Dienst Curriculum & vorming Guimardstraat 1-1040 BRUSSEL +32 2 507 06 01 www.katholiekonderwijs.vlaanderen Basisschool Toermalijn Lichtaartseweg 129 2250 Olen 4e leerjaar
Katholiek Onderwijs Vlaanderen, 2016 Deze brochure is een intern document. De gegevens mogen niet vrijgegeven worden zonder toelating van het schoolbestuur en Katholiek Onderwijs Vlaanderen.
Inhoud Inleiding Gedifferentieerde rapportering 4 5 Evolutie van onze school 6 Schoolresultaten Nederlands 7 Kerndictee Lezen Taalbeschouwing Schoolresultaten Wereldoriëntatie Schoolresultaten Wiskunde 16 21 Bewerkingen Getallenkennis Meetkunde Meten en metend rekenen Leerplandoelen en eindtermen Nederlands Leerplandoelen en eindtermen Wereldoriëntatie Leerplandoelen en eindtermen Wiskunde Referentiegroepen 32 38 42 47 3
Inleiding In dit schoolrapport vind je de resultaten van je school in vergelijking met de gemiddelde resultaten van de Vlaamse katholieke basisscholen die aan de interdiocesane proeven (IDP) voor het vierde leerjaar 2016 deelnamen. We leggen je hieronder uit hoe je die resultaten kunt interpreteren. De resultaten van IDP zijn outputgegevens waarmee de school haar eigen werking kan beoordelen. Om het resultaat van het onderwijs te kunnen volgen, is het nuttig om zicht te hebben op de resultaten die de school bij haar leerlingen behaalt. Een tussentijdse proef op het einde van het vierde leerjaar levert hiervoor nuttig materiaal op. De tussentijdse proeven sluiten volledig aan bij de leerplannen en dus ook bij de eindtermen Nederlands, wereldoriëntatie en wiskunde. Natuurlijk peilen de proeven niet naar álle doelen. We beperken ons tot twintig vragen Nederlands en een dictee, 35 vragen wiskunde en dertig vragen wereldoriëntatie. Zo kunnen de leerlingen de proeven in een redelijke tijd afleggen. Voor een volwaardige evaluatie moet het team veel andere gegevens naast de toetsresultaten leggen. Interessant aan IDP en aan dit rapport is dat je de resultaten van de eigen school met die van veel scholen die vanuit dezelfde leerplannen werken, kunt vergelijken. Voor bepaalde aspecten zal je als team vaststellen dat je onder of boven het gemiddelde landt. Dat is een aanknopingspunt voor een analyse van de eigen schoolresultaten. Daar kan de zoektocht naar de oorzaken beginnen. Om de werkelijke waarde van de eigen school te kunnen beoordelen, is het aangewezen om zich met 'de eigen familie' of de referentiegroep te vergelijken. Dat wil zeggen: met een groep scholen die met een vergelijkbare leerlingenpopulatie of onder gelijkaardige omstandigheden werkt. Vandaar dat we in het schoolrapport niet alleen het Vlaams gemiddelde ter vergelijking aanbieden, maar ook het gemiddelde van de referentiegroep waartoe jouw school behoort. Wie boven het gemiddelde van zijn referentiegroep scoort, doet het beter dan verwacht op basis van de SES-indicatoren. Ook al scoor je als school misschien onder het Vlaams gemiddelde. Wie echter onder het gemiddelde van de referentiegroep scoort, weet alvast dat de zwakke score niet enkel aan de SES-indicatoren moet worden toegeschreven. Je wordt in de vergelijking van je resultaten geholpen doordat in je rapport de standaardafwijking wordt aangegeven. Die bepaalt of je score opvallend beter of slechter is dan de scholen van je referentiegroep. Des te meer moet je dan als school nagaan of er aan de onderwijspraktijk kan worden gesleuteld. Namens het IDP-team van Katholiek Onderwijs Vlaanderen hopen we dat dit rapport een goede aanzet geeft om voor de kwaliteit van je school zorg te dragen. Anne Verhoeven Teamverantwoordelijke basisonderwijs Ria De Sadeleer Directeur Dienst Curriculum & vorming 4
Gedifferentieerde rapportering Dit rapport brengt de resultaten van de leerlingen gedifferentieerd in beeld. Leerlingen met speciale ondersteuningsbehoeften kunnen op hun manier meedoen aan de proef, zodat ook zij de kans krijgen om te tonen welke kennis en vaardigheden ze beheersen. Het gaat om leerlingen die redelijke aanpassingen (RA) gebruiken of een individueel aangepast curriculum (IAC) volgen. Enkel een leerling die beschikt over een verslag dat toegang geeft tot het buitengewoon onderwijs kan een individueel aangepast curriculum volgen in het gewoon onderwijs. De resultaten van de school en van de referentiegroep worden enkel berekend op de leerlingen die de proef op een gestandaardiseerde manier afleggen. Anders heeft de gebruiker geen vergelijkingsbasis. De gegevens van de leerlingen met redelijke aanpassingen of een individueel aangepast curriculum worden in het rapport niet bij de andere gegevens gevoegd. Ze mogen noch bij de resultaten van de school noch bij de resultaten van de referentiegroep terechtkomen. Voor de rapportering is het dus belangrijk dat we weten welke leerlingen de proeven op een gestandaardiseerde manier afleggen, welke leerlingen redelijke aanpassingen gebruiken of een individueel aangepast curriculum volgen. In een apart rapport, beschikbaar op de website, vind je een overzicht van de resultaten van de leerlingen met redelijke aanpassingen of een individueel aangepast curriculum in je referentiegroep. 5
Evolutie van onze school Onderstaande tabel en grafiek tonen voor elk leergebied de evolutie van de scores van jouw school. Op die manier kun je de resultaten van dit schooljaar naast de resultaten van de vorige jaren plaatsen. Let wel: we bieden elk jaar andere vragen en dus ook andere toetsen aan. Het is dus niet correct de resultaten zomaar met elkaar te vergelijken. Wel hebben deze overzichten een signaalfunctie. Stel je bijvoorbeeld een plotse daling of stijging vast? Ga dan met het team na wat kansen en uitdagingen kunnen zijn. tabel 2013 2014 2015 2016 Nederlands 71 0 0 78 Wereldoriëntatie 70 0 0 68 Wiskunde 66 0 0 71 grafiek 6
Schoolresultaten Nederlands Totaaloverzicht Leerdomein Gemiddelde in % School (*) Vlaanderen Referentiegroep (**) Kerndictee +5 84 77 79 Lezen +2 77 73 75 Taalbeschouwing +1 66 63 65 * De getallen in groen en rood geven het verschil aan tussen het gemiddelde van de school en dat van de referentiegroep. Positieve verschillen staan links in het groen. Negatieve verschillen staan rechts in het rood. **Om onze referentiegroep te kennen, zie verder. 7
Evolutie van onze school Onderstaande tabel en grafiek tonen voor elk domein van Nederlands de evolutie van de scores van jouw school. Op die manier kun je de resultaten van dit schooljaar naast de resultaten van de vorige jaren plaatsen. Let wel: we bieden elk jaar andere vragen en dus ook andere toetsen aan. Het is dus niet correct de resultaten zomaar met elkaar te vergelijken. Wel hebben deze overzichten een signaalfunctie. Stel je bijvoorbeeld een plotse daling of stijging vast? Ga dan met het team na wat kansen en uitdagingen kunnen zijn. tabel 2013 2014 2015 2016 Kerndictee 78 0 0 84 Lezen 66 0 0 77 Taalbeschouwing 64 0 0 66 grafiek 8
Leerlingen met redelijke aanpassingen (RA) In onze school hebben/heeft 0 leerlingen/leerling met redelijke aanpassingen deelgenomen. Dat is 0% van het totale aantal deelnemende leerlingen. In Vlaanderen hebben 639 leerlingen met redelijke aanpassingen deelgenomen. Dat is 2.47% van het totale aantal deelnemende leerlingen. In de referentiegroep van onze school hebben 361 leerlingen met redelijke aanpassingen deelgenomen. Dat is 2.25% van het totale aantal deelnemende leerlingen. In het klasrapport vind je de gegevens van jouw leerlingen. In een apart rapport, beschikbaar op de website, vind je een overzicht van de resultaten van leerlingen met redelijke aanpassingen in je referentiegroep. Leerlingen met een individueel aangepast curriculum (IAC) In onze school hebben/heeft 0 leerlingen/leerling met een individueel aangepast curriculum deelgenomen. Dat is 0% van het totale aantal deelnemende leerlingen. In Vlaanderen hebben 114 leerlingen met een individueel aangepast curriculum deelgenomen. Dat is.44% van het totale aantal deelnemende leerlingen. In de referentiegroep van onze school hebben 63 leerlingen met een individueel aangepast curriculum deelgenomen. Dat is.39% van het totale aantal deelnemende leerlingen. In het klasrapport vind je de gegevens van jouw leerlingen. In een apart rapport, beschikbaar op de website, vind je een overzicht van de resultaten van leerlingen met een individueel aangepast curriculum in je referentiegroep. 9
