Eigen vaardigheid Taal Door middel van het beantwoorden van de vragen in dit blok heeft u inzicht gekregen in uw kennis en vaardigheden van de grammatica en spelling van de Nederlandse taal. In het overzicht kunt u zien welke onderdelen nog eens uw aandacht verdienen. Hierna vindt u van elk onderdeel een korte beschrijving. Het voert te ver om op deze plaats alle begrippen en regels uit te leggen. Hiervoor verwijzen we naar diverse handboeken die hierover geschreven zijn (zie voor een selectie na de beschrijving) en de algemene handleidingen van de taal- en spellingmethode die u gebruikt. Grammatica Grammatica is belangrijk om inzicht te krijgen in de structuur van de Nederlandse taal. Het is een voorwaarde om zonder fouten woorden te kunnen spellen en zinnen te formuleren. Kennis van grammaticale basisbegrippen is daarom zinvol. Hieronder volgt een overzicht van de basisbegrippen waarover u bevraagd bent. Persoonsvorm: De persoonsvorm in een zin is altijd een werkwoord. De persoonsvorm laat zien in welke tijd (tegenwoordige of verleden tijd) de zin staat. Onderwerp: Het zinsdeel dat aangeeft wie of wat iets doet of zegt. Het onderwerp is altijd afgestemd op de persoonsvorm. Werkwoordelijk gezegde: Alle werkwoorden in een zin vormen samen het werkwoordelijk gezegde (bijvoorbeeld: We zullen gaan fietsen vandaag). De persoonsvorm komt altijd voor in het werkwoordelijk gezegde. Naamwoordelijk gezegde: Als een (korte) zin zonder een extra woord niet goed te begrijpen is en belangrijke informatie ontbreekt wordt dan bevat de zin een naamwoordelijk gezegde. Dit is het geval bij de koppelwerkwoorden: onder andere zijn, worden, blijven, blijken en lijken en bij het gebruik van een zelfstandig of bijvoeglijk naamwoord (bijvoorbeeld: De roos is wit). Lijdend voorwerp: Het zinsdeel dat de handeling ondergaat (bijvoorbeeld: Bert repareert de fiets). Meewerkend voorwerp: Het zinsdeel dat aan de persoonsvorm aangeeft dat het onderwerp iets overdraagt aan iets of iemand. Het meewerkend voorwerp kan vaak herkend worden doordat het met aan of voor begint of dat je het ervoor kan denken (bijvoorbeeld: Ik geef (aan) vader het cadeau. Eigen vaardigheid Taal 1
Bijwoordelijke bepaling: Een bijwoordelijke bepaling geeft in een zin informatie over tijd, plaats of reden. Zelfstandig naamwoord: Woorden die mensen, dieren of dingen benoemen. Meestal staat er een lidwoord voor. Bijvoeglijk naamwoord: Dit woord geeft informatie over een zelfstandig naamwoord (bijvoorbeeld: de houten lepel). Persoonlijk voornaamwoord: Een persoonlijk voornaamwoord verwijst naar een persoon of personen en komt zelfstandig voor (bijvoorbeeld: ik, me, mij, jij, je, u, hij, hem, we, ons, jullie, zij, ze, hen, hun, etc.) Bezittelijk voornaamwoord: Dit woord geeft een bezit aan. Ze staan bijna altijd voor een zelfstandig naamwoord (bijvoorbeeld: mijn, jouw, zijn, haar, onze, jullie, etc.). Aanwijzend voornaamwoord: Dit woord wijst personen en zaken aan, als die, deze, dat, dit, dezelfde, dergelijke, etc. Hoofdzin: Een samengestelde zin bestaat uit een hoofdzin en één of meerdere bijzinnen. In een hoofdzin staan onderwerp en persoonsvorm direct achter elkaar. Bijzin: Een bijzin wordt van de hoofdzin onderscheiden door een komma of een voegwoord. Er zijn verschillende soorten bijzinnen. Een bijwoordelijke bijzin geeft informatie over tijd, plaats of reden (bijvoorbeeld: Hoe hard we ook reden, we misten de bus.). Een bijvoeglijke bijzin geeft informatie over het woord dat ervoor staat (bijvoorbeeld: het meisje dat daar fietst, zit bij mij in de groep.). Bedrijvende zin: Een bedrijvende zin heeft de kenmerken dat het werkwoord zijn of worden niet in de zin voorkomt en dat de zin een lijdend voorwerp heeft (bijvoorbeeld: Ik zet de bloemen in het water). Lijdende zin: Een lijdende zin heeft de kenmerken dat de werkwoorden zijn of worden gebruikt worden, de zin geen lijdend voorwerp heeft en de lijdende zin heeft een bepaling met door (bijvoorbeeld: De bloemen zijn door mij in het water gezet). Formuleren: vragen rondom woordovertolligheid Bij het formuleren van een goede Nederlandse zin bestaat er een kans dat woorden of uitdrukkingen door elkaar gehaald worden of dat er teveel woorden worden gebruikt. Voorbeelden daarvan zijn: Eigen vaardigheid Taal 2
