apart en in onderlinge interactie invloed hebben op de waardering van studenten over de aansluiting (blok 4 tot en met blok 7). Bij de waardering van de aansluiting maken we onderscheid naar tevredenheid over de leeromgeving (opgebouwd uit een aantal pedagogischdidactische ingrediënten, blok 4), de inhoud (studieonderdelen die de student krijgt aangeboden, blok 5), de mate waarin de student zich binnen de opleiding op zijn/haar plaats voelt (aangeduid met professionele/academische en sociale integratie, en aspecten in verband met leven en studeren, blok 6) en het antwoord op de vraag of de student dezelfde keuze voor een hbo-opleiding opnieuw zou maken als daartoe de mogelijkheid bestaat (blok 7). Tot slot zullen opleidingfactoren (blok 1), individuele (blok 2), tijdbesteding (blok 3) en waardering van de aansluiting (blok 4, 5, 6 en 7) van invloed zijn op de studievoortgang van studenten (blok 8). In totaal onderzochten we dus zeven groepen van factoren. Aan het eind van cursusjaar 2008/2009 valt iets te zeggen over studievoortgang en uitval 4. Verklaren van studiesucces is op dit moment nog niet mogelijk. Om toch iets te kunnen zeggen over het te verwachten rendement, beschouwen we in plaats van studiesucces het antwoord van studenten op de vraag of ze, 4 Een rapportage hierover is gepland voor een Nieuwsbrief Aansluiting die in cursusjaar 2009/2010 zal verschijnen. 20

drie maanden na de start van de opleiding, dezelfde keuze weer zouden maken (ja/nee) als een verklarende variabele. In de analyses voor volgend cursusjaar zal de variabele dezelfde keuze weer opnieuw gebruikt worden, maar dan als verklarende variabele voor studievoortgang en uitval 5. 1.4 Opzet van de aansluitingsmonitor De rapportage is aan de hand van figuur 1, gevolgd van links naar rechts, opgezet. Waar dat mogelijk was zijn de resultaten uitgesplitst naar hbo-sectoren (economie, gedrag en maatschappij, gezondheidszorg, kunst, landbouw 6, techniek, onderwijs) en naar vooropleiding (havo, vwo, mbo of anders). In paragraaf 1.6 komen de kenmerken van de hbo-opleiding aan de orde en wordt ingegaan op de respons van de monitor naar instelling, opleiding, hbo-sector en geslacht. Ook wordt ingegaan op de representativiteit van de monitor. In hoofdstuk 2 worden individuele factoren van studenten (blok 2 in de figuur) en hun tijdbesteding gepresenteerd (geslacht en leeftijd; vooropleiding; examencijfers Nederlands, Engels en wiskunde; vo-profiel of mbo-sector; vrijstellingen en studieduurverkorting; voorbereiding in actieve leerstofverwerking en basisvaardigheden en kennis tijdens de vooropleiding). Bij tijdbesteding is onderscheid gemaakt tussen zelfstudie en contacturen. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de waardering van de aansluiting, waarbij de volgende factoren een rol spelen (het oordeel van studenten over 14 pedagogischdidactische factoren van de leeromgeving; het studentoordeel over de eisen die de opleiding stelt, wat betreft één of meer van de 14 factoren waarover ontevredenheid bestaat; het belang van vakken uit de vooropleiding voor een goede aansluiting; de waardering van deze vakken voor de aansluiting; de waardering van aspecten in verband met sociale en professionele/academische integratie, studeerbaarheid en voorlichting; 5 Uit een pilot is gebleken dat koppeling van rendementsgegevens aan de monitorgegevens mogelijk is. Opleidingen en instellingen die interesse hebben in een onderzoeksrapportage waarin rendementsgegevens zijn opgenomen kunnen contact opnemen met de werkgroep. 6 Alleen enkele opleidingen van VHL vallen hieronder. We houden ons aan de indeling in sectoren die landelijk gebruikelijk is, wat niet geheel overeenstemt met de werkelijkheid. O.a. diermanagement, biotechnologie, dier- en veehouderij worden tot deze categorie gerekend. Zie bijlage 2. 21

