Toelichting Cito uitslagen Volgens de wet moet elke school de vorderingen van leerlingen volgen. Het LeerlingOnderwijsVolgSysteem (LOVS) is een hulpmiddel om kinderen tijdens hun hele basisschooltijd in hun ontwikkeling te volgen. Dit gebeurt met behulp van toetsen. Met welke toetsen dat gebeurt, is niet voorgeschreven. Er zijn verschillende methode-onafhankelijke toetsen op de markt. Net zoals de meeste scholen, werken wij met de toetsen van de Cito-groep. Door de vorderingen van elk kind in het oog te houden, kan het onderwijsprogramma zo goed mogelijk op de leerling worden afgestemd. Bovendien kan de school snel ingrijpen als er iets mis dreigt te gaan. Ook krijgt de leerkracht inzicht in hoe de klas het als geheel doet. Met het LeerlingOnderwijsVolgsysteem heeft de school ook een mooi instrument, om naar de kwaliteit van het onderwijs te kijken op schoolniveau. Ten slotte kan een school ook kijken hoe haar leerlingen scoren ten opzichte van het landelijk gemiddelde. Op de dr. Landmanschool maken we gebruik van twee soorten toetsen: Methodegebonden toetsen: dat zijn toetsen die de kinderen bevragen op de stof die ze in de lessen uit de methodes uitgelegd hebben gekregen in de klas. Niet-methodegebonden toetsen: Deze toetsen zijn los van een methode. Een bekend voorbeeld van deze toetsen zijn de toetsen van CITO en de AVI-leestoets. Grofweg gaan ze uit van het kennen en kunnen van bepaalde zaken op een bepaalde leeftijd. De uitslagen worden landelijk gewogen. Hoe je kind de methodegebonden toetsen heeft gemaakt kun je terugvinden in de beoordelingen op het rapport dat de leerkracht ingevuld heeft. Op het overzicht van de uitslagen van de Cito-toets vind je de uitslagen van de niet-methodegebonden toetsen van je kind vanaf groep 3. De scores De CITO toetsen geven in A-B-C-D-E niveau aan waar uw kind staat, in vergelijking met andere kinderen op scholen in Nederland. E D C B A 10% 15% 25% 25% 25% A-score goed tot zeer goed: de 25% hoogst scorende leerlingen B-score voldoende tot goed: de 25% net boven het landelijk gemiddelde scorende leerlingen C-score matig tot voldoende: de 25% net onder het landelijk gemiddelde scorende leerlingen D-score zwak tot matig: de 15% ruim onder het landelijk gemiddelde scorende leerlingen E-score zeer zwak tot zwak: de 10% laagst scorende leerlingen
AVI / leesniveau Het toetssysteem bestaat uit 12 niveaus, die zijn gekoppeld aan de leerjaren in het basisonderwijs. Er wordt uitgegaan van een gemiddeld leesniveau halverwege (M) en aan het eind (E) van de groep. Zo is AVI-M3 het technisch leesniveau dat een leerling gemiddeld halverwege groep 3 beheerst en AVI-E3 het gemiddelde leesniveau aan het eind van groep 3. Er zijn ook twee afwijkende leesniveaus, namelijk: AVI-Start, dat vooraf gaat aan AVI-M3 en bedoeld is voor beginnende lezers en AVI-Plus, dat op AVI-E7 volgt en aangeeft dat het leesniveau boven het gemiddelde niveau van de leerlingen aan het einde van groep 7 ligt. Overzicht leesniveaus: Groep 2 3 4 5 6 7 8 Periode midden AVI-M3 AVI-M4 AVI-M5 AVI-M6 AVI-M7 Plus Periode eind Start AVI-E3 AVI-E4 AVI-E5 AVI-E6 AVI-E7 Groep 3 De leerlingen van groep 3 krijgen, naast de uitslag van de Cito-toetsen, een overzicht mee van de toetsen die horen bij de methode Veilig Leren Lezen. In groep 3 zien we namelijk dat rond deze tijd veel kinderen Avi M3 nog niet gehaald hebben. Cito geeft dan meteen een E-score aan. Toch is het leesniveau van jullie kind meestal echt niet zo slecht. Bij AVI moeten de kinderen aan de tijdsnorm