Kerndictee Leren spellen is een onderdeel van leren schrijven. De spelling staat in dienst van het schrijven. Op het einde van het basisonderwijs willen we dat elk kind de spelling beheerst om op zijn niveau schriftelijk te kunnen communiceren. We gebruiken in de proef vooral hoogfrequente woorden zoals die zijn opgenomen in de woordfrequentielijst van Goessaert (2004). Aantal ingeschreven leerlingen: 30 Aantal leerlingen die deelnamen aan de gestandaardiseerde proef Kerndictee: 29 Gestandaardiseerde proef Aantal woorden juist Aantal leerlingen % leerlingen Cumulatief % Gemiddelde Vlaanderen in % Cumulatief % Vlaanderen Gemiddelde ref. groep in % Cumulatief % ref. groep 20/20 4/29 14 14 11 11 12 12 19/20 4/29 14 28 15 26 16 28 18/20 5/29 17 45 15 41 16 44 17/20 7/29 24 69 12 53 13 57 16/20 4/29 14 83 10 63 11 68 15/20 2/29 7 90 9 72 8 76 14/20 0/29 0 90 6 78 6 82 13/20 0/29 0 90 5 83 4 86 12/20 1/29 3 93 4 87 3 89 11/20 1/29 3 96 3 90 2 91 10/20 0/29 0 96 2 92 2 93 9/20 0/29 0 96 2 94 1 94 8/20 0/29 0 96 1 95 1 95 7/20 0/29 0 96 1 96 1 96 6/20 1/29 3 99 1 97 0 96 5/20 0/29 0 99 0 97 0 96 4/20 0/29 0 99 0 97 0 96 3/20 0/29 0 99 0 97 0 96 2/20 0/29 0 99 0 97 0 96 1/20 0/29 0 99 0 97 0 96 0/20 0/29 0 99 4 101 3 99 * Het is mogelijk dat de cumulatieve percentages verschillend zijn van 100%. Dit heeft te maken met afrondingen. 10
11
Lezen Leesonderwijs leidt ertoe dat leerlingen vaardige en kritische lezers worden. Zulke lezer neemt zowel talige boodschappen als niet-talige boodschappen en communicatieve elementen waar. Hij probeert ze te begrijpen, te interpreteren, te beoordelen en te integreren. De leesproef vertrekt steeds van een leesdoel. De vragen bij een tekst staan in functie van dat doel. Aantal ingeschreven leerlingen: 30 Aantal leerlingen die deelnamen aan de gestandaardiseerde proef Lezen: 29 Gestandaardiseerde proef Vraag Aantal juiste antwoorden Gemiddelde school in % Gemiddelde Vlaanderen in % Gemiddelde referentiegroep in % 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 23/29 28/29 24/29 27/29 25/29 12/29 20/29 21/29 22/29 20/29 +4 79 72 75 +14 97 81 83 +0 83 81 83 +3 93 88 90 +7 86 76 79 41-27 65 68 +11 69 55 58 72-3 72 75 +3 76 71 73 +2 69 64 67 12
13
Taalbeschouwing Taalbeschouwing is de overkoepelende term waaronder elke activiteit valt waarbij op aspecten van taal gereflecteerd wordt. Hoe functioneert taal in communicatie en hoe gebruiken mensen taal als ze luisteren, spreken, lezen en schrijven (taalgebruik)? Hoe zit de taal in elkaar (taalsystematiek)? Het streefdoel is om kinderen te laten nadenken over taalverschijnselen. Aantal ingeschreven leerlingen: 30 Aantal leerlingen die deelnamen aan de gestandaardiseerde proef Taalbeschouwing: 29 Gestandaardiseerde proef Vraag Aantal juiste antwoorden Gemiddelde school in % Gemiddelde Vlaanderen in % Gemiddelde referentiegroep in % 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 20/29 29/29 19/29 22/29 16/29 17/29 17/29 13/29 18/29 20/29 +7 69 61 62 +13 100 86 87 66-7 72 73 +12 76 62 64 55-8 60 63 59-1 56 60 +6 59 51 53 45-23 66 68 62-1 60 63 +10 69 57 59 14
15
Schoolresultaten Wereldoriëntatie Totaaloverzicht Leerdomein Gemiddelde in % School (*) Vlaanderen Referentiegroep (**) Wereldoriëntatie 68-3 69 71 * De getallen in groen en rood geven het verschil aan tussen het gemiddelde van de school en dat van de referentiegroep. Positieve verschillen staan links in het groen. Negatieve verschillen staan rechts in het rood. **Om onze referentiegroep te kennen, zie verder. 16
Evolutie van onze school Onderstaande tabel en grafiek tonen voor de online proef van wereldoriëntatie de evolutie van de scores van jouw school. Op die manier kun je de resultaten van dit schooljaar naast de resultaten van de vorige jaren plaatsen. Let wel: we bieden elk jaar andere vragen en dus ook andere toetsen aan. Het is dus niet correct de resultaten zomaar met elkaar te vergelijken. Wel hebben deze overzichten een signaalfunctie. Stel je bijvoorbeeld een plotse daling of stijging vast? Ga dan met het team na wat kansen en uitdagingen kunnen zijn. tabel 2013 2014 2015 2016 Wereldoriëntatie 70 0 0 68 grafiek 17
Leerlingen met redelijke aanpassingen (RA) In onze school hebben/heeft 0 leerlingen/leerling met redelijke aanpassingen deelgenomen. Dat is 0% van het totale aantal deelnemende leerlingen. In Vlaanderen hebben 174 leerlingen met redelijke aanpassingen deelgenomen. Dat is.68% van het totale aantal deelnemende leerlingen. In de referentiegroep van onze school hebben 105 leerlingen met redelijke aanpassingen deelgenomen. Dat is.66% van het totale aantal deelnemende leerlingen. In het klasrapport vind je de gegevens van jouw leerlingen. In een apart rapport, beschikbaar op de website, vind je een overzicht van de resultaten van leerlingen met redelijke aanpassingen in je referentiegroep. Leerlingen met een individueel aangepast curriculum (IAC) In onze school hebben/heeft 0 leerlingen/leerling met een individueel aangepast curriculum deelgenomen. Dat is 0% van het totale aantal deelnemende leerlingen. In Vlaanderen hebben 107 leerlingen met een individueel aangepast curriculum deelgenomen. Dat is.42% van het totale aantal deelnemende leerlingen. In de referentiegroep van onze school hebben 61 leerlingen met een individueel aangepast curriculum deelgenomen. Dat is.38% van het totale aantal deelnemende leerlingen. In het klasrapport vind je de gegevens van jouw leerlingen. In een apart rapport, beschikbaar op de website, vind je een overzicht van de resultaten van leerlingen met een individueel aangepast curriculum in je referentiegroep. 18
Wereldoriëntatie Wereldoriëntatie omvat leerplandoelen die negen bestaansdimensies bestrijken: mens en levensonderhoud, mens en zingeving, mens en het muzische, mens en medemens, mens en samenleving, mens en techniek, mens en natuur, mens en tijd, mens en ruimte. Bij elk daarvan zijn ook telkens een zelfde reeks overkoepelende leerplandoelen belangrijk. Aantal ingeschreven leerlingen: 30 Aantal leerlingen die deelnamen aan de gestandaardiseerde proef Wereldoriëntatie: 29 Gestandaardiseerde proef Vraag Aantal juiste antwoorden Gemiddelde school in % Gemiddelde Vlaanderen in % Gemiddelde referentiegroep in % 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 25/29 22/29 22/29 23/29 21/29 14/29 27/29 21/29 24/29 19/29 25/29 27/29 22/29 11/29 25/29 23/29 10/29 8/29 21/29 23/29 23/29 17/29 15/29 17/29 16/29 28/29 11/29 8/29 27/29 14/29 86-3 86 89 +0 76 75 76 76-2 76 78 79-3 79 82 72-5 73 77 48-12 58 60 +2 93 89 91 72-5 72 77 +1 83 81 82 66-8 74 74 86-4 89 90 +5 93 87 88 76-7 80 83 38-14 48 52 +11 86 72 75 +11 79 65 68 34-28 59 62 28-26 52 54 +2 72 67 70 +22 79 53 57 +0 79 77 79 59-21 78 80 52-10 60 62 +1 59 56 58 55-7 58 62 +2 97 94 95 38-12 47 50 +7 28 21 21 93-1 92 94 48-6 53 54 19
20
Schoolresultaten Wiskunde Totaaloverzicht Leerdomein Gemiddelde in % School (*) Vlaanderen Referentiegroep (**) Bewerkingen 74-1 73 75 Getallenkennis 73-8 79 81 Meetkunde 56-13 66 69 Meten en metend rekenen 74-2 74 76 * De getallen in groen en rood geven het verschil aan tussen het gemiddelde van de school en dat van de referentiegroep. Positieve verschillen staan links in het groen. Negatieve verschillen staan rechts in het rood. **Om onze referentiegroep te kennen, zie verder. 21
Evolutie van onze school Onderstaande tabel en grafiek tonen voor elk domein van wiskunde de evolutie van de scores van jouw school. Op die manier kun je de resultaten van dit schooljaar naast de resultaten van de vorige jaren plaatsen. Let wel: we bieden elk jaar andere vragen en dus ook andere toetsen aan. Het is dus niet correct de resultaten zomaar met elkaar te vergelijken. Wel hebben deze overzichten een signaalfunctie. Stel je bijvoorbeeld een plotse daling of stijging vast? Ga dan met het team na wat kansen en uitdagingen kunnen zijn. tabel 2013 2014 2015 2016 Bewerkingen 62 0 0 74 Getallenkennis 68 0 0 73 Meetkunde 67 0 0 56 MMR 70 0 0 74 grafiek 22
