2 Motorische ontwikkeling



Vergelijkbare documenten
graait naar een speeltje dat in het gezichtsveld wordt gehouden pakt speeltjes aan met beide handen en kijkt ernaar

Voorbereidende schrijfoefeningen gaan onvoldoende Slordig of slecht leesbaar handschrift

Naar het eerste leerjaar

SCHRIJVEN. Doel workshop. Definitie van schrijven. Soorten schrijfproblemen. Handvatten om het schrijven te verbeteren

De motorische ontwikkeling van het jonge kind

Op stap naar het 1 e leerjaar Wat is schoolrijpheid? Ook de ouders doen er toe!

Wat is een normale ontwikkeling?

Kinderfysiotherapie Nazorgpoli prematuren

Schrijven. cognitief. neurologisch. Onderwijskundig

Leer- en ontwikkelingslijnen 0-7 jaar (ZONDER extra doelen) - versie januari Naam leerling. Motoriek Grote motoriek

Op stap naar het 1 e leerjaar

Hieronder volgt een beknopte uitleg van de begrippen die u in het rapport zult tegenkomen.

Normale ontwikkeling van de mondfuncties

Signalering motorische problemen bij schoolgaande kinderen met een mogelijke indicatie voor kinderfysiotherapie

Twintig keer fijne motoriek in de gymzaal

6 een mogelijke opbouw van oefeningen

Leeswijzer individueel rapport KIJK! 0-4 jaar voor ouders

Bijlage 4: Leidraad taxatie ontwikkelingsproblemen kleuters: Motorische ontwikkeling

juf Ellen, die afgelopen week geweldige Pietengym-lessen heeft verzorgd.

Graag willen wij met dit schrijven onze visie over de kleuterafdeling kenbaar maken.

Schrift 3290 SCHRIFT 1

Peuters - 1K 2K 3K. Basismateriaal. Aanbod peuters 1K indien nodig

KIJK! Lijst van: Schooljaar: Groep: Leraar: Datum gesprek 1e rapport: Datum gesprek 2e rapport: KIJK! 1-2 Bazalt Educatieve Uitgaven

Klap, stamp en sla. Opmerking. Tijd: 1-5 min. Deelnemers: minimaal 2 Materiaal: niets Opstelling: kinderen vormen tweetallen. Verloop van het spel:

Leer- en ontwikkelingslijnen 2-7 jaar (ZONDER extra doelen) - versie januari Naam leerling. Motoriek Grote motoriek

Acties / Werkwoorden

Overgang kleuters eerste leerjaar. Overgangsdagen

Signaleringslijst Voor kinderen en jongeren met hersenletsel 1-6 jaar juni 2013

Hoogbegaafde kinderen met een motorische ontwikkelingsachterstand

Ik heb het moeilijk met / last van

17 oktober 2015: Beweegdiploma voor trainers van andere bonden. Verkorte opleiding Beweegdiploma nu ook voor trainers van niet gymnastiek clubs!

Informatieavond schooljaar Cluster 1/2

INHOUD BORSTVOEDING: PROBLEMEN 1. PROBLEEMSTELLING INLEIDING 25/11/13 BIJ HET AANHAPPEN, GEVOLGEN EN BEHANDELING. Inleiding

Jouw kind heeft cerebrale parese: wat staat jullie te wachten?

Sabine Wisman. Uitgeverij Ploegsma Amsterdam

Cadeautjes inpakken en uitpakken

ZIE MIJ LEREN. Groep 1. Spelend leren met Onderbouwd. Naam:

Ontwikkelingslijnen 0-4 jaar (MET extra doelen) - versie januari Naam kind. Motoriek Grote motoriek

Babymassage. Infobrochure SAP 4275

Je kind begeleiden op weg naar schoolrijpheid

Bruininks-Oseretsky Test of Motor Proficiency, second edition. Kathy Blanchaert COS Gent Potloot Gentbrugge- Lochristi Dinamo Lochristi BOT-2

Het volgen en ontwikkelen van de kleine motoriek. Wat heb je met de kleine motoriek? MOTORISCHE ONTWIKKELING. Breda 2 februari 2016

Gebroken sleutelbeen bij een zuigeling Clavicula fractuur. Vrouw Moeder - Kind centrum (VMK)

De knapzak voor de kleuterschool/1 ste graad

Leerlijnen peuters en jonge kind (MET extra doelen) - versie mei Naam leerling. Motoriek Grote motoriek. Grote motoriek-stap 1

Hoe help ik mijn kind thuis?