én aan de foutennorm voldoen. Vaak halen ze 1 van de 2 net niet. In het overzicht van Veilig Leren Lezen scoren de kinderen vaak wel voldoende op één of beide normen (vlot en correct), dus dat geeft een ander beeld van de leesontwikkeling van jullie kind. Hoe ziet het Cito-systeem eruit op de Landmanschool? Het LOVS van de Cito-groep bestaat uit reeksen toetsen voor verschillende leergebieden. Wij toetsen de midden- en bovenbouwleerlingen op spelling, rekenen, woordenschat, luisteren en begrijpend en technisch lezen. De kleuters worden getoetst op de basis voor rekenen (ook op de basis voor taal, maar dat gebeurt niet met een Cito-toets).De kleutertoetsen vormen het startpunt van het LOVS van het CITO. Met de eindtoets in groep 8 wordt de laatste toets binnen het systeem afgenomen. Afnamemomenten: Tweemaal per schooljaar (in sommige individuele gevallen vaker) worden op de dr. Landmanschool de kinderen niet- methodegebonden getoetst aan de hand van CITO-toetsen. Op de meeste andere Nederlandse scholen is dat ook zo.in januari/februari worden de medio-toetsen afgenomen (midden schooljaar) en in mei/juni de eindtoetsen (einde schooljaar). Speciale toetsomstandigheden nodig? Kinderen met ernstige lees-, spelling- of rekenproblemen komen in aanmerking voor ondersteuning bij het toetsen. Te denken valt aan: meer tijd voor een toets, een uitvergrote versie, een reken- of spellingopzoekboekje, of de mogelijkheid om de toets digitaal te maken. Het gaat om kinderen die door een deskundige onderzocht zijn en een speciale verklaring hebben voor hun leerprobleem. Per betreffend kind proberen we zo goed mogelijk te bekijken met welke hulpmiddelen het kind gebaat is.
Het ene kind werkt beter aan de computer terwijl het andere kind juist te vluchtig gaat werken. Door een en ander uit te proberen stemmen we de hulpmiddelen zo goed mogelijk op het kind af. Wat is een kleutertoets? De kleutertoetsen (basis rekenen ) vormen het startpunt van het LOVS van het CITO. Zij geven aan of de kinderen al beschikken over de basisvaardigheden om te beginnen met leren rekenen. Ze worden in de onderbouwperiode twee keer afgenomen. Wat meet een toets? De Cito-toetsen richten zich op het meten van de ontwikkeling van de zogenaamde cognitieve (wat weet het kind en wat kan het) vaardigheden. Bij een A of B score, is er in principe niets aan de hand. Maar als een kind een C, D of E scoort, betekent dit dat het extra aandacht nodig heeft. Ook wanneer een kind in vergelijking met eerdere momenten opeens lager scoort, is actie geboden. Dat geldt ook als een kind met een regelmatige A of B score opeens een veel lagere score haalt. Zijn de resultaten altijd op D of E niveau, dan betekent dit niet dat het kind onvoldoende scoort. Het kind kan een mooie stijgende lijn hebben in zijn persoonlijke ontwikkeling op een bepaald vakgebied. Niet elk kind is een kind dat A s kan en hoeft te scoren. Wij vinden het belangrijk dat we bij een kind proberen eruit te halen wat erin zit, en dat een kind zich steeds blijft ontwikkelen. Wat doen we op de Landmanschool met de resultaten? Signaleren De eerste fase, het signaleren, start met het afnemen en nakijken van de toetsen. De resultaten worden verwerkt in de computer waar de scores van de leerlingen worden omgezet in een letterwaardering (A - B - C - D - E). De toetsresultaten geven een goed beeld van de vorderingen van iedere leerling afzonderlijk maar ook van de groep als geheel. Analyseren Wanneer de leerkracht constateert dat een leerling - en dat