dezelfde keuze weer. Vragen 17 tot en met 23 uit de vragenlijst hebben betrekking op deze factoren. In hoofdstuk 4 wordt verslag gedaan van verschillen tussen studenten in tijdbesteding en/of waardering van de aansluiting op basis van de volgende factoren (interventies/omstandigheden): Studenten die op een school hebben gezeten die heeft meegedaan aan het project Havo-competent (Haco) vergeleken met andere havisten. Studenten met een Duitstalige vooropleiding vergeleken met overige studenten. Vrijstellingen. Vier groepen worden vergeleken met de referentiegroep (=geen vrijstellingen): studenten 1-10 studiepunten (european credits), studenten met 11 tot 20 punten, studenten met 21 tot 30 punten, studenten met 31-60 en studenten met meer vrijstellingen dan 60 studiepunten. Eindexamenjaar vooropleiding. Twee groepen worden vergeleken met de referentiegroep (=studenten die in 2008 eindexamen deden): studenten die in 2007 en studenten die in 2006 of eerder eindexamen deden. Hoofdstuk 4 is nieuw vergeleken met de voorgaande jaren. Voorheen was de monitor gericht op het in kaart brengen van de kwaliteit van de aansluiting voor de studenten die afkomstig waren uit havo, vwo of mbo en direct aansluitend op hun eindexamen, per 1 september, aan het eerste studiejaar van een voltijd of duale hbo-opleiding begonnen. De keuze betekent echter dat veel respondenten in de verslaglegging buiten beschouwing bleven, bijvoorbeeld studenten met veel vrijstellingen of studieduurverkorting en studenten die eerst een jaar iets anders hebben gedaan. Immers, ongeveer de helft van de instroom bestaat uit studenten die niet de standaardroute naar het hbo volgen, maar op een andere manier (en voor een deel in het eerste jaar) instromen 7. Vanaf dit jaar worden ook studenten in de analyse betrokken die indirect in het eerste jaar instromen. Een tweede uitbreiding van de monitor van dit jaar is dat wordt ingegaan op de vraag of interventies of omstandigheden van invloed zijn op de kwaliteit van de aansluiting. 7 Volgens gegevens van het CFI (mei 2005) bedraagt de directe instroom vanuit de vooropleiding (havo, vwo en bol (=beroepsopleiding)) 53% en bedraagt de indirecte instroom 47%. Tot deze categorie worden gerekend studenten met een havo-, vwo- of bol-diploma die eerst iets anders hebben gedaan, studenten die al eerder een hbo-opleiding volgden, studenten met een wo-diploma en overigen (deze laatste vormt ruim een derde van de indirecte instroom). Zie: CFI (september 2005). Evaluatie Tweede Fase Tabellenboek. Gegevenslevering ten behoeve van het Tweede Fase Adviespunt. Te downloaden via website van Tweede Fase Adviespunt. 22

In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op enkele andere verbanden. Allereerst wordt ingegaan op de vraag in welke mate individuele en opleidingsfactoren van invloed zijn op de tijdbesteding van studenten. Vervolgens op mogelijke invloeden van individuele factoren en tijdbesteding op de waardering van enkele aspecten van de aansluiting. In hoofdstuk 6 volgen enkele conclusies en aanbevelingen. 1.5 Voorbereidende schaal- en betrouwbaarheidsanalyse Dit jaar is meer dan voorheen op hoofdlijnen gerapporteerd met gebruikmaking van somscores. Als voorbereiding hierop zijn enkele factor- en betrouwbaarheidsanalyses uitgevoerd, nodig om te bepalen welke aspecten bij elkaar horen en samen in één somscore uitgedrukt kunnen worden. De coëfficiënt alpha s 8, de somscores die konden worden bepaald op basis van het resultaat van deze analyse en het aantal items waaruit deze schalen zijn berekend, worden gepresenteerd in tabel 1. Een uitgebreidere weergave van de inhoud van de schalen is opgenomen in bijlage 3. Bij het kwalificeren van de uitkomsten van de somscores (zoals percentage geen/weinig tijd, percentage ontevreden) is gekozen om gebruik te maken van de verdeling van de gesommeerde antwoorden van de respondenten op de aspecten behorende bij de betreffende schaal. Kwalificaties als onvoldoende/voldoende liggen in dat geval zo dicht mogelijk bij vraagstelling in de vragenlijst. Hieronder volgt een eerste indruk: Studenten hebben tijdens de vooropleiding tussen weinig en redelijk wat tijd besteed aan factoren die van belang zijn voor actieve leerstofverwerking en aan basisvaardigheden en -kennis (een groot deel van de respondenten rapporteert geeft een score van 2 of 3 op een 5 puntsschaal). Naar verhouding is iets meer tijd besteed aan de basisvaardigheden en -kennis. Er is tussen onvoldoende en voldoende waardering voor de onderwijsfactoren wat betreft het activerend onderwijs en basisvaardigheden (score tussen 3-4 op een 6 puntsschaal). Naar verhouding is de waardering voor de basisvaardigheden en - 8 De coëfficiënt alpha of Crohnbach s alpha geeft de mate van betrouwbaarheid van een schaal aan. De coëfficiënt kan lopen van 0 tot 1; waarden hoger dan 0.70 duiden op een voldoende betrouwbare schaal. Dat betekent dat het geoorloofd is om de scores van de items van de schaal te sommeren en in één score uit te drukken. 23

