Het : het ACP Het Abrona communicatieplan (ACP) is een middel tot het in kaart brengen van de communicatie van en met en cliënt wonend en/of werkend op Abrona. Het plan kan voor elke cliënt ingevuld worden. Aan de hand van onderstaande punten wordt bepaald of invullen van het ACP zinvol is. Begrip: Weet je wat je cliënt begrijpt van: gesproken taal plaatjes foto s pictogrammen gebaren geschreven taal Uiten: Kan de cliënt: om aandacht vragen vragen om een voorwerp of actie afwijzen opmerkingen maken beschrijvend informatie geven informatie zoeken of vragen uitdrukken van gevoelens sociale routine Zijn er communicatieproblemen? Voor cliënt of voor zijn omgeving? Wanneer de antwoorden op bovenstaande vragen niet te geven zijn is invullen van het ACP zeer aan te bevelen. Logopedist en/of orthopedagoog kunnen ondersteuning bieden bij het invullen, interpreteren en implementeren van het ACP. Het ACP geeft inzicht in de communicatiemogelijkheden van de individuele cliënt. Naar aanleiding van het invullen van het ACP is aanvullend logopedisch onderzoek mogelijk. Op grond van de bevindingen in het ACP kunnen doelen t.a.v. communicatie gesteld worden. Deze doelen dienen regelmatig geëvalueerd te worden. 1
ABRONA COMMUNICATIEPLAN INHOUD Algemene gegevens 3 Het ACP 4 BIJLAGE 1 11 2
Het ABRONA COMMUNICATIEPLAN Algemene gegevens Naam: Geboortedatum: Adres en Woonplaats: Ingevuld door: Functie: Invuldatum: Gegevens over mogelijkheden en beperkingen Oorzaak verstandelijke beperking: Ernst verstandelijke beperking: Visus: Gehoor: Motoriek: Tactiele afweer? Overige (syndromen, autisme etc.): Testgegevens Alleen invullen als bij u bekend is dat er in de afgelopen 5 jaar een test is afgenomen. Vermeld beknopt de uitslag van deze test en de datum waarop deze is afgenomen. SRZ: Taalbegripstest (b.v. Reynell) Communicatietest Comvoor: CPZ: Intelligentietest: Logopedie Alleen invullen als de persoon logopedie heeft gehad gericht op communicatie. Heeft de cliënt logopedie (gehad)? Wanneer? Hoe lang? Met welk resultaat? Maakt de persoon gebruik van een technisch communicatie hulpmiddel? Bijv. een spraakcomputer of een Big Mac? Namelijk: Overig: Is er een signaleringsplan: ja/nee datum: 3
Het ACP Het Abrona communicatieplan (ACP) voor mensen met een verstandelijke beperking Door To Veenis, gedragskundige en Anita Carree, logopedist naar een idee van J. Demoed en Y. Ipenburg (Willem van den Bergh stichting) 2005 In dit plan wordt voor het gemak overal hij of hem gebruikt waar de cliënt aangeduid wordt. Hier kan uiteraard ook zij of haar worden gelezen. Het is van groot belang dat het gehele plan ingevuld wordt. De uitkomsten van het plan dienen besproken te worden met logopedist en of gedragskundige voordat tot uitvoering over gegaan wordt. Geef, zoveel mogelijk, bij elke vraag een voorbeeld. Deze voorbeelden maken duidelijk wat je bedoelt met ja of nee. Als u bij een vraag niet zeker weet of u ja of nee moet antwoorden, vult u dan gewoon ja in en licht het antwoord toe bij de toelichting. Wanneer je een knelpunt hebt aangegeven is het geven van een voorbeeld noodzakelijk. Bij hoe dient u het cijfer in te vullen van het betreffende communicatiemiddel dat gebruikt wordt. Hiervoor dient u de lijst te gebruiken in bijlage 1. Bij knelpunt in de communicatie kunt u aankruisen of een bepaald gedrag of een bepaalde vaardigheid of de afwezigheid ervan een knelpunt (probleem) oplevert in de communicatie. Situatieniveau Ja Nee Hoe Knelpunt 1.1 Maakt de cliënt in 1 op1 situaties oogcontact? 1.2 Reageert de cliënt op geur? 1.3 Reageert de cliënt op smaak? 1.4 Reageert de cliënt in 1 op 1 situaties op het dichtbij ervaren van muziek? 1.5 Reageert de cliënt op lichamelijk contact, aanrakingen (genieten of afweren)? Geef een aantal voorbeelden die bovenstaande kunnen verduidelijken 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 Situatieniveau Ja Nee Hoe Knelpunt 2.1 Zijn de bewegingen en geluiden die de cliënt maakt uitsluitend reflexmatig? 2.2 Lacht de cliënt wel eens? 2.3 Huilt de cliënt wel eens? 2.4 Is huilen of lachen een reflexmatige uiting van lust- en onlustgevoelens? 2.5 Laat de cliënt in zijn houding zien wanneer hij gespannen is? 2.6 Laat de cliënt in zijn houding zien wanneer hij ontspannen is? 4