geldt voor alle leerlingen - onvoldoende vooruitgaat of een te lage score haalt, zoekt de leerkracht uit waarmee die leerling problemen heeft. Ook kan de interne begeleider samen met de leerkracht analyseren wat precies de problemen zijn. Alle toetsen worden door de leerkrachten geanalyseerd om daarna de vervolgstappen in het onderwijs te bepalen. Zaken als: Zijn er bepaalde opgaven door veel kinderen niet begrepen? of Zijn er kinderen die uitvallen? en Zijn er kinderen die kunnen versnellen? zijn voorbeelden van vragen die de leerkrachten zich na methodegebonden toetsen stellen. Er zijn altijd kinderen die meer herhaling en uitleg nodig hebben. Verschillen: Soms zijn er bij een kind grote verschillen tussen de resultaten in methodegebonden toetsen en de CITOtoetsen. Dan heeft een kind bijvoorbeeld altijd goede dictees in de klas en toch een lage score op de spelling CITO-toets. Dit kan verschillende oorzaken hebben. Sommige kinderen letten erg goed op en onthouden heel goed wat er in de klas aan de orde komt, maar vinden het moeilijker om het op de lange termijn te
onthouden. Andere kinderen hebben bijvoorbeeld heel veel moeite met de manier waarop CITO-vragen gesteld worden. Deze inzichten geven ons informatie over hoe een kind leert en onthoudt. Maar het is ook mogelijk dat een leerling op de Cito-toetsen anders scoort dan op de methodegebonden toetsen, omdat de inhoud van de Cito-toetsen een gemiddelde van de inhoud van diverse methoden isdie op basisscholen gebruikt worden. Dit kan betekenen dat het CITO onderdelen toetst die in sommige methoden nog niet aan bod gekomen zijn. Al deze factoren worden tijdens de analyse meegenomen. Handelen Is het beeld van de leerling helder (aangevuld met de gegevens van de methodegebonden toetsen), dan stelt de leerkracht vast welke actie er ondernomen moet worden. De leerkracht maakt een handelingsplan en biedt dan gerichte steun. Ook kunnen er consequenties getrokken worden voor het lesrooster van een klas: wanneer een groep heel goed is in spelling maar minder goed in rekenen, kan de leerkracht besluiten meer lestijd te besteden aan rekenen bijvoorbeeld. Soms betreft de actie een plan voor de hele groep, om specifieke leerstof nog eens aan de orde te stellen. Soms wordt er hulp van de ouders gevraagd en is thuis oefenen een welkome ondersteuning. Kwaliteitszorg Het leerlingonderwijsvolgsysteem is niet alleen een krachtig hulpmiddel als het gaat om een optimaal leerproces voor iedere individuele leerling. Het is daarnaast onmisbaar voor de kwaliteitszorg. Het laat namelijk zien in welke mate iedere groep erin slaagt de doelen voor dat jaar te bereiken. Bovendien geeft het antwoord op een aantal belangrijke vragen. Is alles volgens plan gegaan? Waar moeten we onze aandacht in het bijzonder op richten? Wat behoeft verbetering? Ook op schoolniveau is het een instrument om de kwaliteit van het onderwijs hoog te houden. Het geeft ons de informatie die wij nodig hebben om gericht te kunnen blijven werken aan verbetering van ons onderwijs! Sociaal-emotionele ontwikkeling Zaken als intelligentie, werkhouding en creativiteit worden alleen indirect getoetst bij de Cito toetsen. De sociaal-emotionele ontwikkeling blijft helemaal buiten beeld. Sommige scholen hanteren daarvoor zelf toetsmethodes. Op de Landmanschool gebruiken wij SCOL(sociale competentie observatielijst).dit is een vragenlijst die de leerkracht invult en die het sociaal-emotionele welbevinden van jullie kind, de groep en jullie kind in de groep aangeeft.