Rode Kruis ziekenhuis. Patiënteninformatie. Sleutelbeenbreuk bij baby s (Claviculafractuur) rkz.nl kinderwebsite.rkz.nl

Evenwichtsoefeningen Radboud universitair medisch centrum

In 1961 hadden de meeste gezinnen nog geen t.v. in huis!! Het laat zich raden hoe de probleemstellingen tegenwoordig zijn.

General information of the questionnaire

Ster STER. Laat de kinderen met een knikker in een doorschijnend dopje rollen over het patroon.

Kijk eens wat ik al kan!

Taalontwikkeling: vloeiend en verstaanbaar vertellen en gesprekjes voeren

LETSEL AAN SCHOUDER EN/OF ARM BIJ KINDEREN, ONTSTAAN TIJDENS DE BEVALLING

Mats* (6 jaar) is nog niet schoolrijp

Oefeningen voor patiënten met reumatoïde artritis

werkblad Basisopstelling 2 Vak 1 Glijden en klimmen Vak 2 Rollen op verhoogd vlak 1 Vak 3 Doeljagerbal Materiaal

Spelen en bewegen met uw baby

Schoolbekwaamheid. de stap naar het eerste leerjaar

Oefeningen ter Verbetering van je Lichaamshouding

Vzw Homerun Stukkenstraat Heusden-Zolder Coördinator Johnny Clerckx

Soms ziet hij maar een deel van wat er te zien is; zo worden delen van het werkvlak of het werkblad niet gebruikt.

Bal in de hoepel gooien

EHBM. Eerste hulp bij moeilijkheden DCD

Leren en Gedrag. de invloed van ReflexRestanten

Oefenschema voor sclerodermie patiënten. Huiswerkoefenprogramma voor de hand en mond voor patiënten met sclerodermie

Een gebroken sleutelbeen of bovenarm bij uw baby

Obstetrisch plexus. eerste periode

Centrum MRT ABC Grote Haag HH Amersfoort mail. MOTORISCHE REMEDIAL TEACHING

Informatieavond schooljaar Cluster 1/2

Fysiotherapie bij te vroeg geboren baby's. Afdeling Fysiotherapie Route 59

Welkom bij de groeiende groep mensen die met veel enthousiasme hun baby dragen in de tricot-slen.

DCDDaily-Q. Vragenlijst voor ADL bij 5 t/m 8 jarige kinderen

Didactische opleiding Leerlijn Zwemmen. 10 en 20 november, 1 december 2014

Carnavalsschilderij: Doel: Het stimuleren van de fijne motoriek en de hand oog coördinatie. Materiaal: Schilderspapier Verf Kwasten Plakband Schorten

Leren schrijven 4/5 JAAR. Van puntjes tot lijn. Lijnen en versiering. Van lijn tot letter. Om thuis te doen

Leren drinken. Moeder en Kind Centrum. Beter voor elkaar

Cursus Rust. Het Slotervaart, een ziekenhuis met ambitie KINDERGENEESKUNDE TELEFOONNUMMER

rapportage Portfolio Naast het rapport gebruiken de kinderen ook een portfolio, die ze eens per jaar in een gesprek presenteren aan hun ouders.

