Naam: Adres: Woonplaats: Preventie Gewas: Aardappelen Opmerkingen 1. Grondgebonden ziekten / plagen. Gewasbeschermingplan 2015 2. Goed uitgangsmateriaal. 3. Voorkeur resistente rassen. Waar nodig/mogelijk worden resistente rassen ingezet. Hierbij wordt gekeken naar de afzetmogelijkheden en de opbrengsten. 4. Treffen van bedrijfshygiënische maatregelen. 5. Hanteren van aaltjes beheers- en bestrijdingstrategie. 6. Toepassen van vrucht- en teeltwisseling. Noodzaak bestrijding 7a. Het uitvoeren van gewasinspecties. Doormiddel van grondonderzoek wordt er een vruchtwisselingplan gemaakt. Eventueel wordt er een granulaat ondersteunend adviessysteem gebruikt. Bouwplan is ingevuld op basis van: Gewasinspectie worden uitgevoerd: 7b. Gebruik maken van B.O.S. Niet-chemische bestrijding 8. Inzetten en in stand houden van natuurlijke ziekten- en plaagbestrijders. Bij de middelenkeuze wordt rekening gehouden met natuurlijke ziekte- en plaagbestrijders. 9. Toepassen van mechanische of andere vorm van onkruidbestrijding. Chemische bestrijding 10. Bij voorkeur zaad-, plant- of pootgoedbehandeling, danwel stekbehandeling. 11. Rekening houden t.a.v. middelen met milieubelasting en selectiviteit en ook arbeidsveiligheid van de toepasser. 12. Pleksgewijs toedienen van GBM. Indien nodig wordt pootgoed behandeld tegen Rhizoctonia solani met Moncereen goede effectiviteit (milieumeetlat) of granulaten Waar nodig en verantwoord is, worden probleemonkruiden pleksgewijs bestreden 13. LDS toepassing bij onkruidbestrijding.
Cel: B4 Opmerking: Gewasbeschermingsplan: Doelstelling is om de achterblijvers naar een hoger plan te brengen en de enige mogelijkheid is een wettelijk kader. Doelstelling is ook om reeds gecertificeerde telers geen extra veranderingen op te leggen. Men is uitgegaan van het beginsel Niet spuiten, tenzij. Men laat vrij hoe het Logboek en Gewasbeschermingsplan er uit moet zien. GBM-plan en Logboek hoeven niet opgestuurd te worden, maar gewoon aanwezig bij een teler op zijn bedrijf. Bij controle van een AID-er of ander bevoegd gezag, moet het getoond kunnen worden. Cel: D5 Opmerking: Logboek: In het logboek vult u alle zaken in die anders zijn gelopen dan aanvankelijk gepland waren in het Gewasbeschermingsplan binnen 72 uur. U vermeld dan in wat er anders is gedaan, waarom u dat heeft gedaan en hoe u dat heeft opgelost. Hier kunt u ook vermelden als bijvoorbeeld milieuvriendelijkere middelen hebt gebruikt, terwijl u dat eerst niet had aangegeven. Belangrijk is dat er een datum bij vermeldt staat. Cel: B6 Opmerking: Preventie 1 - Grondgebonden ziekten / plagen: Hier kunt u invullen welke bodemziekten u verwacht bij dit gewas en op dit perceel. Iedere grondsoort kan zijn specifieke fytosanitaire problemen met zich brengen. Het is dan van belang dat u grondsoort-gerelateerde zaken inzichtelijk maakt in uw gewasbeschermingplan. Het gaat hier niet om het inzichte-lijk maken van alle potentiële fytosanitaire problemen, maar om de problemen die gelet op de combi-natie grond-gewas redelijkerwijs verwacht kunnen worden. Het periodiek terugkeren van bepaalde grondgebonden ziekten, plagen of onkruiden kan daarbij een indicatie zijn. Cel: C6 Aardappelcystealen vormen een bedreiging voor de aardappelteelt. Bij een hoge bezetting van cystealen ontstaan er valplekken die veel opbrengst kunnen kosten. Ontdekt de Plantenziektenkundige Dienst bij u valplekken dan krijgt u een besmetverklaring. U dient dan maatregelen te nemen zoals bijv. natte grondontsmetting of de 6 jaar navolgende jaren geen aardappelen telen of raketblad zaaien. SCHIMMELS Phytophthora: Kiezen ras met een hoog cijfer voor loof- en knolphytophthora. Infectiebronnen voorkomen/vernietigen. Oosporen kunnen in de grond overleven. Matig de N-gift. 1e bespuiting hangt af van de omgevingdruk en groeisneheid. Wees allert. Te laat betekent meer bespuitingen. 