Verschillende CITO toetsen De niet-methodegebonden toetsen: Hieronder vind je een uitleg van de CITO-toetsen die wij afnemen. Over het algemeen houden we de vernieuwingen bij, maar we laten ook toetsen weg die ons inziens niet noodzakelijk zijn. We willen de kinderen vooral niet overladen met toetsen. AVI toets: AVI staat voor Analyse van Individualiseringsvormen. Het AVI-niveau geeft de moeilijkheidsgraad van leesboekjes aan. Het gaat hierbij alleen om het vlot lezen, niet om het begrip van de inhoud. Het AVIsysteem is vernieuwd. In plaats van negen niveaus bestaan er nu twaalf niveaus. De nieuwe AVI-indeling is gekoppeld aan de groep waarin het kind zit. Voor de nieuwe AVI's staat een M of een E. De M staat voor midden en de E voor eind. M4 houdt dus in dat dit niveau behaald moet worden in het midden van groep 4 en E4 staat voor eind groep 4. Verder is er nog AVI-start en AVI-plus. Bij kinderen die bij ons nog volgens het oude AVI-systeem getoetst werden nemen we na AVI 9 in groep 7 nog de pluskaart af. Dit om te kijken of het leesniveau behouden blijft. Op de leerlingtoetskaart is het AVI-niveau omgezet in een A,B,C,D of E-score. Het werkelijke AVI-niveau kunt u aan de leerkracht vragen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen beheersingsniveau en instructieniveau. Beheersingsniveau is het leesniveau dat uw kind moet beheersen om zelfstandig te kunnen werken met teksten op een bepaald moeilijkheidsniveau. Bij Instructieniveau gaat het om teksten waarbij uw kind instructie nodig heeft. Zonder instructie zijn die teksten nog te moeilijk, maar met instructie kan uw kind via dergelijke teksten doorgroeien naar een hoger niveau van leesvaardigheid. Het instructieniveau van een leerling ligt dus altijd hoger dan zijn beheersingsniveau. Het AVI- niveau van een boek is niet het enige waar u bij het kiezen van boeken op zou moeten letten. Een boek heeft behalve de moeilijkheid nog andere eigenschappen, zoals aantrekkelijke en leerzame illustraties. Dit soort eigenschappen kan soms zwaarder wegen dan de technische of begripsmatige moeilijkheid van een boek. Het belangrijkste is immers dat uw kind plezier heeft in het lezen. Het is daarom goed om te kijken of een boek past bij de belevingswereld van uw kind en of het boek aansluit bij zijn of haar interesses. Een kind kan een bepaald onderwerp zo leuk vinden dat het een moeilijk boek over dat onderwerp uitkiest en met heel veel plezier leest. Begrijpend leestoets: Deze toets wordt een keer per schooljaar afgenomen. Alleen in groep 4 zijn er twee afnamemomenten. Elke toets bestaat uit teksten waarover meerkeuzevragen gesteld worden. Er zijn drie modules: een gezamenlijke startmodule, een gemakkelijkere module: Vervolg 1, en een moeilijkere module: Vervolg 2. Afhankelijk van de score op de startmodule maakt een kind vervolg 1 of 2. De kinderen maken dit niet op een dag, maar verspreid over meerdere dagen. De leerlingen van groep 3 en 4 schrijven hun antwoorden in het opgavenboekje. Vanaf groep 5 noteren de leerlingen hun antwoorden (A-B of C) op een antwoordblad.