Direct aan de slag met Baby- en kindergebaren

Adewiedewanseltje. Muzido ANNIE LANGELAAR FONDS

Oefeningen voor de instabiele pols

Doelenplan Yasmine Desmet schooljaar

D O EN P R A T EN B E W EGEN

DCDDaily Q. Vragenlijst voor ADL bij 5 8 jarige kinderen

Onderdeel 5: 10 cm of minder 3 punten; 11 t/m 20 cm = 2 punten; 21 cm of meer = 1 punt.

groepsmrt Individuele MRT Groepsles Individueel handelingsplan in combinatie met groepslessen

groep 1 en 2 informatieboekje

Een kind met een Erbse parese

Eerstelijns ergotherapie voor schoolgaande kinderen

ergotherapie informatiebrochure Schouderoefeningen

EVENWICHTSSTOORNISSEN OVERWINNEN

CLB GO! Rivierenland Else Verbeeck /Leen Smet

Leer- en ontwikkelingslijnen 0-7 jaar (MET extra doelen) - versie januari Naam leerling. Motoriek Grote motoriek

Schoolbekwaamheid. De stap naar het eerste leerjaar

Bewegen: de toekomst! Leuk, gezond en noodzakelijk.

Beelddenken in Beweging

wat komt er kijken bij een warming up?

Transcriptie:

2 Motorische ontwikkeling 2.1 Babyreflexen 2.2 Controle over de bewegingen 2.3 Motoriek stimuleren in de kleuterklas De motoriek is een belangrijk gegeven in de ontwikkeling van een kind. Bij een jonge baby is de motoriek sterk onderontwikkeld, ze is primitief. Men ziet aanvankelijk bewegingen met schokjes die zeer reflexmatig van aard zijn en die later meer onder controle komen. Zeer snel ontwikkelt het kind een aantal motorische vaardigheden. Zo zal de baby op 6 weken reeds met de armpjes kunnen zwaaien. Op 4 maanden zal de baby de armen gericht naar een voorwerp of een persoon kunnen uitsteken. Op 9 maanden kan een kind meestal zitten en op gemiddeld 13 maanden kan het reeds lopen. Deze veranderingen zijn met andere woorden op zijn minst spectaculair te noemen (Siegler, Deloach & Eisenberg, 2003). Zonder in te gaan op details, geven we hierna een beschrijving van de voornaamste ontwikkelingskenmerken op het motorische vlak. Er zijn in feite drie hoofdfasen in de motorische ontwikkeling te onderscheiden, die zich vooral tussen 0 en 3 jaar voordoen. In een eerste fase verwerft het kind controle over de houding (bv. zich van op de buik oprichten, zitten). Vervolgens leert het kind zich voortbewegen (kruipen, lopen) en ten slotte leert het kind voorwerpen manipuleren of hanteren (grijpen, betasten) (Bilo, Voorhoeve & Koot, 2003). Belangrijke ontwikkelingsfactoren hierin zijn de groei van de spieren en de rijping van het brein. Bij pasgeborenen is de motoriek die men waarneemt over het algemeen beperkt tot een aantal reflexen. 2.1 Babyreflexen De ontwikkeling van de motoriek begint bij de reflexen. Reflexen zijn de laagste vorm van bewegingen die bij levende wezens kunnen worden gezien. Bij pasgeboren baby s is deze vorm van motoriek aangeboren. Men noemt deze reflexen babyreflexen of primitieve Motorische ontwikkeling 39