7-10 dagen is de gemiddelde werkingsduur. Bij regenval van 10-15 mm is de beschermingsduur 1 dag korter. Oud blad neemt lokaal-systemische middelen minder goed op, kies dan een bladbedekker. Alternaria: Kans op infecties tijdens het hele groeiseizoen. Bladvlekken ontstaan pas later in het groeiseizoen. Mg + Mn spuiten en een optimale mineralen voorziening kan de kans op een infectie verminderen. Rond de bloei spuiten met overleeft op gewasresten en in de grond vele jaren. Rhizoctonia: Ruime teeltfreqentie = rhizoctonia beperken. Vitaliteitstoets kan bepalen of een knolbehandeling nodig is < 25% vitaliteit is geen knolbehandeling nodig. Op klei is de kans minder groot op aantasting dan op zand. Voorvrucht gras/graszaad nadelig. Voorkiemen = sneller boven = minder aantasting. Rassenkeuze: veel stengels is alg. minder kans op aantasting. Schurft: Gewone, poeder, grasland bij twijfel monster laten nemen. Rassenkeuze. Wratziekte: Schimmel die zowel boven als ondergrondse delen aantast behalve wortels. Rassenkeuze. Fusarium: Schadebeeld: ingezonken plekken met witroze schimmelpluis. Sulphureum is de agressieve stam..na enkele dagen zichtbaar. Solani minder agressief, kans op schade vooral naarmate de knol langer bewaard wordt kan met pootgoed overgaan en komt in de grond voor. Beschadigde knol = verhoogd risco. Pythium: Waterrot veroorzaakt door algemeen in de bodem voorkomende schimmels bij hoge temp. Komt in zetmeelaardappelen voor. Beschadigde knol = verhoogd risco. Phoma: Koude schimmel = droogrot. Laat rooien en knolbeschadiging = verhoogd risico. Minder vatbare rassen telen, niet rooien onder de 10 C rooien. Boven 8 graden vindt er geen uitbreiding plaats. Roodrot: Algemeen in de grond voorkomend. Hoge temp., structuur, wateroverlast zorgen voor problemen. Lekkende knollen in de bewaring. Verticilium of verwelkingsziekte: Te vroeg afsterven van het gewas; stress door alle mogelijke factoren. Waardplanten en microsclerotien houden verticillium in stand. Sclerotinia: Waardplanten: erwten, bonen, witlof, peen, aardappelen. Blijft in de grond over. Ook kunnen knollen bij een zware aantasting aangetast worden. Preventief: veel gramineeen telen. Zilverschurft: Warm en vocht in de bewaring. Via pootgoed en in geringe mate de grond. Preventie lage bewaartemperatuur en een RLV beneden de 85%. BACTERIËN: Stengelnatrot/zwartbenigheid: Veroorzaakt primaire natrot (secundair natrot wordt veroorzaakt door phyt. knollen, wateroverlast en bevriezing). Bruinrot: Na vorst verdwenen in de grond. Geen vorst: minimaal een jaar in de grond. VIRUSSEN: Ziekteverwekker die op de stofwisseling van een plant leeft. Types: Y, A, X, S en tabaksratelvirus. Verspreiding door: aanraking gezonde/zieke planten, aalltjes, bladluizen. NEMATHODEN:
