Op Voeten en Fietsen 1 Hoe ga jij naar school? Een uitgave van Veilig Verkeer Nederland, schooljaar 2016-2017 groep 5/6 Je ziet de hoofdingang van een school. Op de weg en de stoep voor de school zie je verschillende kinderen en ouders aankomen. Sommigen met de auto; anderen alleen op de fiets (oudere kinderen), maar ook jongere kinderen op een klein fietsje met een ouder ernaast. Je ziet ook een groepje oudere kinderen lopen (rugzakken op). Je ziet ook een vader lopen met een schoolgaand kind en een jonger kind op de arm. Je ziet ook een meisje op skates en een jongen op een skateboard. 1 Hoe ga jij naar school? a. Hoe ga jij meestal naar school? Lopend. Met de fiets. Met de auto. b. Wat vind jij het gevaarlijkste punt op jouw route naar school? Waarom?
Dit ontdek je: Je beseft welke situaties op weg naar jouw school veilig of onveilig zijn. Je snapt wat je moet doen in een onveilige situatie. Je weet wat de regels zijn als je voetganger, passagier of fietser bent. Je kunt goede keuzes maken om de route naar school zo veilig mogelijk af te leggen. 2 Vul in a. Je kunt op verschillende manieren naar school. Wat zijn de voor- en nadelen? Gebruik woorden als: kortste veiligste snelste leukste 3 Jouw route d. Wat doe je als je bij die onveilige situatie komt? auto lopen fiets a. Denk aan jouw route naar school. Wat kom jij tegen? Zet er kruisjes bij. b. Kom jij nog iets anders tegen op jouw route? Teken dat in het lege vakje. e. En waarom doe je dat? c. Kijk naar de tekeningen waarbij je een kruisje hebt gezet. Bij welke tekeningen vind je het op jouw route niet zo veilig? Zet daar een cirkel omheen. Weetje! b. Kijk naar wat je hebt ingevuld. Wat is de beste manier om bij jouw school te komen? Op veel plekken in de wereld moeten kinderen heel ver lopen of bijzondere vervoermiddelen gebruiken om bij hun school te komen. Deze kinderen in Delhi gaan op een kar naar school. 2 Hoe ga jij naar school? Hoe ga jij naar school? 3
Zo zit dat... als je meerijdt in de auto Stap altijd in en uit aan de kant van de stoep. Kijk of er niemand aankomt voor je het portier openmaakt. Kijk voor en achter en ook over je schouder. Doe je gordel om. Leid de bestuurder niet af. Zo zit dat... als voetganger Loop op de stoep. Is er geen stoep? Loop dan op het fietspad. Geen stoep of fietspad? Loop dan op de rijbaan. Kies de kant waar je van de weg af kunt. Kies een kant waar je het verkeer goed kunt zien aankomen. 4 Gordel om a. Tot welke leeftijd moet je achterin een gordel om? 8 jaar. 12 jaar. Altijd. b. Zo mag het niet. Teken in het plaatje hoe het wel moet. 5 Uitstappen a. Als je uitstapt, doe je dat aan de kant van de stoep. Waarom is dat het veiligst? 6 Goede plek a. Welk kind loopt op de goede plek? Zet in elke foto bij dat kind een krul. 1 2 b. Zijn jouw ouders of de mensen met wie jij meerijdt wel eens afgeleid als ze autorijden? Waardoor? Schrijf drie dingen op: b. Waarom is dat de beste plek? Schrijf het op. 7 Buitenopdracht c. Schrijf twee dingen op die jij of je broertjes / zusjes / vriendjes wel eens doen waardoor bestuurders afgeleid zijn. Ga naar het schoolplein. Teken met stoepkrijt een stuk weg met een bocht. Kies samen de veiligste plek om te lopen. Denk aan waar de auto s vandaan komen. Laat een ander groepje op jullie stukje weg lopen. Lopen ze op de goede plek? Geef tips. 4 Hoe ga jij naar school? Hoe ga jij naar school? 5
Zo zit dat... als fietser Rijd altijd zo veel mogelijk rechts. Rijd nooit met meer dan twee naast elkaar. Op het fietspad fietsen is altijd veiliger. Als er een verplicht fietspad is, moet je daar fietsen. 1 2 8 Waar fiets je? a. Kijk naar tekening 1 en de borden hieronder. Teken het goede bord bij dit fietspad. 9 Veilig? a. Kijk naar tekening 2. Kies het goede woord. Deze situatie is: veilig onveilig b. Leg je antwoord uit. Fietspad. Hier moet je fietsen. Fietspad. Het is niet verplicht om hier te fietsen. b. Waarom hoort dat bord daar? Weetje! 10 De beste weg a. Kijk naar het kaartje. Kies de veiligste weg om naar school te fietsen. Teken de route in het kaartje. b. Waarom heb je deze weg gekozen? Noem twee onveilige situaties die je op andere routes zou tegenkomen. Maar 1 op de 5 kinderen mag zelfstandig naar school lopen of fietsen. 6 Hoe ga jij naar school? Hoe ga jij naar school? 7
11 Keuzeopdracht Kruis aan welke opdracht je gaat doen: Foto-reportage maken Maak een foto-reportage van de route van jouw huis naar school. Laat zien hoe je de route op een veilige manier aflegt. Geef er uitleg bij. Actie bedenken Bedenk een actie om kinderen duidelijk te maken dat met z n drieën naast elkaar fietsen gevaarlijk is. Poster maken Bedenk tien achterbankregels. Maak er een poster van. 12 Verslapen! Tuut tuut... De wekker gaat. Het is 8 uur. Wat? 8 uur? Iedereen in huis heeft zich verslapen! Je moet over een kwartier weg! Je ouders zijn ook te laat. Snel, de auto in, roepen ze. Een boterham eet je maar onderweg!. Denk aan de nadelen van met de auto gaan. Dat wil je voorkomen! Bedenk een oplossing. Schrijf of teken jouw oplossing op een los vel. Kijk terug a. Wat zou er moeten veranderen om jullie weg naar school nog veiliger te maken? Praat er samen over. b. Als je zelf mocht kiezen, hoe zou jij dan naar school gaan? Op de fiets, lopend of met de auto? Waarom? c. Onderzoekers zeggen dat steeds minder kinderen zelf lopend of met de fiets naar school gaan. Ze worden gebracht met de auto, omdat ouders denken dat dat veiliger is. Zijn jullie het daarmee eens? Praat er samen over.