Contaminatie: het door elkaar halen van woorden of uitdrukkingen (bijvoorbeeld nachecken (nagaan en checken) of dat kost duur (dat is duur en dat kost veel)). Tautologie: twee woorden in één zin die hetzelfde betekenen, maar waarvan er één overbodig is (bijvoorbeeld paal en perk stellen). Pleonasme: herhaling van een eigenschap die het woord waar het opslaat al in zich heeft (bijvoorbeeld een witte schimmel). Formuleren: vragen rondom woordfouten Wanneer woorden fout gebruikt worden in een zin, kunnen er in het Nederlands al snel betekenisverschillen optreden. Het gaat om woorden als functiewoorden, zelfstandig gebruikte woorden en werkwoorden. Hieronder wordt een aantal voorbeelden gegeven die ook in de vragen terugkwamen: gebruik van verbindings- of vergelijkingswoorden als omdat en want voor het verbinden van zinnen met een oorzaak en een gevolg, en hoewel voor het verbinden van zinnen waarin dat wat in de bijzin wordt gezegd niets afdoet aan de mededeling in de hoofdzin; gebruik van woorden als als (overeenkomst) en dan (verschil); omgaan met zelfstandig gebruikte woorden als beide/beiden, vele/velen, sommige/sommigen, etc. Bij personen zet je een -n achter een zelfstandig gebruikt woord, maar bij dingen en dieren niet. gebruik maken van het geslacht van het woord om verwijswoorden juist te verbuigen (bijvoorbeeld een aardige jongen/ een aardig meisje); gebruik maken van de juiste voornaamwoorden, zoals hen, hun en zij ; het wel of niet aaneenschrijven van woorden waardoor betekenisverschil ontstaat (bijvoorbeeld tenslotte (eigenlijk) of ten slotte (aan het einde). Formuleren: incongruentie In een goede Nederlandse zin zijn onderwerp en persoonsvorm altijd in evenwicht als het gaat om enkel- en meervoud. Ze zijn congruent. Als het onderwerp en de persoonsvorm niet in evenwicht zijn in getal dan is er spraken van incongruentie. Voorbeelden zijn: De leerlingen die elke dag oefenen, kunnen een goed cijfer halen voor hun rekentoets. Een aantal leerlingen haalt een nieuw schrift bij de leerkracht. Eigen vaardigheid Taal 3
Formuleren: ontspoorde zinnen Meestal begint een Nederlandse zin met een onderwerp, dan een persoonsvorm en dan volgt de rest van de zin. Als de volgorde veranderd wordt, verandert vaak ook de betekenis. Hier kunnen fouten bij gemaakt worden, zeker als zinnen bij elkaar gevoegd moeten worden. Datzelfde gebeurt ook als je woorden uit zinnen weglaat. Het gebruik van voegwoorden kan daarbij helpen, zoals als, en, maar, doch, als, dat, etc. Soms worden woorden bewust weggelaten om onnodige herhalingen te voorkomen. Als er teveel woorden worden weggelaten, heeft dat invloed op de betekenis. De Nederlandse taal kent leenwoorden uit onder andere omringende Europese landen, zoals Engeland en Frankrijk. Wanneer deze woorden niet correct volgens de regels van de Nederlandse taal worden overgenomen in een zin wordt dit ook wel barbarisme genoemd. Woorden worden dan letterlijk vertaald, waardoor ze niet goed passen in de zin. Een voorbeeld hiervan is: Dit bedrijf wordt met de modernste middelen computerbeveiligd. Dit kan zijn: dit bedrijf wordt met de modernste middelen beveiligd. Spelling en interpunctie De Nederlandse spelling omvat de spelling van onveranderlijke woorden en werkwoorden. De vragen die u gemaakt heeft, hebben betrekking op een selectie van de spellingregels in Nederland. Hieronder volgt een korte beschrijving van de spellingproblemen die in de vragen aan de orde zijn geweest: Bij de werkwoorden is gekeken naar de vaardigheid van het spellen van zwakke en sterke werkwoorden in de tegenwoordige en verleden tijd, het voltooid deelwoord (bijvoorbeeld: gegeten, beginnen, verliezen), bijgevoeglijk gebruikte werkwoorden (bijvoorbeeld: de geplukte rozen) en Engelse werkwoorden (bijvoorbeeld: faxen, scannen (stam + t)). Bij de onveranderlijke woorden zijn vragen gesteld over het spellen van woorden in het meervoud (-en, s, -a, etc.), verkleinwoorden en het gebruik van hoofdletters in woorden, zinnen en bij initialen. Verder is er aandacht geweest voor het gebruik van het koppelteken tussen twee woorden om de structuur van het woord te verduidelijken en onder andere het wel of niet aaneenschrijven van (aardrijkskundige) woorden. Interpunctie is als onderdeel meegenomen, omdat het goed kunnen gebruiken van leestekens belangrijk is voor het schrijven van begrijpelijke teksten. Het gaat om leestekens als de komma en de dubbele punt. Eigen vaardigheid Taal 4
Om uw kennis op het gebied van de Nederlandse taal verder te verdiepen kunt u gebruik maken van de volgende bronnen: Boeken Bout, M., & Bruijn, H., de. (2010). Basisvaardigheden Grammatica. Groningen/Houten: Noordhoff Uitgevers bv. Bout, M., & Bruijn, H., de. (2010). Basisvaardigheden Spelling en interpunctie. Groningen/Houten: Noordhoff Uitgevers bv. Brouwer, F.C.A. (2009). Basisvaardigheden Formuleren. Groningen/Houten: Noordhoff Uitgevers bv. Kien, M.N. (2008). Grammaticawijzer. Amersfoort: ThiemeMeulenhoff bv. Koenen, L., & Smits, R. (2003). Handboek Nederlands. Utrecht: Uitgeverij Bijleveld. Renkema, J. (2005). Schrijfwijzer. 4 e druk. Den Haag: SDU Uitgevers. Renkema, J. (2010). Schrijfwijzer Compact. Den Haag: SDU Uitgevers. Stratum, S., van. (2006). Spellingkracht. Amersfoort: ThiemeMeulenhoff bv. Toetsen Cito Eindtoets Basisonderwijs om jaarlijks (eventueel met het team) te oefenen Websites www.beterspellen.nl Spelling: www.thiememeulenhoff.nl Grammatica, Spelling en Formuleren: http://pabowijzer.noordhoff.nl Eigen vaardigheid Taal 5