1
Achtergrondinformatie Planten groeien niet willekeurig door elkaar. Afhankelijk van verschillende milieufactoren (grondsoort, waterstand, zon, schaduw, betreding, bemesting, enz.) kunnen we verschillende soorten van begroeiing tegenkomen. Zo ziet een voetbalveld er duidelijk anders uit dan een drassig weiland. Grasvelden In groenbeplantingen wordt erg veel gebruik gemaakt van gazons, vaak in combinatie met struiken en/of bomen. In veel gevallen zijn deze gazons voor de sier of voor de ruimtelijke werking, soms dienen ze als speelweide. Een gazon bestaat meestal uit meer dan één grassoort. Voor de siergrasvelden is er een ander mengsel dan voor bijvoorbeeld sportvelden. De grassen van de sportvelden moeten erg sterk en taai zijn en goed tegen betreding kunnen. Ook moet er rekening gehouden worden met grondsoort, vochtigheidsgraad, zon of schaduw enz. Gazons worden vaak gemaaid. Toch gaat het gras niet dood na het afmaaien. Integendeel. Als het gras gemaaid is gaan de knoppen, die erg diep zitten, uitlopen en vormen nieuwe sprieten. Het maaien bevordert zelfs het uitlopen van de knoppen! Het gras komt daardoor steeds dichter op elkaar te staan en vormt dichte zoden. Dit heet uitstoelen. Veelal komen de grassen door het veelvuldig maaien niet tot bloeien. Soms lukt dit echter wel. Dan is het erg leuk om een bloeiend grasbloempje onder de loep te bekijken. Behalve gras groeien er in grasvelden tevens onkruiden. Als we het woord onkruid geloven (on = niet), dan zouden deze planten geen kruiden (planten) zijn. Dat is natuurlijk niet zo, het zijn wel degelijk planten. Met dat woord wil men eigenlijk alleen maar zeggen, dat het voor de mens erg lastige planten zijn. Ze groeien namelijk op plaatsen waar wij ze niet willen: in akkers, tuin en gazons. Daar willen we groenten, sierplanten enz. laten groeien. De onkruiden groeien echter óók, zelfs vaak sneller dan de kweekproducten. Ze ontnemen licht, lucht en water aan de gekweekte planten. In tegenstelling tot deze planten gebruiken de onkruiden geen bescherming van de mens en tóch groeien ze er. 2
Onkruiden zijn allemaal wilde planten, die er van nature thuis horen, anders zouden ze daar niet groeien. De planten in het gras zijn goed aangepast aan het maaien. Vaak hebben ze wortelrozetten, de bladeren groeien uit de wortel en liggen in kransen plat op de grond. Daardoor zijn ze onbereikbaar voor de maaimachine. Alleen de bloeistengel van uitgebloeide bloemen groeit boven het gras uit en wordt afgemaaid. Daardoor worden de zaden dus ook meteen verspreid. Voorbeelden van planten met wortelrozetten zijn: paardenbloem en madeliefje. Sommige van deze planten hebben bovengrondse uitlopers, die vlak over de grond voortkruipen, bijvoorbeeld witte klaver, kruipende boterbloem en hondsdraf. Bemesting (met kunstmest) speelt ook een grote rol in het al of niet voorkomen van allerlei onkruiden. Grassen groeien door bemesting met kunstmest veel sneller dan de kruiden, zodat deze laatste door het gras verdrongen worden. Veel in gazons voorkomende plantensoorten zijn: gras, madeliefje, paardenbloem, weegbree, witte klaver, boterbloem, herderstasje en hoornbloem. 3
Lessuggesties - Ga met de kinderen naar buiten en laat ze bijvoorbeeld 5 verschillende blaadjes plukken. Neem de blaadjes mee naar binnen en laat ze opplakken op één groot vel of op een blaadje. U kunt ze de blaadjes ook laten omtrekken. - Laat de kinderen per groepje een veldje vlak bij de school uitkiezen. Ze kunnen dit gedurende een jaar bijvoorbeeld één keer per maand bekijken, er een plattegrond van maken of alles wat ze aantreffen beschrijven, tekenen, verzamelen enz. Hierbij kunnen ze op alles letten, niet alleen op de planten, maar ook op de hondendrollen, plastic zakken enz. - Laat de leerlingen verschillende stukken grasland met elkaar vergelijken, bijvoorbeeld een weinig belopen gazon, veel belopen gazon, berm, oever, sportveld, weiland, ruigte enz. U kunt hiervoor de werkbladen gebruiken. 4
Werkblad buiten Plantensoorten in het gras Nodig: 1 touw van 4 meter lang en 4 stokjes - Zet met het touw en de stokjes een vierkant uit van 1 bij 1 meter. - Bekijk hoeveel soorten plantjes er in het vierkant staan. - Bedenk voor elke soort een eenvoudig tekentje (bijv. o +). - Zet voor elk afzonderlijk plantje van elke soort zo n tekentje in het onderstaand vierkant, op die plaats waar hij in het veldje staat. 5
Werkblad buiten Planten tellen Bekijk het stuk grasveld goed. Welke plantjes vind je tussen het gras? Schrijf op hoe het plantje eruit ziet. Als je de naam weet mag je die erbij zetten. Probeer het te tekenen. Hoeveel staan er van deze soort? Veel, weinig, een enkele? 6