Leerlingen met redelijke aanpassingen (RA) In onze school hebben/heeft 0 leerlingen/leerling met redelijke aanpassingen deelgenomen. Dat is 0% van het totale aantal deelnemende leerlingen. In Vlaanderen hebben 520 leerlingen met redelijke aanpassingen deelgenomen. Dat is 2.01% van het totale aantal deelnemende leerlingen. In de referentiegroep van onze school hebben 284 leerlingen met redelijke aanpassingen deelgenomen. Dat is 1.77% van het totale aantal deelnemende leerlingen. In het klasrapport vind je de gegevens van jouw leerlingen. In een apart rapport, beschikbaar op de website, vind je een overzicht van de resultaten van leerlingen met redelijke aanpassingen in je referentiegroep. Leerlingen met een individueel aangepast curriculum (IAC) In onze school hebben/heeft 0 leerlingen/leerling met een individueel aangepast curriculum deelgenomen. Dat is 0% van het totale aantal deelnemende leerlingen. In Vlaanderen hebben 111 leerlingen met een individueel aangepast curriculum deelgenomen. Dat is.43% van het totale aantal deelnemende leerlingen. In de referentiegroep van onze school hebben 60 leerlingen met een individueel aangepast curriculum deelgenomen. Dat is.37% van het totale aantal deelnemende leerlingen. In het klasrapport vind je de gegevens van jouw leerlingen. In een apart rapport, beschikbaar op de website, vind je een overzicht van de resultaten van leerlingen met een individueel aangepast curriculum in je referentiegroep. 23
Bewerkingen Bij bewerkingen komt het erop aan dat kinderen concrete situaties in verband brengen met bewerkingen en omgekeerd. Inzicht in de eigenschappen van bewerkingen en de relaties tussen bewerkingen is essentieel om handig te kunnen rekenen. Kinderen leren vier rekenwijzen: hoofdrekenen, cijferen, schattend rekenen en werken met de zakrekenmachine. Op het einde van de basisschool kiezen ze de meest geschikte rekenwijze om verschillende soorten vraagstukken op te lossen. Aantal ingeschreven leerlingen: 30 Aantal leerlingen die deelnamen aan de gestandaardiseerde proef Bewerkingen: 29 Gestandaardiseerde proef Vraag Aantal juiste antwoorden Gemiddelde school in % Gemiddelde Vlaanderen in % Gemiddelde referentiegroep in % 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 23/29 24/29 26/29 3/29 27/29 18/29 23/29 28/29 19/29 21/29 24/29 23/29 24/29 18/29 21/29 79-13 91 92 +6 83 76 77 +5 90 83 85 10-44 52 54 +9 93 83 84 +13 62 46 49 +1 79 76 78 +22 97 74 75 +4 66 60 62 72-9 80 81 83-3 85 86 +1 79 76 78 83-3 84 86 62-11 72 73 +9 72 58 63 24
25
Getallenkennis Getallenkennis houdt zich bezig met de eigenschappen van getallen. Getallen zijn onmisbaar in alle leerdomeinen van wiskunde. Bij bewerkingen (hoofdrekenen, schattend rekenen, cijferen en de zakrekenmachine gebruiken), bij metend en metend rekenen, meetkunde en domeinoverschrijdende doelen zijn getallen een onmisbare hulp om situaties te verwiskundigen. Aantal ingeschreven leerlingen: 30 Aantal leerlingen die deelnamen aan de gestandaardiseerde proef Getallenkennis: 29 Gestandaardiseerde proef Vraag Aantal juiste antwoorden Gemiddelde school in % Gemiddelde Vlaanderen in % Gemiddelde referentiegroep in % 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 24/29 25/29 20/29 21/29 25/29 23/29 15/29 17/29 20/29 21/29 83-4 86 87 86-7 92 93 69-9 77 78 72-6 74 78 86-4 88 90 79-10 88 89 52-20 70 72 59-21 78 80 +10 69 57 59 72-7 76 79 26
27
Meetkunde Bij ruimtelijke oriëntatie staat het verkennen van de ruimte centraal. Kinderen leren die ervaringen schematisch weergeven en interpreteren. Bij vormleer verwerven ze via verkenning van figuren belangrijke meetkundige begrippen. Ze leren over meetkundige relaties als evenwijdigheid, loodrechte stand en symmetrie. Kinderen gebruiken de verworven meetkundige begrippen en inzichten in zinvolle toepassingen. Aantal ingeschreven leerlingen: 30 Aantal leerlingen die deelnamen aan de gestandaardiseerde proef Meetkunde: 29 Gestandaardiseerde proef Vraag Aantal juiste antwoorden Gemiddelde school in % Gemiddelde Vlaanderen in % Gemiddelde referentiegroep in % 26 27 28 29 30 16/29 16/29 9/29 23/29 17/29 55-12 63 67 55-26 78 81 31-9 40 40 79-6 83 85 59-12 68 71 28
29
Meten en metend rekenen Het eerste deel in de leerlijn meten en metend rekenen is dingen kwalitatief leren vergelijken zonder meetinstrument en maateenheid. Geleidelijk ontstaat het inzicht dat het kwantitatieve meten bestaat uit nagaan hoeveel keer de maateenheid in het te meten voorwerp gaat. Leerlingen ervaren daarbij de nood aan een standaardmaateenheid. Op basis van referentiematen maken ze schattingen. Meten en metend rekenen is praktisch, functioneel en veelzijdig. Aantal ingeschreven leerlingen: 30 Aantal leerlingen die deelnamen aan de gestandaardiseerde proef Meten en metend rekenen: 29 Gestandaardiseerde proef Vraag Aantal juiste antwoorden Gemiddelde school in % Gemiddelde Vlaanderen in % Gemiddelde referentiegroep in % 31 32 33 34 35 20/29 14/29 29/29 17/29 27/29 69-2 70 71 48-7 52 55 +3 100 94 97 59-11 67 70 +6 93 85 87 30
31
Leerplandoelen en eindtermen Nederlands Lezen Vraag Leerplandoel Omschrijving Eindterm Omschrijving 1 Le.2.2.2 Talige boodschappen begrijpen In onder meer voor de leerlingen bestemde schoolen studieteksten, jeugdencyclopedieën, verhalen, gedichten, instructies de informatie achterhalen over kenmerken 3.1 3.2 3.3 De leerlingen kunnen (verwerkingsniveau = beschrijven) de informatie achterhalen in: 3.1voor hen bestemde instructies voor handelingen van gevarieerde aard. 3.2de gegevens in schema s en tabellen ten dienste van het publiek. 3.3voor hen bestemde teksten in tijdschriften. 2 Le.2.2.2 Talige boodschappen begrijpen in onder meer voor de leerlingen bestemde schoolen studieteksten, jeugdency-clopedieën, verhalen, gedichten, instructies de informatie achterhalen over de hoofdpersoon 3.1 3.2 3.3 De leerlingen kunnen (verwerkingsniveau = beschrijven) de informatie achterhalen in: 3.1voor hen bestemde instructies voor handelingen van gevarieerde aard. 3.2de gegevens in schema s en tabellen ten dienste van het publiek. 3.3voor hen bestemde teksten in tijdschriften. 3 Le.2.2.3 Talige boodschappen interpreteren in onder meer voor de leerlingen bestemde schoolen studieteksten, jeugden-cyclopedieën, verhalen, gedichten, instructies de informatie achterhalen over oorzaakgevolg en beschrijvingen 3.4 3.5 De leerlingen kunnen (verwerkingsniveau = beschrijven) de informatie achterhalen in: 3.4voor hen bestemde school- en studieteksten en instructies bij schoolopdrachten. 3.5voor hen bestemde verhalen, kinderromans, dialogen, gedichten, kindertijdschriften en jeugd-encyclopedieën. 4 Le.2.2.3 Talige boodschappen interpreteren in onder meer voor de leerlingen bestemde schoolen studieteksten, jeugden-cyclopedieën, verhalen, gedichten, instructies de informatie afleiden, interpreteren en ordenen over volgorde van gebeurtenissen en handelingen. 3.4 3.5 De leerlingen kunnen (verwerkingsniveau = beschrijven) de informatie achterhalen in: 3.4voor hen bestemde school- en studieteksten en instructies bij schoolopdrachten. 3.5voor hen bestemde verhalen, kinderromans, dialogen, gedichten, kindertijdschriften en jeugd-encyclopedieën. 5 Le.2.3.5 Communicatieve elementen begrijpen en interpreteren: de bedoeling TB.6.3 Nadenken over begin-, midden- en eindklanken in een woord. 6.3 Met het oog op doeltreffende communicatie kunnen de leerlingen in voor hen relevante en concrete taalgebruikssituaties en op hun niveau bij de eindtermen Nederlands reflecteren op de belangrijkste factoren van een communicatiesituatie: zender, ontvanger, boodschap, bedoeling, situatie. 32
