klein, veilig, ondernemend Visie 2012-2018 22-05-2012 1
Inhoud i Inleiding p. 3 1 Leerling p. 4 2 Medewerker p.5 3 Onderwijs p.6 4 Organisatie p. 7 Bijlagen: 1. Locatiejaarplan 2012-2013 2. Doelstellingen 2018 2
Klein: De school met de persoonlijke benadering. De school waar je gezien en gehoord wordt. Veilig: De school waar je je thuis voelt, omdat je gewaardeerd wordt om wie je bent. Ondernemend: De school waar je bouwt aan je zelfbeeld en je zelfvertrouwen en waar je je eigen grenzen verlegt. Talent: Talent is wat iedereen heeft. Het is datgene waar je goed in bent en waar je hart sneller van gaat kloppen wanneer je je ermee bezig houdt. Optimaal ontwikkelen: We werken aan het versterken van onze kwaliteiten, het verbeteren van onze ontwikkelpunten en het accepteren van onze beperkingen, binnen de mogelijkheden van de school en de eisen die aan goed onderwijs gesteld worden. Hierbij is een ieder eigenaar van zijn eigen ontwikkeling. Uitdagend onderwijs: Onderwijs dat vragen oproept bij de leerling: hij wil er meer van. Maatwerk: Ieder heeft zijn eigen mogelijkheden en beperkingen. Het is onze opdracht om met het onderwijs per persoon op deze individuele verschillen in te spelen. 3
1. De leerling 1. De leerling voelt zich gezien, gekend en gewaardeerd. 2. De leerling is ondernemend. 3. De leerling is daadkrachtig en werkt vanuit een eigen plan. PROFIEL EN KWALITEITEN: Kennis en vaardigheden: De leerling is initiatiefrijk, denkt creatief en werkt samen. De leerling werkt vanuit zijn eigen plan met concrete doelen die hij waar nodig door zelfreflectie steeds bijstelt. De leerling heeft een reëel zelfbeeld: hij (er)kent zijn kwaliteiten, zijn ontwikkelpunten en zijn beperkingen. De leerling heeft een - voor zijn niveau - voldoende beheersing van de Nederlandse taal, wiskunde, Engels en mediawijsheid. Houding en gedrag: De leerling ziet, kent en waardeert zichzelf en zijn omgeving. Hij handelt naar zijn en andermans kwaliteiten, ontwikkelpunten en beperkingen. De leerling stelt zich lerend op. Hij experimenteert om uit te vinden wat hij wel en wat hij (nog) niet kan, wat hij van daaruit nog (meer) wil leren. De leerling staat open voor wat er in de rest van de wereld leeft en kent zijn positie in deze wereld. 4
2. De medewerker 1. De medewerker geeft het goede voorbeeld. 2. De medewerker voelt zich gezien, gekend en gewaardeerd. 3. De medewerker is gericht op de mogelijkheden van de leerling. 4. De medewerker is ondernemend, daadkrachtig en werkt vanuit het gemeenschappelijke plan aan zijn eigen ontwikkeling. PROFIEL EN KWALITEITEN: Kennis en vaardigheden: De medewerker is initiatiefrijk, denkt creatief, werkt samen en implementeert ontwikkelingen. De medewerker werkt vanuit zijn eigen plan met concrete doelen op pedagogisch en didactisch vlak, die hij op basis van resultaten en door zelfreflectie steeds bijstelt. Het plan past binnen het gemeenschappelijke plan. De medewerker heeft een reëel zelfbeeld: hij (er)kent zijn kwaliteiten, zijn ontwikkelpunten en zijn beperkingen. De medewerker is professional. Gedrag en houding: De medewerker stimuleert de leerling in zijn ontwikkeling. Hij denkt in kansen. De medewerker ziet, kent en waardeert zichzelf en zijn omgeving. Hij handelt naar zijn en andermans kwaliteiten, ontwikkelpunten en beperkingen. De medewerker stelt zich lerend op. Hij experimenteert om uit te vinden wat hij kan en wat hij verder moet ontwikkelen. De medewerker staat open voor wat er in de rest van de wereld leeft en kent zijn positie in deze wereld. 5
3. Het onderwijs 1. Het onderwijs kenmerkt zich door een sfeer van onderling vertrouwen. 2. Het onderwijs ondersteunt de ontdekking en de ontwikkeling van de individuele kwaliteiten van de leerling en de medewerker. 3. Het onderwijs stimuleert daadkrachtig werken en een ondernemende houding. 4. Het onderwijs prikkelt en stimuleert de betrokkenheid van de leerling. PROFIEL EN KWALITEITEN: Professionaliteit De medewerker heeft een - voor zijn niveau - voldoende beheersing van de Nederlandse taal, wiskunde, Engels en mediawijsheid. De medewerker is bevoegd en bekwaam. Pedagogisch Bij het inrichten en uitvoeren van ons onderwijs houden we rekening met de meest actuele leertheorieën en theorieën over de ontwikkeling van het kind en met de (on)mogelijkheden die passen bij het onderwijsniveau van de leerling. Het onderwijs wordt gegeven vanuit de 5 rollen van de docent, te weten: gastheer, presentator, didacticus, pedagoog, afsluiter. De vormen van onderwijs brengen een verbinding tot stand tussen de school en de rest van de maatschappij: we halen de maatschappij naar binnen en we gaan naar buiten. Het onderwijs geeft vorm aan het invullen van een gezonde leefwijze. Didactisch Begrijpend lezen en rekenen zijn zoveel mogelijk geïntegreerd in alle vakken. Bij de uitvoering van het onderwijs wordt de ontwikkeling van de leerling duidelijk in beeld gebracht. De leerling beleeft de samenhang tussen de verschillende vakken en vaardigheden in een leeromgeving die de werkelijkheid zoveel mogelijk benadert. Het onderwijs biedt mogelijkheden om alle talenten te ontdekken en te ontwikkelen en om te ervaren hoe je kunt steunen op die van anderen. 6
4. De organisatie De organisatie van de school kenmerkt zich door een cultuur die gebaseerd is op verantwoordelijkheid en professioneel eigenaarschap door: Respecteer en handel naar de verschillen die er zijn tussen mensen. Spreek altijd de juiste persoon aan en op de juiste toon. Een probleem zien is een probleem oppakken. Creëer je eigen mogelijkheden. Eerst luisteren, dan handelen. Geef je grenzen aan en respecteer andermans grenzen. Afspraak is afspraak. 7