DMT toets: Technisch lezen van losse woorden zonder dat het kind gebruik kan maken van de context. De toets bestaat uit 3 verschillende leeskaarten. Elke kaart moet 1 minuut hardop gelezen worden. De leerkracht noteert daarbij de fouten. *Kaart 1 bevat 150 woorden met 1 klinker en 1 of 2 medeklinkers. *Kaart 2 heeft 150 woorden met 1 klinker en 3 tot 5 medeklinkers. *Kaart 3 heeft 120 woorden van 2 tot 4 lettergrepen. Veel zorgverzekeraars hanteren de volgende norm: drie achtereenvolgende toetsmomenten een E-score op dezelfde kaart is nodig om in aanmerking te komen voor een vergoed dyslexieonderzoek. Fonementoets (groep 3): Een foneem verwijst naar een verzameling klanken die allemaal dezelfde betekenisonderscheidende functie hebben. Met de Fonementoets wordt nagegaan of kinderen weten welke lettertekens (grafemen) met de verschillende taalklanken (fonemen) overeenkomen. Grafementoets (groep 3): In het Nederlands kennen wij 36 basisgrafemen. Voorbeelden van gewone Nederlandse grafemen zijn: 'i', 'o', 'e', 'k', 'p' maar ook 'oe', 'ui', 'eu' en 'aa'. Kennis van lettertekens of grafemen is een belangrijke deelvaardigheid voor technisch lezen. Om een woordje als kam te kunnen lezen moet een leerling minimaal de afzonderlijke letters /k/ /a/ /m/ kunnen verklanken. De grafementoets meet de beheersing van respectievelijk de klank-letter-koppeling en de vaardigheid in het samenvoegen spraakklanken of fonemen. Met behulp van deze toets kunnen we dus vaststellen welke grafemen uw kind wel kent en welke niet. Leestechniek en leestempo: Voorheen gebruikten we nog wel eens de leestechniek en leestempo toetsen. Negatieve ervaringen daarmee hebben ons doen besluiten deze toets vanaf dit jaar niet meer af te nemen. Begrijpend Luisteren toets: Met deze toetsen achterhalen we de luistervaardigheid van de kinderen. Hoe goed begrijpt uw kind de gesproken taal. Er is uit onderzoek gebleken dat deze toetsen vaak veel zeggen over het succes van kinderen in het vervolgonderwijs. Spellingtoetsen: Deze toets werkt hetzelfde als de begrijpend leestoets. Afhankelijk van de score op de gezamenlijke startmodule, maken de kinderen het makkelijkere vervolg 1 of het moeilijkere vervolg 2. Dit doen ze verspreid over meerdere dagen. De toetsen zijn een combinatie van zinsdictees (woorden in groep 3) en meerkeuzevragen. De kinderen moeten dan het goed gespelde woord kiezen uit vier verschillend geschreven woorden; bijvoorbeeld: A. Ben je in de zomer op vakantie geweest? B. De caviea van de buren heet Sammie. C. Mijn moeder heeft een taart gebakken D. Weet jij waarom hij zo raar doet? Vanaf eind groep 7 is er ook een spellingtoets die de werkwoordsvormen toetst. Woordenschattoetsen:
Voor elke groep zijn er per leerjaar twee toetsen: één voor halverwege het leerjaar en één voor aan het eind van het leerjaar. De woorden die in deze toetsen aan bod komen, zijn geselecteerd uit een woordfrequentielijst. In deze lijst staan woorden die in het basisonderwijs voorkomen onder andere in lesmethoden, jeugdboeken en in het taalaanbod van de leerkracht. Rekenen en Wiskunde toetsen: Voor de groepen 3 tot en met 7 zijn er per leerjaar twee rekenen toetsen: één voor halverwege het leerjaar en één voor aan het eind van het leerjaar. In groep 8 is er één toets. De toetsen hebben betrekking op de leerstofonderdelen: Getallen en getalrelaties Hoofdrekenen: optellen en aftrekken Hoofdrekenen: vermenigvuldigen en delen Complexere toepassingen Meten, tijd en geld Tempo-test rekenen: Omdat het automatiseren van sommen zo belangrijk is bij rekenen gebruiken we sinds dit schooljaar deze test, om te kijken hoe snel een kind kleine plus, min, keer en deelsommen maakt. Bij varia staan de vier bewerkingen door elkaar. Er komt een totaalscore uit van de vijf onderdelen. Kleutertoetsen De kleutertoetsen (basis rekenen ) vormen het startpunt van het LOVS van het CITO. Zij geven aan of de kinderen al beschikken over de basisvaardigheden om te beginnen met leren rekenen. Ze worden in de onderbouwperiode twee keer afgenomen.