kennis iets hoger. Het algemene vak Nederlands uit de vooropleiding en de profileringsvakken krijgen van de studenten de hoogste waardering met gemiddelde scores van 4.10 en 4.16. (op een 6 puntsschaal, dat is iets meer dan voldoende). De meer specifieke exacte vakken, door een kleinere groep studenten van belang geacht voor de aansluiting, hebben een vrijwel zelfde waardering van 3.93 (ook voldoende ). De andere waarderingen liggen daar tussenin. Studenten zijn tevreden over de mate van sociale integratie in de opleiding in de eerste maanden hbo, met een gemiddelde waardering van tevreden (de meeste individuele scores liggen rond de 4 op een 5 puntsschaal). Studenten zijn tussen neutraal en tevreden over hun mate van professionele/academische integratie in de opleiding (meeste scores zijn 3 of 4 op een 5 puntsschaal). Tabel 1: Schalen Schaal Min- max 9 Gem Standaard deviatie 10 alpha n items % onvoldoende 11 I. Voorbereiding op hbo tijdens vooropleiding. Tijd besteed aan: 1. voorbereiding op actieve leerstofverwerking 1-5 2.69 0.74 0.81 6 47% 2. voorbereiding op kennis en vaardigheden 1-5 3.17 0.57 0.76 8 25% 9 Gebaseerd op de gehanteerde antwoordcategorieën per schaal, zie de vragenlijst (bijlage 1). 10 Uit de statistiek weten we dat bij benadering ongeveer 68% van de studenten gelijk verdeeld is rond het gemiddelde plus of min één standaarddeviatie en dat 95% van de studenten gelijk verdeeld is rond een score gemiddelde plus of min twee standaarddeviaties. Dit gegeven is belangrijk voor het interpreteren van de uitkomsten van de analyses van hoofdstuk 5 en we zullen daar nog enkele malen naar deze voetnoot verwijzen. 11 Deze percentages komen verderop terug in tabellen 9, 10, 14, 15, 16, 17 en 18. 24