2.7 Zoekt de cliënt zelf lichamelijk contact? Bijvoorbeeld door de begeleider aan te raken. Geef een aantal voorbeelden die bovenstaande kunnen verduidelijken 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 Situatieniveau Ja Nee Hoe Knelpunt 3.1 Volgt de cliënt bekenden met de ogen? 3.2 Wordt de cliënt stil als je tegen hem praat? 3.3 Herkent de cliënt de stem van bekende personen uit zijn omgeving? 3.4 Reageert cliënt op zijn naam? 3.5 Als de cliënt met een speeltje bezig is en je roept zijn naam draait hij zich dan (soms) naar je toe? 3.6 Reageert de cliënt op gezichtsuitdrukkingen van ouder(s) of begeleider(s)? 3.7 Is er op langere afstand sprake van oogcontact met de cliënt? 3.8 Herkent cliënt de ouder(s) en begeleider(s) op afstand? 3.9 Gaat de cliënt op een bepaalde plek in de ruimte zitten of staan of geeft hij aan op een bepaalde plek te willen zitten of staan? Geef een aantal voorbeelden die bovenstaande kunnen verduidelijken 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8 3.9 5
Situatieniveau Ja Nee Hoe Knelpunt 4.1 Herkent de cliënt de ouder(s) of vaste begeleider(s) nog voor hij wordt aangeraakt? 4.2 Kan de cliënt beurt nemen? 4.3 Kan de cliënt vragen om herhaling van zintuiglijke prikkels die hij leuk vindt? 4.4 Imiteert de cliënt bewegingen, geluidjes of gezichtsuitdrukkingen? Welke? 4.5 Herkent de cliënt liedjes? 4.6 Kan de cliënt geuren en smaken herkennen? 4.7 Geeft de cliënt voorkeuren aan voor smaken/geuren? 4.8 Helpt de cliënt mee in verzorgingssituaties? 4.9 Geeft de reactie op geluiden, die bij de situatie horen (bijvoorbeeld mond open doen voor een hap)? 4.10 Is de cliënt zich bewust van zijn groepsgenoten? Geef een aantal voorbeelden die bovenstaande kunnen verduidelijken 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 Signaalniveau Ja Nee Hoe Knelpunt 5.1 Begrijpt de cliënt dat een beker drinken betekent? 5.2 Heeft de cliënt signaalbesef, m.a.w. begrijpt hij binnen het hier en nu? Bijvoorbeeld hij begrijpt dat als de jassen aangaan dat hij naar buiten gaat. 5.3 a. Kan de cliënt voorwerpen koppelen aan een activiteit? (bijvoorbeeld een zwembroek betekent zwemmen) Welke? b. Kan de cliënt een gebaar koppelen aan een activiteit? Welke? 5.4 Herkent de cliënt simpele voorwerpen op foto s? 5.5 Herkent de cliënt personen op foto s? 5.6 Is er sprake van wederzijdsheid in de communicatie? 6
5.7 Kan de cliënt verbaal of non-verbaal vragen om een actie? Welke? 5.8 Kan de cliënt verbaal of non-verbaal afwijzen of weigeren? Welke? 5.9 Geeft de cliënt gevoelens van boosheid, verdriet, vreugde weer? 5.10 Herkent de cliënt meerdere personen op afstand? 5.11 Doet de cliënt wel eens een gebaar na? Welke? Beschrijf in je voorbeelden in welke situatie(s) het gevraagde wel of niet voorkomt. 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 5.9 5.10 5.11 5.12 Gebruikt de cliënt willekeurige geluiden, klanken, brabbelen, woorden en zinnen, gebaren, lachen, huilen met als doel te communiceren? Zo ja, welke? En met welk doel? Signaalniveau Ja Nee Hoe Knelpunt 6.1 Kan door middel van geluiden voorkeur aangeven voor liedjes? 6.2 Als je samen een liedje zingt, zingt hij dan sommige zinnen mee? 6.3 Heeft de cliënt interesse voor zijn eigen lichaam? 6.4 Is de cliënt bewust van de ruimte waar hij zich bevindt? 6.5 Verbindt hij de ruimte met bepaalde handelingen? 6.6 Weet de cliënt waar zijn slaapkamer is? 6.7 Als de cliënt in een nieuwe omgeving komt probeert hij dan de omgeving te verkennen? 7