De groei van de cortex zou de reflexen onderdrukken Niet alle reflexen verdwijnen, van sommige is de functie onduidelijk reactiepatronen. De babyreflexen worden gestuurd vanuit de hersenstam, een diep gelegen gebied in de hersenen. Hierdoor zijn vrijwillige bewegingen voor het kind op die leeftijd vrijwel onmogelijk. Maar door de groei van de hoger gelegen hersengebieden (de hersenschors of cortex) zullen de reflexen meer en meer kunnen worden onderdrukt en komt er plaats voor meer gewilde bewegingen (McGraw, 1945). Op deze visie is vanuit verschillende hoeken kritiek geformuleerd (o.a. Thelen & Smith, 1994), maar een verdere discussie hierover valt buiten de bedoelingen van dit boek. Primitieve reflexen of babyreflexen zijn reflexen die van bij de geboorte van de baby aanwezig zijn of zich kort daarna ontwikkelen en na een bepaalde tijd al dan niet verdwijnen (Bilo, Voorhoeve & Koot, 2003; Netelenbos, 1998, 2005). Voorbeelden van reflexen die verdwijnen, zijn de grijpreflex (dit is de reflex waarbij de baby het handje sluit wanneer iets zijn handpalm raakt), de asymmetrische tonische nekreflex (ATNR) (dit is de reflex waarbij de ledematen aan de kijkzijde zich strekken en aan de andere zijde zich buigen). Nog andere voorbeelden van typische babyreflexen die na verloop van tijd verdwijnen, zijn de zoekreflex, de mororeflex en de babinskyreflex (zie Tabel 3). Voorbeelden van primitieve reflexen die niet verdwijnen of veranderen, zijn de schrikreflex, de zuigreflex en de zwemreflex (zie Tabel 3). Sommige reflexen zijn op de bescherming of overleving van de baby gericht, zoals de slikreflex of de knipperreflex (Billye, Cheatum & Hammond, 2000). Bij andere reflexen is de functie onduidelijk zoals bij de babinskyreflex. ATNR GRIJPREFLEX STAPREFLEX MOROREFLEX Figuur 14: voorstelling van een aantal reflexen in de babytijd 40 Fysieke aspecten

Tabel 3 een aantal voorbeelden van babyreflexen met leeftijd van verdwijnen en hun mogelijke functie (gebaseerd op Feldman, 2005) Benaming Leeftijd van verdwijnen Beschrijving Mogelijke functie Zoekreflex 3 weken De neiging om het hoofdje in de richting te draaien van dingen die de wang raken. Stapreflex 2 maanden Wanneer de baby rechtop wordt gehouden met de voetjes op een ondergrond onstaan stapbewegingen Zwemreflex 4-6 maanden Wanneer de baby met het gezicht naar beneden in het water wordt gehouden vertoont de baby peddelbewegingen met de armen en trappelbewegingen met de benen. Moro-reflex 6 maanden Ontstaat wanneer de ondersteuning voor de nek en het hoofd plots verdwijnt. De armen worden wijd uitgestrekt en daarna terug gesloten. Babinsky-reflex 8-12 maanden De grote teen richt zich op wanneer over de buitenrand van de voetzool wordt gestreken. Inname van voedsel De voorbereiding op onafhankelijk voortbewegen /geboorte vergemakkelijken Verdrinking vermijden Bescherming tegen vallen Onbekend Schrikreflex Blijft in een andere vorm Openen van de armpjes en de vingers bij plots geluid. Bescherming Knipperreflex Blijft Snel sluiten en openen van de ogen bij blootstelling aan direct licht. Zuigreflex Blijft Wanneer iets de lippen van een baby raakt onstaat de neiging om zuigbewegingen te maken. ATNR 6-7 maanden Aan de kijkzijde strekken de ledematen en aan de andere kant buigen de ledematen. Bescherming van de ogen Inname van voedsel Geboorte vergemakkelijken Motorische ontwikkeling 41

