Lestip 'Pomelo groeit' Over het boek Pomelo het olifantje is gegroeid en voelt zich de hemel te rijk. Maar hij stelt zich ook een paar vragen: mag je, als je groot bent, alles doen wat je maar wilt? Groei je helemaal vanzelf? En hoe groei je vanbinnen als je vanbuiten groeit? Deze roze olifant, vol van twijfels over het leven, weet moeiteloos je hart te veroveren. Voor filosofisch aangelegde kinderen of als start van een boeiend gesprek. Auteur(s) Ramona Badecsu, Benjamin Chaud (illustrator) Uitgeverij Lannoo / 2011 Aantal pagina's 44 p. ISBN 9789020996371 Genre Prentenboek Doelgroep 1ste leerjaar Trefwoorden Filosoferen, opgroeien, dieren, olifanten, nadenken Auteur lestip Sofie Daniëls en Katrien Goeman. Aanzet Neem met de kinderen plaats in de kring. Laat het boek nog niet zien. Lees enkel de achterflaptekst voor: Wie of wat is Pomelo, denk je? Wijs erop dat Pomelo gegroeid is. Wie of wat kan Pomelo dan zijn? Wat kan allemaal groeien? Zorg ervoor dat de kinderen in hun antwoorden breder gaan dan het voor de hand liggende. Naast mensen kunnen ook planten, dieren, lichaamsdelen, gevoelens groeien. En zelfs sommige dingen, zoals de maan, een huis of een wolk groeien op een bepaalde manier. Laat hen vervolgens iets dat (of iemand die) kan groeien tekenen. Misschien is dat Pomelo wel? Verzamel de prenten, hang ze op. Toon daarna het boek, op de cover staat Pomelo in het groot afgebeeld. Laat de kinderen vrij reageren. Lager - Nederlands - Luisteren 1.1 Lager - Muzische vorming - Beeld 1.6 Lager - Muzische vorming - Attitudes 6.2 Lees het boek voor en toon telkens de prenten. Eventueel kan je de prenten inscannen en projecteren. Er komen veel vragen in het boek voor. De kinderen mogen vrij reageren, maar
ga er nog niet echt op in. Daar is later ruimte voor. Het is de bedoeling dat je het boek voorleest met regelmatige tussenpauzes. Zo kunnen de kinderen de vragen en de prenten beter in zich opnemen. Wat ontdekt Pomelo tijdens een wandeling? (Hij is gegroeid.) Wat vindt hij daarvan? (Hij vindt het heel leuk, hij voelt zich super. Maar hij stelt zich wel een heleboel vragen.) Lager - Nederlands - Spreken 2.5 Lager - Nederlands - Luisteren 1.1 Verwerkingsactiviteit De Pomelo-doos Herhaal eventueel even samen met de kinderen wat er gebeurde in het boek. Belangrijk is dat de kinderen zich nog herinneren dat Pomelo veel vragen heeft. In het boek krijgt Pomelo geen echte antwoorden op zijn vragen. Het is aan de kinderen om hem advies te geven, vanuit hun eigen ervaringen. In een mooi doosje, waarop je een afbeelding van Pomelo kleeft, verzamel je volgende vragen: Word je ouder, terwijl je groeit? Als je oud bent, ben je dan ook wijs? Groeit alles even snel? Groeit iedereen op dezelfde manier? Mag je nog de clown uithangen als je groot bent? Mag je alles doen als je groot bent? Moet je als je groot bent ook dingen doen waar je helemaal geen zin in hebt? Groei je echt helemaal vanzelf? Die vragen kunnen de aanleiding zijn voor een filosofisch gesprek. Regels voor zo n gesprek zijn: Er zijn geen foute antwoorden. Wie aan het woord is, wordt niet onderbroken. Je luistert naar elkaar. Is iemand klaar, dan mag je reageren. Je kan akkoord gaan met wat net gezegd is, of niet natuurlijk. Geef je eigen mening. Je mag elkaar om verduidelijking vragen. Je kan het filosofische doosje gebruiken op de volgende manieren: Je laat een kind een vraag nemen uit het doosje. Die wordt besproken in de kring volgens de regels van een filosofisch