Oefenvragen 001 - theorie HOC Let op: -Deze set vragen bestaat uit 30 meerkeuze waarbij er uitgegaan is van de laatste cursus map Hulpverlenen bij Ongevallen en Calamiteiten (September 2004) en het EHBO boekje 25 e druk. -Verder zijn er 5 verkeerstechnische vragen voor de chauffeurs (iedereen zou deze moeten kunnen maken). -Kies het meest juiste en/of meest volledige antwoord. 1. In welke twee grondbeginselen is het doel van het Rode Kruis verwoord? A. Neutraliteit en onafhankelijkheid. B. Vrijwilligheid en eenheid. C. Menslievendheid en onpartijdigheid. D. Onpartijdigheid en onafhankelijkheid. 2. Hoeveel Verdragen van Genève zijn er en hoeveel aanvullende protocollen? A. 2 verdragen en 2 protocollen. B. 4 verdragen en 2 protocollen. C. 2 verdragen en 1 protocol. D. 4 verdragen en 1 protocol. 3. Welke uitspraak/uitspraken zijn waar: a) In geval van een ramp kan de burgemeester alle bevelen geven die hij nodig acht. b) Het functioneren van het MMT buiten het ziekenhuis is geregeld in de wet bijzondere medische verrichtingen. 4. Vul de volgende zin aan: Tot en met opschalingsfase is er sprake van een incident dat zich beperkt tot één gemeente. A. GRIP 1. B. GRIP 2. C. GRIP 3. D. GRIP 4. 5. Wat zijn de drie GHOR-processen? - Geneeskundige hulpverlening somatisch, geneeskundige hulpverlening psychosociaal en A. CTPI. B. CvDG. C. COPI. D. POG. 6. Wie is eindverantwoordelijk voor het proces Schaderegistratie en afhandeling? A. De gemeente. B. De politie. C. De GHOR. D. De brandweer. R. Reuvers Pagina 1 van 6
7. Triage vindt plaats aan de hand van de toestand van de A, B en C. Waar staan deze drie afkortingen voor? A. Airway, Breathing, Circulation. B. Aanspreken, Bewustzijn, Controles. C. Ademhaling, Bloedsomloop, Circulatie. D. Ademhaling, Bewustzijn, Circulatie. 8. Wie behoren tot de ketenpartners van de GHOR? A. Huisartsen. B. Het NRK. C. Verpleeghuizen. D. Alle drie. 9. Tot welke functiegroep behoren de SIGMA leden? A. Medisch handelen (curatief). B. Multidisciplinair management. C. Medisch transport en transportondersteuning. D. Psychosociale hulpverlening. 10. Wie is de hoogste GHOR-functionaris op het rampterrein? A. OvDG. B. TL-SIGMA. C. CvDG. D. CGV. 11. Wie heeft de leiding over een GNK-C? A. TL-SIGMA. B. HGN. C. OvDG. D. Arts-MMT. 12. Op de gewondenkaart zijn vier afbeeldingen zichtbaar om de triage-klasse aan te geven. Welke klasse komt overeen met de schildpad? A. T1. B. T2. C. T3. D. T4. 13. Wat wordt beschouwd als de kleinste bouwsteen van het menselijk lichaam? A. Cel. B. Weefsel. C. Orgaan. D. Orgaanstelsel. 14. Wat is de juiste volgorde? A. Mond, oesophagus (slokdarm), maag, duodenum (12-vingerige darm), dunne darm, dikke darm. B. Mond, oesophagus, maag, duodenum, dikke darm, dunne darm. C. Mond, oesophagus, duodenum, maag, dunne darm, dikke darm. D. Mond, oesophagus, duodenum, maag, dikke darm, dunne darm. R. Reuvers Pagina 2 van 6
15. In welk lichaamsdeel vindt men het slakkenhuis? A. Keel. B. Neus. C. Oog. D. Oor. 16. Welke van onderstaande beweringen is/zijn juist? a) De uitlopers van een zenuwcel worden dendrieten genoemd. b) Neuronen kunnen zich, net als andere cellen, vermenigvuldigen. 17. Wat is de juiste volgorde? A. Neus, trachea (luchtpijp), larynx (keelholte), bronchiën, alveoli. B. Neus, alveoli, trachea, larynx, bronchiën. C. Neus, larynx, trachea, bronchiën, alveoli. D. Neus, alveoli, larynx, trachea, bronchiën. 18. Welke van onderstaande beweringen is/zijn juist? a) Tijdens het verbrandingsproces worden CO 2 en O 2 omgezet in water en glucose. b) Het strotklepje fungeert als toegangspoort tussen linker en rechter bronchus. 19. Bij het spinnen van een slachtoffer op de wervelplank is de juiste volgorde? A. Bekken, bovenste deel romp, benen, hoofdblokken. B. Bovenste deel romp, bekken, benen, hoofdblokken. C. Bovenste deel romp, bekken, hoofdblokken, benen. D. Benen, bekken, bovenste deel romp, hoofdblokken. 20. Wie is eindverantwoordelijk voor het proces Afzetten en afschermen? A. De politie. B. De brandweer. C. De GHOR. D. De gemeente. 21. Als bij een slachtoffer de ademweg vrij is, maar hij/zij niet kan ademen doordat de thorax (borstkas) bekneld zit dan moet men bedacht zijn op: A. Commotio cerebri. B. Contusio cerebri. C. Femur fractuur. D. Traumatische asfyxie. R. Reuvers Pagina 3 van 6