Vraag Leerplandoel Omschrijving Eindterm Omschrijving 6 Le.2.2.2 Talige boodschappen begrijpen In onder meer voor de leerlingen bestemde schoolen studieteksten, jeugdency-clopedieën, verhalen, gedichten, instructies de informatie achterhalen over kenmerken van zaken of voorwerpen 3.1 3.2 3.3 De leerlingen kunnen (verwerkingsniveau = beschrijven) de informatie achterhalen in: 3.1voor hen bestemde instructies voor handelingen van gevarieerde aard. 3.2de gegevens in schema s en tabellen ten dienste van het publiek. 3.3voor hen bestemde teksten in tijdschriften. 7 Le.2.3.8 Communicatieve elementen begrijpen en interpreteren: de weg en de middelen Tb.6.3 Nadenken over begin-, midden- en eindklanken in een woord. Met het oog op doeltreffende communicatie kunnen de leerlingen in voor hen relevante en concrete taalgebruikssituaties en op hun niveau bij de eindtermen Nederlands reflecteren op de belangrijkste factoren van een communicatiesituatie: zender, ontvanger, boodschap, bedoeling, situatie. 8 Le.2.2.2 Talige boodschappen begrijpen: hoofdgedachte 3.1 3.2 3.3 De leerlingen kunnen (verwerkingsniveau = beschrijven) de informatie achterhalen in: 3.1voor hen bestemde instructies voor handelingen van gevarieerde aard. 3.2de gegevens in schema s en tabellen ten dienste van het publiek. 3.3voor hen bestemde teksten in tijdschriften. 9 Le.2.2.1.5 Het begrijpen van signaalwoorden Tb.6.5 Nadenken over de uit-spraak van klanken. 6.5 Met het oog op doeltreffende communicatie kunnen de leerlingen in voor hen relevante en concrete taalgebruikssituaties en op hun niveau bij de eindtermen Nederlands reflecteren op een aantal aspecten van het taalsysteem met betrekking tot klanken. 10 Le.2.2.3 Talige boodschappen interpreteren in onder meer voor de leerlingen bestemde schoolen studieteksten, jeugden-cyclopedieën, verhalen, gedichten, instructies de informatie afleiden, interpreteren en ordenen over het thema van de tekst. 3.4 3.5 De leerlingen kunnen (verwerkingsniveau = beschrijven) de informatie achterhalen in: 3.4voor hen bestemde school- en studieteksten en instructies bij schoolopdrachten. 3.5voor hen bestemde verhalen, kinderromans, dialogen, gedichten, kindertijdschriften en jeugd-encyclopedieën. 33
Taalbeschouwing Vraag Leerplandoel Omschrijving Eindterm Omschrijving 11 Tb.15.3 Nadenken over tekstsoorten en teksttypes. ET.6.5 Met het oog op doeltreffende communicatie kunnen de leerlingen in voor hen relevante en concrete taalgebruikssituaties en op hun niveau bij de eindtermen Nederlands reflecteren op een aantal aspecten van het taalsysteem met betrekking tot teksten. 12 Tb.9.2 Nadenken over de structuur van woorden, hoe ze zijn opgebouwd en hoe ze geanalyseerd kunnen worden. ET.6.5 Met het oog op doeltreffende communicatie kunnen de leer-lingen in voor hen relevante en concrete taalgebruikssituaties en op hun niveau bij de eindtermen Nederlands reflecteren op een aantal aspecten van het taalsysteem met betrekking tot woorden. Tb.9.3 De term samenstelling gebruiken. ET.6.5 Met het oog op doeltreffende communicatie kunnen de leerlingen in voor hen relevante en concrete taalgebruikssituaties en op hun niveau bij de eindtermen Nederlands reflecteren op een aantal aspecten van het taalsysteem met betrekking tot betekenissen. 13 Tb.13 De leerlingen kunnen op hun niveau nadenken over werkwoorden en daarbij taalbeschouwelijke termen gebruiken. ET.6.5 Met het oog op doeltreffende communicatie kunnen de leer-lingen in voor hen relevante en concrete taalgebruikssituaties en op hun niveau bij de eindtermen Nederlands reflecteren op een aantal aspecten van het taalsysteem met betrekking tot woorden. Tb.13.6 Tb.13.8 Nadenken over de vorm van het werkwoord die bepaald wordt door de overeenkomst in persoon en getal met het onderwerp, die herkennen en daarbij de termen persoonsvorm, enkelvoud en meervoud gebruiken. Nadenken over de tijd van een werkwoord en aangeven of een werkwoord in de tegenwoordige tijd of de verleden tijd staat en daarbij de termen tijd, tegenwoordige tijd en verleden tijd gebruiken. ET.6.7 De leerlingen kunnen bij alle eindtermen Nederlands de bijbehorende taalbeschouwelijke begrippen en termen gebruiken, nl.: -op het morfologisch domein (woorden): woord, samenstelling, afleiding, voorvoegsel, achtervoegsel, zelfstandig naamwoord, eigennaam, verkleinwoord, enkelvoud, meervoud, mannelijk, vrouwelijk, onzijdig, lidwoord, bijvoeglijk naamwoord, werkwoord, stam, uitgang, persoonsvorm, persoon, 1e persoon (ik - wij), 2e persoon (jij - jullie), 3e persoon (hij, zij, het - zij), enkelvoud, meervoud, infinitief, tijd, tegenwoordige tijd, verleden tijd 14 Tb.14.5 Nadenken over het zinsdeel dat een antwoord geeft op de vragen: -Over wie of waarover wordt er in de zin iets gezegd? Wie doet er iets? Wie is of wordt er iets? ET.6.5 Met het oog op doeltreffende communicatie kunnen de leerlingen in voor hen relevante en concrete taalgebruikssituaties en op hun niveau bij de eindtermen Nederlands reflecteren op een aantal aspecten van het taalsysteem met betrekking tot zinnen. Tb.14.6 Het onderwerp in een zin aanduiden en daarbij de term onderwerp gebruiken. ET.6.7 De leerlingen kunnen bij alle eindtermen Nederlands de bijbehorende taalbeschouwelijke begrippen en termen gebruiken, nl.: -op het syntactisch domein (zinnen): zin, zinsdeel, onderwerp, persoonsvorm, woordgroep 34
Vraag Leerplandoel Omschrijving Eindterm Omschrijving 15 Tb.3.10 Nadenken over wat de bedoeling kan zijn, ook als die bedoeling niet duidelijk is gemaakt en daarbij de term bedoeling gebruiken. ET.6.2* Bij het reflecteren op taalgebruik en taalsysteem tonen de leer-lingen interesse in en respect voor de persoon van de ander, en voor de eigen en andermans cultuur. ET.6.3 Met het oog op doeltreffende communicatie kunnen de leer-lingen in voor hen relevante en concrete taalgebruikssituaties en op hun niveau bij de eindtermen Nederlands reflecteren op de belangrijkste factoren van een communicatiesituatie: zender, ontvanger, boodschap, bedoeling, situatie. 16 Tb.20.4 Nadenken over woorden die verwijzen naar een tegengesteld object, kenmerk of tegengestelde handeling. ET.6.5 Met het oog op doeltreffende communicatie kunnen de leerlingen in voor hen relevante en concrete taalgebruikssituaties en op hun niveau bij de eindtermen Nederlands reflecteren op een aantal aspecten van het taalsysteem met betrekking tot betekenissen. 17 Tb.12.1 Woorden herkennen die een kenmerk van iemand of iets aanduiden en daarbij de term bijvoeglijk naamwoord gebruiken. ET.6.5 Met het oog op doeltreffende communicatie kunnen de leer-lingen in voor hen relevante en concrete taalgebruikssituaties en op hun niveau bij de eindtermen Nederlands reflecteren op een aantal aspecten van het taalsysteem met betrekking tot woorden. ET.6.7 De leerlingen kunnen bij alle eindtermen Nederlands de bijbehorende taalbeschouwelijke begrippen en termen gebruiken, nl.: -op het morfologisch domein (woorden): woord, samenstelling, afleiding, voorvoegsel, achtervoegsel, zelfstandig naamwoord, eigennaam, verkleinwoord, enkelvoud, meervoud, mannelijk, vrouwelijk, onzijdig, lidwoord, bijvoeglijk naamwoord, werkwoord, stam, uitgang, persoonsvorm, persoon, 1e persoon (ik - wij), 2e persoon (jij - jullie), 3e persoon (hij, zij, het - zij), enkelvoud, meervoud, infinitief, tijd, tegenwoordige tijd, verleden tijd 18 Tb.13.5 De werkwoordsvorm herkennen die niet vervoegd is naar persoon of getal en waaronder een werkwoord in het woordenboek wordt gevonden en daarbij de term infinitief gebruiken. ET.6.5 Met het oog op doeltreffende communicatie kunnen de leerlingen in voor hen relevante en concrete taalgebruikssituaties en op hun niveau bij de eindtermen Nederlands reflecteren op een aantal aspecten van het taalsysteem met betrekking tot woorden. 35