Cystenaaltjes: Gele aardappelcystenaaltje (rostochinesis) biotype abc. Witte aardappelcystenaaltjes (pallida) biotype de. Ro-resistent altijd 80% reductie. Pa-resistent: hoge besmetting wordt enigszins verlaagd. Pa-resistent:.lage besmetting wordt enigszins verhoogd. Bij een pallida besmetting altijd een granulaat toevoegen. Wortelknobbeaaltje: Niet waardplanten: graan, gras, biet, koolsoorten, spinazie, koolzaad. Matige waardplanten: biet, bladrammenas. Maiswortelknobbelaaltje: Geen slechte waardplanten bekend. Wortellesieaaltje: Onkruiden zijn goede waardplanten. Slechte waardplanten: koolzaad, koolsoorten, mosterd, biet, spinazie. Trichodorus: Vele waardplanten. Slechte waardplant: aardappel. Grondontsmetten. Stengelaaltje: Waardplanten: ui erwten, rogge, veldbonen, onkruiddruk laag houden. LUIZEN: Alle soorten: Houd rekening met de natuurlijke vijanden. ANDERE DIERLIJKE BELAGERS: Ritnaalden: Larve van de kniptor. Indien nodig een grondbehandeling uitvoeren. Engerlingen: Larve mei/juni-kever. Indien nodig een grondbehandeling uitvoeren. Emelten: Larve van de langpootmug. Indien nodig een grondbehandeling uitvoeren. INSCHUREN: Zorg voor een goede afrijping en rooi een goed afgehard gewas. Zilverschurft en phoma zorgen voor de grootste problemen. Cel: B7 Opmerking: Preventie 2 - Goed uitgangsmateriaal: Hier kunt u invullen dat u gebruik gaat maken van gecertificeerd en ziekten- en plaagvrij uitgangsma-teriaal. Cel: C7 1: NAK gekeurd materiaal 2: Vitaliteitstoets voor rhizoctonia 3: Soortbepaling schurft. Cel: B8 Opmerking: Preventie 3 - Voorkeur resistente rassen: Hierbij kunt u de bijgevoegde rassenlijst bekijken en een gefundeerde keuze maken in resistente ras-sen tegen de voor u geldende ziekten/plagen. Cel: C8 In Nederland mogen alle rassen die in Europa toegelaten zijn op een rassenlijst worden geteeld. Op de rassenlijst staan verschillende gegevens omtrent de rassen zelf. Resistentie tegen aardappelmoeheid staat vermeld wanneer er resistentie aanwezig is. We kennen twee hoofd type te weten Globodera Rostochiensis en Globodera Pallida. Gl. Ros. kent de pathotypen A (Ro1), BC (Ro2/3) en F(Ro4). Gl. Pa. kent de pathotypen D (Pa2) en E (Pa3). Voorbeelden zijn Agria en Markies deze zijn resistent tegen biotype A. Innovator is resistent tegen biotype DE, Sante is resistent tegen biotype ABCD, Maritiema alleen tegen A en D. Bij het biotype DE speelt ook de tolerantie een belangrijke rol. De resistentie tegen DE is niet absoluut. Wanneer een ras resistent is tegen DE kunnen er toch valplek achtige verschijnselen ontstaan. Het resistentieniveau is dan net niet hoog genoeg, er wordt door het ras een bepaald niveau aan alen getolereerd. Is dit aantal zeer hoog dan kunnen er toch bijna valplekken ontstaan. Ook resistentie tegen Phytophthora Infestans staat vermeld in de rassenlijst. In de rassenlijst wordt onderscheid gemaakt tussen gevoeligheid tegen Phytophthora in het blad en Phytophthora in de knol. Doorgaans zijn de zeer vroege rassen het meest gevoelig voor Phytophthora in het blad en de zeer late rassen het minst gevoelig. Dit is een genetische eigenschap die tot op heden nog niet ontkoppeld is. Cel: B9 Opmerking: Preventie 4 - Bedrijfshygienische maatregelen: Hier kunt u vermelden dat u afvalhopen met aangetaste gewasresten afdekt. Ook kunt u uw gereed-schap en machines reinigen en/of ontsmetten vóór en ná grond- of gewasbehandeling. Cel: C9 Bedrijfshygiene dient een belangrijk onderdeel te zijn in de bedrijfsvoering. Veel ziekten en plagen komen van buiten het bedrijf. Voorbeelden hiervan zijn Phytophthora Infestans en zaden van hanenpoot die met mest verspreid worden. Ook bacterieziekten zoals bruinrot en zwartbenigheid kunnen met aangekocht pootgoed binnen uw bedrijf komen. Afdekken van aardappelafvalhopen is een belangrijke maatregel die elk jaar op 1 april gebeurd moet zijn. Wanneer u mest op uw bedrijf ontvangt, eis