22. Welke van onderstaande beweringen is/zijn juist? a) Onderkoeling is niet gevaarlijk voor traumaslachtoffers. b) Onderkoeling wordt ook wel hyperthermie genoemd. 23. De afkorting PTSS staat voor? A. Psychische Training en Scholing Service. B. Post Traumatisch Stress Syndroom. C. Pre Traumatische Stress Stoornis. D. Post Traumatische Stress Stoornis 24. Hoeveel aansluitingen heeft het Nationaal Noodnet? A. ruim 30.000. B. ruim 20.000. C. ruim 10.000. D. ruim 2.000. 25. Het bewustzijnsniveau kan uitgedrukt worden in.. A. AVPU. B. RTS. C. PHTLS. D. SOT. 26. Hoe wordt de afkorting ZHZ (van Zuid-Holland Zuid) gespeld volgens het NATO-spelalfabet: A. Zulu Hotel Zulu B. Zebra Hotel Zebra C. Zaandam Hotel Zaandam D. Zaandam Hendrik Zaandam 27. Hoe wordt het roepnummer 968 uitgesproken? A. negen zes acht. B. zesennegentig acht. C. negenhonderd achtenzestig. D. negen achtenzestig. 28. Bij de eerste triage door de professionele hulpverlener wordt het volgende ingevuld op de gewondenkaart: A. Urgentieklasse en personalia. B. Alleen de urgentieklasse. C. Alleen personalia. D. Alle gegevens (urgentieklasse, personalia, medicatie, infuus, etc.). R. Reuvers Pagina 4 van 6
29. Wie mag de indicatie stellen voor het verwijderen van een vreemd voorwerp uit de luchtweg zonder hulpmiddelen? Avp = Ambulanceverpleegkundige. Ach = ambulancechauffeur. arts-mmt = arts van het MMT vp-mmt = verpleegkundige van het MMT A. Avp en arts-mmt. B. Alleen arts-mmt. C. Avp, Ach, arts-mmt, vp-mmt en SIGMA-lid. D. Avp, arts-mmt en de vp-mmt. 30. Je krijgt opdracht hypothermie bij een slachtoffer te behandelen door hem/haar in te pakken in dekens. Wat is de juiste volgorde? A. Eerst een wollen deken en daaromheen een aluminium deken. B. Eerst een aluminium deken en daaromheen een wollen deken. C. Eerst een wollen deken, dan een aluminium deken en daaromheen een wollen deken. D. Eerst een aluminium deken, dan een wollen deken en daaromheen een aluminium deken. De volgende 5 vragen beantwoorden als normale bestuurder van een voertuig met aanhanger. Dus zonder vrijstellingen en ontheffingen. 31. Wat is de betekenis van bord F9? A. Dit is geen geldig bord. B. Einde van alle door verkeersborden aangegeven verboden en adviezen op een elektronisch signaleringsbord. C. Einde van alle door verkeersborden aangegeven verboden en adviezen. D. Einde van alle door verkeersborden aangegeven verboden. 32. Wat is de betekenis van bord F10 (rode rand)? A. Stop. B. Gesloten voor motorvoertuigen. C. Eenrichtingsweg, in deze richting gesloten voor bestuurders. D. Dit is geen geldig bord. 33. Een voorrangsvoertuig is een motorvoertuig dat voert. A. optische signalen. B. geluidssignalen C. optische- en geluidssignalen. 34. Welke van onderstaande beweringen is/zijn juist? a) Fietsers moeten elkaar links inhalen. b) Fietsers mogen andere bestuurders rechts inhalen. R. Reuvers Pagina 5 van 6
35. Binnen de bebouwde kom gelden de volgende maximumsnelheden: A. voor motorvoertuigen 50 km per uur en voor bromfietsen 40 km per uur. B. voor motorvoertuigen 50 km per uur en voor bromfietsen 30 km per uur. C. voor motorvoertuigen 50 km per uur en voor bromfietsen 45 km per uur. D. voor motorvoertuigen 80 km per uur en voor bromfietsen 40 km per uur. R. Reuvers Pagina 6 van 6