Vraag Leerplandoel Omschrijving Eindterm Omschrijving ET.6.7 De leerlingen kunnen bij alle eindtermen Nederlands de bijbehorende taalbeschouwelijke begrippen en termen gebruiken, nl.: -op het morfologisch domein (woorden): woord, samenstelling, afleiding, voorvoegsel, achtervoegsel, zelfstandig naamwoord, eigennaam, verkleinwoord, enkelvoud, meervoud, mannelijk, vrouwelijk, onzijdig, lidwoord, bijvoeglijk naamwoord, werkwoord, stam, uitgang, persoonsvorm, persoon, 1e persoon (ik - wij), 2e persoon (jij - jullie), 3e persoon (hij, zij, het - zij), enkelvoud, meervoud, infinitief, tijd, tegenwoordige tijd, verleden tijd 19 Tb.10.2 Woorden herkennen die een unieke zelfstandig-heid aanduiden zoals een bepaalde persoon, een bepaald ding, een bepaald dier of een bepaalde plant en daarbij de term eigennaam gebruiken. ET.6.5 Met het oog op doeltreffende communicatie kunnen de leerlingen in voor hen relevante en concrete taalgebruikssituaties en op hun niveau bij de eindtermen Nederlands reflecteren op een aantal aspecten van het taalsysteem met betrekking tot woorden. ET.6.7 De leerlingen kunnen bij alle eindtermen Nederlands de bijbehorende taalbeschouwelijke begrippen en termen gebruiken, nl.: -op het morfologisch domein (woorden): woord, samenstelling, afleiding, voorvoegsel, achtervoegsel, zelfstandig naamwoord, eigennaam, verkleinwoord, enkelvoud, meervoud, mannelijk, vrouwelijk, onzijdig, lidwoord, bijvoeglijk naamwoord, werkwoord, stam, uitgang, persoonsvorm, persoon, 1e persoon (ik - wij), 2e persoon (jij - jullie), 3e persoon (hij, zij, het - zij), enkelvoud, meervoud, infinitief, tijd, tegenwoordige tijd, verleden tijd 20 Tb.10 De leerlingen kunnen op hun niveau nadenken over zelfstandige naamwoorden en daarbij taalbeschouwelijke termen gebruiken. ET.6.5 Met het oog op doeltreffende communicatie kunnen de leerlingen in voor hen relevante en concrete taalgebruikssituaties en op hun niveau bij de eindtermen Nederlands reflecteren op een aantal aspecten van het taalsysteem met betrekking tot woorden. 36
Vraag Leerplandoel Tb.10.1 Omschrijving Eindterm Omschrijving Woorden herkennen die een zelfstandigheid aanduiden zoals een persoon, een ding, een dier, of een plant en daarbij de term zelfstandig naamwoord gebruiken. ET.6.7 De leerlingen kunnen bij alle eindtermen Nederlands de bijbehorende taalbeschouwelijke begrippen en termen gebruiken, nl.: -op het morfologisch domein (woorden): woord, samenstelling, afleiding, voorvoegsel, achtervoegsel, zelfstandig naamwoord, eigennaam, verkleinwoord, enkelvoud, meervoud, mannelijk, vrouwelijk, onzijdig, lidwoord, bijvoeglijk naamwoord, werkwoord, stam, uitgang, persoonsvorm, persoon, 1e persoon (ik - wij), 2e persoon (jij - jullie), 3e persoon (hij, zij, het - zij), enkelvoud, meervoud, infinitief, tijd, tegenwoordige tijd, verleden tijd Kerndictee Woord Leerplandoel Omschrijving Eindterm Omschrijving dadelijk L.1.11.5 Doffe klinker: in achtervoegsels 4.7 De leerlingen kunnen voor het vliegensvlug L.3.4 Medeklinkercombinaties realiseren van de eindtermen betekent L.4.1 Werkwoordsvormen waarbij de gebruikelijke spellingregels worden toegepast. schrijven bovendien: -hun teksten verzorgen rekening houdende met handschrift en layout; nakijken L.4.1 Werkwoordsvormen waarbij de gebruikelijke spellingregels worden -spellingsafspraken en regels toegepast. toepassen in verband met het schrijven van: terugweg L3.5 Woorden met g achteraan woorden met een vast woordbeeld: verboden L.1.2.3 Vrije klinker: in open lettergreep -klankzuivere woorden; goederen L.3.24.1 Woorden met n aan het einde van een -hoogfrequente niet-klankzuivere doffe lettergreep woorden; afdelingen L.1.2.3 Vrije klinker: in open lettergreep motoren L.1.2.3 Vrije klinker: in open lettergreep woorden met veranderlijk L.3.24.1 Woorden met n aan het einde van een doffe lettergreep woordbeeld (regelwoorden): -werkwoorden; botsingen L.3.24.1 Woorden met n aan het einde van een -klinker in open/gesloten doffe lettergreep lettergreep; onveilige L.1.11.5 Doffe klinker: in achtervoegsels -verdubbeling medeklinker; drukke L.3.8 Verdubbeling van de medeklinker -niet-klankzuivere eindletter; -hoofdletters; allemaal L.3.8 Verdubbeling van de medeklinker -interpunctietekens.,?! : richtingen L.3.4 Medeklinkercombinaties L.2.34.1 Woorden met n aan het einde van een doffe lettergreep hoogte L.1.2.1 Vrije klinker in gesloten lettergreep toestellen L.3.8 L.3.24.1 Verdubbeling van de medeklinker Woorden met n aan het einde van een doffe lettergreep aangekomen L.1.2.3 Vrije klinker: in open lettergreep razendsnel L.3.4 Medeklinkercombinaties lossen L.3.8 Verdubbeling van de medeklinker verschillende L.3.8 Verdubbeling van de medeklinker 37
Leerplandoelen en eindtermen Wereldoriëntatie Vraag 1 Leerplan -doel Omschrijving Eindterm Omschrijving 6.4/3 Kinderen zien in dat veel voorwerpen in hun omgeving een aanvulling of verbetering zijn van menselijke functies en maken er functioneel gebruik van dat houdt in dat ze vaststellen en uiten waarvoor bepaalde instrumenten gebruikt worden. 2.6 De leerlingen kunnen illustreren hoe technische systemen onder meer gebaseerd zijn op kennis over eigenschappen van materialen of over natuurlijke verschijnselen. 2 3 6.11 Kinderen kunnen zeggen aan welke eisen een bestaande constructie en een constructie die ze zelf willen maken moet voldoen. 6.4 Kinderen zien in dat veel voorwerpen in hun omgeving een aanvulling zijn van menselijke functies en maken er functioneel gebruik van. Dat houdt in dat ze vaststellen en uiten welke voorwerpen toepassingen zijn van hefbomen, katrollen, kogellagers, lenzen, tandwielen, 2.10 De leerlingen kunnen bepalen aan welke vereisten het technisch systeem dat ze willen gebruiken of realiseren, moet voldoen. 2.6 De leerlingen kunnen illustreren hoe technische systemen onder meer gebaseerd zijn op kennis over eigenschappen van materialen of over natuurlijke verschijnselen. 4 5 6 6.5 Kinderen zien in dat instrumenten evolueren en dat ze bij het lichaam ontstaan zijn. 6.6 Kinderen zien in dat producten worden gemaakt volgens bepaalde technische principes. 6.7 Kinderen kunnen op hun niveau uitleggen hoe een aantal distributiesystemen in hun omgeving zorgen voor dat houdt in dat ze op hun niveau uitleggen hoe systemen werken. 2.5 De leerlingen kunnen illustreren dat technische systemen evolueren en verbeteren. 2.2 De leerlingen kunnen specifieke functies van onderdelen bij eenvoudige technische systemen onderzoeken door middel van hanteren, monteren of demonteren. 2.8 De leerlingen kunnen technische systemen, het technisch proces, hulpmiddelen en keuzen herkennen binnen verschillende toepassingsgebieden van techniek. 7 8 6.11 Kinderen kunnen zeggen aan welke eisen een bestaande constructie en een constructie die ze zelf maken of gebruiken moet voldoen. 7.5 Kinderen ontdekken dat er tussen mensen onderling, dieren onderling en planten onderling veel gelijkenissen bestaan. Dat houdt in dat ze basisbegrippen om de uitwendige bouw van een dier te beschrijven correct kunnen hanteren: kop, buik, staart, veren, klauw, bek, nek, vin, kieuw, schub, schelp,. 2.7 De leerlingen kunnen in concrete ervaringen stappen van het technisch proces herkennen (het probleem stellen, oplossingen ontwikkelen, maken, in gebruik nemen, evalueren). 1.5 De leerlingen kunnen bij organismen kenmerken aangeven die illustreren dat ze aangepast zijn aan hun omgeving; 9 7.7/2 Kinderen zien in dat organismen aangepast zijn aan een leefwijze in een bepaald milieu, dat houdt in dat ze bij organismen kenmerken kunnen aangeven waaruit blijkt dat ze aangepast zijn aan hun omgeving. 1.5 De leerlingen kunnen kunnen bij organismen kenmerken aangeven die illustreren dat ze aangepast zijn aan hun omgeving. 38