2.2 Controle over de bewegingen De rijping van het brein is van belang Een belangrijk aspect binnen de ontwikkeling van de motoriek is de rijping van de hersenen. Zo zal een kind van 2 jaar dat een bal wordt toegegooid, die niet kunnen vangen, zelfs niet na een stevige dosis oefening. Het zenuwstelsel van het kind is op die leeftijd immers nog niet klaar voor dit soort oefeningen, er is geen bekwaamheid tot controle. Ook een baby van 5 maanden met regelmaat op de beentjes zetten om het lopen te stimuleren, heeft weinig zin, omdat het kind op dat moment niet in staat is om op basis van tal van prikkels en combinaties van prikkels zijn eigen bewegingen aan te passen. Bovendien zijn de spieren nog niet sterk genoeg. In de beschrijving van de ontwikkeling van de motoriek van het kind maakt men doorgaans een onderscheid tussen fijne en grove motoriek. Ze worden hierna besproken. 2.2.1 Grove motoriek Grove motoriek: grove bewegingen De grove motoriek is een leervoorwaarde voor de fijne motoriek De bewegingen die slaan op de grove en grote lichaamsbewegingen, behoren tot de grove motoriek (Netelenbos, 1998, 2005). Het gaat met andere woorden over het krijgen van controle over de spieren dicht tegen het lichaam. Voorbeelden zijn het evenwicht houden, lopen, fietsen en springen enz. De grove motoriek is noodzakelijk om tot goede en vloeiende bewegingen te kunnen komen en moet worden verworven vooraleer de fijnere bewegingen zoals knippen of snijden zich kunnen ontwikkelen. Men zou dus kunnen stellen dat de grove motoriek een leervoorwaarde is voor de fijnere motoriek. De basis van de ontwikkeling van de grove motoriek vinden we in de babytijd, de verdere uitwerking loopt tot ver in de lagere school. Een beknopt overzicht wordt hieronder gegeven (Bilo, Voorhoeve & Koot, 2003). 0-3 maanden. Men ziet bij een baby van ongeveer 6 weken voor het eerst spontane bewegingen en dit in de vorm van zwaaien met de 42 Fysieke aspecten

armpjes en schoppen of trappen met de benen. Voordien overheersten de reflexen in zeer sterke mate de bewegingen van het kind. 3-4 maanden. Rond 3 à 4 maanden worden de bewegingen van de baby meer vrijwillig. Zo zal het kind de handjes naar elkaar toe kunnen bewegen (voor zich uit), in de handjes klappen en zal het kind de armpjes in de richting van een voorwerp kunnen bewegen. 6,5-13 maanden. Rond 6,5 maanden kunnen een aantal kinderen zitten zonder steun. Staan met steun kan men verwachten rond ongeveer 8 maanden. Kruipen doet een kind gemiddeld rond de leeftijd van 9,5 maanden. Stappen met hulp op 10 maanden en alleen staan op de leeftijd van 1 jaar (zie Figuur 15). Het moment waarop kinderen voor het eerst zelfstandig kunnen lopen, is ongeveer 13 maanden. Individuele verschillen zijn groot De individuele verschillen in de ontwikkeling van de grove motoriek zijn bijzonder groot. Soms is een kind dat een specifieke vaardigheid verwerft, dubbel zo oud als een ander kind met beiden een normale ontwikkeling. Zo zal het ene kind bijvoorbeeld kunnen stappen zonder hulp rond de leeftijd van 8 maanden, terwijl het andere kind dit maar doet rond de leeftijd van 16 maanden. In Figuur 15 wordt een overzicht gegeven van de tijdstippen waarbinnen een aantal markante grove motorische vaardigheden vallen. Alleen stappen Ontwikkelingsgebied Alleen staan Stappen met hulp Kruipen Staan met steun Zitten zonder steun 3 4 5 6 7 8 9 1011121314151617181920 Leeftijd in maanden Figuur 15: marges waarbinnen de ontwikkeling van een aantal normale motorische vaardigheden vallen Bron: WHO 4 jaar. Bij kleuters is de grove motoriek doorgaans goed ontwikkeld. Er is een betere spierbeheersing en het uithoudingsvermogen is groter geworden. Motorische ontwikkeling 43