gesprek. Je stelt jezelf enkel op als begeleider van het gesprek. Je brengt het gesprek eventueel terug op gang, wanneer het strandt op ja-neeantwoorden. Dat kan je doen door bijvragen te stellen, veelal antwoorden van de kinderen die je ombuigt tot nieuwe vragen (Bijvoorbeeld: Word je ouder terwijl je groeit? Ja. Dus als je niet meer groeit, word je niet ouder? ) Je kan de kinderen ook in groepjes verdelen. Elk groepje krijgt een vraag mee uit het doosje. Die kleven ze in het midden op een groot karton of papier. De rest van het blad verdeel je in vakken, evenveel als er kinderen in het groepje zijn. Elk kind maakt een passende tekening bij zijn antwoord. Ze vertellen elkaar wat ze hebben getekend. Zijn er kinderen die van mening veranderen nadat ze de uitleg van een ander groepslid hebben gehoord? Na de sessie stelt elke groep hun flap voor aan de rest van de klas. Ook dan kunnen ze verder filosoferen. Je kan natuurlijk de groepjes ook éénzelfde vraag meegeven en de resultaten daarna klassikaal vergelijken. Bij minder tijd wordt er gefilosofeerd zonder tekeningen.
Lager - Wereldoriëntatie - Mens (ik en mezelf) 3.1 Lager - Nederlands - Luisteren 1.9 Lager - Nederlands - Spreken 2.7 En verder Groeimeter Toon de prent waarop Pomelo zichzelf meet met zijn slurf en ontdekt dat hij gegroeid is. Hoe ontdekken de kinderen dat ze gegroeid zijn? (Bijvoorbeeld doordat hun kleren niet meer passen of dat ze een grotere fiets nodig hebben, doordat ze makkelijker aan de bovenste plank in de snoepkast kunnen of doordat ze zich hebben laten meten bij de dokter ). Zorg voor een (klassikale) groeimeter van 2 meter. Op die groeimeter duiden ze aan hoe groot ze zijn, met hun klasnummer of naam. Geef ook aan wie de grootste en wie de kleinste van de klas is. Oefen zo ook even de begrippen kleiner dan en groter dan in. Maakte je zo n groeimeter al in het begin van het schooljaar, dan kan je nu tijdens de Jeugdboekenweek, een vergelijking maken. Wie is al gegroeid? Hoe lang deden ze daarover? Je kan deze opdracht ook uitbreiden door elk kind hun geboortelengte die vinden ze op hun geboortekaartje aan te duiden op de groeimeter. Welk kind was het kleinst bij geboorte? Welk het grootst? Laat hen vervolgens een lijn trekken van hun geboortelengte naar hun huidige lengte. Hoeveel centimeter zijn ze gegroeid? En in hoeveel jaar tijd? Is de kleinste baby nog steeds de kleinste van de klas? Is de grootste baby qua lengte ingehaald door een ander kind? Leg uit dat je niet aldoor kan blijven groeien en dat je steeds minder fel doorgroeit. Stoppen met groeien doen mensen gemiddeld als ze 20 jaar zijn. Maar er zijn natuurlijk wel dingen die blijven doorgroeien, zoals je nagels en je haren Lager - Wereldoriëntatie - Tijd (historische tijd) 5.5 Groeimeter bis Toon de prent van Pomelo naast de grote boom (p. 12). Pomelo voelt zich al groot, maar is nog niet op zijn grootst: hij is nog niet volgroeid. Laat de kinderen met de groeimeter (zie: eerder) de school rondtrekken (of zorg voor verschillende groeimeters, zodat ze in verschillende groepjes aan de slag kunnen). Ze meten de lengte van voorwerpen, dieren, mensen. Ze duiden de lengte aan met een streepje, een naam of een tekening. Ze nemen ook een foto van wie of wat ze gemeten hebben. Die foto s printen ze en kleven ze op de groeimeter, op de juiste plaats. Dingen die groter zijn dan de groeimeter (dus groter dan 2 meter) komen in de zolder, boven de groeimeter terecht. Duid ook aan hoe groot jij zelf bent. Zo link je groter zijn aan ouder worden. Jij bent groter dan de kinderen omdat je ouder bent. Maar blijft dat zo? Er komt een moment waarop de kinderen jou voorbijgroeien en oudere mensen krimpen ook weer een beetje. Klassikale levenslijn Breng foto s mee: van jezelf (van baby over kind tot volwassene), van dieren (van dierenjong