Vraag 10 11 Leerplan -doel Omschrijving Eindterm Omschrijving 0.13/3 Kinderen kunnen informatiebronnen op een 7 De leerlingen kunnen op hun niveau doeltreffende manier hanteren dat houdt in verschillende informatiebronnen raadplegen. dat ze informatie kunnen halen uit een jeugdjournaal. 7.9/5 Kinderen ontdekken en zien in dat elke mens, elk dier en elke plant een ontwikkeling doormaakt dat houdt in dat ze stadia in ontwikkeling kunnen onderscheiden en chronologisch rangschikken. 7.14/3 Kinderen zien in dat leefgewoonten de gezondheid kunnen bevorderen en handelen er naar dat betekent dat volgende leefgewoonten in verband kunnen brengen met wat ze weten over het functioneren van het eigen lichaam: voldoende beweging, rust en hygiëne, gezonde voeding, vermijden van overbelasting. 1.17 De leerlingen kunnen gezonde en ongezonde levensgewoonten in verband brengen met wat ze weten over het functioneren van het eigen lichaam. 12 13 0.13/3 Kinderen kunnen informatiebronnen op een doeltreffende manier hanteren dat houdt in dat ze informatie kunnen halen uit een jeugdjournaal. 7.17/7 Kinderen beseffen dat de aarde bron is van energie en van grondstoffen dat houdt in dat ze op hun niveau kunnen uitleggen waarom energiebronnen als zon, wind en water bij voorrang moeten worden aangewend. 0.13/3 Kinderen kunnen informatiebronnen op een doeltreffende manier hanteren dat houdt in dat ze informatie kunnen halen uit een jeugdjournaal. 7.24/2 Kinderen ervaren en zien in dat het weer kan verschillen naar plaats en tijd. Dat houdt in dat ze de weergesteldheid die zich op een bepaald moment voordoet kunnen beschrijven ( wat betreft temperatuur, neerslag, windsnelheid, windrichting, bewolking). 7 De leerlingen kunnen op hun niveau verschillende informatiebronnen raadplegen. 1.24 De leerlingen kunnen met concrete voorbeelden uit hun omgeving illustreren hoe mensen op positieve, maar ook op negatieve wijze omgaan met het milieu. 7 De leerlingen kunnen op hun niveau verschillende informatiebronnen raadplegen. 1.11 De leerlingen kunnen de weerselementen op een bepaald moment en over een beperkte periode, meten, vergelijken en die weersituatie beschrijven. 14 7.15 Kinderen trachten door hun gedrag gezondheids-risico s te vermijden dat houdt in dat ze voorzorgen in acht nemen die de kans op (kleine) ongevallen, verwondingen, (infectie)ziekten, besmetting met parasieten en allergieën verminderen of uitsluiten. 1.19 De leerlingen beseffen dat het nemen van voorzorgen de kans op ziekten en ongevallen vermindert; 15 7.5/5 Kinderen ontdekken dat er tussen mensen onderling, dieren onderling en planten onderling veel gelijkenissen bestaan dat houdt in dat basisbegrippen om de uitwendige bouw van een plant te beschrijven, correct kunnen hanteren: wortel, stengel, stam, blad, bloem, vrucht, zaad... 39
Vraag 16 Leerplandoel Omschrijving Eindterm Omschrijving 8.5/8 Kinderen ervaren en uiten dat hun leven een opeenvolging van gebeurtenissen is, dat houdt in dat ze basisbegrippen en courante aanduidingen in verband met de dagelijkse tijd in hun juiste betekenis gebruiken. Begrippen als tijdsaanduidingen op uitnodigingen en openings- en sluitingstijden. 3.4 De leerlingen kunnen tijdsaanduidingen op uitnodigingen en openings- en sluitingstijden correct interpreteren. 17 18 19 20 21 0.13/1 Kinderen kunnen informatiebronnen op een doeltreffende manier hanteren dat houdt in dat ze informatie kunnen halen uit tabellen, grafieken, 8.11/1 Kinderen kunnen de eeuwenband en een tijdband van de grote perioden in de Europese geschiedenis functioneel gebruiken, dat houdt in dat ze op de eeuwenband of tijdband een aantal belangrijke economische en sociale samenlevingsvormen, gebeurtenissen, kunnen situeren. 8.11/1 Kinderen kunnen de eeuwenband en een tijdband van de grote perioden in de Europese geschiedenis functioneel gebruiken, dat houdt in dat ze op de eeuwenband of tijdband een aantal belangrijke economische en sociale samenlevingsvormen, gebeurtenissen, kunnen situeren. 8.11/1.2 Kinderen kunnen de eeuwenband en een tijdband van de grote perioden in de Europese geschiedenis functioneel gebruiken, dat houdt in dat ze op de eeuwenband of tijdband een aantal belangrijke economische en sociale samenlevingsvormen, gebeurtenissen, kunnen situeren 8.10/2 Kinderen kunnen in de tijd ordenen en zowel hun eigen als de Europese geschiedenis in perioden indelen dat houdt in dat ze belangrijke gebeurtenissen of ervaringen uit het eigen leven chronologisch kunnen ordenen en indelen in periodes. 9.8/6 Kinderen kunnen zich vlot in de ruimte oriënteren dat houdt in dat ze de windstreken gebruiken. 7 De leerlingen kunnen op hun niveau verschillende informatiebronnen raadplegen. 5.7 De leerlingen kennen de grote periodes uit de geschiedenis en ze kunnen duidelijke historische elementen in hun omgeving en belangrijke historische figuren en gebeurtenissen waarmee ze kennis maken, situeren in de juiste tijdsperiode aan de hand van een tijdband. 5.7 De leerlingen kennen de grote periodes uit de geschiedenis en ze kunnen duidelijke historische elementen in hun omgeving en belangrijke historische figuren en gebeurtenissen waarmee ze ken-nis maken, situeren in de juiste tijdsperiode aan de hand van een tijdband. 5.7 De leerlingen kennen de grote periodes uit de geschiedenis en ze kunnen duidelijke historische elementen in hun omgeving en belangrijke historische figuren en gebeurtenissen waarmee ze kennis maken, situeren in de juiste tijdsperiode aan de hand van een tijdband. 5.5 De leerlingen kunnen belangrijke gebeurtenissen of ervaringen uit eigen leven chronologisch ordenen en indelen in periodes. Ze kunnen daarvoor eigen indelingscriteria vinden. 4.4 De leerlingen kunnen bij een oriëntatie in de werkelijkheid de windstreken (hoofd- en tussenrichtingen) bepalen aan de hand van de zonnestand of een kompas. 40
Vraag 22 23 24 Leerplandoel Omschrijving Eindterm Omschrijving 9.9/11 Kinderen kunnen gebruik maken van diverse voorstellingen van de ruimte, dat houdt in dat ze gebruik kunnen maken van pictogrammen. 9.9/12 Kinderen kunnen gebruik maken van diverse voorstellingen van de ruimte dat houdt in dat ze gebruik kunnen maken van. Legenden. 9.10 Kinderen kunnen plaatsen en gebeurtenissen waar ze kennis mee maken vlot op een passende kaart of plattegrond terug vinden. 4.13 De leerlingen: -kunnen een atlas raadplegen en -kunnen enkele soorten kaarten hanteren gebruik makend van de legende, windrichting en schaal. 4.6 De leerlingen hebben een voorstelling van de kaart van Vlaanderen en van België zodat ze in een praktische toepassingssituatie de gemeenschappen, de provincies en de provinciehoofdplaatsen kunnen aanwijzen 25 26 27 28 9.7 Kinderen zien in dat mensen vaak ruimten afbakenen en/of grenzen trekken, dat houdt in dat ze begrippen als wijk, gehucht, dorp, deelge-meente, gemeente, fusiegemeente, stad, provincie. land, continent correct kunnen hanteren. 0.14/1 Kinderen kunnen informatie ordenen, rubriceren en classificeren, dat houdt in dat ze ordenen op basis van minstens één criterium. 5.2/2 Kinderen zien in dat elke groep eigen doelen nastreeft, wat tot conflicten kan leiden dat houdt in dat ze van een aantal groepen vaststellen en uiten welke doelen die nastreven. 1.5 Kinderen zien in dat mensen allerlei beroepen uitoefenen en tonen respect voor elk beroep dat houdt in dat ze kunnen illustreren dat beroepen vaardigheden vereisen die niet noodzakelijk aan een geslacht gebonden zijn. 4.5 De leerlingen kunnen begrippen zoals wijk, gehucht, dorp, deelgemeente, fusiegemeente, stad, provincie, gemeenschap, land en continent in een juiste context gebruiken. 1.3 De leerlingen kunnen in een beperkte verzameling van organismen en gangbare materialen gelijkenissen en verschillen ontdekken en op basis van minstens één criterium een eigen ordening aanbrengen en verantwoorden. 1.25 De leerlingen kunnen met concrete voorbeelden uit hun omgeving illustreren hoe mensen op positieve, maar ook op negatieve wijze omgaan met het milieu. 4.1 De leerlingen kunnen illustreren dat verschillende vormen van arbeid verschillend toegankelijk zijn voor mannen en vrouwen en verschillende gewaardeerd worden. 29 30 4.11 Kinderen kunnen een ander helpen door zich dienstbaar op te stellen, dat houdt in dat ze attent zijn voor de specifieke noden en verwachtingen van gehandicapten. 0.13/1 Kinderen kunnen informatiebronnen op een doeltreffende manier hanteren dat houdt in dat ze informatie kunnen halen uit tabellen, grafieken 4.10 De leerlingen weten dat ze in het contact met mensen met een handicap attent moeten zijn voor de noden en verwachtingen van deze mensen. 7 De leerlingen kunnen op hun niveau verschillende informatie-bronnen raadplegen. 41