Vanaf de lagere school is ervaring doorslaggevend De verdere ontwikkeling van de grove motoriek hangt na de kleutertijd meer af van de ervaring van het kind dan van de rijping van de hersenen. In het algemeen kan men de onderstaande grove motorische vaardigheden verwachten (Hooijmaaijers, Stokhof & Verhulst, 2009). 6 jaar. Het kind kan het evenwicht bewaren, kan 10 seconden op één been staan en kan 5 keer hinkelen op het been. Men kan eveneens verwachten dat het kind een stuiterende bal evenals een kleine bal kan vangen. 7 jaar. Het kind kan over een balk lopen, touwtje springen en een bal laten stuiteren en opvangen. 8-9 jaar. Men kan een toegenomen uithoudingsvermogen waarnemen met snel recupereren na intensieve inspanningen en een duidelijke toename in spierkracht. Eveneens kan het kind zowel een grote als een kleine bal goed vangen met en zonder stuiteren. Ten slotte is er een beheersing van zwaaien, springen, rollen, duikelen, balanceren, klimmen en sprinten. 2.2.2 Fijne motoriek Fijne motoriek: fijne bewegingen De fijne motoriek is een leervoorwaarde voor schrijven De fijne motoriek heeft vooral betrekking op de bewegingen van de pols, de handen en de vingers. Fijne motorische vaardigheden zijn noodzakelijk om bijvoorbeeld te kunnen knippen, in boekjes te plakken, blaadjes om te slaan, te leren schrijven of om goed te kunnen tekenen. Een tekening van een kind geeft over het algemeen een goed beeld over de ontwikkelingstoestand van de fijne motoriek (bv. hoe accuraat zijn figuurtjes op een blad ingekleurd? Met grove strepen en lijnen of met korte en meer precieze bewegingen?). In Figuur 16 kan men twee tekeningen zien van eenzelfde kind, de linkse tekening werd gemaakt op 3½-jarige leeftijd, de rechtse tekening op 4½-jarige leeftijd. Figuur 16: de ontwikkeling van de fijne motoriek van een kind met een normale ontwikkeling is vaak te zien in het tekengedrag Net zoals de grove motoriek vindt de fijne motoriek haar wortels in de babytijd, maar de ontwikkeling is nu trager en duurt langer. Verfijning duurt tot 44 Fysieke aspecten

in de adolescentie (bv. het bespelen van een snaarinstrument). Een beknopt overzicht van wat men kan verwachten, wordt hieronder weergegeven. 0-2 jaar. Vanaf 2 maanden heeft de baby interesse voor voorwerpen die hij ziet en rond 3 à 5 maanden leidt het zien van deze voorwerpen vaak tot zwaaien met de armpjes of schoppen met de benen (Bilo, Voorhoeve, & Koot, 2003). Rond 4 maanden zijn er doorgaans de eerste pogingen tot grijpen (niet de grijpreflex), al is de nauwkeurigheid van het bewegen nog zeer slecht. Op 8 à 9 maanden kan het kind meestal een voorwerp goed oppakken met de hand, al is de coördinatie voor loslaten nog niet goed. Op 9 maanden kan het kind een voorwerp in een doos steken. Op 12 maanden is loslaten geen probleem meer en tussen 16 en 18 maanden is het kind zelfs in staat om een toren te bouwen en blaadjes van een boekje om te slaan (Bilo, Voorhoeve & Koot, 2003). 2 jaar. Rond 2 jaar kan het kind een lepel hanteren en een beker vasthouden met twee handen en die naar de mond brengen zonder morsen. Het kind kan eveneens een pen vasthouden en er een verticaal lijntje mee tekenen. Ook het bouwen van torens met meer dan 3 blokken is geen probleem meer. 2½-3 jaar. Rond deze leeftijd kan een kind met een normale ontwikkeling kralen rijgen en knippen met een schaar in een stukje papier. Het kind kan nu ook horizontale lijntjes tekenen op papier en een bal gooien maar nog niet vangen. 3-3½ jaar. De meeste kinderen rond deze leeftijd zijn in staat om eenvoudige puzzels te maken en zelf een aantal kledingstukken aan of uit te doen. Schoenen aandoen lukt eveneens maar weten waar welke schoen moet, is nog moeilijk. Het kind kan nu drinken uit een beker met één hand. 3½-4 jaar. Knippen in papier is meer gericht (figuren knippen) en een vloeistof gieten van A naar B lukt zonder morsen. Een pen vasthouden met 3 vingers, lukt maar de schrijfbewegingen gebeuren nog vanuit de voorarm en vanuit de pols. 4-4½ jaar. Het kind kan gemakkelijk met de rits en de knopen van zijn jas overweg. Eveneens is het kind in staat om een kruis te tekenen op een blad papier, waarbij de ene lijn over de andere gaat. Een schaar gebruiken kan nu ook voor het knippen van rechte stukken. 4½-5 jaar. Een stukje papier in tweeën vouwen met passende hoeken lukt bij de meeste kinderen. Een sleutel in een slot steken lukt eveneens. 5 jaar. Het kind kan zich zelfstandig aan- en uitkleden en kan zijn schoenveters strikken (als het hem werd geleerd). Het kind kan figuren knippen zoals cirkels en driehoeken uit een blad papier en kan eenvoudige figuren natekenen. 5½-6 jaar. Het kind kan nu meer complexere figuurtjes uitknippen en een aantal letters en cijfers overschrijven. Vanaf de lagere school is ervaring doorslaggevend De verdere ontwikkeling van de fijne motoriek na 5 à 6 jaar, hangt meer af van de ervaring van het kind dan van de rijping van de hersenen. In Motorische ontwikkeling 45