6.8 Is de cliënt zich bewust van de ruimtes buiten de ruimte waarin hij zich bevindt? Is hij zich bewust van de functies daarvan? Beschrijf in je voorbeelden in welke situatie(s) het gevraagde wel of niet voorkomt. 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6 6.7 6.8 Signaalniveau Ja Nee Hoe Knelpunt 7.1 Weet de cliënt de volgorde van de dag? 7.2 Kan de cliënt sterk vasthouden aan volgordes? bijvoorbeeld per se eerst willen drinken en daarna boterham). 7.3 Begrijpt de cliënt sociale routines als afscheid nemen en dankjewel zeggen. 7.4 Raakt de cliënt van slag als er veranderingen in het dagritme zijn? 7.5 Kan de cliënt ongeveer vijf minuten met een activiteit bezig zijn? 7.6 Kan de cliënt bij een activiteit wachten op zijn beurt? Beschrijf in je voorbeelden in welke situatie(s) het gevraagde wel of niet voorkomt. 7.1 7.2 7.3 7.4 7.5 7.6 8
Symboolniveau Ja Nee Hoe Knelpunt 8.1 a. Kan de cliënt in meerwoordzinnen spreken? (Piet drinken, hond slapen). b. Gebruikt de cliënt hiervoor gebaren? 8.2 a. Gebruikt de cliënt meerdere zinnen om een verhaal te vertellen? b. Gebruikt de cliënt meerdere gebaren om een verhaal te vertellen? 8.3 Heb je de indruk dat de cliënt zelf begrijpt waar hij het over heeft? 8.4 Begrijpt de cliënt korte verbale opdrachten buiten het hier en nu? (bijvoorbeeld pak je jas maar, als je nog in de kamer staat). 8.5 Begrijpt de cliënt jou wanneer je in meerdere zinnen een verhaal vertelt of een vraagt stelt? 8.6 Kan de cliënt een gesprek voeren over het weer of over het koffiedrinken? 8.7. Heeft de cliënt symboolbesef? M.a.w. begrijpt de cliënt ook buiten het hier en nu? (bijvoorbeeld vanmiddag na het eten gaan we wandelen). 8.9. Kan de cliënt gebeurtenissen onthouden? Welke? Beschrijf in je voorbeelden in welke situatie(s) het gevraagde wel of niet voorkomt. 8.1 8.2 8.3 8.4 8.5 8.6 8.7 8.8. 8.9 8.10 Hoe lang kan cliënt geconcentreerd met iets bezig zijn? Noem hierbij een aantal activiteiten. 9
Symboolniveau Ja Nee Hoe Knelpunt 9.1 a. Gebruikt de cliënt voorwerpen foto s pictogrammen gebaren folders ansichtkaarten b. Met welk doel: * geheugenfunctie * tijd indelen en plannen * heeft de cliënt steun aan voorwerpen, foto s, pictogrammen, gebaren, folders, ansichtkaarten. c. Gebruikt de cliënt een planbord of agenda? Met welk doel: * geheugenfunctie * Tijd indelen en plannen * Heeft de cliënt steun aan bijvoorbeeld agenda of geschreven planbord? 9.2 Kan de cliënt zijn communicatiestijl aanpassen aan degene met wie hij spreekt? Bijvoorbeeld anders praten met directeur of collega. 9.3 Kan de cliënt argumenteren? Bijvoorbeeld redenen aangeven. Geef een aantal voorbeelden die bovenstaande kunnen verduidelijken 9.1.a 9.1.b 9.1.c 9.2 9.3 Extra 10.1 Wat doet een cliënt op een dag? 10.2 Is er nog iets wat je naar aanleiding van het invullen van het ACP zou willen observeren of laten onderzoeken? 10
BIJLAGE 1 Hoe-lijst: met welk communicatiemiddel wordt gecommuniceerd? 1. Draaien/bewegen met het hoofd 2. Bewegen ogen 3. Bewegingen lichaam 4. Ruimtegebruik 5. Gedrag 6. Opeenvolging van handelingen 7. Gebruiksvoorwerp 8. Vervangend voorwerp 9. Verkleind voorwerp 10. Deel van een voorwerp 11. Foto 12. Tekening 13. Pictogram 14. Gebaren 15. Geschreven taal: woordniveau 16. Geschreven taal: zinsniveau 17. Geschreven taal: verhaalniveau 18. Vingeralfabet 19. Geluiden imiteren 20. Lachen 21. Huilen 22. Geluiden (keel, lip, tong) 23. Brabbelen 24. Woorden als toet-toet voor auto en waf-waf voor hond. 25. Spreken in verstaanbare en begrijpbare woorden en zinnen Abrona afdeling Logopedie Amersfoortseweg 56 3712 BE Huis ter Heide logopedie@abrona.nl www.abrona.nl 11