tot volwassene), van planten (van zaadje tot volwassen plant). De kinderen rangschikken die chronologisch. Dat brengt vast een levendig gesprek op gang! Laat de kinderen ook foto s meebrengen van zichzelf als baby (bij de geboorte), als peuter (voorschoolse leeftijd), als kleuter en als 6- of 7-jarige (nu dus). Herkennen ze hun klasgenoten op die foto s? Zorg voor een wand in zes delen. In het tweede deel hang je de babyfoto s, in het derde deel de peuterfoto s, het vierde deel de kleuterfoto s, het vijfde deel de recente foto s. Bovenaan het tweede tot en met het vijfde wanddeel hang je de titels toen ik er al was, peuter, kleuterschool en eerste leerjaar. In het eerste wanddeel hang je een pijl vroeger (met de punt naar links), in het laatste wanddeel een pijl later (met de punt naar rechts). De eerste pijl verwijst naar de tijd toen de kinderen nog niet geboren waren, de tweede pijl naar de tijd die nog voor hen ligt. Boven deze levenslijn breng je ook een echte tijdslijn aan waarop je de geboortedata weergeeft. Zo zorg je voor enige wiskundige ordening en oriëntatie daarin verschilt het eerste leerjaar van de kleuterschool. Bespreek de levenslijn nu met de kinderen. Was er ook al iets voor ze geboren waren? (Hun ouders bijvoorbeeld). Wil je de levenslijn nog verder gebruiken, bij andere klasthema s, dan kan je nog een deel nog vroeger toevoegen (als je bijvoorbeeld naar het dinosaurussentijdperk verwijst.) Lager - Wereldoriëntatie - Tijd (dagelijkse tijd) 5.2 Lager - Wereldoriëntatie - Tijd (historische tijd) 5.5 Hoe groei ik vanbinnen? Laat de kinderen de prent bekijken waar Pomelo vanbinnen groeit. Laat hen in groepjes spreken over groeien in je lichaam. Ga bij elk groepje langs, stel zo nu en dan een argeloze vraag. Het is niet de bedoeling dat dit wetenschappelijk correcte gesprekken worden. Ze mogen vrijuit denken. Daarna kunnen ze zelf een tekening maken over wat er volgens hen gebeurt in hun lichaam. Geef de kinderen de mogelijkheid om op het formaat te tekenen dat ze het fijnst vinden, eventueel zelfs op levensecht formaat. Ook hier staat beleven en aanvoelen centraal, anatomisch juist tekenen is minder van tel. Leg zeker ook wat extra boeken over het lichaam in de klas. Zo kunnen de kinderen die nood hebben aan informatie iets opzoeken of meteen meer informatieve boeken ontdekken. Lager - Wereldoriëntatie - Brongebruik 7 Lager - Muzische vorming - Attitudes 6.2 - To do-lijst Laat de kinderen de pagina s bekijken waar Pomelo zich de held van het heelal voelt, en waar hij zin heeft in grote dingen. Dat moet de kinderen inspireren om dingen op te sommen die ze nog nooit gedaan hebben. Maak er een lange to do-lijst van, bijvoorbeeld: tellen tot 5 in het Chinees, een gedichtje achterstevoren opzeggen, een les Frans mee volgen in het vijfde of zesde leerjaar, een schoolmuur versieren, een verhaaltje voorlezen aan mama of papa Maak met de klas een top 6 uit de lijst: evenveel als er zijden aan een dobbelsteen zijn. Door te dobbelen bepaal je wekelijks welke opdracht de klas die week zal uitvoeren. Wie meer wil, kan meer opdrachten van de to do-lijst vervullen, over een langere periode.