het algemeen kan men de onderstaande fijne motorische vaardigheden verwachten (Hooijmaaijers, Stokhof & Verhulst, 2009). 6 jaar. Men kan verwachten dat het kind eenvoudige schrijfpatronen kan maken. De voorkeurshand moet duidelijk zijn (bij gooien, tekenen, haar kammen, enz.). 7 jaar. Het kind kan moeilijkere schrijfpatronen maken. Er is bovendien een aanzet tot aan elkaar schrijven. Men kan verwachten dat het kind een cirkel uit de losse hand kan knippen zonder een getekend voorbeeld voor zich te hebben. 8 jaar. De schrijf- en zithouding zijn goed. Het kind is in staat om schrijfpatronen, letters en cijfers met een regelmatige vorm te schrijven en dit in een regelmatig ritme. Het kind is eveneens in staat om verbindingen tussen letters te maken. 9 jaar. Het kind maakt hoofdletters met een regelmatige vorm en maakt goede verbindingen van hoofdletters met de overige letters. Men ziet dat het kind in staat is om geautomatiseerd te schrijven met een kleine regelafstand. 2.3 Motoriek stimuleren in de kleuterklas Motorische vaardigheden worden gestimuleerd door ervaring Wanneer het kind naar school gaat, worden zowel de grove motorische vaardigheden als de fijne motorische vaardigheden verder geoefend en uitgebreid. In eerste instantie is dit door spel en spontaan leren en in tweede instantie door expliciet onderricht. We geven een aantal voorbeelden van expliciet onderricht voor kleuters. 2.3.1 Grove motoriek Lopen. Binnen de sessies bewegingsopvoeding kunnen kleuters gestimuleerd worden om activiteiten te doen waarin ze snel of langzaam moeten lopen of waarin ze moeten lopen zolang de muziek speelt. Een bal controleren tijdens het lopen is een ander voorbeeld. Klimmen. Klimmen op banken, op turntoestellen, op trapjes enz. versterken de spieren van het kind en stimuleren de ontwikkeling van het evenwicht. Balspel. Activiteiten waarbij kleuters een bal kunnen weggooien, opvangen, wegrollen of wegschoppen, zijn duidelijk gericht op de ontwikkeling van de grove motoriek. Hoe groter de bal, hoe meer er wordt geëist van de grove motoriek. Hoe kleiner de bal hoe meer de fijne motorische vaardigheden van het kind worden aangesproken. Zwemmen. Ook bij zwemmen en watergewenning worden de grove spiergroepen aangesproken en ontwikkeld. Fietsen. Soms worden kleuters binnen een aantal sessies bewegingsopvoeding geleerd om te fietsen. Fietsen vraagt een goede beheersing van de grove motoriek en de controle van het evenwicht. 46 Fysieke aspecten