dan dat die partij van een vertrouwd adres komt waardoor er zo min mogelijk kans op verspreiding van onkruidzaden is. Bacterieziekten in pootgoed is een probleem die nog steeds niet goed onder controle is te krijgen. Belangrijk is wel gebleken dat gewerkt moet worden met schoon materiaal. Verspreiding van de bacterie kan gemakkelijk plaats vinden door versmering via transportbanden. Cel: B10 Opmerking: Preventie 5 - Aaltjesbeheersingsstrategie: Belangrijk is om eerst vast te stellen of u last van aaltjes hebt en dan te weten waar ze zitten en welke type het is. Een besmetting kan worden beheerst en bestreden door een ruime vruchtwisseling, de teelt van (partieel) resistente rassen en bestrijding van opslagplanten (aardappel, biet etc). Ook het niet terugbrengen van besmette sorteergrond kan helpen. Daarnaast kunt u een grondbehandeling door injecteren uitvoeren. Grondbehandeling, rijenbehandeling en toplaagbehandeling; allen behande-len met een nematicide. Daarnaast is het belangrijk aaltjesvrij uitgangsmateriaal te gebruiken (dus niet in pootgoed of zaad aanwezig). Het gebruik van groenbemesters voor en/of na de teelt kan ook aal-tjesverminderend werken.
Cel: C10 Na de teelt een soortbepalen doen. Rassen aanpassen naar aanwezige soorten. Braakpercelen inzaaien met raketblad. Ontsmetten indien nodig. Cel: B11 Opmerking: Preventie 6 - Vrucht- en Teeltwisseling: Een goede bodemkwaliteit en diversiteit van bodemorganismen kan in belangrijke mate bijdragen aan het tegengaan van ziekten en plagen en daarmee aan het voorkomen of terugdringen van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Door teelt- en vruchtwisseling toe te passen kan dit worden gerea-liseerd. Het is dan van belang dat u in het gewasbeschermingplan aangeeft op welke wijze u hieraan invulling geeft, dit mede in relatie tot de grondgebonden ziekten, plagen en onkruiden die zich redelij-kerwijs op het bedrijf kunnen voordoen zoals u bij punt 1 hebt opgesteld. Cel: C11 Als vruchtwisseling en teeltmaatregel kunnen worden gekozen dat aardappelen in een rotatie van 1 op 4 staan met wintertarwe voor de aardappelen en suikerbieten na de aardappelen. In de suikerbieten kan de aardappelopslag dan handmatig effectief bestreden worden. De suikerbieten en uien worden in de rotatie eens in de 6 jaar geteeld. De uien staan op een rijafstand die voldoende is om mechanisch of handmatig onkruid te kunnen bestrijden. Cel: B13 Opmerking: Noodzaakbestrijding 7a - Gewasinspecties: Het uitvoeren van gewasinspecties is een wezenlijk onderdeel van principes van de geïntegreerde gewasbescherming zodat ziekten en plagen vroegtijdig kunnen worden gesignaleerd en maatregelen kunnen worden getroffen. In het gewasbeschermingplan geeft u aan op welke wijze u hieraan invulling geeft. Het gaat daarbij vooral om het aangeven van de methoden en middelen die bij de gewasinspec-tie zullen worden gehanteerd, zoals vangplaten, weerpalen en schadedrempels. Cel: C13 Door het controleren van de gewassen kunnen ziekten en plagen op tijd worden gesignaleerd. Loop regelmatig (dat is bijv. 3 keer per week) door uw gewas en let op afwijkende bladstand, planten die slap hangen, afwijkende kleur van het blad t.o.v. van de rest van het perceel. Samen met de teeltadviseur kunt u dan een plan van aanpak opstellen om verdere problemen te voorkomen. Cel: B14 Opmerking: Noodzaak bestrijding 7b - B.O.S.: B.O.S. = Beslissings Ondersteunende Systemen. Informatie ontvangen van bijvoorbeeld de Phytofax en/of alle andere