Vervolg tabel 1: II. Waardering onderwijsaspecten 3. activerende werkvormen met beroep op diepgaande leerstofverwerking 1-6 3.75 0.82 0.87 6 34% 4. basisvaardigheden als voorwaarde voor leren 1-6 4.02 0.64 0.84 8 21% III. Waardering vakken/studieonderdelen 5. exacte vakken 1-6 3,93 0,94 0,90 3 26% 6. Nederlands 1-6 4,10 0,90 0,94 3 20% 7. Engels 1-6 4,02 1,01-1 24% 8. ict en rekenen 1-6 3,99 0,84 0,68 3 22% 9. economie en mij vakken 1-6 4,06 0,94 0,82 2 23% 10. profilering 1-6 4,14 0,67 0,62 2 15% IV. Mate van aansluiting 11. sociale integratie 1-5 4.13 0.64 0.84 4 4% 12. professionele/academische integratie 12 1-5 3.52 0.66 0.73 3 12% 13. leven en studeren 13 1-5 3.39 0.65 0.66 4 17% 12 In het rapport "Een succesvolle start in het hoger onderwijs" (Onderwijsraad, januari 2008, p. 27) heeft academische integratie betrekking op participeren van de student in een academische omgeving: goede studieprestaties en interacties met medestudenten, docenten en staf met betrekking tot de leerstof (bijvoorbeeld vragen stellen tijdens een werkgroep of college). Sociale integratie betreft contacten met medestudenten en deelname aan het studentenleven en aan extra-curriculaire activiteiten. Verder wordt in het rapport voorgesteld om het begrip academische integratie voor het wetenschappelijk onderwijs aan te vullen met het begrip professionele integratie voor het hoger beroepsonderwijs. " De invulling van de begrippen sociale en professionele integratie is in nuance anders; contacten met medestudenten binnen de opleiding is volledig ondergebracht in het begrip sociale integratie. Professionele integratie is beperkt tot hoe de student zich voelt in de opleiding (docenten, SLB en manier van studeren). 13 Sociale integratie buiten de opleiding is gemeten met één aspect, dat betrekking heeft op het kunnen combineren van studeren en leven als student. De dimensie waaronder dit aspect valt is niet sterk genoeg om in één schaalscore uit te drukken (de vier weliswaar verwante aspecten zijn te verschillend om bij elkaar te voegen in een schaalscore, resultaat zou te ambigue zijn). De vier aspecten worden om die reden apart meegenomen in enkele vervolganalyses (zie hoofdstuk 4 en 5). 25

De oplettende lezer zal opmerken dat de definitie van Van Asselt voor een goede aansluiting, die is gebaseerd op vier factoren, door het onderzoeksmodel en door de schaal- en betrouwbaarheidsanalyse enigszins op losse schroeven is komen te staan. Het is niet de bedoeling in deze rapportage uitvoerig in te gaan op de verschuiving in definitie van een goede aansluiting. In plaats daarvan zijn onderstaand schematisch de belangrijkste verschillen weergegeven. Schema 1: Van Asselt I. Leeromgeving = werkvormen + bestede tijd Dit rapport II. Pedagogisch-didactische benadering Blok 4: III. Inhoud programma s IV. Verwachtingen en aspiraties Blok 6: Blok 3: Tijd besteed aan contacturen en zelfstudie Waardering leeromgeving wat betreft: Actieve leerstofverwerking Basisvaardigheden en -kennis Blok 5: Belang en waardering van vakken Nieuw element: sociale en professionele/academische integratie Combinatie leven en studeren. Waardering van: Studeerbaarheid Voorlichting uit vo/mbo Voorlichting uit hbo Tijd voor andere activiteiten naast de studie Blok 7: Dezelfde keuze weer? 26

1.6 Respons Het onderzoek is volledig online afgenomen. Via e-mail ontvingen studenten in de tweede week van december 2008 een eerste uitnodiging om deel te nemen aan het onderzoek. Bij op één na alle hogescholen is hierbij gebruik gemaakt van de hogeschool-emailadressen. De uitzondering betrof de NHL. Het beleid van deze hogeschool liet toe om de privé-emailadressen van de eerstejaarsstudenten te gebruiken bij communicatie met studenten. Na de eerste oproep is vervolgens tweemaal een herinnering verstuurd aan studenten die tot dan toe nog niet hadden deelgenomen. In de tweede week van januari is het veldwerk afgesloten. Van de 19.083 studenten die een verzoek om medewerking aan het onderzoek ontvingen, hebben 5819 positief gereageerd. De bruto respons van de monitor bedraagt gemiddeld 30%, variërend van 25% (Stenden-Emmen) tot 37% (NHL). Zie tabel 2. Het totaalresponspercentage is wat hoger dan bij het laatste aansluitingsonderzoek (2006-2007), maar flink lager dan dat van het jaar daarvoor. Toen werd echter nog deels gebruikt gemaakt van schriftelijke vragenlijsten. Dit instrument vergt echter veel hogere kosten, een veel betere afstemming binnen de instellingen en een langere doorlooptijd m.b.t. het veldwerk en databewerking. Tabel 2. Populatie en bruto respons populatie bruto respons respons% 2008-2009 respons% 2006-2007 respons% 2005-2006 HG 5661 1806 32% 28% 31% Stenden-Emmen 611 150 25% 38% 43% VHL 486 137 28% 37% 23% NHL 2021 738 37% 21% 23% Stenden-Leeuwarden 1752 554 32% 22% 26% CHW 4218 1175 28% 36% 38% * Saxion-Deventer 1388 468 34% 36% 54% ** Saxion-Enschede 2946 791 27% 21% 33% ** Totaal 19083 5819 30% 28% 35% *met gebruikmaking van schriftelijke vragenlijsten bij een deel van de populatie. **een selecte steekproef van de eerstejaarspopulatie werd benaderd als deelnemer bij dit onderzoek; een deel van deze selectie werd benaderd met een schriftelijke vragenlijst. 27

