Grond onder je voeten Hé hé, wie heeft z n voeten niet geveegd? Overal ligt modder. Kijk allemaal onder je schoenen! Loop je even door de tuin en daar begint het gezeur. Grond op de vloer vinden we blijkbaar niet netjes. Grond is heel belangrijk. We leven erop en we leven ervan. In onze taal zijn spreekwoorden en uitdrukkingen met grond zoals: ik kan wel door de grond zakken. Opdracht 1: Maak de uitdrukkingen compleet. - Uit de grond van mijn. - Hij is volledig de grond.. - Ik zal dat eens bekijken - Ik zit helemaal aan... Weet je wat ze betekenen? Opdracht 2: Niet alle grond is hetzelfde. Er zijn mensen met een achternaam, die iets vertelt over de soort grond, waarop hun familie ooit woonde. Kleur hun namen in deze telefoongids. Welke grondsoorten heb je in de namen ontdekt? Iedere grondsoort is anders. Je kunt geen kluit zand pakken. Zand glipt tussen je vingers door. Het kan stuiven. Met klei kan je boetseren. Het kleeft aan je vingers. In een kleigebied weet iedereen wat een kluit of kloet is. Weet jij op welke grondsoort je woont? Ik denk op Het is niet zo gemakkelijk om dat te weten te komen, want vaak is de grond bedekt. 1
Opdracht 3: Kijk eens op het schoolplein en rond de school. Vul in op welke manier de grond is bedekt. Door mensen met: Door de natuur met: Veel kinderen in Nederland denken dat ze op zand wonen. Dat is ook zo. Je kunt niet op alle grond zomaar huizen bouwen. Over klei en veen spuit men eerst een laag zand om de bouwlaag steviger te maken. Zo maken we deze grond bouwrijp. In je atlas staat een kaart met de grondsoorten uit de tijd vóór er op gebouwd werd. Het lijkt wel een lappendeken. Nederland kent vier belangrijke grondsoorten. Opdracht 4: Zet op het kaartje op de plek van je woonplaats een stip. Kleur de kleistreken donkergroen, de zandgronden geel, de veengebieden grijs. In Limburg is een apart soort kleigrond: löss. Kleur dat lichtgroen. Welke grondsoort ligt bij jou in de buurt? Dat is In ons land is alle grond in gebruik. Denk maar aan fabrieken, boerderijen, parken en tuinen, akkers en weilanden, natuurgebieden, wegen, bossen en stranden. Wij mensen hebben van de bovenlaag onze werkvloer gemaakt. Vaak veranderen we de bovenlaag. We werken met graafmachines en grote vrachtauto s. Zo brengen we andere grond op of we graven diepe sloten. Dat doen we ook in het klein: we spitten de tuin om. 2
Voor planten en veel dieren is de bovenlaag ook belangrijk. Zij leven erin. Ook zij veranderen hun leeflaag, maar ze doen er veel langer over. Bodemdieren woelen de grond om. Waar gewerkt wordt, veranderd er iets. Als je in de tuin gaat staan, zak je een beetje weg. Er is blijkbaar ruimte in de grond. Pak je een handvol grond, dan heb je niet alleen maar korrels. Er zit van alles tussen. De korrels vormen het geraamte van de bodem. Tussen de korrels is ruimte voor lucht en water. Er groeien wortels van allerlei planten en er leven dieren. Opdracht 5: Neem twee gelijke glazen jampotten. Vul één met grof grind en de ander met fijn grind. Welke pot, denk je, is het zwaarst? De pot met Neem een maatbeker met water en giet de eerste pot vol tot de rand. Noteer hoeveel water je gebruikt. Vul nu ook de tweede pot. In welke pot gaat het meeste water? Ik denk de pot met Korrels zand zijn groter dan korrels klei. Bij welke grondsoort zal meer lucht (of water) tussen de korrels zitten. Bij Planten groeien het liefst in grond waar voldoende lucht en water is. Tussen grote korrels zit veel lucht. Het regenwater loopt gemakkelijk weg. Bij kleine korrels blijft het water in de grond hangen. Er is weinig of geen ruimte meer voor lucht. Waar zullen planten het beste groeien? Kleur het rondje. O In een bodem met grote korrels. O In een bodem met kleine korrels. O In een bodem met grote en kleine korrels door elkaar. De grootte van de korrels vertelt je of je met grind, zand of klei te maken hebt. 3
W e r k b l a d Grond onder je voeten Grondig bekijken Neem een vel wit papier en teken daarom drie cirkels ter grootte van jampotdeksels. Leg in de ene cirkel een beetje zand, in de tweede een beetje tuingrond en in de derde wat klei. Gebruik een vergrootglas of (of loep). Opdrachten Zand Klei Tuingrond Kijken Welke kleuren zie je? Zie je korrels? Welk verschil zie je nog meer tussen de drie soorten? Wat valt je op als je met de loep kijkt? Ruiken Ruik je de grond? Kun je met je ogen dicht de grond herkennen? Voelen Kun je de korrels voelen? Vul in hoe het voelt. (Denk aan kleverig/vochtig/droog) Probeer met je ogen dicht te voelen welke grond het is. Lukt dat? Tekenen Kijk nog eens met de loep en probeer van elke grondsoort een vijftal korreltjes zo groot mogelijk na te tekenen. 4
Regenwormen eten graag rottende bladeren. Soms zie je een afgevallen blad rechtop in de grond staan. Dat doen wormen. Ze trekken bladeren naar beneden. De bladeren gaan aan de onderkant rotten. Wormen zijn dol op grond vermengd met zulke plantenresten. De grond schuurt de maag en van de resten leven ze. Hun poep bestaat dan ook uit grond vol met meststoffen. Van deze voedingsstoffen leven de planten. Wormen doen dubbel werk: ze bemesten niet alleen de grond, ze graven ook gangen. Dat maakt de grond luchtig. Zo n worm is net een ondergrondse ploeg. Is luchtige grond goed? Ja / nee, want Hoe zou de regenworm aan zijn naam komen? Ik denk Welke dieren lusten graag een regenworm? en Veel mensen met een tuin maken een composthoop. Dit is een plek waar plantenafval kan rotten. Het zal je niet verbazen dat hier veel bodemdiertjes leven. Ze veranderen het plantenafval in korte tijd in compost. Waarvoor gebruiken mensen deze compost? Om - Je kunt plantaardig afval ook in een GFT-container gooien. Ook hiervan wordt weer compost gemaakt. Wat betekenen de letters GFT? G F T 5
Opdracht 2 Wat hoort op de composthoop thuis? Kleur de rondjes. 6
W e r k b l a d 1. Onder de grond houdt hij lekker zijn dichte bontjas aan. 2. Welk dier trekt blaadjes naar beneden? 3. Een vlug diertje met heel veel pootjes. 4. De bovenste laag van de aarde heet de.. laag. 5. Een andere naam voor de pissebed. 6. Op dit werktuig lijkt de regenworm nog het meest. 7. Wat kun je in de herfst maar beter laten liggen in de tuin? 8. Het steeds weer gebruiken van voedingsstoffen in de natuur heet een.. 9. Een mol graaft lange.. 10. Veel bodemdiertjes houden de.. lekker luchtig. 11. De laag verteerde bladeren, takjes en diertjes noemen we.. Oplossing: In de grijze kolom staat van boven naar beneden 7