weerpaalsystemen, vangbakken van luizen, Groene Vlieg (wortel- en uienvlieg), Phytophthora melding via telefoon etc. Cel: C14 Informatie over verschillende ziekten is beschikbaar gemaakt via adviessystemen. Deze systemen hebben de informatie die er is omtrent verschillende ziekten vertaald in een gebruiksvriendelijk programma die de teler ten dienste kan zijn bij het moment van beslissen wanneer een bespuiting nodig is. Voor de aardappelteelt is dit bijv. de Phyto-Fax van Opticrop. Het systeem is beschikbaar op uw eigen computer waarmee u tevens uw registratie kan bij houden, het is beschikbaar via de fax en het is op internet beschikbaar via www.opticrop.nl - Prophy online. Wilt u berichten per fax ontvangen dan ontvangt u die op maandag woensdag en vrijdag. Via internet en via uw eigen pc kunt u natuurlijk op elk gewenst moment een advies opvragen. De adviezen houden rekening met de weersgegevens zoals die gemeten zijn bij het regionale weerstation en de weersverwachting die geldt voor uw regio. Cel: B16 Opmerking: Niet-chemische bestrijding 8 - Natuurlijke ziekten- en plaagbestrijders: Hier kunt u (net zoals bij punt 7 genoemd) aangeven dat u bijvoorbeeld gebruik maakt van de diensten van de Groene Vlieg (zetten natuurlijke vijanden of steriele soorten uit). In de sierteelt onder glas kan het inzetten van natuurlijke vijanden leiden tot meer gebruik van bestrijdingsmiddelen, vanwege hoge kwaliteitseisen die aan het product worden gesteld en een onzeker bestrijdingsresultaat van de ingezette natuurlijke vijanden. Cel: C16 Om gewasbeschermingsmiddelen zoveel mogelijk te beperken zijn natuurlijke vijanden een belangrijk hulpmiddel. Hoewel het uitzetten van dieren en/of eieren daarvan verboden is in de nieuwe Flora - en Faunawet is er een mogelijkheid ontheffing te krijgen voor dit doel bij het ministerie van landbouw. Het instandhouden van natuurlijke vijanden kan al door het gebruik van Pirimor en Plenum bij de luisbestrijding Cel: B17 Opmerking: Niet-chemische bestrijding 9 - Mechanische onkruidbestrijding: In de meeste land- en tuinbouwsectoren zijn mechanische of andere vormen van onkruidbestrijding, zoals thermische methoden of bodembedekking, een alternatief voor chemische gewasbescherming. Het is derhalve van belang dat de teler in zijn gewasbeschermingplan aangeeft op welke wijze hij me-chanische onkruidbestrijding zal toepassen. Cel: C17 Wanneer we kiezen voor mechanische onkruidbestrijding al of niet aangevuld met chemische onkruidbestrijding kan dit al met het aanfrezen starten. Door vlak voor de opkomst van de aardappelen te frezen worden al veel kiemende onkruiden bestreden. Na opkomst van de aardappelen kunt u allerlei apparatuur gebruiken die een dun laagje van de rug afsnijden waarmee opnieuw kleine onkruiden bestreden worden. Cel: B19 Opmerking: Chemische bestrijding 10 - Zaad-, Plant- of Pootgoedbehandeling: Voorzover het toepassen van chemische gewasbeschermingsmiddelen niet kan worden vermeden, besteedt de teler aandacht aan de keuze