Leerplandoelen en eindtermen Wiskunde Hoofdrekenen (bewerkingen zonder ZRM) Vraag 1 Leerplandoel B11c Omschrijving Bij eenvoudige optellingen flexibel een doelmatige oplossingsmethode kiezen op basis van inzicht in de structuur van de getallen en in de eigenschappen van de optelling en de optellingen correct uitvoeren, verwoorden en noteren: c) som 1 000. Eindterm Omschrijving 2 3 B14c Bij eenvoudige aftrekkingen flexibel een doelmatige oplossingsmethode kiezen op basis van inzicht in de structuur van de getallen en in de eigenschappen van de aftrekking en de aftrekkingen correct uitvoeren, verwoorden en noteren: B30 Eenvoudige kommagetallen optellen. 1.13 De leerlingen voeren opgaven uit het hoofd uit waarbij ze een doelmatige oplossingsweg kiezen op basis van inzicht in de eigenschappen van bewerkingen en in de structuur van getallen: - optellen en aftrekken tot honderd; - optellen en aftrekken met grotegetallen met eindnullen; - vermenigvuldigingen met en delen naar analogie met de tafels. 1.23 De leerlingen kunnen in een zinvolle context eenvoudige breuken en kommagetallen optellen en aftrekken. In een zinvolle context kunnen zij eveneens een eenvoudige breuk vermenigvuldigen met een natuurlijk getal 4 B31 Eenvoudige kommagetallen aftrekken 1.13 De leerlingen voeren opgaven uit het hoofd uit waarbij ze een doelmatige oplossingsweg kiezen op basis van inzicht in de eigenschappen van bewerkingen en in de structuur van getallen: - optellen en aftrekken tot honderd; - optellen en aftrekken met grote getallen met eindnullen; - vermenigvuldigingen met en delen naar analogie met de tafels. 1.23 De leerlingen kunnen in een zinvolle context eenvoudige breuken en kommagetallen optellen en aftrekken. In een zinvolle context kunnen zij eveneens een eenvoudige breuk vermenigvuldigen met een natuurlijk getal. 42
Vraag 5 Leerplandoel B18 Omschrijving Eindterm Omschrijving Bij vermenigvuldigingen naar analogie met de vermenigvuldigingstafels en buiten de vermenigvuldigingstafelsflexibel een doelmatige oplossingsmethode kiezen op basis van inzicht in de structuur van de getallen en in de eigenschappen van de vermenigvuldiging; die vermenigvuldigingen correct uitvoeren, verwoorden en noteren 1.13 De leerlingen voeren opgaven uit het hoofd uit waarbij ze een doelmatige oplossingsweg kiezen op basis van inzicht in de eigenschappen van bewerkingen en in de structuur van getallen: - optellen en aftrekken tot honderd; - optellen en aftrekken met grote getallen met eindnullen; - vermenigvuldigingen met en delen naar analogie met de tafels. 6 7 8 9 B19a Vermenigvuldigen met: a) 10; 100 B19b Vermenigvuldigen met b) 5; 50. B23c Delen door: c) 1 000; 10 000 B22a a Bij eenvoudige delingen flexibel een doelmatige oplossingsmethode kiezen op basis van inzicht in de structuur van de getallen en in de eigenschappen van de deling; die delingen correct uitvoeren, verwoorden en noteren: a) bij opgaande delingen naar analogie met de delingstafels en buiten de delingstafels 1.13 De leerlingen voeren opgaven uit het hoofd uit waarbij ze een doelmatige oplossingsweg kiezen op basis van inzicht in de eigenschappen van bewerkingen en in de structuur van getallen: - optellen en aftrekken tot 3 - optellen en aftrekken met grote getallen met eindnullen; - vermenigvuldigingen met en delen naar analogie met de tafels. 10 B25 Een breuk met noemer meestal kleiner dan of gelijk aan tien nemen van een getal. Bewerkingen zonder zakrekenmachine 11 B36 Schattend rekenen: b) om de grootteorde van de uitkomst van een berekening (onder meer op de zakrekenmachine) globaal te controleren (bijv.: het product van 44 en 8 - maar ook van 44,5 en 8,3 - ligt tussen 320 en 400.) 1.16 De leerlingen kunnen de uitkomst van een berekening bij benadering bepalen. 12 B50 Enkelvoudige vraagstukken oplossen over vermenigvuldigen en delen in verschillende situaties met a) natuurlijke getallen 4.2 De leerlingen zijn in staat om de geleerde begrippen, inzichten, procedures, met betrekking tot getallen, meten en meetkunde, zoals in de respectievelijke eindtermen vermeld, efficiënt te hanteren in betekenisvolle toepassingssituaties, zowel binnen als buiten de klas. 13 B49b Enkelvoudige vraagstukken oplossen over optellen en aftrekken in verschillende situaties met b) breuken 4.2 De leerlingen zijn in staat om de geleerde begrippen, inzichten, procedures, met betrekking tot getallen, meten en meetkunde, zoals in de respectievelijke eindtermen vermeld, efficiënt te han-teren in betekenisvolle toepassingssituaties, zowel binnen als buiten de klas. 43
Vraag 14 Leerplan -doel B38 Omschrijving Eindterm Omschrijving Maximum vijf getallen optellen (De som is kleiner dan 10 000 000 en heeft maximum drie cijfers na de komma): a) natuurlijke getallen 1.24 De leerlingen kennen de cijfer-algoritmen. Zij kunnen cijferend vier hoofdbewerkingen uitvoeren met natuurlijke en met kommagetallen: - optellen met max. 5 getallen: de som < 10 000 000; - aftrekken: aftrektal < 10 000 000 en max. 8 cijfers, - vermenigvuldigen: vermenig-vuldiger bestaat uit max. 3 cijfers; het product = max. 8 cijfers (2 cijfers na de komma); - delen: deler bestaat uit max. 3 cijfers; quotiënt max. 2 cijfers na de komma. 15 B49 Enkelvoudige vraagstukken oplossen over optellen en aftrekken in verschillende situaties met b) breuken 4.2 De leerlingen zijn in staat om de geleerde begrippen, inzichten, procedures, met betrekking tot getallen, meten en meetkunde, zoals in de respectievelijke eindtermen vermeld, efficiënt te hanteren in betekenisvolle toepassingssituaties, zowel binnen als buiten de klas. G11 De natuurlijke getallen lezen en schrijven en gebruik maken van de termen en symbolen l) natuurlijk getal Getallenkennis 16 G6 Tellen, terugtellen en doortellen (bijv. van 5 tot 15) met onder meer sprongen van één, van twee, van vijf, van machten van tien 1.1 De leerlingen kunnen tellen en terugtellen met eenheden, tweetallen, vijftallen en machten van tien. 17 18 G9 G13 Een natuurlijk getal interpreteren en gebruiken: a) als een aanduiding voor een hoeveelheid b) als een aanduiding voor een rangorde Natuurlijke getallen (her)structureren (bijv. 96 is 4 minder dan 100; 96 is 80 en 16 of 8 T en 16 E) om vlot bewerkingen uit te voeren en de (her)structureringen paraat kennen van: b) getallen > 10 waar wenselijk (bijv. 80 is 50 en 30; 100 is 50 en 50; 100 is 4 keer 25) 1.2 De leerlingen kunnen de verschillende functies van natuurlijke getallen herkennen en verwoorden. 19 20 G23 G12 In eenvoudige en zinvolle gevallen (bijv. om vraagstukken op te lossen) de gelijkwaardigheid inzien en verduidelijken door omzettingen van kommagetallen en breuken De natuurlijke getallen ordenen en ze onder meer op een getallenas plaatsen 1.18 De leerlingen kunnen in eenvoudige gevallen de gelijkwaardigheid tussen kommagetallen, breuken en procenten vaststellen en verduidelijken door omzettingen. 1.5 De leerlingen kunnen natuurlijke getallen van maximaal 10 cijfers en kommagetallen (met 3 decimalen), eenvoudige breuken, eenvoudige procenten lezen, noteren, ordenen en op een getallenlijn plaatsen. 21 G22 Kommagetallen met hoogstens drie decimalen vergelijken en ordenen en onder meer aanduiden op een getallenas 1.5 De leerlingen kunnen natuurlijke getallen van maximaal 10 cijfers en kommagetallen (met 3 decimalen), eenvoudige breuken, eenvoudige procenten lezen, noteren, ordenen en op een getallenlijn plaatsen. 44