2.3.2 Fijne motoriek Tekenen en schilderen. De fijne motoriek wordt in de kleuterklas vaak gestimuleerd door het kind te laten tekenen. Vooral het gericht tekenen is van belang. Daarbij wordt aan het kind gevraagd om iets specifieks op papier te zetten (een huis, een hond, een fiets enz.). Ook schilderen is mogelijk. Kinderen kunnen bijvoorbeeld afwisselend grove en fijne borstels gebruiken om de controle over hun hand(en) te verbeteren. Door met verfstempels te werken op papier, wordt dan weer de pengreep (zie Figuur 17) aangemoedigd, die noodzakelijk is voor het leren schrijven. Figuur 17: voorstelling van de pincetgreep en de pengreep Voorbereidende schrijfoefeningen. Voorbereidende schrijfoefeningen zijn oefeningen waarbij het kind onder andere schrijfbewegingen van letters maakt. Eerst kan een leerkracht een patroon geven op papier waar het kind met een pen overheen moet. Later kan de leerkracht een aantal patronen op papier aanbieden, waarna het kind de reeks moet afwerken. Een aantal voorbeelden worden gegeven in Figuur 18. Motorische ontwikkeling 47

Figuur 18: enkele voorbeelden van oefeningen die de fijne motoriek van kinderen kunnen voorbereiden op het schrijven Puzzels leggen. Het leggen van puzzels vereist naast de gepaste aandacht ook controle over de handen en de vingers. Blokpuzzels zijn het gemakkelijkste om te leggen, omdat het puzzelstuk met de volledige hand kan worden gehanteerd. Andere puzzelstukken vereisen een pincetgreep. Plasticine. Plasticine laat opnieuw de kleuter toe om fijne motorische vaardigheden te oefenen en uit te breiden wanneer hij figuurtjes moet boetseren of vormpjes moet maken. Knippen. Het hanteren van een schaar behoort tot de fijne motorische vaardigheden. Kleuters worden bijvoorbeeld gevraagd om foto s of prenten uit tijdschriften te knippen. Het samengaan van de waarneming en de motoriek wordt door gericht knippen sterk geoefend. Torens bouwen. De mate waarin het kind fijne motorische vaardigheden nodig heeft voor het maken van torens, hangt ten dele af van de grootte van het gebruikte materiaal. Grote blokken stapelen is meer aangewezen bij jongere kinderen. Oudere kleuters vinden meer uitdaging bij het stapelen van kleinere voorwerpen Figuur 19: afhankelijk van de grootte van de blokken worden meer eisen gesteld aan de fijne motoriek van een jong kind 48 Fysieke aspecten

3 Ontwikkeling van de zintuigen 3.1 Visuele waarneming 3.2 Auditieve waarneming 3.3 Geur en smaak 3.4 Tastzin 3.5 Intermodale perceptie 3.7 Perceptie-actiekoppeling Voor een communicatie met de omgeving zijn zien en horen in combinatie met de motoriek veruit de belangrijkste waarnemingen voor kleuters met een normale ontwikkeling (Hooijmaaijers, Stokhof & Verhulst, 2009). Daarom gaat de meeste aandacht in dit hoofdstuk uit naar de visuele ontwikkeling. Nochtans worden ook de auditieve ontwikkeling, de tastzin, de smaak- en de geurzin kort aangehaald. We bespreken de ontwikkeling van de waarneming van het kind op twee niveaus. In eerste instantie op het niveau van de lagere perceptie. De lagere perceptie maakt het mogelijk om kenmerken zoals kleur, vorm, bewegingsrichting en snelheid te kunnen waarnemen. Het gaat met andere woorden over het waarnemen van basiskenmerken. In tweede instantie wordt de hogere perceptie aangehaald. De hogere perceptie staat voor de waarneming van het volledige voorwerp zoals het waarnemen van een tafel, een fiets of een auto. Deze laatste vorm van waarnemen wordt gecontroleerd door twee belangrijke processen: aandacht en geheugen (Courage & Cowan, 2009). Ontwikkeling van de zintuigen 49