daarvan in zijn gewasbeschermingplan. Daarbij geldt als uitgangspunt het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen met een zo gering mogelijke milieube-lasting. Middelen die werken op basis van een zaadbehandeling hebben vanuit preventief oogpunt de voorkeur boven middelen die uitgaan van gewasbehandeling. Hetzelfde geldt voor middelen die wor-den toegediend via plant- of pootgoedbehandeling of via stekbehandeling. Cel: C19 In de aardappelteelt is het verstandig uw pootgoed te controleren op o.a. Rhizoctonia solani (lakschurft). Deze zwarte lakachtige plekken op de aardappelknol groeien bij het uitlopen van de ogen, met de kiem mee. Deze schimmel kan zo ernstig op de kiem parasiteren dat de kiem geheel afsterft. We gaan dan stengels en daarmee knollen missen, wat zeker opbrengst kost. We kunnen dit sterk verminderen door de knollen te behandelen tegen deze schimmel. Dit kan met Moncereen, de vloeibare formulering heeft om arbeidstechnische redenen de voorkeur. Cel: B20 Opmerking: Chemische bestrijding 11 - Milieubelasting en selectiviteit Middelen: In het gewasbeschermingplan dient de teler aan te geven op welke wijze hij, indien hij noodzakelijker-wijs chemische gewasbeschermingsmiddelen moet inzetten, bij zijn keuze voor het betrokken middel rekening houdt met de milieueigenschappen en de selectiviteit van de beschikbare middelen, alsmede met de gevolgen daarvan voor de arbeidsbescherming. Zo worden chemische middelen met een bre-de werking pas ingezet zodra de middelen met een smallere werking niet toereikend zijn gebleken of om andere redenen niet kunnen worden ingezet. Een ander uitgangspunt is dat in het laatste geval wordt gekozen voor het meest gunstige middel voor zowel arbeidsomstandigheden als milieu. Cel: C20 Elk middel heeft zijn eigen eigenschappen ten aanzien van de belasting voor het milieu. Het Centrum voor Landbouw en Milieu kortweg CLM heeft hierin veel werk verricht. De milieubelastingspunten die zijn opgesteld voor elk middel geven een indruk van wat een middel voor effect heeft op het waterleven, het bodemleven en het grondwater.wanneer we geen sloten in de omgeving van het perceel hebben is de kolom waterleven niet belangrijk. Hebben we niet te maken met een grondwaterbeschermingsgebied dan is de kolom grondwater ook niet belangrijk genoeg om daar rekening mee te houden. Een vergelijk van middelen kunt u maken op http://library.wur.nl/milieumeetlat/ maar u kunt ook uw Profyto teeltadviseur vragen een compleet plan voor u af te drukken. Op dit plan staan niet alleen de kg's aktieve stof maar ook de milieubelastingspunten van elk gekozen middel. Cel: B21 Opmerking: Chemische bestrijding 12 - Pleksgewijze toediening: De teler geeft in gewasbeschermingplan aan op welke wijze hij invulling zal geven aan zaken als pleksgewijze toediening van chemische gewasbeschermingsmiddelen. Cel: C21 Als onkruiden alleen pleksgewijs voorkomen is het niet nodig om een geheel perceel te spuiten tegen dat onkruid. Dit is om economische redenen niet zinvol maar ook niet ten aanzien van het milieu. Aardappelopslag kunt u eenvoudig bestrijden met de Selector. Wortelonkruiden zijn veelal beter te bestrijden door pleksgewijs die plekken aan te pakken. Cel: B22 Opmerking: Chemische bestrijding 13 - LDS toepassing: De teler geeft in gewasbeschermingplan aan op welke wijze hij invulling zal geven aan zaken als het toedienen van lage-doseringssystemen bij het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen. Cel: C22 Onkruidbestrijding kan in heel veel gevallen met een lagere dosering dan die door de fabrikant wordt vermeld op het etiket. Veel kennis hierover is aanwezig bij uw DSD-Profyto teeltadviseur. We maken niet alleen minder kosten maar ook kan het gewas beter lagere doseringen verdragen als hoge dosering. Lage doseringen leidt ook tot minder milieubelasting door chemische middelen. Een gevolg van het toepassen van lage doseringen is wel dat we vaker een bespuiting moeten uitvoeren om een voldoende resultaat te behalen.