Vraag 22 Leerplandoel G40a Omschrijving Eindterm Omschrijving Gevarieerde hoeveelheidsaanduidingen lezen en interpreteren (tabellen, grafieken, staaf- en cirkeldiagrammen...) 1.8 De leerlingen kunnen gevarieerde hoeveelheidsaanduidingen lezen en interpreteren. 23 24 25 G12 G21 G29 De natuurlijke getallen ordenen en ze onder meer op een getallenas plaatsen Kommagetallen met hoogstens drie decimalen lezen en schrijven en gebruik maken van de termen en symbolen: b) tiende (t), honderdste (h), duizendste (d) In concrete situaties gehele negatieve getallen lezen, schrijven en vergelijken 1.5 De leerlingen kunnen natuurlijke getallen van maximaal 10 cijfers en kommagetallen (met 3 decimalen), eenvoudige breuken, eenvoudige procenten lezen, noteren, ordenen en op een getallenlijn plaatsen. 1.5 De leerlingen kunnen natuurlijke getallen van maximaal 10 cijfers en kommagetallen (met 3 decimalen), eenvoudige breuken, eenvoudige procenten lezen, noteren, ordenen en op een getallenlijn plaatsen. 1.8 De leerlingen kunnen gevarieerde hoeveelheidsaanduidingen lezen en interpreteren. Meetkunde 26 27 MK34 MK9 Met een geodriehoek en andere hulpmiddelen (geen passer): c)de loodlijn tekenen in een punt van een rechte/lijnstuk op die/dat Punten, lijnen en oppervlakken ervaren, ontdekken en herkennen door zich te bewegen in de ruimte, te kijken naar en te handelen met voorwerpen en meetkundige figuren en daarbij termen gebruiken (zonder ze te definiëren) als: e) horizontaal, verticaal... 3.1 De leerlingen kunnen begrippen en notaties waarmee de ruimte meet-kundig wordt bepaald aan de hand van concrete voorbeelden verklaren. 3.2 De leerlingen kunnen op basis van volgende eigenschappen de volgende meetkundige objecten herkennen en benoemen: a) in het vlak: punten, lijnen, hoe-ken en vlakke figuren (driehoeken, vierhoeken, cirkels). 28 29 MK37 MK6 Symmetrie en asymmetrie ontdekken in de omgeving Verkennen en verwoorden wat men ziet vanuit andere gezichtspunten als men zich: a) werkelijk verplaatst in de ruimte b) mentaal verplaatst in de ruimte en daarbij termen gebruiken als: c) richting, plaats... d) vooraanzicht, zijaanzicht, bovenaanzicht... 3.1 De leerlingen kunnen begrippen en notaties waarmee de ruimte meet-kundig wordt bepaald aan de hand van concrete voorbeelden verklaren. 3.6 De leerlingen kunnen de begrippen symmetrie, gelijkvormigheid en gelijkheid ontdekken in de realiteit. Ze kunnen zelf eenvoudige geometrische figuren maken. 3.1 De leerlingen kunnen begrippen en notaties waarmee de ruimte meetkundig wordt bepaald aan de hand van concrete voorbeelden verklaren. 45
Vraag 30 Leerplandoel MK36 Omschrijving Eindterm Omschrijving Spiegelbeelden ontdekken in de omgeving en in vlakke figuren: a) door een spiegel te gebruiken, door te vouwen b) door te meten en daarbij de termen spiegelbeeld, spiegeling en spiegel(as) gebruiken 3.1 De leerlingen kunnen begrippen en notaties waarmee de ruimte meet-kundig wordt bepaald aan de hand van concrete voorbeelden verklaren. Meten en metend rekenen 31 MR18 Referentiematen (bijv. 1 kg is het gewicht van een doos klontjessuiker, 1 l is de inhoud van een melkbrik, een deur is ongeveer 2 m hoog, 100 m is de afstand van... tot...; een brood kost ongeveer... euro) kennen en gebruiken 2.8 De leerlingen kunnen schatten met behulp van referentiepunten. 32 MR82 Tabellen, grafieken en diagrammen lezen en correct interpreteren 2.2 De leerlingen kennen de symbolen, notatiewijzen en conventies bij de gebruikelijke maateenheden en kun-nen meetresultaten op veelzijdige wijze noteren en op verschillende wijze groeperen. 4.2 De leerlingen zijn in staat om de geleerde begrippen, inzichten, procedures, met betrekking tot getallen, meten en meetkunde, zoals in de respectievelijke eindtermen vermeld, efficiënt te hanteren in betekenisvolle toepassingssituaties, zowel binnen als buiten de klas. 33 MR29a Weten dat het resultaat van een lengtemeting uitgedrukt kan worden in meter of daarvan afgeleide maateenheden, en daarbij de termen c) diepte, omtrek en afstand gebruiken 2.2 De leerlingen kennen de symbolen, notatiewijzen en conventies bij de gebruikelijke maateenheden en kunnen meetresultaten op veelzijdige wijze noteren en op verschillende wijze groeperen. 34 35 MR66f MR51 Volgende termen gebruiken: f) een jaar (365 dagen), een schrikkeljaar en een eeuw Het metriek stelsel in verband met inhoud opbouwen en daarbij volgende maateenheden en hun symbolen lezen en gebruiken: b) de deciliter (dl), de centiliter (cl) c) de milliliter (ml) Met de gekende standaardmaateenheden in betekenisvolle situaties herleidingen uitvoeren: b) tussen frequent gebruikte maateenheden (bijv. 1 dl = 10 cl, 1 min. = 60 sec.) 2.2 De leerlingen kennen de symbolen, notatiewijzen en conventies bij de gebruikelijke maateenheden en kunnen meetresultaten op veelzijdige wijze noteren en op verschillende wijze groeperen. 46
Referentiegroepen Binnen elke klasgroep heb je een grote diversiteit aan leerlingen. Onderzoek toont aan dat de onderwijskansen van leerlingen die meer dan andere leerlingen scoren of aantikken op een aantal kenmerken beperkter zijn. Men noemt ze ook risico-leerlingen. De schaal van kenmerken die we hiervoor hanteren is de kansarmoede-indicator (OKI). Hoe meer kenmerken op de leerling van toepassing zijn, hoe hoger de onderwijs kansarmoede-indicator. Op die manier krijgen we een idee van de mate waarin een leerling een risico-leerling is. Om de OKI van een leerling te bepalen, wordt gekeken naar vier leerlingenkenmerken, die een beeld geven van het sociaal profiel van de leerling: - Opleidingsniveau van de moeder - Gezinstaal - Buurt met hoge mate van schoolse vertraging - Schooltoelagen Een leerling kan op 0, 1, 2, 3 of op alle kenmerken scoren. De OKI wordt berekend door het aantal kenmerken waarvoor de leerling aantikt op te tellen en is bijgevolg een cijfer tussen 0 en 4. Door het gemiddelde te berekenen van alle leerlingen op een school, krijgen we een cijfer voor de hele school. Bijvoorbeeld: in een school met een gemiddelde OKI van 2,1 tikken de leerlingen op gemiddeld 2,1 van de vier leerlingenkenmerken aan. Voor meer achtergrondinformatie bij de referentiegroepen kan je terecht op de IDP-website (http://infoidp.katholiekonderwijs.vlaanderen/content/referentiegroep). Groep Betekenis % paarse groep Deze scholen hebben een OKI-waarde < 0,5. 64.0 oranje groep Deze scholen hebben een OKI-waarde >= 0,5 en < 1. 14.5 blauwe groep Deze scholen hebben een OKI-waarde >= 1 en < 2. 12.9 groene groep Deze scholen hebben een OKI-waarde >= 2. 8.7 Onze school, Basisschool Toermalijn, behoort tot de paarse groep. 47
Gemiddelden van onze school en van de referentiegroepen per vraag Nederlands Vraag Onze school Paarse groep Oranje groep Blauwe groep Groene groep 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 79 75 71 68 55 97 83 80 80 70 83 83 80 77 70 93 90 88 87 81 86 79 75 72 61 41 68 64 63 54 69 58 54 51 43 72 75 70 69 62 76 73 71 69 60 69 67 62 59 49 69 62 62 58 50 100 87 85 85 79 66 73 72 72 66 76 64 62 61 52 55 63 59 57 48 59 60 54 53 38 59 53 50 49 43 45 68 64 63 56 62 63 58 55 46 69 59 56 54 47 84 79 76 76 66 Onze school, Basisschool Toermalijn, behoort tot de paarse groep. 48
Gemiddelden van onze school en van de referentiegroepen per vraag Wereldoriëntatie Vraag Onze school Paarse groep Oranje groep Blauwe groep Groene groep 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 86 89 85 84 72 76 76 73 72 69 76 78 77 74 65 79 82 78 74 64 72 77 72 68 57 48 60 57 54 53 93 91 90 85 79 72 77 72 65 49 83 82 81 79 71 66 74 76 72 68 86 90 88 88 82 93 88 87 86 79 76 83 79 75 62 38 52 47 42 32 86 75 72 70 57 79 68 63 61 50 34 62 58 55 51 28 54 52 50 42 72 70 65 63 52 79 57 49 49 39 79 79 76 73 64 59 80 77 75 67 52 62 59 56 46 59 58 55 52 47 55 62 57 52 39 97 95 93 93 89 38 50 45 43 35 28 21 21 20 21 93 94 91 89 82 48 54 51 52 47 Onze school, Basisschool Toermalijn, behoort tot de paarse groep. 49
Gemiddelden van onze school en van de referentiegroepen per vraag Wiskunde Vraag Onze school Paarse groep Oranje groep Blauwe groep Groene groep 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 79 92 90 90 85 83 77 74 76 66 90 85 83 81 75 10 54 50 50 40 93 84 81 83 75 62 49 41 43 33 79 78 74 74 68 97 75 75 73 67 66 62 58 58 48 72 81 78 80 72 83 86 85 83 75 79 78 74 73 63 83 86 81 83 77 62 73 69 72 66 72 63 55 54 36 83 87 85 85 81 86 93 90 91 88 69 78 74 76 69 72 78 70 68 57 86 90 88 88 83 79 89 87 86 82 52 72 69 67 58 59 80 77 75 70 69 59 54 56 50 72 79 74 72 60 55 67 62 56 48 55 81 75 74 68 31 40 40 41 34 79 85 82 80 71 59 71 65 66 57 69 71 70 68 61 48 55 51 50 41 100 97 94 92 82 59 70 64 64 48 93 87 84 84 75 Onze school, Basisschool Toermalijn, behoort tot de paarse groep. 50