De respons per hogeschool uitgesplitst naar vooropleiding is als volgt. Zie tabel 2b. Uit de tabel blijkt dat havisten relatief sterk vertegenwoordigd zijn bij de CHW (57%) en bij Saxion-Deventer, waar ze 56% van de responsgroep uitmaken, en relatief weinig vertegenwoordigd zijn bij Stenden-Emmen met 25%. Stenden-Emmen kent met 15% relatief veel vwo ers en met 48% van de respons heel veel studenten met de vooropleiding anders. Eerstejaarsstudenten met een mbo-diploma komen relatief het meest voor bij de NHL en het minst bij Stenden_Emmen (11%) en VHL (26%). Tabel 2b. Verdeling bruto respons per hogeschool per vooropleiding. totaal hogeschool havo vwo mbo anders % N HG 48% 12% 32% 8% 100% 1806 Stenden-Emmen 25% 15% 11% 48% 100% 150 VHL 52% 9% 26% 13% 100% 137 NHL 53% 9% 34% 4% 100% 738 Stenden-Leeuwarden 49% 11% 31% 8% 100% 554 CHW 57% 9% 30% 4% 100% 1175 Saxion-Deventer 56% 7% 31% 6% 100% 468 Saxion-Enschede 52% 9% 30% 9% 100% 791 Totaal% 51% 10% 31% 8% 100% 5819 TotaalN 2980 584 1801 454 5819 Is de respons representatief voor de populatie gelet op de vooropleiding? Om deze vraag te beantwoorden is tabel 2c opgesteld: de responspercentages per vooropleiding per hogeschool. In tabel 2c is te zien dat de responspercentages per vooropleiding bij enkele hogescholen in behoorlijke mate afwijken van het gemiddelde van die hogeschool. De respons onder vwo-ers ligt in het algemeen (ruim) boven het gemiddelde. Bij Stenden-Emmen is dit in extreme mate het geval. Bij de NHL, de CHW en de twee Saxion locaties is de respons onder vwo-ers ruim boven het gemiddelde. Bij Stenden-Emmen is de mbo-respons veel lager dan gemiddeld. 28

Tabel 2c. Bruto responspercentage, per hogeschool en per type vooropleiding. totaal hogeschool havo vwo mbo anders % N HG 32% 39% 35% 19% 32% 1806 Stenden-Emmen 21% 68% 13% 27% 25% 150 VHL 29% 24% 24% 39% 28% 137 NHL 37% 47% 37% 22% 37% 738 Stenden-Leeuwarden 34% 35% 34% 18% 32% 554 CHW 28% 37% 26% 26% 28% 1175 Saxion-Deventer 33% 40% 35% 27% 34% 468 Saxion-Enschede 28% 36% 28% 17% 27% 791 Totaal% 31% 39% 31% 21% 30% 5819 Voor de meeste analyses uitgevoerd in deze monitor is de netto, bruikbare respons lager. In deze netto respons zijn alleen studenten geselecteerd die voldoen aan de volgende voorwaarden: voor de eerste keer begonnen met een voltijd of duale hbo-opleiding vragenlijst voldoende compleet ingevuld De volgende tabellen geven een overzicht van de aantallen en percentages netto respons per hogeschool, per vooropleiding, per geslacht, per eindexamenjaar, per startjaar. 29